Gezelschapsmens en eenzaamheid

7 december 1956

Ik moet natuurlijk nog even naar voren brengen: Dat wij in genen dele alwetend of onfeilbaar zijn. Vandaag zou ik willen spreken over: Gezelschapsmens en eenzaamheid.

Het lijkt op het eerste gezicht een tegenstelling, wanneer ik zeg: gezelschapsmens en eenzaamheid. Maar in feite zijn deze twee maar al te vaak één. Eenzaamheid is niet in de eerste plaats het alleen staan. Men meent vaak, dat dit het criterium is, dat je op je eigen voeten staat, dat je desnoods een paar weken geen mensen te zien krijgt. De ware eenzaamheid is iets anders.

Een ontbreken van banden met de wereld en de mensheid. En juist deze eenzaamheid vinden wij bij de gezelschapsmens en zeker in deze tijd, meer dan ooit. Leven in de wereld betekent voor heel veel mensen tegenwoordig “zo goed eraf komen, als je kunt, zo weinig mogelijk verplichting en verantwoording op je nemen”.  Dergelijke mensen leven wel degelijk in de gemeenschap. Zij zijn vaak “haantje-de-eerste” bij verschillende feestpartijen. Zij zijn zakelijk, misschien genieën, kortom, zij zijn overal en altijd te vinden. En overal en altijd ontdekken wij achter hun drukte een zekere wanhoop, een ennuï vaak, een zekere verveling. Want bij hun zaken denken zij slechts aan zichzelf.  Op de feesten komen zij slechts om zichzelf te vermaken en er is niemand, met wie zij delen. Kijk, die mensen zijn werkelijk eenzaam.

Een herder, die wekenlang misschien trekt met zijn kudde, zo nu en dan eens iemand ziende, misschien één of twee keer per dag een paar woorden wisselend, ja, in andere landen soms wekenlang, ja, maandenlang afgesloten van de wereld, heeft meer contact met de mensheid dan zo’n gezelschapsmens. Die herder heeft een taak. Die zorgt voor zijn dieren. Die dieren behoren bij zijn opdrachtgever. Hij voelt zich aan deze verbonden. Hij denkt aan de vrienden, die op hem wachten, aan de mensen, die hij in de uitoefening van zijn beroep enige tijd heeft moeten achter laten. Hij is niet eenzaam, ook al is hij wel alleen.

Die eenzaamheid wordt nog groter voor de gezelschapsmens, wanneer hij niet alleen de mensheid beschouwt als een soort van speeltuin, waarbij zijn egoïstische instelling ieder tot slachtoffer maakt van zijn wensen en begeren, maar bovendien nog afscheid neemt van alles, wat verder nog betekenis kan hebben een ideaal, een God, een geloof. Het klinkt vaak allemaal zo simpel. “Nu ja, ik doe er niet meer aan, dat geloof. Het irriteert mij. En God, Hij bestaat misschien wel, maar met mij houdt Hij Zich toch niet bezig. Waarom zou ik mij met God bezig houden? Idealen? Ik heb ze gehad en ik heb er duur voor betaald. Ik maak mij er niet meer druk over. Deze, en in andere vorm zinsnede hoort u maar al te vaak. Zij zijn het teken van de mens, die werkelijk eenzaam is. De mens, die zonder het te weten misschien, elke band met het werkelijke leven verbreekt. Er zijn er vroeger geweest, die ditzelfde gedaan hebben. Sommige om ideële redenen, anderen omdat zij vluchtig waren.

Een voorbeeld; Een zekere Captain Dean, een Engelsman, besloot te gaan ‘varen voor de Bay van Tunis, in die tijd een groot kapersvorst. Hij werd iemand, die voortdurend en ten alle tijde elke blanke, elke christen haatte. Hij had het geloof van moslims aanvaard, maar hij hoorde er niet bij.  Het eigenaardige van deze mens en zijn levensgeschiedenis is wel dit; Na ruim 15 jaar als succesvol kaperkapitein te hebben gevaren, wilde hij terug keren naar zijn vaderland. Maar geloven kon hij niet, mensen vertrouwen dorst hij niet, vrienden maken werd hem onmogelijk. Hij keerde na ongeveer 1½ jaar in Engeland terug, na een tijd op het vaste land van Europa te hebben doorgebracht, naar Tunis, waar hij zichzelf doodde.

Daar heeft u zo’n verhaal van een eenzame, van zo’n arme mens, die alles verloor. De mensen van zijn tijd hebben misschien gedacht: “Die Dean maakt het toch maar goed. Zijn schatkisten zijn vol en hij is meester op zijn eigen dek, Hij mag zelfs bij gelegenheid een klein eskader aanvoeren van kaperschepen, hij wordt geacht, hij heeft zijn eigen paleis, slavinnen genoeg, wat wil hij nog meer?” Het enige waar het op aankwam, had hij niet, de band met zijn medemensen. Wanneer ik zo over deze denk dan lijkt het mij, dat die eerste moord volgens de bijbel, de doodslag van Abel door Kaïn, ook een uiting is geweest van een dergelijke eenzaamheid, een dergelijke wanhoop. Ik kan het mij zo echt voorstellen. Kaïn ruw, de jager, de mens, die wil heersen. Een vader en een moeder, die hem niet aankijken. Een broer, die hem goed bejegend, omdat hij nu eenmaal zijn broer is, maar eigenlijk die ruwe klant een beetje minacht. Dan ben je zo alleen, dat niets en niemand je meer troosten kan.  In het bijbels verhaal staat het; het offer van Abel werd aangenomen, die rook steeg ten hemel. Maar Kaïns offer werd niet aanvaard, de rook sloeg neer. Het staat er zo met een paar zinnetjes. Och, het kan een heel gewone speling der natuur geweest zijn. Maar zeker is het, dat het voor Kaïn de laatste druppel is geweest. Hij was totaal uitgeworpen, ook zijn God verwierp hem. hij had geen tanden meer. Wat doe je dan? Dan ga je je wreken op de wereld. Toch zal het zijn eigen schuld wel geweest zijn, dat hij zo eenzaam was geworden.

Waar wij ook gaan kijken: wij zien altijd weer hetzelfde. Wij zien de grote veroveraar Djengis Kahn. Djengis Kahn, die zo gevreesd werd, dat een heel werelddeel sidderde voor zijn naam. Djengis Kahn, die geen vrienden had. Ja, zeker, hij had trouwe satrapen, had edellieden, die bij hem stonden van het begin tot het einde. Hij speelde de goedige man, maar hij had niets meer. In zijn jeugd verloor hij zijn geloof en zijn geloof in de mensen. Toen werd hij vervolgd, uitgewezen, misbruikt. Toen hij eenmaal de macht kreeg, toen wilde hij de hele wereld wel in stukken slaan. Hij wilde meester zijn boven alles. Hij nam de vrouwen, die hem vroeger geweigerd waren. Hij veroverde de rijkdommen, waarvan hij vroeger niet eens durfde te dromen. Hij smeedde een rijk aaneen, waar vroeger alleen maar kleine, vechtende stammen waren geweest. Maar hij had niets. Want zijn troon en zijn rijk waren alleen maar de verheerlijking van zijn eigen wezen. Verplichtingen kende hij niet tegenover zijn volgelingen.  O, ik weet het: de geschiedenis vertelt het anders; zoals alle helden altijd edel zijn. Zelfs wanneer het helden zijn in een ver verleden, die werken op de verbeelding van een westerling. Hij was eenzaam, hij was verlaten. En na zijn dood werd die eenzaamheid nog eens duidelijker uitgedrukt.

