God en Goden

image_pdf

16 februari 1962

Alwetend of onfeilbaar zijn wij niet. Wat mijn onderwerp betreft: Ik zou graag met u willen spreken over de inwerking van geestelijke en andere krachten, die zich door geheel het bestaan van de mensheid ook op uw wereld gemanifesteerd hebben. Als titel hiervoor koos ik: God en Goden.

Door alle tijden heen en in elk geloof vinden wij ergens het begrip van de oergod weer, de onbegrijpelijke en onverklaarbare. Een van de meest juiste uitbeeldingen van de menselijke verwarring, die hier heerst, is wel de God Chronos, die zijn eigen kinderen verslindt. Ook elders vinden wij de gedachte aan een onbegrijpelijke oerkracht, die het begin van alle dingen is. Toch blijft deze God zelden alleen. De steeds weer wisselende behoeften van de mens, de zich steeds wijzigende omstandigheden, de wens van de mens zijn Goden te kunnen begrijpen, brengen hem er toe zich zijn God anders voor te stellen. De oergod blijft echter steeds op de achtergrond.

Zo ontstaat naast de vaag erkende oerkracht – in de plaats van de onbegrepen bezieling van de dingen – een aantal nauw omschreven Goden. Een goed voorbeeld van de wijze, waarop een dergelijk Pantheon zich haast tot het Oneindige uit kan breiden vinden wij in de Hindoeleer. Ook deze gaat immers uit van Brahman – het ongekend levende, de oerkracht – die uit zich Brahma, het gekend levende, voortbrengt. Het aantal Goden, dat uit Brahma en diens telgen is ontstaan, wordt verschillend geschat. Gezien de bestaande culten is het aantal wel tenminste 30.000. De vraag, hoe de mens tot het scheppen van deze vele Goden komt, maar vooral de vraag, wat dergelijke Goden voor de mens betekenen kunnen, heeft mij tot een studie over dit onderwerp gebracht, waarbij ik een aantal ontdekkingen deed, die ik u op deze bijeenkomst voor wil leggen.

Op het ogenblik, dat de mens voldoende besef verwerft om ‘t beeld van een Godheid in zich te dragen, zal hij tevens dit beeld trachten te vormen, maar dan zo, dat het beantwoordt aan zijn eigen denken, eigen verlangens en noden. Dit denken bestaat immers – zoals gebruikelijk – uit angsten en begeerten. De mens zoekt een Godsvoorstelling, die enerzijds aan zijn begeerten tegemoet komt, maar anderzijds ook de in hem levende angsten voldoende uit kan beelden. In sommige gevallen zien wij, dat deze beide functies van de Godheid weer worden gescheiden tot verschillende persoonlijkheden. Wij krijgen dan te maken met een Godheid, die in feite uiteen valt in een positief en een negatief beeld.

Een aardig voorbeeld van de grote tegenstellingen, die op deze wijze ontstaan, is b.v. de Godin Kali. Naar ik meen, vinden wij een dergelijke splitsing eveneens bij de God van de Christenen, waarbij immers de ene en ondeelbare Godheid in de ogen van de gelovigen gesplitst is in de Drie-Eenheid en de duivel. De beelden, die men zich van God maakt, zijn – zoals ik al aanduidde – sterk afhankelijk van de wijze, waarop de mens leeft. Leeft de mens in een kleinere gemeenschap, zo zal zijn denken gericht worden op het welzijn van de gehele stam. De wetten van de stam zijn immers de leden daarvan heilig, terwijl de belangen van de stam voor alles gaan. De stam zelf moet verder, volgens het bewustzijn van de leden daarvan, voortdurend tegen een geheel vijandige – of tenminste onbetrouwbare – wereld verdedigd worden. Zo ontstaat een bijzondere stammentaliteit, die, zelfs wanneer zij niet door een stam of rassengeest, die werkelijk in de geest leeft, is gesteund, toch een astraal wezen voor zich schept, dat de stam a.h.w. verbeeldt. Het is in het begin steeds weer een dergelijke stamgod, die door de mensen vereerd wordt, terwijl slechts zeer weinigen onder hen weten, dat vóór de stamgod zelf ergens reeds een begin ligt, een macht, waaruit ook deze stamgod eens is voortgekomen. Elk lid van de stam kan tot op zekere hoogte deze stamgod op- en aanroepen. Wel treedt ook reeds bij de stammen een meer wetende, een soort ingewijde, op, die vaak zijn functie van vader op zoon vererft, als bijzondere leider van bijeenkomsten en duider van tekenen.

Zodra er echter sprake is van kleine stadstaten, gebieden, die – onafhankelijk van de mensen, die er wonen, een eigen gezag uitoefenen op een en hetzelfde grondgebied gedurende langere tijd – zien wij, dat er een Godendienst ontstaat, die niet slechts een enkele hoofdgod, maar daarnaast vele bijgoden en gastgoden vereert. Een van deze Goden wordt als hoofdgod geëerd. Hij heeft onder zich vele andere Goden of dienaren. Zoeken wij de kern van de leer, zo vinden wij, dat de dienaren – of ondergoden – in feite de bijzondere eigenschappen van de hoofdgod representeren.

In Mexico is deze verdeling tamelijk duidelijk te volgen aan de hand van de beelden, die nog heden daar bestaan en gevonden worden. Wij zien daarbij steeds de zon als werkelijke God, maar al snel vereert men de zon slechts – om daardoor invloed uit te kunnen oefenen op zijn dienaren – als de God van strijd, de Godin van vruchtbaarheid enz. De beruchte mensenoffers, die oorspronkelijk eens per jaar plaats vonden, blijken vanuit dit standpunt zin te hebben. De mens, die gezonden wordt naar de hoofdgod, dient immers daar verslag uit te brengen over het gedrag van de lagere Goden en de wensen van de mensen kenbaar te maken. Het is dus in feite een poging van het priesterschap op de werken en daden van de lagere Goden controle uit te oefenen.

Eerst onder de Tolteken gaat dit besef teloor en komt daarvoor in de plaats een reeks van bloedige offers van grote wreedheid. Ook dan vinden wij op de achtergrond nog de gedachte, dat de mens na zijn dood terugkeert tot zijn bron en deze Godheid in de geest zal moeten dienen. Deze voorbeelden, op zich reeds belangwekkend, geven ons tevens een inzicht in de werkelijke gedachtegangen van de mens, wanneer hij zich met zijn God geconfronteerd ziet.

Daarbij overheersen zijn eigen denkbeelden steeds weer: leer en werkelijkheid. Vandaar, dat wij vele van de vroeger heersende beelden in licht gewijzigde vorm in het heden terug kunnen vinden. Alleen sprak men vroeger over bepaalde waarden als persoonlijkheden, als Goden. In uw dagen spreekt men eerder van naties, groepsbelangen, standen enz.

De grote Godheid is altijd de kracht, waarmee het ik tegen de wereld verdedigd kan worden. Gelijktijdig is deze God een rechter. In de ogen van de mensen is hij daarom tevens voortdurend toornig, een strijder. Overal vinden wij allereerst – en voor men zelfs maar over andere Goden of dienaren denkt – het beeld van een strijdbare God. Deze strijdbare God is klaarblijkelijk zeer wraakzuchtig. Hij laat niets over zijn kant gaan en straft op wrede wijze. Niet zonder willekeur handhaaft hij zijn wetten en het recht van zijn wezen en zijn volk tot de laatste consequenties. Let wel: dit is een door de mensen ontworpen beeld, dat niet veel met een werkelijke Goddelijke kracht gemeen heeft.

Verder vinden wij altijd de met nadruk verkondigde stelling, dat deze God Zijn uitverkoren stam of volk, het door hem uitverkoren gebied, met bijzondere nadruk zal beschermen, zolang men de regels, die deze God door zijn priesters of profeten de mensen stelt, nauwkeurig opvolgt. Naar ik meen, mogen wij – zelfs indien naast deze God geen andere Goden worden erkend – hier toch van een stamgod spreken. Een verdere ontwikkeling doet ons beseffen, dat deze God de centrale figuur van het leven wordt en staat in plaats van het geheel van de mensheid. Hij is dus gelijk aan het begrip, dat de kabbalist uitbeeldt in de gestalte van de Rode Adam – de volmaakte of volledige mens – die door nalatigheid een deel van zichzelf verloor en werd tot de veelheid van de mensen, maar moet streven naar een terugwinnen van de oude eenheid. Indien wij spreken over een Godheid, die als stamgod fungeert, moeten wij tevens beseffen, dat de kracht van een dergelijke God altijd – volgens de gedachten van de stam – tegengesteld is aan de krachten van alle andere Goden. Jahweh – of Jehova – stelt Zich steeds t.o. alle andere Goden, die afgoden zijn. Hij verslaat – door middel van zijn priesters en profeten, zowel als zijn gekozen helden – in grote aantallen de aanbidders van andere Goden. Er is strijd. In deze strijd wordt de vorm van de God en de vorming van de stam, of ‘t volk, verder bepaald. In de moderne tijd vinden wij een soortgelijke hoofdkracht, een stelling, waarvan men uitgaat. Deze wordt de leer, de natie, of het systeem genoemd. Deze worden over het algemeen in feite eveneens als een soort Godheid behandeld en zo – zij het niet op kerkelijke wijze – aanbeden. Niets mag het systeem, de natie, of de leer aantasten of veranderen.

