God in de mens

image_pdf

16 september 1958

De weg der esoterie is de weg naar het innerlijk. In de mens zelf leven vele krachten, vele mogelijkheden, die hij zelf niet beseft. Verborgen achter de uiterlijke grenzen van het bewustzijn, verborgen en verdoken zelfs in onderbewuste en bovenbewuste impulsen ligt onze eigenlijke wereld. Deze eigenlijke wereld geeft ons een totaal nieuw standpunt t.o.v. al het zijnde. Het biedt ons contacten met vele werelden en sferen en maakt het ons mogelijk ons op de duur los te maken van alle beperkingen, die op aarde bestaan.

De esotericus is niet in de eerste plaats een mens van de logica. Een logisch beredeneren van al hetgeen behoort bij de esoterie zou kunnen leiden tot vele strijdigheden. Tenslotte is een groot gedeelte van hetgeen wij zullen doceren opgebouwd op supposities. Het zijn thesen, meer niet. Thesen, die in onze wereld werkelijkheden zijn, maar die in de uwe nog niet erkend kunnen worden of behoren tot het geheimzinnige gebied, dat men nog occult noemt.

Begrijpelijkerwijze willen wij niet alleen trachten om u de gegevens zo maar even voor te schotelen, wij willen trachten ze u te doen beleven. En daarbij moet er vaak gebruik worden gemaakt: van gelijkenissen. Men kan niet spreken over de krachten van de geest zonder onjuist te zijn. Wel kan men door een vergelijkend beeld aanduiden, wat er ongeveer gebeurt, hoe de toestanden zich ongeveer zullen verhouden. Kunnen we dat doen, dan bereiken wij hiermede uw gevoelsleven en uw gevoelswereld. Het gevoelsleven is voor het grootste deel verknoopt met het direct geestelijk bestaan. Gevoelsbeleven betekent een uitbreiding van bewustzijn. Elke uitbreiding van bewustzijn vergroot stoffelijk en geestelijk de mogelijkheid van harmonisch bestaan.

Men heeft wel eens gezegd? wat is het doel van de esoterie? Ik geloof dat de esoterie uiteindelijk geen enkel ander doel kan kennen dan het “ik” te ontdekken. Het is de reis door de wonderen van eigen wereld en eigen wezen, waarbij men uiteindelijk verbluft en verbaasd zegt: “Ziet, dit ben ik!” Al hetgeen wij zullen zeggen staat hiermede in verband. Wij hopen, dat uzelf dit verband zult leggen, wanneer wij dat niet nadrukkelijk elke keer doen. Het is noodzakelijk, dat u – indien u esoterisch wilt streven – komt tot het innerlijk beleven van de krachten, die in u verscholen zijn.

Met deze korte inleiding hoop ik dan duidelijk gemaakt te hebben, waar het ons op deze avonden vooral op aan komt. Onderwerpen zult u vinden in vele verschillende tendensen, vele verschillende zegswijzen. U zult sprekers ontmoeten, die u misschien nog nooit tevoren hebt gezien en misschien ook niet meer (althans in dit leven niet meer) zult ontmoeten…… of hoogstens een enkele keer. Alles is er op ingesteld de esoterie, de kennis van het ik, te bevorderen. Uw medewerking moet bestaan in een in de eerste plaats ondergaan van het gesprokene, en pas naderhand een ontleden daarvan. Ontleding, terwijl er gesproken wordt, zou u kunnen beletten om de totale sfeer te ondergaan.

En dan beginnen we nu met een eerste onderwerp. Je zou het eigenlijk een titel moeten geven. Wat kunnen we dan beter zeggen dan: God in de mens.

In de kern van het menselijk wezen staat een tempel. Wanneer je er over droomt, doet ze je denken aan een oude Griekse tempel met Dorische zuilen. Open is ze. Van alle kanten zie je de schaduwen, van begoocheling, van wereld er doorheen schuilen. Maar in de tempel zelf brandt een vlam. Een vlam zonder kenbare bron of oorzaak. En het is of het licht van die vlam bepaalt, waar schaduw is en waar zon in de buitenwereld. Alle kracht van het leven gaat van die vlam uit.

Deze vlam is deel van het Eeuwig Vuur, het Eeuwig Licht, de Eeuwige Kracht. Zij behoort tot die vreemde tegenstellingen, die samengevat in één wezen “God” genoemd worden. Want in de mens leeft God. God, niet alleen als een schim of een schaduw, niet als een onwetende kracht, maar als een volledig bewustzijn. Een wezen dat beheerst, dat kan vernietigen en opbouwen.

Voor ons is het moeilijk ons dit te realiseren. Wij spreken van onze eigen persoonlijkheid. Wij kloppen ons op de borst en zeggen: “Hier sta ik, dit ben ik, dit zijn mijn fouten, dit zijn mijn deugden.” Maar is dat werkelijk waar? Bent u werkelijk wat u denkt te zijn? Of bent u eerder een deel van een goddelijk werk? U kunt niet passen in het totaal van de schepping, volledig harmonisch met alle dingen, onberoerd door strijdigheden met goddelijke wetten en goddelijke kracht, wanneer u niet eerst de harmonie met uzelf vindt. Wanneer u dit ik met zijn tegenstellingen leert prijsgeven om daarvoor in de plaats te aanvaarden het. grotere ik, het ego, waarin de goddelijke kracht medewerkt en waarin wij – de goddelijke kracht bereikende – alle krachten bezitten, die noodzakelijk zijn.

Een schimmenspel speelt zich voor af. Want wij wenden altijd de rug naar de vlam. Wij zien niet in het licht zelf. Het zou ons verblinden. Wij durven het niet aanschouwen. Ja, wij durven de aanwezigheid ervan niet eens aanvaarden. Maar in het leven komen er vele onbegrepen dingen voor. Altijd weer roepen we tegen de wand van de ons omringende wereld, tegen de wand van de ons omringende maatschappij, de waan, de sfeer: “Waarom ik? Waarom is dit mij gebeurd? Waarom ben ik zo?” En wij begrijpen het niet. Is. wat wij zien werkelijkheid? Of zijn het de schimmige krachten van een goddelijk werk, die – door de vlam der ziel geprojecteerd op het bewustzijn – ons doen aanvoelen, wat wij niet durven aanschouwen, niet durven doorgronden? Geloof mij, tussen de goddelijke vlam en hetgeen wij onze persoonlijkheid noemen op aarde – en vaak ook in de geest – zijn vele andere krachten werkzaam.

In de eerste plaats is daar wat wij kunnen, noemen: de goddelijke wil. Wat wil God? Wil God iets van ons? Het zou dwaas zijn dat: aan te nemen. Verlangt een vorst iets van de armste van zijn onderdanen, of regeert hij, beveelt hij? God vraagt ons niets, God is. In Zijn wezen zijn de volmaaktheid en de voltooiing altijd aanwezig. Zijn volmaaktheid, Zijn voltooiing zijn ook in ons wezen, altijd weer.

Als God niets van ons wil, waarom bestaan wij dan? Misschien bestaan wij om vreugden en smarten te kennen. Om uit de tegenstellingen van alle werelden voor ons zelf steeds meer te begrijpen». hoe het goddelijk evenwicht, de balans van alle dingen, de enige werkelijkheid is.

Misschien bestaan wij om in ons hulpeloos zoeken uiteindelijk een begrip te verwerven van het geheel, zodat wij bewust en wetend ons aansluiten bij de kosmos, bewust en wetend onze plaats daar innemen. Niet meer zoekend en vragend alleen voor dit ik, maar begrijpend: wij zijn één met God in alle dingen.

Waarom is er dan lijden? Lijden bestaat, omdat een mens in zijn onwetendheid, in zijn onbegrip, steeds weer probeert iets te doen, wat volgens de goddelijke wet niet mag. Het is dan met je daden, of je kaatst tegen een stalen muur. Dat wat je werpt, keert tot je terug. De mens ondergaat de gevolgen van al zijn daden, die niet juist waren, die niet in het goddelijk geheel passen. Want die kunnen de rest van de schepping niet beroeren, ook al denkt men dat.

God is in ons en in ons is alles mogelijk door God. Maar wij kunnen naar buiten toe slechts datgene zijn, wat de goddelijke wil ons toelaat te zijn. Wij kunnen zelf voelen en denken, ervaren en handelen. Dat is ons recht. Daarom brandt die vlam in de tempel van ons wezen. Maar wij kunnen niet met deze handelingen en daden andere werelden bereiken of andere mensen, dan alleen wanneer dit past in het geheel van de schepping.