Denk aan Caesar, die droomde van alle dingen. Hij verhief zich uiteindelijk zo ver boven de mensen, dat er nog maar een paar waren, die hij vertrouwden. Maar ook dezen gebruikte hij als pionnen in een schaakspel. Vandaar zijn dood door verraad en zijn woorden, die zo bekend zijn geworden, doordat een zekere William Shakespeare in zijn spel heeft verwerkt; “Et tu, Brutus?” En gij, Brutus? Het is altijd weer de treurnis van een verhaal, van een afscheid van de wereld, van de moedeloosheid. Of het de waanzin is van een Nero, of de onverschilligheid van een Lodewijk XIV. Mensen, die de wereld niet kennen als een gemeenschap. Die zichzelf daarboven zien staan, die niet meer geloven aan een God, niet meer dromen aan een verbetering voor iedereen, maar alleen maar van groter heerlijkheid en kracht voor zichzelf. Dat zijn gezelschapsmensen.  Het vreemde is, dat wij juist deze grote eenzamen nooit vinden in de werkelijke eenzaamheid. De heremiet, die de woestijn intrekt is verbonden met zijn God. Een spel van visioenen en strijd is voor hem het bewijs, dat hij ergens bij hoort. Hij heeft contact. Hij kan alles zijn, behalve eenzaam. Die mensen, die daar midden in de maatschappij staan, die daar hun satanisch spel spelen om hun eigen “ik” toch maar vooral te bevredigen en te verheffen. Dat zijn de werkelijk eenzamen op de wereld. In deze tijd, waarin u leeft, dreigt die eenzaamheid een wereldziekte te worden. Vroeger waren het de enkelingen: de groten, die daaraan leden, nu zijn het alle mensen.

Het zijn de jongelui, die zeggen: “Wat interesseert ons die wereld”, die God van zich aftrappen, omdat zij de wreedheid van de mensen niet kunnen begrijpen, Jonge mensen, zeggen: “Waarom zou ik mij druk maken om jullie wetten, om jullie ouderen, wat hebben jullie anders gedaan dan die wereld kapot maken? Wat heb je ons gelaten?” Jonge mensen, die zeker in hun clubjes uitgaan en dansen en bioscopen bezoeken, die werken in gemeenschap met anderen en toch alleen staan, altijd weer. Staatslieden, die de werkelijkheid niet meer durven erkennen. Die zich afzonderen van het volk van hun taak, die uiteindelijk zelf geen idealen meer kennen, maar alleen maar een behoud van hun eigen positie. Er zijn er meer, dan U misschien denkt. Mensen, die eenzaam zijn, totdat de hele wereld een dreiging is, zij nergens een rustpunt kunnen vinden, dat voor hen dan toch weer een sterking, een contact, een ogenblik van vrede betekent. De voorbeelden van eenzamen zijn er velen, Rusland? Is Rusland eigenlijk niet eenzaam? Een regime, waarin de mensen met verstand niet durven geloven, omdat zij het steeds moeten wijzigen, of ten onder gaan. Een systeem, dat niet deugt, een ideaal, dat allang verworpen is. Een wereld, waarin je niemand kunt vertrouwen. Een wereld, waarin je steeds maar vechten moet tegen iedereen, zelfs tegen je beste vrienden, en blijven zitten op de plaats, waar je zit. Is het een wonder, dat Rusland, als staat, zo wantrouwend doet tegenover een ieder dat het vaak zo amok loopt, zij het dan misschien niet met dat geweld, dat men met dit begrip vaak vereenzelvigt?

Elite Russische staatsman is alleen één mens met alleen nog maar de begeerte om zichzelf te blijven, zijn eigen positie te vergroten, en een hele wereld van vijanden. Dan mogen zij rondreizen over de hele wereld, dan mogen zij glimlachen en complimenten uitdelen, maar zij zijn eenzaam. Eenzaam aan die grote staatsbanketten. Eenzaam op hun reizen, altijd weer. Zo zijn er meer. Politici in Washington, of wat dat betreft in Pentagon. Mensen, die bezeten worden door één idee en wier idee uiteindelijk vaak is, een lange tijd van ideaal streven, dat niet mocht gelukken, een zelfhandhaving ten koste van alles……  Eenzaam. En u misschien ook, misschien dat u nu nog een ideaal heeft, dat u ergens van droomt. Hoe zal het morgen zijn? Het leven brengt voortdurend slagen. Het gaat niet altijd zo, zoals je het jezelf hebt voorgesteld, zoals je je dat gedacht hebt. Vaak zijn er mislukkingen, vaak zie je plotseling het hele kaartenhuis van vertrouwen in elkaar zakken, dat je hele leven verandert, maar dan moet je toch maar verder gaan.  Ik weet het. Dan is het erg moeilijk om niet te zeggen; “Nu ja, dan ga ik voor mijzelf leven, wat kan mij de rest nog schelen?” Op het ogenblik, dat je dat doet, ben je eenzaam. Er zijn mensen, die dat dan verklaren met een persoonlijke verheerlijking op geestelijk terrein. Dan zeggen zij: “Ja, ik sta geestelijk zo hoog, dat ik niemand meer kan vinden op deze wereld, die bij mij past”, dat zijn egoïsten…. Want zolang als je mens bent, zul je meer met mensen te maken hebben en minder jezelf doen gelden, naarmate je geestelijk hoger staat. Het geestelijk hoogstaande en het geestelijk streven is dan een uitvlucht, om die wereld toch vooral naar beneden te kunnen zien. Die wereld neemt het meestal niet en dan wordt je eenzaam. De mensen, die menen dat je door geboorte, of door bezit, verplichtingen hebt, maar ook rechten tegenover anderen. En als je daarmede begint, dan ga je al heel gauw je eigen idee van een rijk mens dienen.  Dan pas je niet meer in die wereld.

Er zijn kunstenaars, die beginnen met het weergeven van de kunstwerken van de grote meesters, maar uiteindelijk zo bezeten worden door hun eigen successen, dat zij alles dienstbaar maken aan het kostbare ego. Dat zij Mozart spelen, niet zoals Mozart het geschreven heeft, maar zoals zij het al tingelend en wauwelend ter verheerlijking van hun eigen persoonlijkheid willen geven. Dat zij Bach maken tot een instrument, waaruit je een aardig jazzdeuntje kunt blazen om te laten horen, hoe je toch vooral virtuoos bent. Die mensen worden ook eenzaam. Wanneer een mens niet in zijn idealen en de mensheid gelooft, dan heeft hij geen taak meer. Hij kan niet leven in het gezelschap van anderen, dan kan hij leven in het gezelschap van anderen, dan kan hij in de maatschappij hoog staan en op alle belangrijke bijeenkomsten zijn, dan kan hij geestelijk misschien zeer gewaardeerd worden en gezien worden als iemand van buitengewone goedgeefsheid van weldadige kracht en in vloed. Zolang als het om het “ik” draait, is de mens, die schijnbaar de spil, van de gemeenschap is, een eenzame. Daar valt een les uit te trekken, Een les voor het leven van alle mensen. Een zeker ook voor ons en voor u. Wij moeten altijd, zelfs wanneer wij menen boven de menigte te staan, de menigte dienen. Wij mogen nooit menen iets terzijde te kunnen staan, omdat het te dom, te dwaas, of te onbelangrijk is. Wij mogen nooit een ideaal verwerpen, dat onvervulbaar lijkt. Wij mogen nooit een God loochenen, omdat Hij Zich aan ons niet toont. Wij moeten trachten te leven met al deze dingen om werkelijk mensen der gemeenschap te zijn, geesten, die contact met de kosmos handhaven. Op het ogenblik, dat wij beginnen met kleinigheden opzij te werpen, schijnbaar zo onbelangrijke: “Och, waarom zou ik me druk maken over die medemensen?” lopen wij het gevaar om onszelf tot eenzamen te maken. Een eenzaam mens, een eenzame geest, zijn de ongelukkigste wezens die er bestaan. Een geest, die eenzaam is, kan nooit leren, wat bewustwording is, zelfs wanneer hij leeft in het licht. Hij heeft geen contact met anderen en blijft in zijn eigen waan, zijn eigen gedachten, zijn eigen voorstellingen gevangen. Een mens, die zich afsluit van de gemeenschap, kan nooit werkelijk actief zijn werkelijk iets betekenen. Het blijft een schil, die op de duur door anderen wordt uitgeworpen en die, dit uitgeworpen aanvoelende, vernederd wordt en tracht een wereld te vernietigen. Dergelijke tragische figuren passen niet bij ons. Niet bij de geest en niet bij de stof. Wij kunnen ze niet benaderen, want zij werpen onszelf weg. Men moet altijd bereid om een dergelijke eenzame toch weer de hand toe te steken. Men moet altijd bereid zijn voor alles om al te doen, wat wij kunnen, dat voor komt, dat ook wij eenzaam worden. Nu denkt u misschien, dat het een onbetekenend preekje is. Het gaat hier om een van de belangrijkste punten van de moderne beschaving. In die wereld, waarin u leeft, van de geest, die uit uw wereld in onze wereld komt, in een wanbegrip soms meent zich tegen alles, zelfs het licht, meent te moeten verdedigen.

