God in de natuur

image_pdf

3 september 1962

God in de natuur: het onderwerp, dat aanleiding zou kunnen zijn tot het hol methodisch geluid dat men wel eens gedaas in de ruimte pleegt te noemen en waarmee de wereld op het ogenblik zo rijkelijk overzaaid is. Ik wil echter trachten u een schets te geven, allereerst van de mens in zijn verhouding tot de natuur, in de tweede plaats de ordening in de natuur en in de derde plaats de goddelijke kracht zoals zij ten opzichte van de mens in de natuur tot uiting komt.

De mens zelf heeft, vooral in de primitieve tijd, met groot ontzag en zonder enig begrip, de verschijnselen in de natuur waargenomen. Het zal u allen bekend zijn, dat er haast geen enkel mythologisch pantheon te denken is, waarin we niet een dondergod aantreffen, een god die met de bliksem werkt, zoals we overal godinnen van vruchtbaarheid aantreffen en vele eigenaardige natuurgeesten, die alle voor zich een bepaald verschijnsel verklaren. Een bron, een riviertje, een beek, heeft een eigen geaardheid. De wijze waarop het water stroomt, ja zelfs de smaak van het water, kan verschillen.

De primitieve mens zegt, het kan niet anders of dit moet een persoonlijkheid hebben. En zo ontstaan de waternimfen en ziet men op den duur goden en godinnen, die men te vriend moet houden.

In het begin is daar geen gestalte mee verbonden. Wanneer dan de mens de wetmatigheid in de natuur ontdekt, dan is dit voor hem een verschijnsel waar je rekening mee moet houden, wat niet te begrijpen is en waar je voordeel uit kunt putten.

Maar langzaam maar zeker komt dan het dichterlijk element, de verteller, de bard van later a.h.w., de oudste, die de overlevering van de stam doorgeeft en hij weeft in het verhaal omtrent natuurkracht en verschijnsel gestalte. En deze gestalten worden langzamerhand verweven met behoefte, die in elke mens bestaat om zijn eigen bestaan te verklaren, want een mens kan eenvoudig niet aannemen, dat hij even als een dier zou bestaan om een korte wijle te leven en dan uit te sterven, weg, allemaal verdwenen.

En zo wordt de natuur langzaam maar zeker een afzonderlijke wereld, waarin grote en machtige goden, de heroën der oudheid, gezamenlijk de waardige mens binnen voeren in een eeuwige wereld.

Hier, vrienden, is een typisch verschijnsel aan de hand, een uitbarsting a.h.w. van de eeuwige behoefte tot rationalisatie, die de mens bevangt. Een boom behoeft niet een levend wezen te zijn, maar als ik aan die boom bepaalde gaven toeken, wanneer verschillende gebeurtenissen zich daar afspelen en ik zeg: die boom is heilig, dan kan hij voor mij een godheid worden. Wanneer één boom van de soort heilig is, hoe zou ik aan de andere de mogelijkheid ontkennen dat, ook daarin een machtige boomgeest zou leven.

Wanneer een berg vuur spuwt en met grootse aswolken en nachtelijk geweld de hele landstreek terroriseert, dan kun je dat niet alleen maar verklaren met een gewoon mechanisch gebeuren, dan moet dat een levend wezen zijn, een soort Vulcanus, die in toom ontstoken is en zijn hele onderaardse smidse overhoop gooit. Hier heeft de mens dus allereerst gerationaliseerd. Het verschijnsel moet worden aangepast aan de eigen wereld, aan het eigen denken. En dat kan alleen door datgene wat hij niet kan beheersen, wat hij niet volledig kan verklaren, te zien als directe uiting, belichaming of verschijnsel van hogere macht. Op den duur heeft de mens natuurlijk een andere Godsvoorstelling gekregen. Naarmate de verschijnselen van de natuur beter worden gekend, naarmate de wereld beter wordt begrepen, is het moeilijker een God te zien in een boom of te verwachten, dat de elfen ‘s avonds dansen in een kring in het bos, hoe poëtisch het beeld ook mag zijn. Dan kan dat hoogstens nog een kleine natuurgeest zijn: “the little people” van de Engelsen, vooral van de mensen in Wales, Ierland en Schotland. Maar de Godheid wordt iets anders. Je zou zeggen, dat die dus ver weg staat van de natuur; maar dat is niet waar. De heilige bronnen de Urtes, de heilige rivier de Ganges, purifiëren de geheiligde bergen. De geheiligde plaatsen zijn geworden, in de ogen van velen althans, tot een direct instrument van de Goden. Wanneer u naar Indonesië komt, vindt u daar nog het geloof (het is een verdoken geloof, maar bestaat toch nog steeds), dat ergens in de vulkanen machtige figuren leven, dat bv. een Indra leven kan ergens in een vulkaan.

Het beeld is fout en de naam is fout, maar verder goed. Wanneer ik doorga, dan kan ik nog wijzen op de Fudji Yama, die oorspronkelijk het evenbeeld van de zon was. De toorn van de zon was een uitbarsting voor velen en zelfs nu nog is de vulkaan een geliefkoosd oord voor paren, die door omstandigheden niet zo goed in het leven passen, waar zij regelrecht naar een gelukkiger hiernamaals gaan. Ook nu nog zoekt de mens dus wel degelijk zijn God in de natuur. Alleen hij erkent dat niet meer. Hij zegt God is ver weg. Maar wanneer hij een openbaring van die God zoekt, dan grijpt hij terug naar het directe verschijnsel, dan kunnen we duizend keer verklaren, dat een bron niet miraculeus is, maar als het geloof er is en zij heeft enkele geneeskrachtige eigenschappen, dan is God daar. En dan mag er een bedevaartkerk zijn of er mag ergens een grote stupa gebouwd zijn of er zal een miraculeus beeld staan, dan is dat weer de natuur, de geheiligde plaats, de geheiligde boom van vroeger in een andere vorm.

Het klinkt misschien wat kinderlijk: wanneer we zeggen, dat de moderne mens nog steeds gelooft aan natuurgoden, en natuurkrachten, maar, vrienden, zo vreemd is het ook weer niet. Wanneer we nl. de natuur eens bezien, dan valt ons op, hoe ze op de meest wonderlijke wijze evenwicht behoudt, hoe ze vaste wetten kent, machtiger dan de mens, hoe ze bestierd wordt door krachten, die men zelfs in deze moderne en door de techniek doordesemde tijd ternauwernood begrijpt.

Nog steeds kan men u niet zeggen wat zwaartekracht is en met enige moeite kan men u wel uitleggen, waarom de zon het middelpunt is van het zonnestelsel, waarom de aarde haar baan beschrijft. Maar waarom die baan nu juist elliptisch is, kan niemand u zeggen. Men zegt: dat zijn feiten. Maar ergens achter die feiten moet een wet liggen. En zo vreemd als het klinkt: wanneer je begint met God te loochenen, het bestaan van een hogere Macht en je gaat zien naar de wetten in de natuur, dan rijst toch de vraag: Is er niet ergens een wetgever? Zo manifesteert zich God in de natuur.

Er zijn een hele hoop dingen, waar we verder op door kunnen praten. Waarom bv. is het silhouet van een appelboom zo in overeenstemming met de vrucht, terwijl de perenboom, zo vreemd als het klinkt, een ander silhouet vertoont? Waarom kunnen we vaak het blad identificeren met de boom? Hoe komt het, dat mierenlegers zo goed georganiseerd aanvallen? Hoe komt het, dat vogels hun vaste trekpaden hebben, niet alleen voor een grote trek over continenten, maar zelfs voor de vlucht van hun eigen rustplaats, het nest, naar hun jachtgebied? Vaste wegen. Waarom? Instinct? Gewoonte? Het zijn, naar ik meen, geen voldoende verklaringen.

Neen, wanneer we de hele natuur bezien, dan geloof ik, dat we uit mogen gaan van het standpunt: er is ergens wet, een regerende kracht. Wanneer die regerende kracht er niet zou zijn, wanneer de mens het zo geschapen evenwicht teniet zou doen, dan zou morgen deze wereld, een wereld kunnen zijn, die door insecten beheerst wordt. Want dan zouden de zich snel vermenigvuldigende insecten de mensheid onder hun gewicht verpletteren en gevaarlijker zijn dan een atoombom. Maar er zijn invloeden, die weer de insecten terugtrekken, zoals er invloeden zijn, die een evenwicht bepalen bv. tussen de leeuwen en de trekkende graseters, de planteneters. Zoals er een evenwicht is, dat zelfs, zo vreemd als het klinkt, een spel speelt met de aanwas en het teloorgaan van land, de zee en de kust. Wanneer je het allemaal beziet, dan kom je tot de conclusie dat er wel degelijk wetten zijn. Wetten, die ik misschien mechanisch probeer te verklaren. Zoveel wetten, steeds weer teruggrijpend op één principe, doen toch vermoeden, dat er ergens een wetgevende kracht is. En of ik die nu een eerste Oorzaak wil noemen of God, is niet zo’n groot verschil.

Want, wanneer ik eenmaal gesteld heb dat er een hogere macht is, dan zal ik, zodra ik mens ben, me geneigd voelen, mijzelf met die kracht identiek te verklaren. Ik bewonder de sterkte en de kracht van degene die schept, ik zou mee willen scheppen en ik kom, bewust of onbewust, tot een geloof.

Ook op een ander terrein vinden we typische verschijnselen. Ik weet niet of u zich bezig hebt gehouden met de verschijnselen van de psychologie. We vinden in de psychologie bij het dier bv. een aantal sterk verschillende werkingen, we vinden:
a. een aangeboren instinct. Dat is een zuiver kosmisch iets en kan genetisch verklaard worden.
b. een ervaringspatroon, dat ten dele, maar niet geheel, genetisch aan het nageslacht wordt overgeleverd.
c. Maar dan vinden we nog iets. We vinden een vermogen, dat niet in overeenstemming is met deze beide voornoemde factoren: een reeks van frustraties.
Een hond kan net zo goed schizofreen zijn als een mens. En hij kan net zo goed last hebben van complexen. Alleen omdat het een hond is, komt hij er gemakkelijker overheen. Een mens acht zich in de regel belangrijker wanneer hij een complex heeft dan een hond, die acht uiteindelijk het etensbakje toch wel het belangrijkste.

Neemt u het mij niet kwalijk. Het is geen schimpscheut op de mensheid, maar een vaststaand feit. Voor de mens geldt precies hetzelfde. We kunnen verklaren, hoe de mens komt aan zijn erfelijke eigenschappen. We kunnen verklaren, hoe de mens hem vormt qua karakter en hoe hij kennis opneemt, hoe zijn hersenactiviteit plus zijn voeding en de rest uitmaken hoe hij fouten zal maken, hoe hij gegevens zal absorberen, hoe vermoeidheid op een gegeven ogenblik bv. bepaalde reacties vertraagt of zelfs doet wegvallen.

