God in Frankrijk

uit de cursus ‘God in verschillende gedaanten’ 1985-1986

Inleiding

Wanneer wij ons bezighouden met God in alle verschillende werkingen, vormen, gedaanten en ontwikkelingen, dan moeten wij een ding goed onthouden: Er is natuurlijk maar één God, Die woont in ons. Maar God is ook een denkbeeld. Dat denkbeeld wisselt met de plaats waar u leeft, met de tijd waarin u leeft en ook nog met uw eigen karakter.

U kent de uitdrukking: Leven als God in Frankrijk. Het klinkt een beetje gek, want leeft God in Frankrijk? In zekere zin ja, in zekere zin, neen. Maar men zegt wel: Een goede Amerikaan gaat na zijn dood niet naar de hemel, die gaat naar Parijs. Met andere woorden er zijn beelden van wat goed is, van volledigheid van leven en die worden met God geassocieerd.

Niemand weet hoe God eruit ziet, maar als je bezig bent te kijken hoe de mensen over Hem denken, dan blijkt dat God eigenlijk bestaat uit een groot aantal attributen. Deze attributen zullen wij nu in de komende cursus onder de loupe nemen. Onze eerste paar lezingen zullen dan ook gewijd zijn aan de ontwikkeling van het godsbegrip en de wijze waarop de mensen zich daarmee hebben beziggehouden.

God in Frankrijk

Wanneer u naar Frankrijk gaat en u kijkt naar de oude overblijfselen, vindt u daar o.a. bijlringen, allerlei opstellingen van stenen, kortom allerlei eigenaardigheden. En als u zich dan ook nog bezighoudt met het volksgeloof (en dan moet u vooral meer naar het zuiden gaan), dan zult u ontdekken dat die mensen geloven in bepaalde krachten en lijnen die daar lopen. Tegenwoordig kent men dat ook weer. Men noemt ze de Leylijnen. Dat zouden de eigenaardige krachtsporen zijn die over de aarde lopen. De oude mensen spraken daarover als de wegen van de goden. Dat maakt het interessant, want in geheel Europa is de godsvoorstelling een voortdurend variërende geweest.

Altijd weer blijkt dat de God bepaalde centra heeft waar hij zich in het bijzonder manifesteert, dat bepaalde mirakelen a.h.w. gebonden zijn aan plaatsen. Ga je die plaatsen nader bekijken dan blijkt dat ze ook in overeenstemming zijn met dat lijnenkader dat men tegenwoordig weer aan de hand van de Leylijnen, die men probeert te bepalen, begint op te stellen en dat ze in zeer oude mystieke tekeningen van omstreeks Christus geboorte of iets daarvoor wel degelijk helemaal geconstrueerd was.

Wat was God? God was het onbekende. God was het noodlot. Maar God was ook een niet te noemen aantal verschillende persoonlijkheden. Achter dat alles ligt natuurlijk wel die ene waarheid, maar wie spreekt daarover als je je die niet kunt voorstellen?

De goden in Frankrijk waren over het algemeen negatievelingen, behalve misschien in het noorden waar ze later het kolengebied hebben gekregen. Daar waren de goden iets soberder. In Nederland zijn ze soms zo sober geweest dat het bijna bezopen was.

Die goden waren direct verbonden met alle verschijnselen in de na­tuur. Seksualiteit bv. was erg belangrijk. Er waren dus goden en godin­nen die zich specifiek daarmee bezighielden.

In Frankrijk was verder ook het klimaat erg belangrijk. Er waren nogal wat stormen en overstromingen in die tijd. Er waren dus goden, ondergoden en ondergodinnen die zich daarmee bemoeiden. Het was een heel rijk van allerlei figuren die allemaal op de een of andere manier god waren. Ik ben juist bij Frankrijk begonnen, omdat we hier te maken hebben met een volk dat later vanuit Rome sterk beïnvloed is geweest, maar dat eigenlijk toch een groot gedeelte van zijn oorspronkelijkheid lange tijd heeft behouden.