Het probleem van uw tijd. Het probleem van de geest, die ontwaakt. Geest, die in de mens ontwaakt, op uw wereld. De geest, die juist omdat anderen nog niet zover zijn, geneigd is die wereld als minderwaardig te zien, die wereld te verwerpen en achteruit te stellen. De geest, die meent, dat haar eigen stoffelijke bereikingen belangrijker zijn dan een eenheid met God, of een eenheid met de mensheid.  Het leven, onverschillig of u behoort tot degenen, die slechts zelden, of degenen, die steeds weer met hun medemensen in aanraking komen, wij moeten steeds weer deel hebben aan het leven van onze wereld, waar hij ook ligt, hoe hij ook gebouwd is. Wij moeten één zijn met allen, die rond ons zijn, samen met anderen moeten wij werken en streven, opdat wij kunnen lachen en spelen. Samen met anderen moeten wij onze weg kunnen gaan, dromend van idealen, of de leerstellingen verwinnen. Alleen dan zo, zijn wij in staat zijn dit noodlot te voorkomen, dat in de mens en zijn wereld zo vaak, zo heel vaak de incest noodlottige invloed blijft; de eenzaamheid, de verlatenheid. Verlatenheid, niet door omstandigheden, of door anderen, maar door je eigen voortdurend verwerpen, van al, wat het leven het leven waard maakt. Eigen voortdurend afstand doen van het enige, waarvoor je leeft een stof of geest, eenheid met de kosmos, het contact met steeds groter deel van de Schepping.

Ik geef u dit ter overweging. Als iemand er het niet mee eens is, och….. u kunt het rustig zeggen. Maar voor alles zou ik u zeggen: overdenk dit.

WAAROM MOET EEN MENS SLAPEN EN WAAR IS HIJ DAN?

Wanneer ik lichtzinnig zou zijn, dan zou ik zeggen: een mens moet slapen, opdat hij tenminste een paar uur per dag niet in staat is kattenkwaad uit te halen.

Slapen. De slaap op zichzelf is een ontspanning van het lichaam, waarbij de functies, die door het denken en de bewuste actie te sterk werden gericht op animale functies, terug kunnen keren tot het normale, waardoor levenskracht en veerkracht in het leven terugkeert. De vermoeidheidsstoffen, die in het lichaam zijn opgehoopt, worden dan ook tevens uitgescheiden. Het is mogelijk deze behoefte aan slaap te voorkomen door bepaalde variaties aan te brengen in de afscheiding van de schildklier. Je zoudt dan theoretisch te maken kunnen krijgen met een mens, die inderdaad jaren achter elkaar, 24 uur per dag, actief kan zijn. Maar nu blijkt, dat indien zo iemand voortdurend actief blijft met zijn bewustzijn en ook daar geen ontspanning kent, deze mens voortdurend meer anormaal wordt. Hij wordt anders. Hij wordt minder menselijk. Hij krijgt met vooral zielenkundige problemen te worstelen, die anders niet bestonden. De slaap is een noodzaak en zonder slaap kom je er niet. Wat er gedurende die slaap gebeurt en waar je naar toe gaat, ach….. Behalve wanneer je slaapwandelt, zul je waarschijnlijk gedurende de slaap in een legerstede, in een bed vertoeven.

Dat de geest in deze tijd somwijlen zich van het lichaam kan splitsen en elders bezig zijn, een dubbel leven kan voeren a.h.w. waarbij zij op een ander vlak evenzeer werkzaam is als het lichaam op zijn eigen vlak, ja, dat is inderdaad waar, maar lang niet zeker. Wanneer de geest naar een andere sfeer gaat om daar te werken en te leven, dan moeten wij te maken hebben met iemand, die een redelijke geestelijke vrijheid, dus een beheersing over de stof, maar ook geestelijk, reeds heeft verworven.  Krijgen wij te maken met iemand, die dat zo incidenteel doet, dan hebben wij meestal met een toeval te maken. Iemand, die ook toevallig eens een keertje aan geestelijk werk begint, maar toch eigenlijk per ongeluk. Wij kennen natuurlijk degenen, die de geest boven het lichaam rust. Het zijn de mensen, die het beste slapen, omdat bij volledige uitschakeling van het stoffelijke bewustzijn, behalve de automatische functies, van een droomleven, of een denkleven geen sprake meer is. Maar de geest, zoals men het noemt, of zoals men het ook wel eens zegt; dit etherisch dubbel, zweeft dan kort boven het lichaam en droomt in zichzelf, denkt wat, ontvangt wat invloeden van zijn eigen wereld, bewaart ze, zonder veel redelijk bewustzijn.

De mogelijkheden voor de geest in de slaap zijn ongeteld. De vraag of zij ze altijd zou kunnen verwerkelijken, moet m.i. met een grondig “neen” worden beantwoord.  De volgende mogelijkheid bestaat er voor de geest gedurende de slaap. Ten eerste: bewuste uittreding. Deze kan plaats vinden naar bepaalde streken op aarde, kan dus inhouden: waarneming in eigen tijdsvlak, maar ruimtelijk verplaatst. In de slaap kan optreden: een waarneming van eigen omgeving, of andere omgevingen in een verschoven tijdvlak, sprong in tijd, of in tijd en ruimte, er is mogelijk een flauw bewust contact met bepaalde geestelijke invloeden; er is mogelijk een sterk bewust contact met geestelijke invloeden, zonder dat het lichaam wordt verlaten. Daarnaast vinden wij de mogelijkheden, bewuste uittredingen in andere sferen, bewuste activiteiten in andere werelden en sferen, het deel hebben aan bepaalde scholingen, zoals het deel hebben aan werkzaamheden, die normalerwijze tot een andere wereld behoren, waarin de geest echter zich vrijelijk kan bewegen.

