God weerspiegeld in de schepping

image_pdf

4 mei 1962

Aan het begin van onze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Ons onderwerp van heden is getiteld: God weerspiegeld in de schepping.

Neemt men deze titel letterlijk en wil men de werkelijke God weerkaatst zien in de mensheid van heden, dan zal men teleurgesteld opmerken: God valt mij tegen. Ik dacht, dat hij mooier was…. Degenen, die God terug willen vinden in de mensheid, bezien de Schepping zeer eenzijdig. Hun beeld is verkeerd. God Zelf is voor ons de Onbekende Grootheid. Misschien, dat wij, in de geest iets gemakkelijker – dan velen in de stof – ons een voorstelling kunnen maken van die God en al, wat Hij betekent, maar ook wij lopen al heel snel vast, wanneer wij een omvattend beeld van Hem willen ontwerpen. Niet alleen uit onszelf, maar in hoofdzaak uit alles, wat wij in de Schepping kunnen aanschouwen, kunnen wij ons een beeld maken van de Schepper. Om het anders te zeggen: De boom is te groot, die kunnen wij niet werkelijk zien, maar de vruchten kunnen wij desondanks leren kennen. Dan wordt de eerste vraag van belang: Hoe moet ik God dan benaderen? Want ik kan Hem niet eenvoudig leren kennen uit een dogmatisch standpunt, waarin zonder meer wordt gesteld: “God is zus of zo”. Ik moet God kunnen beleven, moet Zijn wezen – of tenminste Zijn krachten – in mijzelf en de Schepping leren erkennen.

Om een beeld op te bouwen, dat enigszins met de waarheid overeen komt, doe ik er daarom goed aan uit te gaan van de eenvoudigste waarden, die ik in de Schepping kan vinden.

Daarom zegt men wel: Leer eerst de eenvoudige gesteenten kennen. Dat is dus de eenvoudige dode materie. Ook deze is een deel van God. Nu zullen wij deze dode materie aan kunnen treffen in vele verschillende vormen, structuren en samenstellingen. Alle vormen – elk voor zich – bezitten een bepaalde schoonheid, zelfs wanneer deze niet onmiddellijk en in de juiste vorm kenbaar is. Verder blijkt alle dode materie aan bepaalde wetten te gehoorzamen. Alle stenen blijken onder bepaalde invloeden, als bv. een grote pressie, te verpulveren, terwijl zij onder een andere reeks van omstandigheden harder worden, of zelfs een geheel andere structuur zullen vertonen. Deze waarden zullen ongetwijfeld ook in God bestaan. Schoonheid, wetmatigheid en veelheid van vorm zullen tot Zijn eigenschappen kunnen behoren. Een schrede verder ontdekken wij andere verschijnselen.

Ik voor mij stem hier voor het vuur als Gods beeld, omdat het een element is vol omzettingen en veranderingen. Wanneer je weet, dat er vaste vormen bestaan, zul je tevens moeten erkennen, dat deze door de tijd worden aangetast. Er is altijd weer een verandering, een omzetting. Onze God bezit niet slechts de voornoemde eigenschappen, maar zal tevens alle dingen kunnen veranderen; voortdurende verandering en omzetting, bezien vanuit de tijd, zal een belangrijk deel van Zijn wezen zijn. Het optreden van de verandering alleen is niet voldoende kenbaar in een element als vuur. Daarom doen wij goed naar eenvoudige vormen van leven te zien: De plantenwereld. In de plantenwereld vinden wij groei en bloei. Er zijn vele, op zich eenvoudige, structuren, die vaak een wonderlijke schoonheid bezitten. Wij zien – zij het traag volgens menselijke normen – een reageren op licht en duister. Wij vinden ook de honger naar leven. Vooral in het noorden kan men voorbeelden hiervan aantreffen. Daar zie je vaak – aan de grens van de bomengroei – een verwaaide den, vergroeid en verkromd, die zich met diepe wortels aan de rotsen vastklampt. Zo’n boom leeft en blijft zich vastklampen, al zijn de stormen nog zo fel, al zijn de temperaturen nog zo laag. God is dus ook leven. In Hem, zoals in vele waarden, schijnt een behoefte te bestaan Zichzelf gelijk te blijven. In Zijn wezen moet verder ook de mogelijkheid bestaan tot een voortdurende aanpassing. Waar de planten deel van Gods beeld zijn, moeten wij aannemen, dat Hij dit voortbestaan mogelijk heeft gemaakt, dat Hij alle waarden en krachten binnen deze wereld heeft beseft. Onze God moet dan ook wijsheid bezitten. Van Hem mogen wij een erkennen van alle omstandigheden en feiten verwachten, terwijl in Zijn uiting tevens een voortdurende aanpassing aan de heersende condities tot stand komt. Hierbij blijkt Hij een zeker evenwicht tot stand te brengen. Dit streven naar evenwicht vinden wij ook op een hogere trap van leven: bij de dieren. Het dier is beweeglijker dan een plant. Het schijnt ons vaak toe, dat dieren alleen leven om te eten en gegeten te worden. Hieruit blijkt m.i. voor ons, dat voor God de vorm, waarin het leven zich openbaart, zelf niet belangrijk is. Het leven zelf is deel van Zijn wezen, is een belangrijk deel van Zijn beeld binnen de Schepping. Maar de wijze, waarop dit leven geleefd wordt, is voor God klaarblijkelijk van veel minder belang.

Ook hier vinden wij wetten. Deze wetten zijn – vanuit een menselijk standpunt – bepaald hard te noemen. De vorm en de wijze, waarop de vorm zich gedraagt, zich aanpast enz., bepaalt ook, wat deze vorm zal ondergaan. Oorzaak en gevolg zijn duidelijk kenbaar. Mogelijk zijn deze wetten hard, maar zij zijn tevens rechtvaardig. Daarom kunnen wij stellen, dat wij reeds in de wereld van de dieren geconfronteerd worden met de onverzettelijke rechtvaardigheid van God, die geen rekening houdt met denkbeelden, maar alleen met feiten. Een stap boven het dier treffen wij de mens aan. De mens is een wezen, dat zichzelf ook vanuit het standpunt van zijn wereld tracht te beschouwen, een wezen, dat dromen en illusies kent, een wezen, dat zich verwijdert van de werkelijkheid. Toch blijkt uit het menselijke leven, dat de mens terug zal moeten keren tot een aanvaarding van de ene grote werkelijkheid en onderworpen blijft aan de grote Goddelijke wet. Ook de mens kan zich niet aan één enkele wet onttrekken. Daarom kunnen wij stellen, dat God in alle verschillen van verschijningsvorm toch kennelijk één geheel is, een denkend Wezen met vaste eigenschappen en mogelijkheden.

