God en werkelijkheid

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ maart 1959

Wij hebben in deze reeks van lezingen het begrip God vanuit vele zijden benaderd. Wij hebben getracht om ons bewust te worden van alle werkingen die met het Goddelijke samenhangen. Wij hebben ook getracht voor onszelf een beeld op te bouwen van de wereld. De grote moeilijkheid die hierbij voor de mensen, overigens ook voor menige geest bestaat, is het in overeenstemming brengen van de beleefde werkelijkheid met het beeld van die God en het interpoleren van de goddelijke eigenschappen uit de gekende Werkelijkheid. Het is hierom dat wij allereerst moeten trachten de werkelijkheid voor onszelf nader te definiëren en dit begrip werkelijkheid dus nu niet meer alleen als een subjectieve waarde te zien maar als een volledig objectief bestaand iets, waaraan eenieder zich te allen tijde zou kunnen refereren.

Werkelijkheid is al datgene wat ‑ hetzij in concept hetzij in gedachte, hetzij in vorm ‑ bestaat op een zodanige wijze, dat velen deze werkelijkheid kunnen betreden. Een definitie die ongetwijfeld het een en ander te wensen overlaat, want voor God zijn alle dingen werkelijk, ook de dromen, die een mens alleen heeft, de gedachten, die ergens in een ver verwijderd hoekje van het heelal misschien ontstaan, nooit gedeeld door anderen. Voor God behoort dit tot Zijn schepping. Voor ons echter kan alleen iets werkelijk zijn, wanneer wij een referentievlak vinden. En dat vinden wij alleen in anderen die in die werkelijkheid bestaan.

Zodra wij leven in een sfeer, waarin alle vormgeving volledig onderdanig is aan ons denken, is er voor ons geen sprake meer van werkelijkheid, tenzij een ander daarin doordringt en zo een voor ons niet meer beheersbare factor binnen ons wereldje optreedt. De verdoeming, de hel, is eigenlijk niets anders dan een afgeslotenheid waarbij je volledig in je eigen wereld leeft zonder referentie‑mogelijkheid. Je bent dan zozeer met jezelf verbonden, dat er geen uitweg overblijft. Er is geen enkel punt van weerstand te vinden. Die weerstand hebben wij nodig. Hoe meer weerstanden wij ervaren bij onze poging onze wereld te beheersen, hoe reëler ze voor ons wordt.

Een stofmens zal allereerst moeten stellen dat zijn stoffelijke we­reld werkelijk is. Niet misschien zoals hij of zij deze beleeft, want die beleving is zuiver persoonlijk. Deze kan zozeer beperkt zijn, dat niemand anders op een gelijke wijze die wereld kan zien. Maar er zijn gemeenschap­pelijke waarden. Er zijn in die werkelijkheid verder factoren die je abso­luut niet overmeesteren kunt, waarover je geen heer bent. Als de stof werkelijkheid is, moet zij als zodanig behoren tot Gods wereld. Wij moeten ook in de stof en in het stoffelijke, het Goddelijke volledig reproduceer­baar terugvinden.

Het feit dat een mens dit in doorsnee niet kan, kan nooit geweten worden aan de structuur van de materie. Het is eerder een kwestie van gewenning. Het begrip “God” is voor ons te hoog, te ver. Op het ogenblik dat wij spreken van God, menen wij iets te bespeuren dat zo buiten ons normale bestaan ligt, dat wij niet in staat zijn een waardering te vinden voor God, zo Hij Zich ons onmiddellijk openbaart. Als God op dit ogenblik als mens hier in uw midden zou zitten, zou u Deze als mens maar niet als God behandelen. U zou Hem nooit kunnen benaderen op de wijze van een reële godheid die al-creërend en al‑beheersend is. Alleen de vorm en daardoor de wijze waarop u deze vorm accepteert als deel van uw eigen wereldje en gelijkwaardig aan uzelf maakt het onmogelijk God te benaderen.

Hieruit vloeit voort dat de mens over het algemeen God onmiddellijk bij zich heeft, God onmiddellijk rond zich geopenbaard ziet in zijn eigen werkelijkheid, zonder dit te kunnen beseffen. Het werkelijkheidsbegrip met zijn weerstanden maakt het onmogelijk het godsbegrip daarin volledig te accepteren. Gesteld nu dat wij op een gegeven ogenblik met die God in onmiddellijk contact komen, maar Deze niet kunnen erkennen, dan zal als gevolg van deze ontmoeting in ons een afwijking van de werkelijkheid ontstaan. Wij zullen nl. datgene wat wij niet kunnen aanvaarden door ons voorstellingsvermogen, op andere wijze trachten te verklaren.

Elke werkelijkheid, geestelijk of stoffelijk, lijdt aan hetzelfde euvel. Telkenmale weer ontmoeten wij het Goddelijke en de goddelijke Krachten. Telkenmale weer zullen wij trachten die goddelijke Krachten weg te rationaliseren, omdat wij God niet als iets gewoons durven, kunnen of willen zien. Het voorstellingsvermogen is dus in feite een deel van het leven, dat het aanvaarden van een absolute werkelijkheid onmogelijk maakt en tevens het waar aanvaarden van God.

Wij kunnen tegen die voorstellingswereld heel weinig doen. Wij zijn niet in staat onze persoonlijke conceptie terzijde te stellen en daarvoor een absoluut concept van de wereld te accepteren. Dientengevolge zal eenieder die God wil benaderen dit moeten doen in een werkelijkheid die niet volledig de zijne is. Dit laatste vraagt enige verduidelijking.