Deze laatste mogelijkheid kan zozeer worden uitgebreid, dat de mens in een andere wereld zijn vaste plaats heeft, geestelijk zijn vaste taak en zijn vaste scholing doormaakt, dit dan ook regelmatig doet, zodra het lichaam in de rusttoestand komt. Dit laatste komt betrekkelijk weinig voor naar verhouding en daarom zou ik zeggen, wanneer u mij vraagt “waarom moet je slapen”, dat het noodzakelijk is, dat het lichaam rust en ontspanning krijgt.…. vooral de hersenen, die vaak zwaar worden belast. Wat doe je gedurende je slaap? Ofwel in je eigen bewustzijn bepaalde dingen realiseren, dan wel praktisch alle bewustzijn uit te schakelen en geestelijke invloeden verwerken, die stoffelijk redelijk niet meer vatbaar zijn, dan wel het lichaam geheel verlaten en gedurende deze periode op andere wijze, dus op een ander vlak, in een andere wereld, werkzaam zijn.  Is dit zo kort als het is voldoende? Is er commentaar, zijn er vragen?

  • Wordt er in uw wereld ook geslapen?

Zeker, maar wij slapen niet zoals u. Bij ons kun je zeggen, bestaan er drie fasen; de eerste is werken. Werken wordt verricht in of buiten de eigen sfeer met inzet van de volle persoonlijkheid. Wij kennen hierbij een inzetten van krachten, dat vaak gaat tot de uiterste grens van ons eigen vermogen.

Daarnaast kennen wij de speltoestand, of rusttoestand. Niet te vergelijken met de slaap, waarin het wezen volgens zijn eigen bewustzijn en eigen verkiezing dwaalt, of doolt, zijn ervaring opdoet en krachten vergaart uit de eigen omgeving. In deze toestand kan lering ontvangen worden, maar nooit regelmatige lering.

Dan kennen wij de toestand, die met slaap het beste te vergelijken is, die wij noemen: een tijdelijke verhoging. Een tijdelijke verhoging betekent voor ons een uitschakeling van onze eigen activiteiten, zowel als onze eigen spelmogelijkheden binnen de eigen wereld en een vertoeven van een gedeelte van ons wezen in een andere, hoger gelegen wereld. In deze wereld leren wij meestal, ontvangen wij verder zeer veel kracht en krijgen wij een heel nieuw inzicht in verschillende dingen. U zou dus kunnen zeggen, dat wij dromen in een werkelijkheid, die nog niet de onze is. Dat is voor ons de slaap, zo ongeveer als slaap voor u is.

  • Wilt u iets zeggen over het z.g. kosmisch reservoir? Kan iemand uit de stof eruit putten?

Theoretisch iedereen, wanneer men zegt kosmisch reservoir, dan bedoelt men daarmede het totaal van de kosmische kracht plus het totaal van het kosmisch weten. Beiden zijn door elk wezen af te tappen, zover als dit wezen in staat is deze krachten bewust te ervaren en te ontvangen. De eigen staat van bewustzijn maakt dus uit in hoeverre u deel uit kunt maken van dit kosmisch geheel en dus ook de krachten van dit kosmisch geheel voor uzelf bezitten. Het zelfde geldt voor het kosmisch geheugen en kosmisch weten. Naarmate men zelf beter is afgestemd op een bepaald deel, kleiner of groter, van het kosmisch weten, of kosmisch geheugen, zal men daaruit de impulsen kunnen putten, die noodzakelijk zijn voor het eigen “ik”, of dienstig zijn aan het eigen “ik”.  Maar wij mogen nooit aannemen, dat het kosmisch reservoir eenvoudig aan te boren is. Het aanboren van een kosmisch reservoir, hetzij van kracht of van weten, is altijd afhankelijk van onze eigen ogenblikkelijke instelling, plus ons vermogen om die instelling te handhaven op een zodanige wijze, dat de kosmisch kracht primair blijft en ons eigen “ik” slechts als secundaire functie daarvan optreedt. Zolang wij in deze toestand van geheven bewustzijn a.h.w. verkeren kunnen wij zeer grote krachten ook in de stof uit de kosmos ontnemen en op aarde toepassen volgens ons beste weten, kunnen wij kennis verwerven omtrent die dingen, die voor de normale mens verborgen zijn en deze weergeven zover als ons eigen begripsvermogen en stoffelijke capaciteit dit mogelijk maken.

  • Zijn er in het kosmisch geheugen ook uitvindingen aanwezig?

Ja. Het is net als met de Russen. Het heeft elke uitvinding altijd eerder dan iemand anders. Wanneer wij spreken over een kosmisch reservoir van weten, dan wil dat zeggen, dat het totaal der mogelijkheden, die in de kosmos bestaan, binnen dit weten zijn bevat. Die houden ook de uitvindingen in. In feit is het zo, dat de beperkte omstandigheden van bv. uw wereld, slechts een klein deel van de totaal mogelijke uitvindingen waardevol maakt voor uw eigen bestaan en eigen omgeving. De afstemming van uw wereld is dus op een betrekkelijk klein deel dier mogelijkheden en een betrekkelijk klein deel dier wetten, die regerend zijn voor de meeste van deze uitvindingen.  Als resultaat blijft op uw wereld een voortdurende herhaling van uitvindingen redelijk, logisch en verklaarbaar. Dat die uitvindingen steeds veranderen in vorm, doet aan het wezen der uitvinding niets af. De eerste karrevoerder, die een spekzwoerd gebruikte in het wielgat en zo op de as gesmeerd en dus lichter zich voort te kunnen bewegen met zijn wagen, was dus eindelijk de voorloper van uw eigen modernste, bronzen, luchtgekoelde lagers. De uitvinding is gelijk, de uitvoering is anders. In deze zin kunnen wij zeker zeggen: er is niets nieuws onder de zon. Willen wij uitgaan van het standpunt, dat ook materiaal, wijze van uitvoering e.d. voor een uitvinding zeer belangrijk zijn, kosmisch gezien, dan moeten wij zeggen, dat elke uitvinding zoveel verschilt van de andere, als de ene vingerafdruk van de andere kan verschillen. Zij zijn nooit gelijk, maar zij lijken ontzettend veel op elkaar.   Groepen als deze bestaan hoofdzakelijk uit mensen van middelbare leeftijd.

  • Hoe kunnen jongeren aangetrokken worden? Of ziet u de noodzaak niet zo dringend?

Ja, als ik met het laatste het eerste moet beginnen. Ik zie het niet zo dringend en zo belangrijk, dat de jeugd daar onmiddellijk mee begint. Dat volgt vanzelf uit de verklaring, die ik hierover moet geven. Aantrekkingskracht voor mensen van middelbare leeftijd, zegt u. In vele gevallen is dat nog vleiend. Want over het algemeen wordt de aandacht van deze aspecten van het leven, dus esoterische waarheden, filosofie, het bovennatuurlijke en dus ook ons werk pas ervaren als belangrijk op het ogenblik, dat de dood dichterbij gaat komen. De jeugd denkt aan het leven. Zolang de jeugd aan het leven denkt, is zij materialistisch, de mens, die aan de dood begint te denken, vergeestelijkt.  Wanneer de jeugd vroeg zou beginnen met deze dingen na te gaan en na te streven, zou zij zich toch nooit zo kunnen interpreteren. Zij zou kunnen gaan zoeken en denken, gaan experimenteren, inderdaad. Maar dat zou zij op haar eigen wijze doen. En dan zou er tussen de jeugdgroep en uw groep een toch groot verschil zijn. Wij hebben zelf experimenten uitgehaald met jeugdgroepen. Het was opvallend, dat ofschoon de belangstelling, die wij kregen, zeer groot was voor hetgeen wij brachten, toch een hockeywedstrijd, een partijtje voetbal, zwemmen gelijk in belangrijkheid kwam. Het is begrijpelijk. De jeugd heeft behoefte aan een stoffelijke activiteit en wil niet volstaan met alleen maar geestelijk werk.