Maar als we veel verder gaan en kijken wat er achter zit, dan staan we voor het onbekende. En dan moeten zelfs de grote psychologen van deze tijd zeggen: ergens achter de mens vermoed ik God. Nu, vrienden, heb ik het mijne gezegd. Ik zou u natuurlijk nog kunnen spreken over de zon, die, wanneer ze ondergaat met een felheid van rode kleuren tot u spreekt, a.h.w. tot kleur een geluid wordt en de stem Gods uit de natuur spreekt. Dat is waar, maar het is gevoel, het heeft weinig te zeggen.

En ik kan u spreken van de stilte van het woud, wanneer er misschien nog een enkele vogel slaat, ergens in de verte en alles rust, een enkel konijn misschien nog wegritselt, een haas een leger zoekt. En je zegt: door die stilte word ik bevangen. Dan spreekt God tot mij. Het is waar, maar het is gevoel, we moeten ook ergens feiten vinden en nu wil ik trachten om de verhouding God/mens en mens/God vast te leggen in een reeks van zo eenvoudig mogelijke stellingen. Ik weet dat die stellingen stuk voor stuk aanvechtbaar zijn. Ik zeg het er van tevoren bij, dan kunt u daar vast rekening mee houden, als u zo dadelijk wilt protesteren.

Kijk eens, vrienden, wanneer ik ga kijken, dan zie ik dat bepaalde soorten gedreven worden door een gemeenschappelijk instinct. Wij vinden dit zeer sterk bv. bij de lemmingen, bij de trek van de aal, die van de zalm. Maar wij vinden het ook op bijna gelijke wijze soms bv. bij cyoten, de wolven. We vinden het soms ook bij de katachtigen, wanneer deze bv. uit een heel gebied reageren door vlucht, zonder dat andere diersoorten dat doen. We vinden het bij slang. Elke diersoort schijnt te reageren op bepaalde, voor de mens niet kenbare gegevens. Alle doen dat precies gelijk. Zij doen dat ook, wanneer geen kenbare stoffelijke invloed aanwezig is, een kenbaar stoffelijk gevaar ontstaat of uiteindelijk gerealiseerd wordt.

Een aardig voorbeeld kunnen we geven, als we even denken aan een eigenaardig verschijnsel, kort geleden in Afrika. Op een gegeven ogenblik werden er vluchtpogingen waargenomen in hoofdzaak bij de gazellen die overgebleven waren en die trokken allemaal in een en dezelfde richting. Dat werd niet alleen gezien in Zuid-Afrika, dat werd zelfs gezien aan de Arabische kant, over heel Afrika dus. Wat was nu het eigenaardige? De dieren vluchtten zonder een kenbare reden, maar veel noordelijker vond, kort daarop, een aardbeving plaats. Hoe komen die dieren daartoe? Je zou haast zeggen: er is een gemeenschappelijk bewustzijn. Mijn stelling: alle dieren, die in een natuurlijke staat leven en dus de natuurkrachten in hen niet gedeeltelijk hebben vervangen door verering van of haat tegen de mens, staan onder een gemeenschappelijke band en die band heeft bewustzijn. We noemen ze meestal gemakshalve: groepsziel. Wij kunnen deze beschouwen als een persoonlijkheid.

De reacties daarvan zijn reacties, die we als mens niet volledig kunnen verklaren, die wij als geest bij benadering zien, omdat we begrijpen, dat de ontwikkeling van het ras daarmede gemoeid is. In de tweede plaats, wanneer we ons bezighouden met de levenskracht van planten en bomen, dan blijkt ons, dat die levenskracht niet zoals bij het dier (vooral bij de hogere dieren) betrekkelijk centraal is gelegen. Zij blijkt over het geheel verdeeld te zijn en zou kunnen worden verklaard aan de hand van het mechanisch proces.

Zolang er een opzuiging van sappen en voedingsstoffen plaatsvindt, is er een omzetting en is er leven. Noodzakelijk is dus enig vocht, enige grondzouten en de productie van chlorofyl moet enigszins aan de gang kunnen zijn. Maar wat is nu het typische? Toch kan ik een boom in het hart treffen en dan verwelkt hij. Dan is het net of er, ondanks het onbeschadigd zijn van de schors, er ergens iets getroffen is.

Men vindt dat bij bepaalde planten ook. We zien verder, dat planten reageren op prikkels en dat sommige daarbij een specialisatie ontwikkelen, die aan bewustzijn doet denken. Vooral bepaalde vleesetende planten, waarvan u hier, geloof ik, alleen de zonnedauw kent, hebben eigenschappen, die, wat dat betreft, de moeite waard zijn. Wanneer u daar nu eens over nadenkt, dan zegt u: levenskracht is niet IN, maar OM de boom. Verschil met het dierlijk leven. Maar daardoor wordt weer een hele reeks van werkingen bepaald. De overeenkomst kan niet alleen erfelijk verklaard worden. Ook de kruisingsproducten en hun voortbestaan kunnen niet alleen maar verklaard worden uit, laat ons zeggen, de natuurlijke kwaliteiten.

Een bollenkweker, die zich bezighoudt met het beïnvloeden van bollen en hun voortplanting, bv. door middel van straling, ontdekt, dat sommige varianten absoluut houdbaar zijn en vast. Die vallen niet op het vorige type terug. Andere typen sterven en weer andere typen veroorzaken slechts een tijdelijke ziekte of een tijdelijke verandering. Waarom? Omdat volgens mij ook de levenskracht van de planten gezamenlijk gebonden is. Wanneer ik verder zie, hoe de plant noodzakelijk is voor het dierlijk leven en omgekeerd het dierlijk leven de beste voedingsstoffen schijnt te verschaffen aan de plant, dan zou ik moeten spreken over een absolute samenwerking. Een samenwerking, die door geen van alle wordt beseft, maar die een definitieve kringloop vormt, een kringloop, waarbij elk deel moet zijn afgestemd op het andere.

Waar dit evenwicht is verstoord, zoals in sommige grote steden, blijkt plotseling de mens zwakker te worden, zijn zenuwkracht laat na en in vele gevallen is hij vatbaar voor ziekten, die anders eigenlijk wat sub rosa blijven, waar niet te veel over gepraat wordt.

Hier, vrienden, is ook weer een vraag. Is er soms iets wat die totale samenhang regelt? Wanneer ik nu ontdek (dat is een heel vreemd verschijnsel), dat een plant (een boom bv. in een grote stad, waar in verhouding eigenlijk veel minder mogelijkheden zouden moeten zijn levensvrijheid te ontplooien) vaak met bijzondere snelheid groeit en in verhouding tot een gelijksoortige boom van gelijke ouderdom in de vrije natuur, veel meer blad vormt, dan zou je zeggen: hier is klaarblijkelijk een plant bezig, die zich gedwongen voelt aan een omzettingsproces deel te nemen om meer zuurstof te produceren. Hier zijn toch wel dingen waar we even over moeten nadenken: een evenwicht, dat klaarblijkelijk geregeld wordt. Nu kunnen we wel zeggen: Het gaat allemaal automatisch, maar een mens die nadenkt, zegt: er moet een beweegreden zijn, een oorzaak.

Ik kan niet aannemen, dat de dode aarde, dat onbewuste, vaak haast mechanisch levende wezens als planten zich zo maar aan kunnen passen. En zeker niet, dat zij dat zo juist doen en zo snel. Er moet ergens een kracht zijn, die dit alles leidt en dan zegt de mens: God.

Wanneer ik gezegd heb: God, dan kom ik automatisch terug op de mens en zijn denken. De menselijke gedachte kan de plantengroei, het welzijn van dieren en van mensen beïnvloeden. Maar waar haat is, daar, waar neerslachtigheid is, verliest de mens zenuwkracht. Hij heeft veel minder vermogen tot recuperatie, het is of er een te kort is aan prana. Waarom? Om de reden, dat ook gedachten krachten zijn en de invloed op de omgeving merkbaar is vast te stellen. Binnenkort, men is er op het ogenblik mee bezig, zal het ook technisch mogelijk zijn.

Ik mag dan concluderen, dat alle veranderingen op aarde, die niet beredeneerd kunnen worden en schijnbaar aan een toeval, moeten worden toegeschreven aan een groter denken. Dit is de eenvoudigste en meest redelijke verklaring. We hebben een heel eenvoudig middel als mens om te hanteren. We hebben ons gevoel. Maar, wanneer men zegt: ja, maar ik zou graag een God willen zien, die voor mij apart een huis bouwt in de hemel en ik zou eeuwig willen zijn, een grote heros, een machtige, schone en vereeuwigde Helena van Troje misschien of een Cleopatra. Maar we zijn dat niet en dat weten we heel goed. Gaan we onze verlangens projecteren? Ja, natuurlijk, dan vinden we onze persoonlijke god, een gedachtebeeld, dat we zelf scheppen. Maar wanneer we een eenvoudige verklaring zoeken, die nergens behoeft te wringen, dan kunnen we het leven alleen zien, wanneer we zeggen: er is een God, dat moet ik erkennen. Ik ben van die God afhankelijk, die God zegt mij iets, zo goed als de rest. En dan ga ik in de natuur die God zoeken, d.w.z. ik ga mijn eigen plaats zoeken, mijn eigen evenwicht. En de ene mens vindt dat in kleur, in geluid. Er zijn mensen, die met ware vreugde uren lang naar het getjirp van krekels zitten te luisteren. Een ander luistert graag naar het gezang van de nachtegaal. Er zijn ook mensen, die zo’n arm beest zouden willen doodslaan, omdat het maar door blijft tierelieren.

Kijk eens, elke mens kan in de natuur ergens de harmonie, de Goddelijke gedachte voelen. Zodra hij temidden van de menselijke schepping is, dus bv. in een stad als deze, dan is dat moeilijk. Dan sta je met menselijke gedachten, met beperkte dingen, maar zodra we in de natuur komen, kan er een harmonie ontstaan, een gevoel van oneindigheid. Het vreemde is ook, dat op een gegeven ogenblik de horizon wijder schijnt te worden, de tijd schijnt weg te vallen, dat je een ogenblik, al is het nog zo kort, eigenlijk het idee hebt dat je niet eens helemaal bestaat. Je bent harmonisch met een geheel. Is het niet logisch om te stellen, dat elke mens zijn plaats heeft in een geheel? Maar juist binnen de natuur kan hij een God vinden, die niet omschreven hoeft te worden, een God, die niet noodzakelijkerwijze op een gouden troon zit, om met zijn witte baard glimlachend bevelen en toornige, wraakzuchtige gezegden en wetten naar de aarde te slingeren. Een werkelijke God, waarvan je alleen maar zegt: het Onbekende, dat in mij doordringt.