Daarmee hebben wij het kleine en beperkte leven wel bezien, maar boven de wereld van de mensen strekt zich het uitspansel uit, bezaaid met vele sterren. Onmetelijk grote vuurbollen, al dan niet vergezeld door soms levendragende planeten, bewegen zich op raadselachtige manier. Soms vlieden zij elkaar, soms neigen zij zich tot elkaar, als in een hemels ballet. Zelfs vanuit een stoffelijk standpunt bezien, maken de hemelen ons steeds weer een belangrijk Goddelijk principe duidelijk: Ordening. Onze God is klaarblijkelijk een God, die Zich openbaart en spiegelt in een bepaalde orde. Zijn wezen komt tot uiting in vaste wetten en regels en kan worden erkend in een onvermijdelijke, en vaste gedragslijn van al het geschapene, dat zich ook door bewustzijn en wil aan de vaste regels, de vaste orde, nimmer kan onttrekken. Hoe zou God deze ordening handhaven? Wanneer wij nog een trede hoger stijgen, treffen wij denkende en handelende wezens aan, die de mensen wel engelen noemen. Anderen noemen deze wezens liever Goden. Deze vaak onbegrijpelijke en eigenaardige krachten hebben kennelijk een eigen en vaste functie in het geheel. Zij geven, naargelang hun geaardheid en taak, leiding aan het ontstaan van nieuwe sterren, of het ontstaan van een nieuw ras. Anderen onder hen blijken bepaalde wetten te verwerkelijken, of een vaste invloed op bepaalde delen van de Schepping uit te oefenen. Allen hebben zij kennelijk en onloochenbaar, een eigen en vaste taak. Opvallend is bovendien, dat deze wezens – althans zover het de Schepping betreft – zich alleen binnen deze taak uiten, die een deel van hun wezen schijnt te zijn. God is een wezen met zeer vele facetten, die wij niet geheel kunnen overzien. Maar elk facet op zich blijkt, in wezen en vervulling van taak, geheel consequent te zijn. Het hangt niet aan vorm, houdt zich niet aan een vaste gedaante en schijnt zich ook niet bezig te houden met een in stand houden van het eenmaal bereikte. In elke engel, in elk facet, van de Goddelijke krachten blijkt ons, dat alleen de wording, het zich verder ontwikkelen, belangrijk is. Het gaat duidelijk om de groei, meer dan om het wezen. Waar geen ontwikkeling meer mogelijk is, blijkt een dergelijke kracht zich eenvoudig terug te trekken. Het ras, enz., dat door die kracht of engel werd beheerst, gaat dan eenvoudig ten gronde, de ster dooft uit. Hieruit kunnen wij de conclusie trekken, dat de Schepper Zijn Schepping niet heeft geschapen voor de daarin ontstaande vormen, maar alleen ter wille van de ontwikkeling, die daarin mogelijk was. Indien wij hoger willen klimmen, blijft ons alleen God Zelf nog over, De onbekende Grootheid, die voor ons uit de door mij omschreven zes voorgaande trappen van bestaan toch alweer iets beter begrepen, iets meer gekend kan worden. Wij kunnen het geheel van God en diens wezen natuurlijk niet overzien, maar uit de delen van de Schepping, die wij onderzoeken, kunnen wij een soort grondschema verkrijgen. Wij kunnen aan de hand van het voorgaande o.m. stellen: God is schoonheid, maar ook wetmatigheid. Hij bevat in Zich de gedachte en de wijsheid, maar bovenal een systeem. God is een systeem, een orde op zich. God is ordening.

Dit is een aardige introductie tot het onderwerp, dat wij gezamenlijk beschouwen, maar daarmee zijn wij niet klaar. Want indien wij ons bezig houden met de vraag, wat God eigenlijk is en Hem willen leren kennen uit Zijn Schepping, dan moeten wij vergelijkingen gaan maken tussen de denkbeelden, leringen en openbaringen, die op aarde Zijn wezen heten te verklaren.

Dan komen wij reeds onmiddellijk stellingen tegen, die wij in bijna alle leringen gelijkelijk aantreffen. In het Oude Testament treffen wij de stelling aan, dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. Dit kunnen wij nog enigszins anders vertalen: “God schiep de mens naar Zijn geaardheid en wezen”. Indien deze stelling ook maar een grein van waarheid bevat, zouden wij, alleen al door de mens te leren kennen, veel omtrent God kunnen leren. Andere godsdiensten onderschrijven dit. Wat valt ons bij de mens nu op? Allereerst: hij bestaat uit 2 vaak met elkaar strijdige factoren, die men de geest en de stof noemt. Daartussen ligt het leven, het begrip, alle bewustwording. God openbaart Zich voor ons in licht en duister, plus alle contrasten daartussen. De uitersten in de kosmische openbaring kunnen wij ook Ormuz en Ahriman noemen, want vanuit ons standpunt zijn deze beide waarden voortdurend met elkaar in strijd. Ook in de mens is een voortdurende strijd tussen stof en geest, verstand en gevoel.

Verder blijkt in het leven van de mens het begrip liefde, in de meest algemene en ruime zin van het woord, van uitzonderlijk belang te zijn.

Een mens, die helemaal nergens bij behoort, die nergens zijn genegenheid aan kan schenken, die geen genegenheid ontvangt, verliest veelal zeer snel zijn menselijke kwaliteiten. Hij valt terug in een bijna dierlijk bestaan en denkt niet meer, zoals men dit van een mens zou mogen verwachten. Liefde, genegenheid, aanvaarding door en van anderen, blijkt voor de doorsnee mens de grote stimulans in het leven te zijn, de werkelijke drijfveer van een groot deel van zijn daden. Hieruit zouden wij de conclusie mogen trekken, dat God aanvaard wil worden en van Zijn kant uit ook wil aanvaarden, dus liefhebben. Nu heeft elke mens van begrippen als liefde enz. zijn eigen voorstellingen, die natuurlijk onvolkomen zijn. Maar deze mens schept zich kennelijk, aan de hand van zijn eigen en onvolmaakte voorstellingen, een eigen beeld van de wereld. Hier lijkt het mij dan ook aanvaardbaar – krachtens onze vergelijkingen – te stellen, dat God niet alleen en geheel Zijn eigen werkelijke wezen in de Schepping geopenbaard heeft, maar eerder een beeld, dat Hij zich omtrent Zijn eigen wezen gemaakt heeft. Ook wanneer wij andere aspecten van de mens bezien, blijken ons verschillende vaststellingen omtrent Schepper en Schepping mogelijk. In de aura van de mens zien wij de chakra’s fungeren als eigenaardige verbindingen tussen de stoffelijke en geestelijke werelden. Hier blijken stof en geest, zij het op beperkte plaats, een ogenblik met elkaar te corresponderen. Dit voert mij weer tot de veronderstelling, dat – ofschoon de werelden van stof en geest schijnbaar geheel gescheiden zijn – toch in God bepaalde punten moeten bestaan, waarin stof en geest met elkaar overeenkomen en gelijke wetten, waarden en mogelijkheden bezitten.

Vanuit ons standpunt zullen deze punten beperkt zijn. Verder blijkt in het leven van de mens zijn tijdsbeleven van het grootste belang te zijn. Door zijn bewustzijn van tijd beleeft hij, bestaat hij bewust. Buiten de tijd kan hij zich geen werkelijk bestaan voorstellen. Dan moet hieruit volgen, dat – zo God in menselijke zin beleeft, leeft, zoals wij leven kennen – voor God een tijdselement moet bestaan. De Schepping vanuit God zal dan ook voor Hem een kwestie van tijd zijn. Dit lijkt strijdig te zijn met alles, wat wij omtrent God geloven, maar wanneer wij gebruik maken van enkele kabbalistische handigheidjes, komen wij tot een stelling, die duidelijk maakt, dat tijd en eeuwigheid beide uitingen zijn van dezelfde kracht, ja, zelfs behoren tot hetzelfde verschijnsel. Eeuwigheid is slechts onbeperkte tijd, terwijl tijd slechts een beperkt deel van de eeuwigheid is.

