God in het verborgene

uit de cursus ‘God in verschillende gedaanten’ 1985-1986

God in het verborgene

Het zal u duidelijk zijn dat het begrip God in de loop der tijd in openbaringen, in vele verschillende vormen is verkondigd en gebruikt. Minder bekend is, dat er altijd verborgen goden zijn geweest. Als wij denken aan de indianenculturen, dan blijkt dat er een aantal zichtbare goden zijn, maar dat er gelijktijdig onbekende vormen van God worden aanbeden door groepen ingewijden.

Op dezelfde manier kunnen we over de gehele wereld geheimscholen, esoterische scholen en dergelijke vinden waarin eveneens het beeld van God naar de buitenwereld toe wordt gepropageerd, maar intern niet of anders wordt beleefd en beleden. Het is over deze vorm van God dat ik u vanavond in het bijzonder dat zou willen zeggen.

God is natuurlijk het onbestemde en het onbekende. Als wij proberen daaraan een vorm te geven dan moet dat uit de aard der zaak een menselijke vorm zijn, omdat wij ons niet kunnen voorstellen dat een wezen dat anders is dan wij, hoger zou kunnen staan dan wij. Dit laatste zult u misschien niet geheel onderschrijven, toch is het waar.

In de esoterische school echter komt men tot allerlei beelden die niets meer te maken hebben met een direct ingrijpen van God in de wereld. God is eigenlijk een soort wetmatigheid. Hij is, zoals Chronos de Tijd in een bepaalde Griekse mythologie, iemand die zijn eigen kinderen opeet. Hij is de Brahman die tot zich terugneemt wat uit hem is voortgekomen. Het is alsof de werkelijke God, die in het verborgene leeft, niet zonder meer de schepper en instandhouder is van alle vormen, Hij is de kracht waaruit alles voortkomt. En het bewustzijn dat schept is een tweede, een lagere godheid.

Als wij kijken naar de wijze waarop het leven in het hiernamaals wordt voorgesteld, dan worden wij ook weer geconfronteerd in bv. Egypte met velden waarop de gerst groeit met aren die tot aan de grond reiken. Bij de indianen met steppen waar de kudden voortdurend rondtrekken een soort luilekkerland voor jagers. Waar je ook gaat, altijd weer vind je iets van hetzelfde. Er zijn echter een paar punten die opvallen.

In bijna alle geheime diensten en geheime groeperingen evenals in esoterische scholen Wordt voor het hiernamaals heel vaak de kleur groen genoemd. Het is een smaragdgroen dat de ene keer wordt toegeschreven aan velden en weiden, een andere keer misschien aan een zeer bijzondere omgeving. Zelfs Dante Alighieri heeft in zijn bekende gang door de hel, het vagevuur en de Hemel, Beatrijs laten verschijnen op een groen veld. Ditzelfde facet treffen we ook aan bij bepaalde negerstammen. Ook daar is een groene vlakte waar je aankomt als je doodgaat. Zelfs de Chinezen hadden daar hun opvattingen over. Je komt over een rivier op een groen veld. Waarom? Omdat groen het teken is van leven. Het is niet zoals tegenwoordig het symbool van de kleur van het geloof alleen. Het leven van de wereld wordt uitgedrukt in het groen van de plantengroei. Het is de leefbaarheid die wordt voorgesteld. Het is deze kleur die meteen duidelijk maakt wat de verborgen God in wezen is. Hij is de le­venskracht. Hij is de essentie van al het levende. Hij is gelijktijdig een wet, een regel voor zichzelf. Niet iets dat door mensen is te manipule­ren of waarin een mens ook maar enige verandering zou kunnen brengen of een ingreep zou kunnen doen.

Daar waar het gaat om ingrijpen, krijgen we plotseling te maken met God-projecties. Beelden die vaak menselijk of halfmenselijk zijn en die in staat blijken te zijn om de wetten van de natuur in bepaalde gevallen een beetje om te buigen. Maar ook dit is onderworpen aan een wetmatigheid.