De leer, natie, of de systemen, kentekenen zich verder door vijandigheid en bereidheid tot strijden tegen al, wat deze waarden aan zou tasten, of zelfs maar daaraan tegengesteld is. Uit het gemeenschappelijk denken van volkeren, groepen enz., ontstaat een astraal beeld, dat veel gemeen heeft met de oude stamgoden. Een dergelijke astrale figuur of demon mogen wij niet vergelijken met de in de geest werkelijk levende en bestaande groepsgeest, die als geestelijke invloed en leider op kan treden van bv. een bepaald ras. Het astrale beeld, dat door het denken van de mensen is ontstaan, is een lege huls, een astrale schil met demonische eigenschappen, die hoofdzakelijk bepaald worden door de begeerten en angsten van het volk – de groep – die via de gedachten tot eigenschappen van deze astrale gestalte worden en door deze wederom op aarde tot uiting worden gebracht. Een dergelijke figuur is betrekkelijk machtig.

Naast deze vinden wij meestal kleinere Goden, die op dezelfde wijze ontstaan zijn. In elk volk zullen immers bepaalde partijen voorkomen, terwijl ook in elk geloof bepaalde, van het geheel enigszins afwijkende, belangen en gedachtegroepen voorkomen. Hieronder vallen vaak ook bepaalde schisma’s. Elk van deze groepen denkt anders en schept zich zo zelf een afzonderlijke Godheid, een afzonderlijk systeem, dat aanbeden wordt, maar niet in feite strijdig is met de hoofdgod, het hoofdsysteem. Ongeacht de onderdanigheid van dergelijke astrale wezens, aan de hoofdgod, zullen zij zich buiten dit gemeenschappelijk belang voortdurend en intens verzetten tegen elke andere gedachtegang en opvatting. Er ontstaat een hiërarchie van op zich steeds strijdende en strijdvaardige astrale schillen. De hiërarchie, zowel voor de vroegere volkeren met hun eigen Godenleer en geloof, als voor de moderne mens met zijn van anderen afwijkende opvattingen, kan ongeveer als volgt worden geschetst: Boven alles staat de werkelijke God, de levende Kracht. Dit wordt wel beseft, doch deze Godheid kan alleen nationaal – per groep – geïnterpreteerd worden. Daardoor ontstaat – nu liggende buiten de Goddelijke werkelijkheid – een nationale Godheid, die op zijn beurt onder zich vindt – evenmin werkelijke – krachten, die wij lagere Goden of uitingen van groepsbelangen mogen noemen.

Daaronder vinden wij nog lagere krachten, die familiegoden genoemd zouden kunnen worden en een vaak wat zwakke uiting vormen van de belangen van kleine, maar intens onderling gebonden groepen. Elk van de uit menselijk denken, of waan, opgebouwde Godheden beschikt over bepaalde eigenschappen, wapens en heeft de mogelijkheid instigerend in te werken en alle individuen, die deel uitmaken van de daaronder ressorterende groep.

Men zal menen, dat een dergelijke hiërarchische verhouding blijvend is. Het blijkt, dat deze volgorde soms verbroken kan worden. Egypte geeft ons hiervan een aardig voorbeeld: Wanneer Egypte tot eenheid wordt gebracht, zien wij op religieus terrein een strijd tussen twee even belangrijk geachte stadgoden, Amon en Re. Re is ouder dan Amon. Amon is de God van de belangrijkste stad in het land; Re is de God van een oude en algemeen verbreide zonnereligie, die in een andere stad zijn hoofdtempel heeft. De eredienst van Re en de godsdienstige begrippen, die daarin naar voren komen, waren zeer oud en zouden – naar men zegt – vanuit Atlantis zijn overgeleverd. Deze Goden waren een tijdlang elkaars vijanden. Dit werd beëindigd op het ogenblik, dat de belangen van de priesters hen tot een samenwerking deden besluiten. Vanaf dat ogenblik werd door de priesters steeds gestreefd naar een samenvoegen van Amon en Re als een en dezelfde persoonlijkheid in het bewustzijn van het volk. Uit de beide oorspronkelijke zonnegoden ontstond zo – astraal gezien – een derde Godheid: Amon-Re. Deze stond a.h.w. boven de zon en werd beschouwd als meer dan de zon en alle krachten in het Al. Zijn wezen werd de essentie van het politiek machtige, vruchtbare en welvarende Egypte.

Ook in uw dagen kan hetzelfde gebeuren. Wanneer wij op een bepaald ogenblik een aantal groepen naast elkaar zien staan, wier belangen en denkwijzen schijnbaar strijdig zijn, maar toch tot ‘n samenwerking of eenheid kunnen komen, binnen bv. een nationaal, of zelfs internationaal verband, is het waarschijnlijk, dat deze groepen op den duur een zodanige denkwijze ontwikkelen, dat deze eenheid zich weerspiegelt in een astrale figuur, die machtiger is dan de oorspronkelijke partij, of het nationale denkbeeld, de oorspronkelijke astrale Godheid. Er kan dus een dergelijke wisseling van waarden steeds weer plaats vinden. U zult zich waarschijnlijk afvragen, wat dit alles te doen heeft met de geestelijke ontwikkeling van de mens en de geestelijke krachten, die daarbij tot uiting komen. Ik zal trachten het u duidelijk te maken.

Wanneer een mens gelooft, kan hij nooit werkelijk en geheel geloven in de kosmische Godheid. Deze onttrekt zich aan zijn voorstellingsvermogen en weten. Wel kan hij geloven in één zeer bepaald deel van deze kosmische Godheid. Dit deel is voor hem volledig waar en bestaat ook werkelijk binnen de kosmos. Aan dit deel van Gods werken en eigenschappen verbindt de mens een voorstelling, een gestalte, waardoor voor hem dit één geheel schijnt. Dit is niet werkelijk bestaanbaar. De mens schept dus een schijnvorm, waaruit hij een deel, of zelfs het totaal van de door hem erkende Goddelijke inwerkingen verklaart. Deze schim is in zijn ogen werkelijk God, maar bezit toch geen leven. Het is een astrale huls, een matrix, die uit het menselijk denken geboren wordt.

Naarmate meer mensen gezamenlijk een dergelijk beeld vormen, zal een beperkter deel van het werkelijk Goddelijke Zich kunnen manifesteren, terwijl gelijktijdig de astrale huls sterker en groter wordt. Om dit laatste te begrijpen dient u zich allereerst te realiseren, dat geen mens een God kan aanvaarden, waarmee hij het niet geheel eens is, een idee werkelijk kan onderschrijven, wanneer hij daarin niet geheel gelooft. Hij moet een hoofdbelang vinden, dat voor een grotere groep gelijkelijk aanvaardbaar blijft. Daarom laat men alle fijnere punten eenvoudig wegvallen en definieert men die Godheid gelijktijdig vager en beperkter, naarmate de gemeenschap, die hierin gelooft, groter wordt.

In de oude tijd werkten de beeldhouwers elk detail uit. Elk haartje werd a.h.w. afzonderlijk weergegeven. Een moderne beeldhouwer tracht alle bijkomstigheden weg te laten, in de hoop zo’n beeld te verkrijgen, dat in de ogen van elke beschouwer diens eigen ideaal kan vertegenwoordigen. Het resultaat is een vlakke kei, waarin misschien hier of daar een putje is gebeiteld. Nu heeft een moderne voorstelling wel degelijk zijn waarde. Deze waarde ontleent zij aan de individuele interpretatie van de beschouwer. Terwijl de beschouwers het menen eens te zijn, zullen zij toch de verschillen van interpretatie innerlijk ondergaan, zodat een ieder op zijn wijze het beeld kan aanvaarden. Nu is het bij een beeld nog mogelijk een bepaald onderwerp als kern vast te houden. Bij de groei van een nationale astrale God is dat niet meer mogelijk.

