God in Azië

uit de cursus ‘God in verschillende gedaanten’ 1985-1986

God in Azië

Als wij kijken naar de verschillende goden die in Azië worden ver­eerd, dan staan we daar als westerling wat raar tegen aan te kijken. We moeten ons echter bepaalde dingen goed realiseren. Zo goed als men in het westen God vermenselijkt of juist van het menselijke heeft verdreven, zo heeft men geprobeerd in Azië God dichter­ bij te brengen door Hem menselijk te maken. Daarachter staat nog altijd het onbekende. Degenen die zeggen dat er zoveel afgoden worden vereerd door de hindoes, vergissen zich een beetje.

Er is oorspronkelijk een triade geweest. De drie kenbare aspecten van God: Brahma, Vishnu en Shiva. Later heeft men deze in allerlei figuren a.h.w. ondergebracht en zijn er goden en godinnen van verschil­lende rangorden bijgekomen. Dat gaat tot wat wij engelen noemen toe de deva’s, de kleine goden.

Deze goden hebben veel contact met de mensen. Ze doen wonderen. Er worden door hen allerlei heiligen en leraren geboren. Er zijn wonder­verhalen te over en legendevorming is zeker in India sterker dan in Europa. Toch begint ook hier het verhaal met de natuur. Het zijn de natuurelementen die de mensen trekken en die hen er­toe brengen God op een bepaalde manier te zien. Maar wanneer ze lang­zaam maar zeker iets meer gaan begrijpen van hun omgeving, samenhangen gaan overzien, dan ontstaan er studies die o.m. in een aantal heilige boeken zijn vastgelegd. Ze worden in gelijkenissen verteld, in helden­verhalen en wat dies meer zij. Alles heeft zijn eigen symbolische bete­kenis.

De helden, de goden, de demonen zijn representanten van menselijke eigenschappen en gelijktijdig van natuurkrachten. En omdat in dat hele gebied de magie veel intenser is beoefend en veel minder een priester­lijk monopolie is geworden dan in Europa, vinden wij ook het magische denken veel verder doorgevoerd in de Indiase denkwijze dan in Europa. Toch zijn die goden allemaal vergelijkbaar met mensen. Het sterkst kun je dat misschien nog zien in China waar men veel minder een godsdienst en veel meer een wijsbegeerte heeft, eveneens weer ondersteund door al­lerlei vormen van magie.

God is hier de hemelse Keizer, ook wel de Jade Keizer genoemd. Die naam is later voor een keizer in de stof gebruikt. Deze keizer heeft een hofhouding zoals een keizer op aarde. In de vier windstreken zijn de vier hem onder gestelde prinsen of goden die elk als een soort stadhou­der optreden in bepaalde gebieden. In de hofhouding komen allerlei figuren voor die naar ik denk, zijn ontleend aan de verhalen over de god die sluimert onder de aarde; de Heer der Wereld.

Die Heer der Wereld heeft kennelijk in China een heel grote invloed gehad en heeft het hele godsbeeld bepaald. Die overlevering was vooral sterk in de berglanden Tibet, Nepal enz. Hier echter was de Heer der Wereld een soort tegenwicht, een stoffelijke kracht. Voor de Chinezen, die zich zagen als het middelpunt der wereld, was dat niet aanvaardbaar. Het is duidelijk dat zij daarom alles naar de hemel hebben overgebracht.

De denkwijze van deze mensen is in vele gevallen, voor mij althans, aanvaardbaarder dan allerlei christelijke theologie. Ik zal ook zeggen waarom. Men vecht minder over de belangrijkheid van de goden. Men is niet bezig om de juistheid van een bepaalde leer te beschouwen, maar men probeert de relatie mens God op de een of andere manier beter te begrijpen. Een geloof is een innerlijke kwestie. Je kunt niet tegen een mens zeggen: Zo moet je geloven.

In de hindoewereld kan eenieder de god of de godin kiezen die het best hem/haar past, die hij/zij denkt nodig te hebben. Men kiest gewoon voor een facet van het goddelijke. Omdat dat een grote vrijheid en ook een wederkerige vrijheid van denken en beloven inhoudt, ontstaan er ook veel meer sekten dan er hier zijn. Sommige van die sekten worden weleens misverstaan. Bijvoorbeeld:

Over Kali wordt een legende vertelt van bloeddorst en offers. Deze vereerders van Kali zijn in feite helemaal niet zo gewelddadig. Kali is niet alleen de godin van de dood, maar ook van de geboorte. Voor hen was de mengeling van de vruchtbaarheid en van de erkenning van de dood noodzakelijk en als band met de godenwereld eigenlijk het belangrijkst, maar wat gebeurt er?

Op een gegeven ogenblik worden juist de vereerders van Kali nogal beledigd door de Engelse heersers. Zij komen in verzet. Dat is begrijpelijk, want de vereerders van Kali werden vooral gevonden onder de zwervende stammen en de bergstammen. Zo worden zij de kern van een verzet en daarbij wordt dus ook de niet-bloedige moord (de wurgmoord waaraan de naam Wurgers voor de Tughi is ontleend) steeds meer politiek uitgevoerd. Daarna (in de jaren 1860) ontstaat pas echt het gilde van de rituele moordenaars.

Kijken we naar Tibet, dan valt op dat we te maken krijgen met een vorm van boeddhisme die heel veel hindoe-elementen heeft behouden. Zeker, de goden dalen nu neer in gereïncarneerde monniken die misschien wel 40 of 50 incarnaties lang voortdurend bezig zijn om het volk te beleren, Zelfs de Dalai Lama is een reïncarnatie en ofschoon iedereen weet dat dat een beetje vraagwaardig is, houdt men zich daaraan.