Het is bv. opvallend dat er nooit heksenvervolgingen van grote omvang in Frankrijk zijn geweest. Wel zijn er allerlei gevallen van bezetenheid e.d. voorgekomen, (de nonnen van het klooster van Loudun). Maar dat zijn eigenlijk kerkelijke zaken. Heel vaak is het een dekmantel voor heel andere verschijnselen.

Datzelfde Frankrijk is lange tijd een centrum geweest van magie. Zelfs nog in de middeleeuwen sprak men van Avignon als de zetel van de magiërs, de veste van de magiërs. Wat was een magiër in die oude tijd eigenlijk anders dan een priester van de een of andere godheid. Hij was het die de krachten van de natuur (de goden dus) of de krachten die in de mens leefden kon oproepen, daarmee iets kon doen en daardoor allerlei verschijnselen veroorzaken. Al deze verschillende werkingen werden toegeschreven aan God. Toen het een christelijke tijd werd, worden ze uit de aard der zaak opeens allemaal duivels.

Wij weten dat Astarte bv. een vruchtbaarheidsgodin was. Maar Astante werd in het joodse denken al snel Astaroth, een demon. Misschien mogen wij daarmee ook rekening houden. Op het ogenblik dat de gedaante van een god niet meer past in het denken van de mensen, wordt het automatisch een demon.

Als je spreekt over God in Frankrijk, dan kun je zeggen: Het was eigenlijk een god van de wijn, van de druiven, van feest, van een zeker libertinisme. Dat was het in de oudheid inderdaad. Daarnaast was het ook een god die de gehele natuur beheerste en die in allerlei aspecten van de natuur kon worden aangesproken. Als je nu zegt: Leven als God in Frankrijk, dan zou je kunnen zeggen: Dat is leven in verbinding met alle aspecten van het bestaan. Daarom heb ik dat als uitgangspunt gekozen.

Wil ik duidelijk maken welke invloeden er verder een rol hebben gespeeld, dan moet ik helaas Frankrijk een ogenblik verlaten.

Wij moeten ons realiseren dat bv. de goden van Griekenland oorspronkelijk helemaal niet een vergadering van Olympiërs waren. Het waren plaatselijke goden die allen ook hun eigen mediums hadden, hun eigen profeten, hun eigen kleine mirakelen. Die goden waren allen gebaseerd op een kwaliteit die in één bepaalde streek belangrijk was. Er waren bv. goden van de handel. Die werden vereerd op plaatsen waar men handel het belangrijkst vond. Er waren ook goden van de mijnbouw. Die waren weer belangrijk in gebieden waar men mijnen exploiteerde. Die goden zorgden ervoor dat er niet te veel slaven stierven en dat de opbrengst goed was. Zo waren er ook de goden van de natuur.

Al die goden splitsten zich in een vrouwelijk en een mannelijk principe. Het wonderlijke is dat de mannelijke god heel vaak een rol heeft gespeeld bij de vrouwelijke goden, de godinnen. U herinnert zich het gebruik dat vrouwen in een bepaalde tijd de wouden introkken in grote benden. Als daar dan een man kwam, dan verscheurden zij hem. Zij hadden daarbij bepaalde goden. Het is eigenlijk een beetje een sibillijnse benadering van de godsbeleving bij die vrouwen. Maar ze hadden ook de god Pan die ze ontmoetten. Pan is de baas van alle Saters. Hij heeft trouwens op het ogenblik nog steeds navolgers.

Deze hele opbouw wordt later samengevoegd. Elke god krijgt een aparte taak. Er is een god van de onderwereld. Er is een god van de hemelwereld. Er is een bode der goden. Er zijn allerlei intrigerende godinnen. Als we dat nu willen verklaren, dan moeten we kijken naar de stadshuishouding.