Zo zijn wij, dank zij onze beschouwing van de Schepping en de mens, reeds gekomen tot een beeld van God, waarbij wij ons deze God als werkelijk levend, ook in de bij ons en u gebruikelijke zin van ‘t woord, kunnen beschouwen. Verder kunnen wij ons die God krachtens het voorgaande voorstellen als een Wezen, dat op sommige punten sterker met Zijn Schepping verbonden is, dan op andere punten. Natuurlijk kunnen wij deze punten namen gaan geven. In verschillende menselijke systemen heeft men aan de punten, waarin God sterker contact heeft met de werelden van de stof en de geest, namen gegeven. Men noemt deze dan wel de aartsengelen, of – in een andere versie de 9 punten, waarop God Zich in de Schepping openbaart. Dit zijn dan de oorspronkelijke 9 Sephiroth. Waarom zou ik verder gaan op de verschillende menselijke stellingen en systemen, waarin de conclusies, die wij getrokken hebben vastgelegd zijn? Dit werkt voor u waarschijnlijk eerder verwarrend. Laat ons volstaan met de opmerking, dat God, gezien de Schepping, op sommige punten een sterker contact en een sterkere overeenkomst met Zijn Schepping vertoont. Dit houdt dus in, dat op andere punten de afstand tussen het Goddelijke wezen Zelf en de Schepping groter zal moeten zijn.

Laat mij eens even recapituleren: Uitgaande van het standpunt, dat de Schepper Zich spiegelt in de Schepping en dus kenbaar moet zijn uit Zijn Schepping, zijn wij nu gekomen tot een beeld van God met de volgende eigenschappen: Een God, die buiten ons begrip van tijd leeft, zodat menselijke tijd voor Hem feitelijk niet telt. Zijn eeuwigheid omvat het totale tijdsbegrip, dat voor de totale Schepping ooit mogelijk is. Dan is zijn Schepping voor Hem een voltooid, een vast wezen, waarmee tevens duidelijk wordt, hoe God Zich in Zijn Schepping kan spiegelen, zonder Zelf een voortdurend veranderend wezen te zijn. Indien Hij Zich zou spiegelen in een wereld, waarin de tijd voor Hem en de Schepping een gelijke waarde zou zijn, zou Hij Zich slechts als een voortdurend veranderend wezen kunnen spiegelen, zover Hij dit wenst. Dan kunnen wij ook stellen: Het totaal van alle Schepping, alle tijd en alle levenskracht, is gelijk aan het deel Gods, dat zich in deze Schepping spiegelt. Een deel, want wij weten niet, of God Zich geheel heeft geopenbaard of niet; de Schepping kan dus zowel een weergave zijn van geheel Zijn wezen als van een deel van Zijn wezen zijn. Dit is voor ons niet vaststelbaar.

Hoe en waarin, of waaruit God leeft, kan een twistpunt vormen. Uit het voorgaande volgt met redelijke zekerheid, dat God liefde is, rechtvaardigheid, kracht, bewustzijn, leven enz.. Nu rijst een andere moeilijkheid. Wanneer ik mij een beeld van God ontwerp als het voorgaande, zal ik wel kunnen beweren, dat God volmaakt is. Maar God spiegelt Zich in Zijn Schepping. Wanneer ik vandaar uitga, moet ik ook toegeven, dat wij in die Schepping vele waarden ontdekken, die allesbehalve volmaakt zijn. Waarom zou er anders op aarde zoveel haat en zoveel dwaasheid zijn? Wanneer de mens een micro-kosmisch beeld van God is, zo rijst alweer hetzelfde bezwaar. Waarom beweert een mens bv. steeds weer het ene punt na te streven, terwijl hij in feite het andere punt nastreeft? Deze strijdigheden zijn, vanuit een zuiver menselijk standpunt niet weg te redeneren. Wel kunnen wij een verklaring vinden in de zekerheid, voortvloeiende uit het voorgaande, dat alles, wat door de stof en de geest als onvolmaaktheid of verandering wordt ervaren, voor God en binnen het voltooid geheel van de Schepping niet een werkelijke onvolmaaktheid of verandering kan zijn.

Indien wij toegeven, dat er geen sprake van een feitelijke verandering in het geheel van de Schepping kan zijn, maar dat alle waarde van verandering en onvolmaaktheid alleen voortkomt uit het beperkt tijdsbewustzijn en het gebrek aan overzicht, dat wij beschouwers hebben, volgt hieruit, dat er geen lijden en wreedheid als werkelijke en blijvende waarde in het geschapene zal bestaan, evenmin als menselijke vreugde enz.. Al deze dingen zijn alleen een deel van ons eigen groeiproces, zodat zij in betekenis en waarde veranderen, naarmate wij ons meer van de totale Schepping bewust worden. In God kunnen wij geen wreedheid of vreugde veronderstellen in de menselijke zin van het woord. Het enige, dat wij in Hem kunnen erkennen is de eigenschap, die men op aarde wijsheid pleegt te noemen. Wijsheid zou daarom het voor ons meest kenbare en gelijkblijvende in het Goddelijk wezen zijn. Daarnaast erkennen wij in God de wetmatigheid, die geheel de Schepping regeert. Dit is een – voor ons overigens niet altijd te begrijpen – rechtvaardigheid. God is evenwicht. In Zijn wezen zijn alle mogelijkheden van de Schepping – en misschien nog veel meer waarden – als een onverbrekelijke eenheid aanwezig. Dan mogen wij ook spreken over God als de absolute harmonie.

Misschien kan een mens zich dit beter bewust worden, wanneer hij niet spreekt over harmonie, maar over schoonheid zonder gebreken. Onze voorstellingen van de wereld en onszelf zijn te beperkt om ooit juist te kunnen zijn, of werkelijke betekenis binnen de kosmos te hebben. Dit laatste zal voor ons niet zo aangenaam zijn. Dit toegeven is weliswaar de juistheid van bepaalde waarden erkennen, maar prettig is het niet, omdat wij nu geen enkele maatstaf meer bezitten, waarmee wij over onszelf en de wereld met zekerheid een oordeel uit kunnen spreken. Wanneer alles voor God werkelijkheid is en harmonie, terwijl alle verschillen, die wij zien, in wezen onbelangrijk en niet bestaand zijn, zullen wij ons af moeten vragen, waarom er op de wereld dan zovele Goddelijke, of zogenaamd Goddelijke, wetten verkondigd zijn. Deze wetten maken deel uit van de godsdienst, maar ook van de openbaringen en hebben voor de gelovige mens een zeer bijzondere betekenis. Wanneer geheel de Schepping door God en uit God geschapen is, zal het weinig zin hebben onszelf bepaalde beperkingen op te leggen. Voor God is alles goed en volmaakt, hebben wij zo-even gesteld. Dan lijkt het zinloos in naam van die God om te zeggen, dat wij dit niet mogen en dat moeten doen. Dan hebben al die wetten, die men u op aarde als Goddelijk voor houdt, geen enkele werkelijke betekenis voor Hem. Waarom zouden wij ons daar dan mee bezig houden?

Natuurlijk beginnen wij te stellen, dat er op aarde vele mensen en groepen zijn, die hun eigen meningen in wetten neerleggen en daarbij met de naam van de “Grote Baas” schermen, zonder Hem werkelijk te kennen. Er is nog een goede reden om wetten aanvaardbaar te achten en zelfs het stellen van wetten door God aannemelijk te achten. Wij hebben in het begin van deze inleiding geconstateerd, dat God ook ordening is. God is ordening, omdat uit de chaos weliswaar het beeld van het Zijnde ontstaat, maar slechts door een toenemende ordening. De chaos is het Niet, daarin kan God Zijn wezen niet erkennen. Daarom schept Hij.

