God in de natuur

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Bij al ons zoeken naar en kennen van de goddelijk Macht, die wij innerlijk als een bestaansnoodzaak aanvoelen, worden wij maar al te vaak gedreven tot een geheel buiten ons vaststellen van het Goddelijke, dat hierdoor zo ver van ons verwijderd lijkt.

In feite echter kan deze God natuurlijk niet buiten ons bestaan. Want schouwende naar de natuur, de wetten ziende in deze natuur en deze erkennende, word ik toch steeds teruggeleid tot mijn eigen wezen, waarin deze wetten evenzeer aanwezig moeten zijn. Zo eerst kan ik ze kennen en ben ik daarvoor ontvankelijk of daaraan onderworpen.

Als wij in de natuur schouwen, dan valt ons in de eerste plaats op: een grote veelheid met gelijktijdig doelmatigheid van vorm en levensuiting. Wij zien al dit vele ‑ elk op zijn gebied ‑ als juist, als, goed; ook indien wij voor onszelf sommige delen van deze natuur als niet voor ons passend verwerpen. Wij kunnen dan God in de natuur gaan zien als de vertegenwoordiger van alle vorm. In God moeten alle vormen aanwezig zijn.

Wat echter meer is, dit natuurgeweld dat voortdurend de wereld rond ons vormend hervormt, is niet onderworpen aan onze wensen en is niet door ons te beheersen. Het bezit een kracht zo ontembaar groot, dat wij deze kracht zelf als een uiting van het Goddelijke gaan zien. Het resultaat is, dat wij maar al te vaak het natuurverschijnsel met de onmiddellijke goddelijke uiting gaan verwarren.

De ouden hadden hun goden, die donderhamers mikten of de bliksemschichten van een bergtop over de wereld deden neerflitsen. De primitieven zien de vuurdraak strijden in de wolken. Zelfs de moderne mens wordt door het verschijnsel van onweer bv. nog steeds gefascineerd. De opstandige zee, opgezweept door de storm, brengt voor de mensen we­derom een ander soort vreesachtige fascinatie. Zij moeten a.h.w. dit geweld aanschouwen, de brekers omhoog zien stuiven, verpulverend tot een witte schemering van neervallend water. En zij voelen juist hierin het Goddelijk.

De mens ziet zovele wetten op de wereld regeren. Wetten die ook de natuurkrachten beheersen. En met een verder schrijdend begrip voor de onderlinge samenhang der gebeurtenissen gaat de mens ertoe over om God te zien als de Maker van deze wetten. Zodat onze God in de natuur eigenlijk kan worden teruggebracht tot een twee‑eenheid: de uiting in scheppingsmogelijkheid en scheppingswerkelijkheid, die alle vermogen in ons besloten volgens ons weten overtreffen en het geweld, de kracht die door ons niet te temmen of te beheersen is voortdurend onze kleine menselijkheid belaagt en bedreigt. Elke wet die wij zoeken staat voor deze opbouw in verband met deze krachten. Kan God echter een maker van wetten zijn in de zin waarin men dit in de natuur meent waar te nemen?

De wet van de zwaartekracht bv. is onmiddellijk gekoppeld aan massa en beweging; dus verplaatsing in ruimte plus latente kracht in het “ik”. De wetten van evenwicht en gelijkmatigheid zijn wederom afhankelijk van aantrekkingskracht, van het eeuwige spel der sterren of van de vreemde vuren die branden in het binnenste van elke planeet die nog leven baart. Alles kan worden teruggebracht tot zijn oorzaak. Elke wet kan worden verklaard; er is een reden voor. En gaan wij door met zoeken, dan vinden wij achter elke wet het geheimzinnige punt “energie” staan.

Dan zijn er voldoende mensen geweest ‑ en er zullen er nu ook nog zijn ‑ die uitroepen: Ziet, de denkende kracht, de energie, is God! Denkende kracht. Maar is het dan een denkende kracht die wij zien in de natuur? Is het de denkende kracht die ons beroert door haar schoonheid? Is het het geweld van deze denkende kracht dat ons plotseling doet erkennen hoe klein en hoe nietig wij zijn, wanneer wij in een stoffelijke vorm op aarde wandelen?

Ik meen dat daarvoor een andere oorzaak is. Want in ons leeft een bewustzijn plus datgene wat wij noemen: een vermogen tot waarnemen. Nu zou ik dat vermogen tot waarnemen ook kunnen omschrijven als een “in harmonie zijn met de dingen”, zodat zij gelijktijdig of voorgoed deel worden van ons wezen. In dat geval mag ik zeggen, dat de kern van mijn wezen bepalend is voor al hetgeen ik aan wetten en vormen en krachten buiten mij zal ervaren. Dan is het alweer in mij dat de werkelijkheid schept. Het is in mij dat deze wetten bestaan. Het is in mij dat de storm woedt of de donder rolt. Het is in mij dat al dit goddelijk geweld ‑ als zijnde goddelijk ‑ tot uiting komt. Het is mijn bewustzijn dat bepalend is.