De afwijking kan namelijk alleen gebeuren, indien gelijktijdig een tweede verandering tot stand wordt gebracht zodat er een zeker evenwicht blijft bestaan. Hoe de bezielde natuur wordt beleefd, kunt u waarschijnlijk nog wel terugvinden in alle oude verhalen over natuurgoden. Misschien denkt u ook nog aan de kreet, die in Frederik van Eedens Kleine Johannes voor­komt: De Grote Pan is dood. Pan is de natuur. De god van het leven, van het dierlijke, van de plantengroei. Hij is het spel van evenwicht, ecologie zegt men tegenwoor­dig. Deze vreemde godheid, zij het dan in vele andere gedaanten, troffen we aan in India. In Azië, in Mongolië. Wij troffen hem aan in vele delen van Amerika. In Afrika zijn er vele verschillende versies te bedenken waarin ook figuren optreden die de natuur in stand houden, de dieren regeren en a.h.w. de stamvader zijn van alle clans waartoe de dieren kun­nen behoren.

Realiseer u heel goed dat deze beelden, menselijke beelden zijn. Er zijn natuurlijk vele filosofieën daarover opgebouwd. Maar elke filoso­fie is menselijk en bekijkt het goddelijke zowel als het levensgebeuren van­uit een menselijk standpunt. Des te opvallender is het dat we toch nog wijsgerigheden kunnen aantreffen zoals de volgende beschouwing.

“Er is een levende kracht. Zij is een wet voor zichzelf. Haar kennen als wezen of als wet is ons onmogelijk. Maar haar wet is de grens waarbinnen ons leven zich afspeelt. Als wij beantwoorden aan die wet, voelen wij die kracht in ons. Als wij niet beantwoorden aan die wet, wordt die kracht ons ontnomen. Wij stellen eisen aan de totaliteit van het leven en aan de krachten die het leven regeren. Maar deze eisen kunnen wij nooit terecht stellen, want wij zijn gebonden aan de wetten die wij niet kennen. Er is geen rechtvaardigheid zoals mensen die beschouwen, want er bestaat geen recht. Er is het zijn en het zijnde hetwelk door de kracht in stand wordt gehouden. Deze kracht, die wij God noemen, moeten wij beleven in zijn wetten en moeten wij ervaren aan de hand van datgene wat Hij in ons is en zegt.

Dit is overigens betrekkelijk oud. Het behoort tot de Alexandrijnse School ongeveer 80 á 90 jaar v. Chr. Een dergelijke godheid kun je natuurlijk op duizend en één manieren omschrijven en zien. In de meeste gevallen begrijpt men dat het een spel is van verschuivende ovenwichten. Het is een spel van verschuivende werkelijkheden. Het best komt dit tot uiting in de oude Tibetaanse magie die overigens ook in Bhutan en in verschillende andere dalen in die omgeving wel gebruikt worden. Hierbij gaat het erom een voorstelling te maken van datgene wat je wilt. Als die voorstelling sterk genoeg is, treedt ze in de plaats van de werkelijkheid, want er is geen absolute werkelijkheid. Er is alleen de werkelijkheid van de gedachte.

De kracht, die het ons mogelijk maakt dit te doen, is de God die wij eren. De kracht, die ons daarbij hindert of verder helpt dan wijzelf kunnen gaan, is de demon.

Het is weer opvallend, hier is de godheid ook weer een vaagheid een wet geworden. Iets dat anders is dan bij de Lama’s, de lamaïstische boeddhisten later.

Waarom, zo vraag ik mij af, vinden wij tegenwoordig nog dergelijke opvattingen bij bepaalde indianenstammen in het Amazonegebied? Waarom treffen wij dergelijke geloofsvormen nog steeds aan vooral in delen van Oost-Afrika? Hoe komt het dat mensen in staat zijn zich een God voor te stellen die een wetmatigheid is en daardoor de werkelijkheid verwisseld kan worden? Vanuit Europees standpunt is het natuurlijk krankzinnig te denken aan Luipaardmannen, krokodilmannen en wat er verder nog meer van dergelijke geheime sekten bestaan.

