God en duivel

image_pdf

8 maart 1976

Wij zijn de laatste tijd altijd bezig met God en al wat er bij hoort. Nu zijn wij ditmaal gestuit op een duivelbezweerder, die bereid is hier op zijn manier het een en ander over te vertellen. Nu is het voor mij erg moeilijk. Want: wat zijn duivels? Er heeft eens iemand gezegd: “Soms ga je naar een duivel toe en hij verandert in een God. En soms ga je naar je God en hij verandert in een duivel.” Daar zit wel iets in, omdat God en duivel – en dat zal u zo langzamerhand wel bekend zijn – projecties zijn van ons eigen wezen, van de voorstelling zoals die in ons leeft.

Wanneer ik diep in mijzelf zoek naar de werkelijkheid, dan kom ik in gebieden die niet omschrijfbaar zijn. Ik neem aan dat dat ook bij u precies eender is. Er zijn werelden, sferen en belevingen die eenvoudig geen beschrijving meer dulden. Ze zijn er. En wil je ze weergeven, dan loop je elke keer weer vast op dingen, die je alleen maar met gelijkenissen en met symbolen kunt weergeven en misschien zelfs dan alleen nog maar zover kunt vereenvoudigen, dat de essentie ervan bijna verdwijnt.

Wanneer je in jezelf gaat heb je een aantal verschillende resonanties op verschillende werelden. De belangrijkste wereld voor ons Godsbeleven is de wereld van kracht. Wit licht. Wanneer je daarin geconfronteerd wordt met een werkelijkheid wordt in ieder geval alles, wat je zelf projecteert, ontmaskerd. Je kunt niet zeggen: Zo is de kracht die in mij woont en God representeert, zonder dat je gelijktijdig alles wat daar als een soort psychische slijm omheen ligt, verliest. Het is een reinigingsprocedure.

Maar voordat je in deze gebieden terecht komt, waarin alles zijn werkelijke gestalte krijgt, alles alleen nog maar kenbaar is als de persoonlijkheid die altijd geldt – dus ook geestelijk en in de eeuwigheid – word je toch voortdurend weer naar allerlei illusies toegedreven.

De duivel is een illusie. Een illusie – en dat moet u wel begrijpen – die erg schadelijk kan zijn. De duivel is de personificatie van de disharmonie. Hij is niet alleen maar het principe van de chaos – wat uiteraard ook in ons bestaat – het is ook het principe van de disharmonie, van de botsing van alle elementen. Een mens, die met zichzelf niet in vrede kan leven, kan zich een God scheppen en zeggen: Die God rechtvaardigt wat ik ben en wat ik moet opofferen. Maar de praktijk wijst uit dat die mens in zich geen vrede, geen rust kent en dat daardoor de God, Die hij vereert, op een gegeven ogenblik voor hem tot een demon wordt. Het wordt een duivel.

Is die God waar? Ja, de essentie van die God is werkelijkheid. Maar is die duivel nu echt? Die duivel is net zo echt als de voorstelling van God, die die man heeft gehad.

In de werkelijkheid van je leven zit je buiten ruimte en tijd. Dat is moeilijk om je voor te stellen. De gelijktijdigheid van alle dingen is iets wat je menselijk probeert te rubriceren in: nu gebeurt er dit en dan gebeurt er dat, en dat ligt dan naast elkaar. De Werkelijkheid is anders. Wij doorlopen een patroon, maar dat patroon in zijn geheel is de werkelijkheid.

Nemen wij het meest eenvoudige. Zeg: Ik leef aan de oppervlakte van het water. Maar dan ook precies op die waterspiegel. Nu komt er een kind en die duwt een zuurstok in het water. Omdat die strepen een beetje rondlopen zeg ik dan: Die stok wentelt. Dat is helemaal niet waar. Die stok staat stil. Of laten we zeggen dat een kind een stokje met allerlei kleuren, hier een beetje dikker en verderop een beetje dunner, in het water stopt. Dan zeg je: Het verandert voortdurend. Maar het verandert niet.

Dat neemt echter niet weg, dat wanneer ik daar naartoe ga, de doorsnede van het stokje op dat ogenblik voor mij de wereld is. Is er een groot oppervlak van die stok dan kan ik er niet door. Ook niet als hij vlak na dit punt taps toeloopt en tot bijna niets wordt.

Het moment waarop ik iets constateer is in zoverre belangrijk, dat ik daarmede bepaalde belemmeringen en ook bepaalde mogelijkheden ervaar. Maar op het ogenblik dat de verandering doorgaat en ik het geheel niet kan overzien zeg ik: Vandaag kan het wel en morgen kan het niet. Waarom?

In de gelijktijdigheid zeg ik: Het leven heeft een bepaalde gestalte, een bepaalde vorm. Die vorm is bijna onontkoombaar voor ons. Het is ons wezen met al zijn mogelijkheden en ook wanneer wij ons daarvan niet bewust zijn, het is toch uitgekristalliseerd.

Ik kan op een gegeven ogenblik een totaal nieuwe beleving doormaken, een totaal nieuwe wereld, een nieuwe sfeer betreden. Maar die zijn er al, anders kan ik ze niet eens betreden. Ze zijn deel van mij. Ik ben deel van wat ik kan ervaren en wat ik ervaren heb. Een band, die ik heb met een mens kan in een ver verleden liggen of in een verre toekomst, maar hij is er altijd. Kennis kan ik opdoen. Nu. Ik kan het misschien in een verleden opgedaan hebben. Het is mogelijk dat ik die kennis pas vind in een toekomst. Maar het is deel van mijn geheel. Het is dus altijd aanwezig. Nu is het wonderlijke dat de veranderingen, die wij doormaken, voor ons op de een of andere manier gerationaliseerd moeten worden. En van die rationalisatie maken we dan maar God.

Heel vaak zijn die veranderingen echter zodanig dat we ze niet kunnen volgen; dat wij er geen verklaringen voor hebben, dat wij het niet kunnen accepteren en dan zeggen wij: Het is de duivel. In wezen is het allemaal een deel van onze eigen structuur.

Als je nu met zo’n duivelbanner te maken krijgt, word je geconfronteerd met allerlei aspecten van die onevenwichtigheid en ook met (eerlijk gezegd) het onvermogen van vele mensen om zichzelf als een geheel te aanvaarden. Ze willen zichzelf alleen maar zien in een bepaalde functie, in een bepaalde werking. Wanneer dat niet gaat ontstaat de waanvoorstelling, waardoor je gaat compenseren.

Maar die waanvoorstelling is niet echt. Het is een vertaling van iets wat je al bent, maar nu in termen die je zelf niet meer kunt beleven. Daardoor ontstaat de strijdigheid. En waar die strijdigheid ontstaat, verandert de werkelijkheid die wij zijn voor ons in een demon, daar waar wij ermee in overeenstemming zijn is het voor ons God.