Zeker, dan keer ik weer terug tot de God Die in mij is. En toch, als die God Die in mij is, mij dit alles doet waarnemen, dan moet deze waarneming door mij gedaan onmiddellijk identiek zijn met de eigenschappen die de God in mij bezit. Als ik dus de natuur beschouw en in de natuur God zoek, dan doe ik dit meestal gedreven door enige sentimenten, maar niet zonder redelijke basis.

Al wat ik zoek in de natuur onderscheidt zich van hetgeen ik zoek bij de mensen en van hetgeen ik vind als werkelijke gedachtesfeer waarin ik leef en van datgene wat daarin ontstaat als gedachtevorm, uitgedrukt door entiteiten die daarin bestaan.

Elke vorm is een uiting van God; ook datgene wat door mensen wordt gedaan. Want ook dat denkbeeld moet in de mens leven, anders kan het nooit uitgevoerd worden.

Ik zoek de natuur, gedreven door een zeker sentiment. Want juist het geheimzinnige dat is in de groei en de schoonheid, in de wijding en de stilte, waarin het stormachtig geweld van de natuur verborgen is, trekt mij.

Wie God in de natuur zoekt, zoekt de geheimzinnige God. De geheimzinnige God buiten het “ik”. Men wil God ondergaan en men tracht Zijn Wezen te erkennen, in Zijn Wezen te ondergaan door juist die verschijnselen van Zijn totale schepping te aanvaarden die buiten de beheersing van de mens liggen. Zeggen: “God in de natuur” is hetzelfde als zeggen. “God kan door ons niet worden beheerst.”

De natuur echter geeft ons verschillende zekerheden. Want in de natuur moge dan het laatste geheim nog niet zijn ontsluierd, wij kunnen toch omtrent de natuur zeer veel weten. Wij kunnen de krachten der natuur leren toepassen. Wij kunnen gebruikmaken van alle vermogens die in de natuur schuilen, als wij begrijpen hoe dit juist voor onze doeleinden kan gebeuren. Mijn zoeken naar God in de natuur wijst erop dat ik – mens of geest zijnde ‑ in het geheimzinnige zoek naar waarden die voor mij bruikbaar zijn.

Men zegt: “Als ik de stilte van een woud onderga, dan voel ik mij God nabij.” Wij kunnen het ook zo zeggen: “Als ik door de natuur verstil, wordt mij door die stilte het Goddelijke duidelijker kenbaar.” Want dit is meer waar als resultaat.

Als ik leer deze stilte, die ik in de natuur heb gevonden, in mijzelf te reproduceren, dan heb ik de vorm van de natuur niet meer van node. Haar rust, haar schoonheid, haar kracht bestaan dan in mij. Ik heb geleerd een aspect van het Goddelijke in mij te gebruiken om de schoonheid of de rust van de wereld die ik eens buiten mij meende te zien, in mij voort te brengen en daar een ogenblik van te genieten en in onder te gaan.

De natuur leert ons echter meer. Zij zegt ons dat heel veel dingen die door de mensen worden goedgekeurd (aan de andere kant heel veel dingen die door de mensen worden afgekeurd) in de natuur juist andersom “slecht” en “goed” zijn. Wat de mens kwaad heet, blijkt in de natuur normaal leven te zijn. Wat wij goed heten, verwerpt de natuur in al haar schepselen en brengt het niet tot uiting. Dan zouden wij uit deze lering de gevolgtrekking moeten maken dat de God in ons ‑ ook de God buiten ons ‑ in wezen sterk verschilt van ons denken en ons voorstellingsvermogen. Het is belangrijk dat wij dit laatste niet vergeten.

Wij kunnen ons geen God voorstellen, ook niet in de natuur, ook niet in de glorie van een zonsondergang, ook niet in een hete zomerdag met zijn rust van rijpend koren en de verstilde arbeid in de middagwarmte. Deze dingen zijn aspecten van God. Inderdaad. Zonder God zou dit niet kunnen bestaan. Zonder de God in ons zouden we nooit deze indruk kunnen ontvangen en verwerken. Maar al deze dingen zijn niet reëel in de zin dat zij een waarde uitdrukken die stoffelijk of geestelijk belangrijk is, juist in deze vorm. De wetten in de natuur, de ervaringen die wij in de natuur opdoen als wij mens zijn, zijn niets anders dan aanduidingen omtrent de werkelijkheid van de goddelijke Kracht.