Wanneer u mij vraagt richtlijnen om voor de jeugd deze dingen attractiever te maken, ben ik bang, dat u gechoqueerd zult zijn. Verbindt aan een seance een nazitting, waarop bv. gelegenheid is rock and roll te dansen. Verbindt aan de bijeenkomsten de gelegenheid tot bezoeken van sportwedstrijden, van excursies, experimenten van velerlei aard, verbindt er aan vertoning van films, oude en nieuwe, kortom, neem datgene, wat je jeugd normalerwijze interesseert en baseer daarop het geestelijk werk. Dat is misschien helemaal zo gek niet, als u wel denkt. Bv. een sportwedstrijd zou wel eens een aanleiding kunnen zijn tot een lezing over de samenwerking en het overwinnen van tegenstand. Een rock and rollpartij zou aardig zijn voor lezingen ever een vergelijkende beschouwing van melodie en ritme. Een film over; “Zij, die van de zonde leven”, of iets dergelijks, zou ongetwijfeld een aanleiding kunnen zijn om de verschoven denkbeelden van de moderne mens psychologisch onder de loop te nemen. Ik kan u garanderen, dat de jeugd daar wel belangstelling voor heeft.

  • Maar waar vinden wij de gelegenheid om met deze, over het algemeen zeer kostbare hulpmiddelen de jeugd te benaderen?

Dat kunnen alleen de groepen doen, die een hele wereld omspannen en beschikken over kapitalen, die voor ons zelfs onvoorstelbaar groot zijn, vanuit het standpunt van deze groep bv. gesproken.  Wie van u kan er aandenken om eens 10 tot 12 miljoen ‘s jaars gedurende 10 jaren tegen de opbouw van een jeugdbeweging aan te gooien? Toch is dat slechts 1/3 van de kapitalen, die de rooms katholieke kerk wordt gebruikt om de jeugd te binden aan patronaten e.d. Begrijpt u, waar ik naar toe ga? Activiteiten. Wilt u jeugd trekken….. Een toneelvereniging, die stukken speelt met een filosofisch, esoterische inslag, zeker, maar toch niet zonder humor. Maak desnoods, wanneer u dat wilt, een documentaire filmopname, als het kan in kleuren en technicolor, breedscherm enz. sensationeel met amateurs over dit werk. Daarvoor kunt u de jeugd krijgen. Organiseer desnoods al kan dat op het ogenblik niet zo makkelijk speciale autodiensten, waarbij men de leden samen haalt, desnoods uit het hele land. Maak er dan werkelijk iets indrukwekkends van, iets met muziek en zang, en alles wat er bij hoort. Dan krijgt u de jeugd.  Maar de jeugd interesseert zich over het algemeen minder voor een reeks van lezingen, die haar slechts dan beroeren, wanneer zij onmiddellijk op het eigen interesseterrein komen te liggen. Deze zittingen worden slechts gegeven in omgevingen, die over het algemeen voor de jeugd slechts ten dele attractief zijn, in een gezelschap, dat deze jeugd zich meestal niet op haar plaats doet gevoelen. In een stijl, die vaak te ouderwets is voor de jeugd en ook te formeel is.  Weet u, wie voor de jeugd een prima causeur is? U zoudt het misschien niet willen geloven, maar toch is het zo: Henri. Hij kan een geestelijke conference geven, die de jongelui doet schuddebuiken van het lachen en gelijktijdig de oren doet spitsen, omdat zij vooral door die leuke Tinus niet genomen willen worden. Waarop zij gedwongen zijn dus na te denken omtrent zijn verklaringen. En de vragen ik zeg: wij hebben ermee geëxperimenteerd in vele landen de vragen, die dan komen op een dergelijke grappige opmerking, bewijzen, dat er doorgedacht wordt. Maar ja…. als wij nu weten hoeveel mensen er hier bv. van de ouderen Henri, ondanks al zijn kwaliteiten, liever niet zien, want ….. hij is zo lichtzinnig en zo vrolijk ….. Ja, eerlijk, maar het is zo. Die zich stoten aan zijn manier van uitdrukkingen e.d. dan kunt u begrijpen hoe een tweeledigheid er bestaat tussen de jeugd en datgene, wat hier is.

Een enkele keer kan de jeugd zich hieraan passen. Is zij dat, dan kunnen wij zien hoe zij binnen deze groeperingen zeer snel tot een eigen ontwikkeling komt en lange tijd ook al weer tot die beroemde middelbare leeftijd vaak de exponent blijft van een bepaalde filosofie met eigen interpretaties, die zij desnoods docerend wil brengen, die zij geheel beleeft en verwerkt, maar die haar eigen is. Deze filosofie is dan in de eerste plaats op het leven en niet op de dood gericht. Daar heeft u de verklaring. De jeugd komt toch tot deze dingen en hoe verder de tijd gaat, hoe meer zij meer tot deze dingen zal moeten komen. Maar u moogt nooit verwachten van de jeugd, dat zij, zoals u hier, samen zal komen en dit hier zal savoureren. Daarvoor is haar smaak meer op het pikante ingesteld.  En u weet het: een gepeperde opmerking onzerzijds brengt bij sommigen uwer een glimlach, maar bij velen van u een verkapte ergernis.

Stelt u zich voor, dat alle kinderen de mentaliteit hadden van oudere mensen. “Ik zie me daar al zo’n aap van vijf jaar op de trap zitten. Tjonge, tjonge, wat een tijd, wat een tijd. Die jeugd van tegenwoordig”. Dat kan toch niet? Ik zie die jeugd al heel pessimistisch het voor en tegen van een zaak overwegen, in plaats van met haar enthousiasme erop af te stormen en de kop te stoten desnoods. Het klinkt misschien dwaas, het zijn de ouderen, die de wereld in het spoor houden, maar het is de jeugd, die de drijfkracht geeft.  Daarom vind ik het niet jammer, en ik kan mij voorstellen, dat U het jammer vindt, maar troost u er zich dan mee, dat tegen de tijd de jeugd uw rijpheid bereikt heeft, de jeugd ongetwijfeld steeds meer geneigd zal zijn om ook deze dingen aan een beschouwing te onderwerpen. En als zij dan bij de goede soort terecht komen, dan zullen zij heel vaak zij het misschien op een andere manier dan wij hier werken hun banden zoeken met esoterische gemeenschappen met groepen en broederschappen, die hen verder brengen op het spoor van denken en bewustwording.

  • Er bestaat toch wel belangstelling voor paranormale verschijnselen, o.a. toekomstvoorspellingen. Dit kan de jeugd uiteindelijk toch ook hiertoe brengen?

Ja, dat komt inderdaad wel voor, maar toch is die belangstelling anders dan de uwe. In de eerste plaats hebben wij natuurlijk het bekende feit van de jongen, of het meisje, dat zij zich in het leven niet helemaal zeker gevoelen. Die gaan naar een voorspelling luisteren niet om de voorspelling als zodanig, maar om de zekerheid te krijgen. “Er komt een donkere man op je weg” of “Ik zie een aardige blonde vrouw, u zult huwen en 37 kinderen krijgen”. Dan gaat het dus om bepaalde psychologische effecten en niet om het paranormale als zodanig. Wanneer wij wat verder komen, dan zal die jeugd ongetwijfeld zich interesseren voor handlijnkunde e.d. Maar zij zal helemaal niet geneigd zijn om deze aan te nemen als bovennatuurlijk.  Het is begrijpelijk. Het bovennatuurlijke immers is het onbereikbare voor de meesten. De jeugd wil alleen dat aanvaarden, wat zij bereiken kan, wat zij na kan streven. Alleen als zij voelt, dat zij bereiken kan, zal zij zich ook interesseren in de zin van: meegaan, meestreven en meewerken. Vandaar dat de jeugd, die zich hiervoor interesseert en die bestaat ongetwijfeld veelal eerder behoort tot de twijfelende psychologische soort, of tot de soort, die kennis neemt het verschijnsel erkent en zijn eigen weg gaat, dan tot degenen, die hun leven daaraan willen verbinden.

