God en werkelijkheid 2

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ april 1959

In de vele overwegingen, die wij in de loop van deze cursus reeds hebben beschouwd, werd het begrip God ons langzaam maar zeker duidelijk als iets, dat met alle dingen in verband staat. De grote moeilijkheid, waarvoor wij zijn komen te staan, is: Hoe kunnen wij deze God als een direct doel zien van onze werkelijkheid en kunnen wij in de plaats van onze eeuwige tocht naar een punt in de toekomst een alomvattende realiteit voor onszelf concipiëren, waarin God rebel is. In antwoord op deze vraag moeten wij uitgaan van het standpunt dat in God alle dingen bestaat en alle dingen vastliggen.

Nu hebben wij wel meer gesproken over de zgn. parallel‑ en keuzewerelden. Dit is in zekere zin een Pythagoreïsche voorstelling van de kosmos. Wij gaan nl. uit van tijd als een waarde die in ruimte kan worden uitgedrukt en in een afmeting per tijdscala van 1 chronon. 1 chronon is dus de tijd die een elektron nodig heeft om van het ene energie‑potentieel tot het andere over te gaan. Dit chronon is zo dun, dat het niet meer in mm. is uit te drukken. Zo dun zou het laagje zijn van één enkele waarschijnlijkheidsrekening, van één enkel deel van het Al. Maar zoals u weet is er een betrekkelijk groot aantal mogelijkheden Wij kennen de keuze naar divergente heelallen, dus heelallen die schijnbaar uit elkaar lopen. In God zijn nl. alle punten en alle mogelijkheden volkomen gefixeerd. Dit kan niet anders. Een veranderende God zou door Zijn verandering alleen al impliceren, dat er voor Hem een grotere mogelijkheid bestaat of een andere mogelijkheid. Zelfs een voortdurende hergroepering van de goddelijke eigenschappen zou niet evenredig zijn met ons idee van God als een volmaaktheid. Wij moeten dus wel uitgaan van dit idee en wij komen dan tot een buiging van de ruimte, maar ook van de tijd.

Een tijdslijn is niet lineair, in feite is alle op lijn gebaseerde mathematica onjuist. Zodra wij echter rekening gaan houden met de kromming, die elke lijn ‑ ook de tijdslijn ‑ kan vertonen, wordt het ons duidelijk dat de afmetingen van het heelal in tijdswaarde uitgedrukt uit een reeks ongeveer gelijk zich krommende lijnen zouden kunnen bestaan. Dat echter alle lijnen ‑ ongeacht hun schijnbaar verschillende richting – vanuit ons standpunt, onderdanig aan een gelijke kromming in een vast baanverband moeten liggen. t.o.v. alle andere tijdlijnen. Er is dus in de tijd een gesloten geheel te constateren. God heeft al deze waarden en al deze tijdslijnen met elk hun eigen mogelijkheden voor zich geconcipieerd geschapen en handhaaft deze ongeacht ons schijnbaar verliezen van momenten en wiggen daarvan, onze reizen door de tijd.

Het zal duidelijk zijn dat Gods werkelijkheid nooit kan bestaan uit een tijdsbeleven, wel uit ongetelde tijdsbelevingen. En nu leert ons een reeks van wijsgerige beschouwingen van grote meesters en leraren (zowel Jezus van Nazareth, de Gautama Siddhartha, de Boeddha), dat wij slechts door ons te onthechten aan de wereld, kunnen ingaan tot wat men dan noemt het Koninkrijk der Hemelen of het Nirwana, in feite het bewustzijn van het totale goddelijk bestel.