Wij ervaren en wij leven, omdat ons bewustzijn een groot deel is van het goddelijk Wezen. Wij kunnen niet nagaan hoe God ons ervaart. Maar wij weten hoe God in ons leeft. En vanuit dat standpunt gezien lijkt het soms, of vage flarden van een droom, die eens volmaaktheid heeft uitgebeeld, in ons wezen voortdrijven. Hier een flits en daar een vonk en daar een verlangen. Hier een begeren en daar een offervaardigheid. Al die flarden van droom tezamen gevat zijn het beeld van de volmaaktheid, waarin God ons schept.

Al onze handelingen beïnvloeden onszelf. Wij lijden slechts, omdat wij niet begrijpen wat wij zijn. Wij dromen misschien van ondergang, van dood en van angst om de doodeenvoudige reden, dat wij niet willen en niet kunnen begrijpen, hoe ons leven werkelijk is. Wij zijn niet zonder meer uit God voortgekomen. In ons brandt de goddelijke kracht van een eeuwig vuur. Een offervlam, waaruit het leven zichzelf steeds vernieuwt.

Maar rond de Vlam zijn gestalten uit die Vlam geboren. De machtigen, de tronen, de heerschappijen, de engelen en de bewusten, de ingewijden en de meesters. Wat zijn zij anders dan een weerkaatsing in ons leven van een bepaald aspect van God? En het zijn deze aspecten, die wij meer kunnen begrijpen dan de Vlam zelf. Wij, kinderen van het licht, zien naar de schaduwen. En in de schaduwen zoeken wij bewustzijn en leven. Verder niet. Schaduwen zien wij. Het licht gaat aan ons voorbij. En zo wordt ons leven, ons streven en denken, een spel van schimmige krachten. Krachten uit God geboren, voorwaar. Maar niet krachten, die voor ons wezen noodzakelijk zijn. Wij kunnen het stellen zonder al die engelen en die duivelen. Wij kunnen het helemaal doen zonder ingrijpen van bovenaf. Wij kunnen het helemaal doen zonder verlossing, als het nodig is, als wij ons bewust zijn van God in ons wezen.

Soms zijn die schimmen eigenlijk ideeën. Want soms wordt een idee geboren in een menselijke vorm. Dan noemt men dat Messias, of Grootmeester, Bodhisattva, Boeddha. Men noemt het de profeet, de ziener, de hogepriester? Ideeën. Meer niet. Schimmen van de Oneindigheid, openbaringen van een enkele vonk vuur, uitgedrukt in zijn werkelijk wezen. Het zijn deze schimmen, waaraan wij ons. vastklampen. Wij baseren ons op het Christendom. Wij baseren ons op Boeddha, op Mohammed. Wij baseren ons desnoods op de oude goden of op de Nornen met hun spel van noodlot. Wij zoeken misschien naar het verloren Nebelheim, of zouden nectar willen drinken op de Olympus. Maar al die dingen zijn schimmen en schaduwen.

Meer niet. Wij leven om ook deze schimmen en schaduwen langzaam te verdringen van hun plaats. Een groot man heeft eens gezegd: de zielen der schepping bouwen tezamen een kathedraal. Wanneer die kathedraal voltooid is, gebouwd uit menselijk streven, beleven en aanvaarden, dan zal daarin het jubelkoor klinken, wanneer de Godheid zetelt op het altaar. En hij had gelijk. Wat zijn wij anders dan de belichaming, de omgeving van God zelf geworden? Wij zijn het voertuig, waarin God Zich openbaart. God, Die in ons persoonlijk bestaat in Zijn volle kracht, in Zijn volle glorie.

Waarom, zo zegt men, heeft God dan de volmaaktheid niet geschapen? God heeft de volmaaktheid geschapen. Volmaakt is het heelal. Volmaakt is het spel van de sterren.

Volmaakt is de wisseling van leven en dood, die alle bewustzijn beheerst. Volmaakt is het bewustzijn zelf….in God. Maar zolang je meent tegenover deze dingen te mogen staan, meent dat het je recht, je plicht, je taak is misschien om met de uiterlijkheid van je beperkt denken een oordeel te vellen over God en over Zijn werken, dan, ja dan komt er ongeluk in het leven. Dan is er onvolmaaktheid, geboren uit het menselijk wezen zelf. Met zijn strijden, met zijn zoeken, niet naar de werkelijkheid, maar naar zichzelf.

Het zou goed zijn, wanneer wij onszelf werkelijk konden vinden. Maar wij zoeken verkeerd. Je ziet naar je lichaam in een spiegel. Je beschouwt jezelf en zegt:” Daar staan zoveel levensjaren. Dit is mijn ervaring, dat is mijn beroep. Dit zijn mijn eigenschappen. Dit is mijn bezit. Dat zijn mijn vrouw en mijn kinderen. Dat ben ik.” Maar is dat waar? Is dat nu werkelijk waar? Wat voor dromen liggen daarachter verborgen? Hoe zoudt u zelf graag willen zijn? Is er geen begeren om anders te zijn, anders te leven? Hoe kunt u dan zeggen, dat die uiterlijkheden uw eigen wezen zijn?

De uiterlijke vorm, waarin wij leven, is een deel van het geheel, waartoe wij behoren. Wij mogen ze niet verwerpen, maar wij moeten zoeken wat erachter schuilt. Wij moeten zoeken in die wereld van onze begeerten, van onze dromen en onze verlangens. We moeten trachten te putten uit dat, wat op de achtergrond van ons bestaan leeft. Een idee van de drijvende kracht voor de werkelijkheid van heden.

Wij moeten weten wat onze angsten zijn. Wanneer de vrees ons benauwt, wanneer de paniek onze gedachten doet verdwazen, ons hele wezen in oproer zou willen brengen, dan moeten wij de kracht hebben om te zeggen:” Wat is dit? Wat? Wat welt daar op uit het diepste van mijn wezen?”

Kun je dan beschouwen, dan splitst het wezen zich in delen, Dan is daar de uiterlijkheid van het voertuig en de innerlijke beschouwing. Misschien is de paniek nodig, misschien zul je ze niet altijd kunnen remmen, maar je zult jezelf beheersen, je zult meester zijn, je zult voorzien wat er kan gebeuren en je zult het kunnen aanvaarden.

Wanneer de vreugde komt, geniet dan niet alleen de vreugde, maar vraag je af: “Waarom ben ik gelukkig? Waarom?” En zoek dan achter die uiterlijke vreugde de reden. Is het de aanvaarding, de eenheid met anderen, die je hebt gevonden? Is het de vervulling van een droom? Waarom?

Als je dat dan weet, als je gevonden hebt wat er onbewust en onderbewust schuilt in je wezen, zoek dan eens verder. Vraag je af:” Vanwaar? Vanwaar komen die dromen, die impulsen? Welke werelden zijn er, die in mij idealen doen groeien, die niet eens in de wereld, die ik ken, kunnen bestaan? Vanwaar die eeuwige honger naar licht, naar vervulling, naar volmaaktheid?” Misschien dat je weer een schrede dichter bent bij de tempel, waarin de eeuwige vlam brandt.

Want als je zo vraagt, dan denk je aan de stemmen der leidende machten. Dan denk je aan eeuwige wetten. Dan voel je a.h.w. een sprekende stilte in jezelf. Je weet het nog niet, dat je naar God luistert. Je denkt, dat het de verborgen stem van je innerlijk ik is. En dat het spreekt, dit vreemde, met de woorden die je eigen zijn. Spreekt in ideeën, die je kent en je dromen brengt, die je vaag aan een ver verleden schijnen te herinneren.

Toch vind je dan al iets van de werkelijkheid. Achter stoffelijk ik, achter omgeving van sfeer, van wereld, staat een nieuw beeld. En je aarzelt om dat “ik” te noemen. Want het schijnt wel een voortdurend fluoresceren van kleuren te zijn, een zeepbel gespannen om een ledig niet, waarin alle kleuren van het licht breken en weerkaatsen, een beeld gevend van de wereld en bevattend het “niet”. Eerst wanneer je weet, dat het “niet” in je bestaat, zul je de moed vinden je om te wenden. Wanneer er geen enkele achtergrond meer is, niets waaraan je je kunt vastgrijpen, wanneer je alleen staat in je schepping, in je wereld, in je bestaan, schijnbaar doel- en zinloos soms, dan durf je je omwenden en in de werkelijkheid te zien.

Welke werkelijkheid? De werkelijkheid van een schepping, die leeft en ademt, een schepping, die ontwaakt en zich te ruste legt. De werkelijkheid van een saamhorigheid buiten elke voorstelling om. Een organisch geheel, waarin de tijd pulst als het bloed, dat door een lichaam gaat. Waarin de vormen, die ontstaan en vergaan, zijn als de cellen, altijd gelijk en altijd nieuw. Een lichaam, waarin alle organen een eigen taak hebben. Een lichaam, waarin alle dingen werkzaam zijn en waarin je zelf behoort.