Dit lezen wij in Genesis: “In den beginne, was het woord… enz.” God zendt Zijn bewustzijn uit als een wet om zo de ordening te doen plaats vinden. “En de geest Gods zweefde over de wateren”. Niet God zweefde over de wateren, maar de geest Gods. Dus niet God Zelf, maar een deel van Zijn wezen. God schept in 7 dagen de wereld. Zes dagen van actie, een dag van rust. Alles pleit voor een door God – of diens gezondene, Zijn geest – scheppen van orde tot het laatste en onbelangrijkste punt. Ook uit het Scheppingsverhaal kan men dus afleiden, dat ordening voor het Goddelijk wezen van het grootste belang is. Stel verder, dat God Zich in deze geordende Schepping spiegelt, ook in ons wezen; dan is de reeks van wetten niet belangrijk, omdat wij door het volgen daarvan een plaats in de hemel kunnen verwerven, omdat wij alleen door het volgen van deze wetten de Schepping en ons eigen wezen deze Schepper waardig maken. De wetten en het volgen daarvan wordt dan belangrijk, omdat wij, in ons wezen microkosmisch het grote spiegelende, alleen door het erkennen van de ordening tot een zelf erkenning en een bewuste weergave van het Goddelijke kunnen komen. De wetten op zich zijn onbelangrijk. Vele menselijke opvattingen omtrent Gods wil en wat God gezegd zou hebben, kunnen wij dan ook rustig terzijde laten. Maar uit het voorgaande blijkt ons de noodzaak regels te aanvaarden, te leren kennen, interpreteren en volgen. God is ordening. Dientengevolge zullen wij, door ons leven in werelden en sferen, voor onszelf de ordening moeten ondergaan, leren beseffen en kennen, zodat wij ons eigen wezen en vandaaruit ook de Goddelijke kracht, die in ons zich spiegelt, zullen kunnen erkennen.

Er zullen veel mensen zijn, die nu onmiddellijk opmerken: Uw stelling vind ik heel mooi, maar hoe weet ik nu, welke wet Goddelijk, goed en welke wet niet Goddelijk, of zelfs niet goed is?

Laat ons nog eens nadenken. God is ordening. In de chaos is God weliswaar aanwezig, maar Hij is daarin niet geopenbaard. Hij spiegelt Zich in de chaos niet. Dan zal een erkennen van eigen wezen, een bereiken van waarheid, in de chaos, ook niet mogelijk zijn. Alles dient dus gericht te zijn op een steeds toenemende ordening, waar alleen door de ordening God, het levende, dat zich openbaart en de geest Gods, die de aarde beheerst, zich in de Schepping zullen kunnen openbaren. In ieder geval zijn wij verplicht weg te streven van alle chaos. De chaos is een toestand, die voor ons niet bruikbaar is, niet past bij ons beeld van de Schepper en het doel van de Schepping zelf schijnt te bedreigen. Dit laatste wil ik natuurlijk vanuit ons standpunt stellen. Elke wet, die tot ordening voert, is uit God, waar daarin Gods wezen tot uiting komt. Ordening is meer dan een geordend zijn van alle waarden. Het voegt alle waarden samen tot een werkelijke weerkaatsing van het wezen Gods. Ordening dient ook tot eenheid te voeren. Een wet, die eenheid of harmonie bedreigt, of de mogelijkheid daartoe vermindert, is dus niet juist. Goddelijke orde of harmonie is immers het op de juiste wijze aaneensluitend samengaan van alle delen van de Schepping? De volmaakte harmonie zal ook de volmaakte ordening, de volmaakte samenwerking, uit drukken.

Waar wij streven moeten naar een overwinnen van de chaos, dienen wij ook te streven naar een beloven, erkennen en juist beseffen van de eenheid in alle dingen. Voor mensen en geesten kunnen wij dit alles ongeveer als volgt zeggen: Wij moeten steeds meer trachten elkaar te begrijpen, met elkaar samen te streven, samen te gaan, met elkaar in een zo juist en groot mogelijke harmonie samen te werken en te leven. Alleen op die manier kunnen wij voor onszelf – ik spreek nu even niet in de eerste plaats over God – het chaotische principe, dat ook in ons wezen pleegt te zetelen, overwinnen. Alleen op deze wijze zullen wij – delen der Schepping, die met een eigen bewustzijn leven in een persoonlijke versie van tijd – de eeuwige en voltooide Schepping gaan beseffen en er bewust deel van uitmaken. Uiteindelijk zullen wij door de juiste ordening en harmonie zelfs in de volmaakte en voor ons tijdloze Schepping op kunnen gaan. Elke wet, die verdeeldheid bevordert, is verkeerd. Zelfbeperking schijnt tot de wegen te behoren, langs welke de perfecte harmonie bereikt kan worden. Laat mij daarom alleen nog kort deze inleiding afronden.

Wanneer wij stellen, dat God Zich spiegelt in de Schepping, is het eveneens waar, dat de Schepping als geheel Gods beeld is. Het totaal van de Schepping is gelijk aan het totale beeld van de zich openbarende Schepper. Wij zijn deel van de Schepping. Als zodanig hebben wij veel aan ons erkennen van de Schepping, zelfs van de delen ervan. Want het zal ons vaak moeilijk vallen het geheel van gebeurtenissen, verhoudingen, ja, zelfs het wezen van de dingen te erkennen. Maar bepaalde delen van de Schepping behoren toch wel tot ons onmiddellijk beleven en kunnen ook gekend worden. Bewustwording van ons wezen is voor ons nog steeds het belangrijkste deel van het bestaan. Wij kunnen ons niet met het geheel vereenzelvigen, of zelfs maar het geheel begrijpen. Ter uitbreiding van ons bewustzijn staan ons verschillende middelen ter beschikking. Een van de belangrijkste wegen lijkt mij te beginnen met het zoeken naar de juiste harmonie. Zeer veel kunnen wij putten uit de juiste vormen van samengaan met de Schepping, samenklank met andere delen van het geschapene. Daarnaast zullen wij behoefte hebben aan schoonheid; en schoonheid is beleving. Het erkennen van het schone, ongeacht de werking, die het op ons, of voor ons persoonlijk, zal hebben, bevordert een juist begrip van het Al en de plaats, die wij daarin innemen, terwijl wij ons nader voelen tot het geheel, tot God. Ook zullen wij niet werkelijk kunnen vorderen, wanneer wij niet beschikken over wijsheid, een inzicht in samenhangen, een begrijpen van de noodzaak tot samengaan en gezamenlijk streven. Verder omvat wijsheid ook een begrip voor de tegenstellingen in het leven, de betrekkelijkheid daarvan en de noodzaak van deze tegenstellingen voor onze bewustwording.

Ten laatste zullen wij niet in het leven kunnen slagen, geen hoger bewustzijn kunnen bereiken, wanneer wij geen begrip hebben voor de noodzaak tot ordening, het aanvaarden van wetten en het erkennen van een onpersoonlijke rechtvaardigheid, die voor allen gelijk is. Juist het beseffen van deze rechtvaardigheid is moeilijk, omdat haar wezen en werkingen niet zo eenvoudig in menselijke termen vertaald kunnen worden. De rechtvaardigheid van het Goddelijke is niet een formuleren van de verhoudingen A tot B volgens strafwetboeken, vaste regels enz., zoals de mens die hanteert. De Goddelijke rechtvaardigheid komt tot uiting in de wetten van oorzaak en gevolg. Wij kunnen die rechtvaardigheid eerst beseffen, wanneer wij eigen aansprakelijkheid in het leven leren aanvaarden, de noodzaak erkennende alle gevolgen van eigen bestaan zelf te aanvaarden en alle, uit de voor het Ik werkzame keten van oorzaak en gevolg voortkomende werkingen te aanvaarden. Rechtvaardigheid Gods en aanvaarding zijn voor de mens praktisch gelijk. Hij zal zich verzetten tegen de Goddelijke rechtvaardigheid en de grote wetten, wanneer hij uitgaat van eigen standpunt, daarbij bedoelingen, gedachten, mede betrekkende in zijn beoordeling van noodzaken en eigen belevingen, zelfs wanneer hij niet geneigd is deze ook tot een werkelijk deel van zijn leven te maken.