Wanneer wij begeerte en angst nu eens gebruiken als waardemeter voor ons eigen beleven, dan blijkt dat het eigen tijdsbeleven van de mens zeer sterk gebonden is aan elke verandering van emotie. Tijd en emotie veranderen als een persoonlijke waarde beide gelijktijdig. Het zou dus logisch zijn aan te nemen dat waar elke emotie onderdrukt wordt of overwonnen wordt en daarentegen de mens in staat is te beleven zonder gebonden te zijn, elke flux van tijd ophoudt te bestaan en daarvoor in de plaats komt het erkennen van een reeks van tijdlijnen. Dan is onze werkelijkheid als volgt gedefinieerd: Naarmate ons eigen bewustzijn zich richt op begeerten en op angsten, komt het ego tot het accepteren van één of meer tijdsfactoren, waarbij deze lijnen, achtereenvolgens beleefd, de illusie van beleving in tijd scheppen, maar er in feite slechts een realisatie plaatsvindt van een deel van de schepping die constant is. De werkelijkheid is de constante waarde van alle gebeuren, ongeacht de graad van vastheid, die men stoffelijk eraan zou willen toekennen. De gedachte is even eeuwig als de stoffelijke vorm. Elke verhouding en elk samentreffen van mensen, van dieren, van toestanden én omstandigheden van kosmische invloeden, kan worden gefixeerd als zijnde een vast en eeuwigdurend bestaand punt.

In theorie zou dit betekenen dat alles is vastgelegd. Dat wij dus gebonden zijn aan een vaste reeks van belevingen en geen aansprakelijkheid kunnen dragen voor hetgeen voortvloeit uit onze handelingen. Dit zou goddelijke wil zijn. Dit is voor elke aparte tijdslijn waar. Maar, zoals ik reeds zei, met een onderlinge afstand van 1 chronon bevindt zich om ons een oneindig aantal werelden en in al deze werelden leven wij. Wij zijn ons slechts in één van die werelden bewust. Zo behoeft het erkennen en het gebeuren niet voor allen precies gelijk te zijn. Een moeilijk concept, dat geef ik graag toe, maar één dat berust op alle waarnemingen dienaangaande die wij hebben kunnen doen.

Indien wij nu van tijdslijn tot tijdslijn wisselen in een door onszelf te bepalen tempo, zal de beleving bestaan uit een grote reeks van afzonderlijke levens, die echter als een continuïteit optreden, omdat wij de wisselingen van de verschillende werelden niet zien. De vrije wil kiest uit het grote aantal parallel‑lopende mogelijkheidswerelden juist die werelden, die voor dat “ik”  acceptabel en ervaarbaar zijn. De tussenruimte die overbrugd moet worden, die van 1 chronon, is te klein om deze als bewustzijnswaarde mede te stipuleren. Er is een schijnbare continuïteit. Deze schijnbare continuïteit is de verklaring voor onze ongebroken herinnering, ons ongebroken bewustworden, ons voortdurend verdergaan in de richting van een volledig zichzelf leren kennen.

Nu zeggen wij weleens: Wie zichzelf erkent, erkent in zichzelf God. Dat is waar. Want het “ik” is verbonden met praktisch alle werelden die binnen ons deel van de kosmos bestaan. Een concept van ons ware wezen impliceert een kennis van alle tijdslijnen en tijdsmogelijkheden. Het resultaat is dat het “ik” juist hierdoor een volledig deel van God, een besloten deel van de kosmos erkent als een eeuwige en onveranderlijke waarde en hierin is het Godsconcept gelegen. Op dit ogenblik ontmoeten God en werkelijkheid elkaar en kan de mens, ongeacht zijn verder leven of beleven in de ogen van anderen, niet meer deelhebben aan een tijdservaren, maar is hij voortdurend één met de scheppingswil die in het totaal van de te verwerkelijken mogelijkheden is gelegen.

Bij de beelden, die wij tot nu toe hebben opgebouwd, hebben wij één ding buiten beschouwing gelaten en dat is nl. ons eigen “ik”. Wel is het genoemd, maar alleen als een factor in een kosmisch bestaan. Toch is het wel duidelijk dat wij voor onszelf een werkelijkheidsbegrip hebben, dat van de gefixeerde werkelijkheid van de verschillende werelden aanmerkelijk zal verschillen. Wij zijn genoopt om ons eigen “ik” en de werke­lijkheid die daarin wordt beleefd, ook weer te vergelijken met God en de grote werkelijkheid. En dan valt in de eerste plaats op dat in elke wereld alles gedetermineerd is. Dat wil zeggen dat een bepaalde toestand die beleefd is, een vastliggende reeks van verdere toestanden met zich brengt. Maar de mens of beter gezegd het menselijk bewustzijn, gaat niet alleen rechtlijnig langs één wereld. Integendeel, het ver­plaatst zich, daarbij de vreemdsoortigste zigzagbewegingen uitvoerend.