Er blijft alleen een streven over, dat gericht is op het behouden van het bestaande. Hoe groter de macht, die een dergelijk astraal beeld verkrijgt, hoe groter ook de eenzijdigheid van bestreven daarin zal worden, terwijl gelijktijdig met een verminderen van de Goddelijke waarheid, waarmee het nog overeenstemt, een vergroting van zucht tot behoud en ferociteit t.o. alle andere denkbeelden en astrale machten ontstaat.

De astrale Goden – of schillen – waarvan wij hier spreken, vergaren de menselijke gedachtekracht, die erop af wordt gezonden. Hoe groter het aantal gedachten aan een dergelijke astrale God gewijd, hoe groter de stuwkracht daarvan t.a.v. de wereld wordt. Het beste kan men dan ook m.i. een dergelijke astrale vorm vergelijken met een stuwbekken, of een accumulator. Het grootste deel van de menselijke impulsen en gedachtekracht wordt in zo’n vorm bewaard, terwijl slechts een betrekkelijk gering percentage zonder verdere uiting van de vorm teloor gaat. Wanneer er een gelegenheid is het ik te bevestigen in de gedachten en daden van de mensen, zal het geheel van deze energie zich over de mensheid ontladen. Deze ontladingen zijn echter nimmer werkelijk gericht. Zij zullen dus voor alle mensen even sterk tot uiting komen. Wie met deze krachten harmonisch is, wordt er het sterkste door beïnvloed.

Degenen, die deel hebben aan de opbouw van het astrale wezen, zien in een dergelijke uitstorting van krachten alleen maar een bevestiging van eigen denken en geloof, waarmee zij blij zijn. Voor alle andere mensen is het eerder een plotseling optreden van een macht, waarvan de reden en de oorzaak niet begrepen wordt. Mijn studie omtrent de mensheid in heden en verleden, plus de Goden en machten, die deze mensheid erkent en oproept, heeft mij verder nog het volgende bewezen: Men is geneigd als mens elke oude God te handhaven, zelfs wanneer er een nieuwe God bijkomt. De invloed, die de oude God nog op zijn gelovigen heeft, laat een direct en werkelijk veranderen van inzicht en geloof niet onmiddellijk toe.

Een aardig voorbeeld biedt ons het oude Rome: In Rome zette men – zelfs in het Kapitaal – steeds de beelden neer van de Godheden, die in niet veroverde landen werden aanbeden. In de historie van Rome zien wij ogenblikken, waarop de Goden van Griekenland en hun eredienst, of de Goden van Egypte machtiger zijn en meer eer verworven van de Romeinse burgers, dan de oorspronkelijke Goden van Rome. Men gaf echter nooit de verering van de oudere Goden prijs, wanneer men zich tot nieuwere Goden ging wenden. Men voegde eenvoudig aan zijn verering een nieuw element toe en verminderde onopvallend zijn aandacht voor het oudere.

Dit betekent ook, dat, wanneer een volk zijn visie omtrent zichzelf wijzigt, het niet in staat zal zijn het oude beeld geheel los te laten. Dit blijft nog zeer lange tijd een zekere kracht en invloed behouden. Daarnaast wordt een nieuw beeld opgebouwd, dat door wanhopige krachtuiting van het oude beeld gestoord zou kunnen worden. In ‘n volk kunnen op deze wijze soms gelijktijdig 3-4 verschillende beelden – Goden – bestaan, die elk voor zich bovendien een deel van de Goddelijke waarheid en door harmonie daarmee een deel van de Goddelijke kracht uit de kosmos in zich dragen. In elk van deze astrale Goden is bovendien een vaak zeer grote macht aan gedachtekracht opgeslagen. Het is belangrijk, dat u zich realiseert, dat deze, uit eenzelfde volk voortgekomen, Goden of krachtbronnen altijd met elkaar strijdig kunnen zijn.

Ook in de oude Pantheons vinden wij Goden, die elkaar bestrijden. Want de Goden, die de mensen zich scheppen, zijn nu eenmaal Goden, die met elkaar strijden om macht en invloed, die elkaar trachten te overvleugelen en te bevechten.

Let wel: Wanneer ik van de Goden zonder verdere aanduiding spreek, bedoel ik hiermee steeds de astrale vorm, die de mensen zelf zich geschapen hebben; de vormen, die geladen zijn met de angsten, begeerten en gedachten van de mensen zelf. Deze astrale beelden zijn het brandpunt van een bepaald streven, dat ook in de mensen bestaat en daardoor tevens een brandpunt voor eenzijdige en bepaalde uitingen van de kosmische krachten. De vraag, die bij het beschouwen van dit alles bij mij gerezen is, luidt: Hoe heeft zich dan toch weer een zeker evenwicht op aarde kunnen handhaven of herstellen? Hierbij nu blijkt het volgende een rol te spelen: De mens heeft bepaalde verlangens, die haast altijd geheel of ten dele strijdig zijn met de bestaande werkelijkheid. In deze verlangens bouwt de mens een geheel de mensheid representerende supranationale schim. Een dergelijke, alles overheersende, kracht blijkt zich alleen – dit is zeer eigenaardig – via de reeds nationaal of per groep bestaande Godheden te uiten, zolang deze redelijke kracht bezitten.

Op het ogenblik, dat ergens geen astrale krachtbron van enige waarde werkzaam is, zal een onmiddellijke uiting van het supranationale beeld plaats vinden. De tendensen uit het geheel van de mensheid zullen dan juist in gebieden, waar een persoonlijk streven en meer persoonlijk – of groepsbewustzijn bestaat, tot uiting komen.

  • Dit laatste heb ik niet goed begrepen.

Stellen wij als voorbeeld een willekeurig land, met een sterk nationaal bewustzijn.

Stel verder, dat dit land kapitalistisch is geweest, daarnaast een periode van liberaal streven en denken gekend heeft. Daarna is het land socialistisch geworden en heeft zich daardoor naar een individualisme op hogere basis ontwikkeld. Nu wordt het streven en denken van de staat in elk van deze denkwijzen, door het denken en streven van een groter aantal mensen in dezelfde richting, tot een astrale machtsfiguur, die wij Godheid kunnen noemen. Deze Godheid draagt in zich dan alle impulsen, denkwijzen en krachten, die daarin door het streven en denken van die bepaalde periode binnen de staat zijn gelegd. Buiten deze bestrevingen bestaat een nationaal voelen, een vorm van bewustzijn, die tot uiting pleegt te komen in termen als: De eer van het vaderland, ons volk enz.. Nu staat de hieruit voortkomende astrale kracht boven de verschillende door mij reeds geschetste astrale figuren. Maar deze vaderlandsliefde ontlaadt zich zelden of nooit direct. Zij zal zich steeds weer manifesteren door een of meer van voornoemde partij of groepsgodheden. Boven de natie bestaat weer het denken van geheel de mensheid.

Stel nu, dat in geheel deze mensheid een verlangen naar vrede heerst. Wanneer geheel de mensheid in zich een astrale kracht schept, die – krachtens haar inhoud – in sterke mate harmonisch is met de werkelijke krachten in de kosmos, zowel de Goddelijke kracht, als de krachten van hogere geestelijke wezens, dan kan men wel stellen, dat deze sterker zullen zijn dan alle nationale of kleinere astrale Godheden. Nu zou men misschien menen, dat deze kracht zich wel direct over geheel de wereld zal kunnen ontladen. Maar neen, dat is niet het geval.

Deze kracht zal zich ontladen via de kleinere en meer nationale gestalten en vandaar zal deze kracht verder overvloeien in de verschillende groepsgoden, de beperktere ideeën.

Stel nu, dat op een gegeven ogenblik ergens het partij denken wegvalt en het nationaal denken minder sterk wordt; dan is er geen belangrijke kracht meer, die voor deze vredeskracht als intermediair kan dienen. Het totaal van die vrede-god, deze supranationale figuur, zal zich juist hier bijzonder sterk ontladen en wel in zijn zuiverste vorm. Er bestaan dan zeer grote mogelijkheden, en de directe beïnvloeding van de daarbij betrokken mensen is wel buitengemeen sterk. Alle partij-, groeps- en nationale begrippen vormen voor die vredesgedachte en haar inwerkingen een zekere remming. Wanneer men nu water van een berghelling laat stromen, maar overal hinderpalen opwerpt, zal het zich een weg zoeken, waarbij het zo weinig mogelijk hinderpalen ontmoet en dus zo rechtlijnig mogelijk naar beneden kan gaan. In feite zoekt het water de weg van de minste weerstand.