En ik geloof, dat we bijna een cirkel hebben gemaakt met deze inleiding. In het begin stond er een mens, die alles moest rationaliseren en die het onbekende God noemde. Nu hebben we te maken met een mens, die het onbekende wil verklaren, maar die alleen het onbekende kan verklaren, wanneer hij in zich die vrede vindt, die God heet. God blijft een werkelijkheid, ook al is het het meest lege woord wat op aarde wordt gebruikt. Want niemand weet, wat God is. Maar in de natuur vooral, in de vrijheid a.h.w. van een natuurlijk evenwicht en een natuurlijke samenhang, dringt het oneindige in je door. Het jachtig in brokstukken hakken van tijd, wat je zelf doet, gaat teloor. Daarvoor in de plaats komt een geleidelijke vloed als een statige rivier, de Rijn bv., doorstromend, oneindig en gelijk, nu eens zo’n golf zon weerkaatsend, dan weer op een andere wijze. Dan is de tijd teloor gegaan, dan worden wij een moment tijdloos als mens, maar ook als geest, want wat voor u bestaat in uw natuur, dat kennen wij in duizend andere trillingen en stralen. En als zo t.o.v. eigen welbehagen en welzijn door bepaalde psychische verschijnselen wordt geregeerd, zo herkennen wij wel degelijk, dat ook sommige krachtgolven op komen zetten en zich weer terugtrekken alsof ergens een onbekende reus adem haalt. God leeft, hoe weet ik niet, maar Hij is er.

Wanneer de mens de natuur in gaat en een ogenblik zijn bezigheid met eigen beperkingen ter zijde stelt, wanneer hij een ogenblik het krampachtige, al is het maar het krampachtige om iets te scheppen of iets te doen, ter zijde stelt, dan leeft hij pas, dan wordt hij pas geladen met levende kracht, dan vindt hij een gezondheid terug die verloren scheen. Het is een oud bijgeloof, wanneer in, bepaalde streken van India en Perzië een mens werkelijk ziek is geweest, dan brengt men hem in de schaduw van een boom, dan legt men hem op de blote aarde, want, zo zegt men: de uitstraling, de uitwaseming van moeder aarde is de levende kracht van de mens. En dat scheelt niet veel. Dit begrip zou ik willen noemen: God in de natuur. De natuur is onze levende kracht, zolang we op aarde leven. U kunt alles doen om u boven de natuur en het natuurlijke te verheffen, maar het blijft kunst, het blijft een begoocheling. Want wanneer alles wegvalt, dan keer je terug tot de natuur, meer begrijpend misschien, meer intens levend met de natuur zelf en alleen daarin vindt je de levende kracht, hervindt je het leven. En dan vindt je iets, wat niet een nauw omschreven geloof is, maar een bewustzijn van oneindig bestaan.

Ik geloof, vrienden, dat daarmee de moderne mens, ondanks zijn verklaring voor alle verschijnselen, die men eens God noemde, is teruggekeerd tot het punt van uitgang, het punt, waarin alleen de mystieke unie a.h.w. met het levende, met God, nog zin kan geven aan eigen bestaan. En waar alleen het opgaan in een groter geheel zin geeft aan eigen streven.

Ik hoop, dat u deze inleiding niet rangschikken zult onder de vele, te lege woorden, die gesproken worden, dat u de eenvoudige conclusie zult onthouden. U kunt leven, u wilt, maar, wanneer u niet zo nu en dan het contact met de natuur terugvindt, zal uw leven kort en zorgelijk zijn. Maar wanneer u in de natuur een ogenblik uzelf verliest, dan vindt u daarin kracht en krijgt het leven zin.

Ik wil niet verder gaan, want ik heb al heel wat aangestipt. Ik wil op alle genoemde punten na de pauze ingaan en hoop dat u uw vragen zodanig zult formuleren, dat we in korte tijd veel interessants kunnen behandelen. Alleen één ding moet u me niet vragen: wat is God? Dat God is, weet ik, maar wat Hij is, heb ik zelfs in het boek der natuur niet kunnen lezen.

Vragen

We beginnen nu dus aan het gedeelte, waarin u aan het woord komt, het gedeelte, dat aan de avond zijn eigenlijke betekenis geeft. Het is mogelijk dat u een vraag stelt, die ik niet kan beantwoorden. Dan zal ik het u eerlijk vertellen. Ik zou u willen verzoeken, zoveel mogelijk de vragen te houden in verband het onderwerp zelf.

  • In het begin van uw inleiding, als ik u tenminste goed begrepen heb, hebt u gezegd, dat de mens in den beginne bij bronnetjes, beekjes en riviertjes zich a.h.w. een God voorstelde. Bedoelde u daarmee ook te zeggen, dat de natuurgeesten niet bestaan?

Ik bedoelde daarmee inderdaad dat de natuurgeest, gezien als een Goddelijk, of ten opzichte van de mens, meerwaardig wezen, niet bestaat. Er bestaan natuurgeesten, maar een doorsnee-natuurgeest is een wezen, dat gebonden is, hetzij aan bepaalde materie of bepaalde levensvormen en dat dus een levens- of ervaringsmogelijkheid heeft, die vaak ver beneden die van de mens ligt. Verder moeten we wel begrijpen, dat het intellect van sommige natuurgeesten heel wat lager ligt dan dat van de mens en in sommige gevallen zelfs lager dan dat van de mensapen.

Wanneer we bv. de kleine geesten, de zgn. dwergen zien, die overigens niet zo vaak meer voorkomen in bevolkte gedeelten, dan ontdekken we, dat die wel onder bepaalde omstandigheden a.h.w. kunnen bannen, vangen (dan komen we op dreigende magie), maar ze kunnen niet meerdere taken of een meer complexe taak op zich nemen. Ik kan bv. zo’n wezen leren schrijven, maar dan moet ik niet ook nog proberen het te leren een potlood te halen, dat aan te punten en schrijfpapier klaar te leggen of een lei klaar te leggen, want in dat geval brengt het van alles niets terecht. Eén bepaalde taak kan het verrichten, meerdere taken alleen onder voortdurende supervisie en daar hebt u dus wel een bewijs, dat het heel anders reageert.

Wanneer u zich bezighoudt met de volkslegenden, dan zal het u ook opvallen, dat kabouters, zoals dat dan meestal heet, en elfen heel vaak zo eigenaardig reageren. Ze draaien om als een blad aan een boom, ze worden nijdig, schijnbaar om niets. Ze zijn het ene ogenblik kwaadaardig en het andere vredelievend en hulpbereid, zodat we denken moeten aan een dier, dat immers ook zijn eigen instinct en zijn eigen temperament uitleeft, zich daarbij geen enkele rem opleggend. Ook dat vinden we bij heel veel, niet bij alle, natuurgeesten terug. En daarom moeten we heel voorzichtig zijn, wanneer we natuurgeesten op een hoger niveau dan de mens willen stellen.

Ik geef toe, er zijn bepaalde natuurgeesten die inderdaad hoger staan dan de mens, maar dat zijn er maar heel weinig in verhouding, en hun taak is dan toch ook alweer één taak, die we menselijk zouden kunnen beschouwen als een soort van reinigingsdienst van de atmosfeer en daarom lijkt het mij verstandig, om in ieder geval te ontkennen, dat de natuurgeest ooit ten opzichte van de mens een Goddelijke of zelfs maar goddelijk schijnende of bovennatuurlijke macht, een bovennatuurlijke positie zou kunnen hebben. Het is een wezen dat naast de mens bestaat, dat met de mens kan samenwerken, dat een eigen ontwikkeling heeft, maar in zeer vele gevallen, althans wat redelijke vermogens betreft en zelfbeheersing, bij de mens ten achter staat, primitiever is.

  • Ik wou alleen nog vragen: bestaat er een evolutie in die wereld?

Voor zover wij kunnen nagaan, bestaat er geen evolutie in die wereld en dat is vermoedelijk te wijten aan het feit, dat de natuurlijke omstandigheden praktisch gelijk blijven, terwijl elke te grote wijziging tot een vlucht voert. Zoals dieren wegtrekken, wanneer de mensen beginnen om ergens een grond te ontginnen, zo trekt de natuurgeest weg, wanneer zijn milieu te veel verstoord wordt. Wel hebben we gemeend vast te kunnen stellen, dat een zgn. natuurgeest onder omstandigheden ook onder een andere levensvorm kan voortbestaan en dan lijkt het mij, dat hier ook de oude sagen en legenden wel weer enigszins gelijk hebben, wanneer ze zeggen, dat de natuurgeest onder omstandigheden mens kan worden.

Ik weet alleen met zekerheid, dat ze onder zulke omstandigheden in dieren of in planten gebonden gaan leven in de buurt van een mens en daar ontstaat dan inderdaad een evolutie. Maar die voert dan tot een ontvluchten van de vorm, de levensvorm en sfeer van de natuurgeest. Is dit voldoende?

  • Ik ben nog niet tevreden.

Nu, dan gaat u rustig verder.

  • De filosofie heeft mij geleerd, dat er een vorm is van evolutie vanaf de natuurgeest tot aan de hogere engelenwereld.

Dat kan de filosofie u inderdaad leren en dat is, als we de trappen van leven bezien, volledig juist, maar, wanneer ik zeg, dat er een trap is, zeg ik nog niet, dat iedereen, die op een bepaalde tree staat, absoluut moet klimmen, m.a.w. evolutie is geen noodzakelijk verschijnsel, het is een verschijnsel, dat alleen voort kan komen uit een – en neemt u mij nu niet kwalijk, dat ik ook filosofisch word – uit een betrekkelijk vrije keus, al is het maar tussen twee mogelijkheden van het individu. Daarbij blijkt, dat een keuze in de richting van het chaotische vaak gedaan wordt, maar dan gevolgd wordt door een soort uitsterven van het ras, een teloor gaan van bepaalde eigenschappen, die men reeds bezat.