Wanneer een vezel van een lichaam zich zou afvragen: “Waarom trek ik mij nu samen? Waarom zet ik nu uit?”. Wanneer het zich nu zou af vragen: “Waarom voed ik mij? of: Waarom voel ik mij onvoldoende gevoed?” zou die cel dan ook niet spreken over een ik-heid, zoals de mens en de geest dat doen? “Want ik krijg vandaag niet voldoende voeding, ik ben ongelukkig”. “Voor mij is er thans een overvloed, ik kan wat terzijde leggen.” En zo gaat het verder.

Maar op een gegeven ogenblik zal ik toch moeten beseffen: “Ik behoor bij een weefsel, bij een groep, bij iets speciaals en bijzonders.” Als wij kijken naar de kracht, die ons bezielt, dan ontdekken wij daar niet alleen maar God in óns. Dan ontdekken wij de kosmische God, die alle dingen beheerst. En wij zien gelijktijdig hoe Zijn leven in ons brandt als een kleine vonk. Dan kunnen wij voor onszelf zeggen:” Zonder Hem kunnen wij niet bestaan.

Hij is het, Die ons leven geeft, Die ons in stand houdt.” Ja, meer: “Hij is het, Die ons gebouwd heeft voor Zijn doel.” En eerst, wanneer wij aan Zijn doel beantwoorden, bewust en wetend, dan is er geen verandering meer.

Maar ja, wij zijn bang voor het licht. Bang…. totdat er niet meer is. Niets meer is dan het ledige, dat achter ons schijnt te liggen. De afgrond, waarin wij vrezen te vallen. En vanuit menselijk standpunt is het misschien een afgrond. Want God is tijdloos. Wie naar God schouwt, ziet de wereld stilstaan. Werkelijk stil. Dan liggen ze naast elkaar, alle tijden. Naast elkaar de farao’s en staatsmannen van deze dagen. Naast elkaar een slag van Monte Casino en de tocht van Hannibal over de Alpen. Naast elkaar liggen ze, de burgers uit de oertijd met hun stenen wapens, uittrekkend op de jacht, en de moderne mens in de fabrieken, één geworden.

Naast elkaar liggen ze, heidendom en godsdienst. Naast elkaar liggen ze, grootste wijsheid en grootste verdwazing. Want al. deze dingen zijn deel van God en daarom deel van onszelf. En omdat ze deel van onszelf zijn, eeuwig en tijdloos, zullen wij moeten zoeken naar het enige, wat ons rust geeft, het enige wat ons werkelijke vrede betekent en werkelijke vervulling: een begrip van de goddelijke kracht in ons, maar ook een begrip van de goddelijke kracht als geheel en de plaats, die wij daarin innemen. Eerst dan hebben wij ons leven voltooid.

o-o-o-o-o

De ontdekking van het eigen ik.

Wanneer men spreekt over het geheimzinnige – wat de eenheid met God in ons tot stand brengt – en de tijdloosheid, die daaruit voortvloeit, dan grijpt men ongetwijfeld ver boven hetgeen de burger kent, hetgeen de mens normalerwijze overweegt. Want het is nu eenmaal noodzakelijk, dat wij wat verdergaan dan dit en gelijktijdig wat dichter blijven bij onze eigen wereld. Mooi zijn de theorieën, die ons verheffen tot de heuvelen, die ons stellen vlak bij God, zodat wij grijpen kunnen naar Zijn licht als naar een zon, die ons passeert. Maar ik vraag u, zijn wij reeds zover gestegen? Kunnen wij werkelijk reeds zover komen? Ach, ge zult toegeven: In alle tijden en met elke nieuwe ontwikkeling van beschaving staan we even ver, even ver van God af en even ver van onze eigen werkelijkheid. Het zal u daarom misschien niet verbazen, dat ik op deze eerste bijeenkomst een woordje wil zeggen en wel speciaal over: De ontdekking van het eigen ik.

Natuurlijk is het in de eerste plaats noodzakelijk, dat je jezelf leert observeren. Niet zozeer, opdat je jezelf voortdurend zult beschouwen, maar opdat je zult ontdekken, welke krachten er in je werkzaam zijn. En één van de grootste krachten in het leven van elke mens is de emotie, de innerlijke bewogenheid. Die bewogenheid kan bij vele omstandigheden op de voorgrond treden. We zien ze even zo goed in het spel van de stoffelijke verbondenheid als in de bewustwording van een religieus gebeuren of de overgave aan geestelijke krachten. Altijd weer is er de emotie, de plotselinge innerlijke bewogenheid, die ons in een geheel andere richting stuwt dan we zelf zouden willen gaan.

En dit gaat verder. Want in ons is die bewogenheid ook vaak als een soort leegte. Niet de kosmische leegte, waarvan mijn geachte voorganger heeft gesproken. Neen, een leegte als een honger.

Soms gaan we tegen de rede in bepaalde stellingen na. Soms luisteren we tegen ons eigen verstand in naar een predikant, predikers, geesten, enz., alleen omdat we daaruit voor onszelf toch hopen te gewinnen die vervulling van ons zijn en ons wezen, die voor ons zo buitengewoon belangrijk is.

Het zal u duidelijk zijn, dat deze dingen niet zonder grond zijn. Wanneer wij leren dit in onszelf te ervaren, waarom wij eigenlijk hongeren, wat het is, waarnaar wij hunkeren, ook wat het is, dat ons geestelijk kan verzadigen, dan krijgen wij al een aardig beeld van ons eigen denken en streven. En tenslotte, hoe kan men zich soigneren, zich verzorgen, geestelijk of stoffelijk, wanneer men niet in staat is zich een voorstelling te maken van zijn uiterlijk en zijn verschillende mogelijkheden? Daarom zijn een groot gedeelte van onze mogelijkheden voor ons geborgen in die gevoelswereld, in dit innerlijk beleven, en als zodanig zeer belangrijk.

Want wetende hoe deze honger ligt, weten wij ook, waar wij de verzadiging kunnen zoeken en kunnen wij misschien ook begrijpen, waaruit ze voortkomt.

De eerste stelregel van de esoterie, zeker voor de beginner, is: Zoek naar de reden, waarom je iets doet. Zoek naar de inhoud van je streven. Vraag je af: “Waarom verwerp ik, waarom aanvaard ik.” Het is zo simpel. Het is zo eenvoudig als het maar voorstelbaar is. En toch…. zo nuttig. Want wanneer ge alleen ziet, wat ge verwerpen wilt in de wereld, dan zult ge ontdekken, dat ge niet verwerpt datgene wat redelijk onaanvaardbaar is (die reden wilt ge laten rusten), maar datgene wat u teleurstelt, omdat het uw verwachtingen beschaamt.

Wanneer ge verwacht een koningstroon te kunnen werven en men biedt u slechts een schamele hut, dan keert ge u af en hebt zo niets. En in het niets de zorg en het lijden.

Gij zijt als de dwazen, die verlangen rijkdom te ontvangen van een vorst en wanneer ze een aalmoes krijgen, beledigd heengaan, vervolgd door de toorn van de vorst, opgevreten door hun eigen teleurstelling en zo in de wereld ongelukkig en zonder betekenis. Of ge verzadigt u aan iets tegen elke rede in. Niet omdat ge zegt: Dit past in mijn wereld of dat hoort bij mijn persoonlijkheid, maar omdat ge voor uzelf voelt: Hieruit kan ik iets putten om voor mijzelf verder te gaan.

En dat is het belangrijke. Naast alle ongetwijfeld zeer schone bedoelingen van een ieder, die zich bezighoudt met geestelijk werk, behoort wel degelijk de utiliteit te staan. Er moet een zekere nuttigheid schuilen in ons streven, anders heeft het geen zin. Wie zich slechts wil verzadigen zonder meer, zal opnieuw honger krijgen. Maar wie zich verzadigt op de juiste wijze, is verzadigd voor alle tijden. Wanneer wij weten waarom wij verlangen naar iets, waarom wij iets verwerpen, dan hebben wij reeds zeer veel gevonden. Dan weten wij, wat voor ons wezen een noodzaak is en dan weten we ook, wat onze grootste vijand is. Wat het is wat ons kwetst, wat het is wat ons misschien zelfs doden kan. Niet alleen in een stoffelijk opzicht, maar ook geestelijk kan terugdringen in het duister. Dan weten wij althans, waarom wij in feite leven en streven. En als wij die achtergrond van ons wezen gevonden hebben, dan ontdekken wij rond ons vanzelf wel een andere wereld.