Op het moment, dat er kleine stadsstaten ontstaan zijn er ook vorsten. Dergelijke kwaliteiten en eigenschappen worden overgenomen door de goden. Dat is heel vreemd. Waar je ook gaat op de wereld altijd weer is het beeld van een oppergod gepaard gegaan met een soort hemelstructuur waarin de rangorde, de hiërarchische waardering e.d. allemaal samenvallen met een staatssysteem.

Nu gaan we weer terug naar Frankrijk. Wij hebben daar te maken met een groot aantal betrekkelijk loslopende stammen. Asterix en Obelisk mogen het mij vergeven, maar er waren daar wel wat eigenaardige stammen. Elke stam had zijn eigen god. Elke stam had zijn eigen kwaliteiten. De god was de sublimatie van de kwaliteiten van macht, vermogen en ook van de wensdromen die in de stam leefden. Dat daarbij de goden van Frankrijk zeer menselijk waren, veel menselijker dan wat we elders aantreffen of we moeten weer in de richting van China gaan en van bepaalde Indiase geloofsvormen, dan is dat te danken aan het feit dat de oorspronkelijke goden gewoon levende mensen waren.

U zult tegenwoordig wel eens horen van levende Boeddha’s. In een ander natuurgeloof is ook nog sprake van levende goden. Wij kennen een soortgelijk verschijnsel bij bepaalde magische rituelen o.a, de voodoo waar iemand tijdelijk wordt bezeten door een god en voor die god kan spreken en handelen.

Iets dergelijks zien wij ook in Tibet bij de demonendansen. Ook daar is het mogelijk, dat iemand door een demon of een godheid wordt bezeten en dan als orakel kan functioneren. Dat is allemaal te herleiden tot de tijd dat iemand die meer kon dan anderen, die verder kon zien dan anderen, beter kon nadenken dan anderen een buitengewone persoonlijkheid was. De mensen wilden niet zeggen; Dat is een mens die beter is dan wij. Want dan zouden zij zichzelf naar beneden hebben gebracht. Dus zeiden ze; Hij is iemand die een god is. Door dit god-zijn werd hij ook wat onaantastbaarder. Dus voor iemand die tot een soort godheid werd uitgeroepen, was dat heel prettig, want daardoor konden zijn bevelen en zijn besluiten veel minder snel worden aangevochten.

In Frankrijk is er een tijd geweest dat daar een twintigtal goden leefden. Mensen die als god werden vereerd. Wij moeten weliswaar teruggaan tot 2 à 3000 v. Chr. maar het is gebeurd. Deze traditie van levende go­den vinden we eigenlijk overal terug. In Egypte was de Farao in feite een zoon van de zon, zijn va­der. Het is niet vergelijkbaar met de manier waarop men zegt, Jezus was de lijfelijke zoon van God. Op een soortgelijke manier werd dat beschouwd, werd dat beleefd.

Overal tot op de eilanden van de Stille Zuidzee in Afrika waren er goden. Het godsbegrip van de mensen namelijk kon zich in het begin niet met het bovennatuurlijke bezighouden. O, het onbegrijpelijke had zijn wetten. Maar degene die de wetten kon uitleggen en handhaven was god. Op deze manier is er eigenlijk een hele traditie ontstaan waar niemand (ook niet de christelijke en de joodse godsdienst) zich geheel vrij van heeft kunnen maken, zodat je bepaalde mensen gaat beschouwen als directe vertegenwoordigers van God, eventueel de profeten van God ofwel goden die lijfelijk op aarde zijn.

In de oude inwijdingsdiensten en dan gaan we eveneens weer duizenden jaren terug had je datzelfde. Zelfs iemand in de Mithrasdienst, die de verschillende beproevingen der elementen had doorstaan en die was gekomen tot aan de fase van de stier geketend aan de zon en deze wist te overwinnen, werd gezien als een herrezen Mithras. Hij was een overwinnaar van de elementen en daardoor een directe representant geworden van de oermacht.