Het is de godenwereld die erg eigenaardig wordt gebracht. In het boeddhisme is het niet meer de generaal of de grote vorst die de leider is, maar de leraar, de meester, de filosoof die het juiste pad toont. Het is duidelijk dat daardoor ook deze gezaghebbende figuren nu een soort heiligen moeten worden, maar vergis u niet.

In de berglanden is de magie altijd erg machtig geweest. Ook in Tibet. Wij zien dat er zelfs een scheiding ontstaat waardoor er aan de ene kant monniken zijn die in sommige gevallen magie bedrijven. Er is zelfs een klooster geweest dat bekend stond om zijn zwarte magie, het tijdelijk opwekken van doden e d. Aan de andere kant zijn daar de natuurpriesters, de tovenaars. Maar ze zijn met elkaar vervlochten.

Als je het boeddhisme, dat op zich erg belangrijk is, volgt in zijn ontwikkeling, dan zie je ook dat het heel verschillende kanten uitgaat. Er zijn bepaalde richtingen in het boeddhisme waarin de Gautama Boeddha eigenlijk een soort Christus is en andere Bodhisattva’s heiligen zijn. Maar er zijn ook richtingen waarin men helemaal niet spreekt over het hiernamaals en over God. Men heeft het alleen nog over de juiste weg. Al het andere is onzeker. De weg die wij volgen is de juiste.

Wij zien de wreedheid waarmee offers worden gebracht in bepaalde sekten. Aan de andere kant zijn er sekten in India bekend als de Sweepers die eigenlijk het leven zo heilig achten dat ze met een borsteltje de weg voor hun voeten schoonvegen, opdat zij niet per ongeluk een insect zouden verpletteren. Het is een wonderlijk mengsel,

Kijk je wat erachter zit, dan is het dit; God leeft in alle dingen. Het leven is een voortdurende rondgang. Het leven is niet ten einde met een bestaan. Er is een reïncarnatie. Er is een Rad van Levens, een voortdurende wenteling waardoor je terugkeert en nog eens terugkeert. Daarom is het leven zelf niet zo belangrijk. Belangrijk is dat je leeft en hoe je leeft.

Gelovigen overal op de wereld hebben de neiging om met de voorschriften van hun godsdienst een beetje de hand te lichten. Dat is waar. Aan de andere kant kan worden gezegd dat het aantal heilige mannen, degenen die zich helemaal aan een bepaalde filosofie, een bepaald godsbegrip hebben gewijd in gebieden als India, Zuid Azië, veel groter is dan elders. Dat het denken van deze mensen in de schijnbare wanorde toch een orde vindt, een soort verplichting, kunnen we uit de geschriften van een aantal filosofen aflezen.

Wij zitten hier eigenlijk in een verwantschap met het Taoïsme waarin ook de juiste plaats, de juiste weg, het juiste leven belangrijk is. Zeker, ook het Taoïsme kende zijn magie, zijn tempels, zijn erediensten. In Japan bestaan die tempels nog steeds en worden de erediensten nog steeds gehouden.

De zin van Tao is de zin van juistheid. Datgene wat ik ben, brengt met zich mee dat ik een bepaalde taak heb. Het houdt in dat ik tevreden moet zijn met de plaats waarop ik leef, maar dat ik daar zo goed mogelijk moet leven, want een volgende maal zal ik misschien elders leven onder andere omstandigheden en dan zal het anders zijn. Nu moet ik echter beantwoorden aan de juiste verhoudingen, de juiste wetten.

Het is een structuur die voor een keizerrijk buitengewoon aanvaardbaar is, omdat het een onderwerping leert aan de bureaucratie die op z’n minst genomen, vanuit ons standpunt, zeer sterk is. Maar ja, China is van den beginne (en dan spreek ik van 2000 jaar v. Chr. en nog vroeger) al een bureaucratisch geregeerd land geweest.

Dit zal u niet bekend zijn, maar rond de geboorte van Jezus was het aantal ambtenaren in dat land al zo groot dat ze een beslissende invloed hadden op alles wat er gebeurde. Als we kijken naar de Mantsjoes, dan zien we tijdelijk dat ze even terugvallen. In de plaats van de ambtenaren komen krijgsheren. Maar na twee generaties is men terug in de bureaucratie.

Zelfs als we gaan kijken naar het hedendaagse China dat een groot gedeelte van zijn verleden met enig respect maar toch ook een beetje laatdunkend behandelt, dan zien we dat de bureaucratie is gebleven. Dat is bepalend geweest voor het beeld van God in China.

God was vaag, ver weg. Zoals de keizer ver weg was in een ommuurde stad en bijna nooit officieel te zien was behalve voor de zeer voornamen die werden genodigd. Waarmee je echter te maken hebt? Dat zijn de ambtenaren, de kleine mensen. Daarom is God niet zo belangrijk. Belangrijk zijn de machten en krachten die op je inwerken.

Dan krijg je de legenden van de draken die in bergholen wonen en soms in menselijke gedaante verschijnen, onder de mensen lopen als een soort halfgoden, om even daarna weer een overstroming te veroorzaken een uitbarsting of de een of andere ramp. God blijft hier ver weg. Als we naar het zuiden gaan, zien we precies hetzelfde. Ook hier is God ver weg. Achter alle verschijningsvormen staat Brahman, het onbekende, de adem van het leven die schept en inademend, de schepping weer tot zich neemt.

Er is één kracht die als Chronos de tijd verslindt en doet ophouden. Er is één kracht die de tijd voortbrengt. Alle andere goden zijn eigenlijk alleen maar figuren die daaruit voortkomen. Ze zijn de tijdelijke representanten van het Onbekende. Het is daardoor ook begrijpelijker dat een islam hier zoveel navolgers kon krijgen.