  • Wanneer het leven in die richting wordt gestuwd, is dit dan misschien onbewust?

Dat ben ik met u eens, Wat dat betreft, geloof ik ook, dat juist de laatste tijd de parapsychologie op dat terrein zeer goed werk heeft gedaan. Zij heeft n.l. de belangstelling gaande gemaakt voor bepaalde verschijnselen, die vroeger, ofwel als spookverhaal golden, ofwel met een Jantje-van-Leiden opzij werden geschoven: “Ja, dat is onzin”» Dat men de jeugd op het ogenblik in staat stelt te begrijpen, dat ook deze dingen ernstig zijn, is buitengewoon belangrijk. Dat men hen in de gelegenheid stelt een experiment bij te wonen is evenzeer belangrijk. Maar wat dat betreft zou ik nogmaals willen zeggen: Wij kunnen werkelijk populariteit bereiken met deze verschijnselen, dan hoort dit in de show, op het toneel of in de revue, niet in een zaal als deze. Dan moet het een wonderdoener zijn, die spectaculair, als een goochelaar, het onverklaarbare doet en bewijst dat het zonder hulpmiddelen gebeurt. Dan moet het een man zijn, die met zijn mnemotechniek een blijk geeft de mogelijkheid met de ogen fotograferen en later herlezen van gehele bladzijden, zelfs gehele boekdelen, als normaal te zien. Dan hebben wij de fakir nodig, die zich messen. door, de borst steekt e.d. Dan krijgen wij spectaculaire dingen. Maar zij maken de belangstelling voor het paranormale wakker. Maar daarna eerst kunnen wij hopen, dat men komt: tot het onderzoek, dat gericht is op het wraken van de verschijnselen. En indien men dan nog eerlijk blijft en merkt, dat sommige verschijnselen niet te wraken zijn, dan krijgen wij op de duur pas de belangstelling, waar u hierop doelt.  u ziet: ik ben misschien niet zo erg optimistisch.

  • Toch vind ik wel, dat men de jeugd zoveel mogelijk met deze dingen moet kennis maken. Maar men mag niet van haar verwachten, dat zij er volledig in op gaat, daarvoor is haar leven nog te vol.   Is dat dan niet erg?

Och, dat hoeft u helemaal niet te zien als iets bijzonders. U heeft er vijf en twintig jaren over gedaan. Er zijn er wel, die er 80 jaren over doen. Dan zijn zij 85 en dan gaan zij denken: “Nou, nou, nou, misschien zou er toch wel iets van een Hiernamaals waar zijn. Ik hoop maar, dat het zo is, want…… “,

Maar de beste mensen, die wij kunnen krijgen voor dit werk, dat zijn de mensen, die liggen in een begin periode van 35 tot 40 jaar, tot 60 70 jaar dat zijn de beste mensen voor ons in deze stijl van werken. Met 35 – 40 jaar heeft de mens een bereiking, is actief, heeft een basis en kan van deze basis uit gaan werken. Dat wil dus zeggen, dat hij vanuit zijn eigen standpunt, in staat is te onderzoeken en na te gaan en te benaderen, Hij heeft over het algemeen een zekere vastheid van karakter en mening verworven, zodat hij ook in staat is als persoonlijkheid deel te hebben aan een dergelijk werk, te onderzoeken desnoods erin op te gaan.  Na het 60ste, 65ste en 70ste jaar bij sommigen zien wij een toestand optreden, waarbij de vatbaarheid voor nieuwe gedachten zeer gering is. Dat wil zeggen, dat een verdere ontwikkeling praktisch niet mogelijk is. Natuurlijk zijn er enkele uitzonderingen op, maar wat het denkvermogen betreft, dus het. vermogen om stoffelijk nieuwe ideeën op te nemen en te verwerken, meen ik toch wel, dat wij die grens dan daar wel passeren. In die tussentijd kan de mens dan juist door dit werk en de vele andere groepen en genootschappen, die zich ook met de studie van het bovennatuurlijke bezig houden, ofwel op deze aarde werken in groepen, een ervaring opdoen, die bepalend wordt voor hun levenshouding en juist het gevormde karakter de impuls geeft ten goede.  Ik hoor daar iets fluisteren, maar daar praten wij nooit over wie het is, of wie het niet is.

  • Is iemand, die aan zijn eigen wereld vast zit dan ongevormd?

Dat is ongetwijfeld waar. Maar daar staat tegenover, dat het ongevormde karakter weliswaar geen eigen vaste wereld kent, maar ook geen vastheld kent in eigen wereldvorming en in het zoeken naar eigen wereld. Het ongevormde karakter zweeft te veel. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik het zo zeg, maar die enthousiasten, die veranderen te gauw. En alleen datgene, wat een stoffelijk houvast geeft, een zichtbaar houvast, is belangrijk. Juist dat zichtbare houvast kunnen wij niet geven. Het gaat ons er dan ook niet om om mensen te vormen, maar om mensen, die gevormd zijn, te leren denken op een wijze, waardoor zij met hun eigen beperkte wereld, hun eigen gevormde karakter, toch kunnen komen tot een bewustzijn en ontwikkeling, die hen een gelukkiger en een beter leven geeft op aarde en vooral wat belangrijk is een groter bewustzijn en een groter vermogen na de overgang.

ONEINDIGHEID

Om oneindigheid voor te stellen is praktisch ondoenlijk. De beste voorstelling, die de mens daarvoor heeft gevonden, is een slang, die zijn staart in eigen bek houdt. Maar zelfs dit is een besloten oneindigheid en een kringloop, die te klein is.  Het rad, dat de boeddhist tekent met zijn vele verschillende afdelingen van hemel en hel, is een ietwat grotere, meer omvattende voor stelling van oneindigheid. Maar zelfs hier is het oneindige begrensd.  De moeilijkheid voor mens en geest is; ons iets voor te stellen, dat geen grenzen heeft. Nu zou ik willen trachten u een beeld te geven van wat oneindigheid kan zijn. In de ruimte staat een zon. Zij werpt haar stralen van zich en niemand weet, waarheen. Hoever je ook gaat van deze zon weg, altijd is daar nog het licht van een zon kenbaar. Er komt een ogenblik, dat het mensenoog haar niet meer ziet. Maar instrumenten tonen aan: ook hier is nog het licht van de zon. Verder dan wij ooit zullen kunnen gaan, gaat het licht van een zon. Wij weten niet, of er ergens een grens is, waar haar licht eindigt.  Dit is oneindigheid. Deze zon, dit licht, is God. Wij weten niet, waar God eindigen kan of zal. Wij weten slechts, dat overal, waar wij komen, God reeds is, Dat waar wij geweest zijn, God ook nog. steeds is. Hij is altijd en overal. Wij kunnen meten: hier is God meer dan daar, wij kunnen slechts zeggen: “Hij is. En dit “Hij is” is voor ons uiteindelijk het criterium. Eindigheid is God, Die overal leeft zonder grens. Deze oneindigheid ons voor te stellen, vaag zelfs, is moeilijk, Maar wij kunnen wel iets doen met die oneindigheid. Wanneer elke straal, die de Goddelijke zon uitwerpt zonder einde in de ruimte gaat, zal ook elk deel van Zijn wezen, dat in de ruimte gaat oneindig zijn.  Mens en dier en plant, de wolken en de wind, de bomen, alles is oneindig. Wie zich dit tracht voor te stellen, loopt vast in de wisseling van de wereld. Een wijsgeer in mijn land zeide eens; Zie de chrysanthemum. Na vele zorgen vult zij met haar pracht en gouden glans een korte wijle een binnenhof om weg te sterven. Hoe eindig is het leven. Toen kwam er een vriend van hem, ook een filosoof. En hij zeide: Lang voor ik was, bloeide de chrysanthemum in de binnenhoven op de tijl, die daarvoor gesteld. is. Lang nadat ik heen zal zijn gegaan, zal de chrysanthemum nog bloeien. Hoe eeuwig is het leven.  Het verschil, dat beiden kenden in hun aanschouwing van de wereld, was eigenlijk simpel en kenbaar. De één zeide zichzelf: “Het verschijnsel verdwijnt uit mijn ogen en is dus eindig.” De andere zeide; “Zie, het verschijnsel herhaalt zich in vaste regelmaat en vast wet. Dus is het oneindig”.  Voor mijzelf geloof ik, dat ik de schertsende opmerking van de grote Kung Fu Tze hier kan laten volgen: Twee boeren staan samen. De één zegt eindig, de ander oneindig. Doch beiden zeggen zij slechts: “ikzelve”. Slechts degene die inplaats van “ikzelve” leert zeggen “de wet, Tao”. Deze kan de werkelijke oneindigheid benaderen. Want het is de wet, die oneindigheid is, niet de mens. Dit was een kleine scherts, die hij zich veroorloofde met één van zijn leerlingen. Maar in deze kleine scherts, geeft hij de werkelijkheid weer.

