God en tijd

13 november 1978

Vanavond hebben we een gastspreker die al langere tijd geleden is overgegaan. Zijn speciale onderwerp is vreemd genoeg God en de Tijd. Wij vonden het erg interessant om daar het één en ander over te horen. Zijn visie van tijd is zeer progressief. Het doet een beetje denken aan de relativiteitsleer van Einstein.

Zijn visie op God is wel een zeer bijzondere. Hij zegt nl.: “God is de vibratie waarin het verschijnsel zich voortspoed.”

Dat klinkt ontzettend mooi maar je snapt er natuurlijk niets van, tenminste zo ging het mij. Het probleem wordt dan: wat heeft deze uitspraak esoterisch en eventueel praktisch te betekenen. Daarom ga ik wat van mijn eigen conclusies naar voren brengen.

Wanneer je jezelf beschouwt als een verschijnsel binnen God dan is de tijd slechts de realisatie van het wezen van God. Maar hoe realiseren wij God? Het antwoord is: wij realiseren niet. Wij maken kenbaar.

Die kenbaarheid heeft nogal wat eigenaardige verschijnselen, want zover ik het heb kunnen begrijpen valt, wanneer wij ons bewust zijn van onze tijdloosheid, gelijktijdig elke begrenzing van tijd en ruimte weg. Je komt een gegeven ogenblik zo ver, dat het geheel in je bestaat als een soort geheugen.

Zoals u weet kun je je verschillende dingen herinneren en als je een goed geheugen hebt ook nog naar believen. Nou zo’n goed geheugen heb je dan. Je kunt je het geheel van alle details van de gehele schepping herinneren. Volgens de gastspreker moet je om dat te kunnen deel hebben gehad aan het geheel van wat hij noemt: de goddelijke vibratie.

Ik vind het een rot woord. Bij vibratie denk ik aan bibberatie en de goddelijke bibberatie lijkt volgens mij niet op een scheppend proces.

De situatie waarin je je bevindt is dus: ik heb deel aan een beweging van het Goddelijke. In dit Goddelijke kan ik beantwoorden aan het Goddelijke of ik kan daar in mijn besef niet aan beantwoorden. In mijn uiting, in mijn verschijningsvorm echter zal ik nolens volens beantwoorden aan datgene wat in de Godheid bestaat.

Dit impliceert ergens een idee van lotsgebondenheid en die lots-gebondenheid lost onze vriend op door te wijzen op het uiteenvallen van het ik in de verschillende voertuigen, waarbij hij zegt dat elk voertuig zijn eigen vrijheid bezit.

Ik heb hem gevraagd: “Wat is dan de stoffelijke vrijheid?”

Antwoord: “Dat is de vrijheid om te denken dat je vrij bent.” Dat klinkt ongeveer als een verklaring van de politieke situatie op aarde, maar hij bedoelde dat heel serieus. Vraag: “Maar wat is dan de astrale vrijheid?”

Antwoord: “De astrale vrijheid is om te gaan waar je wilt, want je kunt je bewust zijn op elk punt waar je dit astraal wenselijk acht.”

Vraag: “Wat is dan je geestelijke vrijheid?”

Antwoord: “De geestelijke vrijheid is de volledige beleving van alles wat in het ik bestaat zonder daardoor gelijktijdig het verband met de totale werkelijkheid geheel te verliezen.”

Nou, daar zit je dan. Nu klinkt dit allemaal waarschijnlijk heel erg ingewikkeld en zoals ik gastsprekers heb leren kennen zal hij het waarschijnlijk doodeenvoudig zeggen. Maar ja, de kunst van de eenvoud komt voort uit het meesterschap dat verworven is.

Ik heb geprobeerd dit alles voor mijzelf in te denken en dan zie ik daar bijvoorbeeld een hele reeks van incarnaties. Al die incarnaties zijn met elkaar verbonden en verweven, dat weet ik. Maar de betekenis begint pas goed tot mij door te dringen, wanneer ik mij realiseer hoe vaak ik daarbij ook dezelfde zielen ontmoet. Hoe vaak ik daarin in feite dezelfde situaties hernieuwd ontmoet. En hoe ik voortdurend door mijn eigen fouten voortgejaagd word naar een volgende incarnatie.

Wanneer ik dat zo bekijk dan is er een soort verbondenheid in die niet alleen op mij betrekking heeft, maar zeer waarschijnlijk eveneens op een zeer groot aantal zielen. Zeer waarschijnlijk ook op een groot aantal hoofdwaarden, die ik in elk leven weer tot uitdrukking moet brengen. Ik ben toen zo vrij geweest om dat ook geestelijk na te gaan.

Ik blijf bij mijzelf. Niet om op te scheppen, maar doodgewoon omdat ik over mijzelf kan praten zonder iemand of iets te schaden of te verraden. Ik heb begrepen, dat je daar tegenwoordig op aarde heel erg mee moet oppassen.

De situatie in de sferen blijkt als volgt te zijn. In een groot aantal van mijn incarnaties heb ik een periode van meerdere of mindere duisternis doorgemaakt. Voor zover ik mij dit te binnen kan brengen in ruim driekwart van mijn incarnaties. In de laatste driekwart werd ook een lichte sfeer bereikt, terwijl in de laatste vier incarnaties die ik van mijzelf ken ik ook een hogere lichtsfeer bereikte.