Het heeft geen zin te dromen over de gebieden van de innerlijke wereld, wanneer wij niet metterdaad kunnen doordringen, sfeer na sfeer, in ons wezen en steeds achter de uiterlijkheid de beweegredenen vinden. Het heeft weinig zin om dit te doen, als we -de beweegredenen kennende – onze daadkracht daarop niet instellen.

In de esoterie heeft men vaak de gewoonte, om – sta mij toe dit op te merken – zich enigszins los te maken van de begane grond. In de gedachten wiekt men als een bolligblanke cherubijn weg langs een wolkig plafond. En elke keer, wanneer de realiteit komt, valt men met een plons naar beneden en bezeert zich bovendien. Dit is dwaasheid. Wanneer de ziele vliegt, dan kan het lichaam op de bodem staan. Dan kan het zich bevinden op de aarde zonder meer. Het hoogste geestelijke inzicht kan zich uiten in elke daad, tot zelfs in datgene, wat het meest minderwaardige lijkt, wat er op de wereld maar te bedenken is aan arbeid of aan bezigheid. Er is geen grens te stellen. Het is ons geestelijk weten en beseffen, wat de inhoud geeft aan het totaal van ons eigen denken. Het is ons persoonlijk aanvaarden van het leven, dat bepaalt, in welke zin wij onszelf zullen herkennen en herbeleven in elke handeling en elke daad, ongeacht hoe ze in de wereld heet. Maar het moet een daad van onze wereld blijven.

De esotericus, die zijn wereld verlaat, zal eens daarin moeten terugkeren. Ook de kluizenaar, die jarenlang in de bergen in eenzaamheid heeft gemediteerd, keert terug. Als hij het leven daar kan aanvaarden, zoals het is tussen de mensen, dan is het goed. Dan heeft hij in zijn eenzaamheid kracht gewonnen. Maar wanneer hij komt en zich teleurgesteld voelt door die wereld, dan heeft hij maar een dwaasheid begaan. Dan is zijn hele eenzaamheid de grootste bêtise geweest, die hij ooit heeft kunnen uithalen. Want nu heeft hij niet alleen zijn eigen wereld verloren, waarin hij niet meer thuishoort, maar hij kan ook niet meer tot zijn andere wereld terugkeren. En het onaanvaardbare van de stoffelijke wereld blijft hem kwetsen en prikkelen en maakt hem de geestelijke bereiking onmogelijk.

Neen, wij moeten esoterisch zoeken in het leven zelf met alles, wat erbij hoort. Dat mag een zoeken zijn in de hoogste geestelijke verhandeling, of wel in de welgedane rijke maaltijd, waarin de serviette een belofte is van een culinair genoegen, in beide schuilt de schepping, schuilt God. Het ligt er maar aan, of wij ze weten te ontdekken.

Vanuit dit standpunt doet zich de behoefte voor aan meer praktische regels. Aan regels, die ons althans kunnen brengen tot een beleven van de esoterie. En een paar daarvan mag ik – het is toch een inleiding vandaag, nietwaar – hier misschien vóór de pauze nog even opsommen. De ware leefregels voor de esotericus zijn: In de eerste plaats: Erken wat u drijft in het leven. Zoek steeds dit beter te erkennen. Maar wijzig uw leven niet, tenzij ge in staat zijt, de drijfveer te wijzigen. In de tweede plaats: Leer niets te verwerpen, doch alles te begrijpen. Leer het goede, zoals gij het ziet, te bevorderen en te steunen in elk opzicht. Leer de rede te gebruiken als werktuig en haar niet meer als doel te beschouwen.

Hebt ge u aan deze regels gehouden, dan ontstaat een nieuw wereldje. Een ander bestaan a.h.w. dat precies past en uiterlijk identiek is met het oude. En daarin ga je dan verder. En dan zet je wederom een paar nieuwe regels voor jezelf.

Eerst: Erken de hogere, geestelijke – misschien zelfs goddelijke – krachten, die in je wezen werken en het tijdig wijzigen. Aanvaard deze werking en wijziging als deel van het goddelijk scheppingsplan en voel je noch aansprakelijk noch gevleid misschien door hetgeen op deze wijze wordt volbracht. Dergelijke daden zijn deel van het scheppingsplan en niet van uw eigen persoonlijkheid. Verhef u er niet op, schaam u er niet over. Zij behoren zo te zijn. Maar tracht voor uzelf daarin steeds weer de geestelijke waarde, het kosmisch werken te erkennen.

Verder: Tracht nooit om de buitenkant der dingen te zien, tenzij dan om uzelf erin te herkennen en uzelf erin te spiegelen. Zoek naar de inhoud der dingen en ge zult ontdekken, dat al wat rond u is stem heeft en leven en wezen. Ge zult ontdekken, dat uw eigen wezen wordt aangevuld door al wat rond u bestaat. En in deze volheid zult ge uzelf volmaakter voelen, beter, evenwichtiger.

Hebt ge die evenwichtigheid bereikt, zoek dan de kosmische wetten zelf te erkennen. Definieer ze voor uzelf, één voor één, letter voor letter. En hebt ge dat gevonden, tracht dan uit de wetten een beeld te vormen van de Wetgever. Ge hebt dan het beeld gevonden van God. Ge hebt de Kracht van de schepping gevonden. Niet als iets wat ge beheersen kunt, maar als iets wat ge aanvaarden kunt. En hebt ge deze aanvaarding bereikt, dan – eerst wordt het tijd om te zoeken naar die God in uzelf -. Misschien zult ge in die God dan wel de oplossing van het esoterisch streven en – wat meer is – de oplossing van uw eigen bestaan in de juiste vorm vinden.

Maar altijd is het doel gedurende deze hele procedure om zo gelukkig mogelijk te zijn. Geluk is innerlijke harmonie. Innerlijke harmonie is een noodzaak, zeker voor de esotericus. Probeer gedurende dit hele proces zo tevreden mogelijk te zijn. Elk verzet tegen waarden, die ge zelf niet beheerst, verstoren slechts uw vermogen tot streven en handelen. Tracht steeds weer om voor uzelf te begrijpen, dat de wereld inderdaad een schouwtoneel is en dat ge – zo ge al geen marionet zijt – toch wel degelijk een begrensde ruimte hebt, waarbinnen ge u bewegen kunt: begrensde mogelijkheden, die voor u zijn geschapen. Gebruik deze en wend u niet tot hetgeen anderen bezitten of anderen kunnen. Want als ge dat doet, zult ge uw eigen mogelijkheden en vermogens niet gebruiken.

Zoek in uw wereld nooit naar het bovennatuurlijke, maar tracht het natuurlijke in u zo sterk te verwerkelijken, dat het langzaam maar zeker zich uitbreidt, natuurlijk blijvende, maar zich verheffende boven de beperkingen, die anderen misschien in de natuur kennen. Hebt ge dat gedaan, dan kunt ge met een zekere tevredenheid zeggen: “Ik heb een basis gevonden voor esoterisch streven, ik heb een richtlijn gevonden voor innerlijk bereiken en ik heb de mogelijkheid voor mijzelf ervaren om het werkelijk geluk of de werkelijke vrede deelachtig te worden.” En als je alleen die gedachte al hebt, geeft het hoop genoeg. Die hoop maakt het je mogelijk om te bereiken. Want wie meent, dat iets te ver of te hoog voor hem is, komt nooit tot een doel.

o-o-o-o-o

Hoe vinden wij de doelstellingen van ons leven?

Hoe vinden wij de doelstellingen van ons leven? Maar ik moet u wel één ding erbij zeggen: dat kunnen wij alleen maar zeer algemeen doen en betrekkelijk vaag. Want de doelstellingen van het leven zijn niet gelegen in één bepaalde verschijningsvorm. Ons leven is niet alleen een menselijk bestaan en mag ook zeker niet genoemd worden, een enkel leven met daaropvolgende, misschien bepaalde geestelijke trappen.

Het leven begint op het ogenblik, dat de goddelijke wil de eerste tegendelen t.o.v. elkaar wekt, n.l. materie en stof. In de materie wordt bewustzijn gewekt op het ogenblik, dat in de stof licht wordt gewekt. En vanaf dat ogenblik beginnen de persoonlijkheden zich reeds te vormen. Daar begint voor ons het leven. Dat leven gaat door vele fasen heen. We bestaan lange tijd als geest, leren op de duur meer en meer met de stof mee te gaan. Wij bekleden vele stoffelijke vormen. Daartussen door leven we weer in geestelijke werelden. Dat alles tezamen, dat is ons leven. En doelstellingen kunnen m.i. niet slaan op één bepaalde fase, maar alleen op het geheel.