Voor hen is het echter volkomen waar. Als ik geloof dat ik een luipaard ben en ik voel mij een luipaard, dan ben ik een luipaard. Ik zal mij gedragen als een luipaard. Ik zal de eigenschappen van de luipaard hebben of van de krokodil. Hier is een vervalsing van de werkelijkheid volgens het westen en gelijktijdig een werkelijkheidsverschuiving voor degenen die het beleven. Daarbij treedt de volgende vraag naar voren: Is onze God te omschrijven in de termen van één wereld, van één werkelijkheid? Ik geloof niet dat dit het geval is.

De verborgen God, is een God die niet benaderbaar is omdat wij slechts een werkelijk heil tegelijk kunnen beleven. Er bestaan vele werkelijkheden naast elkaar. Het aantal werelden met mogelijkheden die naast elkaar gelegen voor ons ontoegankelijk is en gelijktijdig toch existeert, schijnt oneindig te zijn. Schijnt, want wij kunnen het niet overzien.

Nu vraag ik mij af: Zijn de leringen omtrent die verborgen God de werkelijke en juiste? Ik kan geen bewijs vinden van het tegendeel. Ik kan echter ook geen bewijs vinden dat deze stelling beter is dan enig ander nu. Ook hier weer, het is de mens die het moet uitspreken en het wil verbeelden in de termen van zijn wereld, zijn begripsvermogen. En daarmee lopen wij, denk ik, al vast.

Toch zijn er tempels geweest in het verleden, sommige daarvan bestaan nu nog, waarin je iets kon vinden van een waarheid, van een werkelijkheid die weliswaar niet God werd genoemd, maar waarvan de beleving gelijktijdig een beleving van de levensessentie, de goddelijke essentie zou moeten zijn.

Er was de tempel van de Spiegel der Wereld. Hierin zou je alles wat in de wereld gebeurt kunnen zien in het gepolijste vlak. Maar het belangrijkste was, je kon jezelf daarin zien. Niet zoals je nu jezelf beleeft, maar zoals je werkelijk bent. Zit hier niet het denkbeeld in: ik ben anders dan ik mijzelf kan kennen? En als ik mijzelf ken zoals ik wezenlijk ben, sta ik dan niet heel dicht bij de werkelijkheid, bij God?

In het boeddhisme vinden we dat ook op vele manieren. Er zijn een groot aantal leringen die erop wijzen dat de mens, die zichzelf vergeet in het geheel, de waarheid heeft gevonden. Voor een mens is die toestand ondenkbaar, want waar blijft je “ik”? Aan de andere kant, hoe wil je anders iets uitdrukken van goddelijkheid en van deel zijn van de goddelijkheid?

Wij hebben het al eens meer gezegd; Jezus predikt op een gegeven ogenblik: “Het Koninkrijk Gods is in u.” Als wij dat zien als een rijk, dus als een macht, een heerschappij, dan is het onzinnig. Maar als wij het zien als een behoren tot een werkelijkheid die we zelf niet beseffen, dan wordt het anders. In alle magisch denken, in alle esoterisch zoeken worden de krachten benoemd, benoemd en benoemd.

Als we denken aan Egypte, dan weten we dat daar tempels zijn van wijzen waar men alle krachten in de natuur met een goddelijke naam benoemt. Enkele overblijfselen daarvan treffen we aan in de openbare eredienst waar de opkomende zon Horus de valk is. De zon die naar boven gaat is Osiris enz. Waarom. Omdat de vormen veranderen, verandert de naam van de God. God is een verschijningsvorm, geen werkelijkheid.