Ingewijden in Babylon gingen de bergen in tijdens een onweer en brachten en paar dagen door meestal in de tempel van Bel, Het was een klein huisje boven op een ziggoerat waar bepaalde offervoorwerpen aanwezig waren en waar normalerwijs alleen de hogepriester en bepaalde dienende priesteressen mochten binnenkomen. Zij hadden daarboven dus een soort privé buitenhuis. Als zo iemand (de ingewijde) dat had doorstaan (u moet wel denken, het was het hoogstgelegen stuk, dus de bliksem sloeg daar nogal eens in), dan was hij a.h.w. helemaal hysterisch geworden. Daar kwam het eigenlijk op neer. Dan werd hij beschouwd als iemand in wie Bel was herboren.

Als iemand in de natuur (daarvoor waren de heilige wouden maar ook de heilige bronnen) had gemediteerd, bepaalde bloemen had gegeten enz dan werd hij beschouwd als de stem van Nabu. En als hij bovendien nog de groene mantel en het zwaard van Nabu wist te hanteren, dan was hij god. Toch wisten de ingewijden wel degelijk, zo iemand is geen god.

God was iets dat je het volk liet zien, omdat de mysterieën voor het volk ondoorgrondelijk zijn. Daarvoor in de plaats, stel je dan de gedaante van een godheid die past in jouw gemeenschap. Als jij wraakzuchtig bent, dan heb je natuurlijk een god die jouw groep wel wil beschermen, maar die ook erg wraakzuchtig is. En als je erg vredelievend bent, dan heb je een god die je beschermt en de vrede handhaaft. Als je je bijzonder bezighoudt met landbouw, met vruchtbaarheid, dan is je god er een van vruchtbaarheid. En dan zal hij rituelen vragen waarmee vruchtbaarheid wordt uitgedrukt.

De goden van Frankrijk zijn langzaam maar zeker versmolten tot magisch esoterische begrippen. In deze begrippen zien we dan dat leven en dood één zijn. We zien dat er magische mogelijkheden bestaan. Ik heb u Avignon al genoemd. Er is een relatie tussen de sterren en de wil van de goden. Dan kunt u ook denken aan de gifmengster van Parijs, aan Gilles de Rais en al die anderen. Al deze mensen waren in feite nog vereerders van de oude goden.

Dan kunnen we nu een paar conclusies gaan trekken die ook vandaag bruikbaar zijn, al is het alleen maar om te begrijpen waarom een bepaalde religie of sekte op een bepaalde manier werkt met God, de wil van God. Het is gemakkelijk te zeggen; Dat is de zelfzucht van de mensen. Dat zijn mensen die macht begeren. Maar dat is niet altijd waar.

God is het beeld van datgene wat je innerlijk verlangt en wat je gelijktijdig ziet als het beste in de wereld. God is een samenvloeiing van een bepaalde karakteristiek van een mens of van mensen en een droom van mensen. Dan kan er nooit een concreet juist godsbeeld bestaan.

In de zeer lange titel van deze cursus door iemand anders toegedacht treffen wij o.m. aan, de uiting van God door groepsgeesten e.d. Een groepsgeest kan zichzelf natuurlijk niet als God manifesteren. De groepsgeest bepaalt de karakteristiek, de groei, de ontwikkeling van de groep waartoe hij behoort en daarmee ook een beetje de karakteristiek van de gemeenschap. Het is die karakteristiek van de gemeenschap waaruit het godsbeeld voortkomt.

Dan zijn er mensen die zeggen; Waarom zijn er dan zoveel wrede goden? Dat is ook waar. Er zijn heel wat mensenoffers gebracht, ook in Frankrijk. Heus niet alleen door primitieven. Ook door Fransen, ook door Romeinen. Zelfs bij de Etrusken waren er bepaalde mensenoffers, ofschoon die in de laatste eeuwen niet meer werden gebracht. Dat laatste hangt waarschijnlijk samen met hun Griekse origine.