U moet zich goed realiseren dat Allah eigenlijk ook een onbekende God is. Ook Allah verschuilt zich ergens. Hij is als Jehova de Ongenoemde, de Onbekende. Maar hij brengt met zich mee een beperkt aantal voorschriften. Geen wanhopig zoeken naar de juiste God om te eren. Niet meer zelf manipuleren, een soort ruilhandel proberen te drijven met goden. Niet meer een voortdurend bezig zijn aan een volgend leven, aan je karma, maar recht omschreven: Als ik juist leef kom in het Paradijs. Dat is attractief.

Bovendien, terwijl een groot gedeelte van de hindoeïstische belijdenissen geweld afwijzen, behalve onder zeer bepaalde omstandigheden, is in de islam het recht om met het zwaard te bekeren opgenomen. Dat is zeer aantrekkelijk, want dan kun je om je naasten te bekeren hen overwinnen en jezelf verrijken. De kruisvaardersmentaliteit is kennelijk ook niet vreemd geweest aan de volkeren van zuidelijk Azië.

Wie probeert zich een beeld te maken van dit alles, ziet ook hier een God die eigenlijk schuilgaat achter alle dingen. Een God die Zich manifesteert in het gebeuren van de wereld, maar die daardoor niet kenbaar wordt. Daar waar Hij kenbaar wordt, daar benoemen wij Hem daar geven wij Hem een naam, daar proberen wij Hem duidelijk te maken dat wij bereid zijn om aan de goddelijke wil gehoor te geven, mits die God ook wat voor ons wil doen.

Er zijn meer dingen die overeenkomen. Wat is het verschil tussen het luiden van een kerkklok en het bonzen van een tempelgong? Weinig, zou ik zeggen. Wat is het verschil tussen in een bepaalde houding geknield bidden, zoals sommige vromen in de katholieke kerk vandaag de dag nog doen en het in de handen klappen om een God attent te maken op je aanwezigheid voordat je overgaat tot een offerhandeling of gebed? Het is eigenlijk maar heel gering. Juist omdat we hier te maken hebben met een heel andere mentaliteit, een heel andere manier om het leven te bekijken, is het zo interessant op te merken dat achter dit alles toch altijd hetzelfde waas van onbekendheid ligt, de onbenoembare God. Datgene waarvan we weten dat het bestaat, maar waarvan we niet kunnen zeggen hoe het bestaat en wat het is.

Ik denk dat we in dit verband ook nog een stap verder moeten gaan. Wij hebben ook te maken gehad met volkeren in Amerika. Dan denk ik vooral aan de Indianen zoals ze foutievelijk werden genoemd. Deze mensen leefden ook met een onbekende God. De Manitoes zijn een soort aartsengelen.

Ze zijn de gestalten van God. Daarachter ligt het Onbekende dat ademt in alle dingen, dat leeft in alle dingen.

Je spreekt met de aarde. Je spreekt met de lucht. Je spreekt met de wind en met het water. Je roept goden aan met het vuur, want je probeert de facetten van de God die je kunt begrijpen naar je toe te halen. Zoals er overal (in Tibet, maar zeker ook bij bepaalde sekten in India) gebruik wordt gemaakt van trance, zo kennen wij dat ook bij de Indianen. Ook hier het sjamaanachtige optreden van een medicijnman die zelf in een soort trance danst en dan allerlei uitspraken kan doen, kan zien in de toekomst, dingen kan voorspellen.

Het is wonderlijk dat ook door de gehele wereld het beeld van God als het grote Onbekende begint op te rijzen al 4 á 5000 jaar voor Jezus geboorte. Het begrip van die God als een helper, een omvatter blijkt bij heel veel volkeren eveneens te bestaan in die periode.

De natuur zelf is de representant van God. God leeft in alle dingen. Er zijn plaatsen waar God Zich bijzonder manifesteert in één van zijn deelgestalten. Vulkaangoden zoals ze in Oceanië worden vereerd, zijn niet op zich zonder meer goden, wat de westerling al heel gauw denkt. Neen, het zijn manifestaties van een goddelijke macht. De offers die je daaraan brengt, zijn niet de offers die je brengt aan die macht, maar aan de kracht, het onbekende dat erachter schuilt.

Ga je kijken bij de Eskimo’s, tegenwoordig voor een groot gedeelte half verchristelijkt en half verwestelijkt en daardoor eigenlijk losgeraakt van hun oude verbondenheid met de natuur. Maar als je gelooft dat de natuur bezield is, is het dan zo vreemd dat je danst om de regen te roepen of dat je elders danst om de zalm te roepen? Het is eenvoudig het erkennen van de samenhang die in alle dingen bestaat.

De God die in India leeft, de God die in China leeft, de God die ook bestaat in alle andere delen van de wereld is vertegenwoordigd in alles wat kenbaar wordt. Het is een beetje moeilijk om je dat allemaal te binnen te brengen. Je bent geneigd om denkwijzen te zien.

Heel veel mensen worden getroffen door de oosterse filosofie of door de serene eenvoud van het oude Indiase geloof dat ondanks alles zo hier en daar nog voortbestaat. Waarom eigenlijk? Is het niet zo dat alle dingen die bestaan deel moeten uitmaken van de schepping en dus van de Schepper? Is het niet zo dat de Schepper zich in alle dingen manifesteert en niet slechts in de mens? Is het niet duidelijk dat alles zinvol moet zijn en dat daarom een leven nooit beperkt kan worden tot een kort bestaan van onbewust ontstaan tot uitblussing zonder meer?

Het voortbestaan is eveneens iets waaraan men gelooft. Soms in hergeboortevorm, soms in het betreden van geestelijke werelden, soms zelfs het onder bescherming komen van bepaalde hemelse of helse machten. Ook die dingen zijn oud. Zelfs in de tijd dat Abraham wegtrok uit Ur geloofde men reeds in een dergelijke onbekend God, in een voortbestaan en in een vreemde zinvolheid van alle dingen die in een perfecte harmonie moeten samenwerken omdat daaruit alleen de werkelijkheid kan voortkomen.