Die doelstelling is natuurlijk betrekkelijk eenvoudig te geven. Wij kunnen zeggen: Het doel van ons leven is te komen tot een volledig bewustzijn van ons eigen wezen. (Weer de steeds terugkerende slagzin: Ken uzelf). Daarnaast echter? In onszelf datgene te verwerkelijken, wat het Goddelijke als mogelijkheid in ons heeft gelegd. (Dit laatste vanuit ons standpunt) Dat loopt over vele levens en fasen heen en wij kunnen vanuit ons standpunt niet besluiten, hoelang dat zal zijn en hoeveel verschillende levens-, vormen wij daarvoor zullen moeten kennen.

Wanneer een mens echter spreekt over de doelstellingen van het leven, dan bedoelt hij over het algemeen zijn eigen en stoffelijk bestaan. En daar begint de grote moeilijkheid. In de eerste plaats: Waarom komt de geest in de stof? Ze doet dit over het algemeen, omdat zij in die stof iets meent te gewinnen, wat de geestelijke wereld haar niet geeft. Dus zij zoekt een vervulling van verlangens. Waarom kiest zij een bepaalde vorm, een bepaald milieu? Omdat volgens haar ervaringen tot nu toe daarin de beste mogelijkheden zijn gelegen voor de vervulling van haar wensen Waarom maakt zij in het leven zoveel mee? Zij maakt in het leven alles mee wat noodzakelijk is, omdat zij door een keuze te maken krachtens een onvolledig bewustzijn zichzelf voor problemen geplaatst zal zien die haar bewustwording bevorderen.

Zo zou je kunnen zeggen: De grote doelstelling van het menselijk leven is dus voor de geest verdere bewustwording. Gelijktijdig kun je zeggen, dat het voor de stof zelfhandhaving is. De geest is mobiel, dus beweeglijk. Zij zal steeds trachten vooruit te lopen op haar feitelijke mogelijkheden. Zij wil verandering. De stof daarentegen niet. De stof wil gelijkvormigheid. De stof is traag. Zij weigert een vorm aan te nemen. Maar komt zij eenmaal zover, dat zij die vorm opbouwt – eigenlijk ondanks zichzelf – dan wenst ze die vorm ook zo lang mogelijk te behouden. Een wet van traagheid.

Als je als mens – dus zuiver als stofmens nu – je wilt gaan af vragen: Wat is de inhoud van mijn leven? dan kom je in de eerste plaats tot de conclusie: Stoffelijk zoek ik mijzelf gelijk te blijven, Waar ik in mijzelf gebreken of tekorten voel, zoek ik deze aan te vullen. Hier resulteert bv. zuiver stoffelijk de paringsdrang uit, zuiver menselijk het zoeken naar begrip en aanvulling van het eigen wezen. Het is meestal in 2 seksen uitgedrukt, maar kan ook in gelijke seksen uitgedrukt worden. Het kan met of zonder seksuele verhoudingen gebeuren. Altijd weer zoek je verder in de stof om jezelf stoffelijk te vergroten en te verrijken en daardoor de stabiliteit van je eigen wezen te handhaven.

Zo zoekt men in de stof naar bezit, niet om het bezit zelf, maar omdat het bezit een bevestiging van eigen wezen en persoonlijkheid blijkt. Men legt dat bezit heel vaak vast in zuiver stoffelijke waarden als bv. huizen, meubels, dus gevormde artikelen, dan wel in gelden of ruilmiddelen, die toch ook de mogelijkheid tot het verwerven van deze vaste stoffelijke waarden representeren. Het gevolg is, dat wij rond ons onveranderlijke krachten zien, die ons de illusie geven, dat wijzelf niet veranderen.

Onze angst is niet in de eerste plaats in de stof voor uitblussing of ondergang, maar voor verandering. Stoffelijk is er een tegenstand tegen elke verandering. Stoffelijk gezien mag dus worden gezegd: De doelstelling van het leven is zelfhandhaving en wel zelfhandhaving in zoveel mogelijk gelijke vorm. Daarbij is macht slechts een middel om het eigen wezen sterker te bevestigen door het anderen op te leggen.

Geestelijk gezien zijn we, zoals ik reeds zei, mobiel. Deze mobiliteit betekent dat wij een steeds groter verlangen naar weten zullen kennen, een steeds groter verlangen naar ervaren, een steeds groter verlangen naar beleven. Dit brengt met zich mede, dat de doorsneemens in voortdurende strijd verkeert. Enerzijds wil hij het oude handhaven, anderzijds wil hij het geestelijke toch bereiken. In veel gevallen is voor de mens het geestelijke slechts een middel om zichzelf te handhaven (dus t.o.v. zichzelf en zijn omgeving). Zolang dat het geval is mag het onder de stoffelijke waarden worden gerekend. Dan kunnen wij op grond hiervan wel een paar conclusies – zij het zeer algemene en vage – trekken.

  1. Het doel in ons leven is in een zo gelijkvormig mogelijke stoffelijke toestand een zo groot mogelijk weten te verwerven en uit dat weten een zo sterk mogelijke bewustwording te doen voortkomen.
  2. Stoffelijk zullen wij steeds trachten ons eigen wezen te versterken en aan te vullen.

Versterking en aanvulling Worden gezocht op stoffelijk en geestelijk terrein. Naarmate ons dit beter gelukt, zullen wij groter problemen ontmoeten, deze problemen zijn van geestelijke geaardheid. Het oplossen van deze geestelijke problemen betekent de ware bevrediging van een stoffelijk en een geestelijk bestaan in uw eigen wereld. Dit is een doel, dat ieder nastreeft.

  1. Elke mens zoekt de bevestiging van zijn eigen wezen en de onveranderlijkheid daarvan door een aanvaarding van het z.g. bovennatuurlijke. Hij zoekt deze in stoffelijke zin, omdat hij niet veranderen wil, in geestelijke zin echter aanvaardt hij dit evenzeer, omdat het hem de mogelijkheid geeft verder te komen en verder te gaan dan anders mogelijk zou zijn. Het gehele doel van leven is: Bij een zoveel mogelijk gelijkblijvend – of qua macht groeiend – stoffelijk bestaan gelijktijdig een zo voortdurende geestelijke vernieuwing te ondergaan, dat men daarin de gedachte van een goed leven en een gevuld leven voor zichzelf steeds kan verwerven. Vanuit goddelijk standpunt zou kunnen worden gezegd: Het doel van het menselijk leven is de geest zozeer bewust te maken, dat zij later – vereend met de stof – de absolute uitdrukking van goddelijk Wezen en goddelijke wil in haar eigen beperking zal kunnen zijn. Dan hebt u daar in het kort een paar doelstellingen van het leven.

Vragen.

  • Wij hebben zoveel gehoord van de verwezenlijking van de krachten in ons bestaan die er wel zijn, maar waarvan wij ons nog niet bewust zijn. Dat is o.a. de integratie van de persoonlijkheid, waarnaar wij allen streven. Hoe kunnen wij dat doen? Gebeurt dat automatisch? En worden we ons daarvan bewust?

Het is een automatisch proces in feite. Wij kunnen ons het beste voorstellen, dat er een glazen bol is. Deze bol is door een vlak of een veld in twee delen gedeeld. Nu bevindt zich daarboven dit veld niet-gerealiseerde potentie of kracht, onder het vlak gerealiseerde potentie. Nu is het proces van de bewustwording een steeds meer leren kennen van jezelf. Dus hoe meer je kent omtrent jezelf, hoe meer je erkent van je eigen eigenschappen, hoe meer je beheerst.

Zolang een wezen niet in staat is dat, wat boven het scheidingsvlak ligt, zelve te hanteren, reageert dit op een echo zullen wij maar zeggen uit de omgeving. Er is dus een trilling, die de glaswand aanstoot? beneden beheerst de wil, wat er. binnen gebeurt: daarboven bestaan dan door de trilling bepaalde wervelingen en circulaties. Kunt u het voorbeeld tot zover vatten?

Wanneer wij nu ons bewustzijn uitbreiden, dan verwerven wij in de onderste afdeling iets van de potentie, die tot nog toe in de bovenste afdeling heeft gelegen. Het vlak verplaatst zich naar boven toe. Dit betekent gelijktijdig, dat wij beheersing krijgen – de bewuste beheersing – van meer der krachten, die in ons gehele wezen bestaan. De uitbreiding van die kracht is dus in feite niets anders dan een ontvangen in jezelf – bewust – van ditgene, wat eerst als een natuurlijk deel van je wezen ongerealiseerd heeft bestaan. Hoe meer de mens zichzelf en zijn eigen capaciteiten en mogelijkheden juist leert kennen en inschatten, hoe juister hij zal: kunnen reageren, hoe meer hij zal kunnen volbrengen. Dat is ook stoffelijk waar.