Nu denk ik aan de indianen. Indianen die zingend en dansend hun riten volbrengen, aanroepingen plegen aan alle krachten in de natuur. Die zich één willen voelen met bepaalde delen daarvan en gelijktijdig achter dit alles dan figuren zien die nog kenbaar zijn (manitoes) en daarachter het onbekende, het levende.

Er is een wereld waarin het heel moeilijk is om een plaats te vinden, dat geef ik toe. Als we denken aan de vele overleveringen, dan kunnen we ons natuurlijk op de borst kloppen en zeggen de bijbel heeft gelijk of dat boek heeft gelijk, of die heeft ongelijk. Maar het is wel opvallend dat bv. zondvloed-mythen voorkomen over de gehele wereld. U kunt ze zelfs aantreffen in Vuurland. U kunt ze aantreffen in Afrika. Dergelijke legenden bestaan bv. ook in India, China en zelfs bepaalde Kirgiezenstammen hebben overleveringen die op een zondvloed wijzen. Waarom? Is dat een gebeuren? De mens is geneigd te zeggen; Ja. Maar is het wel een gebeuren? Is het niet eerder een gebeuren dat zich steeds herhaalt en dat voortdurend invloed heeft op de mensen, dat een verandering betekent, een soort hergeboorte?

Er is een negerstam waar men spreekt over een soort Nog die met een kano komt aanvaren en de onbewoonde wereld plotseling weer leven geeft. Het lijkt een beetje op een sprookje. Hij zaait a.h.w. de mensen uit zoals men gerst zaait en niet op een andere manier. Waarom?

Leven op zichzelf bestaat, maar leven heeft een vorm nodig. Het is de vorm van dat leven, de voorstellingswereld waarin dat leven vertoeft, dat bepalend is voor een beleving, voor een bestaan, voor erkenning en ervaring.

Aan de andere kant moet je ook zeggen: Als dergelijke negerstammen er een zodanige filosofie op na houden, hoe komt het dan dat het westen dergelijke gedachten al lang achter zich heeft gelaten. Misschien wel omdat het westen langzamerhand is vergeten dat God niet in een systeem is in te delen en dat de goddelijke gerechtigheid niet door een computer wordt uitgeoefend.

In de oudheid zijn er stammen geweest (bijna 40.000 jaar geleden) die de onbekende God aanbaden, die voortdurend bezig waren één te zijn met de krachten der natuur aan de ene kant en aan de andere kant een innerlijke wetmatigheid te volgen.

Als we denken aan de berserkers die we tegenkomen o.a. bij de Vikingen en andere noordelijke stammen, dan hebben we niet allen te maken met mensen die in een gevechtsroes komen, ook al wordt dat later heel vaak gezegd. Wij hebben hier te maken met mensen die worden gegrepen door één aspect van het gebeuren en daarin een zo totale werkelijkheid vinden dat al het andere verbleekt. Onze werkelijkheid is een variabele. Maar als de werkelijkheid een variabele is, dan is geen enkele godsomschrijving aanvaardbaar.

In de verborgen scholen is dat steeds weer herkend. Men heeft geprobeerd om uit dit herkennen van het onvermogen van de mens te komen tot de erkenning van een kracht die desondanks bestaat.

Dan zijn er scholen, die een beetje zwart magisch zijn vanuit de moderne opvatting, zoals de school die ergens achter de IJzeren Poort in het Zevengebergte bestond. Hier zochten de mensen naar de wetten die de natuur beheersen. Inderdaad. Hier zochten ze naar de machten die het leven bepalen. Hier zochten ze naar de eenheid van alle leven. Gelijktijdig spraken ze over de onbekende kracht die alle dingen regeert.

Zodra je de dingen deelt, zijn ze waardeloos, zo leerde men in deze school. “Slechts daar waar ze één zijn hebben ze betekenis.