Een mensenoffer is het offer van het hoogste dat je je denken kunt. Maar het heeft nog iets anders. Als je een mens offert, dan kun je hem niet zomaar offeren. Hij moet een verslagene zijn, iemand die je bv. gevangen hebt genomen of hij moet de beste van de stam zijn. In het eerste geval is hij een dienaar, een bode, die met een bepaalde opdracht naar boven wordt gezonden, naar de bovennatuurlijke macht, In het tweede geval zou je hem beter kunnen beschouwen als een soort advocaat. Hij gaat naar boven om de belangen van de gemeenschap te bepleiten. Dat ligt niet in een rassengeest of in een groepsgeest. Dat ligt in de gemeenschap. Hoe wreder de gemeenschap is des te wreder de goden zijn.

Misschien is het goed dat de christenen die zo graag het oude Testament lezen hierbij nog eens nadenken over de vraag waarom God toch vooral in het Oude Testament een naijverige, toornige, wraakgierige, wraakzuchtige godheid is. Punt 1. Als we rekening houden met de karakteristiek van bepaalde Semitische rassen, dan is een dergelijk godsbeeld heel begrijpelijk. Wij kunnen daarom nooit het godsbeeld van een ander bekritiseren. Het is een uitdrukking van hemzelf, niet de uitdrukking van een abstracte of concrete waarheid.

Een tweede punt dat misschien belangrijk kan zijn; Wij hebben allemaal wel eens ogenblikken dat wij ons proberen bezig te houden met God. Als wij geneigd zijn om zelf antwoord te geven, zal God ons antwoorden. Als wij wachten tot God een antwoord geeft, is de kans dat Hij het doet heel erg klein. Want God woont in ons, d.w.z. wij zijn deel van een totaliteit. In die totaliteit zijn wij verbonden met bewustzijnswaarden die voor ons god­delijk lijken. Het antwoord dat wij krijgen komt uit dit geheel mits wij er zelf toe bijdragen.

Als u persoonlijk iets van God wilt hebben, dan moet u onthouden; het is een wisselwerking. Het is geen handel van: lieve God, geef mij dit, dan zal ik dat doen. Het is gewoon een besef van God en een actie waarbij je de overtuiging hebt dat God met je is, hoe dan ook. Dan kun je wat belangrijk is waarmaken. Maar maak niet de fout dat je zegt: Wat ik wil, wil God. Ga nooit uit van je eigen gelijk, want in dat geval daag je eigenlijk God uit. Dan ben je alleen met jezelf bezig. Juist door het openstaan aan de ene kant voor alles wat er in en om je leeft. Anderzijds het daaruit putten van zaken waarmee je zelf begint, al is het maar dat je begint jezelf een antwoord te geven, kun je die goddelijke kwaliteiten in jezelf activeren.

Punt 3. Als een mens in staat zou zijn om in zichzelf een perfecte harmonie te bereiken dan zou hij ongetwijfeld deze harmonie voor een groot gedeelte kunnen overdragen aan de wereld. De wereld wordt niet harmonischer, maar de relatie tussen die mens en alle factoren in de wereld wordt harmonischer. Dat kan belachelijk eenvoudig zijn. Bijvoorbeeld de regen begint te vallen op het ogenblik dat je de voordeur binnengaat, want je had geen paraplu of regenjas bij je. Het kan ook heel groots zijn. Je hebt behoefte aan iets. Je zegt; Ik weet het niet. Ik laat mij leiden door hetgeen er in mij is. Je koopt misschien een lot en daarop valt nu de hoofdprijs. En dan blijkt dat de hoofdprijs net groot genoeg is om datgene wat je werkelijk wilt waar te maken.

Maar dan moet je ook een absoluut vertrouwen hebben in die impulsen.

God leeft in u. Niet als een wezen of een persoonlijkheid die omschrijfbaar is, maar als een verwantschap, een relatie. Het aanvaarden van deze niet kenbare en voor u ook niet redelijke relatie en op grond daarvan durven reageren is de weg naar harmonie en daarmee de weg naar een zo juist mogelijk en gelijktijdig zo gelukkig mogelijk leven.