Hetzelfde kan voor de inwerking van supranationale krachten vanuit het astraal gebied worden gesteld. Ook een dergelijke kracht zoekt een zo direct mogelijke uiting in de mensheid.

Nogmaals dus: Waar een verzwakking van nationaal – en groepsdenken optreedt, zal een meer directe uiting van het wereld denken mogelijk worden. Ik hoop, dat dit punt u duidelijk is geworden. Het is n.l. van belang, indien u de verschillende verschijnselen en werkingen in uw eigen tijd wilt begrijpen. Naast al deze Godheden, die de mens zichzelf heeft geschapen, zijn er – vanaf het begin van de mensheid, reeds voor Lemuria – ook werkelijk bestaande entiteiten, die zich met de mensheid bezighouden en die mensheid leiding geven. Om verwarringen te voorkomen, zullen wij deze krachten engelen noemen.

Deze engelen zijn – vanuit menselijk standpunt gezien – scheppende krachten en als zodanig directe afgezanten van de kosmische- of oergod. Vanaf het ogenblik, dat de mens zijn instincten mede door de rede laat bepalen, zijn deze entiteiten in de ogen van de mensen geen Goden meer. Zij treden eerder op als inwijders en gezondenen, soms zelfs in stoffelijke gedaante. Steeds weer trachten deze engelen in de mensheid een bewustzijn voor de kosmische wetten en krachten te wekken en de kosmische stromingen onder de mensen te doen overheersen. Deze krachten zien wij soms in menselijke vorm optreden als leraren, soms ook zijn zij de wonderwerkende engelen, die een mens op zijn pad kan ontmoeten. Ook zijn deze engelen de geheimzinnige krachten, die op sommige ogenblikken binnen de wereld tot uiting komen en dan – tegen elke menselijke berekening en zelfs elke uit de mens geboren opvatting omtrent God en Goddelijke krachten in – bepaalde ontwikkelingen forceren.

In ons vreemde Pantheon hebben wij ook te maken met de krachten, die ons direct of indirect via entiteiten, van de oerkracht zelf, gericht bereiken. De bron van alle krachten is de oergod, waarvan de mens wel spreekt en droomt, maar die hij nooit definieert. Deze oergod blijft voor de mens: Het onvatbare en onbekende, vaak zelfs het onaanvaardbare. De krachten, die uit deze engelen voortkomen, kunnen zich in, naast, of zelfs in directe tegenstelling tot, de uit de mens voortgekomen krachten en Goden openbaren.

Dit brengt mij tot het voor mij belangrijkste punt van mijn betoog: Wanneer u op het ogenblik uw wereld beziet, zult u wel beseffen, dat bepaalde nationale Godheden bijzonder sterk zijn.

Daarnaast zijn bepaalde groeps- of partijgoden, soms ook supranationaal, sterk tot ontwikkeling gekomen. Deze krachten, die uit de mens zelf geboren werden, zijn voor een groot deel afgestemd op reëel bestaande Goddelijke krachten. Men kan dus zeggen, dat elk van deze astrale schillen in wezen toch wel een deel van de werkelijkheid, van de kosmische waarheid vertegenwoordigt en als zodanig in zich soms een zeker momentum, een vermogen tot voortgaan bezitten, dat niet meer alleen uit de mensheid zelf voortvloeit. Nu is de oerkracht niet selectief. Dit is slechts in het geschapene mogelijk. Vandaar dat bepaalde nationale Godheden zich, gedreven door het Goddelijke, dat daarin tot uiting komt vanuit de kosmos, zich zelfs tegen de inzichten van de mensen in langere tijd fel t.o. elkaar kunnen blijven stellen.

Een steeds groter wordende strijd van deze, door mensengedachten geschapen, astrale Goden was in de laatste jaren dan ook niet meer te vermijden.

Wij hebben in de oudheid ook reeds dergelijke perioden gekend.

Soortgelijke contrastwerkingen zien wij b.v. ook in de geschiedenis van Griekenland, zij het op kleinere schaal. Alexander, de Macedoniër, laat zich daar – gedreven door een zelfde nationale Godheid – brengen tot een veroveringstocht, die zijn ondergang zal worden. De grootheidsgedachte, die in zijn volk leeft, heeft hem geheel bevangen. Zo wordt hij de exponent van ‘n beeld, dat mensen zich omtrent zichzelf hebben gebouwd. Dit beeld bevatte een Goddelijk element: Het ideaal van eenheid, dat ook in Alexander ‘s denken en streven tot uiting kwam.

Dit element was zeker niet alleen gebaseerd op het verlangen naar macht en grootheid, maar werd wel degelijk mede bepaald door een verlangen, het welzijn van eigen volk en andere delen van de mensheid zo goed mogelijk te bevorderen. Het is dit deel van de inwerkingen, waardoor Alexander zover kan komen. Zich vergrijpende aan het ideaal, de Goddelijke waarde, zoals deze in hem leeft, betoverd door de weelde en rijkdommen van veroverde gebieden, wordt hij strijdig met zichzelf. Nu alleen nog dienende als exponent van de nationale Godheid is hij tot terugtocht en ondergang gedoemd. Ook in het leven van Napoleon treffen wij een dergelijk eigenaardig aspect aan: Hij wordt gedreven door de behoefte de grootheid van Frankrijk te herstellen en vrede in Europa te doen heersen. De behoefte aan eenheid is Goddelijk. Zij wordt in hem vooral uitgedrukt via de denkwijzen van een oudere tijd, waardoor hij o.m. een keizerskroon voor zich opeist. Omdat hij de belangen van de hem drijvende partijgodheid weet te doen samen gaan, met de invloeden van nieuwere Godheden en belangen, wordt hij tot exponent van het Franse nationaal bewustzijn, dat hem gaat overheersen en het hem daardoor onmogelijk maakt de behoefte aan eenheid en rust, die ook bij de eenvoudigen uit zijn tijd wel degelijk bestond, geheel over het hoofd te zien, maar dit anderzijds niet denkbaar achtte zonder overheersing door ditzelfde Frankrijk.

Vandaar dat Napoleon – ondanks zijn vele mogelijkheden – slechts een mogelijkheid tot verwerkelijking van zijn gedachten meende te kunnen vinden vanuit zijn natie, zijn Godheid, zijn beeld van de waarheid. Hierdoor wordt hij geprikkeld tot veroveringstochten. Miskenning van zijn nationale Godheid brengt hem tot wanhopige avonturen, waarvan hij als veldheer innerlijk wel beseft, dat zij – zoal mogelijk – dan toch wel zeer moeilijk zullen zijn. Dit brengt hem tot zijn tocht naar Rusland, is de oorzaak van het avontuur van de 100 dagen en voert uiteindelijk tot zijn tragische dood, waarbij zijn leven – gezien de politieke belangen en wensen elders – wel zeer op tijd eindigde.

Deze beide voorbeelden geef ik u om u duidelijker te doen zien, wat er in uw dagen eigenlijk gaande is. Een vorige maal heeft men u reeds laten zien, hoe bepaalde geestelijke krachten zich op aarde buitengewoon sterk gaan manifesteren. Deze geestelijke krachten, evenals degenen, die in staat zijn deze krachten in zich te ontvangen en te dragen, zullen de mogelijkheid vinden een groot deel van astrale Goden en schrikbeelden te vernietigen. Wat zal er geschieden, wanneer een dergelijk astraal krachtreservoir wordt vernietigd? Denk nu even aan de aanvallen op de Möhne- en Ruhrdam in Duitsland tijdens de laatste oorlog. Hierbij vloeide het opgestuwde water na vernietiging van de dammen met vernietigende vaart door de dalen, gehele steden overspoelende en wegsleurende.

Op dezelfde wijze kan het vernietigen van een astraal wezen, waarin vele krachten worden bewaard, een ongebonden vrijkomen van de daarin gelegen impulsen, gedachten en krachten ten gevolge hebben. Het Goddelijke momentum, de stuwkracht vanuit het Goddelijke – door harmonie ontstaan – zal weliswaar met het teloor gaan van de vorm ophouden daardoor actief te zijn, maar de eigen krachten daarin blijven bestaan; de dam is kapot, de elektrische centrale draait niet meer, overal gaan de lichten uit, maar het in het reservoir aanwezige water moet eerst weer een eigen niveau vinden.