Ik vraag mij af, of al die Draculaoverleveringen die dankzij Bram Stokers eerste werk, de moderne wereld aangename rillingen schijnt te verschaffen, niet is geboren uit datzelfde begrip. Want de vampier kan alleen wandelen in de nacht. Hij kan niet op de dag leven. Waarom? Omdat hij een eenzijdig wezen is. Maar op het ogenblik dat de vampier, en dat komt in bepaalde legenden voor en heus niet alleen in Transsylvanië, in staat is om het lichtende, het geheiligde te aanvaarden, verandert zijn wezen. Hij is dan niet meer de weerwolf, de bloedzuiger de vampier zonder meer. Neen, hij is degene die leeft ten koste van datgene wat eenzijdig is en gelijktijdig in zijn eigen veelzijdigheid de nacht en de dag als één geheel beleeft. Dwaasheid misschien. Bijgeloof ongetwijfeld.

De “Spiesen”, de oorspronkelijke man die later Dracula zou heten is ongetwijfeld een historische figuur en we kunnen het allemaal daarop terugbrengen. Maar hoe komt het dan dat voor die tijd die dingen al bekend waren?

De vampier, de bloedzuiger, de draak, maar ook de fabeldieren, dieren die behoren tot een bepaalde stam, de totemdieren, die spreken tot de mensen, die werken voor de mensen. Soms brengen ze hen in het duister en soms geven ze hun de krachten alleen wanneer er het licht van de dag is. Waar komen die dan vandaan? Waar komt die veelvuldigheid vandaan? Van allerlei figuren die of het één of het ander zijn. Mogelijk uit het onvermogen van de mens om de eenheid van alle dingen te aanvaarden.

Ik wil niet te ver gaan en zeker niet nu ik zo weinig tijd heb met allerlei voorbeelden te citeren. Maar ik wil u nog enkele filosofische punten voorleggen die toch wel de moeite waard zijn.

Als er een werkelijkheid is, dan bevat ze niet slechts al het kenbare maar al het voorstelbare. Als een werkelijkheid al het voorstelbare bevat, zal de voorstelling die wij als waar aanvaarden, voor ons een waarheid inhouden die ook als werkelijkheid kan worden beleefd. Wij zijn slaven van onze onvolkomenheid van denken en bewustzijn. Wij zijn de dienaren van gevoelens die wij niet beheersen. Maar op het ogenblik dat wij de krachten beheersen, dat wij onszelf beheersen, vinden wij nl. de weg om de werkelijkheid aan te passen aan datgene wat voor ons op dit moment harmonie, duidelijkheid, goedheid betekent.

U moet niet roepen om liefde van het heelal. Het heelal kent geen liefde zoals mensen die interpreteren, geen goedheid zoals die door zovelen wordt gepredikt. Het heelal kent zichzelf en het deelgenootschap daaraan. Als wij geloven aan het goede, dan maken wij voor onszelf een werkelijkheid waar waarin dat goede voor ons tijdelijk bestaat. Maar op het ogenblik, dat onze werkelijkheid verandert, zal dat goede niet meer aanwezig zijn. Alweer iets dat ik uit een geheimschool neem. In dit geval een tamelijk recente in Zuid-Amerika.

Waar wij ook gaan, gaan wij niet omdat wij moeten gaan, maar omdat wij onszelf niet duidelijk kunnen maken dat het niet nodig is om te gaan. Wij scheppen de door ons besefte noodzaken die in werkelijkheid nooit bestaan in een goddelijke werkelijkheid.

Wij scheppen voor onszelf verdelingen die onzinnig zijn zodra wij de eenheid van alle dingen beseffen. Wij maken voor onszelf de bezieling der dingen, tot een wereld vol elfjes, kobolden, dwergen, de kleine mensen en de grote geesten. Maar ze zijn en, daar waar wij die eenheid proberen te beseffen, lijkt onze wereld leeg en arm te worden. Want schepselen, die voortdurend in tegenstellingen denken, die voortdurend werken met allerlei verschijningsvormen van grote krachten, met de mogelijkheid om eigen wil, a.h.w. op te leggen aan het Al, kunnen de eenheid, en de werkelijkheid niet beleven, indien de tegenstelling wegvalt. Maar wil dat zeggen dat ze niet bestaan? Ik zeg u: Er is een God. Maar wie en wat en hoe deze God is, weten wij niet.