En het bewustzijn dat de mens bezit, bepaalt welke wereld hij selecteert voor de voortzetting (dus voor het volgend moment) van zijn beleven.

Nu kun je dit misschien het eenvoudigst vergelijken met een automatisch kies‑mechanisme. Men kent dat bv. bij de telefoon. Wanneer een bepaald aantal impulsen optreedt, dan zal daardoor een vast relais overslaan, waardoor een van tevoren vastgelegde verbinding tot stand komt. Ons bewustzijn doet in elk moment dat we in één bepaalde wereld vertoeven, een ervaring op, een bewustzijn en het is dit bewustzijn dat fixeert hoe wij verder zullen gaan. Maar het determineert niet zonder meer. Want de wijze, waarop wij persoonlijk reageren t.o.v. de wereld, ligt niet vast. Wij zijn vrij om ‑ waar onze ervaringen uit vele verschillende mogelijkheidswerelden stammen ‑ een vaak zeer verschillend besluit te nemen, een geheel andere conclusie te trekken uit hetgeen wij op dit ogenblik meemaken. Het resultaat is, dat wij nooit verantwoordelijk kunnen zijn t.o.v. de wereld, want die wereld is gefixeerd, gedetermineerd ook, maar wel tegenover onszelf. Want wijzelf zijn de oorzaak, door onze reactie op de wereld van dit ogenblik,  van elke fixatie die een verdere beleving in eventueel parallel liggende werelden tot stand brengt.

Nu vinden wij God in al die werelden evenzeer. Wij kunnen niet ontkomen aan het voortdurend contact met God. Maar wij wensen over het algemeen dit contact niet volledig. Dat is ook begrijpelijk, want een volledig contact met God betekent voor ons een prijsgeven van onze betrekkelijk willekeurige baan van leven door de verschillende werelden van mogelijkheid. Wij zouden dan op één vast doel moeten aanstreven dat alle werelden diagonaal snijdt en zo komen tot het middelpunt. Een middelpunt waaromheen ‑ als u het begin goed hebt gevolgd zult u dat begrijpen – elke mogelijkheidswereld zichzelf beweegt in een eeuwige kringloop van gefixeerd zijnde toestanden.

Ons “ik” met zijn vrijheid tot beleven kiest. Het kan in deze keuze nooit een ander onrecht doen. Het kan slechts voor zichzelf tot de realisatie komen, dat hier geen verinniging van het contact met God ‑ of zo ge wilt met de innerlijke vrede ‑ tot stand is gekomen. Onze werkelijkheid houdt vele waarden in, die verschillen van de werkelijkheid, die wij aanvoelen, de werkelijkheid van God die overal aanwezig is. Het gevolg is dat schuldgevoelens, het gevoel van verantwoordelijkheid t.o.v. de wereld, het op je nemen van aansprakelijkheid, enz. enz., in de eerste plaats voortkomen uit het verschil van de door ons willens aanvaarde werkelijkheid en de door ons uit god voortdurend als werkelijkheid getoonde realiteit.

In dit betoog heb ik nu getracht om de verhouding mens‑God in verband met werkelijkheid en beleving althans enigszins vast te leggen.

Er blijft mij echter nog een verdere taak, voordat ik deze lezing kan be­ëindigen. Wat is voor ons noodzakelijk? Welke conclusies moeten wij ‑ vooral voor ons innerlijk en geestelijk leven ‑ hieruit trekken? En dan ga ik onwillekeurig toch enigszins in de richting van de praktijk en moet ik stellen dat esoterisch gezien en ook moreel en ethisch gezien eenieder, die verantwoordelijkheid tracht te dragen t.o.v. een ander, zichzelf met die ander zozeer identificeert dat hij slechts in de erkenning van deze identificatie tot een juiste bewustwording kan komen. Op het ogenblik dat men verantwoordelijkheid draagt voor anderen zonder dezen geheel te kennen en zich geheel daarmee één te voelen, zal men ten allen tijde een foutieve voorstelling van zaken krijgen. Deze foutieve voorstelling van zaken brengt ons van Gods werkelijkheid af, nooit dichterbij.