Als slot van deze samenvattingen stel ik dan nog: Wij moeten in het leven uitgaan van de 3 krachten, die voor ons als schepselen belangrijk zijn en in ons bewustzijn een benaderen van de Goddelijke werkelijkheid mogelijk maken. God spiegelt Zich ook in ons. Wij kunnen ons eveneens in God spiegelen. Dit dienen wij nooit te vergeten. Aanvaarding, wijsheid, erkenning van het Goddelijke recht zijn noodzakelijk. Daarom is het gevaarlijk voor ons te stellen: Dit is altijd goed, dat is altijd kwaad… Bovenal lijkt het mij gevaarlijk onszelf als een slagveld te beschouwen, waarop God en een duivel elkaar de suprematie betwisten. In plaats van een verdelen van de wereld in goed en kwaad, dienen wij te beseffen, dat twee waarden, die in ons leven het belangrijkste zijn, omschreven kunnen worden als de chaos en de harmonie. Alles, wat in ons wezen chaotisch is, zullen wij moeten overwinnen, zelfs indien de wereld dit goed pleegt te noemen. Wij zullen in het leven een voor ons goede, aanvaardbare en vaste regel en reden moeten vinden. Zodra dit is geschied, zal niet slechts God Zich in het totaal van Zijn Schepping spiegelen, maar zal Hij Zich tevens in ons wezen uiten en zo voor ons kenbaar worden. Dan zullen wij God in onszelf ontdekken en leren kennen. Zo zullen wij de ware eenheid met het vreemde aspect van tijd, dat men eeuwigheid pleegt te noemen, maar dat wij evengoed Goddelijke tijd kunnen noemen, uiteindelijk kunnen vinden.

Hier heeft u dan een korte, maar naar ik hoop, redelijk gedegen inleiding van dit onderwerp. Na de pauze zal ik gaarne uw vragen hierover en de met het onderwerp samenhangende problemen, die u heeft, met u bespreken. Wanneer wij ons met deze problemen bezig houden, zullen wij misschien iets meer kunnen gaan begrijpen van ons eigen wezen, de wereld, waarin wij leven en het heelal, waarvan wij deel uitmaken. Te weten, wat in dit heelal, waarin men leeft, werkelijk belangrijk is, lijkt mij een van de meest noodzakelijke dingen voor iemand, die naar hoger bewustzijn zoekt. Naar ik meen, kunnen wij een hoger bewustzijn niet bereiken, wanneer wij alleen maar beseffen, dat God Zich spiegelt in het Al, zijn Schepping, maar dat wij vooral ook moeten leren begrijpen, dat in de Schepping het plan Gods, de eigenschappen van God kenbaar zijn. Dit plan Gods zal – ook buiten alle menselijk denken en oordeel om – bruikbaar zijn als punt van uitgang en richtlijn bij leven en streven voor elk wezen met een zelfstandig bewustzijn. Dankzij een erkennen van dit punt van uitgang zal men – ook buiten de noodzaken van eigen leven en wereld om – in staat zijn de grootste waarden van Schepping en Schepper te erkennen, zo wordende tot een verlichte. Een verlichte immers is iemand, die in zich het beeld van de Schepping als eenheid draagt, de kracht van die eenheid in zich tot werkelijkheid doet worden en vanuit zich de kosmische eenheid op de juiste wijze ook aan anderen kan openbaren.

Vragen.

  • Indien men geremd is bij een zich inschakelen in een samenhang, kan men de vrees overwinnen, die dit veroorzaakt? Of is de vrees noodzakelijk om een voorbarige aanvaarding te voorkomen?

Wanneer er in u een vrees is, die u belet in een samenhang werkzaam te zijn, wettigt dit de conclusie, dat u op een bepaald punt in uzelf disharmonisch bent. I.v.m. dit onderwerp zou ik willen concluderen, dat in het ik bepaalde delen van bewustzijn en wezen nog een chaotisch karakter dragen. Iemand, die hieraan lijdt, zal – op alle gebieden, of op een bepaald terrein – boven alles naar een bevestiging van het eigen ik zoeken, een afzondering van dit ik van en een verheffing van dit ik boven alles nastrevende. Daarmee zijn wij op een punt gekomen, waar alles, wat men vroeger duivels of demonisch pleegde te noemen, naar voren treedt. Begrijp mij wel: Hiermee wil ik niet zeggen, dat de psychiater, wanneer er iemand op zijn bank ligt ter ontleding, werkelijk bezig is om feitelijke duivelen uit te bannen.

Maar hij zal trachten u van problemen en complexen te verlossen, die in het verleden maar al te vaak als directe inwerking van duivelen en demonen beschouwd werden. Indien u weet, dat u niet ingeschakeld kunt worden in een geheel, op een bepaald terrein de harmonie verwerpende, moet u zich toch eens afvragen, wat u eigenlijk daarbij remt. Wees daarbij vooral niet te zoetelijk.

Wij kunnen natuurlijk alles weg verklaren door te spreken over hoge geestelijke leiding, angstsyndromen, verdrongen jeugdcomplexen enz.. Zelfs indien deze verklaring niet onjuist is, is de verklaring op zich nog niet voldoende om een erkend tekort te verontschuldigen. Altijd kunnen wij heel goed nagaan, waar bij ons het verschil tussen ideaal en werkelijkheid in gelegen is. In 9 van 10 gevallen blijkt de oorzaak een angst te zijn, die niet bepaaldelijk de feiten, onze eigen werkelijkheid of de wereld betreft, maar eerder de angst, dat wij een beeld zullen moeten verliezen, dat wij ons nu eenmaal van onszelf gemaakt hebben. Dat is altijd het meest pijnlijke punt voor een mens. Men heeft zich bv. voorgesteld, dat men meer is, dan de doorsnee van de mensheid. Indien men binnen een samenhang met de mensheid, het leven, werkzaam wil worden, zal men moeten beginnen met te aanvaarden, dat men slechts een mens is, zoals ieder ander, dat men geen enkele reden heeft om zich boven anderen verheven te achten. Misschien ligt de reden in de waan, dat men reeds zover op het geestelijke pad gevorderd is, of dat men het juiste geestelijke inzicht bezit. Wanneer men de samenhang, die als noodzakelijk erkend wordt, aanvaarden moet, zal men moeten aanvaarden, dat in het ik het dierlijke element, het menselijk-redelijke element, nog een even grote rol speelt, als in alle andere mensen. Wanneer men geconfronteerd wordt met de noodzaak afstand te doen van een eigenwaan, die vaak een troost in het eigen moeilijke leven was, zijn innerlijke en vaak zelfs uiterlijke conflicten moeilijk te vermijden. Maar God spiegelt Zich in Zijn Schepping, ook in ons, mits wij maar trachten harmonisch te zijn. Wij dienen steeds te beseffen, dat wij niet harmonisch kunnen zijn met het Al, zolang wij de wereld, of iets in die wereld, verwerpen. Dit klinkt u misschien vreemd in de oren, maar het is en blijft een feit.