  • U spreekt over een sfeer die in ons bestaat. Ik dacht dat er geen enkele sfeer bestond, tenzij wij het zelf scheppen op een bepaald moment.

Dat ben ik volledig met u eens, maar we beleven het op een gegeven als onze wereld. En op het ogenblik dat wij dit als onze wereld beleven, is het onze wereld, onze sfeer. Dan kunnen we wel zeggen: Maar dat is niet reëel. Maar dan kan ik ook tegen u zeggen: Gaat u eens staan en kijk rond u. Dan zegt u : Daar is de horizon. Nu zeg ik: Klim nu een trapje op, dan ligt die horizon veel verder. Die horizon is niet reëel, maar u ziet ze. Dat wil zeggen, dat uw reacties beperkt worden door hetgeen voor u kenbaar en zichtbaar is. Als zodanig is uw wereld wel degelijk beperkt, ook wanneer wij kunnen theoretiseren dat de wereld een bol is. Voor uzelf leeft u voortdurend in het middelpunt van een platte pannenkoek.

Het is altijd moeilijk om deze dingen helemaal duidelijk te vertellen. Maar het is werkelijk voor ons zo, dat elk deel van ons bestaan reageert op een ander deel van de werkelijkheid rond ons.

Nu heb ik net als voorbeeld dat gekleurde stokje genomen met zijn wisselende vormen, dat door die waterspiegel gaat en dat op dat moment ons bewustzijn uitmaakt. Nu moet u zich goed realiseren dat wanneer dat stokje blauw is, het alles absorbeert behalve blauw. Want die kleur weerkaatst het. Wanneer dat stokje rood is, weerkaatst het rood en absorbeert het de rest. D.w.z. dat alleen door de structuur de werking van buitenaf selectief wordt opgenomen.

Voorbeeld: Als je kleurenblind bent, kun je niet zeggen wat groen is of rood. Je kunt het alleen maar als verschillende tinten grijs interpreteren. Maar dat wil zeggen dat wanneer die tinten nu toevallig samenvallen, u geen verschil ziet. Dan bent u niet in staat om reëel te spreken over rood en groen, ofschoon u het wel doet. U zegt dan: Het gras is groen, maar u bedoelt: het is grijs op een bepaalde manier.

Zo is het eigenlijk altijd. Wanneer iemand bepaalde kleuren wel ziet en andere niet – en dat komt heel vaak voor – dan kan hij bijvoorbeeld sterk roodgevoelig zijn en blauw ongevoelig of omgekeerd. In dergelijke gevallen kun je dus zien dat, wanneer je drie getallen verbergt in een stippelpatroon – drie verschillende kleuren – degene die blauwgevoelig is het blauwe getal eruit haalt. Dat degene die roodgevoelig is, het rode en misschien iemand die geel gevoelig is het lichtgroene getal eruit haalt. Maar alleen iemand die volledig kan zien en die goed kijkt en nadenkt, ziet drie dingen door elkaar.

Nu zijn wij niet in staat om kosmisch drie dingen door elkaar te doen. Daarom is elk deel van ons wezen in staat op een bepaald deel van de kosmos, van de eeuwigheid, van de werkelijkheid of hoe u het noemen wilt, te reageren. Wanneer een dergelijk deel niet op dit ment door ons bewustzijn wordt ervaren, zijn wij blind voor een deel van de werkelijkheid. Nu ga ik nog een stukje verder, want ik moet nog terug naar die duivel en die God.

Wanneer ik gedurende een lange periode alles wat blauw was heb weerkaatst, heb ik op een gegeven ogenblik het idee dat blauw niet bestaat. Nu kom ik in een nieuwe fase van mijn bestaan en ik ga in het bijzonder rood weerkaatsen. Alle andere factoren absorbeer ik. Ook de factor blauw. En dan zeg ik: Hé, dat kan niet. Dat deugt niet. Dat is voor mij niet aanvaardbaar.

In plaats van dat je in jezelf een synthese maakt van wat je geweest bent en van wat je nu wordt, prefereer je die dingen van elkaar te scheiden. Zo van: wat ik vroeger was, was goed. Dus is er nu iets fout. Dit is de duivel.

De duivel is dus in feite niets anders dan een verwerping van een deel van je eigen contacten met de kosmos, met de eeuwigheid.

Aan de andere kant is God ook zo iets moois. In de mens is God in de eerste plaats altijd een vorm van zelfrechtvaardiging. “Ik heb die man vermoord, want God heeft mij gezegd dat ik dat moest doen en dus is het goed.”

U zegt misschien dat dit onzin is, maar het komt vaak voor. Er zijn mensen die hebben godsdienstwaanzin. Wat is er met dergelijke mensen aan de hand? Zij hebben op een gegeven ogenblik een rechtvaardiging nodig. Die rechtvaardiging is de enige manier waarop ze voor zichzelf een juister gevoel van betekenis, van belangrijkheid kunnen verkrijgen. En wat doet men dan? Dan zegt men: “Dat is God die het mij zegt.”

Maar God is geen harmonie. Want wat je doet is niet gebaseerd op de werkelijkheid. Het is niet gebaseerd op wat je zou willen zijn, wat je kunt zijn of wat je kunt aanvaarden. Dientengevolge kom je in een steeds grotere strijd met wat je werkelijk bent. En dan verandert je God op een gegeven moment in een duivel.

Maar het kan ook zijn, dat een mens een beetje onevenwichtig is. Hij zoekt misschien een oplossing voor al zijn problemen, voor al zijn raadsels in een bepaalde richting. De één zal dat zoeken in contact met medemensen op een bepaalde manier. De ander zoekt het in het bestuderen van de natuur en weer een ander gaat zitten mediteren en zoekt diep in zichzelf. Maar wat je zoekt kun je alleen maar zoeken als je het hebt. Dat is nu het gekke.

Wanneer je bezig bent om op die manier naar God te zoeken, zoek je in feite naar datgene wat je zelf bent. Je zoekt naar je eigen harmonische relatie met de totaliteit. De God Die een mens innerlijk of op welke manier ook zoekt te beleven, is zijn harmonie met de totaliteit. Wanneer hij echter in het zoeken naar die harmonie bepaalde delen van zijn bestaan of van zijn wezen verwaarloost, ontstaat er disharmonie. God wordt duivel.

Het kan zijn dat iemand een stuwkracht nodig heeft en de duivel aanroept. Maar wanneer die stuwkracht een innerlijke eenheid in de mens tot stand brengt wordt die duivel tot God. Want het wordt harmonie. Daardoor kun je in de totaliteit van je bestaan reageren op de totaliteit van het gelijktijdig zijnde: de eeuwigheid.