Het is u misschien wel opgevallen, dat juist in meditatie en contemplatie in de grote concentratie op het licht, de menselijke ziel God kan ontmoeten. Ditzelfde geldt voor praktisch alle geest. Op het ogenblik dat wij onze eigen wereld verlaten in ons eigen denken, komen wij te staan in een volledig nieuwe situatie, waarin het ons mogelijk wordt het Goddelijke te accepteren. In onze eigen wereld blijft ons dit onmogelijk.

De conclusie die hieruit te trekken valt, is deze: Ofschoon wij moeten geloven dat God in onze eigen wereld ‑ en voortdurend ‑ met ons in contact is, zullen wij bij het zoeken naar God een andere werkelijkheid moeten zoeken dan de huidige, waarin wij bestaan. Deze werkelijkheid is vanuit het standpunt van de wereld waarin wij bestaan, een fantasiewereld, Al datgene wat werkelijk bestaat, maar hier niet gekend wordt, is voor anderen een fantasiewereld, even goed als eens zelfs Columbus’ beschrijving van de volkeren aan gene zijde van de oceaan een gehele reeks van fantasieën deed ontstaan en men hem op zijn minst genomen voor een soort leugenaar uitmaakte; en dit terwijl hij zelfs bewijzen meebracht. Ik zou ieder uwer de raad willen geven te allen tijde dit punt in gedachten te houden. U kunt God het gemakkelijkst benaderen in wat voor anderen een fantasiewereld is; iets wat zover van uw eigen werkelijkheid is gelegen, dat u daarin alle dingen nieuw en onbevooroordeeld kunt beschouwen. Een mens kan vaak in zijn dromen verder komen dan in een heel stoffelijk bestaan. Maar, zou van uit God gezien een verschil kunnen worden gemaakt tussen een dergelijke droomwerkelijkheid en een menselijke werkelijkheid, een wereldrealiteit? In God bestaan deze niet. God is al­omvattend. God bestaat in alle dingen, God is alle dingen. Een stelling die wij tot uit den treure hebben herhaald. Laat ons dan trachten om re­delijk en logisch vanuit de fantasie‑werkelijkheid God te concipiëren en vandaar Hem te projecteren in onze eigen wereld.

Wat ontstaat dan? Op het ogenblik dat wij ons bewust worden van God ‑ in onverschillig welke wereld, droom of fantasie ‑ zijn wij in staat dit beeld van God mee te nemen in onze eigen wereld. Vanuit God is het contact in beide werelden gelijk. De werking Gods, in een fantasiewereld ondergaan, in een andere sfeer of wereld gevonden, wordt onmiddellijk in de eigen wereld geuit.

Mogelijk gezien is het volkomen irreëel te spreken van een opwekking van doden. Iemand, die dood is kan niet uit de dood herrijzen. Toch worden ons vele gevallen verhaald van personen, die dit wel deden. De Boeddha, Jezus, Esir, Apollonius, Ammon‑Re (een godsfiguur in Egypte die ook stoffelijk heeft bestaan), allen beheersen klaarblijkelijk het geheim van de dood en wekken mensen tot leven. In het geheimzinnige boek “‘Thoth”, waarvan men zegt, dat wie de eerste bladzijde leest de wereld bevolkt ziet door geesten en de wetten der natuur ziet aarzelen, maar wie het tweede blad leest, verblind is dan wel leven en dood beheerst, wordt de opmerking gemaakt:” Het le­ven is oneindig; en de oneindigheid van het leven kan te allen tijde en in elk deel van het leven bevestigd worden.” (Mijn vertaling hier is vrij, de zin is echter volledig juist doorgegeven.) Dit beseffende moeten wij wel zeggen dat voor elke mens een opwekken uit de dood mogelijk is, zo hij ergens, ‑ onverschillig waar ‑ een voldoende begrip van het Goddelijke heeft verworven om dit ook in zijn eigen realiteit te openbaren. Er is dan geen sprake van opwekken uit de dood, van genezen; er is alleen sprake van het weerkaatsen van de Goddelijke volmaaktheid in een deel van dat Goddelijke krachtens eigen bewustzijn. Verwarrend lijkt dit voor de mens, die zegt: “ja, maar ik ben leek, ik kan zo ver niet komen.” Wij kunnen hele bouwsels, hele struc­turen gaan oprichten van woorden en begrippen en het valt mij helemaal niet zo moeilijk u ‑ althans met woorden en redenen ‑ te bewijzen dat u deel bent van God, dat u als deel Gods over Gods, krachten kunt be­schikken en dat als zodanig de volmaaktheid van de goddelijke kracht via u onmiddellijk te uiten is. Er mankeert maar één ding aan. Er is ‑ althans voor u ‑ geen werkelijkheid aan verbonden. In uw eigen reali­teit komt dit niet tot uiting.

Dit te veranderen is zeer moeilijk. Een mens heeft in zijn eigen wereld voortdurend vragen. En ook de geest is zeker niet vreemd aan de vele problemen, die telkenmale een benauwdheid betekenen, een verenging van haar bestaan. Hoe kunnen wij daar iets tegen doen? Hoe kunnen wij die tekortkomingen a.h.w. wat wegcijferen?

In de eerste plaats: Wanneer God deel is van onze werkelijkheid, bestaat er geen enkel feitelijk probleem. Elk probleem, dat in ons bestaat en ons in beslag neemt, is een probleem van onze eigen structuur en als zodanig een droom, een onvolledigheid. De werkelijkheid is volledig op het ogenblik dat wij spreken van de onmogelijkheid van iets, is die onmogelijkheid in onszelf gelegen. Het kan ontstaan door een begrip dat men dit niet doet of dat dit nooit gedaan werd. Het kan ontstaan uit een begrip van eigen onvermogen misschien. Maar deze dingen zijn niet juist. Zij berusten in ons. In God zijn alle dingen volledig mogelijk en zonder voorbehoud.