Stel nu, dat in deze dagen, evenals reeds eerder op aarde gebeurde, iets dergelijks plaats vindt. Wij zien dan in de eerste plaats zeer sterke golven van irrationeel denken en daarna ook irrationeel handelen optreden. De mens wordt nu plotseling overstelpt door vele emoties, gevoelens en denkbeelden, die hijzelf niet meer in deze intensiteit kan begrijpen, of redelijk verwerken. Hij wordt voortgezweept door krachten, die – tenzij hij in werkelijke en persoonlijke harmonie met het hogere, de Goddelijke werkelijkheid is – alle redelijke mogelijkheden tot overdenken en reageren weg zal vagen. Dan komt hij te staan voor een reeks van handelingen, die niet uit eigen verlangen, behoefte, of noodzaak voortkomen, maar een directe uiting zijn van hem persoonlijk niet betreffende begeerten en angsten, die geslachten lang werden opgestapeld in de astrale figuur.

  • Als nationale Goden allen een deel van de Goddelijke krachten in zich dragen, kunnen deze zich niet t.o. elkaar stellen?

Twee mensen dragen ook elk voor zich een deel van de Goddelijke krachten in zich.

Wanneer zij ruzie krijgen, kunnen zij – ongeacht ‘t Goddelijke in elk van hen – onderling strijden. Ga dus niet uit van het ondeelbare van de Goddelijke kracht op zich, maar realiseer u, dat de menselijke gedachte bepaalt, met welk deel van de Goddelijke kracht hijzelf – of de God, die hij zich schept – in harmonie kan zijn. Daardoor kunnen deze, op zich Goddelijke, waarden wel degelijk met elkaar in strijd zijn, indien wij het geheel van de ontwikkelingen vanuit menselijk, of laaggeestelijk, standpunt beschouwen. In het laatste deel van mijn betoog heb ik de mogelijkheid geschetst van uitbarstingen van onredelijke werkingen en handelingen, iets, wat men misschien wel een massapsychose zal noemen, in de mens. Een dergelijk groot krachtreservoir uit het astraal gebied zal bij een plotseling uitvloeien van alle daarin gelegen krachten niet alleen inwerken op de mensen. Het is wel degelijk mogelijk, dat een dergelijke, uit het astrale plotseling de aarde bereikende, wolk van gedachtekracht ook de materie zelf beroert: Men kan hierdoor bv. als mens worden genezen, maar ook kan daardoor een bron ontstaan. Planten kunnen sterven, of snel gaan groeien, onder een dergelijke invloed. Zelfs is het mogelijk, dat een dergelijke uitvloeiing van gedachte-energie een deel van de aarde in onrust brengt en doet beven, of – omgekeerd – bij een bestaand gevaar een deel van de aarde voor werkelijk nadelige gevolgen grotendeels beschermt.

De inwerking is niet beperkt tot de mensheid alleen. Zij is integendeel, betrekkelijk algemeen. Ook hier mag worden gesteld, dat de krachten de weg van de minste weerstand volgen zullen. Strijdige gedachtekrachten zullen op de zwakste plaatsen van de aarde, zowel als het menselijke leven, tot uiting komen. Zelfs daardoor kunnen in de mens of de materie tegenstellingen ontstaan, die tot op dat ogenblik niet aanwezig, of niet geuit waren. Voor de mens kan worden gesteld, dat dergelijke uitbarstingen van kracht hem zullen beïnvloeden van het hoogst esoterische vlak, tot het laagste stoffelijke niveau. De toestand op aarde is dus – gezien de daarin gelegen mogelijkheden – tenminste eigenaardig en buitengewoon te noemen.

Nu heeft men in Atlantis dergelijke situaties gekend, kort voor de eerste ramp en later kort voor de ondergang van het rijk. Hoe dit alles verloopt? Er zijn in de eerste plaats onmiddellijk kosmisch ontstane krachten en via bestaande entiteiten gedelegeerde kosmische krachten op en rond de aarde aanwezig. Hun invloed is altijd kosmisch, waardoor hun werkingen dus altijd meer aangepast zullen zijn aan de kosmische wetten en juister, dan ooit een uit mensen geschapen Godheid voort kan brengen. Deze krachten verwerkelijken normaal alleen in het totaal der Schepping werkingen ten goede. Maar wanneer een bepaalde Godheid, uit de gedachten der mensen geschapen, voor deze inwerkingen gevoelig is, zal er een resonans tussen de kosmische krachten en deze beperkte Godheid ontstaan. Dit is een zekere vorm van harmonie.

De werkende geestelijke kracht, die volkomen reëel is, zal zich daarom tijdens een overgangsperiode vaak uiten via een reservoir van menselijke gedachtekracht en zo binnen een bepaalde vorm zich manifesteren op voor mensen onmiddellijk kenbare wijze. Het instrument van de kosmische werking kan dus een bepaalde natie, partij enz. zijn, zolang de periode van overgang aanhoudt. In het verleden werd dan ook vaak gesproken over een uitverkoren volk, een uitverkoren groep. Een dergelijke uitverkiezing is niet geheel een waan. Zij kan werkelijk, zij het tijdelijk, bestaan. Op het ogenblik, dat de door de groep geschapen Godsbegrippen, de door het volk aanbeden Godheid, harmonisch is met een vanuit de kosmos op de wereld werkzame kosmische kracht, zal inderdaad een dergelijk volk uitverkoren zijn. D.w.z., dat de noodzakelijke kosmische werking, via zijn eigen denken en handelen op aarde verwerkelijkt en gedurende de periode, dat dit geschiedt, in het bijzonder wordt beschermd en gesteund. Nu is de resonans met het kosmisch Goddelijke, of kosmische, voor alle wezens en dingen mogelijk.

Want in alle dingen is een kern, die onmiddellijk uit de oergod voortkomt. De mogelijkheid van resonans bepaalt nog niet de zekerheid van haar bestaan. Voorbeeld: Een gesprongen snaar kan niet meer resoneren, wanneer een daarmee harmonische klank wordt aangeslagen. Hierdoor zal dus, wanneer een astrale vorm, die door menselijke denken geschapen werd, vernietigd wordt, ook elke mogelijkheid tot verdere resonans met de werkelijkheid ophouden te bestaan. De Goddelijke kracht is nog even actief, evenzeer aanwezig, maar het middel, waardoor zij kenbaar kon worden, is teniet gedaan.

Hierbij moet men zich voor ogen stellen, dat geen enkele Godheid, Godsvoorstelling e.d., die door mensen wordt gevormd of geschapen, ooit binnen de kosmische werkelijkheid reëel kan zijn. God en Goden, zoals de mensen zich deze voorstellen, zijn altijd waan, illusie. Dit blijkt sterker, naarmate men het denken en geloven van de mensheid en zelfs menselijke wezens op andere planeten nagaat.

Alle illusies zullen door de werkelijkheid uiteindelijk vernietigd worden. Tijdens hun bestaan kunnen wij dienen als voertuig voor een Goddelijke waarheid, waarvan zij dan een beperkte en persoonlijke weergave zijn. Dit alles verklaart o.m., waarom de huidige wereld zo onder spanning staat. Zelfs verklaart het verder, waarom de atmosfeer roerig is, mensen onredelijk zijn, vele mensen op bepaalde ogenblikken geheel tegen eigen stemming en verlangen in handelen. Wanneer u deze dingen rond u, of zelfs in u constateert, is het goed u te realiseren, dat er ergens een stuwkracht aan het werk is, die veel sterker is dan uw eigen bewustzijn. Het zal u duidelijk zijn, dat de belangrijkste taak, die voor een bewust mens in deze tijden kan bestaan, wel is: Zich te ontworstelen aan deze invloed van door mensen geschapen God en Goden, zich vrij te maken van het te gemeenschappelijke beeld, waarin eigen wezen zich niet meer volledig kan uiten.

Elk gemeenschappelijk beeld, elk gemeenschappelijk geschapen God, kan ons tijdelijk tot steun zijn, maar dreigt ons op den duur te gaan overheersen. Wanneer de bron van overheersing – als in deze dagen – door hogere krachten uiteen wordt gereten, terwijl daaraan deel hebben, ondergaan wij de grote spanningen van vele gedachten en intenties, die ons niet eigen zijn en zullen daardoor a.h.w., bezeten en overheerst worden. Het omgekeerde is voor een ieder belangrijk: dat men de krachten, die men uit de wereld rond zich ontvangt, zowel als de innerlijke krachtbronnen, waaruit men putten kan, steeds weer gebruikt om eigen wezen volgens beste bewustzijn tot uiting te brengen. Voor de mensen op aarde is dit op het ogenblik belangrijker, dan voor degenen, die reeds in de sferen vertoeven. Maar zelfs in vele sferen blijft het belang toch bestaan en zijn alle genoemde mogelijkheden werkzaam. Dit vloeit voort uit een innerlijke gebondenheid met deze wereld, zij het door voorstellingen, godsdienstige overtuigingen, of gedachtegangen, die van de wereld stammen en in de sferen nog kunnen worden voortgezet.