Een andere conclusie is deze: God heeft alle mogelijkheden geschapen, alle mogelijkheden die wij beleven, alle mogelijkheden waarin wij kunnen opgaan. Geen van deze mogelijkheden op zichzelf kan goed of kwaad zijn. Zij is. Als zodanig is het onze eigen wijze van interpreteren en beleven die goed en kwaad als waardering daaraan toevoegt. Elke waardering van goed zowel als van kwaad is een afwijking Zij kan dienstig zijn voor onze bewustwording van de goddelijke werkelijkheid, omdat wij hierdoor gebracht worden tot het kiezen van een vastere richting in ons gaan door de verschillende tijdsmogelijkheden. Maar wij kunnen eerst, wanneer wij goed noch kwaad kennen, God erkennen. En het derde punt, al even eenvoudig en toch ook weer even moeilijk: Indien wij begrijpen dat wij het zijn om het gebeuren te kiezen, zijn wij door de keuze van wereld, meester over het lot voor zover het onszelf betreft. Gods wereld is een volmaaktheid. En Gods werkelijkheid is, alles te realiseren. Daarin kan elke angst worden verdreven, elk begeren worden vervuld. Wat meer is, in Gods werkelijkheid ligt voor ons allen die wereld te wachten, die ons ideaal is. Vandaar ook dat wij durven spreken van een eeuwige gelukzaligheid in sommige meer kerkelijke definities. Dat wij spreken van een Koninkrijk der Hemelen of ‑ zo ge wilt ‑ van de lichtende werelden, waarin de harmonie van het witte licht alles overschaduwt en slechts een werkelijkheid, ongebroken en geheel, overlaat.

Gij kunt meester zijn over uw lot, indien gij beseft wat Gods werkelijkheid is. Maar dit meesterschap heeft slechts dan werkelijke inhoud, indien het gebruikt wordt om God Zelf tot een steeds sterkere realisatie van jezelf te maken. Dat betekent t.o.v. de buitenwereld misschien een stilstand, maar voor jezelf het concept van de eeuwige schepping voor zover die jou betreft. Het erkennen van God in Zijn werkelijkheid betekent de modificatie van onze werkelijkheid, totdat zij past bij die van God. En elke realisatie zal die modificatie volgen, zonder einde.

In dit betrekkelijk korte lezinkje heb ik schetsmatig een van de grootste problemen voor de denkende en esoterische mens naar voren gebracht. Ik wil hiermede sluiten in de hoop dat u kwaliteit hier boven kwantiteit zult stellen.

Het prisma van het bewustzijn

Wanneer gesproken wordt over vele parallelle Werelden, dringt zich aan sommigen onzer het beeld op van een prisma. De invallende straal van wit licht wordt ontleed in zijn bestanddelen en wij kunnen aan hetgeen door het gebroken prisma kenbaar wordt een inzicht krijgen in al hetgeen zich in het witte licht verbergt.

Het is duidelijk dat wanneer wij spreken over vele parallelle werelden, wij hierbij uitgaan van een feitelijke toestand. Maar evenzeer is het duidelijk dat wij in al deze werelden in verband staan met God. God is voor ons wat je zou kunnen noemen “het witte licht”. En nu maakt het niet veel uit op welke plaats wij ons prisma opstellen om het licht te ontleden. Wanneer de kwaliteit van het licht gelijk is, zal het verschijnsel overal gelijkelijk kenbaar worden. Op deze manier zou het dus ook voor ons mogelijk zijn om ‑ onverschillig hoe of waar wij leven, mits wij beschikken over iets dat het Goddelijke kan ontleden in zijn voor ons kenbare bestanddelen ‑ een overzicht te krijgen niet slechts van een enkele wereld of enkele werelden maar van het totale kosmisch bestel.

Dit prisma nu is ons gegeven. Het is ons bewustzijn dat in staat is de binnenkomende goddelijke impuls onder te verdelen in bepaalde krachten, factoren, denkwijzen, beelden en daden, die alle tezamen onze werkelijkheid vormen. De werkelijkheid die wij beleven is dus in feite een werkelijkheid die zeer veel verschillende werelden samenvat.

Dit wordt nog duidelijker, wanneer wij beseffen dat ook de mens aan geestelijke invloeden onderhevig is en als zodanig in zijn bewustzijn ‑ ook al realiseert hij zich waarschijnlijk dit niet als geheel ‑ de invloeden van alle sferen, alle lagen en klassen en trappen van bewustzijn zich zullen weerspiegelen.