Nu heb ik zelf ook een bepaalde visie op het leven. Dat is duidelijk. Wat ik hier probeer naar voren te brengen, is eigenlijk een mengeling van hetgeen ik van de gastspreker van vanavond vernomen heb en datgene wat ik zelf beleef, voel en denk. Want je voelt altijd. Je denkt als mens altijd: emoties zijn menselijk. Neen. Het gevoel is harmonie en disharmonie. Misschien voor een mens uitgedrukt in secreties en organische werkingen, dat kan zijn, maar het is harmonie of disharmonie.

Datgene wat ik verwacht, datgene wat beantwoordt aan mijn verwachtingen, geeft een gevoel van vrede of van bevrediging. Datgene wat ik verwacht en niet waar wordt, geeft een gevoel van onbevredigd zijn. En zo kunnen we doorgaan.

De hele kosmos – dus ook mijn wereld – zit op een wonderlijke manier in elkaar zolang je niet in staat bent om het geheel te overzien. Altijd weer moet je veranderen. Het lijkt wel dat de voortdurende verandering van ons wezen de enige noodzaak is. Wij nemen altijd met pijn afscheid van hetgeen wij zijn, want in ons besef hebben wij datgene, wat wij waren, altijd erg hoog aangeslagen.

Er zijn mensen die zeggen: “Ik ben een idioot, maar dan ben ik wel de beste idioot van de hele wereld.” En als ze dan wijs moeten worden zeggen ze: “Neen, want dan ben ik niet meer de beste idioot van de hele wereld.” Het klinkt wat vreemd, maar het is zo. Dus we willen eigenlijk niet veranderen.

Er is een traagheid in ons vermogen de kosmos, de wereld te concipieren. Wanneer wij dat niet zouden hebben, zouden wij die gelijktijdigheid veel gemakkelijker ervaren. En sprekend naar mijn eigen ervaring, zouden we veel eerder volledig gelukkig zijn. We zouden die moeizame weg naar binnen niet behoeven te volgen, met zijn sluipgangen en pogingen jezelf te erkennen en door te dringen in kern van je wezen. We zouden gewoon ons wezen aanvaarden zoals het is.

Maar dat kunnen we niet. We moeten altijd proberen door allerlei vreemde sluipgangen heen al die problemen te ontgaan, die eigenlijk niets anders zijn dan disharmonieën, ontstaan door een niet tijdig je aanpassen aan een verandering die in de wereld rond je en de verhouding van jezelf met die wereld rond je, een rol spelen.

Daarom krijg je als geest al heel vlug de indruk dat, zolang je leeft met illusies, je het verleden voor jezelf wel kan stabiliseren. Maar ik kan er niet gelukkig mee zijn. Ik kan nooit gelukkig zijn met dat wat geweest is. Tenzij het inderdaad “iets geweest is.” Eén van de delen waaruit mijn volledige ik is opgebouwd. Dan kan ik er gelukkig mee zijn. Maar zonder dat niet.

Ik kan gewoon niet zeggen: Vandaag ben ik gelukkig, dus zal ik daarom morgen gelukkig zijn. Morgen zie ik het anders. Maar dan moet ik toch aanvaarden wat gisteren was en vandaag verdergaan met een nieuw besef en nieuwe harmonie. De bezetenheid die je zo vaak tegenkomt is eigenlijk ook iets dergelijks. Wanneer je eenzijdig op de kosmos reageert, zul je eenzijdige krachten hebben. Dan zul je eenzijdige ervaringen hebben. Maar dat betekent dat je alle andere delen van de werkelijkheid moet verwijderen, want anders kun je dat niet handhaven. Dus een enorm innerlijk conflict. Een botsing.

Nu zal het voor een mens minder bewust gebeuren. Als geest zie je op een gegeven moment wel degelijk dat de wereld, die je rond je creëert, eigenlijk verstard is. Dat die wereld geen inhoud en betekenis meer heeft. En dan moet je verder. Kun je dat niet, dan moet je desnoods proberen op een andere manier te veranderen, maar veranderen moet je om op de een of andere manier de ban van die verstarring te breken. En wat is die verstarring anders dan een ontstane disharmonie, doordat het ego niet meer in wezen beantwoordt aan de relatie met de buitenwereld, die men nog steeds als norm probeert te hanteren?

Dit is niet alleen mijn probleem. Het is uw probleem net zo goed. Wanneer u zegt: In mijn wereld gebeurt niets, of: In mijn wereld zou dat anders moeten zijn, dan moet u zich wel afvragen: waarom? Want wanneer wij alleen maar proberen om dat oude ‘coûte que coûte’ terug te brengen, weer vorm te geven en weer opnieuw ergens neer te leggen als een vaste waarde, gaan we eraan ten gronde. Dat is disharmonie. Dan zijn wij niet meer in overeenstemming met wat wij nu zijn volgens ons besef. Dan zijn wij niet in staat dat verleden te integreren in een nieuw besef van “ik”

De mens die oud wordt kan zich misschien niet helemaal goed voorstellen dat hij eens kind is geweest. Maar hij weet toch nog wel dat hij ergens kind is geweest.

Een geest die groeit zal zich bewust moeten blijven van wat hij of zij vroeger is geweest. Je kunt niet zeggen: Dat is er niet meer. Neen. Je moet zeggen: Dat is herinnering. Wanneer je als mens nog ouder wordt, komt er een ogenblik dat je je een bepaalde periode uit je leven en ook uit je kindertijd bijzonder goed gaat herinneren. Dat herleeft geheel. Kan je dan de conclusie trekken die erbij hoort: Uit dit alles ben ik geworden wat ik ben, dan heb je harmonie, heb je eenheid gevonden. Je hebt a.h.w. een stukje van de gekleurde stok die door de spiegel van het bewustzijn heen prikte, gezien. Je hebt het begrepen. Je weet: ik ben dit alles. Ik ben niet alleen maar één ding.

Uiteraard is het een innerlijk proces. Je kunt het als mens naar buiten toe niet eens uitdrukken. Natuurlijk. Je verandert. Je wordt ouder. Maar er zijn mensen, die worden tachtig jaar en die blijven pubers, terwijl er pubers zijn, die in zichzelf tachtig jaar oud zijn wat ervaring betreft, wat hun manier van leven en denken betreft. Je kunt niet zeggen: de uiterlijke vorm van de mens is bepalend. Neen, het is de innerlijke structuur die bepalend is.