Wanneer u de rassen na wilt gaan, die op het ogenblik op aarde zijn, dan zult u ook tot de conclusie moeten komen, dat er rassen zijn, die – om eens een monetaire vorm te gebruiken – devalueerden. Ze nemen wel in aantal toe, maar hun werkelijke capaciteit en vermogen en weerstand vermindert aanmerkelijk en ook hun verstand. En wanneer we nu daarvan uitgaan, dan mogen we zeggen: dat voor degene, die naar bewustzijn streeft en zoekt, inderdaad een trap van vormen bestaat, die reikt vanuit de chaos tot de absolute vormen en daarbij is de natuurgeest, het mens zijn, het geest zijn of zelfs engel slechts een trap op de weg naar boven toe. Maar dat houdt niet in, dat het individu als zodanig deze weg gaat.

Verder wil ik er op wijzen, dat ik stelde, dat bij een evolutie, een verder gaan, er geen sprake is van de natuurgeest, die regelrecht naar de engelen toe gaat en ook niet van de mens. Mensen zijn ook geen engelen, al doen ze soms alsof. Wanneer ik nu stel, dat zij kunnen evolueren qua bewustzijn, dan stel ik slechts het enig juiste. Er is een voortdurende evolutie van vorm en er is een evolutie van bewustzijn, van een werkelijk ego mogelijk en daarbij zullen de verschillende vormen in stof en in geest een rol kunnen spelen bij de verdere bewustwording.

  • U hebt gezegd, dat die gazellen in heel Afrika vluchtten, maar ik begrijp niet, dat niet alle dieren dat deden.

Wanneer er sprake zou geweest zijn van een gevoel van een ramp, die alles omvatte, dan zou dat inderdaad ook het gevolg zijn geweest, maar we hebben hier klaarblijkelijk te maken gehad met een buitengewone gevoeligheid van een diersoort of beter gezegd van een groep soorten, die deze paniek van het komende hebben opgevangen. We kunnen daar natuurlijk ook een andere verklaring voor geven.

Ik heb al gezegd, mijn stellingen zijn betrekkelijk aanvechtbaar, want we kunnen ook zeggen, dat er ergens bij soortgelijke dieren een paniek ontstond en dat, door een soort telepathische overbrenging, alle andere dieren werden aangestoken.

Dan kunnen we ons dat als een soort golfbeweging voorstellen naar het zuiden toe. De feiten wijzen er echter op, dat die vlucht niet gelijkmatig is geweest door een golfbeweging, eerst in het noorden en dan steeds zuidelijker, maar dat zij incidenteel was, soms ineens een trek in het zuiden en pas later in het noorden bijvoorbeeld. Ik geloof dan ook dat we hier mogen stellen, dat er een gevoeligheid is geweest van een enkel ras en daarom aan mogen nemen, dat dit een invloed was, die vanuit een bepaalde groepsgeest, althans van een gemeenschapsbewustzijn, uitging. Vandaar mijn conclusie. Is dat voldoende?

  • Ja, ik heb meer van die groepsgeest gehoord, maar hoe die eigenlijk werkt, is mij toch niet duidelijk.

Om dat nu eens eenvoudig te zeggen, is lastig. Hebt u wel eens een stel kinderen op een schoolreisje gezien? De meester is de groepsgeest. Hij bepaalt waar ze naar toegaan. Een ieder kan wel zijn eigen kant uit gaan, maar gaat hij te ver, dan zal de meester hem bij zijn lurven pakken en hem terugbrengen in het meer disciplinaire milieu van de klas.

  • Dus dan komt het op kuddegeest neer.

Inderdaad. Een kuddegeest, die overigens ook de mens bezielt. Vandaar dat wij ook bij mensen van rassen, maar ook zelfs van nationale en kleinere groepsgeesten spreken, ofschoon dat niet altijd juist is, omdat een kleinere groep ook een gemeenschappelijke suggestie kan opbouwen. Een andere beïnvloeding, waaruit dan bepaalde morele of sociale maatstaven, zekere gevoeligheden, zich kunnen ontwikkelen, waardoor het gedragspatroon van eenieder, die binnen zo’n kader geboren wordt, van tevoren al heel sterk is bepaald.

Dat vinden we ook wel bij sommige sekten, denkt u bv. eens aan de mennonieten, die die invloed soms heel sterk hebben, de quakers, we hoeven nog niet eens ver weg te gaan. We kennen dat religieus en ook in de beslotenheid van bv. een dorpsgemeenschap. En dan kunnen we dus zeggen, dat daar een groepsgeest heerst, maar persoonlijk ben ik daar niet voor. Ik zou hoogstens zeggen: er is een gezamenlijk bewustzijn ontstaan, een soort bovenbewustzijn van juist die groep, die voor beïnvloeding op aarde of in de sferen veel vatbaarder is dan andere, zodat zij de suggestie sterker ondergaan.

  • Als men in de natuur loopt en ontspannen is op de wijze, zoals u zo straks geschilderd hebt, en men hoort stemmen, die men normaliter niet hoort, zijn dat dan innerlijke stemmen of is dat wat anders? En de tweede vraag is: kan men op zulke lucide momenten in zijn eigen toekomst kijken?

Een vraag, die voor zeer vele beantwoordingen in aanmerking komt. Ik kan er nl. alles van maken, maar ik zal proberen, eerst de eerste vraag te beantwoorden. In de eerste plaats: Wanneer u een lichte gehoorsafwijking hebt, dan kan het mogelijk zijn, dat de betrekkelijke stilte u het ruisen van het bloed doet horen. Bent u met bepaalde problemen bewust of onderbewust bezig, dan meent u een stem te horen, door te luisteren praat u dan met uzelf, een veel voorkomend verschijnsel in deze tijd.

De tweede verklaring: Wanneer u in de natuur bent, gaat bij u de emotie aan het werk. U komt dus niet alleen in een toestand van ontspannenheid, maar wordt bovendien emotioneel gericht. Het resultaat is, dat een deel van uw onderbewustzijn, waarvan u het bestaan normalerwijze niet beseft, actief is en doordringt tot het zgn. waakbewustzijn. Het resultaat: het opkomen van allerhande gedachten, die u tot een redeneren met uzelf kunnen voeren en soms is dit zo intens, dat we met een auditieve hallucinatie te maken hebben en dat men denkt deze dingen van buitenaf te horen.

En dan is het natuurlijk ook mogelijk, maar ik noem hier twee veel voorkomende verschijnselen, dat u te maken krijgt met een toestand van zodanige ontvankelijkheid, waarbij het ik op de achtergrond treedt, dat u contact met een geest of zelfs met een bestraling van de omgeving op kunt nemen.

Is dat het geval, dan zal die omgeving dus direct tot u kunnen spreken en ze zal u feiten kunnen mededelen, die u inderdaad niet wist. Zo kunnen ook aanwijzingen worden gegeven omtrent het verleden en de toekomst. Kan een mens in zijn eigen toekomst zien? Principieel ja, omdat elke mens zoveel feiten in zich heeft opgenomen, dat hij ook zonder het optreden van paranormale eigenschappen of occulte werkingen een groot gedeelte van die toekomst redelijk kan overzien. Alleen dit combinatievermogen staat hem niet bewust ten dienste, wanneer hij op een gegeven ogenblik zijn bewustzijn zover onderdrukt, dat dit haast instinctieve werkingen, dus colloratio van feiten, tot stand brengt. Dan ontstaan toekomstbeelden, die niet volledig zuiver zijn, maar treffend genoeg om te stellen: hier heb ik toch werkelijk in mijn eigen toekomst gezien. Soms ziet men op deze wijze ook in de toekomst van anderen. Het is verder mogelijk dat een mens ontrukt wordt aan zijn eigen tijdgebondenheid. En nu moet ik tot mijn spijt weer filosofisch worden. Maar elke mens leeft. Zijn eigen leven is een afmeting, een lijn, ook wanneer die lijn normalerwijze door de mens punt na punt wordt beleefd. Op het ogenblik, dat de binding van het Ik aan deze lijn van beleving niet meer vaststaat, kan het bewustzijn de gehele lijn overzien. Is daarbij een bepaald punt dat de aandacht trekt, dan krijgen we vaak een zeer gedetailleerd beeld van een toekomstige gebeurtenis, waarbij men betrokken is. Echter moeten we er wel op wijzen, dat dergelijke beelden nooit volledig zijn. Ze kunnen soms een detail weergeven terwijl de belangrijkste zaak ter zijde wordt gelaten.

En dan het laatste punt, maar dat komt natuurlijk betrekkelijk zelden voor en behoort werkelijk onder het occultisme, vooral het geschoold occultisme. Men kan onder omstandigheden zich zo instellen op de tijd, dat men bewust elementen daarin kan vinden van belang en deze kan volgen. Daarbij treedt het eigenaardige op, dat wij die tijd niet onbeperkt kunnen versnellen. De beleving van een uur in de toekomstige tijd binnen de gedachten, zonder dat daarbij lichamelijke reacties nodig zijn, vraagt dan altijd nog 5 minuten, een tiende tot een twaalfde dus van de normale tijdsduur, zoals men die doormaakt. Meer kan men dit niet verkorten. Men kan dus niet jaren van zijn eigen toekomst overzien in betrekkelijk korte tijd.

  • De trant van uw betoog brengt mij nl. tot een vraag, die er niet over gaat, maar over uzelf. Bent u geneigd, die te beantwoorden, omdat u zo uitdrukkelijk gevraagd hebt, het bij de stof te laten?

Wanneer het gaat over mijn persoonlijk bestaan en voortbestaan, ben ik niet bereid inlichtingen te geven. Wenst u echter omtrent de spreektechniek of andere punten toelichting, dan wil ik die wel verstrekken.

  • Ja, ik weet niet, onder welk hoofdstuk u het wilt rangschikken, maar mijn vraag is eigenlijk over de trant. De overigens zeer heldere trant van uw betoog doet bij mij de vraag rijzen, hoe lang geleden u eigenlijk bent overgegaan en in wat voor staat van bewustzijn bevindt u zich?

Het laatste is moeilijk te beantwoorden. Zeg ik nl.: ik ben zeer bewust, dan zegt u: hij schept op, zeg ik: ik ben onbewust, dan zegt u: waarom praat u dan. Dus dat laat ik maar aan u over. Ik kan hoogstens zeggen voor mijzelf: ik leef in een lichte wereld en ben daarin gelukkig. Ik ben nog niet, volgens de bij ons geldende normen, lang over. Ik ben overgegaan in 19.. , wacht even ik kan het nagaan, 17 Februari 1917. Dus dat is nog niet zo lang geleden. In die tussentijd heb ik geleerd. Nu ja, het ligt er natuurlijk aan, hoe u rekent, maar in die tijd heb ik eerst in mijn eigen wereld een aanpassing doorgemaakt en daarna heb ik mij, misschien omdat ik op sommige punten nogal agressief ben aangelegd, meer geworpen op de problemen in de stof. Ik meen, dat ik ook van uw stoffelijke problemen van het ogenblik redelijk op de hoogte ben.