Dit alles voert mij tot de volgende conclusie, daarbij uitgaande van de feiten, die reeds in het verleden zijn vastgelegd: Het blijkt, dat de enigen, die niet door God en Goden – zoals de mensen dezen zagen – beheerst werden, de wijzen waren. Deze zijn vaak de eenzamen. Bv. de witte magiërs, of profeten van Atlantis, de wit-magische ketenen, als bv. de ring van vroeg Egypte, de bond van de Sluier in India en de geheimzinnige Witte Broederschap, die zich later een tijdlang in de Himalaya ‘s vestigde. Al dezen waren in staat een persoonlijk contact met het werkelijke, het kosmisch Goddelijke, te handhaven. Zij hebben zich nimmer aan enige conventie, enig land, enig algemeen geldend begrip, of Godsbeeld gebonden. Zij hebben getracht om onthecht te zijn; mensen, die persoonlijk leven en persoonlijk zich t.o. de innerlijk erkende God aansprakelijk achtten. De volkeren, waaronder zij leefden, hebben zij steeds weer aan hun zelfgeschapen Goden ten onder zien gaan. Maar voor Atlantis ten onder ging, waren de wijzen in staat belangrijke waarden en geheimen uit dit rijk naar elders te voeren. In de tijd, dat de grote rijken van Indië tot verval kwamen, bleek het mogelijk het grootste deel van de daar aanwezige schatten van wetenschap, kennis, bereiking en inzicht in de bergen te brengen, waar zij bewaakt werden door bergstammen. Zelfs nu hoort men nog wel eens iets hierover, ofschoon het merendeel hiervan verborgen is gebleven tot in deze dagen. Bekend als bewaarplaatsen waren tot voor kort de Tempel van de Ahnk en de Tempel der Wereld. Wanneer Griekenland ten onder gaat en slaaf wordt van Rome, blijken bepaalde filosofen hun bewustzijn en vermogens te bewaren en – ongeacht de heersende invloeden – bepaalde inwijdingen ook verder mogelijk maakten. Men kan Pythagoras doden, maar niet zijn kennis, die voortleeft in de Phytagoreën. Ook in Egypte zien wij, wanneer het rijk vervalt – bepaalde wijzen, priesters weg trekken – sommigen van hen gaan naar het zuiden en weten hun leringen te brengen in de juist bestaande grote negerbeschavingen. Anderen trekken naar het noorden en voegden zich bij de geestelijke stromingen, waarvan men tot voor kort het centrum bij zuidelijk Tibet vond, ofschoon dit centrum thans elders is gevestigd.

Altijd weer zijn degenen, die vrij en persoonlijk zelf hun God zoekende buiten elk gevestigd denkbeeld om, handelende naar de innerlijk erkende God, zonder te letten op de buiten hen geldende wetten, in staat tijdig de ware toestand te erkennen, de mogelijkheden daarvan te overzien en de maatregelen te treffen, die noodzakelijk waren. Zelfs wanneer zij zichzelf niet wensen te redden – wat voorkomt – zijn zij nog in staat belangrijke waarden van geestelijk weten en inzicht voor de mensheid te behouden. De historie kan u leren, dat degenen, die de mensheid het meest vooruit hebben geholpen, geestelijk zowel als materieel, denkers waren met een persoonlijk denken, een persoonlijk contact met hun God en hun wereld. Vaak tegen elk aanvaard begrip in, hebben zij gestreefd en getracht hun weten en wijsheid op de wereld tot uiting te brengen. Zij hebben a.h.w. gestreden voor het ontstaan van begrip van de Goddelijke waarheid op aarde.

Ook in uw tijd zal dit alles van zeer groot belang kunnen zijn, want ook wij moeten voor alles zoeken naar een persoonlijk contact met God. Wij moeten ons niet laten binden door algemeen geldende voorstellingen, omdat wij dan – met een verloochening van belangrijke delen van ons eigen wezen – onder de overheersing van de door mensen geschapen astrale Goden komen, die in hun verval en ontbinding door uitstromende krachten ons dan mee kunnen slepen, tot wij ver van de waarheid, ons werkelijk streven en de koers, die wij innerlijk als juist erkennen, zijn verdwaald.

Wanneer wij in de historie zien, hoever de wijzen gekomen zijn, hoeveel zij beseften en wisten, zelfs op stoffelijk terrein, terwijl daarvoor geen enkele aanleiding scheen te zijn, staan wij vol verbazing even stil. Wij kunnen hun belangrijkste bereiking lezen in vele oude legenden, horen ook in de overleveringen van zeer vele volkeren. Weet u, dat er praktisch gelijke overleveringen zijn aan te wijzen, handelende over een gebied in de Andes, een gebied in de Himalaya ‘s en een terrein in het Zevengebergte, waar – volgens alle verhalen – wijze mensen of meesters woonden, die in staat waren de mensen door het dal van de dood te doen gaan en terug te doen keren van achter de poorten van de dood, ongedeerd, maar wijzer dan tevoren?

Het is geen toeval, dat deze sproken en overleveringen vanaf het begin van de bekende beschaving tot heden toe voortbestaan en steeds in nieuwe vormen opduiken. De wijzen, die werkelijk vrij zijn en persoonlijk contact met de innerlijke God gevonden hebben, vinden ook een vitale en belangrijke binding met de werkelijkheid buiten alle tijd. Deze binding is kosmisch reëel en kan nimmer teniet gedaan worden. Dit is een band met het werkelijke leven buiten alle menselijke waan. De wijze, die zover komt, kan alles in zijn ware betekenis erkennen, alles overzien, alle gebieden van leven betreden, voor deze wijzen is de waarheid van de kosmos zelf grotendeels geopenbaard. In de plaats van het persoonlijk denken, de door de mens geschapen God en Goden, treedt hier het werkelijk beleven van het kosmische zijn.

De gebondenheid met de ware Schepping en het erkennen van eigen persoonlijke taak of zending binnen dit geheel. Heeft men dit erkend, is men bereid zijn eigen taak in overeenstemming met het kosmisch bestel tot uitvoer te brengen, dan is men geheel onafhankelijk geworden van alles, wat tot de waanwerelden van mens en geest behoort en kan aan het eigen wezen en de volvoering van de taak niets worden af of toe gedaan door menselijk denken, menselijke gebruiken, uit menselijke gedachten ontstane Goden en krachten, want de wijze is dan één met de waarheid.

Misschien zal het ons niet alleen gelukken snel langs deze weg van de wijsheid te gaan. Deze erkenning van de hoogste waarden van de werkelijkheid, tijdens het aardse bestaan, is – naar ik meen – slechts aan enkelingen voorbehouden. Er is wel een andere mogelijkheid: Steeds wanneer wij, zelfs i.v.m. stamgebondenheid en groeps-goden, worden tot mensen, die zelfstandig nadenken en de innerlijke waarheid, de God, die in het persoonlijke zich uit, niet verloochenen, zo eerlijk mogelijk zoekende naar de waarheid, worden wij tot stem en uiting van het hogere. Zo kan men iets uitdragen, zelfs binnen menselijke beperkingen en opvattingen, dat ver ligt buiten eigen stamverband enz.. Deze mensen kunnen worden tot profeten, wetgevers en vorsten, zoals in het verleden. Zij kunnen de denkers zijn, die gestalte geven aan de toekomst van een groot deel van de mensheid. Realiseer u, dat de aarde zelf leeft en bezield is. Om op die aarde te kunnen en te mogen leven zal men dan in zekere mate met haar harmonisch moeten zijn. De aarde zelf kent harmonische impulsen. Geen mens op aarde kan ooit wijsheid vinden, of maar iets werkelijks bereiken, wanneer hij niet tevens harmonisch is met het feitelijke wezen van de aarde, evenals hij harmonie zoekt met de oerkracht. De mens heeft niet begrepen, dat de entiteit aarde iets is, wat je alleen dient te ondergaan, van waaruit je op moet bloeien tot een bewust aanvaarden van hogere trillingen en krachten.