In het begin was mijn behoefte vooral verwerving. Hoofdzakelijk voedselverwerving. In verdere incarnaties werd het kennis. Nog wat verderop werd het gezag en daarna werd het vreemd genoeg lering. Ik heb dus nogal wat incarnaties doorgebracht.

In de laatste vier of vijf – ik weet het niet precies – heb ik lering gegeven. Ik ben opgetreden als een soort zwervende leermeester. Ik ben een soort goeroe geweest en een slaaf, belast met de opvoeding van kinderen van voorname families. Ik heb het één en ander op dat terrein doorgemaakt.

Ik ben die lijn door gaan trekken naar mijn geestelijke belevingen. Het wonderlijke is, dat ik de geneigdheid om lering te geven overdraag naar de sfeer waarin ik ben. In de sferen en vanuit de sferen heb ik kennelijk, na al deze incarnaties, geprobeerd om toch weer een beetje lerarend of tenminste informerend op te treden, zowel ten aanzien van andere sferen als ten aanzien van de aarde en dat kan geen toeval zijn, zou ik zeggen.

Nu kun je natuurlijk denken dat dat helemaal aan jezelf ligt. Maar is dat waar? Wanneer ik eerlijk moet zijn kan ik alleen voor mijn laatste incarnatie zeggen dat ik bewust alles gekozen heb wat mij tot leraar zou maken. In de vorige incarnaties ben ik daartoe gebracht door omstandigheden, die ik zelf niet kon overzien en die bovendien maar ten dele door mijzelf beheerst werden. Hier is dus iets anders aan het werk geweest.

Ook vanuit de sfeer – en denkt u nu voorlopig maar in de termen van Zomerland, want dat is voor de meeste incarnaties een tijd lang waar voor de periode van incarneren – blijkt dat ik daar in het begin mijn lering geven mede op gezag van en gesteund door anderen tot stand heb gebracht. Pas in mijn voorlaatste periode in de geest en in deze periode in de geest doe ik het werk vanuit mijzelve en vrijwillig. Vrijwillig in die zin: volledig beseffende wat ik doe en waarom ik het doe.

Daar zit een groei van bewustzijn in maar gelijktijdig ook een vaste factor. Er zit een lijn in het geheel van mijn incarnaties. En zonder ook maar enigszins uw eigen vrijheid van beleven of denken daarbij te willen beroeren, moet ik toch constateren dat dit volgens mij bij de meesten en dus ook wel bij u, het geval zal zijn.

Wat u nu bent is een ontwikkeling van datgene, wat u in het verleden geweest bent. En wat meer is, wat u nu bent zal voor u en ook voor mij bepalend zijn voor datgene, wat we later zullen doen of zijn. Of dat nu verdere incarnatie betekent of een geestelijk bestaan.

Omdat je altijd weer omringt wordt door een vaste groep, een aantal vaste kontakten ontmoet, lijkt het mij ook redelijk om aan te nemen, dat die groep op zichzelf een groter geheel vormt. Ik wil niet zeggen een persoonlijkheid, want dat zou denk ik te ver gaan. Maar toch een soort groep of een bond, die zodanig gefixeerd is in de kosmos, dat je eigenlijk niet anders kunt dan daarop reageren. En dan lijkt mij dat de werkelijkheid, die onze vriend de Goddelijke vibratie noemt – nogmaals, ik vind het een vreemd woord – voor mij schijnt te betekenen, dat ik het geheel alleen beleven kan vanuit die groep.

Er zit echter nog veel meer aan vast, want wat blijkt? Ik heb in alle incarnaties – maar wel in zeer verschillende relatievormen – contact met een groot aantal van die persoonlijkheden. Het is voorgekomen dat iemand, die in een bepaald leven mijn leraar was geweest, mijn geleidegeest werd in een volgend leven. Maar het is ook voorgekomen dat ik de leerling werd van iemand, die in een vorig leven mijn leerling was geweest. Een heel verwarrende situatie, tenzij je – wat ik geneigd ben te doen – het volgende gaat zeggen:

“Daar de tijd geen vaste waarde is en onze waarderingen op tijd zijn gebaseerd, moet worden gesteld, dat alle belevingswaarden in het ik en al wat tot dit ik behoort, dus in casu de groep, onderling verwisselbaar is.”

Het is een moeilijk onderwerp en onze gast maakt het wel eenvoudig, maar ik wil toch proberen het mijne ervan te zeggen. Ik ben brutaal genoeg om zoveel mogelijk te controleren en ik heb deze keer ruim tijd gehad om dit voor te bereiden. In uw tijd meerdere weken en in mijn tijd misschien nog veel langer. Niet om deze redevoering te houden maar gewoon om te begrijpen, om te weten wat ik in deze gastspreker ontmoet heb.