Het zal dus wel duidelijk zijn, dat indien wij dit gaan overbrengen op het geestelijk terrein, het ook hier een zekere waarde moet hebben. Een mens, die zich van zijn geestelijk leven volledig bewust is, kan de krachten van dat geestelijk leven in de stof gebruiken. Hij heeft dus zijn wereld ook uitgebreid.

Zeggen wij nu, dat de werelden, die buiten ons liggen, als een reeks van lagen de bol omgeven. Kunt u het zich voorstellen? Denkt u maar aan een reeks lagen plexiglas, waarin die bol ligt. Elke laag heeft een andere kleur. De onderste 3 lagen zijn de wereld. Zij horen dus bij het bewustzijn van een zuiver stoffelijk bestaan. Daarboven ligt de astrale wereld. Daarboven, enz, enz, dus een mentaal, enz.

Nu begin je in jezelf – dus uitgaande van die basis – meer kracht te verwerven. Dan zul je automatisch ook in beroering komen met andere werelden. Er is de scheiding van de persoonlijkheid, de begrenzing van de persoonlijkheid, maar het contact met de andere wereld is geschapen. D.w.z., dat wij nu bewust kunnen gaan reageren op elke trilling, die uit deze laag ons bereikt.

Op de duur leren wij, hoe er een composiete trilling is, een samengestelde trilling, die ons gehele wezen beheerst. Dat is wat wij noemen de kosmische impuls. Is deze geheel erkend, dan passen wij ons daarbij aan. Wij zijn tot één geheel geworden met de verschillende lagen, die ons omgeven, ondanks de begrenzing van de persoonlijkheid, die bestaat. Maar wij kunnen nu in elk deel van onze eigen persoonlijkheid zelf een trilling opwekken, die wij op elk willekeurig vlak van het bestaan kunnen doorgeven.

Dan vloeit hieruit voort, dat de ontwikkeling van de krachten in ons afhankelijk zullen zijn van 3 factoren. In de eerste plaats weten: in de tweede plaats begrijpen, in de derde plaats willen weten, omdat de kennis van feiten noodzakelijk is, willen wij de relatie, die tussen feiten bestaat, kunnen begrijpen. Begrijpen, omdat niet de feiten op zichzelf belangrijk zijn, maar juist de relatie, die zij met andere feiten vormen. Het zijn niet de afzonderlijke golvingen van de trilling, die belangrijk zijn, maar de trilling als zodanig.

Hebben wij dit eenmaal begrepen, dan kennen wij niet alleen het feit, maar al hetgeen in het feit geïmpliceerd is, al hetgeen daarmee verbonden is.

Dit heeft geen enkele reden wanneer wij niet willen: dus wanneer wij niet in staat zijn ons eigen wezen te richten en met dit wezen iets te doen. Hebben wij dit bereikt, dan kunnen wij de trillingen, die buiten ons bestaan, zodanig veranderen in ons wezen, dat de werking voor ons wezen verschillend is, vooral van hetgeen buiten ons bestaat. Wij kunnen ook wat in ons bestaat gebruiken om een correctie toe te passen op hetgeen wij buiten ons als onjuist menen te zien. Elke worsteling van de wil om dit te bereiken betekent, dat nieuwe feiten worden ontdekt. Het weten wordt vergroot. Het ontdekken van nieuwe feiten doet zoeken naar de samenhang, die tussen het gekende en de nieuwe feiten bestaat. Het begrip wordt uitgebreid.

Daarmede wordt ook ons gebied van beheersing vergroot, maar de wijze, waarop de wil de kracht van het ik zal richten, zal in overeenstemming zijn met de laatste voorstelling, die men zich heeft gemaakt van het goede.

  • Blijft alleen deze vraag over: Hoe gebeurt dit? Hoe kom ik nu willens en wetens met bv. krachten van het astrale gebied in aanraking?

Willens en wetens, dan komt ge terecht op het gebied van de magie en dat ligt buiten het terrein van hetgeen wij hier bespreken. Maar ik kan u wel dit zeggen: Op het ogenblik dat uw eigen gevoeligheid voor de wereld (dus uw zien haast onbewust van feiten) zo groot is geworden, dat u de relaties tussen de feiten nauwkeuriger gaat zien, dan zult u de astrale wereld zien, die een integrerende schakel is in alle stoffelijke gebeuren. U maakt dus automatisch kennis met deze astrale wereld en zult rekening houdend met die astrale wereld handelen. Het is niet zo, dat u kennis maakt met een aparte wereld, maar dat uw eigen wereld wordt uitgebreid met een laag a.h.w., die tot op dat ogenblik niet zichtbaar of kenbaar was. Het betekent ook, dat u zich daardoor weer realiseert, dat in u waarden bestaan, die u tot op dat ogenblik niet voldoende hebt geëxploiteerd. Zo wordt dus uw eigen mogelijkheid – of zo u zeggen wilt kracht of macht – vergroot.  Het is dus een automatisch proces in zoverre, dat het niet noodzakelijk is om direct te gaan streven naar bv. de beheersing van het astraal terrein. Het is wel noodzakelijk te streven naar een zodanig weten en begrip in onze eigen wereld, dat we op de duur de ontbrekende schakels ontdekken en ons concentrerend op dit ontbreken daarin een nieuwe wereld leren kennen.

  • Men leeft. In dat leven doen zich voortdurend verschijnselen voor, levenservaringen: hoe moeten we hier de astrale wereld, dat is de wereld van de gevoelens inschakelen?

In de eerste plaats ben ik het niet helemaal met u eens, dat de astrale wereld de wereld van de gevoelens is. De wereld van de gevoelens bereikt veel hogere sferen en kan een geheel andere betekenis hebben. De astrale wereld wordt wel degelijk door gevoelens beïnvloed, maar ook door bewuste handelingen en daden. Hoe wij het bewust bereiken kan ik in een enkel voorbeeld geven, ofschoon dit voorbeeld onvolledig is natuurlijk, waar vele andere mogelijkheden bestaan. Voorbeeld: Een mens ontdekt, dat in zijn leven steeds weer onverklaarbare factoren ingrijpen.

Hij tracht zich te realiseren, wat de eigenschap van die factoren is. Wat hebben zij gemeen? Hierdoor zoekt hij tot een begrip te komen van hetgeen ingrijpt. Hij concentreert zich nu op deze grondeigenschappen en zal tot zijn verbazing ontdekken, dat hij nu plotseling in de bestaande dingen (dus niet als een helderziendheid) nieuwe waarden gaat ontdekken. Hij ontdekt verder, dat die waarde niet zuiver materieel is, want ze kan niet materieel bepaald worden. Toch voelt hij ze aan. Het resultaat is, dat hij zijn wereld heeft uitgebreid en verrijkt.

Nu gaat hij weer verder door te zoeken naar de verklaring. Hij zegt: Er moet een andere macht zijn: ik ga opletten, niet alleen op deze niet zuiver stoffelijke verschijnselen, maar op de oorzaken ervan. En dan ziet hij eigenaardig genoeg op een gegeven ogenblik, dat hij a.h.w. haast hallicinatief figuren en persoonlijkheden meent te ontdekken: dat hij sluiers, lichtstippen enz. ziet ronddwalen. Laat hij zich door het fenomeen boeien, dan komt hij niet verder en zal hij de astrale wereld nooit bewust leren beheersen. Maar indien hij zich nu gaat instellen op de verschijnselen en daaruit tracht op te maken wie of wat er optreedt, dan krijgt hij voor deze verschijnselen wederom begrip. Door het begrip weet hij waar hij kijken moet. Door te weten waar hij kijken moet, ziet hij weer nieuwe waarden. Zo ontdekt hij welke persoonlijkheden, figuren, uitingen op astraal, gebied bestaan en is in staat – vanuit zijn eigen wereld logisch denkende – maatregelen te nemen, die ook de bewegingen, de krachten en mogelijkheden van deze astrale wereld bepalen.

Dan gaat hij zich afvragen: Hoe komt het, dat ik deze invloed heb? Hij ontdekt, dat hij zelf op astraal gebied ook verschijnselen veroorzaakt en vertoont. Hij leert daardoor zijn eigen astraal voertuig kennen. Echter ontdekt hij ook, dat er waarden zijn, die niet door het astrale verklaarbaar zijn, zelfs niet bij volledige beheersing. Het zoeken naar de verklaring voor die hogere macht verhoogt zijn bewustzijn wederom tot een volgende graad.

Ik kan er wel bij zeggen, dat deze weg over het algemeen bewust in het leven slechts door zeer weinigen bewandeld wordt.

  • Wij komen dikwijls de zwanenridders tegen. Waarom is de zwaan genomen als symbool, die graalridders vergezelt? Speciaal de zwaan?