Misschien hebben velen onder u zich nooit afgevraagd waarom de begrafenisriten dan zo sterk verschillen. In het christendom is dat het begraven in de grond. “Uit stof zijt gij ontstaan, tot stof zult gij wederkeren.” Het is begrijpelijk, het is de christelijke visie waar een heropstanding bij is. Dan moet het lichaam in de aarde rusten, opdat het weer kan opstaan. Maar er zijn anderen die juist zeggen: Het lichaam dat ik heb, blijft mij vasthouden aan mijn oude lot. Dat is een herinnering, die zolang het bestaat mij voortdurend blijft vervolgen in mijn geestelijke wereld. Daar moet ik zo gauw mogelijk van af zien te komen.

Dan krijg je die kasten die hun doden neerleggen op roosters, opdat de roofvogels zich daarmee zullen voeden. Dan krijgen we te maken met Tibetaanse begrafenisgebruiken waarbij de dode wordt weggedragen naar een bepaald veld. Er zijn plaatsen die men daarvoor bij voorkeur gebruikt. Het lichaam wordt daar in stukken gereten en dan aan de aasvogels overgelaten. In India worden ze verbrand.

In de Indiaanse gebruiken echter zien wij dat de begrafenis over het algemeen juist plaatsvindt boven de grond. Hier wordt de dode in huiden gewikkeld en in een hangmat boven de grond opgehangen, bij voorkeur op een punt met een mooi uitzicht en veel wind, opdat zijn ziel met de wind naar de jachtvelden kan gaan. Alle volkeren doen het op een andere manier maar hun geloof is eigenlijk in origine hetzelfde.

Kan er dan een voorkeur zijn voor een geloof? Ik weet het, er zijn mensen die zeggen: Je mag over God niet praten. Als je praat over God in Frankrijk, God in Azië, dan is dat helemaal verkeerd. Ik kan mij dat voorstellen, omdat deze mensen één ding vergeten, dat God universeel is, maar dat Hij Zich overal manifesteert op de wijze waarop de mensen die manifestatie verwachten. Want er is wel degelijk een relatie tussen God, het wonder en het menselijke beleven van God.

Als er mirakels gebeuren in bv. de tempels van Egypte (wat gebeurd is), dan is dat niet altijd een echt wonder. Het is iets dat de mens verwacht, het onbegrijpelijke. Het is een manifestatie van God. Als mensen werkelijk geloven, al is het maar voor een ogenblik, maar intens en volledig in een God die kan helpen, dan gebeuren er dingen die onverklaarbaar zijn zelfs voor de moderne wetenschap. Dat kunt u nog in Lourdes en Fatima constateren. Als er wonderen gebeuren, dan komt dat omdat de mensen geloven; (En als ik even mag afwijken). Dan zou de oorzaak daarvan wel eens het volgende kunnen zijn;

De werkelijkheid die wij denken te zien, is niet de werkelijkheid waarin wij leven. Omdat wij geloven door een intense overtuiging, die tegen alle zintuiglijke getuigenissen zelfs ingaat, maken wij delen van de werkelijkheid kenbaar, welke voor die tijd voor ons niet kenbaar waren. Dat noemen wij dan een wonder. Het is de diepte, de intensiteit van het geloven, van het één-zijn met het onbekende die bepalend is.

Het wonderlijke daarbij is verder dat het niet wordt bepaald door allerlei riten. In een heel plechtige zaligverklaring, zoals kortgeleden in Rome plaatsvond, is met alle pronk, praal en statie vaak minder geloof aanwezig dan in de een of andere kleine bijeenkomst van nog zo bekrompen kleine gelovigen die met hart en ziel opgaan in hun God en in hun denken en juist daardoor voor zich een werkelijkheid scheppen die anders is dan die van anderen.

Het is gemakkelijk genoeg te zeggen; God is een mythos. Dat is Hij ook. Natuurlijk is Hij een mythos. Hij is niet het bewijsbare, het aantoonbare. Hij is. Het is gemakkelijk genoeg om die God een bepaalde kwaliteit toe te kennen. Uit te roepen: God is liefde, God is rechtvaardigheid, God is toornig en wraakzuchtig! Dan spreek je alleen uit jezelf. God is al die dingen en gelijktijdig geen van die dingen in de zin waarin wij het zien. Hij is datgene wat wij van Hem maken.

Het bestaan van God, onaantoonbaar als het is, is een in ons levende zekerheid. Dat is heel vreemd. Als wij teruggaan tot de oertijd, dan vinden wij daar mensen die vanuit het moderne standpunt eigenlijk heel weinig wisten. Maar die mensen geloofden wel in een God. Waar je ook gaat in de wereld altijd geloven de mensen in God. Zelfs de mensen, die zeggen dat zij niet in God geloven, geloven dan in iets anders, al is het maar in de geest van Lenin die in een volk rondwaart. De noodzaak tot geloven, is ons allen ingeschapen. Dit lijkt mij het beste bewijs dat er iets is, maar het kan nooit datgene zijn wat wij mensen daarin zien.

De God van Azië, de God van Europa, God zoals Hij in Frankrijk lange tijd heeft bestaan in vele vormen, zoals Hij werd vereerd in heel andere zin in het tsaristische Rusland is niet de echte God. Dit zijn allemaal de weerkaatsingen van God. Daarom is het niet belangrijk hoe wij God definiëren. Het is belangrijk dat wij op de een of andere manier ons één gevoelen met het Onbekende.

Het klinkt heel vreemd als wij horen dat de één of andere fakir zijn ledematen jarenlang in dezelfde houding houdt, totdat ze helemaal verkromd en verdroogd zijn, alsof het houten stokken waren in plaats van ledematen van een menselijk lichaam. Het lijkt krankzinnig dat mensen zichzelf kwellen of zichzelf met haken en pijlen doorsteken zoals weer anderen doen. Of dat zij over vuur proberen te lopen, of een gevecht met slangen aangaan in weer andere streken van de wereld. Het lijkt gek, maar is het dat wel?