  • Ik dank u zeer, maar ik geloof, dat u mij verkeerd begrepen hebt. Ik ben niet gedreven door persoonlijke nieuwsgierigheid, het was zuiver de aard van uw betoog, die mij die vraag ingaf ten dele.

Ja, dat kan ik begrijpen. U moet mij ook niet kwalijk nemen, dat ik dus een voorbehoud maak. Ik maak dit nl. niet alleen voor u, maar altijd voor alle aanwezigen. Wanneer ik hier spreek tot u, dan doe ik dat als deel van een geheel en dat betekent dus dat mijn persoonlijkheid alleen niet aansprakelijk is voor hetgeen gebracht wordt in die zin, dat ik alle gegevens onmiddellijk ter beschikking heb. En wat betreft mijn betoogtrant, het zal u misschien verbazen, wanneer ik u vertel, dat ik officier ben geweest, waar luidheid de welbespraaktheid pleegt te overtreffen. Nu, vrienden?

  • Een bepaalde vorm van helderziendheid kan die tot doel hebben dat men ook natuurgeesten ziet? Ik heb nl. wel eens gelezen, in een van de boeken van Conan Doyle, dat hij, wanneer het ‘s nachts stil was, bezocht werd door kabouters. Is dat fantasie of werkelijkheid?

Laat ons heel voorzichtig zijn en zeggen, dat dit over het algemeen gesproken waar zou kunnen zijn, maar dat, naar mate er meer fantasie bestaat daaromtrent en men zich er meer mee bezighoudt, de mogelijkheid, dat men een dergelijke verschijning onbevooroordeeld, dus enigszins objectief, waarneemt, afneemt. Het is nl. zo, dat een natuurgeest voor een groot gedeelte amorf is, d.w.z. hij kan allerhande vormen aannemen en is niet aan een bepaalde vorm gebonden.

Een kabouter met altijd hetzelfde puntjasje, hetzelfde gezicht en dezelfde baard, bij wijze van spreken, wanneer ik me nu een bepaald beeld voorstel en daar sympathiek tegenover sta, dan voelt die natuurgeest die levenskracht plus die sympathie en zal dus trachten te beantwoorden aan mijn voorstelling. Kan hij dat niet helemaal, dan zou iemand onder suggestie geneigd zijn, om die details er zelf bij te denken. En daar krijgen we dus een heel moeilijk punt. De mens neemt niet objectief waar en wordt vooral bij dergelijke waarnemingen sterk door zijn eigen verwachting beïnvloed. Het resultaat is, dat men vaak dingen ziet, die er niet zijn. Nu was Conan Doyle iemand die wel logisch kon denken, maar die aan de andere kant, ik zou hier willen zeggen, hier en daar de realiteit toch wel eens uit het oog verloor. Hij was nl. door enkele reële fenomenen zodanig geboeid, dat z’n kritisch vermogens wel eens plaats moesten maken voor zijn artistiek temperament, dat ook wel enige fantasie bezat.

  • En de foto ook?

Er zijn foto’s genoeg gemaakt van deze dingen, maar mag ik er u even op wijzen, dat onder gunstige omstandigheden, vooral, wanneer men gebruik kan maken van infraroodgevoelige platen, men zelfs gedachtenbeelden, wanneer iemand sterk geconcentreerd is, kan fotograferen, m.a.w. een dergelijke foto is geen onomstotelijk bewijs voor de werkelijkheid.

  • Kan men een eigen gedachtebeeld ook fotograferen?

Ja, dat is een heel typisch verschijnsel. Kijkt u eens, een gedachte is een soort uitstraling, nu kunnen we dat heel eenvoudig zeggen: zoals een kachel warmte uitstraalt, zo straalt een mens, die denkt, in zekere mate een gedachte uit. En die gedachte kan de fijnste deeltjes van de stoffen (en denkt u nu niet direct aan kleinste delen, maar ook aan die stofjes, die u soms in de zon ziet dwarrelen) stuwen, net zoals licht druk heeft, dus iets bewegen kan, zo kan ook de gedachte dat doen. Projecteer ik nu een zeer scherpe en simpele gedachte, dan is die uitstraling in staat, om iets te scheppen dat enige warmte uitstraalt. Er is een terrein, een vorm die iets in temperatuur verschilt van de omgeving. Hebt u nu een gevoelige plaats, dan kan (tenminste ik meen, dat dat met modern materiaal mogelijk is) dit verschil in warmte a.h.w. worden gefotografeerd en dan zie ik in dat verschil een vorm of een gestalte, maar dat is in feite de activering van een uitgaande gedachte. Daarmee krijgen we dan ook tevens een eigenaardige vertekening en kan zoiets sluiervormig worden, want de hoek, waaronder de foto wordt genomen, kan bepalend zijn voor de vorm, waarop het beeld werkt. Wanneer ik mij nl. concentreer op een bepaald punt en ik heb daar een ruimtelijke voorstelling van, dan zal, gezien die verwarming, een front ontstaan als de doorsnee van een gestalte, een poppetje. Maar kijk ik opzij, dan is dat vertrokken en verwaasd en dan zie ik daar dat wegvloeien erbij. Dan hangen er allerhande draden omheen. Het is misschien wel aardig om dat eens te vertellen. Op dezelfde manier kunt u met een plaat, die gevoelig is (en daar kunt u het best zilvernitraat voor gebruiken) eenvoudig door de handen op te leggen op die verzegelde plaat die luchtdicht is afgesloten, door concentratie vaak eenvoudige figuren tekenen daarop. U moet niet denken, dat u een portret kunt tekenen, maar een hokje, een kruisje, een cirkeltje, dat gaat onder omstandigheden. En nu is ook weer het eigenaardige: dat gaat niet van de handen uit, zoals men denkt. Maar het feit dat ik denk aan die plaat tussen mijn handen en voorstel dat er iets gebeurt, concentreert mijn gedachte op die plaat. Die uitstraling is voldoende om een wijziging tot stand te brengen. Dat is dan alleen een licht/duister verschil, waarbij een dergelijke figuur meestal niet licht is, maar grijs ten opzichte van zwart, laat ik het zo zeggen. Hier hebt u dus een hele hoop eigenaardige mogelijkheden en verschijnselen.

En wanneer we nu over foto’s bezig zijn, moeten we ook iets anders niet vergeten: het is mogelijk om een geest te fotograferen, maar alleen, wanneer de condities buitengewoon gunstig zijn. Want een geest is niet alleen voor zijn zichtbaar worden afhankelijk van uw goede wil en voldoende ectoplasma, maar hij is ook van afhankelijk van lucht-elektrische verhoudingen, het vochtgehalte van de lucht en van de elektrische spanning die er bestaat. In sommige gevallen zal dus in een kooi van Faraday een foto wel slagen, die normaal niet slaagt, omdat er een te onrustige en te hoge spanning ten opzichte van de aarde in de lucht is. Zo zijn er duizend en één factoren, die een rol spelen.

Nu komt er nog iets bij: er is altijd een focus nodig, een brandpunt, ook voor de manifestatie van een geest en deze ligt altijd in de richting van iemand, die gevoelig is. Dat klinkt misschien, heel vreemd. En wanneer een fotograaf mediamiek is, heeft hij veel meer kans om een goede foto te maken van een gedachtebeeld of van een geest dan iemand die niet mediamiek is. Door zijn gevoeligheid trekt hij a.h.w. alles op zich af en dus ook op zijn fotografisch materiaal. Daar zijn honderd en een dingen over te vertellen en ik zou hier een hele lezing kunnen gaan geven over geestenfotografie, maar dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Nu wil ik alleen nog even terugkomen op die natuurgeesten. Wanneer u een gedachtevorm kunt fotograferen en iemand gelooft intens dat er een natuurgeest is en zit er naar uit te kijken, dan is er grote kans dat het door mij genoemde verschil in temperatuur op een bepaalde plaats ontstaat, een zekere verhoogde beweging van luchtmoleculen, enz. en dat daardoor een schim wordt gefotografeerd. En nu zijn er heel veel mensen, die zo’n foto maken, die het dan prettig vinden. Het is eigenlijk geen retouché, maar ze zetten het een beetje aan, dat het wat duidelijker wordt. En zo kun je dan een geestenfoto krijgen, die schijnbaar veel details geeft, maar waarbij in feite het accentueren van bepaalde lijnen (trucjes ook vaak met  ontwikkelen, als ik mij niet vergis) het eigenlijke reliëf geeft.

En dan ten laatste dit: Wanneer u werkelijk een natuurgeest in gemanifesteerde vorm zou fotograferen, dan is hij wel volledig in details, maar we zien altijd een wazige uitlijn. Die is altijd wazig, ook wanneer bv. het gezicht duidelijk tot uiting komt, en het kostuum, bij wijze van spreken ook, blijft er steeds een wazige lijn rondom, want een natuurgeest is niet stabiel. Hij verkeert in een voortdurende vorming, omvorming, vervorming of hervorming. Hij is niet zoals u, vast, hij is wat meer vluchtig. En bij een materialisatie, dus bij een stoffelijk, kenbaar worden, zien we niet door de natuurgeesten heen, maar de meest authentieke foto’s tonen een dergelijke geest niet volledig gematerialiseerd en dan zien we er doorheen vaag de lijnen van de achtergrond en dat maakt het weer heel moeilijk om te verklaren of een foto echt is. Want als ik me maar ongetwijfeld primitieve techniek herinner, was het mogelijk om twee foto’s over elkaar af te drukken, waarbij je dan, als ik mij niet vergis, ook die vreemde schaduwwerking kreeg.

  • In spiritistische boeken ziet men zo vaak personen werkelijk als foto afgedrukt. Is dat nu eigenlijk bedrog of kan het wel zo zijn?

Dat kan wel echt zijn, maar laten we één ding niet vergeten: eenieder zoekt naar de bevestiging van zijn geloof, begrijpt u, wat ik bedoel? En daardoor is men wel geneigd, om aan die dingen een andere of hogere betekenis toe te kennen dan ze feitelijk bezit. Dan vindt u in een boek misschien twintig geestenfoto’s en dan is er misschien maar één werkelijk betrouwbaar. De andere zijn, laat ons zeggen, wat namaak. Of die zijn niet helemaal zuiver, die zijn geretoucheerd. En het is altijd heel moeilijk om te zeggen of het nu echt is of niet, u moet dat aannemen op het woord van degene die ze genomen heeft en dan moet u nog aannemen, dat hij, als hij onder toezicht heeft gewerkt, niet handig genoeg is geweest, om de zaak te bedotten. En dat is, helaas, bij het spiritisme nogal eens voorgekomen. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik dat zeg. Ik ben zelf een geest en ik zou dus ongetwijfeld op aarde op het ogenblik een volbloed spiritist zijn, maar laat ons beseffen, dat er juist door het oncontroleerbare heel vaak bewust of onbewust bedrog gepleegd wordt. Niet met de bedoeling om kwaad te doen misschien, maar al is het maar om iemand te overtuigen.