In de eerste plaats? De zwaan is strijdvaardig en trouw. Hij is edel van vorm. Het is een geheimzinnig dier, althans geruime tijd geweest, want men weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat. Bovendien is de zwaan het symbool van de onschuld. Zijn gevederte en zijn wijze van zich bewegen heeft daar wel degelijk verband mee. Wij vinden verder in de zwaan de vleugels plus het slangachtige (n.l. van de lange nek) en als zodanig heeft hij een directe associatie met de gevleugelde slang. De gevleugelde slang is het symbool van wijsheid, goedheid en trouw.

De zwanenridder verschijnt. Als zwanenridder volbrengt hij een taak, een opdracht. Deze opdracht is steeds weer gericht ten goede van de mensheid, maar kan slechts in anonimiteit worden vervuld. Het kennen van de naam van de graalridder of zwanenridder veroorzaakt – zoals u weet – voor deze de onmiddellijke opheffing van zijn verplichting en taak en zijn terugkeer tot zijn eigen rijk. Zo is de zwanenridder in de eerste plaats het symbool van de geest, die op aarde komt en werkt. Hij is tevens het symbool van de ingewijde, die slechts zolang hij niet als zodanig erkend is kan werken onder de normale mensheid. Allen worden geleid door. krachten van trouw, van wijsheid, die hem ter plaatse brengen én hen ook weer terugbrengen. De zwanenridder wordt niet slechts gebracht, maar pok gehaald door de zwaan.

Goddelijke wijsheid brengt de ingewijde en de inwijding zoekende daar, waar hij beproefd wordt. In zijn beproevingen leeft hij als een normaal mens en vervult een taak ten bate van de gemeenschap of van de verdrukte en ongelukkige. Hij is dus een kracht der bevrijding. Zolang hij dit blijft zonder meer te zijn, zal de kracht? die hem geleid heeft, hem in staat stellen de wonderen te verrichten, die daarvoor nodig zijn. Elke zwanenridder heeft zekere magische krachten. Hij bezit vaak magische wapens en heeft over het algemeen een meer dan normaal inzicht in omstandigheden, zoals de ingewijde, de adept en een ieder, die deze toestand benaderd heeft. Wanneer hij zich terugtrekt komt hij op een burcht terecht, die wij een graalburcht kunnen noemen. Daar wordt het geheim van de ware kracht bewaard. Hij is een gezondene en gaat niet zijn eigen wegen. Toch gaat hij zijn wegen door eigen wil, door eigen besluitvaardigheid, maar dient steeds de grote kracht, die hij erkent. De zwaan is dus de figuur, die ons gelijktijdig aangeeft: de oude God van goedheid, wijsheid en vruchtbaarheid: ons aangeeft de onschuld, zoals de mens die kent: ons aangeeft – vooral voor Europa ook – het beeld van de pelikaan, dat met de zwaan soms vereenzelvigd wordt en waarvan men zegt, dat hij eigen borst openpikt om zo zijn jongen te verwarmen en te voeden, Christusfiguur. Hij is tevens figuur van wijsheid en van trouw, aangevende de banden, die in de oneindigheid altijd zullen bestaan. De zwaan is het symbool van de kracht, die de mens leidt, wanneer hij – tot bewustzijn gekomen – de goddelijke wil op aarde tracht te volbrengen.

  • Nu zegt het verhaal, dat de graalridder met de zwaan de hostie deelt. Nu is het wel een verchristelijke mystiek, maar die hostie kan ik ook beschouwen als het geestelijk voedsel. Als ik nu die zwaan beschouw als het geestelijk deel van die hogere ingewijde, dan kan ik begrijpen wat ze bedoelen met het delen van die hostie, n.l. dat zij hetzelfde goddelijk leven deelachtig worden. Wat denkt u daarvan?

Dat is wel waar, maar wij kunnen het ook anders zien. Op het ogenblik dat de kracht, die ons geleidt, ons helpt en dient: wordt zij niet meer gezien als meester, maar als gelijkwaardige.

Ook niet als dienaar. In deze gelijkwaardigheid zullen wij al onze geestelijke krachten en weten delen met de geestelijke kracht, die tijdelijk ons voertuig wordt of onze geleider. Omgezet in spiritistische termen: De geleidegeest heeft alle rechten, die men zelve heeft. Er is niets wat men buiten die geleidegeest om zal doen, indien men op juiste wijze met deze samen streeft.

Alle dingen worden gedeeld. Doch zodra het zuiver stoffelijk aspect verschijnt, is de geleidegeest niet meer zichtbaar en wordt een onzichtbare kracht, een potentie die slechts dan optreedt, wanneer een bevrijding nodig is uit stoffelijke verwikkelingen.

  • Er wordt altijd gezegd: Wanneer wij in andere mensen eigenschappen ontdekken, dan zien wij daarin een stuk van onszelf. Nu zijn er zekere mensen, die altijd in iedereen alles goed zien, ook over het verkeerde heen kijken. En er zijn mensen, die alles slecht zien. Ik noem nu uitersten. Is dat nu een teken, dat zijzelf zo zijn of verdoezelen ze een gedeelte?

Degene die een ander altijd slecht ziet is iemand, die zich van zijn eigen onvolkomenheden zeer bewust is. Naarmate men zich machtelozer voelt, zoekt men meer naar het slechte in de wereld en bij anderen. Naarmate men zich minder opgewassen voelt tegen zijn taken, naarmate men zich minder in staat gevoelt al datgene te volbrengen, wat men wenst te volbrengen, zal men anderen wantrouwen. Want de innerlijke zekerheid van eigen zwakte doet veronderstellen, dat anderen sterker zijn en daarvan misbruik zouden maken. De vrees misbruikt te worden brengt de mens er dan toe om veel te verwerpen. Omgekeerd: De mens, die in alles goed ziet en die over het kwade heen kijkt, zoals dat heet, is een mens, die innerlijke rust en innerlijke sterkte heeft. Met deze innerlijke rust en innerlijke sterkte is het mogelijk uit al het zijnde en uit al het leven datgene te puren, wat noodzakelijk blijkt. Men kan voor zichzelf uit het leven nemen. Het leven kan u niets roven. Gij zijt te sterk daarvoor.

Daarom ziet men in alle dingen het goede. Slechts daar, waar het slechte zich zo duidelijk kenbaar toont, dat het ik meent hieraan geen deel te kunnen hebben, volgt een afwijzing.

Maar die afwijzing betekent dan nog niet het zoeken van het kwaad overal. Het is een erkennen en terzijde stellen van een bepaald deel van zijn leven of van zijn ervaringen: dit past mij niet. Dat is eigenlijk het verschil, wat hierin is gelegen.

Natuurlijk is dit wel zeer sterk uitgedrukt, want we zullen over het algemeen met tussenvormen te maken krijgen. Maar opvallend in de gehele maatschappij is bv. dit (in uw moderne maatschappij): Achterdocht en managerziekte gaan samen. Grote rijkdom betekent meestal grote eenzaamheid. Groot vermogen (dus om iets te doen, iets te volbrengen) betekent over het algemeen ook een grote vrees voor wat anderen zouden zijn en zelfs voor het ik. Anders gezegd: In vele gevallen wordt de bereiking, die verder grijpt, dan men zichzelf toevertrouwt, een dreiging, waardoor men zich zoekt te rechtvaardigen in anderen en zoekt in anderen naar zwakten, die de zelfverzekerdheid kunnen vergroten.

Verder, een typisch verschijnsel: Naarmate de mens geestelijk rijper is, zal hij meer werken met intuïtie, met begrip. Naarmate de mens innerlijk onrijper is, werkt hij meer met wat hij noemt logica, met wetenschap en vaste waarden. Wat voor de wijze, de rijpe mens, werktuig is, is voor de onrijpe mens doel. Al deze dingen komen in de moderne maatschappij steeds weer tot uiting. Wij vinden zelfs de angst voor iets, wat te goed is. Er zijn mensen, die, wanneer hun na een leven van middelmatigheid of armoede een kapitaal wordt geboden, door angst voor het bezit, wat zij nu plotseling verworven hebben, eenvoudig het bezit gaan verwerpen. Zij durven het niet aan. Wij zien dat mensen, die lange tijd geestelijk gehongerd hebben, soms wel een geloofsovertuiging gewinnen, maar deze bewust of onbewust verwerpen, omdat zij vrezen, dat dit hen te sterk zal worden, hen zal ontvreemden uit de wereld, die zij menen als de werkelijke te zien. Wij vinden daartegenover weer mensen, die zozeer kunnen opgaan in een geloof en een zodanige zekerheid hebben van geestelijke waarden, dat zij heel rustig de stoffelijke waarden daarbij aanpassen en dus hun geestelijke werkelijkheid altijd primair stellen. Dat zijn de onpraktische mensen vanuit een menselijk standpunt. Het vreemde is echter, dat zij, dank zij hun geloof, dank zij hun innerlijke overtuiging, er over het algemeen beter afkomen, gelukkiger leven of groter resultaten kunnen boeken dan degenen, die anders zijn.