De Schepper weerkaatst Zich in de Schepping. Een deel van de Schepping veroordelen of verwerpen wil zeggen, dat wij een deel van de Schepper verwerpen. De Schepper is, zoals ik reeds betoogde, ordening. Wij zullen dus onze wereld geheel moeten aanvaarden, zonder ooit iets daarvan te verwerpen; maar wij zullen dit op een geordende wijze doen. Wij dienen uit te gaan van het standpunt, dat wij de wereld moeten aanvaarden en de ordening, die in de wereld blijkt, nimmer mogen verwerpen. Wij zullen ons aan deze werkelijkheid volgens beste weten en kunnen aanpassen. Bovenal zullen wij moeten vermijden ons eigen denkbeeld omtrent ordening en wet aan de wereld op te leggen. Vanuit eigen wezen, denken en streven zullen wij altijd weer moeten aanvaarden, dat er anderen bestaan, die misschien meer zijn dan wij, belangrijker dan wij, andere regels en ordening volgend, dan wij zouden wensen. Bovenal zullen wij moeten beseffen, dat de wereld als geheel – hoe gevaarlijk of onherbergzaam zij ons misschien ook lijkt – altijd weer belangrijker is, dan wij zelf zijn. Want alleen dan kunnen wij de geordende Schepping aanvaarden, zonder ons eigen wezen daaraan op te leggen. Alleen zo kunnen wij de angsten en remmingen overwinnen en de harmonie, de samenhang, vinden, die noodzakelijk is, om vanuit eigen wezen en het eigen punt van bewustzijn dichter tot God te komen. Alleen op die wijze zullen wij ook in en vanuit onszelf uitdrukking kunnen geven van het grote geheel, waarin de Schepper Zich van het begin der tijden reeds spiegelt. Een voorbarige aanvaarding van samenhangen is niet mogelijk, tenzij het eigen wezen deze niet als werkelijk deel van de kosmische waarheid, van het totaal geschapene, als deel van de kosmische orde kan erkennen.

  • Als men, door naar systeem te streven, een samenhang heeft gerealiseerd, die niet meer voldoet, zal men, meen ik, toch eerst door een chaotisch streven de oude samenhang af dienen te breken, voor men opnieuw door systeemstreven een andere samenhang vormt en inziet?

Dat is echt menselijk gezegd. Om niet te zeggen: Zuiver anarchistisch. De stelling is dus: Wat bestaat, kan misschien wel aardig zijn, maar bevalt mij niet. Laat ons dus alles geheel afbreken en opnieuw beginnen. Vergelijk: Een mens erfde een huis, dat een eigen indeling en een eigen systeem had. De erfgenaam vond dit niet aanvaardbaar. Afbreken en herbouwen was moeilijk, terwijl het meer kapitaal vergde, dan hij op kon brengen. Daarom verbouwde hij stukje voor stukje, zo het oude systeem wijzigende tot het redelijk aan zijn inzichten beantwoordde. Dit vergelijk is gelijktijdig reeds het antwoord op de vraag. Wanneer wij een bepaald systeem volgen, dat voor ons niet meer goed is, niet meer aanvaardbaar is, dient er iets anders voor in de plaats te komen. Dat is logisch. Maar gaan wij alles eerst tot op de grond afbreken, dan dienen wij ook over de middelen te beschikken om alles geheel weer op te bouwen. Dit vraagt onnoemelijk veel wilskracht, veel tijd, wijsheid, inzicht en begrip.

Ook al meent men daarover wel te beschikken, zo zal toch in de praktijk blijken dat men op een of meer punten tekort pleegt te schieten. Daarom is het beter een bestaand systeem te wijzigen en aan te passen aan de nieuwe behoeften. De vernieuwing is dan even volkomen, ook al blijft de oude façade nog enige tijd gehandhaafd. Hierbij is verder belangrijk, dat men in dit geval de vernieuwing en het voor het ik nu aanvaardbare met eigen en zelfs beperkte middelen kan bereiken. Dus: Geen anarchie a.u.b. Anarchie is terugkeer tot de chaos. Chaos betekent, dat wij God en de Goddelijke werkelijkheid niet meer kunnen erkennen en onszelf niet zullen leren kennen. Elke ordening, die u aanvaardt, dient bij uw wezen en alle mogelijkheden te passen. Daarom zal een te strenge ordening voor een te groot deel van de mensen onaanvaardbaar zijn. Voor zichzelf kan men een strak systeem aanvaarden en toch een betrekkelijk algemeen systeem volgen, dat slechts weinige vaste regels geeft. Daarmee zal men meer bereiken, dan men met een strak systeem bereiken zal. Wel is het noodzakelijk, dat men verdraagzaam is, dat men in staat is te begrijpen, dat anderen ook anders kunnen zijn, denken en geloven, dan men zelf doet. In de tweede plaats zal op deze wijze de noodzaak ontstaan steeds meer te zoeken naar al, wat men met anderen gemeen heeft, wat men gezamenlijk kan doen en bereiken. Want op deze wijze zal – zelfs bij een betrekkelijke geringe uiterlijke ordening – een innerlijke ordening van hoge orde kunnen ontstaan, waardoor men de harmonie kan bereiken, die voor een vervullen van het eigen levensdoel nu eenmaal noodzakelijk is.

Gezamenlijk zoeken naar een nieuwe instelling en nieuw systeem, uitgaande van de geringe punten van overeenstemming, die men reeds nu bezit, blijkt de meest juiste weg te zijn om tot een misschien langzame, maar dan ook blijvende en veel omvattende, vernieuwing te komen. Bedenk, dat God niet alleen ordening is, maar ook een voor ons onveranderlijke ordening. Wij, die aan tijd gebonden zijn, zien God voortdurend veranderen. Dit komt uit het tijdsbegrip, de gebondenheid aan achtereen volgende belevingen, voort. Niet uit werkelijke veranderingen in God. Het lijkt mij dan ook niet redelijk te stellen, dat men – wanneer een systeem niet voldoet – alles geheel dient af te breken. Wij mogen niet zeggen: Het systeem, dat wij hebben, is kennelijk niet uit God, dus moeten wij alles vernietigen en van meet af beginnen, tot wij eindelijk het systeem van God gevonden hebben. Eerder zullen wij moeten stellen: Vanuit het eigen systeem, denken en geloven, gaan wij – eerlijk en oprecht – zoeken naar de mogelijkheid om dit systeem steeds meer aan te passen, niet slechts aan eigen behoeften en inzichten, maar ook aan de onveranderlijke ordening, die uit God in de Schepping is gelegd. Zo zullen wij – eerlijk en zonder zelfbedrog – steeds weer uit het bestaande een nieuwe aanpassing zoeken te vinden, tot wij ontdekken op een bepaald punt – of enkele punten – uiteindelijk de begeerde eenheid met het Goddelijke gevonden te hebben. Dan komt de Goddelijke ordening ook in ons wezen en in onze verhouding tot anderen tot uitdrukking.

  • Mij lijkt het onmogelijk, dat men iets gaat afbreken, wat men in zijn leven zelf met veel moeite heeft opgebouwd.