Ik sprak reeds over het tot uiting komen van wetten in de natuur. Hieruit trek ik de conclusie, dat deze wetten directe uitingen zijn van de God Die in mij leeft (reeds tevoren leeft) en dat krachtens deze vaststelling, de God in mij een omschrijfbaar en bepaalbaar wezen is voor zover het voor ons kenbaar wordt.

Het feit dat ik dus in de natuur God kan erkennen, staat wel onomstotelijk vast. Het feit echter dat ik ook buiten de natuur om in mij deze God draag, staat evenzeer vast. Als ik dan naar dat Goddelijke toe wil, als ik wil streven naar een volmaakt bewustzijn omtrent alle waarden, als ik streef naar de vrede die in een volkomen evenwichtig bestaan is gelegen, als ik zoek naar de vreugde die bestaat uit het volledig harmonisch werkzaam zijn binnen de Al-kracht, dan moet ik deze wetten op mij van toepassing verklaren en voor mij elke wet behouden die ik buiten mij in de natuur erken.

Mijn God ‑ buiten mij ‑ toont Zich aan mijn oog juist in het minder kunstmatige en in het natuurlijk gegroeide komt dit meer tot uiting dan elders. Hier vindt de God Die in mij leeft de God Die buiten mij leeft in een volkomen weerspiegeling. Mijn wezen en denken zowel als de kracht die in mij leeft worden in elke kleinigheid gereproduceerd.

Hartstocht, verlangen en begeren zijn zij niet als de zee?

Soms rustig ruisend en schepen dragend van haven tot haven, zoals de hartstocht en het begeren vaak de kracht zijn om voort te gaan. Soms ook de kusten overweldigend en de dijken brekend, verslindend al hetgeen zij eigenlijk verder zou moeten dragen. Zoals op zee de schepen schipbreuk lijden, zo lijdt ons streven, zo lijden onze gedachten maar al te vaak schipbreuk als het begeren en de hartstocht in ons in opstand komen. Of misschien de toorn, de plotseling opkomende drift die alles verslindt, die elke rede wegvaagt, die blindelings treft, om dan vaak weer even snel in het niet te verdwijnen, de donder, de bliksem.

Elke kracht van de natuur vindt haar evenwicht in ons bestaan, vooral in ons geestelijk bestaan. Het is dan ook noodzakelijk dat wij bewust van dit feit  ons spiegelen aan de natuur. Niet een “terug naar de natuur” beweging, niet een teruggaan tot het dierlijke, maar een beseffen van datgene wat in de natuur is getolereerd. Een besef van datgene wat drijvende kracht is in alle levens rond ons. En een erkennen dat deze krachten in ons en voor ons evenzeer bestaan. Een erkennen van de wetten tot de kosmische wetten toe die uit de natuur geboren zich voortdurend aan onze ogen tonen. Een begrijpen dat deze wetten de grenzen zijn die aan ons vermogen zijn gesteld.

Wanneer in de natuur iets zwak wordt, dan wordt het meedogenloos weggenomen. Het zwakke dier valt ten prooi aan het sterkere. Het ongezonde of dorre hout breekt door de storm.

In ons bestaan leven vele vormen die evenzeer ziek en ongezond zijn. Wanneer in ons leven de storm komt, dan vallen die dingen. Zij zijn niets waard. In ons is droog hout, maar ook het groene hout, de levende kracht, de onmiddellijke, de ware uiting van het Goddelijke in ons en niet slechts de waan die wij eraan hebben geknoopt.

Wij zoeken naar datgene in ons dat werkelijk leeft. Wij zoeken naar God in de natuur. Wij zoeken naar God in de wereld buiten ons en vinden niet het fabelachtige Koninkrijk der Hemelen. Wij zoeken God overal, behalve waar Hij is.

Wij dienen God op elke wijze, behalve op de natuurlijke, door onszelf te zijn. Wij zijn dwazen dat wij de waarheid niet beseffen.

Toen Jezus werd geboren in Bethlehem ‑ zo vertelt ons de legende ‑ openden zich de hemelen. Engelenscharen traden naar voren. Het werd licht alsof het helder dag was. Stemmen zongen een wonderlijk koor. En lichtende boodschappers brachten de ware boodschap overal in de omgeving tot aan de herders die in de velden waren.

Het klinkt ons misschien als een fabel in de oren. Maar waarom zou het vanuit onszelf gezien niet waar zijn? Want elke keer als er in ons iets gebeurt, dan lijkt het of de natuur verandert. En toch is God onveranderlijk.

Zeker, indien wij afstand kunnen doen van alle vrees en alle haat (dat geldt voor u als mens, dan zal de slang u niet bijten, de tijger u niet besluipen, dan wordt de beer u tot gezel en komt het hert een ogenblik met u spelen. Gij denkt dat het dwaasheid is. Het is waar. De aarde is nog een paradijs voor de mens die de paradijsgedachte, de paradijsstemming in zich draagt. Mag ik dan niet verder gaan en zeggen dat deze wereld zich inderdaad volledig aanpast aan het geestelijk gebeuren? Dat het niet de wereld is die de geest bepaalt, maar omgekeerd? En dat onze geest wordt geleid door de goddelijke Kracht die in haar woont?