Er zijn vele leringen omtrent God. Deze leringen zijn waar voor ons zolang wij ons daaraan gebonden hebben. Daar waar deze binding ophoudt, bestaat dit beeld van God niet meer en dus ook niet de werkelijkheid die wij daaraan menen te ontleden.

Aan de ene kant leven wij in een tijd en vaagheid die wij niet durven aanvaarden en niet durven beseffen. Aan de andere kant leven wij met een zekerheid die veel groter is dan alles wat met die beelden en vormen kan worden uitgedrukt.

Er is een leer geweest, lang geleden in het noordelijk deel van de Andes, waar naast de bekende priesterdiensten en offerdiensten, de zonneverering, de zonnemaagden etc. ook dit bestond;

“Ik roep u, gij onkenbare. Ik wek u op zoals gij in me zijt.  Ik breng u voort uit mijzelf zoals de zon rijst uit de zee.  Ik breng u voort, onkenbare, door wat ik ben. Vervul mijn wezen met hetgeen gij zijt, opdat ik wetend of onwetend moge waarmaken wat uit u voortvloeit en uit alle dingen.

Een vreemd gebod. In monolithisch gebouwde steden met nog monolitischer uitziende tempels, later zelfs in bepaalde piramide tempels wordt dit gebeden. En dan voel ik daarin toch een terugademen naar de oude tijd, naar de tijd van de Atlantische wijzen die het begin zijn geweest van wat men de Witte Broederschap is gaan noemen.

Zij, die probeerden in de eenzaamheid één te zijn met alle dingen en zo een werkelijkheid beloofden en uit die werkelijkheid konden putten beter dan wie dan ook. De wijzen die wisten, maar die alleen spraken tot degenen die vroegen. Het is misschien het raadsel van de verborgen God dat wij niet weten wat te vragen, niet durven vragen wat noodzakelijk is.

God is een wonderlijk iets. Voor bepaalde Eskimostammen is hij een grote beer die gelijktijdig leven brengt en dreiging van dood. Voor bepaalde indianenstammen was God als een forel. Voor anderen weer als een boom, die zo nu en dan zijn vruchten in de rivier laat vallen in India. Waarom denken ze zo aan de godheid?

‘God in vele vormen’ heeft men deze cursus ten slotte genoemd. Ik heb nu gesproken over de verborgen God. Maar zou ik ook niet moeten spreken over de God in ons? God in ons is een werkelijkheid. Hoe? Dat weten we niet. Waarom? Wij kunnen dat niet nagaan. Maar het is er wel. Het is de vreemde vaagheid die ons voortdrijft om te leven. Het is datgene wat ons ondanks alles een levensweg en een levensstandaard geeft waaraan wij ons niet geheel kunnen onttrekken.

Het onbekende. Het is de basis van alle volksgeloof. Het onbekende spreekt evengoed in de demonisch gloeiende ogen van vreemd goden die door de bomen schijnen te kijken ergens in Afrika, wanneer de medicijnmannen samenkomsten houden; als hij aanwezig is in de grote tempels van de blanke gemeenschappen, terwijl er koorzang klinkt. Het is dezelfde God. Het is de God die de gedaante aanneemt die wij hem geven. Maar hij is de kracht die onaantastbaar blijft in zichzelf.