Eén geval zal ik u noemen, dat mij bekend is. Als ik te breedsprakig ben, ziet u het wel. Er is dus een kring, waarin men veel experimenteert en ook wel foto’s heeft genomen. Er is iemand, die daar niet aan gelooft. Nu worden er op een avond foto’s gemaakt, maar, gezien het feit, dat de fotograaf niet gelooft en niet gevoelig is, staat er niets op de plaat. Wat gebeurt er nu? De man, die dat aan de gang heeft gebracht, is doodsbenauwd dat hij nu belachelijk zal worden gemaakt en verwisselt het bundeltje platen met platen waar hij foto’s van geestverschijningen had opgenomen met een beetje sigarettenrook ervoor. Het geval is tamelijk recent: 1932. En dat werd toen ontwikkeld en die man zei: ik geloof er niets van, maar ik zie het, dus nu is het waar. En wat zei iedereen: Met die foto’s, daar moeten we werken en zo werden die foto’s in omloop gebracht in Duitsland en in verschillende boekwerken gepubliceerd, terwijl ze in feite berustten op een op zichzelf onschuldig bedrog. Degene die het beging, met de beste beweegredenen misschien, durft dat niet te erkennen.

Ik geef u dit verhaaltje alleen maar als een aanwijzing. Het kan, je kunt geesten fotograferen, maar dat wil nog niet zeggen, dat elke foto, die pretendeert een geestesfoto te zijn, ook inderdaad volledig echt is. Neemt u mij niet kwalijk, het gaat er mij niet om uw illusies te verstoren, maar weest u op dit terrein toch vooral realist.

U kunt zeggen, we zoeken God in de natuur, want daar hebben we over gesproken. Maar zelfs dan is het toch zo, dat je God moet beleven en kun je niet zeggen: “Dat is God”, en dan komt een ander en die zegt: “Bij die boom heb ik God gezien en ik heb er een plaatje van.” Wat zegt u dan? Zegt u: dat is waar of: dat wil ik dan graag zelf ook eens vaststellen? In 9 van de 10 gevallen zult u zeggen: dat is een beetje boerenbedrog of zoiets. Behalve dan in primitieve landen, waar men op het horen zeggen van een boer, van een meisje of van een paar kinderen zo’n plaats gaat vereren. Het kan echt zijn, maar het hoeft niet. En wanneer we ervan uitgaan, wat we op ander terrein aan bewijs eisen, dan mogen we dat ook hier eisen. Geloven kan eenieder, wat hij wil en wanneer u in uzelf de zekerheid hebt dat er een geestenwereld bestaat, en ik kan u vanuit mijn standpunt verzekeren, dat het waar is, dan is het nog niet zaak om te zeggen: dus alleen, wat mijn these bevestigt, is goed en waar. Zeg steeds tot uzelf: “Wat ik geloof, wat ik in mijzelf beleef, dat is voor mij waar, maar een bewijs daarvoor moet een bewijs zijn voor allen. En wanneer dat bewijs niet volledig vaststaat, dan zal ik dit voorlopig aanvaarden, met het voorbehoud: ik weet niet zeker of het volledig juist is.” Neemt u mij niet kwalijk dat ik u dat erbij vertel, maar juist, wanneer men zich bezighoudt, zoals we op het ogenblik doen, met occultisme, spiritisme, magie en alles wat daarbij behoort, dan is het belangrijk, dat u, naast uw innerlijke zekerheid en geloof, aan de andere kant kritisch bent t.o.v. alles wat buiten u gebeurt. Dat mag u ook zijn t.o.v. mij en al wat ik u hier breng en dan kunt u desnoods zeggen, dat het het medium is, dat pretendeert mij te zijn. Dat kunt u rustig doen. Het is beter, dat u dat doet en nadenkt over dat wat ik naar voren breng, dan dat u alles klakkeloos aanvaardt wat ik stel. Dat u zegt dat ik een hoge, verlichte en bewuste geest ben en dat u daarvoor uw eigen geloof, uw eigen innerlijk leven prijsgeeft voor mijn theorie. Slechts wanneer u zelf bewust kunt leven, kunt u uitgroeien naar het hogere. Dat kunt u nooit, wanneer u aan de leiband van anderen loopt. Wat in u leeft, heeft waarde. Het bewijs ervoor moet onderzocht worden, opdat de waarheid in u niet slechts gevoelsmatig gewaardeerd wordt. Dat is niet mooi, het is een germanisme, maar ik weet zo gauw niet, hoe ik het zeggen moet. Dat niet uw gevoel zegt: O ja, dat lijkt erop, dat is vast waar, maar dat u neen zegt, juist omdat ik het in mij zeker weet, wil ik het buiten mij met zekerheid kunnen bewijzen. Niet van horen zeggen, niet met een twijfelachtig getuigenis, maar alleen met zekerheid. Want uw geloof kunt u alleen voor een ander tot een feit maken, wanneer u die ander in zijn eigen wereld, in zijn eigen termen en eigen beleven kunt overtuigen en nooit zonder dat.

  • U hebt iets zeer belangrijks aangestipt in uw inleiding en dat was: de wisselwerking tussen de ziekten die de mensen teisteren en het plantenleven, maar u bent er niet dieper op ingegaan. Zou u dat nu een klein beetje willen uitleggen?

Ik wil proberen het uit te werken, maar dan kom ik toch in de richting van wat menig mens bijgeloof noemt. Dat zeg ik er direct bij. In de eerste plaats wil ik vaststellen, dat het niet zo is, zoals sommigen zeggen: in je eigen tuin groeit het kruid voor je eigen kwaal. Ja, er zijn, eerlijk waar, mensen die dat geloven. Maar wat is nu eigenlijk wel het geval?

In de eerste plaats: de ziekteverschijnselen in een mens, uitgezonderd infecties en zo, zijn meestal vergiftigingsverschijnselen of deficiëntie, dus door een tekort, veroorzaakte verschijnselen.

Nu zijn er altijd weer planten, die bepaalde stoffen in zich opnemen en verwerken en zij doen dat in een betrekkelijk simpele vorm. Zo vinden we in planten, echter niet zuiver en onverdund, allerhande giffen, die als tegengif kunnen dienen. Heeft iemand last van zenuwzwakte, dan bestaan er dus inderdaad planten die door hun eigen sappen en afscheiding een stof naar binnen brengen.

Vaak is dat een verwerkte chemische samenstelling. We kunnen dus in eerste plaats zeggen: Waar veel planten zijn, bestaat een voor de mens gezonde atmosfeer. Hij krijgt meer zuurstof, zijn stofwisselingsproces is logischer. Wanneer hij zich tegen infectieziekten kan beschermen en in zijn tekorten kan tegemoet komen, is hem in een natuurlijke omgeving een perfectere gezondheid mogelijk dan zonder dit.

Een voorbeeld: de huid van de mens ademt en de huidademhaling is voor de mens noodzakelijk. Wanneer een mens nu voortdurend die huid afschermt en verstopt, haar niet de kans geeft om zo nu en dan eens eventjes uit te waaien, dan zal de huidademhaling aanmerkelijk verminderen en dat betekent, dat de afscheiding van allerhande stoffen geschiedt, zoals bij transpiratie, dus geconcentreerder. Daardoor kan een soort giftige laag ontstaan en zo iemand vindt het dan heel erg vreemd, dat hij dan een zeker zuurstoftekort krijgt, dat hij minder weerstandsvermogen heeft.

Een ander voorbeeld: Wanneer een mens een tekort heeft aan ijzer, dan kan je moeilijk zeggen: ik ga eens een hapje ijzeroer eten. Maar nu zijn er bepaalde plantensoorten, die ijzer in versterkte mate opnemen. Die zijn, om het zo te zeggen, ijzerhoudend. En dat ijzer komt in een oplosbare vorm voor. Wanneer een mens nu van zo’n plant redelijk gebruik maakt, niet overmatig, maar redelijk en regelmatig, dan zal zijn ijzertekort worden opgeheven.

Zo kunnen we 1001 verschillende planten noemen, die elk voor zich een bepaald gif hebben. Dat gif is in de plant steeds in een oplosbare vorm aanwezig en daardoor kan het door het menselijk lichaam worden opgenomen. Het is de natuur vereenvoudigd. Nu moet u goed onthouden, dat voor praktisch elke kwaal die ontstaat, inderdaad een middel bestaat dat helpen kan.

Zo hebt u dat heel eenvoudige volksrecept: brandnetelthee en jonge brandnetels eten. In de brandnetel bevindt zich nl., naast wat mierenzuur, een reeks van stoffen, die een bloedzuiverende werking hebben. Vandaar, dat men zegt, dat het helpt tegen kanker, maar dat is niet waar. Het kan slechts een verslakking bij beginnende kanker opheffen en daardoor een inkapseling ervan bevorderen. We hebben allerhande recepten, u kent ze allemaal: zonder geur jong blijven: knoflookpillen.