Om dit gedeelte af te ronden zou ik nog het volgende willen zeggen: Overal waar wij komen tot een verwerping van iets wat wij zijn of geweest zijn en wij op grond daarvan proberen onze aanvaarding van wat nu bestaat te veranderen, daar wordt onze God een duivel. Ons streven naar harmonie is niet in overeenstemming met de werkelijkheid, juist omdat het verwrongen is betekent het demonie, betekent het ondergang, disharmonie. Op het ogenblik dat we al wat wij zijn, al wat is gebeurd en al wat wij nu zijn kunnen aanvaarden als een groeiende eenheid is er harmonie. Zelfs wanneer wij menen dat er iets demonisch bij te pas komt, ontmoeten wij God.

Wat is een demonenbezweerder, een geestenbezweerder, een duiveluitdrijver?

Veel mensen en ook geesten zouden bevrijd willen worden van hun disharmonie, maar ze weten niet hoe. Wanneer je hen nu in een situatie kunt brengen waardoor ze uiting kunnen geven aan die disharmonie, die disharmonie kunnen realiseren, dan verandert er iets. Doordat het geuit is, doordat het ergens niet meer alleen in jezelf bestaat, is het aanvaardbaar geworden.

De duiveluitbanner met wie ik gesproken heb, heeft in meerdere levens soortgelijk werk gedaan. Hij vertelde mij o.m. dat hij een geval heeft meegemaakt van iemand die heel vroom leefde, maar op een gegeven moment bezeten werd. Er werd een heel exorcisme opgezet, waarna die persoon de meest godslasterlijke taal begon uit te braken. Zo erg dat iedereen dacht: nu zal de bliksem wel inslaan. Voor de exorcist was het op het ogenblik dat die persoon tenslotte in elkaar zakte en weer vroom werd, een overwinning op de duivel. Maar achteraf heeft hij begrepen wat er werkelijk aan de hand was. De bezetene had een enorme haat, een ressentiment tegen wat hij zelf probeerde te zijn en door al die godslasterlijke taal uit te slaan reageerde hij eigenlijk zijn disharmonie met zijn omgeving af. Toen hij het allemaal gezegd had zei hij: “Nu weten ze het tenminste, nu kan ik verdergaan.” Dit was dus niet, zoals men wel dacht, een verdergaan in diep schuldbesef, vol van genade, neen, hij had het gevoel dat hij de wereld weer kon aanvaarden. Het evenwicht in zijn persoon was hersteld. Het bleek dus achteraf niet het uitbannen te zijn geweest van een reële demon. Het bleek gewoon een psychische catarrhalis te zijn, waarbij het evenwicht herwonnen wordt door het opheffen van spanningen.

Onze gast heeft ook met gevallen van reële bezetenheid te maken gehad. Maar in alle gevallen blijkt het dat het de eenzijdigheid is van het eigen wezen t.a.v. het milieu, waardoor die bezetenheid tot stand komt. Ook wanneer het gaat om aanhechtingen, om directe in beslagname enz. Wanneer je dat zo ontleedt kom  je tot de meest vreemde conclusies.

U weet allemaal dat Jezus de duivel uitdrijft en zegt: “Ga in een kudde zwijnen.” En wanneer Jezus vraagt wie het is, krijgt hij het antwoord: “Legio” Dus ontelbaar, met zeer velen. Je vraagt je dan wel af of zo’n persoon een privé hel op benen is geworden. Vol demonen. Dat is natuurlijk onzin. Maar het kan wel zijn dat de problemen van die mens legio zijn.

In de tekst staat verder: “Het voer in de zwijnen en de zwijnen stortten zich in de afgrond.” Dat vind ik dom voor een demon. Nu had hij nog een stoffelijk leven en gooit hij dat ook nog weg. Of moeten wij het als symbool zien?

De zwijnen = onrein. De Rabbi mag veel eten, maar geen ham. En wanneer de duivels in de zwijnen varen, dan wil dat zeggen dat het onreine a.h.w. gepersonifieerd wordt en zichzelf vernietigt.

Hier heb je volgens mij het psychologische probleem, dat het op een gegeven moment nodig is het kwade afzonderlijk te zien. Dus vrij van eigen wezen. Dan pas is het te bestrijden, is het aan te pakken.

Nu kent u allemaal de gelijkenis van de wildernis in de mens: “Wanneer wij opgaan tot het hoogste licht moeten wij gaan door een tuin vol gevaren. Een oerwoud vol verscheurende dieren, waar de gifslangen op de loer liggen.” Een erg mooi beeld en het is niet eens onjuist. Maar wat is dat allemaal? Die veelheid van gevaren die wij moeten doorstaan, de angsten die wij moeten overwinnen. Wat is dat eigenlijk allemaal?

Als je het goed bekijkt zijn alle angsten en alle gevaren niets anders dan delen van ons eigen wezen, die wij op de een of andere manier verwerpen. Er bang voor zijn. En wat is de bereiking? “De overwinning van de angst” zeggen wij dan. Wij moeten doordringen. Wij moeten door die jungle heen. Maar wij moeten nog veel meer. Wij moeten onze angst, onze eenzijdigheid en onze verwerping meester worden.

Wanneer je dit zo formuleert, zeg je dan niet precies hetzelfde als een goed psycholoog of psychiater: “Mens, je moet leren niet bang te zijn voor dat wat je bent.” Alleen, degene die zichzelf aanvaardt voor wat hij is, zoals hij is, kan harmonie vinden. Maar wie harmonie vindt, vindt God. En dat laatste hoor je niet, want dat is niet wetenschappelijk. God is niet wetenschappelijk verantwoord.

Wanneer wij dus niet psychologisch verantwoord zeggen: Dan vind je God, zeggen we dan dat je de oerkracht hebt gevonden? Of zeggen we alleen maar dat je plotseling in staat bent te functioneren in de totaliteit? Het is maar een vraag. En daar kan ik alleen een persoonlijk antwoord op geven en zeg ik: “Ja, dat is zo.” Want je behoeft niet precies te weten wat je bent en wat je gedaan hebt. Dat weet u ook niet.

Wanneer ik het hele gezelschap zo overzie, kan ik heel wat pekelzonden opnoemen, die u allemaal al vergeten bent. Dat kan ik aflezen. U zult daar nooit meer aan denken, omdat ze voor u niet meer belangrijk zijn. Ze zijn geïntegreerd in uw wezen en wat is er dan verder nog aan de hand.

Maar als we dat alles kunnen accepteren, dit geheel wat we zijn, zijn we ook bereid te aanvaarden wat we zijn als deel van de schepping. De schepping niet als een proces, maar als een feit. Dus de schepping is voltooid en dat betekent dat wij ook voltooid zijn.

Wanneer wij ons “zelf” aanvaarden, in welk deel van ons bewustzijn op dit moment ons wereldbeleven zich ook afspeelt, zullen we tevens ons gehele ik aanvaarden. Ook als we ons niet bewust zijn van de totaliteit waartoe wij behoren, zullen wij toch de eenheid daarmede wel aanvoelen. Dat voert je dan weer tot een paar conclusies, die toch weer samenhangen met het uitbannen van duivels etc.