Wat die mensen doen, ís gewoon zichzelf het beeld van God zo dichtbij brengen dat ze daardoor eigenlijk in een eigen wereld kunnen leven. In een wereld waarin vuur niet kan branden, waarin je zeer pijnlijke dingen met je lichaam kunt doen zonder dat je ze voelt. Een wereld waarin je op vrieskoude in de omgeving kunt reageren door daar ongekleed te gaan zitten en dan nog met de warmte van je lichaam natte dekens te drogen. Schijnbaar onzin. Maar is het niet het terugkeren naar de eenheid met het onbekende?

Wanneer wij in de volgende lessen verder gaan, dan hebben we natuurlijk nog steeds te maken met God in al Zijn verschillende gedaanten, in de verschillende streken van de wereld. Maar dat zijn de uiterlijkheden. Waar wij werkelijk naartoe willen met deze cursus, met deze lezingen dat is juist de Onbekende die in ons woont. Als ik daar van mijzelf nog iets aan mag toevoegen,

Ik geloof niet in mensen, die luidruchtig bezig zijn voortdurend hun God te eren en te verkondigen. Wat zij doen is in feite God maken tot een portret van zichzelf zodat zij zich kunnen aanbidden in een schijn van vroomheid. Ik geloof in mensen die God als een vanzelfsprekendheid ervaren, die met God misschien wel eens innerlijk praten, maar die het niet eens meer bidden durven noemen. Zij beleven God als een kracht, die door hen heen stroomt. Niet omdat zij die kracht speciaal God of iets anders noemen, maar eenvoudig omdat Hij er is en door hen werkt. God die wonderen kan doen. Niet omdat God er is om wonderen te doen die tegen alle wetten in gaan, maar omdat wij leven als een deel van vele wetten die ons niet bekend zijn en die ook door ons op een gegeven ogenblik tot uiting kunnen komen.

De werkelijkheid van God is iets waarin we niet kunnen doordringen. Ik heb nog geen enkele geest ontmoet die mij heeft kunnen zeggen: Dat is God en dat is niet God.

Ik heb verscheidene hoge leraren leren kennen in de loop der tijd, maar ik weet wel één ding: Als iemand God eenmaal heeft aanvaard op een bepaalde manier, dan heeft hij zichzelf daardoor gemaakt tot een exponent van God. Hij is a.h.w. het werktuig geworden van de functie die hij innerlijk heeft erkend en dan doen al die andere dingen weinig of niets ter zake.

Je kunt natuurlijk erover zitten zeuren of God dit of dat wel of niet heeft gewild. Zoals sommige mensen in deze tijd bezig zijn over de vraag, of anticonceptiemiddelen aanvaardbaar zijn of aborteren aanvaardbaar is en onder welke omstandigheden. Ik vind hen heerlijke knoeiers. Opvallend is trouwens, dat heel veel van die mensen beantwoorden aan Wim Kan’s opmerking, dat het juist degenen zijn die de sport niet beoefenen die zich tot arbiters daarvan willen opwerpen.

Waarom zeggen dat God dit of dat wil? Alles is deel van God. Het is hoe wij het beleven waardoor het wordt tot iets dat goed of dat demonisch is. Wij met al onze beperkingen, met al onze conditioneringen wanneer wij op aarde zijn, met onze toch betrekkelijk eenzijdige vorming wanneer wij in de geest komen, wij zijn het die voor onszelf een God maken die voor ons kan werken. Maar het is altijd slechts een facet. Het is één van de vele goden of godinnen die in India aanbeden worden in even zovele kleine tempels.

Onze God is niet zo universeel als wij denken. Onze God is het sprookje waaraan wij ons hart hebben verpand, maar dat wij gelijktijdig daardoor voor ons een toenemende mate van realiteit weten te verschaffen.

Als je probeert te zien hoe men God beleeft, dan kom je de meest krankzinnige dingen tegen. Wat zouden wij mogen zeggen van magiërs die samenkomen en uit een gifbeker drinken, omdat alleen in staat te zijn om dat gif te verwerken zonder schade, het bewijs is dat je over magische machten beschikt. Dat is onzin, nietwaar. Maar aan de andere kant, is het niet zo dat wij onszelf voortdurend moeten bewijzen dat wij deel zijn van iets hogers, van iets anders? Wat wij doen, is niet de wil van God vervullen. Dat is maar een chimaera, een nachtmerrie die we zelf oproepen. Wat wij doen, is voor onszelf een weg vinden, de middelen vinden waardoor wij ons één kunnen gevoelen met die kracht, waardoor wij met die kracht verbonden zijn.

Zo scheppen wij ook werkelijkheden in de stoffelijke vorm en daarna, die helemaal niets te maken hebben met het wezen van de werkelijkheid of het wezen van God, maar die alles te maken hebben met hetgeen er in ons berust, met hetgeen wij aanvaarden, eren, vrezen of verwerpen.

Wij zijn het die de tegenstelling in de eenheid scheppen. Maar het is de eenheid die ondanks alles in alle tegenstellingen ons blijft beroeren, ons blijft wekken tot een aanvaarden van het Onbekende. En ons er soms toe brengt om vele schijnbaar onmogelijke zaken waar te maken alleen omdat dit voor ons het bewijs is van een eenheid die wij verlangen en bij anderen maar al te vaak willen verwerven.

  • Kunt u ons iets vertellen over de Bhagavad Gita waarin God wordt voorgesteld als een persoonlijkheid Gods?