Nu vraagt de praktijk van ons natuurlijk dat wij ons bezighouden met onze eigen wereld, zoals een geleerde ‑ het licht ontledende door een prisma ‑ zich soms alleen bezighoudt met een bepaald deel van het daardoor ontstane spectrum en misschien zelfs daarin zoekt naar zeer bepaalde lijnen en scheidingen. Zijn belangstelling is dan gericht op het erkennen van de aanwezigheid of afwezigheid van een bepaald element. Zolang hij daarnaar schouwt, zal hij het geheel niet bewust waarnemen.

Hij komt tot een zeer gespecialiseerde kennis die ongetwijfeld zijn waarde heeft, maar die het niet mogelijk maakt de gehele verhouding te zien. Nemen wij bv. iemand, die het licht van één der verre planeten (van Saturnus of van Jupiter) probeert te ontleden. Wanneer hij zich bezighoudt met het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde elementen daar, krijgt hij geen werkelijke indruk van hetgeen er op die planeet kan bestaan. Hij kan alleen maar vaststellen: Dit is er niet en dat is er wel. Maar iemand die de samenhang gaat overzien, kan alle daarin voorkomende zgn. zwarte lijnen en de verschuiving in het spectrum zien, die kan zich precies voorstellen uit welke grondstoffen of elementen die planeet is gebouwd. Hij kan zich verder voorstellen op welke wijze de samenhang van die planeet moet zijn. Hij krijgt een beeld van iets wat hij nooit in wekelijkheid heeft gezien, maar wat hij aan de hand van deze gegevens kan reconstrueren op een vaak verbluffend juiste wijze.

Nu is het voor ons in het leven niet zo gemakkelijk om de gehele kosmische samenhang te overzien. Wij zijn gespecialiseerd. Ons bewustzijn is niet slechts ingesteld op het ontleden van hetgeen wij aan goddelijke impulsen, aan levenskracht ontvangen, maar bovendien op het waarnemen van een zeer bepaald gedeelte van dat geheel. Het verdere wordt door ons als vanzelfsprekend geaccepteerd, maar niet waargenomen, niet beschouwd en niet ontleed. Het resultaat is dat wij a.h.w. blinde plekken hebben.

Zowel mens als geest zijn niet in staat de kosmos te overzien, ongeacht het feit dat wel de waarde van de gehele kosmos in het eigen wezen steeds tot uitdrukkin komt. Om echter nu wel het geheel van de kosmos te kunnen beseffen, alleen door het aanvoelen van hetgeen de goddelijke kracht onmiddellijk tot ons zendt en verder daarbij dus voor onszelf een beeld te krijgen van God volgens de normen van ons bewustzijn, moeten wij alle dingen gelijkelijk waarderen, bekend en onbekend. Dat is moeilijk, maar het is zeker niet onmogelijk.

Het grootste bezwaar is het vooroordeel (een zeker bias), dat in het bewustzijn is gelegen. Wij zoeken niet de waarheid, maar wij zoeken een bepaald deel van de waarheid. Voor onszelf kunnen wij dit vooroordeel, dit zeer gedefinieerd op een punt, ons richten of naar een punt streven, terzijde stellen en daarvoor in de plaats het geheel overzien, dan is het ook mogelijk in het leven van een mens of van een geest de gehele kosmos te leren kennen en niet alleen maar als een flits. Want het goddelijk licht bereikt ons praktisch voortdurend. Het bewustzijn moet natuurlijk op dit licht gericht zijn, zoals het prisma alleen werkt, wanneer het licht op de juiste wijze daarin binnenvalt. Maar als wij het bewustzijn hebben, dan kan dit bewustzijn, gericht op God, ons altijd weer Gods werkelijkheid, Gods kosmische werkelijkheid tonen en daardoor ons eveneens aantonen waar de verschillen liggen tussen onze wereld en de kosmische werkelijkheid.

Deze erkenning betekent niet alleen maar een beter begrijpen. Het betekent ook een verandering aan het prisma zelf. Prisma is bewustzijn. Wanneer de structuur van de gedachten verandert en men niet meer eenzijdig gaat leven of denken, maar gaat proberen het geheel te bevatten, dan krijgen wij een geheel andere interpretatie en dus een geheel andere gedachtestructuur. En het is juist deze gedachtestructuur, die het ons mogelijk maakt om God te erkennen in de volheid van Zijn glorie op elk moment en in elke tijd.