Punt 4. Als we kijken naar de oude goden dan zijn ze allemaal ontzettend sterk. De goden van Frankrijk hebben er tenminste drie gehad die in staat waren om hetzij met blikseminslag of met wonderlijke inwerkingen de mensen ter plaatse te laten doodvallen. Het verbaast mij dat die goden niet in Nederland zijn voorgekomen. Daar hadden ze enigszins andere goden. Maar als je de tegenwoordige Nederlander begrijpt, dan zou ik zeggen; Dat zou toch wel de juiste uitdrukking zijn voor de geest van een groot deel van het volk, laat ze maar doodvallen

Andere goden hebben weer en dat is ook in Nederland geweest de macht van de bliksem. Die goden zijn eigenlijk strijders. Denk aan Thor en Wodan. Zij zijn natuurgoden maar ze zijn ook kracht. In de oudheid kon men zich geen god voorstellen die niet gelijktijdig een kracht was en die het vermogen had om die kracht te manifesteren. Als wij deel van God zijn en dit innerlijk beleven, zijn wij ook deel van de kracht. Dat wil zeggen dat wij uit onszelf en door onszelf die kracht moeten kunnen manifesteren. Wij kunnen dit echter niet doen volgens menselijke regels. Wij kunnen geen procedure bepalen die feilloos goed daarvoor is. Wij zijn afhankelijk van de contacten die er tussen ons en de kracht op een bepaald ogenblik zijn.

Noot

Het zal u bekend zijn dat witte magiërs zo goed als zwarte magiërs eveneens werken met krachten al dan niet gepersonifieerd. Elke ritus begint op dezelfde manier. Maar in elke rite is er een ogenblik dat het toeval a.h.w. overneemt. Het is de dialoog tussen de kracht die verschijnt, de god die optreedt en de magiër die probeert een bepaald iets tot stand te brengen.

Het resultaat wordt niet bepaald door de ritus, maar door deze wisselwerking. Daaruit vloeit het eindresultaat voort. Zou de magiër dit niet kunnen aanvaarden of verwerken dan geldt zowel in de zwarte als in de witte magie dat de magiër ten onder gaat aan de kracht die hij heeft opgeroepen. Niet omdat de kracht hem wil vernietigen, maar omdat hij zich deel heeft gemaakt van een kracht, die hij niet kan verdragen. Het is interessant om ook daarmee rekening te houden.

Als we verder gaan, dat zult u in de volgende lezingen wel merken, worden wij niet alleen geconfronteerd met bepaalde goden uit de oudheid of met bepaalde lessen t.a.v. wat God voor ons is of zou kunnen zijn. Wij worden dan geconfronteerd met wisselwerkingen die er tussen de gehele wereld en de kosmos bestaan. Werkingen waaraan de mens enerzijds ondergeschikt moet zijn krachtens zijn wezen, maar waaraan hij anderzijds krachtens zijn besef deel kan hebben. Dit is een van de belangrijkste punten waaruit u voor deze cursus ook practische conclusies zult kunnen trekken.

Het is allemaal een geleidelijke opbouw. Realiseer u echter één ding heel goed; Als de vorm waarin wij ons God voorstellen een soort spiegelbeeld is van wat ook wij zijn (door uiterlijke omstandigheden misschien wat verstard en aangepast, maar het is desalniettemin iets dat ook in ons bestaat), dan weten wij waar voor ons het benaderingspunt ligt van die godheid.

In deze tijd is het natuurlijk onzin om offers te brengen of om de zwarte of witte haan de hals door te snijden boven een altaarsteen. Wij moeten altijd bereid zijn in te leveren voor hetgeen wij wensen te verkrijgen. Je krijgt nooit iets voor niets, het is een wisselwerking. Dat wil zeggen dat elk beroep op de kracht in ons, zoals vroeger elk beroep op één van de oude goden impliceert dat er ook offers moeten zijn. Een offer wordt niet bepaald door datgene wat wij daarvoor willen geven.