Praktisch iedereen komt verder tot de stelling, dat wij (als ‑ en dan zegt men er vaak bij: arme en zondige wezens  mensen of geesten – ) maar moeten roeien met de riemen die wij hebben. Maar is er ooit een wezen dat zich werkelijk bepaalt tot zijn eigen vermogens? Is er ooit een wezen dat zijn eigen vermogens tot het laatste toe gebruikt? Zeer duidelijk is dit niet het geval. Om u een voorbeeld te geven: De door­sneemens weigert om meer dan ongeveer 1/5 van zijn werkelijk denkvermo­gen voortdurend te gebruiken. De doorsnee mens en een groot gedeelte van de geestelijke entiteiten komen er niet toe hun volle daadkracht in te zetten tenzij dan onder grote spanning of dreiging. Dezelfde mens, die beweert na 10 km lopen doodmoe te zijn en niet verder te kunnen, zal ‑ wanneer er levensgevaar mee gepaard gaat ‑ rustig 60 km. met ver­hoogd tempo kunnen lopen. De mens, die zegt dat hij deze last niet dra­gen kan, zal ‑ wanneer de beloning voldoende is of wanneer hem een ver­schrikking staat te wachten als hij niet slaagt, ‑ niet slechts deze last maar nog vele andere lasten kunnen dragen. Men komt er niet toe zijn volledige vermogens uit te buiten. Dat betekent dus dat men niet de volledige werkelijkheid wenst te accepteren. Dat men de realiteit waarin men bestaat eenvoudig ten dele verwerpt, omdat volgens eigen concept dit niet past. Het is te moeilijk, te lastig, te onwaarschijnlijk, kortom het past ons niet. Maar wanneer wij dit nu weten ‑ en dit is vast­ te stellen, dit is wat de stofmens betreft en zijn prestatievermogen vast te leggen in vele verschillende verklaringen, wetenschappelijk onder­streept ‑ dan blijkt hieruit dat wat de mens werkelijkheid noemt niet de werkelijkheid is, maar een door eigen bewustzijn zeer verwrongen versie ervan.

Men zegt dat een mens nuchter en logisch moet zijn. Men ontkent de krachten van de geest. Men ontkent de wetten van de magie. Het occulte wordt door de meesten als een soort bijgelovigheid innerlijk nog half aanvaard maar uiterlijk volledig afgewezen. Waarom? Zijn deze dingen dan niet werkelijk? Zijn er dan geen profeten geweest? Zijn er dan geen wonderen gebeurd? Praktisch iedere mens gelooft op basis van wonderen die gebeurd zijn. Of dat nu de wonderen zijn die Jezus heeft gedaan. Jezus’ herrijzenis uit de dood o.m., of dat het de wonderlijke gebeurtenissen zijn in het leven van een Boeddha, de wonderlijke verklaringen en profetieën en handelingen van Mohammed of van anderen, altijd weer baseert men zich wel op wonderen, maar verwerpt deze voor zichzelf. Telkenmale baseert men zich op het occulte, maar verwerpt deze dingen als redelijke, invloedrijke factor in een zgn. werkelijkheid. Men zegt: “Dat kan niet de regel zijn.” Hieruit zou blijken dat de doorsnee mens in zijn werkelijkheid een groot aantal geestelijke factoren buiten beschouwing laat; dat hij ook hier de werkelijkheid bewust of onbewust afwijst en daarvoor in de plaats stelt een zeer grote reeks van vragen en problemen die geen enkele feitelijke betekenis hebben.

Nu stel ik echter: God en de werkelijkheid zijn één. Voor ons is er een verschil tussen. Voor ons staat aan de ene kant Gods volmaakt­heid, aan de andere kant onze eigen onvolmaaktheid. Dit komt omdat wij geen werkelijkheid accepteren, zoals ze ons voortdurend onder ogen wordt gebracht. Ik stel verder: Als Gods werkelijkheid overal regeert en wij een volledig deel ervan zijn, kunnen wij door onszelf tot deze werkelijk­heid te richten, Gods realiteit volledig beleven in alle sferen, in al­le werelden, in alle tijden. Wanneer ons bewustzijn op aarde of in de sferen weigert deze werkelijkheid te concipiëren en daaraan deel te heb­ben, dan zullen wij maatregelen moeten nemen voor onszelf om langs een andere weg tot een deel van deze werkelijkheid te komen en dan vanuit dit enkele deel verder te gaan, totdat wij de volledigheid van Gods rijk want dat is het in werkelijkheid ‑ in ons en rond ons geopenbaard zien. Wanneer wij de voorgaande punten kunnen aanvaarden, vloeit hier m.i. onvermijdelijk uit voort, dat wij een weg gaan zoeken naar God en werkelijkheid tezamen. Hoe wij deze werkelijkheid moeten vinden, hoe wij deze God moeten vinden, is in feite een zeer persoonlijke zaak. Waar ieders opvatting van de werkelijkheid een andere is ‑ en dus ook datgene, wat hij uit de goddelijke werkelijkheid weglaat, een ander deel is ‑ is het niet mogelijk een vast recept te geven. Wanneer ik aan de hand van onze ervaringen (eigen ervaringen, de ervaringen, die wij op de wereld hebben opgedaan) toch wil proberen hier enkele regels te geven, moet u dit zien als een grondbeginsel dat u naar eigen behoefte zult moeten en kunnen variëren.