Dat zou mij te ver voeren. Heel kort gezegd is het dit, In de Bhagavad Gita komt in de verschillende geschriften (het zijn een groot aantal boeken) gestalten van God naar voren die uitdrukking geven aan de hoogste waarden die er in een bepaald maatschappelijk verband be­staan. Dan zien we alles wat die waarden zou willen ontkennen als een soort demon daarnaast optreden. Dat is één van de overleveringen in deze oude geschriften, die we kunnen gebruiken om beter te begrijpen waar wij aan toe zijn. Maar ook deze goden en demonen zijn, als je goed leest, niets anders dan datgene wat wordt gedekt door het probleem dat ook in de hel­den bestaat.

Zelfkastijding

U kent allen de verhalen over de fakirs die zichzelf martelen en van de mensen die op de een of andere manier zich trainen om toch onbewogen te blijven wat er ook gebeurt. Maar als wij het op de keper beschouwen, dan komt het allemaal erop neer dat de mens gewoon een beheersing voor zichzelf vindt waardoor de geest sterker is dan de stof.

Een van de meer bekende verhalen is het verhaal van Savonarola. Deze was een ijveraar die een hele stad wilde reinigen van alle misbruiken die strijdig waren met de ware godsdienst. Hij had ook een medium (een idioot, zei men) die hem allerlei opdrachten en boodschappen doorgaf. Savonarola deed dat allemaal. Zo kwam het dus tot een openbaar gericht waarin Savonarola maar eens moest bewijzen dat hij inderdaad zo door God gezonden was en beschermd werd zoals hij beweerde.

De vuurproef waaraan hij zich moest onderwerpen was het lopen over een bed gloeiende kolen van ongeveer 40 meter lengte. Dat was een aardige wandeling. De vrome monnik voelde er eigenlijk niet veel voor, maar hij kon zich niet eraan onttrekken. Waarop een van zijn leerlingen, die ernstig geloof in de juistheid van Savonarola’s leringen, zei. Ik zal u voorgaan, vader.

Hij liep die 40 meter. Zijn pij smeulde een beetje en stonk wel een beetje, maar zijn voeten waren onverbrand. Waar de lucht vandaan kwam, dat kon je bij een monnik toch altijd moeilijk zeggen in die dagen.

De idioot kwam daarna. Hij wilde ook meedoen. Hij huppelde werkelijk als een spelend kind over dat vurige bed zonder enige verwonding. Toen kwam Savonarola. Met van pijn vertrokken gezicht zag hij kans om twee meter af te leggen, daarna viel hij en moest hij worden opgeholpen. Zijn voeten waren verbrand. Dit was het einde van zijn regime.

U zult zeggen: Waarom vertel je dat verhaal juist nu? Het is een Europees verhaal. Het is in de historie vastgelegd. Bovendien bewijst het iets dat het niet de juistheid is van een bepaalde stelling waardoor je hiertoe in staat bent, maar dat het gewoon neerkomt op de manier hoe je eraan denkt. Het geloof dat je bezit.

Als we nu terugdenken aan de bijbel, dan zegt Jezus daar ook: Uw geloof heeft u behouden. Dat wat je denkt, wat je diep in jezelf als zekerheid aanneemt, dat is hetgeen waardoor je macht hebt over je lichaam en waardoor dat lichaam inderdaad volkomen kan worden vrijgemaakt van allerlei invloeden van de natuur.

Er bestaat een soortgelijke legende over een wijze man op Java. Deze man zat te mediteren, terwijl het dorp door rampokkers werd aangevallen Zij staken alle gebouwen in brand. Het was een geweldig vuur. Iedereen vreesde daarin om te komen. De wijze man rnediteerde en liet zich niet storen. Rond hem was alles verbrand, maar de mat waarop hij zat en zijn kleding waren zelfs niet verschroeid. Ook hijzelf, toonde geen enkel teken dat hij door het vuur of door de hitte was aangetast.

Alweer een typisch verhaal, maar tevens iets dat zegt: Als je in jezelf bezig bent in de grote werkelijkheid, dan kan de werkelijkheid van de mensen om je heen je niet meer deren. Het is de manier waarop je je aan de dingen onderwerpt, de manier waarop je je ondanks alles laat beïnvloeden door de suggestie om je heen waardoor je kwetsbaar bent. Dat maakt duidelijk waarom er zoveel verhalen zijn waarbij ongelooflijke zelfkwellingen in godsdiensten voorkomen.

Wanneer een indiaanse jongere messteken krijgt waarna spieren met leren koorden worden vastgemaakt aan een boom en hij moet dansen totdat het touw breekt of de spieren scheuren, dan klinkt dat als iets dat onvoorstelbaar is. Hoe kan een mens dat uithouden. Maar vergeet één ding niet de jongeman bewees daarmee wie hij was. Met andere woorden;

Hij geloofde in zichzelf, dan danste hij zich in een toestand waarin de pijn van het lichaam voor hem niets meer betekende. En wat niet zo algemeen bekend is, maar dat toch onder de indianen nog steeds een overlevering is, hoe groter held iemand was hoe sneller zijn wonden daarna genazen. Ook weer eigenaardig. Een wond geneest dus sneller naarmate men er minder aandacht aan schenkt en aanneemt dat het lichaam vanzelf wel goed zal functioneren.

Dat brengt ons natuurlijk niet dichter bij God, maar het maakt ons wel duidelijk dat wij zelf heer zijn over heel veel dingen op het ogenblik dat wij een innerlijke zekerheid hebben waardoor wij alle normale verwachtingen tijdelijk afwijzen.

Er is een periode geweest (ik meen dat het in de Tolteekse beschaving was) dat mensen een jaar lang als een vorst leefden, als een levende godheid om daarna geofferd te worden. Het verhaal ging dan dat degene die de god droeg zonder dat hij ook maar iets scheen te voelen of zonder dat er verder iets gebeurde, dat offer doorstond. Hij kende geen angst en geen pijn. Ik kan mij dat wel voorstellen. Zo iemand dacht dat hij naar een soort eeuwige zaligheid ging. Dan let je er niet op wat er verder gebeurt. Dat was in die beschaving een normaal deel van de eredienst. En als je een god uitbeeldde, dan was je een god. Een god kan niet geschaad worden. Een god kan geen pijn voelen, dus voelde je die niet.