Hij zei tot mij, dat je de werkelijkheid in vele verschillende vormen kunt zien zonder dat ze haar wezen verandert. Ik dacht: waar begin ik aan? Maar toen ik ging kijken bleek dat vele groten uit het verleden inderdaad vele malen zijn terug geweest. Dat je eigenlijk dezelfde waarheid ziet, maar elke keer met een ander geluid. Met een andere begeleiding, terwijl het toch in de kern beschouwd, dezelfde waarheid is. Je kunt het zelfs zien als je met religies bezig bent. Herleidt ze maar tot de kern en je zult zien dat er één waarheid is, waar ze voortdurend van uit gaan. Ook al is de vorm die ze eraan geven steeds weer een andere.

Ik dacht dat wanneer dat het geval is, de waarheid misschien iets is wat aangepast moet worden aan de verschijningsvorm, die op dat moment aanvaardbaar is. Ik heb mij afgevraagd hoe dit voor mijn eigen incarnaties te vertalen was. Dan blijkt dat op een gegeven ogenblik van een vrij mens slaaf worden niet zo leuk is vanuit menselijk standpunt, maar dat dit een logische ontwikkeling was, omdat ik vanuit een dominerende functie moest leren, onderwijzen in een dienende functie. Want onderwijzen op zichzelf, lering geven en overbrengen, is iets wat niet afhankelijk mag zijn van gezag. Het moet afhankelijk zijn van inborst, van persoonlijkheid.

Op die manier heb ik nog meer dingen nagegaan. Ik wil u daar niet allemaal mee lastig vallen, doch ik kwam ten aanzien van mijzelf tot deze conclusie: Al wat ik gedaan heb, in alle incarnaties en in alle geestelijke bestaansvormen, is niets anders dan voortdurend hetzelfde uitdrukken. Maar ik heb het elke keer op een hogere trap uitgedrukt. Het is alsof elke nieuwe uiting een octaaf hoger lag dan de voorgaande (niet helemaal waar hoor, er zal ook weleens een terts bij geweest zijn, maar goed.) Daardoor krijg je dus a.h.w. het sublimeren van een basiswaarde.

Wanneer mijn eerste basiswaarde die van jager is geweest, van bezitten van veel voedsel, het verwerven van reputatie enz., dan is het duidelijk dat ik, wanneer ik leraar word, mij eerst richt op godsdienstige dan op actuele en tenslotte ook op zeg maar esoterische en mystieke waarden. Elke keer uit ik a.h.w. diezelfde drang, maar op een ander niveau. En daaruit ga je dan conclusies trekken.

Je kunt niet meer zijn dan je bent. In de tijd zal je datgene, wat je bent, eens volmaakt zijn omdat je dan alle verschillende fasen gelijktijdig beseft en alle daarin liggende mogelijkheden ook gelijktijdig kunt gebruiken en uiten. Tot die tijd zit je met de grote moeilijkheid dat je niet beseft wat je hebt en dat je nog niet hebt wat je zou willen bezitten. Dat geldt zowel voor geestelijke waarden als voor iets anders. Daardoor treedt bij de doorsnee mens en de doorsnee geest in dit proces van tijd, een vergetelheid op voor het werkelijke ik. De werkelijke waarden ervan.

We kijken te veel vooruit of achteruit. Dit is goed, omdat we dan niet de eenheid beseffen waarvan we deel zijn en gelijktijdig niet de gebondenheid die kosmisch gezien voor ons bestaat. We zouden geneigd zijn om onze hele ontwikkeling eenvoudig aan de groep over te laten waartoe we behoren. Maar juist doordat we zelf denken te zijn en te werken, helpen wij a.h.w. de bewustwording van de gehele groep waartoe we behoren, bevorderen.

Nu vraag ik mij af wat God daarin is, want voor mij is dat een heel belangrijk punt. God is het mysterie. Maar God moet op een gegeven ogenblik toch duidelijk worden. Ik kwam tot het volgende beeld: God is als het witte licht, dat door het prisma van de tijd gebroken wordt in de verschillende kleuren die wij, elk voor zich, in ons op moeten nemen voor wij vanuit onszelve het witte licht in zijn wezen kunnen begrijpen.

Ik ben hier erg trots op. Ik vond het een heel mooie gelijkenis. Want wanneer dit werkelijk zo is, dan is God gelijktijdig de kracht waarin wij reizen. De kracht waarin wij ervaren. De verscheidenheid van onze mogelijkheden zelfs, maar gelijktijdig de synthese ervan. En afwijkend van hetgeen onze gastspreker daarover denkt, vraag ik mij nog weleens af of God misschien niet een zeer persoonlijk iets is. Of God niet de synthese van al onze mogelijkheden is, zodat we God alleen kunnen zien als de perfectie van ons eigen wezen in contact met de totale werkelijkheid. Misschien is het anders, wie zal het zeggen.

Als ik God met tijd in overeenstemming wil brengen kom ik natuurlijk aandragen met alle natuurwetten. U kent ze allemaal. Tijd is een beweging in ruimte en dat soort dingen. Maar tijd in zichzelve is de opeenvolgingsduur van het ervaren. Je kunt tijd niet indelen in vaste stukjes. Je zou tijd moeten indelen in momenten van ervaring, waarbij elk moment op zich wordt geteld bij de som van al het voorgaande, waardoor de mogelijkheid van een volgend moment t.a.v. het begrip althans wordt verhoogd. Als dat waar is dan is tijd iets wat in de eerste plaats in onszelf bestaat.