In de eerste plaats: Wanneer wij eerlijk zijn tegenover onszelf dan weten wij dat wij voortdurend tekortschieten, zoals dat heet.

Dit tekortschieten is in feite niets anders dan een onvolledig uitbuiten van onze vermogens. Indien wij volledig doen wat wij kunnen, kunnen wij niet meer tekortschieten. Dan hebben wij alles gedaan wat noodzakelijk is. Indien wij dus een dergelijk besef hebben ‑ hetzij tijdelijk, hetzij voortdurend ‑ kunnen wij hieruit alleen reeds concluderen dat wij door onvolledig gebruik te maken van onze eigen wereld een aanvulling moeten vinden van die wereld. Het vinden van die aanvulling kunnen wij op verschillende wijzen doen. Ik wil hier zelfs een ogenblik wijzen op het magisch principe, waarbij wij van een zgn. Scheingestalt gebruik maken.

Een Scheingestalt is een figuur die uit ons eigen denken is voortgekomen. Het is deze figuur, die ‑ vaak als een godheid optredende ‑ kan handelen in ons eigen leven, ons eigen bestaan en die ons daar voortdurend bijstaat. De naam die wij aan deze Scheingestalt geven, kan zijn Meester, kan zijn God, kan zijn engel, kan zijn demon. Dit doet weinig ter zake.

Noodzakelijk om tot de werkelijkheid te komen en tot God is: ons volledig wezen te activeren. Nu maken bepaalde mentale grenzen het ons onmogelijk ons gehele wezen volledig in te zetten met al zijn capacitei­ten op geestelijk en stoffelijk terrein. Indien wij ons kunnen voorstel­len dat naast ons een wezen staat, dat al hetgeen wij niet bezitten of menen niet te bezitten, in volledige mate bezit; en ten tweede dat het met deze begaafdheid ons voortdurend terzijde staat, dan komen wij van­zelf tot een volledige evenwichtigheid, Want waar wij dreigen te falen, doen wij een beroep op onze helper, onze Scheingestalt, en deze geeft ons de kracht, de inspiratie, het vermogen de juiste beslissing te tref­fen, de juiste handeling te doen, geeft ons het uithoudingsvermogen om lasten te dragen die anders niet te dragen zijn.

De Scheingestalt is dus een eerste hulpmiddel. Wij mogen echter nooit uit het oog verliezen dat deze Scheingestalt slechts een “ver­beelding” is die voor ons een deel van het Goddelijke weergeeft dat wij ons uit eigen ervaring kunnen voorstellen. Het beeld van God, zoals het in ons leeft, is dan identiek met het product van eigen wezen plus Scheingestalt. Niet de som, maar het product. Want God is het geheel van de door ons geconcipieerde mogelijkheden die ook in de Scheingestalt vertegenwoordigd zijn, vermenigvuldigd met de verwerkelijkingsmogelijkheid op onze eigen wereld. Dat wil zeggen dat elke daad die wij volbrengen, verveelvoudigd wordt in zijn betekenis volgens het Goddelijke.

Een verveelvoudiging van eenvoudige daden of van gedachten is voor ons weer heel moeilijk voor te stellen, wanneer zij niet ligt op het vlak van de door ons erkende wereld. Het is dus niet voldoende, dat wij alleen op geestelijk terrein, bv. met het uitzenden van gedachten deze praktijk toepassen. Wij zullen dit ook moeten doen waar het gaat om ons eigen directe leven, onze direct stoffelijke logica wanneer wij in de stof zijn, onze sfeer‑logica wanneer wij in de sferen vertoeven. Op het ogenblik dat wij menen niet in staat te zijn een bepaalde prestatie stoffelijk te volbrengen, zullen wij een beroep doen op die Scheingestalt en dan trachten a.h.w. zonder voorbehoud onze taak verder te verwerkelijken. Dan zal blijken dat wij veel verder kunnen komen dan zonder dat. Dan zal ons dus ook blijken dat ons eigen actief zijn, ons eigen prestatievermogen zowel geestelijk als stoffelijk voor u als mens, steeds sterker toeneemt. Dat hierdoor het beeld, dat wij van de wereld krijgen, zich wijzigt. Dat ons gevoel van beheersen in de wereld ‑ niet alleen van onszelf maar ook van de wereld ‑ toeneemt. Naarmate wij een sterker begrip krijgen van beheersing in die wereld, zullen wij ook de wetten in die wereld steeds duidelijker erkennen. Het erkennen van deze wetten nu is weer identiek met het erkennen van de eigenschappen van God, Want Gods werkelijkheid is de wetmatigheid van Zijn wezen, uitgedrukt op alle voorstelbare vlakken, zoals deze uit God geboren zijn op het ogenblik der schepping.

De conclusies die wij hieruit kunnen trekken, zijn al heel eenvoudig en heel simpel tenminste voor onszelf. Om te komen tot een beter concept van de werkelijkheid, moeten wij trachten het totaal van ons vermogen uit te putten. Wij moeten trachten het totaal van onze daden te volbrengen. Niet met een voorbehoud van “dit kan ik niet” en “dit past mij eigenlijk niet”, niet met een “dit lust ik niet” en “dat mag ik niet”. Altijd weer met de gedachte: Indien dit volgens mijn concept redelijk en goed is, doe ik een beroep op de geestelijke kracht die bij mij staat” mijn Scheingestalt, om dit te kunnen volbrengen… en ik volbreng zonder aarzelen.