Wij weten niet, of bepaalde vormen zullen verdwijnen, maar wij nemen het aan. Maar het gaat niet om de vorm, om het verschijnsel. De oneindigheid is niet gelegen in het kenbare, maar in datgene, wat het kenbare veroorzaakt. Daarin ligt het eeuwige en ook het onbegrensde.  Wie zal ons zeggen, dat wanneer hier de moderne wetenschapsmens en zijn grote telescoop zet en een verre sterrennevel ziet, zo’n spiegelbeeld ziet van uw eigen wereld. Soms droomt men ervan, dat men zichzelf zou kunnen zien, maar niemand weet het. Wel weet men, dat bepaalde sterrennevels, die men in de verte ziet, beantwoorden aan dezelfde wetten, die voor uw wereld bestaan. De kracht, die dat verre en dit nabije gelijktijdig beheerst, is dus gelijk. Er is één ding, dat zich uitstrekt over al het bekende en klaarblijkelijk ook in het onbekende, waar wij steeds weer waarden ontdekken, steeds verder van ons af, waar dezelfde wet regeert. Dat is voor ons oneindigheid. Oneindigheid in afstand. Maar ook oneindigheid in tijd gelijktijdig. Want indien deze wetten hier bestaan en elders en overal, dan zijn deze wetten ten alle tijde aanwezig. Het licht, wat gij ziet van een verre sterrennevel, kan miljoenen jaren oud zijn en toch was er toen diezelfde wet, die thans bestaat.  De wet was vroeger, zij is: nu. Is het dan zo vreemd om aan te nemen, dat zij zal blijven voortbestaan? En wanneer de wet voortbestaat, dan moet er in elk schepsel iets van die wet gelegen zijn. Het feit, dat wij aan alle wetten gehoorzamen, zegt ons: Waar de wet een deel van ons wezen is en zonder de wet ons leven onmogelijk, zijn wij een met de wet. Hetgeen waarom het gaat, leeft voort.  Eens stond een dichter bij een groot veld, vol net papaver. Hij sprak over de dromen, die eruit zouden groeien. Hij sprak over het verschijnsel, dat men soms wel noemt met meer engelse termen “Our Lady of the Poppies”. “Our Lady of the Poppies”, zei hij, “is voor de westerling een angstdroom, voor ons een rust, voor sommigen een ontsnapping. Maar waar ligt de werkelijke kracht in zo’n droom?” Er stond een boer en die zeis “In een papaverbol, in het zaad”…. Toen zeide de dichters “Ziet, de droom baart zichzelf als mogelijkheid steeds weer. Indien wij haar slechts gebruiken, zullen wij haar dromen”. Wanneer wij leven, dan zijn de mogelijkheden ongeteld. En de mogelijkheden zullen zich steeds weer herhalen. Voor ons is het wel zo, dat indien wij de mogelijkheid accepteren en verwerkelijken, zij voor ons een deel van de werkelijkheid, van het leven wordt. Maar datgene, wat wij tot werkelijkheid, tot deel van ons leven kunnen maken, is in zichzelf continu, oneindig. Dat wat wij tot deel van onszelf kunnen maken is in wezen oneindig. Wanneer wij aannemen, dat het binnen ons een verschijnsel is en niet meer, zou het eindig kunnen worden. Maar wijzelf continueren ons in verschillende werelden. Hier is een bewijs voor geleverd, althans voor mij, in mijn eigen bestaan. Zo concludeer ik, dat ik uit de rond mij delen der oneindigheid in mijzelf neem naarmate ik meer van de oneindigheid in de buitenwereld deel maak van mijn eigen leven, mijn eigen oneindigheid zekerder, groter en sterker is. Daarom zo u ik mijn kort betoog over oneindigheid en onbegrensdheid willen eindigen met een spreuk: Eeuwig leven is niet voortbestaan, maar in jezelf datgene dragen, wat krachtens zijn wezen onvernietigbaar is.  Niet wij, maar datgene, wat uit de wereld in ons is samengevloeid, is het eeuwige. Wij zijn instrument in alle levensvormen voor het vergaren van deze dingen uit de wereld rond ons. Dit is hetgeen, wat onveranderlijk blijft, wat eeuwig blijft, wat oneindig is. Wij zelf zijn niets anders dan de band, die deze dingen samenhoudt, en samenbrengt, steeds veranderend en toch onszelf gelijkblijvend, omdat de ontwikkeling van wat in ons komt, gelijk is aan onze eigen ontwikkeling. Deze kleine filosofie, die ik genomen uit een Sanskriet werk, zal ongetwijfeld een nadere overpeinzing noodzakelijk maken. Sta mij thans toe, dat ik mijn eigen betoog thans eindig om u de gelegenheid te geven vragen daarover te stellen, zo u wenst.

  • Is dan niet het scheppen een vorm van liefde?

Liefde is een voorstelling van mensen. Scheppen evenzeer. Zij komen voort uit een bewustzijn, dat aan tijd gebonden is, dat gebonden is aan beperkingen en werkelijke eeuwigheid, of oneindigheid zich niet kan realiseren. Zolang wij dit uit menselijk standpunt zeggen, kan ik dit accepteren. Zodra wij het stellen als kosmische waarheid wordt het voor mij vraagwaardig, omdat mij lijkt, dat wat liefde noemen te klein is om het oneindige te beschrijven. Datgene, wat wij scheppen noemen een te traag en te gecompliceerd proces is om werkelijk deel te zijn van een eeuwige en enige waarheid.

  • Dat deel hebben aan ’t andere, is dat een vorm van scheppen?