De meeste mensen worden bezeten door de duivels van hun fantasie. De mens stelt zich altijd voor hoe het zou zijn. Hoe het zou zijn om de honderdduizend te winnen. Maar hij denkt er niet aan hoe erg het is om daar belasting over te moeten betalen.

Iemand stelt zich voor hoe het zou zijn om weer jong en gezond te zijn. Maar hij realiseert zich niet hoe zeer hij dan in moeilijkheden zou komen met anderen van schijnbaar gelijke leeftijd.

Begrijpt u wat ik bedoel? Wat je geweest bent en al wat er gebeurd is, is niet voorbij. Het is er nog. Als je probeert daar naar terug te gaan, hoe dan ook, al is het maar in je fantasie, dan maak je ergens een disharmonie van het heden, want je gaat meten met maatstaven van het verleden. Mensen die dat proberen te doen trachten appels en pruimen bij elkaar op te tellen en daar eieren van te maken. En dat gaat nu eenmaal niet.

Iedereen weet dat het in de rekenkunde niet gaat. Je kunt datgene wat niet is niet optellen bij dat wat nu is. Of vergelijken met dat wat nu is. Of zelfs aftrekken en kijken of er overblijft, wat werkelijk waardevol is. Je moet leven met wat je vandaag bent.

Nu zullen veel mensen zeggen: Dat is niet gemakkelijk. Natuurlijk is het niet gemakkelijk, omdat je bepaalde dingen graag vergeet. Maar herinner je die dan ook maar en wees niet bang dat je daardoor meer of minder waard wordt. Realiseer je alleen: zoals ik ben, met het geheel van mijn reactie en met alles wat ermee samenhangt, kan ik beantwoorden aan de totaliteit die rond mij is. Dan zal ik op elk ogenblik in harmonie zijn met alles wat er bestaat.

Conclusie voor dit tweede gedeelte is dus: Wij worden vaak bezeten door de denkbeelden die wij koesteren, juist omdat ze in strijd zijn met de werkelijkheid en wij een onvolledige mogelijkheid vergelijken met de reële werkelijkheid waarin wij vertoeven. Hierdoor ontstaat de disharmonie waarbij zelfs geesten grip op je kunnen krijgen en ontstaat de disharmonie, waardoor je zelfrechtvaardiging gaat zoeken voor wat je bent of wat je gedaan hebt en ontstaat ook de illusie dat je God kunt omkopen. Of dat je van een duivel nut kunt hebben. Of dat je van hem kunt wegvluchten.

U bent gebonden aan wat u bent in de totaliteit. Daaraan kan niemand iets veranderen.

Wanneer u een geheel bent zult u gelijktijdig bestaan in elke wereld. Of anders gezegd: We leven in een totaliteit waarvan we slechts bepaalde facetten gelijktijdig schijnen te kunnen beseffen. D.w.z. dat elke wereld voortdurend in mij aanwezig is.

Wanneer ik nu in staat zou zijn om mijn eigen persoonlijkheid a.h.w. bewust te maken van nu eens dit stukje van mijn werkelijkheid, dan van dat stukje van mijn werkelijkheid, zou ik elke geestelijke wereld of elke geestelijke resonantie afzonderlijk kunnen beleven. Ik zou alle waarden daarvan voortdurend kunnen beleven. Alleen, ik zal ze nooit volledig waar kunnen maken op een ander niveau. Want op het ogenblik dat ik in de hoogste wereld leef, die hoogste wereld ervaar en er contacten leg, dan ligt er een sluier tussen die wereld en de stoffelijke wereld, waarin je op dit ogenblik als mens meent te bestaan. Het resultaat is dat wij heel vaak proberen een hoger besef uit te drukken in menselijke termen. Wanneer wij dat doen, moeten wij begrijpen dat die omschrijving voor een deel fantasie is. Niet omdat wij iets beschrijven wat niet bestaat, maar omdat wij iets beschrijven dat niet formuleerbaar is in de wereld van de materie of in een lagere wereld van de geest, waar wij voornamelijk met ons bewustzijn vertoeven. Wat wij dus moeten doen is bruggen bouwen.

Mensen die zich met demonen bezig houden, doen dit door een brug te bouwen tussen de demon en zichzelf. Nu kan die demon een echte persoonlijkheid zijn. Het kan ook een situatie, een toestand zijn, die bestaat. Hoe het ook is, je bouwt daarvoor de juiste begrippen op – dus een brug van woorden, denkbeelden, vormen – daardoor bereik je die nieuwe toestand van resonantie.

In die nieuwe toestand van resonantie beschik je over alle krachten, gaven en mogelijkheden die je op dat niveau eigen zijn. Ze zijn altijd deel van je persoonlijkheid, maar normaal ben je er blind voor. Je kunt ze niet hanteren.

Als je naar een hogere wereld wilt, is dat precies eender. Je moet een brug bouwen uit denkbeelden. Voor mijn part opgebouwd uit gebeden, uit meditaties of door een combinatie van besef en uittreding te laten samenvallen in jezelf. Je vindt dan niet de omschrijving van die andere werkelijkheid, maar je bouwt er een brug naartoe door die begrippen, d00r die woorden en door de verschillende methoden die je gebruikt. Hierdoor maak je de eigenschappen, die in deze vorm van bewustzijn aanvaardbaar zijn, kenbaar in dit leven. Ook wanneer je de betekenis, de oorsprong ervan niet volledig kunt beseffen.

We gaan nog een stapje verder en we zeggen: Op een gegeven ogenblik kan ik meer werelden samenvoegen. Wanneer mijn brug zodanig sterk is gebouwd dat ze tenminste een derde, als het kan iets meer, uitdrukt van datgene wat in de andere wereld bestaat, heb ik zoveel punten van referentie in een stoffelijk bewustzijn, dat ik die geestelijke wereld eigenlijk voortdurend kan beleven. Ik kan datgene wat zich op dat niveau van harmonie afspeelt, voortdurend vertalen in het lagere niveau. Wanneer dit niet harmonisch is in de zin van de wereld, zal men spreken over bezetenheid, zelfs wanneer het in feite een benadering is van het Goddelijke in het eigen ik.

Op het ogenblik dat ik disharmonisch ben en ik in mijn poging bruggen te bouwen in feite mijn eigen evenwicht, mijn aanvaarding van mijzelf en mijn wereld voortdurend verder verstoor, is het toch mogelijk dat de resultaten, die ik voortbreng, voor die wereld aanvaardbaar zijn. Men zal zeggen: Dat is een heilige of iets dergelijks. Dan is het harmonisch. Dan is het God die door je werkt.