Er is weleens gezegd dat geloof de brug is die ligt tussen menselijke werkelijkheid en God. Tot op zekere hoogte is dat waar, want het geloof is een innerlijke factor, waardoor wij compenseren voor al hetgeen wij menen niet te bezitten. Het gevolg is, dat naast ons een God staat, een God misschien met vele Goden rond zich, met vele diensten en engelenscharen ‑ die in staat is ons te helpen. Het gevolg is, dat wij door dit geloof gesterkt, lasten kunnen dragen die ons anders zouden doen bezwijken, prestaties volbrengen die anders onmogelijk zouden zijn, onszelf offers kunnen getroosten met ware innerlijke vreugde die voor een ander het leven volledig zinloos en doelloos zouden maken. Hiervan zijn voorbeelden te over te vinden in de geschiedenis; ik laat het aan uzelf over deze te zoeken.

Gezien het feit echter dat geloof gebaseerd moet zijn op een zekerheid, is het noodzakelijk dat wij in ons leven en onze werkelijkheid de reeks van problemen die wij onszelf stellen aanmerkelijk beperken. Er zijn bepaalde punten die voor ons in deze vorm, in deze toestand, voorlopig onaantastbaar zijn. De mens, die zich afvraagt: “Wat is God en wie is God?” zal op een gegeven ogenblik toch vastlopen. Uit het ene probleem vloeit het andere voort en het geheel blijft onoplosbaar. Het heeft dus geen zin hier een vergaande oplossing te zoeken. Men kan desnoods luisteren naar een aantal stellingen, waardoor men voor zichzelf een zekere bevrediging verkrijgt. Het is echter zinloos dit probleem tot het belangrijke punt van uw leven te maken.

Datzelfde geldt voor de vraag: Waarom leef ik? Dit is in de beperkte fase van een menselijk bestaan zeker niet te erkennen en zelfs in het bestaan in een enkele sfeer niet. Eerst wanneer het bewustzijn groot genoeg is om het leven van verschillende werelden en sferen in eigen persoonlijkheid tezamen bevat te zien, dan kan men zeggen: Ja, ik zie een vaste lijn in mijn leven, er zit een doel in; ik ga dit doel langzaam maar zeker erkennen.

Wij moeten ook niet vragen naar de redelijkheid van het leven of de redelijkheid van ons eigen handelen. Want menselijke rede is een beperkt instrument dat een groot aantal geestelijke waarden buiten beschouwing laat. De rede in iets wat zich baseert op een groot aantal aangenomen stellingen van de mensheid die vaak zonder enige werkelijke grond zijn. De werkelijkheid wordt niet door de rede bepaald. Integendeel, wanneer wij de werkelijkheid nagaan, blijkt zij voortdurend met de rede in strijd te zijn. Wij mogen ons niet te sterk op het redelijke beroepen, wanneer het om onze werkelijkheid gaat. De rede is voor ons een instrument waarmee wij werken in onze wereld. Voor het hanteren van die wereld is het noodzakelijk dat wij redelijk zijn, dat wij verstandig zijn, dat wij rekening houden met al de argumenten die verstandelijk te vatten zijn en onze daden in de eerste plaats daarnaar richten, zolang er voor ons geen hogere beweegredenen bestaan. Op het ogenblik, dat er een hogere beweegreden voor ons bestaat, kunnen wij het redelijke verder buiten beschouwing laten. De werkelijkheid gaat zozeer verder dan de rede, dat slechts zij die het redelijke terzijde stellen, een groter deel van de werkelijkheid voor zich realiseren kunnen.

Na nu hier gewezen te hebben op bepaalde psychologische mogelijkheden zou ik toch tekortschieten, wanneer ik niet en de geestelijke en ook de psychische zijde van het probleem nog iets nader zou beschouwen. In de eerste plaats wil ik vaststellen dat het psychologisch de mens praktisch onmogelijk is om een realiteit volledig te erkennen. Hij neemt een eenzijdig standpunt in en wel een standpunt dat zoveel mogelijk tegemoetkomt aan zijn eigen behoeften. Die behoeften kunnen zijn: meer te zijn dan een ander, geborgen te zijn, macht te hebben, dan ook wel betekenis te gewinnen voor de mensheid of genegenheid te verdienen. Ongeacht de wijze waarop deze voorstelling is gebaseerd, zal de mens psychologisch zijn eigen wereldbeeld steeds trachten te vertekenen in overeenstemming met die behoefte. Er zijn zelfs mensen voor wie het een innerlijke behoefte is een soort zelfkastijding te ondergaan. Zij doen dit door aan de wereld allerhande factoren toe te voegen die hen kastijden, die hen onrecht doen ondergaan e.d.

Wanneer wij dit nu weten, moeten wij allereerst reeds op zuiver psychologische basis stellen dat wij door het verkrijgen van compensatie althans de behoefte en noodzaak tot verwerkelijking van deze in ons gelegen begeerten gedeeltelijk kunnen opschorten. Wij moeten proberen, als mens en ook als geest ons eigen voorstellingsleven zoveel mogelijk te ontdoen van dergelijke dwang‑obsessies, dergelijke begeerte‑elementen. Wanneer wij God willen benaderen, kunnen wij dit nooit doen met de eenzijdigheid van ons persoonlijk gericht begeren, onze persoonlijk gerichte angsten. Het is gemakkelijk om hier met oude lappen aan te komen slepen, als bv. “mens sana in copore sano”. Dat is ongetwijfeld allemaal waar. Maar een gezonde ziel en een gezond lichaam kunnen alleen bestaan indien wij in de eerste plaats te maken hebben met geestelijke gezondheid, in de tweede plaats met psychische gezondheid en in de derde plaats met een redelijke lichamelijke gezondheid. Waar een van deze factoren ont­breekt, krijgen wij die werkelijkheidsvertekening en daarmee ook de af­stand tussen ons en God.