Ik meen, dat God en Goden vaak van hun voetstuk zullen worden gestoten, zodat heel wat opvattingen en idealen verbrijzeld zullen worden in de komende eeuw. Heel wat stormen van ongelimiteerde gedachtekrachten uit het verleden zullen worden uitgestort over niets vermoedende mensen. Ik meen ook, dat de aarde zelf al deze dingen niet geheel vredig zal  verdragen en ondergaan, maar op vele van deze impulsen zal reageren. U moet voor uzelf het juiste punt van uitgang trachten te vinden en zult reeds nu persoonlijk moeten trachten uw aarde te ondergaan en te begrijpen, daarbij gelijktijdig de aandacht richtende op eigen innerlijk, om daarin de hoogst mogelijke Goddelijke waarden te bereiken en te beleven.

Esoterie:  Innerlijke bereikingen.

Wanneer wij in deze periode trachten onze innerlijke bereikingen te vergroten, worden wij geconfronteerd met de vele schijnbare tegenstrijdigheden van onze eigen wereld en eveneens met de vele problemen, die daaruit – ook op meer materiële wijze – voor ons voortspruiten.

Een pogen ons te oriënteren brengt vaak een gevoel van verlatenheid, onmacht, niet in de wereld passen, met zich. De mens, die langs het innerlijk pad de wijsheid zoekt, voelt zich verdoold in een wereld vol dwaasheden. Toch is het zoeken naar de innerlijke waarden ook in deze dagen iets, wat niet alleen tot eigen innerlijk, eigen ego, beperkt mag blijven. Steeds weer moeten wij trachten tot de kern van alle gebeurtenissen en ontwikkelingen door te dringen, die zich rond ons afspelen.

Waar de wereld buiten ons de spiegel is, waarin wij onszelf moeten leren kennen, is het belangrijk, dat wij ook deze verbindingen voor onszelf trachten te erkennen en te ervaren. De aanvaarding van een verbinding wil niet altijd zeggen, dat wij het daarmee persoonlijk geheel eens behoeven te zijn. Wij, voor onszelf, zijn vaak geneigd een beroep te doen op de Goddelijke goedheid, juist op het ogenblik, dat de Goddelijke rechtvaardigheid Zich aan ons openbaart. Wij menen soms een beroep te moeten doen op de Goddelijke schoonheid, juist wanneer de vurige vlam der tegenstellingen ons verblindt voor de waarheid, zodat wij – het geziene niet beseffende – menen een hellekrocht te aanschouwen.

Dit bevat voor ons allen in geest en stof een belangrijke en nuttige les. Wij kunnen noch ons eigen wezen noch de wereld buiten ons aanpassen aan onze wensen en denkbeelden. Wij zullen eerder onze denkbeelden aan moeten passen aan de werkelijke wereld buiten ons en ons wezen niet volgens onze denkbeelden beschouwen, doch in waarheid in onszelf moeten leren kennen. Een zeer gevaarlijk ogenblik ontstaat voor ons allen, wanneer wij onze innerlijke vrede, ons innerlijk licht vinden en menen nu alle wereld buiten ons verder als waan en begoocheling te mogen verwerpen. Wie in zich leeft en denkt, zal moeten beseffen, dat zijn leven en denken beperkt wordt door de wereld, waarin hij leeft. Wie in zijn wereld God erkent, die hij in zich aanvoelt, erkent daarmee het Goddelijke plan, waarin de mens de werkelijke waarden erkent, die zijn bestaan regeren.

Degene, die de eigen beperkingen en beperktheid in het bepalen van de ervaringen, die zijn bestaan regeren, heeft erkend, vindt in zich het enig juiste en rechte pad, dat – voortkomende uit de gebondenheid met al het geschapene – mede voert tot een erkennen van de Schepper Zelf. Onze vrede moet een vrede zijn, die wij geven, nimmer een vrede die wij voor onszelf eisen. Onze naastenliefde zal ons vaak brengen tot een schijn van weerloosheid, doch deze weerloosheid is machtiger, dan alle geweld kan zijn. Vaak zoeken wij naar rechtvaardiging, maar het is beter niet naar rechtvaardiging van eigen wezen en daden te zoeken, maar God te beleven, dan onszelf te rechtvaardigen in onze handelingen voor onszelf en de wereld, doch het komt met de eeuwige kracht in onszelf daardoor te verliezen.

Het is belangrijk, dat de mens leert innerlijk het juiste te ervaren. Op het innerlijk pad ontmoet de mens in deze dagen voortdurend weer het raadsel van de kosmos, de invloed, die hem beheerst. Men zou willen zeggen: Wanneer ik in mijzelf ga, vind ik een pad, dat mogelijk gaat langs verre landstreken en voert over hoge bergtoppen. Het pad is moeilijk, maar het is mijn eigen weg. De wijze beseft, dat de moeizame delen van de levenstocht, de bergen zowel als de schaduwrijke wouden en de schoonheid, die hij ontmoet, evenals de erger en hinderpalen in het leven allen voortkomen uit de kosmische krachten, waarmee men in alle leven steeds weer geconfronteerd wordt.

De kracht uit de kosmos, die de mens in de stof in deze dagen ontmoet, vergt een zekere onpersoonlijkheid, een zekere vrijheid ook, die goed begrepen moet worden, want de werkelijke vrijheid ontstaat uit de vrij aanvaarde dienstbaarheid, die geen eisen voor zich stelt en daarom geheel onafhankelijk is. Een vrijheid, die eisen meent te mogen stellen, vormt voor de mens in feite de grootste gebondenheid, die in zijn bestaan mogelijk is. Te leven in de wereld van de mensen is alleen mogelijk, wanneer men beantwoordt aan de eisen van de omgeving en van de maatschappij. Buiten uw mensheid kunt u niet leven. Buiten uw eigen wereld kunt u stoffelijk niet voortbestaan, of zelfs maar stoffelijk redelijk geheel beseffen. Het bewustzijn van de geest, die in de stof moet leven, reikt daartoe niet.

Zo kunt u ook niet leven langs de weg van de innerlijke krachten en het innerlijke pad verder gaan, wanneer u niet allereerst de werkingen leert aanvaarden van de kosmische kracht, die zoveel van uw leven beheerst. De kracht, waarmee men innerlijk geconfronteerd wordt in deze tijd, is – juist omdat zij onpersoonlijk is en niet sentimenteel – vaak strijdig met vele van de in u levende voorstellingen. U zou een romantisch beeld willen ontwerpen van de kosmische tuinen, waarin u wandelt, bloem na bloem de wijsheid plukkende, om uiteindelijk alle vergaarde wijsheid te offeren voor de vlam van de waarheid. Maar de heersende kracht en invloed betekent, dat uw waarheid eerder is als een kamrad, een kleiner kamrad, een drijfrad en een vliegwiel. De meest verschillende dingen, waarvan men de samenhang dient te beseffen, waarden, die in de juiste opbouw dienen te worden gemonteerd.

Het pad van de innerlijke bewustwording in deze dagen, voornamelijk op het juist samenvoegen van de erkenningen, die men innerlijk kan vinden. Een juiste samenvoeging kan alleen dan ontstaan, wanneer wij al, wat wij innerlijk creëren, niet slechts werken kan, dus een geheel vormt, waarin alle binnen ons bestaande wijsheid en erkenning is opgenomen. Het moet ook functioneel zijn naar buiten. D.w.z., dat hetgeen wij uit ervaringen en verworven wijsheid bouwen, niet slechts in ons, of in zich besloten mag blijven, maar tevens een functie hebben in het leven en het ons mogelijk maken, als gevolg daarvan een actie naar buiten toe te tonen. Te komen tot deze actie naar buiten toe, dit tot werkelijkheid maken van het besef, dat in ons leeft, wordt weer een grote moeilijkheid, wanneer wij menen, dat alle fasen van het innerlijk pad waarden zijn, die deel uitmaken van ons werkelijk wezen en altijd in ons besloten zullen blijven. Toch kunt u niet in uzelf leven en gelijktijdig in de werkelijkheid buiten u bewust bestaan.

De grootste kwelling van hen, die in het duister leven, is juist het met eigen gedachten en denkbeelden – en alleen daarmee – eenzaam te zijn. Dan valt de wisselende stoet van gebeurtenissen weg, de voortdurend zich wijzigende instelling, door een wereld vereist, waaruit het werkelijke proces van leven voortkomt. Wegvalt ook het voortdurend nieuw erkennen van het leven, waardoor feiten en waarden binnen het ik opnieuw gegroepeerd worden en zo nieuwe betekenis voor ons kunnen gewinnen. Verstarring is het meest dodelijke, dat kan bestaan, ook op het innerlijke pad. Wie in zich een steeds hoger bewustzijn kan bereiken en gelijktijdig naar buiten toe daarvan een meer functioneel, werkelijk werkzaam zijn en werkzaam gebruik leert te maken, zo aan zichzelf uiting gevende, zal de hoogste waarden voor zich het snelste leren beseffen.