Tijd is eenvoudig het tempo waarin wij de werkelijkheid kunnen beseffen omtrent hetgeen wij zijn. En God is dan alleen maar de kracht, die het ons mogelijk maakt onszelve bewust en volledig te beseffen. Wat Hij daarnaast is weet ik niet. Maar voor mij is Hij vooral dit.

Nu kan ik best onze gast begrijpen als hij zegt: Hou je er rekening mee dat elke mens tot een bepaalde incarnatiegemeenschap behoort en dat hij niet juist en goed kan functioneren zodra hij buiten die gemeenschap en haar mogelijkheden treedt.

In het begin dacht ik: nou is hij toch wel een beetje krankjorum. Maar je moet er toch over nadenken. Dat zal u ook overkomen denk ik. Want wat voor mij waar is hoeft voor een ander nog niet waar te zijn. Wat is waarheid anders dan een bepaalde vorm van beseffen van jezelf, zowel als van de wereld.

Wanneer ik buiten de gemeenschappelijke waarheid ga maak ik het de hele groep, waartoe ik behoor, onmogelijk om in wisselwerking met mij te bestaan voor zover ik boven die groep uitga. Dan is het voor mij niet alleen zaak om bewuster te worden. Neen, het is belangrijk om zo bewust te worden, dat ik daardoor volledig kan blijven fungeren als deel van de groep en mijzelf gelijktijdig in die groep voortdurend kan verrijken met al wat die groep mij brengt. Zodra ik boven de groep ga staan kan die groep mij niets meer geven. Maar het wonderlijke is, dat ik ook die groep niets meer kan geven. Ik ben geïsoleerd.

Tijd is niet alleen een bewustwordingstempo. Het is een gemeenschappelijke bewustwordingsmogelijkheid. Zodra ik daarbuiten ga stel ik mij in feite buiten de tijd. Ik heb dat aan de hand van enkele voorgaande incarnaties. Daar waren enkele van deze aspecten in en ik kwam tot een wonderlijke ontdekking.

In die tijd hield ik me bezig met o.m. magie-mystiek. Op het ogenblik dat ik verder ging dan degenen die met mij verwant waren, mij konden volgen, bleef ik stil staan. Ik perfectioneerde wel mijn eigen kunde. Ik kreeg natuurlijk bewondering en al die dingen meer. De gouden beker om iemand te bezoeken was niets in die tijd en toen was een beker meer waard dan een dollar tegenwoordig en bovendien niet aan inflatie onderhevig. Geloof dat maar!

Maar de anderen konden mij niets meer geven omdat ik niet luisterde, Ik was zo overtuigd van mijn macht en kunnen, dat ik eenvoudig niet meer openstond voor de waarden die in die anderen zaten. Maar het omgekeerde was ook waar. De anderen beschouwden mij als zo ver boven hen staand, dat ze van mij niets aannamen in wisselwerking. Ze lieten het over zich heen gaan. Ze kwamen met mij in contact. Lieten het geheel van mijn mogelijkheden als een soort douche over hen heen gaan, wat misschien hier en daar wel wat overbodigs wegspoelde, maar voor de rest bleven ze zichzelf. Ze konden niet reageren.

Misschien is dit wel de essentie van dat hele praktische beleven van God en tijd. Dat je je eenvoudig niet kunt permitteren je los te zeggen van de incarnatiegemeenschap waartoe je behoort, omdat je dan eenvoudig in de koelkast komt te staan totdat de anderen op een gelijk pijl zijn gekomen. Dan pas kun je verder gaan. Dat is altijd frustrerend, maar wat zal ik u bezighouden met mijn frustraties van het verleden. Dat heeft geen zin. Ik kan u alleen zeggen, dat je je dan niet prettig voelt. Je hebt het idee, dat de wereld en later de sferen vol van onrecht zijn, omdat je niet erkend wordt voor wat je denkt te zijn; maar dat kun je niet zonder die anderen. Daaruit komt mijn conclusie.

Niemand, hoezeer hij misschien uiterlijk geïsoleerd is, staat in een leven – of het in een sfeer is of op een wereld – werkelijk alleen. Hij krijgt voortdurend via allerhande kontakten tot telepathische toe op aarde, en in zielswandelingen enz. vanuit de anderen krachten en mogelijkheden. Omgekeerd geeft hij ook.

Tijd is geven en nemen, waarbij je door te geven meer kunt nemen, en door meer te nemen meer kunt geven. Het is een soort opslingeringsproces waardoor op den duur de begrenzing van geven en nemen wordt bereikt, waarbij een volledig overzicht mogelijk is over al wat jij bent, maar ook over al wat jouw groep in het Goddelijke betekent. Dan heb je dat deel waarheid ontmoet, dat voor jou in deze cyclus van de kosmos bereikbaar is.

Heb ik het niet te ingewikkeld gemaakt? Ja, ik weet er net niet genoeg van om het eenvoudig te zeggen, maar u krijgt zo dadelijk de gastspreker en die zal ongetwijfeld veel mooie, heel eenvoudige dingen zeggen. Misschien is het wel goed dat ik er dan op wijs, dat er heel veel ingewikkelde dingen achter zitten. Het is net zoiets als een acrobaat die je in een act ziet. Die acrobaat maakt buitelingen en het ziet eruit alsof dat vanzelf gaat. Maar als je ziet hoeveel training ervoor nodig is plus kennis van eigen lichaam en van de reacties van een ander, van de mogelijkheden, ja zelfs van de relatie die kan bestaan tussen de belichting en de artiest, nou dan ril gewoon.