Inderdaad. Wanneer je het zelf hebt opgebouwd, vriend. Maar dat is juist bij de meeste mensen het zere punt. Wat heeft men eigenlijk in het leven zelf opgebouwd? Misschien een bepaald systeem van denken. Maar uw systeem van handelen, uw indeling van uw leven, de wijze, waarop u goed en kwaad onderscheidt, de vakantie, die u geniet, de kleren, die u draagt, de A.O.W. die u uiteindelijk toegekend wordt, komen niet uit een persoonlijk systeem voort, maar uit een algemeen geldend systeem, dat niet door allen van harte geheel aanvaard en beaamd zal worden. Zolang de mensen zich in eigen streven door dit systeem, dat buiten het eigen ik ontstond, neer laten drukken en niet beseffen, dat zij innerlijk een eigen systeem, een eigen opbouw en leven moeten vinden, waardoor zij in zekere zin onafhankelijk worden van het algemeen aanvaarde en hen in staat stelt binnen het algemene een invloed ten goede uit te oefenen, wordt men opstandig. Dan is men van plan geheel de wereld te verbeteren, maar, zo voegt men er aan toe, dan moeten eerst al die hinderpalen buiten ons neer worden geslagen. Dat is overigens een soort slopersmentaliteit, die wij meer en meer in de wereld ontmoeten. Denk niet, dat dit iets vreemds is. Algemene leuzen, die de vernietiging van een of meer bestaande waarden of systemen propageren, hoort u haast elke dag. U begrijpt ze alleen niet meer in hun werkelijke consequenties. Deze leuzen vinden wij in politiek, religie, zakenleven, sociale structuren. De vraag is dus niet, of men iets af kan breken, wat men zelf heeft opgebouwd, maar of men wel beseft, dat het beter is in zich iets op te bouwen, dan buiten zich iets af te breken. Dat is het probleem, waarom het in de gestelde vraag ging. Kan men voor zich een juister systeem, of een juistere harmonie vinden of bereiken, door buiten zich af te breken, in plaats van in zich op te bouwen en daardoor een aanpassing van al, wat buiten het ik bestaat, aan het innerlijk bereikte te verwerkelijken. Wie in zich een systeem heeft gevonden van denken en handelen, waardoor hij binnen de kosmos eigen plaats, eigen denken heeft aangepast en meer harmonisch heeft gemaakt, zal daarvan geen afstand meer doen. Hij zal, zelfs indien hij delen daarvan soms zal herzien, toch steeds een betere eenheid met de wereld, een juistere eenheid met het Al er door ervaren. De mens zal dit nooit willen of kunnen aantasten, omdat dit tevens een aantasten van eigen wezen en bewustzijn inhoudt. De mens is geneigd om alles tot de chaos terug te voeren, uitgezonderd zichzelf. Juist degenen, die niet in staat zijn in zich een bevredigend en voor het ik vruchtbaar systeem op te bouwen, zullen geneigd zijn alles buiten zich, in naam van de vernieuwing, tot chaos te reduceren.

  • Als ik datgene, wat ik verkeerd acht, afbreek, bouw ik dan niet tevens op?

Wanneer u datgene, wat u verkeerd acht in uzelf, in uw praktijk van leven, teniet doet en vervangt door positieve waarden, bouwt u inderdaad op. Wanneer u hetgeen u verkeerd acht, buiten u begint af te breken zonder van te voren in uzelf de positieve waarden geheel bereikt en in leven en gedrag bevestigd te hebben, heeft u niets om op te bouwen. Dan zult u buiten uzelf slechts een chaos veroorzaken, waaraan u innerlijk gebonden blijft. Daarom is het niet: Verbeter eerst de wereld en dan pas jezelf, maar – ik leen deze spreuk van de Bond zonder Naam – verbeter de wereld en begin bij jezelf. Juist in dit verband geldt dit bijzonder sterk. Wij kunnen God in de wereld slechts ervaren, wanneer ons eigen bewustzijn ons toelaat God te erkennen, zodat wij eerst in onszelf de juiste instelling en harmonie gevonden dienen te hebben, voor wij ons tot de wereld wenden. Wie in zich de juiste instelling en het juiste systeem eenmaal gevonden heeft, zal – vreemd genoeg – niet meer zo geneigd zijn buiten zich werkelijk af te breken. Want dan beseft men, dat al het onevenwichtige toch zichzelf afbreekt.

Daarom zal men er eerder naar gaan streven de juiste erkenning, het juiste systeem, de juiste samenhang vanuit het ik in de wereld te manifesteren en aan anderen te geven in de hoop, dat deze het zullen willen en kunnen aanvaarden.

Dit is positiever, dan iets weg te nemen, of alles aan te tasten. Want alles, wat niet evenwichtig of harmonisch is, is tegen zichzelf gericht en geneigd zichzelf ten gronde te richten. Wij behoeven het onevenwichtige, het onjuiste, niet af te breken. Dat vernietigt zichzelf wel als gevolg van de eeuwige wetten. De harmonie, die gevonden werd, de juiste samenhang, de juiste weg, blijven zichzelf gelijk, zijn evenwichtig en kunnen niet teloor gaan. Wanneer het onevenwichtige door zijn eigen fouten ten onder gaat, zullen dan ook deze waarden voortbestaan, klaar staan om anderen, die geen systeem of ordening konden vinden, door hun aanhankelijkheid aan het onevenwichtige systeem enz. in de wereld, te steunen bij hun zoeken naar een nieuwe weg, een nieuw systeem, dat ook voor hen passend is.

  • De ontwikkeling van God als mens in de Christusfunctie, komt dit nu in de openbaring?

Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk neemt, wanneer ik opmerk, dat men vaak met vele mooie en vaag klinkende woorden zijn eigen gedachten voor zich onduidelijker pleegt te maken. Daarom wil ik allereerst trachten de vraag hernieuwd te formuleren. De vraag zou moeten luiden: Wanneer de liefdekracht Gods, waarin een groot deel van de mensheid gelooft als de Christus – zich manifesterende in Jezus Christus – voor ons allen de juiste levenshouding, de juiste ordening van het bestaan betekent, zal dit dan ook in deze dagen binnen de mensheid tot uiting komen? Dit als deel van de vernieuwing, waarover in deze dagen zoveel wordt gesproken? Mijn antwoord luidt dan: Wat wij wel de Christusgeest plegen te noemen, is uiteindelijk maar één facet van het Goddelijk wezen. Binnen het wezen Gods kan de Christusgeest dan ook evengoed als de Goddelijke liefde worden aangesproken, het deel van het Goddelijke, dat – ook voor ons – uiting geeft aan de kosmische harmonie en eenheid. Voor ons is dit het meest positieve principe, dat er bestaat. Deze gedachte is overigens ouder dan het Christendom. Het eerst vinden wij dit wel vastgelegd in Ur, de Maanstad. Vandaar is deze gedachte doorgedrongen in het meer mystieke jodendom. Een scherpere formulering van de liefdegeest vinden wij later in bepaalde delen van Zoroasters leer. Nog later en veel scherper komt de gedachte aan de grote harmonie en eenheid tot uiting in bepaalde inwijdingsmysteriën van o.m. Egypte. Wij hebben dus – ongeacht de termen, waarin dit tot uitdrukking wordt gebracht – zeker niet met iets nieuws te maken. Het woord Christusgeest in de zin, waarin het hier gebruikt wordt, geeft de inwerking van de Goddelijke liefde weer. In deze dagen zal de invloed van de Goddelijke liefdekracht op aarde inderdaad steeds sterker kenbaar worden, maar dat betekent nog niet, dat nu opeens alle mensen anders gaan worden. Was dat maar waar! De Goddelijke liefde beleven en in jezelf verwerkelijken, is een moeizame weg, die men zelf dient te gaan. Het enige, dat in deze dagen verandert, is de reeks van invloeden, die van buitenaf op de wereld en de mensheid inwerken.

Om het eenvoudig te zeggen: De mensheid van heden is, tezamen met een deel van de sferen, in een ander deel van het Goddelijke systeem gekomen, wat gepaard gaat met zich wijzigende invloeden, terwijl eveneens andere paden tot inwijding, bereiking en erkenning zullen ontstaan. Bij alle inwerkingen, die in deze tijd van buitenaf op de wereld en de mensheid afstormen, is de drang tot eenheid en harmonie de grootste. Of deze kracht zich nu ook in de mens meer kenbaar uit zal gaan drukken? Wanneer die mens dit beseft en zelf wenst, ja. Want wij mogen niet vergeten, dat in bepaalde bijbel commentaren, vooral de joodse commentaren op de Tenach, de nadruk op eenheid en begrip anders ligt, dan men onder de mensen pleegt te denken. “Vóór het licht was, was Ik”, dit zegt de wijsheid. Wijsheid is de kern van alle streven en alle harmonie. Aan de hand van verschillende commentaren op Habakuk en Ezechiël, maar ook enkele latere commentaren op het boek Job, kunnen wij een begrip van de verlossing vinden, dat eveneens sterk afwijkt van het bij de christenen gangbare. “In de Verlosser wordt het licht herboren. Voor de liefde was, was reeds de wijsheid. Uit het begrip kan eerst de liefde ontstaan. De Christus wordt geboren uit de wijsheid van de schep- pende kracht en de schoonheid van het geschapene. Zo ontstaat de kracht van de kosmische Liefde, die door alle tijden aanwezig is”.