Als we kijken naar wat er in Afrika is gebeurd (de opstand van de Madi), dan zitten we ook weer met een gelijk probleem. Er waren daar een aantal derwisjen die met een wanhopige moed de strijd in gingen en bleven doorvechten totdat ze werkelijk niet meer konden alsof ze robots waren. Ze schenen geen pijn te voelen. Maar wat was de achtergrond?

Deze mensen waren ervan overtuigd dat zij door op die manier te sterven in een eeuwige zaligheid zouden komen. Zij zagen helemaal geen vijand. Die vijand was alleen maar bezig hen toegang tot de hoeri’s te verschaffen. Alweer iets waarvan je zegt: Die zelfkwelling, want dat was het toch eigenlijk, was zinvol omdat ze beantwoordde aan iets dat aan een verwachting, aan een werkelijkheidsbeleving in die mensen bestond.

Dan kun je zeggen: Als wij nu zien dat er zoveel dingen zijn die schadelijk zijn voor de mens, dan is het leven toch wel moeilijk. Natuurlijk is het dat. Maar draai nu de zaak eens om. Hoe meer je gelooft dat er dingen zijn die slecht zijn, die je kunnen schaden, des te kwetsbaarder je wordt. Dat is iets dat men over het hoofd ziet.

Een wijsgeer heeft lang geleden eens gezegd “Een mens kan eeuwig leven, indien hij dit verlangt, als hij gelooft dat de dood voor hem niet bestaat.” Daar had hij volkomen gelijk in. Niet dat ik nu denk: O jongens, als ik terugkom op aarde, ga ik eeuwig leven. Als ik kijk naar alles wat er op het ogenblik op de wereld is, dan vind ik eerlijk gezegd die moeite niet bepaald waard.

Het is dus mogelijk om je lichaam a.h.w. op te leggen zich sneller te herstellen, zich beter te vernieuwen, zich te bevrijden van allerlei ergernissen. Waarom zou ik dat niet? De geest is sterker dan het lichaam. De gedachte is sterker dan de materie, dan de zgn. vastliggende feiten. Dit brengt ons op een zeer interessant punt.

Op het ogenblik dat u het stoffelijke als een onvermijdelijke werkelijkheid aanvaardt, bent u onderworpen aan al datgene wat er in dat stoffelijke reëel of als suggestie bestaat. Maar als u in u een waarheid heeft die voor u van meer betekenis is dan alles wat er in de omgeving aan zgn. feiten naar voren komt, dan staat het precies omgekeerd. Dan bent u de baas. En dan is het helemaal niet gek meer dat er slangenbezweerders zijn die zich rustig door een cobra en zonder dat eerst het gif is verwijderd, laten bijten zonder dat zij er enige schade van ondervinden. Die mensen zijn er. Zij hebben het gevoel; ik ben één met de cobra. Dit gif kan mij niet schaden, dus schaadt het hen niet.

Andere bekende feiten; Er zijn Bosjesmannen die op een gegeven ogenblik tekort hebben aan voedsel en aan water. Niet alleen dat zij dat voedsel en het water vinden, ook al bevindt zich dat op dagen afstand ver, maar bovendien kunnen zij bijna onbeperkt blijven voortgaan in een sukkeldrafje waarmee ze toch gemiddeld 7 à 8 km per uur afleggen en dat meestal in junglegebied. Dat is heel wat. Waarom? Wel, heel eenvoudig. Deze mensen geloven dat er een geest is die hun dat zegt, een voorouder misschien. Dat is de enige waarheid. Daarom worden ze onaantastbaar voor heel veel dingen, die een gewoon mens zouden vellen.

Ook in het Amazonegebied vinden we indianenstammen, die al leven ze misschien gemiddeld niet zo lang, lichamelijk toch wel fantastische prestaties plegen te leveren en bovendien dingen doen die onvoorstelbaar zijn. Er is één stam die bekend is, omdat de mannen daarvan in staat zijn om door een leger trekkende grote vechtmieren heen te gaan. En dat terwijl al het levende door die mieren wordt verslonden. Hun geheim is een stamgod. Zij geloven dat ze onkwetsbaar zijn. Die mieren zijn voor hen niets. Ze zijn als een rots. Die mieren behandelen hen ook als een rots ze kruipen erover heen maar ze bijten niet.

Zo zijn er ook indianen die baden en zwemmen in rivieren waar het stikt van de piranha’s. Nu zijn piranha’s vraatzuchtige vissen al zijn ze niet zo moorddadig, als dat wel in de Europese literatuur wordt voorgesteld. Maar alweer, die indianen geloven niet dat zij door die vissen kunnen worden opgegeten. Voor hen is dat eenvoudig zo, zij zijn gevrijwaard. En het wonderlijke is dat ze gevrijwaard zijn.

In de bovenloop van de Nijl in de buurt van het Victoriameer wonen een aantal Berberstammen die rustig zwemmen in een rivier waar het stikt van de krokodillen. Want, zeggen zij, wij zijn met de krokodil verwant. Hij zal ons niet aanvallen. Zij geloven dat en ze worden niet aangevallen. Dat zijn dingen waar je toch even bij stil moet staan. Je moet er echter wel in geloven. Wat is er eigenlijk aan de hand?

Kijk, alle zelfkwellingen die mensen zich opleggen en die hen niet schaden, maar ook al deze schijnbaar onverantwoordelijke omgang met grote gevaren, schijnt te berusten op een innerlijke houding. En nu wordt interessant. Dan kun je jezelf gaan afvragen: Is mijn innerlijke houding misschien verkeerd en is daardoor het leven voor mij zus of zo? Eén ding moet ik erbij zeggen. Je moet geen halfzacht geloof hebben.