U vindt het vreemd dat ik daarover praat? Wel, ik heb nog meegemaakt dat de eerste paardenspelen – want dat waren de eerste circussen in de periode na Rome – werden opgevrolijkt met buitelende harlekijns die meestal gelijktijdig kunstrijder waren. Iedereen dacht dat clown zijn het meest eenvoudige was. Ik ben zelf een tijdje clown geweest, maar ben overigens gauw overgestapt naar een andere business. Ik ben assistent geweest van een filosoof-magiër, dat lag meer in mijn lijn. Je zegt dan tegen jezelf: het lijkt allemaal zo eenvoudig, maar het is juist een eenvoud die pas mogelijk wordt door perfecte kennis en perfecte beheersing. Op sommige punten heb ik die ongetwijfeld bezeten en bezit ik ze nog.

Wat dit onderwerp betreft moet ik zeggen, dat mijn beheersing een zeer gedeeltelijke is en mijn prestatie daarom ook een zeer moeizame.

Ten laatste heb ik nog het volgende nagegaan. We kennen – laten we de naam maar gebruiken – poorten. Het zijn eigenlijk wisselingen of overgangen. Die liggen zowel tussen de sferen als ook tussen de aarde en de sferen. Ze liggen zelfs geestelijk, ook wanneer je op aarde leeft, tussen verschillende fasen van bewustzijn. Ik ben zo vrij geweest om na te gaan hoe dat zat, want ik heb in mijn tijd ook op aarde en daarnaast in de sferen verschillende inwijdingen doorgemaakt.

Toen ik heel voorzichtig alles ging ontleden kwam ik tot de conclusie, dat elke inwijding voor mij alleen maar mogelijk was dankzij een ander. Verder bleek mij dat ik menige inwijding, die eenmaal bereikt werd, eenvoudig als niet bestaand beschouwde zonder me te realiseren, dat ik werkte vanuit een nieuw begrip en een nieuwe kennis. Dat vind ik een zeer curieuze zaak. Wat daarbij betrokken was? In de meeste gevallen op aarde tenminste één of twee directe kontakten met mensen van mijn eigen incarnatiegroep. In de sferen vaak een contact met tenminste een tiental van mijn incarnatiegroep, zodat elke inwijding die ik bereikte, elke poort die ik doorging, eigenlijk gelijktijdig gevormd werd door degenen met wie ik verbonden was plus de mogelijkheid van beseffen, voortvloeiend uit mijn één-zijn met hen.

Je kunt pas een poort doorschrijden bij wijze van spreken wanneer je er deel van geworden bent. Dat klinkt natuurlijk krankzinnig maar het is wel waar. Wanneer bewustwordingen en dergelijken ook afhankelijk zijn van de groep – de werkelijke bewustwording – dan vraag ik mij af welke manifestaties daarbij een rol hebben gespeeld.

Ik heb in mijn tijd te maken gehad met manifestaties van de geest op aarde. Ik heb contact gehad met hogere sferen die mij die mogelijkheid hebben gegeven. Maar achteraf bezien gaven die hogere sferen mij vaak alleen maar de kracht om in een lagere sfeer te gaan werken. Dat wat ik al werkende omtrent mijzelf en het bestaan ontdekte, was dan gelijktijdig de mogelijkheid tot harmonie met die hogere kracht. Daardoor werd mijn contact in de sfeer, waarin ik leefde, veranderd. Ik kreeg een echo voor alles wat ik was, uit anderen en het was die echo die sterk genoeg werd en mij daardoor die – noem het maar inwijding of bewustwording – mogelijk maakte. Ik zou zeggen dat dat ook voor u geldt.

We hebben alle tijd omdat de tijd in onszelf ligt. Er is een God en die God kennen wij niet, maar Hij manifesteert zich in al datgene wat wij zijn en wat wij waarnemen. Nou, dan is mijn conclusie heel simpel: Omdat we de tijd hebben moeten we voortdurend proberen de weerklank te vinden waardoor onze bewustwording verder kan gaan. De grootste fout die je kunt begaan op aarde of in de sferen is jezelf, op welke wijze dan ook, afsluiten van of isoleren t.a.v. degenen, die tot je eigen incarnatiegroep behoren. En nu is dat heel erg moeilijk, want op aarde weet je dat niet. In de sferen kun je daarachter komen.

Zeg in de praktijk: Al datgene, waarmee ik mij hoe dan ook en op welke wijze dan ook ooit in mijn bestaan verwant voelde, moet ik beschouwen als een deel van mijn gehele ontwikkeling. Hierdoor draag ik bij tot de ontwikkeling van de anderen, maar blijf gelijktijdig voor mijn eigen bewustwording weer van die anderen afhankelijk.