Vanuit menselijk standpunt ja, want voor de mens is het scheppen, wanneer hij zijn eigen “ik” of beter, zijn bewustzijn van zijn “ik” vergroot. Maar al wat in dat komt, was reeds. Dus in de Schepping is niets veranderd. Slechts de wijze, waarop het “ik” zich in de Schepping kan bewegen is veranderd. Dus, m.i. scheppend vanuit ons standpunt zonder daarmee werkelijk te duiden op een voortdurende scheppende werking buiten ons. Wel op een Schepping buiten ons. Maar deze Schepping zelf kan m.i. vaststaan en onveranderlijk zijn zonder dat dit voor ons noodzakelijkerwijze opvalt.

  • Maar ik voel toch iets, wat ik niet kan uitdrukken?

Dat is een waarheid. Maar deze waarheid is een toe stand van ons zelve. En waar het een toestand van onszelf is, afhankelijk van ons eigen ervaren, onze eigen vermogens, die uiteindelijk leiden tot een fusie met andere capaciteiten en andere ego’s buiten ons, kunnen wij dit nooit stellen als zijnde kosmisch, maar slechts als zijnde deel van een persoonlijke ontwikkeling.   Maar wat is dan een contemplatie? Wanneer u het scherp zoudt willen definiëren, zou ik zeggen: de contemplatie is de beschouwing van het bestaande, waardoor ook in u vereeuwigd en verduidelijkt wordt totdat gij één u kunt voelen daarmede en zo zelf in u draagt, wat eerst slechts buiten u bestond.

  • Dus ons zelfbewustzijn is niet eeuwig, maar wel de kracht, die het doet ontstaan?

Inderdaad heb ik mij verstout deze stelling mede naar voren te brengen. Over het al of niet oneindig zijn van wat wij thans “ik” noemen, zou te strijden zijn. Vele wijsgeren, ook van mijn eigen volk, ontkennen een voortdurend voortbestaan van het “ik”, zoals wij dit thans realiseren, maar geen van ons kan ontkennen, dat er iets is, wat voortbestaat. De bron, waaruit het “ik” geboren werd. Zo komen wij tot de conclusie, dat onze huidige vormregel morgen nil en nietig kan zijn. Maar dat er iets zal voortbestaan en iets ook van ons, dat oneindig is, blijft voortbestaan, ook al weten wij niet precies hoe.

  • U zegt: de zon is God.  

Dat heb ik eigenlijk niet gezegd, Ik heb gezegd, stellen wij ons voor; deze zon is God. Waarbij dus een voorbeeld werd genomen; God werd vergeleken met een zon in een ledig Niet. Ik kan u niet kwalijk nemen, waar u de verdediging neemt van de wijze, die dwaasheid voorwendt om zo elk verwijt t.o.v. zijn onbegrip te voorkomen.   De mensen, die een christelijk leven leiden, maar deze kring niet kunnen volgen door hun begripsvermogen, of vertrouwen hierin, staan dezen zoveel ten achter in hun overgang met degenen, die deze lezingen wel begrijpen en in de praktijk brengen.  Een wonderlijke vraag. Wanneer men een weg gaat te voet, omdat men geen zeilwagen kan kopen, of nemen, of huren, noch geen draagstoel, noch geen paard, zal men dan minder zijn, wanneer men het doel heeft bereikt? Wanneer slechts de bereiking van het doel telt, dan zijn allen gelijk. Onverschillig de wijze, waarop zij bereiken. Zodat een ieder, die overgaat na een leven van vol en waardig streven, ongeacht of dit christelijk of anders is, ongetwijfeld even goed, misschien beter zich in zijn nieuwe wereld kan aanpassen dan menigeen, wiens woorden esoterisch zijn, die luistert naar ons of andere groepen van deze aard, doch weifelt het geleerde in praktijk te brengen.   Hier is herhaaldelijk uitgesproken, dat wij op deze aarde in een schijnwereld leven. Is dat eigenlijk wel juist uitgedrukt, want de mens heeft steeds met harde werkelijkheden te maken, die helaas al te voelbaar kunnen zijn,  Wanneer men een krankzinnige ziet, die strijdt met spoken, die U niet ziet, dan noemt deze krankzinnig. U gek, dwaas, gek of waanzinnig, omdat gij niet waarneemt, wat voor hem een harde werkelijkheid is, die hem doet lijden. Toch is voor u zijn wereld schijn. Is het misschien vermetel, wanneer ik zeg, dat uw harde werkelijkheid eerder ligt aan uw innerlijke beleven ervan dan aan het onveranderlijk bestaan ervan in de wereld. De wereld is schijn, omdat geen der dingen, die bestaan, door u worden ervaren, zoals zij zijn. En niemand is in staat het werkelijke wezen der dingen, die deze wereld vormen, geheel te doorgronden,  Zo is het een begoocheling, berustend op ware verschijnselen, maar zolang zij voor U werkelijk is, zal ongetwijfeld de harde werkelijkheid steeds een bedreiging vormen. De wijze, die de waan onthecht en zo komt tot een benadering van de werkelijkheid, kent geen harde waarheid meer, doch slechts de waarheid. Zolang er voor u harde waarheden zijn, geloof ik, dat u leeft in een wereld van begoocheling en schijn. Eerst wanneer u slechts waarheid kent, hard noch zacht, ongelukkig noch gelukkig, zult u waar zijn en daarmede bewust uzelf ontworstelen aan de begoocheling die deze wereld toch in feite is.

Mag ik u dan als afscheid drie spreuken geven. Spreuken, die misschien aardig zijn, wanneer u een ogenblik wilt mediteren en nadenken.

1e Wie zijn bezit prijst, vergroot het gevaar het te verliezen.  Degenen, die zo roemen op hun vrijheid en streven naar vrede, zouden hiermede rekening moeten houden.

2e Wanneer de pauw zijn staart ontplooit, vraagt hij de bewondering van anderen, die hij voor zichzelf reeds koestert.  Degenen, die zich sieren met eigen of geleende sieraden, bedenke dit wel.

3e De wereld kan ons nooit geven, wat wij van haar verwachten, omdat wij verwachten, dat de wereld gelijk zal zijn aan onszelve inplaats van zelve gelijk trachten te zijn aan de wereld.

Met deze drie spreuken kunt u zeer veel verklaren en ongetwijfeld ook vele problemen van uw eigen leven.  Wie de lotus ziet in knop en weet hoe zij bloeit, vraagt niet: wanneer zal zij bloeien? doch zegt: “Ziet, de Lotus leeft.”

 De lotus

Een spiegelende zon open geplooid op het water, wentelend in de modder vol stank en vol vuil, als de mens in de mens, die leeft in de geest, doch wortelt in de stof en onbevreesd zijn leven put uit al, wat stof hem biedt.

Lotus, droom van oude eeuwen.

Beeld van ziel, zo pas ontwaakt, rand van eeuw’ge wondere krachten dat alle zijn en leven raken.

Lotus, beeld van het vermogen, dat zetelt in een iedere mens. Lotus, beeld van geestesleven, dat overschrijdt de hoogste grens.

Lotus, beeld van alle leven, dat terugkeert tot een werkelijkheid.  Lotus, snel vergaande bloemen, die beeld is van een eeuwigheid.

Duister water en lichtende blaren, gevangen in een manestraal, spreekt de lotus in het duister, tot mens en dier een eigen taal. . .

Onberoerd en onbewogen zich ontplooiend, drijft zij zacht en schijnt een eigen licht te geven, te stralen nu uit eigen kracht.

Maar als de mens in al zijn streven geeft de lotus slechts dat weer, wat ook haar eens word gegeven.

Zo is zij beeld van alle streven, de mens geeft aan zijn Schepper weer, wat eens de Schepper weer eens aan de mens heeft gegeven.

Zo blijft de lotus een symbool van ontwikkeling en strijd, van bewustzijn, dat omhoog gaat tot de eeuwigheid, van alle zijn en van alle leven.