Nu kunnen wij aan die gezondheid vanuit een menselijk standpunt niet alles doen. Het is niet mogelijk wanneer u oud bent, u wederom jong te maken,

Althans voor u. Het is voor u niet mogelijk om bv. een kwaadaardige kanker met een enkele gedachte uit te bannen…alweer voor u. Maar aan de andere kant kunnen wij wel veel doen aan een vergroting van geestelijke gezondheid, een vergroting van psychische even­wichtigheid, psychische harmonie. Voor de geest kunnen wij heel weinig bewust doen. Zeker wanneer wij in de stof gebonden zijn zal de geest‑ door haar onvermogen zich volledig in die stof te openbaren ‑ niet aan de stoffelijke mededelingsmiddelen (de hersenen en het denkvermogen) haar eigen beelden geheel kunnen overdragen. Voor de geest is om zo ge­zond mogelijk te kunnen zijn een eigen ontspanning in haar eigen wereld noodzakelijk; verder een zo klein mogelijke frustatiegedachte vanuit de stof haar toegezonden. Wij kunnen dus de gezondheid van de geest bevor­deren door a.h.w. in geloof ons vrij te maken van onze eigen wereld, zelfs wanneer het resultaat naar ons idee alleen maar een reeks van va­ge gedachten of zelfs een soort sluimeren is.

In de tweede plaats moeten wij psychisch gezond zijn en ik bedoel hiermede ook vooral het meer menselijk deel van de psyche. Wij kunnen deze altijd bevorderen door ons onze eigen gedachten, onze eigen begeerten zo goed mogelijk te realiseren. Het is duidelijk dat wanneer u leed hebt en u weet dat dit leed niet gerechtvaardigd is, hierdoor het leed niet onmiddellijk verdwijnt. Maar alleen de realisatie dat dit leed niet gerechtvaardigd is, voorkomt reeds dat hier een dwanggedachte gaat ontstaan waarbij men op de duur uit het leed een rechtspositie gaat putten t.o.v. de wereld; zuiver fictief. Wij blijven ons dus, ondanks onze subjectieve beleving meer van onze realiteit bewust.

Verder wordt elke mens ‑ en ook heel vaak menige geest ‑ door tegenstrijdige gedachten, begeerten en angsten belaagd. Men heeft de gewoonte om deze gedachten, deze begeerten en deze angsten niet onmiddellijk uit te spreken en slechts één daarvan tijdelijk op de voorgrond te stellen. Men is dus niet consequent. Voor een psychische gezondheid ‑ een zeker purgeren a.h.w. van de schadelijke elementen – is het noodzakelijk dat wij ons steeds realiseren wat wij willen doen of wat wij vrezen, waarom wij het willen doen of waarom wij het vrezen en in welke samenhang het staat tot onze andere gedachten en begeerten.

Dan blijkt heel vaak dat bv. ons verzet tegen een bepaald deel van de mensheid voortkomt uit een onbevredigd begeren naar een ander deel van de mensheid. Ook blijkt heel vaak dat onze begeerten, die zo zuiver stoffelijk schijnen te zijn, in feite neerkomen op een behoefte aan waardering, een weten dat je nog nodig bent. Wij zullen ontdekken dat wij heel vaak sommige dingen denken en niet doen, omdat de consequenties van deze daad ons te zwaar wegen.

Realiseren wij ons dit nu, dan kunnen wij zeggen: “Nu ja, wanneer voor mij de consequentie erger is dan mijn begeren, dan kan ik dit terzijde stellen.” Hier kan een redelijk proces worden ingeschakeld om althans een zeer groot gedeelte van het directe gedachteleven ‑ voor zover dit bewust is ‑ te realiseren. Dit heeft weer zijn invloed op het onderbewuste, waarin dan verschillende dwanggedachten een voortdurende storing ondergaan. Obsedering door bepaalde gedachtebeelden komt daardoor veel minder voor. En hierdoor komt ook een vermindering van strijdigheid in het lichaam voor.

Het menselijk lichaam kan door deze verdeeldheid van gedachten, deze strijd ‑ soms geestelijk, soms mentaal ‑ zeer sterk lijden. Hieruit kunnen maagaandoeningen, darmaandoeningen, vatbaarheid voor ziekten, longkwalen enz., voortkomen tot kanker toe. Wanneer wij trachten deze dingen dus mentaal en geestelijk te voorkomen, maken wij ook het lichaam veel gezonder. En gelijktijdig komen wij reëler tegenover onszelf te staan. Wij gaan ons duidelijker bewust worden van wat we nu eigenlijk wel willen en wat wij eigenlijk niet willen. Wij komen dichter bij onze eigen werkelijkheid.

Maar deze werkelijkheid betekent ook dat wij de werkelijkheid in de wereld beter zien. Want nu gaan we niet meer onze angsten of onze onvervulbare begeerten afwentelen op anderen, we gaan niet zeggen:”Het is de schuld hiervan of daarvan”. Wij gaan eenvoudig vaststellen: Ik heb in feite zo gekozen. Dit betekent dat je je stoffelijke werkelijkheid beter kunt aanvaarden, en dat elke indruk die van daaruit naar de geest gaat dus zuiverder is. Dit houdt weer in dat je dichter bij de goddelijke werkelijkheid komt te staan.