De tovenaars

Er zijn vele wetten in de natuur. Sommige van die wetten liggen in de natuur, zoals wij haar kennen, verankerd. Andere wetten echter liggen verankerd in de mens. De werkelijke tovenaar is degene die de krachten en wetten kent zoals ze in de mens bestaan. Hierdoor kan hij een innerlijke werkelijkheid waarmaken die op geen enkele andere manier schijnt uit te beelden te zijn. Hij kan de gang der gebeurtenissen veranderen doordat de kenbare samenhang tussen oorzaak en gevolg voor anderen niet meer aanwezig is. Toch is hij wel degelijk een man (of een vrouw) die vanuit zichzelf heeft geleerd te werken met gevoelens en die te maken tot een soort rede. Die geleerd heeft zijn gedachten te maken, niet tot een beheersende richting, maar eerder tot een ontvangstmogelijkheid voor de gevoelens.

Het zijn de gedachten in de magie die de intense gevoelsbelevingen en de innerlijke waarden bevatten. De formules die worden uitgesproken, de lichten die branden, de reukwerken die worden gebruikt zijn niet veel meer of minder dan pogingen om die gevoelens buiten jezelf zodanig weer te geven dat je juist hierdoor in staat bent wat van je gedachten te gebruiken om ze te richten.

Er zijn vele vreemde magische dingen gebeurd. Nog niet zo lang geleden heeft men onderzocht hoe de Bosnegers o.m. in Suriname, in staat waren om een slangenbeet onschadelijk te maken door een inblazing met een plantaardig bestanddeel. Dit op zichzelf had bepaalde immuniserende kwaliteiten en eigenschappen. Toen men echter proeven daarmee nam (dierproeven wel te verstaan) bleek dat het poeder, dat met bepaalde bezweringen was behandeld, een absolute bescherming betekende, terwijl het poeder zoals het normaal werd gebruikt wel enige, maar geen volledige bescherming bood. Men heeft toen gezegd: Dan hebben wij kennelijk de samenstelling niet helemaal goed gemaakt. Wij hebben het één of andere bestanddeel misschien niet opgekregen of het is ons ontgaan. Dat was de werkelijkheid. De bezwering op zichzelf is een essentieel deel van de samenstelling van het poeder.

Wanneer de smid in Afrika zijn magische formules zingt terwijl hij het ijzer smeedt, dan haalt men de schouders op en zegt: Nou ja, het zijn primitieve mensen.

Mag ik u eraan herinneren dat de beste zwaarden ter wereld vervaardigd van Damascener staal nog steeds op een dergelijke manier tot stand zijn gebracht met formules, met bezweringen, met een ziel. Mag ik u erop wijzen dat nog steeds de kris op Java op een bepaalde manier ritueel wordt behandeld, dat daar bezweringen bij te pas komen en dat men zegt: het wapen heeft een ziel. De gedachten van de mensen bezielen de materie en kunnen daardoor de werking van materie voor een groot gedeelte bepalen.

Als men zegt dat een kris pusaka tevens een wachter is, die tegen vijanden beschermt door te waarschuwen wanneer ze komen, dan klinkt het als een sprookje. Maar wanneer die kracht erin is gelegd, waarom zou het dan niet waarschuwen?

Als je hoort hoe bepaalde sieraden in de oude tijd werden behandeld om zo o.m. in staat te stellen vergiftigingen af te weren, bepaalde vormen van geneeskunde, onkwetsbaarheid e.d. tot stand te brengen, dan zou men zeggen: Het is bijgeloof.

Hoe komt het dan dat in niet alle maar toch in betrekkelijk vele gevallen dergelijke dingen werken? De westerse wereld weet het zo goed: suggestie. Maar hoe komt het dan dat het lichaam een zinkvergiftiging kan afweren door suggestie. Dat moet u mij eens vertellen. Omdat het in een theriakel (geneesmiddel tegen beet van giftige dieren) gelooft, is hij daardoor onkwetsbaar. Dan realiseert men zich niet wat men in werkelijkheid zegt. Men zegt: Het denken beheerst de reactie van het lichaam op allerlei stoffen die voor het lichaam gevaarlijk zijn.