Nu lijkt dat misschien een beetje vreemd, maar die scherpe knoflooksappen: te reinigen en gelijktijdig wat te stimuleren, zoals u met uien ook een soort ontslakkingskuur zou kunnen voeren. Daardoor kan de spijsvertering regelmatiger en juister geschieden en we krijgen gezondheid. Nu zal menigeen zeggen dat we dat ook chemisch kunnen doen. Inderdaad, een laboratorium kan heel veel van die stoffen, die planten, verzamelen en in geconcentreerde vorm synthetisch fabriceren. Maar heel dikwijls blijkt dat het synthetisch fabricaat niet volledig gelijkwaardig is aan het plantaardige, omdat de structuur, die ontstaat in de plant, net een klein tikje verschilt en daardoor voor de mens makkelijker acceptabel is. Daar hebt u nu dat evenwicht tussen mens en plant, niet zoals u het bedoelt, maar toch in de juiste richting, want de plant verwerkt chemicaliën en elementen, die de mens niet zonder meer kan opnemen. In de plantaardige voeding vindt de mens deze elementen terug. Zo is de mens, ofschoon hij een alleseter is, niet in staat geheel en al zonder plantaardige voeding te leven, zonder lichamelijke vervormingen en veranderingen te ondergaan. Wanneer die mens nu leeft in de natuur, gebruik maakt van natuurlijk voedsel, dan mag hij heus op zijn tijd een haasje, een konijntje, een kippetje of een biefstukje eten. Dan hoeft hij geen vegetariër te zijn, wanneer hij probeert, in het natuurlijke ritme te leven. Regelmatig in de natuur u te ontspannen, voedsel tot u te nemen, dat niet zo bewerkt is, dat je niet meer weet wat je eet, dat dus redelijk de natuurlijke stoffen behouden heeft, wanneer u dat doet, zult u inderdaad gezonder worden. Weet u nu waaraan u een tekort hebt, wat in uw lichaam gestimuleerd moet worden, dan kunt u door het juiste kiezen van uw voeding en van een omgeving, die de juiste atmosfeer heeft, de genezing bewerkstelligen. En nu zult u misschien weer menen, dat dat kolder is, want daar komen planten maar half bij te pas en wie bewijst het me? Maar gelooft u, er zijn plaatsen op de wereld waar t.b.c. niet voorkomt en, wat vreemder is, t.b.c. heel snel geneest, zoals alle coccen infecties daar zeer snel pleegt te genezen. Er zijn plaatsen op de wereld, waar kanker praktisch niet voorkomt, waar trachoom niet voorkomt en wanneer het voorkomt, sneller en eenvoudiger geneest of tot stilstand komt. Waarom? Omdat niet alleen de plantengroei, maar zelfs de aarde zelf hier en daar een uitstraling, zeg maar een sfeer, heeft, waardoor het lichaam wordt beïnvloed. Zou de mens deze kennis gaan beheersen, dan zou je niet alleen meer zeggen: we sturen onze t.b.c.-lijders naar een hoger gebied, naar Davos bijvoorbeeld. Dan zou je zeggen: daar is ergens in Columbia een gebied, waar die t.b.c. zo snel geneest, door de natuurlijke hoogte waarop het ligt, maar ook de zuurstofrijkdom; beneden ligt nl. junglegebied. De temperatuur is juist, de elektrische verhoudingen in de lucht zijn juist, het hele klimaat is juist en, vreemd of niet vreemd, de aarde straalt daar uit op een wijze, die de t.b.c. aantast. Dan hoeven we nog niet te denken aan de bekende aardstralen, die mummies tot ontbinding brengen, o neen, pardon, dat was de afwezigheid van aardstralen, houdt u mij ten goede. Maar de aarde is inderdaad niet overal gelijk. Er zijn zeer grote verschillen in stralingsintensiteit in de atmosfeer, grote verschillen in elektrisch potentieel, gerekend van 1 meter boven het aardoppervlak is een verandering in flux en stroming, waar het magnetisch veld ook iets toe bijdraagt en soms wel eens een magnetisch klein wervelingetje, wat ook weer op het menselijk zenuwstelsel en alles wat er bij hoort en ook op kleine organismen een invloed heeft. Zo zou het vinden van een ritme en van een plaats, waar je op aarde precies past, ongetwijfeld een groot deel van de kwalen, kunnen wegnemen. Men kan echter niet zeggen, dat voor elke kwaal een plantaardig geneesmiddel bestaat, omdat het niet mogelijk is om alle kruiden gelijkelijk te gebruiken bij dezelfde kwaal. In vele gevallen zal geneesmiddel a helpen bij patiënt A, terwijl B, die dezelfde kwaal heeft, dezelfde symptomen, daardoor niet geneest of veel minder snel. Er moet dus ook een persoonlijke aanpassing gezocht worden. Dit kan, voor zover mij bekend, met de aardse wetenschappen niet. Heb ik u hiermee voldoende gezegd of….

  • Neen, juist niet, gaat u door, waar ligt dat aan ?

Dat ligt er aan, dat elke mens ook een eigen ritme heeft. Zo is het ritme. Een mens heeft een levensritme en het is heel moeilijk voor mij dat uit te leggen. Maar laten we het eens zo zeggen: Een mens heeft een bepaald energieverbruik, men heeft nu een auto, die loopt 1 op 10 en een, die loopt 1 op 12. Wanneer je ze nu beide hetzelfde geeft, dan zal die die 1 op 12 heeft, stil vallen. Zo zijn er mensen, die absorberen bepaalde stoffen snel, ze verwerken die, omdat hun eigen stofwisselingsproces in staat is die precies helemaal te gebruiken. Een ander zal een groot gedeelte daarvan ter zijde werpen. Die kan het in die vorm niet zo gemakkelijk ontleden en krijgt dus in verhouding een veel kleinere dosis werkelijk naar binnen, aangenomen dat het oraal gegeven wordt.

Een mens heeft verder een eigen wijze van adem halen. Bij die ademhaling is het soms ook heel belangrijk, welk deel van de long regelmatig volledig gevuld wordt. Bij sommigen is het de longtop, anderen zoeken het wat meer naar boven toe, oppervlakkiger. Als u het zo beziet, dan zou u dus kunnen zeggen: de ademhaling van de mens, zijn eigen stofwisselingsritme plus de intensiteit daarvan, bepalen wat men nodig kan hebben en dan ben ik nog niet eens gegaan naar het astrale gebied. Astraal heeft ieder een eigen trilling. Die trilling hangt samen met eigen bewustzijn en gedachteleven, een zeer complex geheel. Die trilling kan afgestoten of aangetrokken worden door eventueel eveneens op astraal gebied liggende trillingen, die behoren bij een plant bv. Wanneer er een antipathie bestaat op astraal gebied, een afstoting, dan zal het stoffelijk proces (het is eigenlijk half suggestief dat dit gebeurt) worden onderbroken. Er is geen vertering meer. Ik heb het meegemaakt met een collega. Wij hadden betrekkelijk weinig te eten en we hadden ratten geslacht: de beesten smaakten hem, tot op het ogenblik dat ik hem vertelde, dat onze, ja, wat zal ik zeggen, onze ragout was het eigenlijk, dat deze bereid was uit deze nijvere strijdzuchtige knagers. Het resultaat was, dat hij zich naar buiten begaf, om niet alleen de rattenragout, maar ook alle bijbehoren, onmiddellijk ergens anders te deponeren. Het stofwisselingsproces was stopgezet en de man had dagenlang het idee dat hij vergiftigd was en het resultaat was, dat zijn spijsvertering al die dagen in de war was. Hadden wij hem niet over die ratten gesproken, dan zou hij er ook geen last van gehad hebben. Hier hebt u nu te maken met een denkbeeld. Stelt u zich voor, dat dat ook astraal kan bestaan, dan hebt u een verklaring ervoor, dat sommige dingen sympathiek en andere antipathiek zijn. En daarom zou men eigenlijk moeten stellen, dat alle geneeswijzen, ook de wettige geneeskunde vooral, gebaseerd moeten zijn op een samengaan net een psychologisch onderzoek: psychotherapie en daarbij dan incidenteel de gewone medicamenten en wat er bij hoort. Dan pas zou je dus een optima resultaat hebben. Ik hoop, dat dit nu voldoende is.

  • Zou dat door samenwerking van magnetiseurs en dokters te bereiken zijn of moet dat met een geheel ander systeem?

U vraagt mij iets, wat moeilijk is en feitelijk buiten het onderwerp ligt. Hebt u belangstelling genoeg, dan zal ik het heel kort proberen te zeggen. In vele gevallen zou de magnetiseur als lekentherapeut zeer veel kunnen presteren, meer dan een normale geneesheer, alleen op grond van de zuiver suggestieve invloed reeds. Het vertrouwen en de sympathie spelen een grote rol. Daarnaast is het mogelijk, dat men inderdaad krachten overdraagt en wat meer is, dat men door een mengsel van suggestie, gedachtenoverdracht en afgave van gedachten een bijzondere activering op een bepaald organisme in de mens tot stand brengt. Wanneer een medicus controleert en een magnetiseur werkt, dan blijkt al heel gauw of die magnetiseur werkelijk wat presteert of niet. We hoeven ons niet af te vragen: hoe? Dat komt later. Wanneer hij wat presteert, dan is daarmee de samenwerking gerechtvaardigd. Nu blijkt, dat menige magnetiseur nog iets bereikt, waar een medicus uiteindelijk opgeeft. Er blijkt verder, dat juist in deze grensgevallen een magnetiseur schromelijke blunders kan maken. Hieruit volgt, dat een medicus, die de medewerking van een magnetiseur afwijst, omdat die man nu eenmaal geen geneeskunde gestudeerd heeft, er volgens mij, een dwaas is. Men houde het mij ten goede. Wanneer echter een magnetiseur een medicus afwijst, omdat die hen wel eens zal vertellen, wat hij moet doen, is hij eveneens een dwaas. Want de medicus bezit de middelen, om de resultaten van het werk van de magnetiseur te controleren en kan dus indicaties waarnemen voor een verdere behandeling. Hij kan dus zeggen hoe de kracht verder te gebruiken. Een perfecte samenwerking en een perfect vertrouwen zouden, m.i., voeren tot een groot en goed werk, waarbij zowel psychologische factoren, het gebruik en de uitstraling van levenskracht, alsook het voorkomen van met bluf verknoeien van patiënten (wat, helaas, ook voorkomt) ter zijde komen te staan. Men komt dan tot een werkelijk harmonische samenwerking, waarbij datgene, wat menige medicus ontbeert: de tijd voor zijn patiënt, misschien daarnaast het psychologisch aanvoelen, het inzicht, de sympathie en eventueel de vitaliteit, die hij op een patiënt overdraagt, kan worden doorgegeven door de magnetiseur, terwijl anderzijds de uitoefening van de geneeskunde op verantwoorde wijze plaats vindt. Wanneer dit niet het geval is, dan moet ik alleen tot mijn spijt zeggen, dat de medische stand hier vergeten heeft, dat ze enkele honderden jaren geleden ook nog maar bestond uit aderlatende barbiers die, als ik de uitdrukking goed heb onthouden, voor de kwaal van de armen de rijken een lavement gaven.

Hier hebt u in het kort mijn zienswijze. Het werken van een magnetiseur zonder toezicht acht ik, gezien de mogelijkheden tot zelfmisleiding, niet verantwoord. Maar afwijzen van de hulp van een magnetiseur, vooral, wanneer die door de patiënt wordt gewenst, door de medicus, acht ik eveneens niet verantwoord. Nu, daar hebt u mijn opinie.

  • Mag ik iets vragen over aardstralen? U hebt het punt aangeroerd en u hebt gezegd, dat de aardstralen in het door u aangeroerde geval een gunstige invloed hebben op de mens. Mijn vraag is: komt het voor, dat aardstralen een ongunstige invloed hebben op de mens, m.a.w. een mens ziek maken?

Ja, inderdaad.