Dit zijn mijn conclusies. Ik neem het niemand kwalijk wanneer hij zegt: gooi het maar in mijn pet, ik zal het weleens uitzoeken. Ik kan alleen zeggen, dat degene, die mij tot deze overwegingen heeft kunnen brengen of tot deze onderzoekingen, ergens met mij verwant moet zijn, hoe dan ook, anders geloof ik niet dat dit mogelijk was geweest. Door mijn misschien vage, moeizame worsteling om iets van hetgeen in hem leeft of wat ik uit hem erkend heb, uit te drukken zal ik ongetwijfeld hebben bijgedragen tot mijn mogelijkheid om meer verbonden te zijn met al degenen, die behoren tot dat gebied waarin hij zich manifesteert, komende vanuit een zuiver persoonlijke tijd naar menselijke tijd. Komende vanuit een bijna Goddelijke harmonie naar de beperkte harmonische mogelijkheden die op aarde kenbaar zijn.

Ik hoop alleen maar, dat hij misschien door eenvoud, misschien door uitstraling; u iets meer duidelijk kan maken van hetgeen hij in mij heeft wakker geroepen.

De Gastspreker

Wat ik met u wil bespreken hangt samen met God, met de tijd en met de mens.

Wanneer een bode op weg gaat dan zien we heel vaak dat hij onderweg moet pauzeren, moet rusten. Want dankzij die rust kan hij zo snel mogelijk zijn doel bereiken. Dit nu is de mens.

De mens reist in de sferen. Hij rust als mens. Hij doet daar de krachten op en de ervaringen, nodig voor het volgende deel van zijn weg. De weg die hij aflegt ziet hij als tijd, als afstand. Want hij ziet alles rond zich veranderen en hij erkent zijn eigen vermoeidheid. Dus zegt hij: “Ik leg een afstand af.” Wat hij zich niet realiseert is dat die verandering eigenlijk niet volledig is. Dat er altijd weer iets terugkomt en dat hij in feite op hele delen van zijn tocht al precies weet wat er gaat komen.

De verrassing ligt niet in de weg; ze ligt in de rustpauze. De ene keer is er misschien net vorstelijk bier beschikbaar en rust hij in de dampen van het gerstenat. Een volgende keer is er net een stad waar oproer is en zal hij zich moeten terugtrekken; misschien buiten de stad overnachten. Een volgende keer komt hij bij een stad of bij een dorp waar toevallig net goden op bezoek zijn, die van een andere plaats zijn gekomen. Hij wordt dan een ogenblijk tijdens zijn rust overweldigd door het feest dat er wordt gevierd.

Een mens reist. Maar reist hij wel werkelijk?

De bode brengt woorden over. Maar zijn het wel zijn eigen woorden? Het is een boodschap van een ander.

De hele reis is begonnen, om een woord, van een stadhouder misschien, over te brengen aan een vorst of omgekeerd. Ons hele leven is het overbrengen van een boodschap, die in de chaos ontstond, naar de Heer van de absolute ordening. Als je dat begrijpt zie je hoe betrekkelijk leven is.

En wat is tijd? Je leeft misschien honderd jaar. Misschien dertig en de rustpauze is voorbij. Wat je geworden bent moet je de kracht geven om verder te gaan met die ene boodschap, die ene taak die je aan het begin hebt gekregen. Maar zo’n bode kan alleen zijn weg goed afleggen als hij de juiste weg kan volgen. Want op die weg vindt hij de beambten, die hem voorkeur geven. Die hem vervoermiddelen ter beschikking stellen. Hij vindt er de rustplaatsen waar hij op de juiste wijze tot rust kan komen.

De weg die wij gaan kan maar één weg zijn, ook wanneer er duizend wegen liggen. We kunnen soms een kort ogenblik die weg verlaten, maar we zullen altijd daarop terugkeren. Want zonder die weg kunnen wij onze reis niet voltooien.

God is gelijktijdig de kracht van de chaos én de meester van de vorming, want de verwarring en de kroon zijn één en hetzelfde. Ook wanneer ze voor ons ver uiteen liggen. Schijnbaar een doelloze reis. Maar doordat wij het woord brengen van de één naar de ander hebben we duidelijk gemaakt, dat je van de chaos kan gaan naar de kroon en verder. Omgekeerd hebben wij duidelijk gemaakt dat de kronen alleen kunnen bestaan wanneer de chaos hen antwoordt.

Er staat geschreven dat de ziel vele paden gaat. Ze gaat langs de duistere hallen over de rivier. Ze gaat door de portalen en ze moet de sleutels kennen, het wachtwoord, waardoor ze verder kan gaan tot ze in het hof van de rechter belandt. De leeuw, de slang moeten allen overwonnen worden.

Maar de overwinning is geen werkelijke overwinning. Het is niet het meesterschap, het is meer de juistheid van wat je bent.

Wanneer ik als bode mijn pad volg zullen alle hinderpalen voor mij wijken. Maar wanneer ik vergeet wat mijn boodschap is, wanneer ik vergeet wie ik ben en wat mijn doel is, zullen ze mij terugdrijven. Ik zal dan in de duistere grotten moeten wachten tot eens het schip van de zon mij meeneemt en mij opnieuw naar mijn uitgangspunt brengt opdat ik opnieuw mijn taak kan beginnen.