Er is een heel bekend verhaaltje uit Zuid-Frankrijk in de buurt van de Mediterranee. In de oudheid had iemand besloten om de goden een aanbod te doen. Hij wilde rijkdom hebben. Hij besloot aan de goden, één van zijn twee geiten te offeren. Hij offerde toen de slechtste en kreeg niets. Hij zei toen: De goden zijn onrechtvaardig. De magiër gaf hem toen tot antwoord: Als je het beste geeft dat je hebt dan krijg je antwoord. Maar God is niet bereid zijn gunsten te verlenen als je Hem afval aanbiedt

Dat verhaal is overigens ook nog verwerkt in bepaalde heiligengeschiedenissen tegenwoordig. Het maakt duidelijk waar het om gaat. Datgene wat wij offeren wordt bepaald door de kracht waarmee wij werken. Wat het offer ook is of het onze bereidheid is of dat het een feitelijk offer is, dat weten wij niet. Denk aan Abraham en Isaak. Abraham wilde zijn zoon offeren. Dat was voor hem heus een heel groot offer, want het zag er niet naar uit dat hij nog vele zonen kon krijgen. Hij had al zoveel moeite gehad met de eerste. Op het ogenblik dat hij bereid is het offer te brengen, is het overbodig. Omdat hij echter zelf het offer als noodzakelijk ervaart, offert hij een ram in plaats van zijn zoon.

Dat plaatsvervangende element zien wij heel vaak optreden ook in de magie, ook in allerlei rituelen die met magie weinig en met natuurharmonie veel te maken hebben. Maar wat wij bieden, is altijd datgene wat ons wordt gevraagd. Dat wat wij vragen bepaalt wat wij moeten geven. Dat is, meen ik, de basis geweest van die oude goden.

In de tijd dat mensen nog voor god speelden, was het ook zo. Je kon niet zomaar gunsten verlenen zonder meer. Je kon het wel doen, maar dan kwam er afgunst. Dus stelde je een tegenwaarde. Soms was dat een prestatie, een reis, het verwerven van iets. Sprookjes, oude verhalen en legenden wemelen van dergelijke dingen. In andere gevallen was het eigendom of iemand moest zich als slaaf geheel overgeven aan deze zgn. god en kreeg daarvoor in de plaats dan bepaalde mogelijkheden. Dit beeld gaat door tot in deze tijd.

Ik denk dat als er een god is die menselijk begrepen kan worden (ik geloof het niet, maar stel dat hij er is), dat deze ook zou redeneren als deze levenden die de eerste goden waren op aarde, de levende goden. Vanuit hun weten en beseffen, stellen zij eenvoudig: Er moet tegenwaarde zijn, opdat er een mate van rechtvaardigheid en overeenstemming gehandhaafd blijven. Denkt u dat een kosmische God of wat dat betreft een rassengeest of een groepsgeest anders zou reageren?

  • U heeft het over allerlei goden, maar kun je niet zeggen allerlei krachten?

Als u goed heeft geluisterd, dan heeft u gehoord dat ik heb gesteld dat God ook kracht is. Maar Hij is meer dan kracht alleen. Hij is namelijk ook besef. Hoe we God voorstellen hoe wij Hem ook benaderen, er zijn altijd twee factoren. Er zijn vele goden. Je kunt hen aanduiden zoals je wilt maar je kunt hun een besef niet ontzeggen. Het zijn niet zuiver krachten. Het is een kracht plus een bewustzijn. Daarom heb ik gekozen voor de vorm die ik heb gebruikt.

Als ik denk aan de Lage landen en ik zie dat daar vele goden hebben geleefd, ook Friese  goden ongeveer 1500 v. Chr. Ik denk aan alle goden die uit het noorden en uit het oosten zijn gekomen, dan ontdek ik dat een volk zich niet alleen vormt naar zijn goden of zijn goden vormt naar zichzelf. Er is altijd een wisselwerking. Het wonderlijke van deze wisselwerking is, dat de mens daardoor komt tot voorstellingen die hij niet kan waarmaken.