  • En is het verhaal dus waar, dat iemand zijn bed in een hoek van de kamer heeft en daar geregeld hoofdpijn heeft, en dat daar aardstralen geacht worden aanwezig te zijn en dat, toen men het bed verplaatste, hij die hoofdpijn niet meer had.

Wanneer u dat denkt, is het altijd gewenst het bed te verplaatsen. Maar kijkt u eens, aardstralen bestaan en wanneer die zgn. kruisen, zoals dat heet, dan ontstaat een gebied, waarin meer zenuwkrachten dan normaal kunnen worden afgegeven, m.a.w. het elektrisch potentiaal van de lucht is in die omgeving over het algemeen iets minder en dat betekent, dat een deel van de eigen zenuwkracht naar buiten toe kan afvloeien. Daardoor ontstaat uitputting. En nu wil dat niet zeggen dat u hoofdpijn krijgt. Dat kan het gevolg zijn van de uitputting, maar het kan ook een ander ziekteverschijnsel zijn. U kunt niet een ziekte krijgen door aardstralen, maar er kan een zekere afvloeiing van vitaliteit plaats vinden, waardoor een latent aanwezige ziekte actief wordt. Dat is een kwestie van uitstraling. En wanneer iemand denkt, dat hij door aardstralen wordt geplaagd, dan is het zonder meer al verstandig, wanneer hij zijn bed anders zet of naar een ander huis trekt, want, onverschillig of er nu werkelijk aardstralen zijn of niet, zolang als een mens het zo aanvoelt, zal hij voor zichzelf een toestand scheppen, waarbij hij zijn vitaliteit naar buiten verspreidt op dezelfde manier, met dezelfde resultaten. Is dat voldoende?

  • Ja, dank u wel. Nu deze vraag: zijn er thans op aarde instrumenten, die de aardstralen kunnen registreren, m.a.w. kunnen aantonen, dat er aardstralen zijn?

Zoals ze verspreid in algemene zin plegen voor te komen – en dan moet ik erg voorzichtig worden – op het ogenblik, zijn er nog geen meetinstrumenten gevonden, die dit met absolute zekerheid aantonen. Waar echter zeer grote stralingen op aarde ontstaan, is het wel te meten, omdat dan een directe afwijking van het aardmagnetisme ter plaatse kenbaar wordt en dat blijkt dan vaak in verband te staan met een fout in de bodemstructuur en dat bewijst dan weer, dat onder grote druk een enigszins actieve massa, die in de aarde leeft, warmte kan putten voor een gedeelte, daar dus minder weerstand vindt en een ander brekingsgetal krijgt a.h.w. voor sommige stralingen, zodat inderdaad méér aardstralen aanwezig zijn en dat heeft dan weer als effect een verandering van de velddichtheid, vooral van het aardmagnetisch veld. Dus het aantal krachtlijnen per eenheid verandert. Precies weet ik het ook eigenlijk niet, omdat dat allemaal na mijn arriveren in deze wereld op aarde is berekend. Ik weet niet precies hoe ver men is en ben niet volledig op de hoogte van de wetenschappelijke terminologie voor dat soort zaken. Maar aardstralen bestaan inderdaad en als u mij toestaat het op te merken: zover mijn eigen bescheiden waarnemingen gaan en wat ik verder gehoord heb van bewuste en meer wetende collega’s op dit terrein, zijn bepaalde radiofrequenties, vooral zeer hoge frequenties, bijna even storend en schadelijk, wanneer ze voldoende geconcentreerd voorkomen zoals de aardstralen.

  • Is een wichelroede dan een schijn-betrouwbaar instrument?

Neen, een wichelroedeloper kan een betrouwbaar instrument zijn, maar nooit een wichelroede. De wichelroede is een concentratiemiddel en ik kan u alleen dit vertellen, dat mensen, die vertrouwen en geloven daarin en regelmatig, nu moet u goed luisteren, regelmatig de wichelroede gebruiken op dezelfde wijze en met hetzelfde doel, daarmede over het algemeen goede en betrouwbare resultaten krijgen.

Maar iemand, die vandaag naar water zoekt, morgen naar gaspijpen en overmorgen naar de oorzaak van een ziekte, die heeft kans dat hij heel veel foute aanwijzingen geeft? Verder moet er rekening mee worden gehouden, dat de gevoeligheid van individu tot individu verschilt. De mens is, ook wat dat betreft, gehouden aan zijn eigen ritme, zijn eigen vorm van harmonisch zijn met de natuur. Zo zal de een geschikt zijn om water op te sporen, de ander gevoelig zijn voor koper en een derde misschien weer voor petroleum.

Maar ik kan u wel een aardige tip geven: in bepaalde steden, o.a. in de Ver. Staten, naar ik heb gehoord, en de laatste tijd ook op enkele plaatsen in Engeland, maakt men gebruik van een bepaalde vorm van wichelroede, een zeer eenvoudige vorm, om leidingen waarvan men niet meer precies weet waar ze zijn, dat zijn dus oude leidingen, terug te vinden. Als men dat in bepaalde bedrijven doet, dan bewijst dat wel, dat hier toch wel een redelijke zekerheid in ligt. Want als het alleen maar een kwestie van lukken of niet-lukken zou zijn, een kansspel dus, dan zou men dat ongetwijfeld niet doen.

  • Mag ik nog een vraag stellen naar aanleiding van de aardstralen? Het zal u ongetwijfeld bekend zijn, dat er op aarde en vooral hier in Nederland zgn. kastjes zijn uitgevonden, die het kwade effect van de aardstralen zouden neutraliseren. Wanneer u dat bekend is, kunt u mij dan zeggen, of die zgn. kastjes (wat erin zit, is mij onbekend) inderdaad het gevolg hebben, dat die kwade aardstralen worden geneutraliseerd?

Ja, er bestaan inderdaad enkele van die apparaten. Die verdrijven echter geen aardstralen, ze onderdrukken ze niet, ze nivelleren ze alleen. Ze hebben dus wel enige werking en zijn dan gebaseerd op laspunten van verschillende metalen, waarbij zilver, een bepaald soort koper en ijzer een rol spelen.

  • Dus een effect hebben zij dus wel, volgens u divergeren zij de stralen?

Ja, ze worden meer gespreid en men verlegt eventueel het punt waar de kruising plaatsvindt, laten we het zo zeggen.

Maar aangezien u nooit weet, wat er in zo’n kastje zit, zou ik zeggen: wacht er mee tot het het uiterste redmiddel is. Neemt u mij niet kwalijk, dat ik dat zo zeg.

  • Kwaad kunnen ze dus niet?

Ze kunnen geen kwaad, wanneer je financieel draagkrachtig bent, heb ik vernomen. Dus daar zou dan uw proef op gebaseerd moeten zijn: wat kan ik op dit terrein verliezen?

Zijn we nu door de vragen heen? Dan mag ik misschien de avond gaan besluiten, u moet eens goed luisteren, we zijn nu afgedwaald en we zijn in het, laat ons zeggen, gebied van het paranormale terechtgekomen, aan de grensgebieden daarvan. Ook al deze dingen zijn deel van God of, zo u wilt, van de wetmatigheid, die het Al regeert. Er kan niets zijn, dat zonder wet bestaat. Ook geen paranormaal verschijnsel. Er is nooit een wonder, dat tegen natuurlijke wetten ingaat. Er is dan slechts een wet, die u niet kent. Alles is geregeld, alles is in zijn opbouw harmonisch en hoe verder men doordringt in het Al, hoe meer sferen en werelden men leert kennen, hoe grootser, hoe monumentaler juist deze harmonische opbouw zich voordoet. Het is een samenwerken en een samengaan, waarin niet alleen het wervelen van een paar kleinste delen een element vormt, maar waarin ook de werveling van vele sterren om een gezamenlijk middelpunt, het gezamenlijk vlieden van een aantal sterren vanuit een gezamenlijk middelpunt een evenwicht helpt scheppen, een evenwicht, waardoor het Al bestaat. Wanneer u de natuur ingaat, of u nu kijkt naar de sterrenhemel, of u zich koestert in de stralen van de zon, altijd weer is die oude, harmonische wet aanwezig. Zonder deze harmonie, waardoor, ongeacht voortdurende veranderingen en ontwikkelingen, een blijvend evenwicht bestaat, is geen leven en geen Al mogelijk. Laat ons daarom, vrienden, nuchter zijn en zeggen: we kunnen onze God misschien niet kennen en de grote wetten die het Al regeren, zijn voor ons grotendeels verborgen. Er is veel meer dan we kennen en ooit zullen kennen in het Al, maar de Kracht, die dit alles tot stand brengt, is voortdurend kenbaar, ook in het kleine. Een enkele boom tegen een avondhemel, een zucht van de wind, die een eigenaardig spel speelt met een plompenblad en wat water, een adem van een wolk, die even voorbijgaat en de maan wat vertekent, alsof zij glimlacht, deze dingen, toevalswaarden misschien in uw ogen, zijn deel van een geheel. Ook daarin spreekt het goddelijke. Een begrip, dat het Al omvat en alle wetten van het Al, is voor de mens en ook voor de geest niet mogelijk. Maar wat mogelijk is, is, dat we in deze kleine dingen, die we ondergaan, die we kunnen beleven en beseffen, de grootheid van de Schepper waarlijk voelen. En dan mag dat niet redelijk heten, dan mag het emotioneel zijn, maar, wanneer het in ons een band schept met alles rondom ons, dan zal het ons beter en sterker maken. Dat geldt voor ons in onze sfeer en voor u in uw wereld.

En dan kunt ge waarlijk zeggen:

Zo God uit het kleine spreekt en uit het grote Al, het is slechts één klank, één woord, dat ik beleven zal: de naam, die Hij mij spreekt, die letter na letter in mij werd opgebouwd.
En mij vertrouwd is het zegel van de Schepping en des leven ’s kracht.
Oneindigheid, die niet begrepen, in het ik tóch wordt erkend. En door het ik tot uiting wordt gebracht.

En met dat misschien wat dichterlijk citaat (ik heb het eerlijk gestolen), ben ik aan het einde van mijn betoog gekomen. Mag ik aannemen, dat niemand van u meer het woord wenst? Dank u, vrienden. Nu hoop ik alleen, dat iets van het begrip harmonie ook bij u blijft hangen. Niet omdat het een wetenschappelijke zekerheid is, maar omdat het uw persoonlijke levensbehoefte is en u, uitgaande vanuit uzelf, dan toch de wereld met open ogen durft aanschouwen om zo voor u het bewustzijn te bouwen, waaruit de harmonie steeds inniger en groter kan worden.

image_pdf