De reis van de ziel is de beleving van de tijd. Alleen een dwaas gelooft dat er in het land na de dood rivieren en grotten zijn, Portalen en trappen. Poortwachters en monsters. Maar je doorloopt de verandering.

Tijd is verandering. Maar wat is verandering anders dan van een juweel voortdurend een ander facet laten schitteren in het licht van de zon?

Nu reist u. Nu doet u ervaring op. Nu voedt u zich met geestelijke en andere spijzen om zo dadelijk de weg van de geest verder te kunnen gaan en u noemt het tijd. Maar de tijd van de mens is de tijd van een stilstand, waarin de gedachten vooruitgaan op de weg en toch weer terugkeren tot de plaats waar het ik moet vertoeven tot het weer sterk is.

Maar wat is dan God? Is het een zon? Misschien is de zon het juiste beeld, want een zon die rijst kunt je aanschouwen. Maar al snel wordt ze verblindend. Haar stralen worden tot een verzengend vuur en blindheid bedreigt wie verder wil zien. Tot zij weer daalt en er een tijd komt voor rust. Dan zie je de zon een ogenblik in haar gloed en glans afscheid nemen. Vertrekken, zoals wij zeiden, naar de krochten van de onderwereld, terwijl de stuurman slaapt voor op de boeg. De boeg van de zonneboot.

God kun je alleen zien in de ogenblikken dat je pas begint te leven en in de ogenblikken dat je weer tot de rust terugkeert.

God ontmoet je als een licht, als iets kenbaars, volgens mensen, kort nadat je dood bent en je waarlijk weer tot leven komt en je weg moet gaan volgens de werkelijkheid.

God is een verschijning waarvan het wezen verblindend is, behalve op die ogenblikken, dat het licht voor ons nog niet of niet meer zo sterk is, zodat het ons laadt en voortjaagt langs de paden die ons zijn voorgeschreven.

Vraag u af: kun je ooit een weg gaan wanneer er geen weg is? Een weg wordt gemaakt. Ze wordt getekend door de wagensporen, de sleepsporen en de voetstappen van hen, die zijn voorgegaan.

Wie mens is gaat vaste paden. Wie mens is rust op vaste plaatsen. Maar er zal een ogenblik komen, dat de vorst zegt: Ik heb de boodschap ontvangen. Ga nu en rust. Maar dan rust je in de paleizen en de tempels. Dan ben je vrij en kun je gaan dolen in de tuinen. Jagen misschien of in het riet wachten op de verschijnselen van de verschrikkingen, die men eens goden noemde.

Dan ben je vrij. Dan zijn alle herinneringen bereikbaar. Je weet de wegen die je bent gegaan en je kunt de avonturen vertellen. Maar dan pas ga je ook begrijpen, hoe belangrijk ze waren. Ergens die waard, ergens anders die overste die je kwartier gaf. Ergens die priester die je zegende, maar je ook kracht gaf. En dan zeg je: Mijn Heer heeft mij geloofd voor mijn boodschap. Alleen had ik haar niet gebracht.

Dit is het raadsel. De weg blijft in jou bestaan met al wat die weg uitmaakt. Alle personen die belangrijk waren. Jij bent belangrijk geweest voor hen, of je het weet of niet.

Er is een eenheid ontstaan en de weg die tijd heet, is samen geschrompeld tot één herinnering die je deelt met velen.

Men heeft mij gevraagd: Geef een praktische raad. Wat voor raad moet ik u geven? Misschien deze: Overschat niet uzelve. Onderschat niet een ander. Want de weg die je moet gaan, de punten die je bereiken zult, dank je mede aan anderen. Alleen ben je niets, maar door anderen ben je eens de volledigheid van de weg. Maar is dat een praktische raad?

Ben je krachteloos? Onzeker? Elke taverne, elke herberg, elke rustplaats biedt alles wat je nodig hebt. Denk niet dat jouw eisen zo belangrijk zijn. Neem het voedsel dat je wordt geboden. Rust op de stede die je wordt gewezen en leef het licht en de vreugde die soms rond je bestaat. Want leven op aarde is rusten en kracht verzamelen om voort te gaan.

Men zegt dat de heerser heerst met het teken van de oneindigheid, met de zweep van de macht. Oneindigheid is macht. Zonder oneindigheid bestaat geen macht.

Kijk naar de groten van eens, vervallen zijn ze uit hun huizen gesleurd. Curiositeiten voor de bewondering van mensen die musea bezoeken. De oneindigheid van hun wezen is het enige wat belangrijk was en de oneindigheid dat is de enige sleutel van werkelijk macht. Al het andere gaat voorbij.

Vorsten hebben betekenis door de oneindigheid.

Gij zijt tijdloos en oneindig terwijl ge uw wegen gaat en zo nu en dan rust in de stof. Gij zijt vorsten van het licht, dat u zendt en ontvangt.

Kun je jezelf verloochenen? Mensen denken dat ze zichzelf kunnen verloochenen en in de schijn van verloochening maken ze zichzelf meer waar. Je kunt niet loochenen wat je bent, zoals je niet kunt loochenen de taak die je is gegeven.

God is je ingegrift als de boodschap van waarheid die uit het verborgene naar de openbaring gaat. Je kunt daaraan niet ontkomen.