“Een God in Frankrijk” heeft een bekende denker eens gezegd, “moet wel een bourgeois God zijn.” Misschien is dat waar. Maar als het volk bourgeois is geworden, dan is het toch wel te danken aan het feit, dat het zich een God voorstelde die bepaalde waarden als eigendom, vruchtbaarheid e.d. bijzonder beschermde. Een God die ook den soort uitverkiezing pleegde t.a.v. stammen door ze te laten heersen

Als je nu kijkt naar Nederland, dan denk ik ook dat de strijdigheden daarin bepalend zijn geweest voor de volksaard van Nederland. Als je kijkt naar België, afwijkende gebruiken, afwijkende zeden en daardoor natuurlijk ook afwijkende opvattingen ten aanzien van God. Maar als je ziet op welke manier een Belg met zijn God omgaat en een Nederlander met zijn God, dan blijkt dat een groot gedeelte daarvan, zeker de Vlamingen, eigenlijk op dezelfde manier God benaderen als de Nederlanders.

Gaan we verder naar het noorden kijken, dan blijkt dat dit tot op zekere hoogte ook waar is voor een groot deel van Denemarken en een deel van West-Duitsland. Daarna treden er verschillen op. Proberen we dan te zien of er bepaalde rassen- of groepsgeesten daar domineren, dan blijkt dat de rassengeesten vaak gebieden domineren waarin geheel afwijkende godsvoorstellingen en godsbenaderingen optreden. Bij groepsgeesten komt het minder sterk tot uiting.

Een groepsgeest kan ook nog een gebied beheersen waarin twee geheel verschillende godsbenadering en godsvoorstellingen leven. De godsvoorstelling is kennelijk niet bepalend voor de ontwikkelingskwaliteiten voor een deel van het menselijk ras, althans niet vanuit de geest. Het is wel belangrijk dat de mens een relatie heeft met het bovennatuurlijke.

In deze cursus zullen we proberen die aspecten bijzonder duidelijk te stellen. Wij zullen trachten duidelijk te maken, niet alleen waarom bepaalde beelden van God hebben overheerst en waar ze vandaan zijn gekomen, maar waarom in u een bepaald beeld van God domineert hoe dan ook. Waarom in u bepaalde voorstellingen, zelfs van het hiernamaals domineren en hoe u deze waarden kunt gebruiken om daardoor toch een grotere eenheid te verkrijgen met het geheel. Want wat ik in mijn inleiding al zei, moet ik nu als einde van de eerste les eveneens nogmaals zeggen;

Wij zijn deel van een totaliteit. In deze totaliteit bestaan geen wetten, maar alleen harmonieën. Waar geen harmonie is, bestaat een strijdigheid. De ontkenning van de strijdigheid doet de wet geboren worden. Het besef echter van ons behoren bij het geheel, ons aanvaarden van de kracht van het geheel zonder daaraan hoe dan ook beperkingen op te leggen, is de weg naar harmonie en gelijktijdig de weg naar een godsbeeld dat toch de werkelijkheid, voor ons althans, beter benadert en ons begrip van werkelijkheid voor ons beter hanteerbaar maakt.

God in Zijn vele vormen is alleen maar de aanleiding, niet de zaak zelf. De zaak zelf is de bereiking. Die bereiking kun je alleen in jezelf waarmaken door openheid t.a.v. al het zijnde en tevens zekerheid t.a.v. datgene wat je zelf bent, wilt en gelooft. Als je tussen deze beide een eenklank kunt bewerkstelligen, dan heb je zoals de mensen zeggen, God bereikt. Dan zit je in de tempel voor Zijn altaar.

Als u nu vindt dat deze vorm van benadering niet juist is, denk daar eerst eens over na. U mag het dan bij de tweede les zeggen. Wij zullen daar dan rekening mee houden.