Van de punten die besproken werden, was misschien wel het moeilijkste de kwestie van een zekere onthouding t.o.v. de wereld. Nu moet u mij goed begrijpen. Deze onthouding, die wordt gepredikt, is er niet een van feitelijke dingen, dus een onthouding van eten en drinken of iets dergelijks. Het is een onthouding van het oordeel, als uitgedrukt t.o.v. de wereld en bindend. Het is dit bindende van het oordeel, dat steeds weer ons beperkt in ons waarnemen van God. Zolang wij kunnen accepteren dat alles wat God laat bestaan in Zijn schepping, volgens Zijn wezen en weten ook goed moet zijn, dan gaat het best. Dan hebben wij wel onze eigen vooroordelen, we hebben onze eigen gedachten, maar wij kunnen het geheel accepteren en  door onze persoonlijkheid uit te schakelen­ dus het geheel ondergaan. Maar indien wij die persoonlijkheid trachten op te leggen aan de rest van de wereld, dan gaat het verkeerd.

Je kunt bv. op een gegeven ogenblik tegen die wereld zeggen: ja, maar ik wil jonger zijn, ik wil sterker zijn, ik wil mooier zijn. En die wereld zal niet antwoorden. Maar door deze eis te stellen en de wereld te veroordelen, wanneer zij daaraan niet tegemoetkomt, hebben wij wel bereikt, dat hetgeen wij beschouwen in de eerste plaats voor ons irreëel is (dus niet behorend tot onze werkelijkheid) en in de tweede plaats, dat het maar een zeer beperkt doel is van het kosmisch mogelijke. Eenzijdigheid kan goed zijn, wanneer wij ons bezighouden met de magie, maar ze is absoluut verwerpelijk, zodra wij gaan zoeken naar een grotere waarheid. Een grotere waarheid moet alle dingen als gelijkelijk aanvaardbaar zijnde, goed noch kwaad kunnen concipiëren. Misschien is het beter wanneer ik hier enkele voorbeelden aan toevoeg om duidelijk te maken, waar de vertekening, de factor van onnauwkeurigheid, meestal schuilt in onze eigen waarneming.

Ik neem als eerste voorbeeld: De heer A. heeft zijn eigen visie t.o.v. de politiek, van de godsdienst en vindt het bv. onzin om ‑ een passend voorbeeld ‑ op Koninginnedag een harmonieorkest spelend langs de openbare straat te doen trekken. Nu kan hij voor zichzelf dat concept hebben, dat doet geen kwaad. Maar hij kan ook proberen om dat concept aan de wereld op te leggen. Gelukt hem dat niet, dan is hij verbitterd.

Hij ziet de hele wereld als naar hem vijandig. Hij komt dus tot een concept van kwaad. En in dit kwaad, dat hij in die wereld ziet, ontsnapt hem dus het Goddelijke, dat er eveneens in is gelegen. Hij zal zichzelf goed achten en juist, maar is gelijktijdig in zijn voorstelling van goed en juist gefrustreerd. Hij is innerlijk in oproer gekomen en kan zichzelf niet erkennen. Het resultaat is dat zijn probleemstelling van ” wat is Gods wil” of “wat is het goddelijk licht” of “wat is de waarheid”, nooit meer ge­bonden kan zijn aan God. In de plaats van God treedt de ongehoorzaamheid van de mensen, de verdorvenheid van hen die muziek langs de openbare weg maken, e.d. In de plaats van Gods volmaakt harmonisch en evenwichtig geheel treedt de “verlichte” mens, die door de wereld wordt miskend.