Toch is het eerste geval eigenlijk beter. Daarom zou ik u de raad willen geven om nooit te spreken over God of de duivel als reële waarden of als reële erkenningen. Praat u liever over harmonie en disharmonie. Daar waar een disharmonie bestaat, moet je proberen je te realiseren waar dit in ligt. Meestal is het het vergelijken van niet bestaande mogelijkheden met het heden of erger nog, een poging om iets uit het verleden te continueren, terwijl je eigen besef duidelijk maakt, dat het voor jou nu niet meer werkzaam bestaat. Probeer deze disharmonieën te voorkomen. Er is misschien geen duivel, maar dan hebt u wel degelijk de duvel in! D.w.z. dat uw contacten met entiteiten en machten rond u toch wel van minder aanvaardbare aard zal zijn, voor uzelf en voor anderen.

Wanneer u streeft naar God, zoek dan s. v. p. niet naar één bepaald licht of één bepaalde persoonlijkheid. Zoek naar de aanvaarding van al wat u bent, van al wat er is. Probeer in uzelf gewoon te voelen: ondanks alles is het goed dat ik ben zoals ik ben. Dat ik leef zoals ik leef, want dit is deel van mijn werkelijke ik.

Als u dat doet, krijgt u steeds meer de kans om die grote krachten, die grote God te beleven. Dan is er Licht, dan is er werkelijkheid. Dan komt je eigen besef en beleven steeds dichter bij het tijdloze, waarin we werkelijk bestaan. Dat tijdloze waarin alle feiten a.h.w. tezamen en naast elkaar gerangschikt schijnen te bestaan.

Dit is de weg voor iedereen, die niet meer wil spreken over God en duivel. Die niet meer heiligen en goden wil aanroepen of demonen bezweren, maar die gewoon wil leven in harmonie met alle werelden waartoe hij behoort.

Duivelbezwering

Men heeft mij gevraagd u mijn visie te geven op God en duivel. Ik moet zeggen, dat ik vele gedaanten van goden en duivels gezien heb, maar nooit een God, nooit een duivel, die volledig echt was.

Duivelbezwering heb ik uitgeoefend in 6 verschillende levens. Het is een klein beetje mijn liefhebberij geweest.

Elk mens draagt zijn eigen goden en duivelen met zich. Wanneer je probeert een duivel uit te drijven, heb je eigenlijk te maken met een uitwisseling van hysterie tussen de banner en de bezetene. Maar je leert langzaam maar zeker de aspecten herkennen van de demon, van de  werkelijke bezetenheid en ook vooral van God. Want soms zijn mensen bezeten van de werkelijkheid en dat noem ik: God.

Mensen verliezen soms alles wat ze zijn, ze veranderen. Hun omgeving kan hen dan niet meer aanvaarden. Eén geval heb ik meegemaakt van een meisje van ongeveer 17 à 18 jaar, die werkelijk goed was. Maar ze zei in alle dingen precies de waarheid. Ook de waarheid die men verborgen wilde houden.

Wanneer zij tegen de dominee zei, dat hij met de buurvrouw wat had gedaan, wat voor dominees niet toelaatbaar is behalve met de eigen echtgenote, was de dominee natuurlijk ervan overtuigd, dat de duivel hier zijn trekken thuis kwam halen.

Wanneer, ze tegen de burgemeester zei, dat hij oplichting pleegde, meende ook deze dat alleen de duivel dat kon weten. Want zo zijn mensen.

Toch was dat kind van God bezeten, want alles wat gebeurd is aan goed en aan kwaad wist het. Wanneer het in een woning binnenkwam, kon het vertellen wat daar was gebeurd. Wat daar verborgen lag en soms ook wat daar zou gebeuren. Wanneer het zei: Wees voorzichtig, want je zult ziek worden en de persoon werd ziek, dan zei men: Ze heeft je betoverd.

Wat is nu de werkelijkheid? Ik heb ze na moeten zoeken nadat ik zelf was overgegaan en eerst mijn eigen gevecht met God en demon had gestreden.

Hier was iemand die bereid was alles te aanvaarden zoals het was. Maar die zich nooit door de schijn liet misleiden. Een toon van een stem zei dit kind veel meer van de achterliggende waarheid dan honderd woorden.

Wanneer dit kind naar een landschap keek, zag ze niet alleen het landschap van het ogenblik. Ze zag het wezen van de natuur daarin. De bezieldheid ervan. Ze voelde aan wat er in de bronnen en de stromen leefde. Wat er in de bomen leefde. Ze vertelde wat er zou gebeuren, want dat lag reeds vast. Daarom werd ze op de heksenproef gesteld. Ik ben alleen blij dat ze niet veroordeeld is omdat ik de duivel had uitgebannen.

Toen ik tegenover haar stond heeft zij mij iets gezegd, wat in mijn latere bestaan, in een geestelijk bestaan vooral en in mijn volgende fase als duiveluitdrijver van heel groot belang is geweest. Ze zei tot mij: “Dwaas, wil jij duivelen bannen die jou zelf bezitten?”

Dat was waar. Want ik was vol angsten en vooroordelen. En angsten en vooroordelen krijgen gestalte. Je ziet ze overal in de wereld buiten je. Het worden demonen die je bedreigen en wanneer je denkt dat je er dapper tegen vecht, versterk je alleen maar de disharmonie die in je leeft. In het begin zie je een demon. Je blijft kijken en je ziet dat er andere dingen gebeuren, juist zo en niet anders. En opeens heb je weer een demon, totdat de gehele wereld bevolkt is met demonen en alle mensen in meerdere of mindere mate bezeten zijn.

Ik ben priester geweest in een kerk in Italië. Ook daar heb ik het exorcisme beoefend. Ook daar heb ik moeten erkennen dat veel van de duivelen, die ik had uitgedreven, niets anders waren dan de belastingen, die wij in onze gemeenschap zelf de mensen hadden opgelegd.

Ik beschouw mijzelf, misschien ten onrechte, als deskundig op het gebied van al wat met deze demonie samenhangt. En in mindere mate geloof ik ook voldoende te weten over de goddelijke krachten. Het Goddelijke dat rond ons bestaat.

Ik hoop dat u mij zult vergeven, dat ik teruggrijp naar de incarnatie die voor mij de belangrijkste is geweest in de laatste periode; een incarnatie waarbij ik half fakir, half duivelbanner, half priester ben geweest. En 150% is nooit echt, zoals u weet! Daarom was ik ook niet helemaal echt.

Ik heb daar geleerd: wanneer er een storm is, is het de wind die al doet bewegen. Wanneer er een disharmonie is, wanneer een mens ongelukkig is, wanneer een mens bezeten is, is dat het verschijnsel, zoals het buigen van de bomen, of het ruisend oplopen van het water. Maar de werkelijkheid is de stormwind die ons beweegt. Het is de stroom van onze eigen levenskracht. Het is de stroming waarin wij leven en bestaan.