Waarom zou dan een hemel niet openbarsten voor de ogen van hen die een ogenblik beroerd door het heilige, het grote dat zij rond zich zien gebeuren al beseffen zij het ook niet, door een uitstraling getroffen en meegesleurd in een nieuwe harmonie met hun wezen en de Godheid, de hemelen zien opengaan?

Jacob droomde dat hij boven zich de hemel geopend zag en dat engelen neerdaalden en opstegen. De mensheid droomt dat wanneer zij zal sterven de gouden poorten in de muur van het hemelrijk zullen opengaan en zij kunnen binnentreden in de Eeuwige Stad, het hemels Jeruzalem.

Vreemd, altijd deze droom van poorten die opengaan, terwijl er geen poort is, geen werkelijke poort. De hemelen zijn open en gevuld met lichtende geest. Er is geen deur die het gaan van de geest tussen hoogste sfeer en laagste wereld behoedt of verhoedt. Er is alleen maar ons onbegrip.

Indien wij ons kunnen afstemmen op de waarden die in de God in ons liggen, dan zijn alle wetten plotseling geen dwingende krachten meer, maar de natuurlijke uitingen van ons wezen. Dan zijn alle beperkingen plotseling geen grenzen meer, maar de vorm, de gestalte van hetgeen wij zijn. Dan is er geen duister meer. Dan is er voor ons licht, omdat wij onszelf aanschouwen en in ons het Al kunnen erkennen. Buiten ons is licht noch duisternis.

De hemel in Bethlehem kan zich hebben geopend. De engelen kunnen hebben gesproken tot de herders. Dat is geen dwaasheid. Het is geen sprookje of vertelsel. Het is een uiting van de God Die in de natuur Zich openbaart wanneer het “ik” de eenheid met het totaal Goddelijke voor een ogenblik wat meer bereikt dan tot nu toe.

De God in de natuur is tenslotte voor ons slechts de weerkaatsing van ons eigen volmaakte beeld.

De God in de natuur is voor ons de realisatie van wat in ons als mogelijkheid leeft.

De God in de natuur is gelijk aan de natuur in ons. De natuur van stof en geest, zijnde de wet, de begrenzing en de gestalte die ons wezen uitmaken. En daarom mogen wij ook aannemen dat het Koninkrijk Gods in ons leeft en dat wij toch God kunnen zien in de natuur buiten ons of waar dan ook.

Maar laten wij niet ten onder gaan aan het zoeken naar geheimzinnigheid en sensatie zonder meer. Laten wij ons niet met een groots gebaar in de schoonheid trachten te verdrinken van al wat er rond ons bestaat. Want schoonheid is geen drank die je tot je kunt nemen. Het is slechts een waarde die in je leeft en daardoor buiten je kenbaar wordt.

Wij zijn in onszelf besloten. Laten wij geen dwazen zijn. Laten wij niet zeggen dat God ergens woont of dat wij weten wat God is. Maar laten wij onszelf niet verhelen dat wij kunnen erkennen wat God is in ons. Wat wij zijn. En dat wij in de volmaaktheid die voor ons mogelijk is, God zullen terugvinden voor zover dit met onze persoonlijkheid ooit zal kunnen gebeuren.

Dan hebben wij ‑ meen ik ‑ de God in de natuur juist geschat. Dan hebben wij begrepen waar het om gaat: ons leven te leven om onszelf te kennen. Onszelf kennende uit al wat buiten ons ligt, komen wij tot de goddelijke waarde die in ons ligt en in deze goddelijke waarde de volmaaktheid vinden die ons wezen en bestaan uitmaken.

Jaarwisseling

’t Is duister. Nacht. Een klok,

die slaat. Een jaar, dat wordt

geboren. De wereld is … zoals

tevoren.

Een mens, die droomt van nieuwe tijd

en oude fouten wil verwerpen. Een

mens, die droomt van eeuwigheid en

toch niet weet te stelpen d’onhoudbare

voortgang van de tijd.

Een klok, die slaat. Slaat in de nacht.

Men telt haar twaalf slagen, als plechtig

sprekend: “Hier is ’t eind van een jaar

vol dagen van arbeid en rust

aaneengetwijnd.”

Wat gij het lot mocht vragen in ’t verleden,

is nu vervuld.

Wat gij vraagt voor de toekomst,

het is nog verhuld.

En strijden zult ge, zoals gij hebt gestreden.

En lijden, zoals ge reeds hebt geleden.

Want slaat ook de klok … er is slechts één tijd,

het Heden” het Heden, slechts het Heden!