Het zal duidelijk zijn dat de nadruk op dergelijke onsamenhangende details het overzicht op het geheel schaadt. Het is bij deze mens als bij iemand met partieel gezichtsverlies. In een dergelijk geval krijgen wij een vertroebeling van de ooglens, die echter vleksgewijs plaatsvindt, zodat wanneer u kijkt altijd een deel donker is. U ziet wel een stadsbeeld, maar fragmenten ervan zijn weggevallen, Het resultaat is dat u nooit een juist concept krijgt. U ziet misschien een mens, maar u ziet altijd maar een deel van het gelaat gelijktijdig en u bent niet in staat de gehele mens zuiver te beoordelen. Ook al bent u aan die vertekening gewend, uw oordeel is altijd anders dan juist, anders dan goed. Uw eigen onjuiste instelling of toestand, uw oog-gebrek maakt u de werkelijk goede waarneming dus onmogelijk Zo zijn er maar van die voorbeelden.

We hebben de student B. Student B. wil slagen voor zijn examen. Hij moet daar voor 6 à 7 vakken een proef van bekwaamheid afleggen. Hij vertrouwt op zijn kennis in 5 vakken en is over 2 vakken zeer en gerust. Hij besteedt alle tijd aan deze twee vakken. Het resultaat is, dat hij misschien voor deze 2 vakken een voldoende haalt, maar dat hij in de eerste plaats overspannen is. In de tweede plaats, dat hij de inhoud van die vakken gaat verwarren met die van de andere vakken en zo dus in datgene wat hij reeds meent te kennen, komt tot allerhande misvattingen. Hoe sterker hij zich blijft concentreren op deze 2 vakken met uitsluiting van de andere, hoe groter de kans is dat zijn ernstige inspanning en studie in feite een vertraging betekenen van zijn slagen, want hij kan niet onmiddellijk slagen. Evenwichtigheid is noodzakelijk. Wanneer de student hiertoe niet komt, verliest hij het totale beeld, het doel van het examen, de behoefte van de examinandus t.o.v. zijn examinator uit het oog. Hij gaat niet meer denken aan de noodzaak van begrip dat moet worden getoond, maar meent dat hij met een dorre feitenopstelling kan volstaan. Zijn van buiten geleerde lijsten zijn over het algemeen niet in staat hem het begrip te verschaffen dat nodig is voor een werkelijk cum laude slagen.

Dan hebben wij bv. mej. C. Deze doet aan geestelijk werk en dierenbescherming en wat dies meer zij. Ze is daarbij misschien nog vegetarisch ingesteld en heeft dus een zeer bepaald wereldbeeld. Stel nu dat mej. C. zich daarop concentreert maar tevens in de verpleging gaat. Zij meent, dat ‑ gezien de geestelijke instelling ‑ zij haar patiënt troost moet geven (dat is volkomen juist), maar dat het kwaad is om die patiënt vleesspijzen te voeren. Nu heeft die patiënt een ziekte, waardoor een grote behoefte aan dierlijke eiwitten bestaat. Mej. C. ‑ handelend volgens haar eigen inzichten en niet volgens de behoeften van de patiënt – zal niet in staat zijn die patiënt te overtuigen van haar goede wil, want zij onthoudt hem iets, wat voor hem noodzakelijk is. Gelijktijdig zal zij, door zich aan haar eigen voorstellingen te strak en te stram vast te houden de patiënt doen succumberen. Het resultaat is, dat haar eenzijdige instelling een mislukking veroorzaakt.

Op dezelfde manier kunnen wij, wanneer wij te zeer afgaan op ons eigen oordeel van goed en kwaad als alomvattend, de gehele werkelijke orde ‑ de goddelijke orde ‑ in de war gooien. Dat wil zeggen, wij beleven niet Gods orde meer in de werelden, maar gaan we heen en weer door alle voor ons openstaande keuzemogelijkheden, dat wij nooit een werkelijk samenhangend geheel krijgen. Wij vullen het geheel wel aan met ons voorstellingsvermogen, maar dat wordt daardoor ook weer onttrokken aan de werkelijkheidszin. Niet alleen dat de patiënt succumbeert, maar bovendien is er een geestelijke ontwrichting van degene die dit veroorzaakt heeft door haar verkeerde instelling en daarbij waarschijnlijk een onvermogen om de fout nog te herstellen of te verbeteren, zij het aan deze, zij het aan een volgende patiënt.

Een vierde voorbeeld: De heer of mevrouw D. heeft een buitengewoon aardige instelling t.o.v. de geest. Helderziendheid en helderhorendheid treden op een volkomen vertrouwen op de werkingen van de geest. Maar… wat mankeert er? Er treedt een zo sterk vertrouwen op die geest en op elke inspiratie en ingeving op dat het eigen denken wordt uitgeschakeld.