Kracht is je ingegrift als een tijdloos wezen dat niet vrij kan en mag zijn, voor het zijn taak heeft vervuld. De kracht die God heet is in en met u op elk ogenblik en in vele gestalten. Of u die goden noemt, geesten of engelen, die kracht is met u, beroert u en geleidt u.

Gij zijt boden op de weg. Rechters staan er niet om te veroordelen of te beoordelen, maar om u te zeggen: Spoed u voort, want dat is de weg. Niet machteloos. Niet tijdgebonden. Niet klein en vergankelijk, terug hunkerend naar de vleespotten van de rustplaats moet je zijn, maar vrij.

Tijd zal eens alleen in je bestaan zoals ze nu uit je wezen voortkomt. Maar meer dan dit: Kijk naar de weg. Hele legerscharen spoeden zich soms voort. Men groet u. Men biedt u lafenis. Soms dreigt men u en zou u willen volgen. Maar altijd weer zijn het de krachten op de weg, die het gaan van de weg mogelijk maken. Zonder het misschien te beseffen is eenieder, die gij alleen maar ziet als een struikrover op de weg of als een ogenblik van voeding, verpozing of lafenis, een bode zoals gij. Een bode van de werkelijkheid. Een bode van de tijd.

Aanvaard wat de anderen zijn, want gij moet uw weg gaan. Maar acht uzelf niet meer of minder dan de ander. Want alleen door dit verschil te sterk te maken, kun je jezelf beletten je weg voortdurend in een vaste orde te volbrengen, terwijl je niet kunt ontkomen aan de taak die je is ingegrift.

Schimmen keren terug. Schimmen spreken. Echo’s van een bode die voortsnelt, voor een ogenblik klinkend in de plaats waar anderen nog kracht vergaren om voort te gaan. Gedachten blijven naklinken, lang nadat de spreker voorbij is. Soms hangt de kracht van goden als een wolk in tempels die allang verlaten zijn. Want er is geen tijd. Er is alleen kracht. Er is wezen. Er is God.

Kunt u zonder die God leven? Ge noemt uw God alleen met andere namen, maar hij blijft de drijfveer van uw bestaan. Zijn boodschap blijft u voortdrijven langs de paden van de geest en beheersen in de plaatsen van rust, die men stoffelijk leven noemt.

Verheugt u dat ge rusten moogt. Zeg niet: “Mijn wereld is bitter” maar zeg: “Mijn wereld geeft mij de kracht waardoor ik voort kan gaan.” Zeg niet: “Het is voorbij.” Zeg: “Wanneer de dag aanbreekt van de geest zal ik gesterkt verder gaan langs de juiste paden om de juiste waarheid, die mijn taak is, te openbaren aan het Al.”

Er is een lange tijd op aarde verstreken, volgens menselijk denken, sedert de rivier voor het eerst de barken droeg naar de grote terrassen van de steden met de papyrusversiering. Toch leven die dingen vandaag. Omdat zij leven in de krachten en de gedachten van hen, die ze beleefd hebben, leven ze meer dan ze ooit op aarde hebben kunnen bestaan.

Tijd is gebeuren. Gebeuren is eeuwigheid. Tijd is niets anders dan een brokstuk van het eeuwige dat uit zijn verband gerukt is.

Eens schreven half opgeleide priesters hun cijfers neer ten behoeve van de heren en noemden het een mysterie. Nu lezen alle mensen boeken en tabellen en zij noemen het kennis. Maar zodra zij beseffen dat het de gedachte en de werkelijkheid is die erachter schuilt, zeggen zij ook nu nog dat het een mysterie is. Mysterie is de ontdekking. De ontdekking van jezelf, maar ook van je onlosmakelijke verbondenheid.

Zoals de bode alleen zijn weg kan gaan door allen die zijn veiligheid beschermen, zijn rust voorbereiden, zo kunt gij alleen uw weg gaan – zo dadelijk – dankzij degenen die nu met en rond u zijn. Die misschien de wegen met u gaan. Misschien in een volgende rustplaats u opnieuw lafenis of voeding bieden.

Er bestaat geen werkelijke eenzaamheid buiten de eenzaamheid die wij onszelf opleggen. Laat ons dat beseffen! Terwijl de tijd smelt onder het Goddelijk licht, terwijl de rivieren van tijd verdrogen in de hitte van de middag, zullen wij één worden met het licht zelve en de morgen en de avond en de middag zullen één kracht zijn. De sterren geen afzonderlijke godheid, maar de koe der aarde zal worden tot een fluistering van de stem van de werkelijkheid.

Eeuwig ben je. Gedenk de dood. De dood die slechts maant: het is tijd om voort te gaan.

Gedenkt die bode niet in weemoed, maar in vreugde. Kondigt hij niet aan dat een nieuwe dag u dichter brengt bij de voltooiing van uw taak?

Leef in vreugde, want dit is uw rusttijd. Streef in schoonheid want dat is de weg die gij zult gaan. En voltooi in dankbaarheid omdat slechts daar, waar de chaos en de eindeloze vorm versmolten zijn, de werkelijkheid ontstaat die God heet en in het sterven van de tijd het werkelijke leven begint.