Dan blijft nog altijd gelden dat je niet in je eigen wereld dit onmiddellijk contact met God kunt meemaken. Er zijn enkele voorbeelden bekend waarbij dit wel gebeurd zou zijn, ik denk hierbij aan Paulus van Tarsus, de latere apostel Paulus, (ofschoon de naam “apostel” hem in feite niet geheel toekomt, want hij was niet een directe leerling van Jezus,). Deze wordt getroffen en verblind door het licht ook stoffelijk. Maar hij had op dat ogenblik zijn persoonlijk contact met God. En voor hem werd een goddelijke werkelijkheid geopenbaard in dat moment. Indien hij echter niet onder een sterke geestelijke tweestrijdigheid gebukt had gegaan en daaruit zijn consequenties had getrokken, was dit nooit gebeurd.

De doorsnee mens zal niet op een dergelijke wijze zijn weg naar Damascus vinden. Integendeel, voor hem ligt vaak het beleven van God in een droomwereld, in een ontrukt zijn aan de werkelijkheid. Heel vaak is het een a.h.w. in fantasieën en dromen je onderdompelen in licht, waaruit je versterkt en wijzer naar voren komt en waaruit je krachten put voor je bestaan in de wereld. Hoe je dit ervaart doet immers niet ter zake, wanneer je het maar kunt ervaren. Want, wanneer je God ervaren hebt, onverschillig in wat voor droom of fantasietoestand en dit is een deel van de werkelijke God geweest, dan zal deze werkelijke God daardoor je duidelijker voor ogen staan en je zult Zijn krachten ook in je eigen werkelijkheid duidelijker zien. Maar waar Zijn krachten aanvaard worden in je eigen werkelijkheid, valt veel van de begoocheling weg en zien wij achter het scherm van menselijke gedachten ten slotte God oprijzen als de enige werkelijkheid die er bestaat.

De Scheingestalt

De Scheingestalt is een bouwsel van menselijk denken, waarin een aantal eigenschappen en vermogens bestaan die voor de mens weer kenbaar, bruikbaar en werkzaam kunnen zijn. In de psychologie treedt ook dit op: Wij vinden zelfs een Gesamt‑scheingestalt, waarbij een bepaalde fictie voor een volk of een religieuze groep optreedt en dit volk of deze groep daaruit zekere krachten put, een zekere volharding kan putten. Het is duidelijk dat deze Scheingestalt zonder meer voor ons niet bruikbaar is, maar wij kunnen toch wel een soortgelijke figuur soms hanteren, opbouwen of verwerken.

Je moet dan allereerst begrijpen hoe het menselijk denken werkt. De menselijke gedachte is een uitstraling die een bepaalde trilling kent, dus een bepaalde fluctuatie. Dit komt ongeveer gelijk aan een radiozender. Het gevolg is, dat in de omgeving een impressie wordt gemaakt. Maar als wij ons nu kunnen voorstellen dat er materie bestaat zo fijn dat zij door die trillingen wordt beïnvloed en in een zeker patroon geschud ‑ denken wij bv. aan zand dat op een plaat gelegd en door een regelmatig ritme beroerd bepaalde figuren gaat tekenen ‑ dan kunnen wij zeggen dat zo’n trilling tot een beeld kan worden dat een zekere vastheid heeft.

De astrale wereld nu bestaat uit een zeer fijne vorm van materie, die voelbaar beïnvloed wordt door de gedachte. Op het ogenblik dat de mens dus voortdurend gaat denken aan een figuur, die zijn eigen wezen bijstaat hetzij als een God, als een Meester, hetzij als, voor ons het meest begerenswaard een aanvulling van eigen tekorten, dan wordt hier inderdaad een soort receptorium gebouwd op astraal terrein. Dit is een figuur, een gestalte, waarin alle krachten van de gedachten zijn vastgelegd.

Nu is het duidelijk, dat wanneer wij een Scheingestalt bouwen om eigen tekorten aan te vullen, ons begeren daarin zeer sterk is uitge­drukt. Dat wil zeggen: Elke begeerte die in ons bestaat, wordt in die Scheingestalt vastgelegd, maar wordt daar als in een accumulator opge­slagen tot het moment dat ontlading noodzakelijk wordt. Wanneer wij de stroom zien, die in zo’n accu wordt gevoerd, dan is deze betrekkelijk klein vergeleken bij de hoeveelheid stroom die bij een plotselinge ont­lading daaruit later betrokken kan worden. Op dezelfde wijze kan die Scheingestalt voortdurend uit ons deze gedachtetrillingen, deze hoop, deze verwachting, dit verlangen, absorberende op een ogenblik van be­hoefte – wanneer ons vertrouwen een directe band schept met dit recep­torium ‑ het totaal van onze eigen daarin gelegen energie door ons ont­laden. Het resultaat is, dat wij tot een prestatie komen, die in de psychologie overprestatie heet. Zij gaat nl. verder dan de door ons aan­vaarde norm. Maar zij staat niet boven de voor ons mogelijke norm.

De opbouw en figuur van de Scheingestalt is in feite een deel van de magie en ook wel van bepaalde scholingen van yoga. Voor een mens is het niet altijd raadzaam om zonder meer met dergelijke procedures te beginnen en zeker niet zonder voldoende leiding. Toch kan aan de andere kant een dergelijke Scheingestalt of een dergelijk beroep op gestalten, aan wie men diezelfde kwaliteit en eigenschappen toekent ‑ al noemen wij ze dan geen Scheingestalt ‑ een zeer groot resultaat hebben.