Als mijnheer of mevrouw D. de geest hoort zeggen: ‑ “En nu spring je van de Merwedebrug, dan aarzelt deze niet, maar neemt onmiddellijk de trein om naar de Merwedebrug te trekken en springt. Zijn of haar ontwaken in een andere wereld is dan zeer droevig, want het was “verkeerd verstaan”. Dat is dan altijd de uitleg die volgt. Op deze manier ‑ dus zonder zelfstandig te denken ‑ zullen velen proberen die geest te interpreteren. Wanneer men zich te zeer wil laten leiden en te volgzaam is, maakt men voor zichzelf een bewustwording onmogelijk en komt men tot reeksen van handelingen die averechts, verkeerd zijn en die men als zodanig moet aanvaarden, maar niet kan aanvaarden waar daardoor heel de eigen levensopvatting aan het wankelen zou komen. Het enige wat men dus kan doen is: Ofwel net zolang praten tot de fout goed lijkt (vertekening van het denken; het bewustzijn onttrekt zich aan de goddelijke werkelijkheid, zoals die geopenbaard is in oorzaak en gevolg en in evenwicht), dan wel de gehele levensopvatting erbij neergooien. In een dergelijk geval ontspoord zijn, niet in staat zijn het geestelijke nog verder te accepteren en zo een verarming, een verdere vernauwing van standpunt, waarbij nog minder Gods werking kan worden gerealiseerd. De meest juiste opvatting zou natuurlijk ongetwijfeld zijn: Alle beelden en alle woorden die dan eventueel uit de geest komen, accepteren als iets waarover eens moet worden nagedacht, maar steeds zelf blijven denken, steeds zelf blijven handelen en je nooit door anderen laten leiden. Het resultaat is dan dat die invloeden van de geest een verrijking van je leven worden, een uitbreiding van je standpunt, ook al handel je er niet naar. Dit zuiver erkennen van je eigen standpunt en van de mogelijke impulsen van anderen en standpunten van anderen, betekent een uitbreiding van het interessegebied. Een groter deel van het Goddelijke wordt daardoor automatisch erkend, en meer en meer zal men in staat zijn het tot nu toe, als normaal geaccepteerde meer te zien in zijn juiste verhouding. Het goddelijk licht wordt feller en scherper ontleed en daardoor wordt het beeld dat wij van God hebben, juister en onze aanpassing aan God in evenredigheid daarmee groter.

Dit zijn nu enkele voorbeelden. Ik kan er wel duizenden aan toevoegen. Ik wil alleen maar dit zeggen: Om dit onderwerp niet te lang te maken, is het voldoende te constateren dat al wat geschapen is uit God voortkomt. Dat niets, wat God geschapen heeft, kwaad kan zijn. Maar dat ook niets, wat God geschapen heeft, goed kan zijn. Wat God geschapen heeft, is. En dat is alles. God is het Zijn Zelf. Indien wij ons dit steeds voor ogen weten te stellen en dus te allen tijde, het Zijn trachten te beleven, daarbij het oordeel ter zijde stellend, maar met alle vermogen dat ons gegeven is, elke impuls a.h.w. ontledende in zijn verschillende factoren van belangrijkheid en inhoud voor onszelf, dan komen wij tot een steeds scherper erkennen van een goddelijke waarheid. En die goddelijke waarheid is nu eenmaal niet de waarheid van een wereld met een tijdflux, maar van een reeks van werelden die ‑ afwisselend beleefd ‑ een door vrije keuze ontstaan gebeuren met tijdsverloop voor ons tot werkelijkheid maakt. Dat betekent dus dat we elke wereld, die deel gaat uitmaken van ons eigen beleven, ook afzonderlijk zullen kunnen bezien en in verhouding tot de andere werelden. Wij krijgen door ons inzicht in de goddelijke waarheid het vermogen onze eigen keuze juister te plaatsen en daarnaast ook de kosmische zin van al deze dingen beter te begrijpen. Zo kunnen we in onszelf een goddelijke wil verwerkelijken, een eenheid met God bewerkstelligen en zo een volledig begrip verkrijgen, niet slechts van de schepping, maar ook van de Schepper.