In het proces van de innerlijke bewustwording staat de menselijke rede vaak stil, want het redelijk proces van de mens kan alleen gebruikt worden om een lichte schets te geven van de in de wereld bestaande mogelijkheden, maar kan zelfs niet gebruikt worden om het geheel van de menselijke levenservaringen juist te omschrijven en te verklaren. Wilt u de werkelijkheid, zoals zij in u leeft, neerschrijven en redelijk weergeven, zo blijkt dit een zo complex, doch gelijktijdig ook zo schoon geheel te zijn, dat zelfs een in enkele woorden neerschrijven van enkele hoofdlijnen daarvan reeds een misvormen van de in u bestaande werkelijkheid betekent.

Daarom zullen wij, gaande langs het pad van de innerlijke ervaringen, steeds moeten werken op een niveau, dat niet zuiver sentiment is. Want met het zuivere sentiment komen wij niet verder, omdat dit de werkelijkheid te vaak vertekent, of buiten beschouwing laat. Wij mogen ook niet werken op een peil, dat zuiver redelijk is, want ook de zuivere rede schiet steeds weer tekort. Wij zullen elke innerlijke erkenning tot stand moeten brengen door een doorvoelen van waarden en een gelijktijdig voor onszelf redelijk voldoende omschrijven van de daaruit voor ons stoffelijk voortkomende consequenties.

De leer, die deze tijd zal gaan beheersen, stelt: Belangrijker dan alle dingen is de Broederschap. Want slechts, waar allen als broeders zijn, elkaar beseffende en nooit in werkelijkheid en geheel elkaar bestrijdende, elkaar steunende, ook waar dit noodzakelijk is, zullen zij voor zich, zowel als voor het geheel van het leven kunnen komen tot een aanvaarden van de werkelijkheid, die in God boven en rond ons bestaat. God is in feite eenheid en binnen God is de verwerkelijking daarvan broederschap. Waar wij in God grenzen trekken, zijn het grenzen, die door ons worden geschapen, niet grenzen, die uit Zijn Wezen of Wil voortkomen. Waar wij tegenstellingen in God aantreffen, zijn dit tegenstellingen, die uit ons besef voortkomen en door ons geschapen zijn; niet tegenstellingen, die in Zijn Wezen bestaan. Daarom is het noodzakelijk, dat deze wereld groeit tot een zuivere broederschap, dat de mensheid opgroeit tot een zuiverder besef van eenheid en de noodzaak van samenwerking op alle, geestelijk zowel als stoffelijk, terrein.

Deze stellingen geven een aardig beeld van hetgeen ook esoterisch in deze dagen bovenal noodzakelijk is. Wanneer wij uitgaan van de gedachte, dat ergens een grens kan bestaan, beperken wij onze aanvaarding van onze wereld, zowel als de aanvaarding van de Schepper in ons. Ook in onszelf scheppen wij zo’n grens, die wij niet kunnen overschrijden. In zeer vele gevallen betekent deze grens ook de beperking van het pad gedurende deze fase van bestaan en mogelijk zelfs een periode van zijn. Wij moeten juist in het erkennen van het grenzeloze van de Schepping en het zelf volgens bewustzijn en weten trekken van de als juist gevoelde baan daarin – dit in een volledig begrip van broederschap met allen en dienstbaarheid aan allen – voor onszelf het ware patroon van het leven zien ontstaan.

Het ware beeld van het leven is door sommigen beschreven als een vlam, die, oplaaiende uit het duister, het verblindende licht kust. Anderen hebben gesproken van een boom, die, in de aarde wortelende, rijkt tot aan de hemelen. De grootste wijzen hebben gezegd: Het ware wezen van de mens, van elk bewustzijn, is een kerngedachte, die zichzelf leert denken tot zij – zichzelf herhalende – zichzelf herschept. Want daar, waar het ik zijn volmaaktheid bewust  weet voort te brengen en te manifesteren, is de voleinding bereikt en kan het ik inkeren tot zijn bron.

Voor u zal het vaak moeilijk zijn het levenspad bij voortduring zo te zien. Moeilijker zal het u vaak nog vallen de juiste conclusies te trekken, uit hetgeen u in uzelf beleeft en doormaakt.

Onthoudt in deze dagen daarom bovenal, dat de kracht, die uw wereld, geestelijk zowel als stoffelijk, op dit ogenblik beroert, steeds sterker zal gaan reageren, de kracht is, die voor u het juiste pad mede omschrijft en helpt bepalen. Kent u het wezen van Aquarius, de Heer, die nu optreedt, dan zult u ook beseffen, wat het landschap is, waardoor uw weg zal voeren. Daardoor zult u in staat zijn uzelf op de juiste wijze aan te passen. Het is aan u om uw eigen pad af te bakenen. Wees daarbij voor alles eerlijk en voorzichtig. Eerlijk, opdat u uzelf niet bedriegen zult en t.o. uzelf of anderen geen twijfel zult laten bestaan omtrent de weg, die u moet gaan. Wees voorzichtig, opdat u niet iets zult scheppen, dat u niet werkelijk wenst en niet voor uzelf verplichtingen aanvaarden zult, die u in feite niet dragen kunt. Alleen op deze wijze kan voorkomen worden, dat u stil zult staan onder invloed van een zelfgeschapen beperking op uw pad. Mits u dit alles in u beseft en begrijpt, zal de grote weg van de bewustwording nog steeds dezelfde zijn.

Ervaar alle dingen, want uw wereld is u gegeven tot vreugde, ervaring en lering, maar bindt u aan geen van de waarden, die op aarde bestaan voor u. Alles rond u is begoocheling, waarvan u het werkelijke wezen niet beseft. Daar, waar u zich bindt, zult u de betekenis van deze banden niet kunnen overzien. Wees ook nederig, want u weet niet, waar de hoogste kracht zich openbaart en kent de gestalte niet, die zij soms aan kan nemen. Wanneer de hoogste kracht in u spreekt, zeg ik u: Wees eens te meer nederig, want u weet niet, voor hoelang zij in u spreekt of waarom. Wees altijd dienstvaardig, want u bent deel van het Al, waar u dient zult u deel van het geheel zijn, waar u eist en heersen wilt, bent u de slaaf van al, wat rond u is.

De grote kunst van het leven is het delen van de dingen, zelf daaraan deel te hebben, zover dit noodzakelijk is, maar nimmer voor zich eisende, of teveel nemende, anderzijds nimmer het noodzakelijke voor zich loochende, of terzijde stellende. Zoek de ongebaande weg, de gebaande paden van de wereld voeren u vaak ver van uw werkelijke bestemming. Wanneer u eigen realisatie van uw leven verder durft te gaan, zult u erkennen, wat u bindt met de kosmos, wat u bindt met het heden, de sferen en wereld.

Al, wat met het verleden in verband staat, is in uw wezen gegrift. Zo u zich daaraan niet bindt, het ziende als de bepaling van het heden, maar als de bron, van waaruit het heden verder mag vloeien, zo zult u zich kunnen steunen op al, wat was. Wanneer u in uzelf verzinkt, denk niet alleen over voor u abstracte waarden na, maar laat uw gedachten uitgaan over alle dingen, die geschapen zijn, daarin de schoonheid en de rechtvaardiging van de scheppende kracht erkennende. In het besef van deze waarden in alle dingen, zult u ook uzelf beter leren kennen, betreffende uw eigen wezen als deel van het geheel van de Schepping, nietig en misschien onwaardig vergeleken met het zonlicht van het geestelijk licht, die in u rijzen gaat.

Besef uzelf en uw wereld. Besef, hoe u aan uw wereld gelijk bent. In dit besef van gelijkheid: Vindt vrede, want slechts de mens, die vrede in zich draagt en in het bewustzijn van deze vrede, zowel uit zich werkzaam is, als in zich erkent, zal ongehinderd door de lasten van de tijden, niet belemmerd door de muren van misvattingen en misverstanden, in zich de werkelijk levende kracht erkennen, die hem steeds ver boven eigen werkelijkheid verheft, tot hij – als van de troon van de Allerhoogste – eigen wereld en wezen overziende, kan zeggen: Waarlijk, dit is mijn wezen en mijn bestemming…. zo zichzelf bewust vervullende voor alle tijden.

image_pdf