De tovenaar heeft geleerd wat je werkelijkheid is in dit opzicht. Alle materie kan voor een gedeelte worden bezield door de wil. Wij kunnen de intensiteit van onze gevoelens vastleggen in materie. Wij kunnen daardoor de eigenschappen en kwaliteiten van die materie veranderen. Wij zijn in zekere zin meesters van onze wereld. Op het ogenblik dat wij onze innerlijke krachten gebruiken en niet slechts de slaven worden van ons verstand en van het waarschijnlijk.

De tovenaars zijn de machtigen uit een ver verleden. De tovenaars van vandaag zijn mensen, die niet eens begrijpen waardoor ze worden gedreven. Wil de wetenschap in deze dagen verder komen, dan zal men moeten terugkeren naar dat bestaan van de tovenaar en de magiër. Dan zal men de innerlijke kracht, de morele kracht en zeker de krachten die in het ik bestaan, de gevoelswaarden in het ik meer bewust moeten gebruiken en laten fungeren als een stuur voor wat wij het verstand noemen. Dan is het mogelijk om vele raadselen te ontrafelen. Dan is het mogelijk om schijnbaar onmogelijke dingen toch waar te maken. Het enige nadeel is, dat kun je niet industrieel doen.

De tovenaars van deze tijd zijn tegenover de tovenaars van vroeger dwazen. Zij weten meer, maar wat ze bereiken is niet zo intens afgestemd op wat ze wezenlijk willen zoals vroeger het geval was.

Wij kunnen lachen over de mensen, die in de sterren hebben gelezen en die bepaalde ogenblikken en sterrenstanden hebben uitgekozen om juist op dat moment een bepaalde rite te volbrengen, om een bepaald magisch werk te beginnen. Maar als je heel goed nadenkt, dan zouden verstoringen van evenwicht of verandering van evenwichtsverhoudingen op aarde wel eens van heel grote invloed kunnen zijn juist op de psychische uitstraling van de mens.

Let wel als je de tijd goed uitkiest, dan moet je nog jezelf voorbereiden en reinigen tot de innerlijke wereld, je emotionele wereld zo intens en machtig is geworden dat je gedachten alleen nog maar met moeite daaraan richting kunnen geven. En dan wordt het ook begrijpelijk waarom magiërs soms verongelukken bij een magische poging en zeker niet alleen de zwart magiërs.

Als u in u een emotionele spanning opbouwt, zo hoog, zo sterk dat uw denken ternauwernood in staat is om dit nog enigszins te richten en te beheersen volgens uw eigen voorstellingswereld, dan zal elk wegvallen van die redelijke beheersing gelijktijdig het zenuwstelsel verteren en kan hartverlamming optreden en andere verschijnselen. Dan is het geen demon die je komt halen. Dan is het je eigen kracht die je voertuig heeft vernietigd.

Als wij in het eerste gedeelte hebben gesproken over de onbekende God, dan moeten we hier spreken over de onbekende kracht in de mens. Want welke mens dringt in deze dagen nog door tot de wezenlijkheid van zijn emotionele achtergronden, van zijn gevoelswereld die niet alleen wordt bepaald door werkelijkheden en zuiver stoffelijke reacties en daarnaast door een vreemde denkwereld die helemaal niets of weinig gemeen heeft met de wereld van de anderen om hem heen?

In deze tijd is er behoefte aan tovenaars. Niet omdat tovenaars datgene kunnen doen wat anderen niet kunnen, maar omdat ze in staat zijn gevolgen te garanderen die van tevoren beseft en gewild zijn en niet alleen om in een voortdurende jacht naar kennis steeds meer mogelijkheden te scheppen, zonder te weten wat ze tenslotte zullen zijn en betekenen in de wereld. Vandaar dat ik de tovenaars, de magiërs en de vreemde priesters van eens met al hun trucs en met al hun mogelijkheden hoger aansla dan de veelweters van deze dagen, die hebben vergeten dat wat in de mens bestaat machtiger en belangrijker is dan al datgene wat de mens in de wereld buiten zich kan constateren.