Er zijn mensen die zeggen; Ik geloof dat als ik de wereld liefde geef, de wereld mij ook liefde zal geven. Ja, ja, dan krijg je de eigenliefde van de ander terug en dat bevalt je dan meestal niet.

Een innerlijk weten is hard, keihard. Zoals een geloof dat je in je draagt geen kwestie is van; Ik weet hoe het is voor de hele wereld. Maar zo is het voor mij en anders kan het niet zijn. Dat is dan die innerlijke kracht waarover een mens beschikt.

Natuurlijk, iedereen vindt het reuzeleuk, als er iets buitenissigs gebeurt. Iemand zweeft voor een altaar, terwijl hij in diepe mystieke meditatie is verzonken. En dan is het God die hem laat optillen door een engel die zich een hernia staat te tillen. Onzin. Als ik mij niet meer één voel met deze wereld, ben ik niet meer onderworpen aan de wetten van deze wereld. En als de band met de wereld voor mij alleen nog maar een taak is, dan ben ik los van de aarde onberoerd door de elementen en gelijktijdig zal ik er niet van wegzweven. Dat zijn dingen waarover de mensen niet nadenken.

Als je bezig bent, zoals in deze cursus, over God, dan kun je over God zoveel praten. Als je alles wat je over God hebt gezegd nu gaat vastleggen, dan heb je een bibliotheek waarmee je heel Den Haag kunt volstoppen. Je kunt zelfs alle verslagen van de Kamer opzij gooien en de verhalen over God daarvoor in de plaats zetten.

Wij weten daar allemaal niets van. Wij kunnen het niet reëel uitdrukken. Wij kunnen niet zeggen: Ik bijt een levende pofadder (één van de meest gevaarlijke dieren in de woestijn) de kop af. Dat gebeurt bij bepaalde sekten. Mij kan niets gebeuren. Dat ga je niet beredeneren. Voor de man die dat doet, is het een roes, een onwerkelijkheid waarbij alles, inclusief het toch tamelijk onsmakelijke afbijten van de kop, een automatisme is geworden.

Als mijn innerlijke wereld sterk genoeg is, dan zal de uiterlijke wereld zich daaraan aanpassen. Maar ik mag dan ook niet voor een procent twijfelen. Dat is de grote moeilijkheid. Lang voordat de twijfel was uitgevonden, was de mens al een twijfelaar. Hij is altijd bezig te zeggen: Ik geloof het, maar zou het wel waar zijn. Dat is het letale element. Daardoor verliest het geloof zijn betekenis, zijn waarde.

U moet niet zeggen: Ik ken God of ik ken God niet. U moet veel beleven. U moet niet zeggen: Ik ken de wetten der natuur. U zegt tegen uzelf: Dit is voor mij de wet die nu regeert. Dat is heel wat anders.

Het feit dat zelfkwelling hierbij zo’n grote rol speelt, heeft waarschijnlijk ook nog te maken met een zekere exhibitionistische neiging van de mens. Het is natuurlijk erg spectaculair als je jezelf tot bloedens toe loopt te geselen in het openbaar. Dan kun je meteen laten zien wat voor mooie spieren je hebt. Tegenwoordig worden ze Mister Universe, vroeger werden ze zelfgeselaar (Flagellant) genoemd. Dat neemt niet weg dat deze elementen op zichzelf kennelijk onderworpen zijn aan een innerlijke zekerheid.

Ik noemde de Flagellanten. Nu wil ik u wat vragen: Denkt u, dat u als u zich werkelijk tot bloedens toe loopt te geselen, in staat bent op één dag 60 km te lopen.” Een groep Flagellanten die van Trier vertrok, heeft in 3 dagen een afstand afgelegd van in moderne termen gesproken ongeveer 147 km. Ze waren van’s morgens tot’s avonds onderweg zonder voedsel of drank tot zich te nemen en geselden zichzelf voortdurend, terwijl ze vrome liederen zongen. Pas wanneer de zon was ondergegaan, maakten ze een leger en aten en dronken zij. Het waren toch heel gewone Duitse mensen. Maar dat konden ze kennelijk. Ik denk dat je zelfs bij de Amerikaanse marine, waar veel harde kerels zitten, niet veel zult aantreffen die een dergelijke prestatie kunnen herhalen.

Die Flagellanten geloofden. Dat geloof maakte datgene wat ze deden voor hen vanzelfsprekend. Ik denk dat de vanzelfsprekendheid waarmee je dingen doet, bepalend is voor je resultaten. Die vanzelfsprekendheid voert niet tot een beredenering, maar ze gaat gewoon uit van een innerlijk gevoel, dit is zo, dit is aanvaardbaar, dit is juist, dit is mogelijk. En dan vraag je niet hoe of waarom, maar je bent het, je doet het.

Al deze mensen over de gehele wereld tot vandaag de dag toe die zichzelf kwellen, zichzelf verminken en die daar kennelijk toch geen schade van ondervinden, die zichzelf op de proef stellen met water en vuur, die zich levend laten begraven en al die dingen meer, zij beschikken, als hun prestatie echt is (dat moet erbij worden gezegd), over een innerlijke zekerheid.

Het is voor hen vanzelfsprekend dat je 30 dagen begraven kunt zijn en dan weer gewoon naar boven kunt komen zonder dat je iets mankeert. Voor hen is het heel gewoon dat je door vuur loopt, want het is zinvol, je weet dat je het kunt. Je bewijst daardoor a.h.w. de juistheid van wat er in je leeft.

Ik denk dat dat een essentie is waar de moderne wereld te veel aan voorbijgaat. Het gaat er niet om wat de wereld doet en hoe de wereld de dingen bekijkt. Het gaat erom hoe je zelf, diep in jezelf, de dingen ziet, aanvaardt, erin gelooft. Het is dat geloof dat je verder brengt en anders niets.