Levenskracht, Goddelijke Kracht, Kosmische Kracht, Atman. Wereldziel, mensenziel. Het is alles, niets anders dan het leven, het beleven. Leven is een kracht. Beleven is de vorm waarin de kracht zich manifesteert.

Wanneer wij ongelukkig zijn is dat niet alleen maar wat wij zijn. Het is ook datgene wat in ons werkzaam is.

Ik heb nu vele incarnaties doorgemaakt. In elke incarnatie heb ik iets geleerd. Ik ben dus veranderd. Maar eigenlijk ben ik zo geworden tot honderden mensen. Honderden verschillende geesten in verschillende werelden.

De levenskracht gaat voortdurend in één richting door mij heen. Zij origineert in Brahman, in het Onbekende, De Scheppende Kracht of misschien in wat daar achter ligt. Het pulseert en gaat door mijn wezen. Zij beroert voortdurend al wat ik ben, maar zij gaat gelijktijdig weer terug naar haar Bron.

Wanneer nu mijn landschap vol is met bomen die zwak zijn: dan stormt het. Wanneer mijn landschap vlak is, dan waait de wind. Wanneer alles sterk is, wanneer in mijn wezen alles hecht, bewust en beleefd is, dan is er een verfrissende koelte.

Het is het landschap dat bepaalt wat de stormwind doet. Niet de stormwind die het landschap maakt.

Wanneer ik krachten ervaar, grijp ik terug naar een vorm van leven. Wanneer ik tot u spreek, grijp ik terug naar drie vormen gelijktijdig:

  1. De vorm die mij voor uw taal het beste past.
  2. De vorm die, gezien het onderwerp mij het meest dierbaar is.
  3. Een geestelijke vorm waarin de herinneringen van het verleden een rol spelen.

Door mij pulseert de kracht van het leven en doordat ik daaraan gestalte geef in deze samenstelling van gedachten en beelden van wat ik ben, kan ik mij uiten op een bepaalde wijze, komt er een kracht uit mij voort op een bepaalde wijze. Wat ik mij voorstel te zijn, bepaalt de kracht van het leven en haar werking en wat ik schijn te zijn.

Wanneer de storm te fel woedt, moet ik mijn landschap veranderen. Moet ik mijn wereld veranderen. Mijn wezen moet op een andere wijze bestaan, of het gaat schijnbaar ten onder aan deze storm van levenskracht.

Waar ik de kracht niet kan verdragen, word ik gejaagd door demonen. Waar ik mijzelf in de kracht stabiliseer, wanneer ik mij voed met deze kracht en het beeld bouw dat sereen, rustig en sterk is, is God. Want het is één kracht. Daarom moet ik soms glimlachen wanneer ik denk aan de trots waarmee ik demonen heb zien vluchten voor wat ik zag als mijn macht of de macht van de God, Die met mij was.

Wanneer ik zei: “Ga heen, gij demon”, en het veranderde, dacht ik : ik heb veel gedaan. Maar ik heb niets gedaan. Alleen het beeld van de wereld van de mens, die bezeten heette, veranderde. Daarom werd de stormwind langzaam tot een rustige koelte. Werd een landschap van dreiging een landschap van vrede.

Soms ontmoet je wezens – ik heb dat meermalen meegemaakt – die bezeten zijn door geesten. Geesten die in hun eigen wereld niet durven bestaan, omdat ze niet in staat zijn de vrede in zichzelf op te bouwen. Omdat ze de levenskracht als een vernielende dreiging ervaren en denken: wanneer ik mij berg in het landschap van een ander zal er vrede zijn.

Maar er is geen vrede. Ze worden gejaagd en in een voortdurende strijd proberen zij dan dat landschap verder te wijzigen en de persoonlijkheid om te bouwen. En dan is er een bezetene.

Als je zo’n geest ontmoet en je drijft hem alleen maar uit, dan geef je hem prijs aan de stormen van zijn eigen vrees, zijn eigen zwakte.

Je kunt een mens voor een kort ogenblik bevrijden, want geloof mij, als je duivelen uitdrijft, ze keren terug. Want wanneer een geest is heengegaan en de mens is zelf onevenwichtig en voortdurend opnieuw plooibaar, dan komt er alweer een andere geest, gedreven door zijn angsten, die zegt: “Laat mij dit landschap bouwen. Laat mij hier die rust vinden, die verdediging tegen de stromen van levenskracht, die rond mij zijn.” Daarom heb ik geleerd – helaas zeer laat – dat je ook de geest moet bevrijden, en niet alleen de mens van de geest.

Je moet een droom van licht geven. Een landschap van vrede. “Rond u zijn al degenen die u lief hebben.”

Is dat waar? Soms. Maar onbelangrijk of het waar is of niet, wanneer zo iemand zegt: “Ik voel mij geborgen, want ze zijn rond mij.” Hij kan de kracht van het leven dan weer een ogenblik dragen. Hij kan in zichzelf weer gaan beseffen, dat al zijn ze er niet, vrede, licht en rust mogelijk is. Dat kracht mogelijk is. Dan bevrijd je niet alleen die mens van de demon. Is er niet alleen het twistgesprek en het gebruik van de krachten en het heilig woord totdat de demon is heengegaan. Je moet ook het landschap bouwen in de bezetene. Je moet in die mens een begrip bouwen van vrede, van aanvaarding, van Licht. Misschien van een onverschilligheid die zegt: “Ach, de zon schijnt toch.” Dat is de kunst van het duivel uitdrijven. Van het uitbannen van boze geesten.

O, er zijn geesten die kwaad zijn, voor ons. Er zijn wezens die zich alleen kunnen voeden met de kracht van anderen, omdat ze hun kracht zo proberen op te bouwen, dat de storm van levenskracht die uit het Goddelijke komt, hen niet beroeren kan.

Ze zijn er. Maar zijn ze eigenlijk niet arm? Arm, omdat ze hun oude, zwakke bouwsels in stand willen houden met alles wat ze kunnen stelen en toch nooit sterk genoeg zullen zijn. Nooit de vredige rust zullen kennen van hen, die de levenskracht hebben leren aanvaarden als iets wat waar en juist is.

Ik heb ze gekend. Bij name. Ik heb ze gekend van Behemoth af tot Lucifuge en alle anderen met hun plaats in het rijk van de duisternis. Hun rang als veldheer of eerste Raadsheer van Satanes zelf.

Beelden die wij hebben geschapen. En toch krachten die bestaan. Krachten die niet bestaan zoals wij ze maken.

De heksenhamer was – hoe heet het in uw tijd? – sciencefiction. Het was een verhaal dat waar is en niet waar. Een ontleding van feiten, aangevuld met de onbewuste angsten en begeerten van de mens.