De wereld is vol van tegenstellingen, maar de grootste tegenstelling, die wij altijd weer ontmoeten, is de mens, die zichzelf sterk voelt of weet en de mens die zichzelf zwak voelt of weet. Degene die zich zwak gevoelt tracht naar buiten toe zijn sterkte en kracht te bewijzen. Door dit te doen en te blijven doen verwerpt, hij voor zichzelf heel veel, wat hem waardevol zou zijn. Hij let op de kleinigheden en zal met moeite de grote lijn kunnen vinden.

Omgekeerd: De mens, die zeker is van zichzelf, ziet soms niet onbelangrijke kleinigheden over het hoofd, omdat een vergeestelijkt doel of een geluksdoel – zo u wilt een innig vredig doel – voor hem of haar zo belangrijk is, dat men al het andere terzijde stelt.

Een keuze te maken is vaak heel moeilijk. We kunnen niet eens zeggen, wie van beide soorten mensen eigenlijk de besten zijn. Want de zwakke, die handelt volgens zijn beste weten, gedreven door zijn angst, is beter dan de sterke, die door zijn nalatigheid veel streven achterwege laat. Men kan zeggen, dat het soms eervoller is om een nederlaag te lijden dan om te overwinnen. En dat geldt ook geestelijk. De zwakke, die een nederlaag lijdt tegen zichzelf of tegen de wereld, kan soms juist daaruit zoveel ervaringen putten, dat hij tot een sterke kan worden. De sterke, die zijn overwinningen zo natuurlijk vindt, dat hij al het andere terzijde stelt, verzwakt zichzelf onbewust vaak zozeer, dat hij een nederlaag lijdt.

o-o-o-o-o

SLEUTEL

Wanneer wij “sleutel” zeggen, dan bedoelen wij daarmee iets, wat toegang geeft maar ook iets, wat gesloten is. Wij spreken van de sleutel van St. Petrus, die de hemelpoort opent of sluit. Wij spreken van de sleutel, die verborgen is in een lezing. En wij spreken van de sleutel, wanneer wij de oplossing van een raadsel bedoelen. Dat heeft natuurlijk zijn reden. Sleutel is een woord, dat zijn betekenis gewint door de associaties, die ermee verbonden zijn. En wij allen zouden ook graag een sleutel bezitten: een sleutel, die ons de deur zou kunnen ontsluiten tot wat meer geluk, tot wat meer zekerheid, tot wat meer geestelijke verbondenheid misschien. Maar waar kunnen wij die sleutels vinden?

Wanneer het sleutels zouden zijn in de oude vorm,…. we zouden de hele aarde willen afzoeken. Maar vreemd genoeg zijn die sleutels zo willekeurig gekozen. Soms is het een enkel woord, soms een formule, een symbool of een tekening. Soms is het zelfs alleen een gedachte.

En daarom kunnen wij niet elke sleutel, die wij hebben willen, vinden. Maar je kunt misschien toch wel, omdat je hier een woord vangt en daar een woord, hier een begrip vindt en elders een aanvulling ervan, komen tot een begrip, dat het je mogelijk maakt jezelf wat beter te kennen en iets meer te leren omtrent de werkelijkheid van het leven.

Nu heeft onze Heer Jezus ons ook sleutels gegeven. En de belangrijkste sleutels daarvan, die kijken de mensen meestal over het hoofd. Neem nu alleen eens die overal gehoorde spreuk van het Koninkrijk Gods, dat in u is. Is dat geen sleutel? Het Koninkrijk Gods is het rijk van de vervulling, van de volmaaktheid. Jezus geeft u een sleutel in de hand, wanneer hij zegt: Dat Koninkrijk Gods is in u. Gijzelf zijt het, die deze toestand zult moeten zoeken en bereiken. Gijzelf zijt het, die besluiten zult moeten nemen. Gij zijt het, die moet streven, gij zijt het, die lasten moet dragen en niemand anders.

Jezus geeft ons ook in zijn gedrag vaak sleutels. Want verkiest hij vaak niet de z.g. zondaars der wereld boven de z.g. heiligen? Jezus let niet op hen, die leven volgens de wet, maar wel op hen, die verlangen naar groter innerlijke rijkdom. Hij gaat binnen bij de tollenaar, hij spreekt met de Griekse arts zo goed als met de Samaritaanse vrouw, met de toch overspelige. Hij neemt Maria Magdalena op in zijn gevolg. Hij geneest een Romein, een Romeins soldaat. Hij geneest zelfs de tempelknecht, die de hand op hem wil leggen. Jezus bevrijdt a.h.w. in zijn woorden de goede moordenaar Tumachus. Dat doet hij niet voor niets. Ook dat is een sleutel.

Een sleutel, waardoor wij zullen begrijpen, dat het niet gaat zozeer om onze daden, om wat wij geweest zijn of om wat wij worden zullen, maar dat het gaat om onze innerlijke toestand. Dat het ons geloven, ons aanvaarden van het leven is, wat het meest belangrijke wordt.

Och, we willen allemaal graag een sleutel hebben. De wereld van de geest doet ons zoeken naar een sleutel, waardoor wij, zelfs boven het licht uitstijgende, eindelijk daar in de kosmische eenzaamheid – Gods werkelijkheid aanschouwen. De mens op aarde zoekt naar een sleutel, die hem de werelden van het astrale en van de geest ontsluit. Maar waar zouden wij die sleutel vinden? Het antwoord is zo simpel: Wijzelf zijn de sleutel tot alle dingen. In ons liggen alle mogelijkheden geborgen. Wij zijn het zelf, die door de instelling van het ogenblik alles mogelijk maken.

Geloof mij, wij willen heel vaak mensen helpen. Heel vaak. En ook daarvoor hebben wij een sleutel nodig. Het vreemde is, dat je soms mensen alleen kunt helpen door ze een grotere strijd te veroorzaken. Het is niet prettig. Maar een chirurg weet, dat de sleutel tot genezing soms in de operatie ligt. Zo weet de geest soms, hoe je een probleem moet scheppen om een oplossing van vele problemen mogelijk te maken. Een sleutel.

Een mens zoekt naar een sleutel tot kennis, tot meer begrijpen en meer weten. We zouden die mens willen helpen. Maar wat kunnen we doen? We kunnen hem alleen omschrijven waar in hemzelf die kracht ligt, die voor hem een nieuw gebied openbaart, die het hem mogelijk maakt nieuwe krachten te gebruiken. Sleutels, zijn alle dingen, wanneer ze het ons mogelijk maken een stap verder te gaan of iets meer te bereiken.

En natuurlijk zijn er voor veel afzonderlijke dingen afzonderlijke sleutels. Maar er is één sleutel, dat is a.h.w. de passleutel, die elke deur kan openen. Die sleutel zou ik willen noemen: Ware liefde. Ware liefde in de zin van naastenliefde, kosmische liefde. Onbeperkte liefde, die in volledige genegenheid de eenheid met kosmos en zijn aanvaardt. De onzelfzuchtige liefde, die in de eenheid met alle dingen zichzelf weet te vergeten, om zo te dienen.

Het is niet zonder reden, dat elke meester en elke leraar weer ons de kosmische liefde, de naastenliefde zonder bijzondere gehechtheid, toont als het meest belangrijke. Want…..als je werkelijk opgaat in je wereld, opgaat in je God en het leven zelf, waar blijven dan de scheidsmuren, waar blijven de grenzen? Ze vallen weg. Of je dan pastoor bent of dominee, een fakir of een yogi, een zakenman of een rentenier, het blijft allemaal gelijk. Want in wat je bent beleef je alles. En in het beleven van alles word je zelf met alle dingen verbonden, steeds weer. En in deze verbondenheid ontdek je je God en je wereld, ontdek je jezelf en de eeuwigheid. Voor ons is de grootste en de belangrijkste sleutel de onbegrensde naastenliefde, die niet vraagt naar het ik en niet vraagt naar consequenties, maar leeft en geeft zonder einde.

Ja, dat is wel zo ongeveer de machtigste sleutel. Alle andere sleutels ontsluiten ons één vertrek in ’s Vaders Huis. Maar de grote sleutel, die Jezus ons in zijn leven heeft gegeven, de grote sleutel, die door de eeuwen heen de mensheid steeds weer is voorgehouden, de sleutel tot Gods Wezen zelf, wie die gevonden heeft, heeft geen andere sleutel meer nodig.

image_pdf