Stel u nu voor dat u een beroep doet op uw lievelingsheilige of misschien een broeder van de Orde een bepaalde godheid, misschien één van uw eigen overgeganen. Wanneer u dit bij herhaling doet en daaraan een zekere voorstelling verknoopt, heeft u ook dáár een Scheingestalt gebouwd. Deze werkt als omschreven, dus als een receptorium voor uw gedachten, maar ook als een accumulator van de krachten die u door uw verlangen en uw streven voortdurend uitstraalt. U hebt hier dus in de eerste plaats een krachtreservoir. Haast iedereen doet dit in meer of mindere mate onbewust, wanneer hij of zij zich sterk bezighoudt met godsdienst of met occultisme.

Er zit echter aan de Scheingestalt nog meer vast. Want door hier in de astrale wereld te werken, hebben wij niet alleen een receptorium voor onze krachten opgebouwd, maar bovendien een figuur, een eenheid, die in een veel nauwer contact staat met geestelijke werelden. Dit betekent dat harmonieën met bepaalde geestelijke vlakken die in de Scheingestalt ontstaan, sterker tot uiting komen en groter resultaten hebben dan dit van onmiddellijk stoffelijk standpunt normalerwijze gebeurt.

Een vergelijking gebruikend: Wanneer u een antenne spant op een meter boven de aarde, dan zal uw ontvangst veel minder sterk zijn dan wanneer u dit doet op 10 of 20 meter hoogte. Ik heb mij zelfs laten vertellen dat iemand om goede televisieontvangst te krijgen een antenne aan een ballon tot een 40 of 50 meter hoogte deed stijgen, waarmede hij inderdaad resultaten kreeg, die door een normale antenne niet bereikt konden worden en vele malen dus zijn antenne‑signaal, zijn antenne‑sterkte kreeg.

 Dit is nu eenvoudige techniek. Maar wat is uw Scheingestalt anders dan een figuur, die ook tevens “receptor” is voor andere invloeden dan de uwe, mits daarmede gelijkgaande, daarmee harmonisch zijnde, daarmee parallel lopende? U hebt dus in een hogere wereld vanuit uw standpunt, een meer verfijnde wereld, een ontvangstmogelijkheid geopend. U bent in voortdurende verbinding met dit kunstmatige structuurtje van fijne materie. Al hetgeen daarin ontvangen wordt kan dus onmiddellijk op u werkzaam zijn. Zo is de Scheingestalt niet alleen een middel om uzelf aan te vullen, maar bovendien een middel om bepaalde geestelijke krachten en mogelijkheden sterker in uzelf te verwerkelijken.

Ik mag u helaas geen directe aanwijzingen geven over die opbouw. Daarvoor in de plaats wil ik u de raad geven: Vertrouw en geloof op iets of iemand, dan komt u daar al heel ver mee. Onthoud echter één ding: op het ogenblik dat wij twijfelen aan deze figuur of aan onze Scheinge­stalt, zenden wij gedachtenimpulsen uit, die strijdig zijn met deze struc­tuur en dus daar een verbrokkeling teweegbrengen. Wij moeten met een zo vol mogelijk vertrouwen werken en bij feiten en toestanden, waar wij geen vertrouwen durven hebben in de Scheingestalt, ook geen beroep daarop doen. Eerst dan kunnen wij daarvan redelijke resultaten verwachten.

Voor degenen die zich interesseren voor de magische kant, wil ik hier wijzen op de geschriften die daaromtrent bestaan en wel speciaal over de opbouw van magische godenfiguren, zoals in verschillende Sutra’s uiteengezet. Degenen, die zich daarvoor interesseren, kunnen dus ongetwijfeld door bestudering van de oude Indische en Brahmaanse literatuur hieromtrent verdere gegevens verwerven. Ik meen hier met deze korte toelichting te kunnen volstaan. Zou voor dit onderwerp verdere belangstelling bestaan, dan wil ik hierover vragen beantwoorden.

Noot

Er doet zich hier de vraag voor, of bij het opbouwen van een Scheingentalt aan de hand van een werkelijk bestaande entiteit of persoonlijkheid, de gedachten van deze laatste op de gestalte geen invloed zullen hebben. Dit betekent dat men dus niet juist begrijpt, wat een Scheingestalt in feite is.

In de eerste plaats: De Scheingestalt is een deel van onze eigen persoonlijkheid en zal dit altijd blijven. Wij kunnen natuurlijk in ons streven een voortdurend beroep doen op bepaalde krachten. Wanneer een Scheingestalt bestaat, is het mogelijk dat deze krachten ons via die Scheingestalt gemakkelijker bereiken. Maar zij zijn daarmede niet identiek en hun wezen is niet mee vervlochten. Verder moeten wij heel goed begrijpen dat de Scheingestalt duizend en een naam kan hebben. Wij noemden als voorbeeld een overgegane die ons lief is. Natuurlijk. Maar wij kunnen dit ook veel algemener doen. Men kan die Scheingestalt ook kosmos noemen, natuur, of zelfs zo abstract als een plichtsbesef en dergelijke. Want ook deze dingen mits aan een nauw omschreven voorstelling beantwoordend – betekenen voor ons het vastleggen van een bepaalde figuur in de wereld, die ge­voelig is voor onze gedachten. Het resultaat is dat wij ‑ of wij nu spreken over God, over eer of over iets anders ‑ in feite in de eerste plaats te doen hebben met de Scheingestalt die wijzelf opbouwen en eerst via deze Scheingestalt misschien (nl. indien werkelijk een zekere harmonie bestaat tussen ons streven en denken en deze figuur) een na­der contact kunnen bereiken.