Deze Heren bestaan, maar ze zijn machteloos in de levende kracht. Ze zijn alleen sterk daar, waar men de levende kracht wil ontvluchten.

Ik heb ook na mijn overgang getracht te helpen om demonen uit te drijven. lk heb tegen zielen gezegd: “Wanneer de wereld hard lijkt, is het goed dat ze hard is. Want wie gaat door deze harde wereld wordt zelf hard. En wie hard is drinkt het werkelijke Licht in wat rond hem is. Hij zwijgt in de kracht die ten onder gaat in de schijn van duisternis voor hen, die in hun vlucht voor de kracht, haar omvormen tot noodlot.” Soms heb ik ook daar een paar duivelen van illusie gebannen. Maar wat hindert het? Wat maakt het voor kracht of onmacht uit wanneer de werkelijkheid bestaat?

Wij allen zijn deel van één en dezelfde gloed en kracht. Hetzelfde Licht, diezelfde levensadem beroert ons allen, komt in onze werelden, in de werelden die wij hebben geschapen, keert terug naar zijn bron en gaat verder.

Wij zijn deel van die kracht. Geen God Die je kunt zien. Maar een God Die je in je kunt opnemen. Die je kunt drinken totdat je helemaal doortrokken bent van de Goddelijkheid. Die kracht is er voor u, voor mij en voor eenieder.

Wanneer wij een God zoeken die een gestalte heeft, zetten wij tussen de levende adem en onszelf een figuur, die ons beschermen moet. Maar die ons gelijktijdig breekt, omdat wij niet de kracht leren opbrengen om die levende kracht zelf te aanvaarden. Om zelf uit te gaan in die veelheid van werelden, die deel zijn van elk van ons. Door te dringen tot de essentie. Tot het wezen. Tot de lichtende werkelijkheid der dingen.

Bid tot God zo ge wilt. Maar gebeden hebben nog nooit demonen verdreven. En goden die worden aangeroepen, hebben nog nooit de wereld van een mens of van een geest veranderd. Maar besef de kracht die er is.

Bid tot die God, niet om de naam die Hij draagt, om de vorm die Hij heeft, om de eigenschap die je Hem toedicht. Gebruik de naam van je God om de levensadem te aanvaarden. Laat het begrip van je God zijn: de volledigheid. De rechtheid. Het eeuwige symbool van de steeds weerkerende kracht die je bent.

Wanneer je wereld dof is en een wasem heeft als van groen uitgeslagen koper, besef dan: dit is niet waar. De dofheid is geen demon die mij belaagt. Geen noodlot dat mij plaagt. Dit is niet een God Die mij straft. Dit ben ikzelf.

Ik zelf moet trachten de gloed en de glans van een werkelijkheid te vinden waarbij vormen onbelangrijk worden. Ik zelf moet leven in een kracht die vrij is van angsten, zwakheid en tegenstelling.

Mijn wereld is onbelangrijk. Wat gebeurt in mijn wereld is onbelangrijk, maar de levende gloed en kracht die voortdurend door mij pulseert, is belangrijk, want dit is werkelijk.

Als u vreest voor demonen, doodt ze in uzelf. Wie lacht om een demon vernietigt zijn eigen illusie. Wie buigt of vlucht voor een demon ketent zich aan zijn eigen waanvoorstelling. Niets kan de vloed van kracht onderbreken. Niets kan een einde maken aan de werkelijkheid die u bent. Niets kan het licht roven van dat wat u bent en leeft, dan alleen gijzelf.

Ik heb duivels gejaagd. Ik heb demonen gebannen. Ik heb plaatsen gevrijwaard voor het kwade. Ik heb gespeeld als een zwakke dromer met nog zwakkere dromen van anderen. Ik heb gespeeld met de illusie van macht die mijn onmacht moest verhullen. Maar ik moest eerst zelf leren die levende kracht te beleven, voortdurend mij aanpassend. Uit elke incarnatie, uit elk geestelijk beseffen steeds weer die waarde nemen, die in het Licht glanst en straalt als licht, voor ik in het geluk van mijn bestaan wat ik ben, kon maken tot een met vele facetten geslepen edelsteen, die in een voortdurende flonkering de sproeiing van Kracht en Licht weerkaatst en zijn geluk vindt in de weerkaatsing.

Misschien ben ik nog steeds een dwaas. Misschien ben ik nog steeds niet in staat zonder vorm, zonder voorstelling die kracht en storm van leven te aanvaarden, die mij voortdurend treft. Maar steeds minder heb ik nodig. Steeds meer besef ik dat de kracht zelf de golf van geluk is die alle vormen overtreft.

Men heeft mij gevraagd te spreken over God en duivel. God en duivel zijn één en dezelfde. Twee aangezichten van één en hetzelfde droombeeld.

Er is een kracht zonder gestalte. Ik noem haar God en ik noem haar demon, omdat ik telkenmale ditzelfde anders ervaar. Er is maar één kracht waaruit Al bestaat. Er is maar één kracht die alles in mijn leven beroert en vormt.

Er is maar één Kracht. Eén en zelfde Werkelijkheid, die voortdurend voor mij aanwezig is. In mij bestaat. Door mij werkt. Vanuit mij verdergaat en tot mij terugkeert.

Er is maar één Kracht. Uw gedachten vormen uw werkelijkheid, de gestalte die deze Kracht voor u aanneemt. Uw leven, uw visie op het bestaan, op dood. Uw angst voor duister of uw begeerte aan licht zijn vormen van de Kracht Die altijd dezelfde is.

Een bezwering, een banning zijn niets anders dan het veranderen van drogbeelden in drogbeelden. Niet meer en niet minder.

Waarlijk leven is beseffen. Uit het onbekende ontspringt de kracht die mij beroert, in mijn wezen vorm en gestalte krijgt, vanuit mij doorgaat, verder stroomt en terugkeert.

Wat zij is voor mij bepaal ik zelf. Oordelend over mijzelf door het beeld van leven dat ik mijzelf bouw. Oordelend over mijzelf door mijn angsten of lonende mijzelf door de genietingen die ik mij voorstel. Maar de Kracht blijft dezelfde.

Wanneer al wat nu aan droom bestaat verdwijnt, is er nog de Kracht. Ik zal de Kracht beseffen, maar niet meer vormen. Ik zal één zijn met die Kracht, deel worden van de Bron en haar uiting en alleen zo werkelijk leven.

Wat meer wilt u horen van een die incarnaties lang met beelden tegen waanbeelden heeft gestreden? Wat meer kan ik u zeggen als mens of als geest dan dit ene:

Bouw uw eigen wereld door u te beroepen op de kracht en u te vormen naar de kracht die in u is, opdat u de vrede kent van de Kracht die u draagt en koestert.

image_pdf