Wanneer nu de mensheid zich – zoals nu – in een periode van overgang bevindt, zullen vele van de systemen, die zij zich gebouwd heeft, aan het wankelen geraken en niet meer passend blijken voor de omstandigheden en mogelijkheden van de mensheid. Er moeten wijzigingen en aanpassingen komen en wel in een steeds sneller tempo, wil men als mens zichzelf kunnen blijven. Geschied dit niet, dan staan wij voor een soort verwarring van Babylon, waar immers de werklieden elkaar niet meer verstonden. Ook wij mogen onszelf als werkers beschouwen; werkers, wier taak het is mee te werken aan de bewuste verwezenlijking van de Schepping, de realisatie van de volmaakte Schepping als het ware beeld en de ware tempel Gods. In een periode, dat de voorop gezette meningen, stellingen en systemen van de mensen toch reeds aan het wankelen geraken, zullen velen eenvoudiger dan anders de kosmische waarheid en wijsheid kunnen aanvaarden. Men is in een dergelijke periode niet meer zozeer overtuigd van eigen wijsheid, die in de meeste gevallen uiteindelijk toch meer eigenwijsheid en eigenwaan blijkt te zijn.

Daardoor zal de mens gemakkelijker de ware Goddelijke krachten kunnen aanvaarden, terwijl men bovendien eerder begrip zal krijgen voor de noodzaak harmonie en eenheid na te streven, als belangrijkste doel in het leven. Hieruit volgt, dat de mens ook gemakkelijker de krachten van de harmonie, en de eenheid, die men de Christus pleegt te noemen, in zichzelf kan aanvaarden en verwerkelijken. Indien men dit waarlijk tot uiting leert brengen, zo zal men niet slechts in zich de Goddelijke kracht en waarheid ervaren, maar zal men zelfs deze waarden ook naar buiten toe steeds meer kenbaar met zich dragen.

Om uw vraag nogmaals en nu kort en duidelijk te beantwoorden: Op het ogenblik, dat de mens leert, dat zijn eigen denken, zijn eigen systeem, de door hemzelf geschapen en aanvaarde wetten onbelangrijk zijn, terwijl hij beseft, dat de wijsheid, kracht en schoonheid van de Schepping – die zelfs in de stof kenbaar zijn – voldoende zijn om de juiste harmonie van leven te vinden, de Schepper en Zijn Schepping lief te hebben, zal de Goddelijke liefdekracht – of Christusgeest – in de mens ervaren kunnen worden en door hem worden geuit.

  • Als het de taak van de mens is God in zijn leven te weerspiegelen en hij vervult zijn taak in verhouding tot zijn naaste, zal hij zich daardoor van God bewust worden. Gezien zijn beperkte vermogens zal dit zeer betrekkelijk zijn en niet betekenen, dat hij een juiste voorstelling van God ervaart. Is dit juist?

Niet juist, gezien het woord ervaren. Wij kunnen God inderdaad, wanneer wij vanuit het eigen wezen de Goddelijke wetten vervullen, zelfs tijdens een stoffelijk bestaan, geheel ervaren. Wij ondergaan Hem geheel. Wel schieten – dat geef ik toe – de vermogens van de stoffelijke mens – wat dat betreft van de meeste geesten – tekort om hiervan een juiste omschrijving te geven, zich een juist beeld te vormen, dat uitdrukbaar wordt. Wij kunnen inderdaad ons God niet voorstellen in Zijn volheid. Door de werkingen van Zijn kracht en wezen in onszelf te ondergaan, hebben wij niet alleen een beeld van God, dat – beperkt zijnde – past voor onze beperkte eigen wereld, maar tevens een gevoelsinhoud, die blijvend is. Deze zal ons in elke wereld hernieuwd mogelijk maken de hoogste voorstelling van God, die daar bestaat, ook voor onszelf te bereiken. Verder is dit ondergaan van God, zelfs indien Hij binnen de concepten van onze eigen wereld niet begrepen kan worden, in staat de harmonie met de Schepping en de onbegrepen God groter te maken. Nu stellen wij dit alles van een eenvoudig menselijk standpunt uit. Denkt u, dat een mens, die – al is het nog zo weinig – een harmonie met zijn God heeft gevonden, nog verder beperkt zal blijven tot het eenvoudige stoffelijke kenvermogen? Meent u niet met mij, dat diens kenvermogen en begrip zich ver zal kunnen uitbreiden buiten alle stoffelijke voorstelbare kenvermogens? Bedenk, dat u niet alleen maar bent, wat u hier denkt te zijn, want binnen uw stoffelijk voertuig kunnen wij al tenminste 7 geestelijke voertuigen aantreffen, die ook deel zijn van uw wezen. Bovendien is uw tijdservaren in de stof sterk gelimiteerd.

Toch zal zelfs de mens onder sommige omstandigheden in staat blijken het verleden te herleven, of in de toekomst te schouwen. Wanneer men een harmonie vindt met God, kan het voorkomen, dat de tijd voor u stil staat. Denk maar eens aan de Boeddha onder zijn boom, die geheel verstard zat, geheel in concentratie verzonken. De Boeddha kwam op een bepaald ogenblik zo los van de stoffelijke beperkingen en normen, dat hij alle werelden doormaakte en daarbij bovendien een toestand buiten de tijd bereikte. Zelfs toen hij terugkeerde, droeg hij al het beleefde in zich. Ook Jezus zonderde Zich 40 dagen af en had – volgens de evangeliën – contact met wezens, die zeker niet tot de menselijke wereld behoren en daarin onzichtbaar zijn. Ook Hij droeg een beeld van God in Zich, dat heel wat verder ging dan het menselijk denken alleen mogelijk maakt. Hoe dit beeld was, weet ik ook niet. Wanneer ik dit precies wist, zou ik al verder zijn, dan ik ben. Daarom stel ik, dat u wel redelijk gelijk hebt, wanneer u zegt, dat volgens stoffelijke normen het kennen van God onmogelijk is.

Ik vraag mij onmiddellijk daarop volgend af, of iemand, die een werkelijke harmonie met God heeft gevonden, nog wel aan een dergelijke beperking gebonden geacht mag worden.  Ik meen dit op grond van de ervaringen van vele anderen, die ik niet heb mogen delen tot op heden, te mogen ontkennen. Wie in harmonie is met God en binnen de ordening van de Schepping zijn juiste plaats inneemt, zal – door de harmonie met God alleen reeds – in zich een bewustzijn dragen van het tijdloze en zo God in zich weerspiegeld vinden in waarheid, Hem zelfs in waarheid erkennende. Overigens neem ik niet aan, dat iemand, die nog geheel behoort tot een stoffelijke wereld, of een van de vorm kennende sferen, onmiddellijk als gevolg daarvan en zonder wijzigingen van zijn wezen en voertuigen in God op zal kunnen gaan. Dit laatste is mijn persoonlijke mening.

  • Ik moet uitgaan van de stof, wanneer ik een vraag stel. Ik meen, dat wij God niet kunnen kennen.

Zo gesteld hebt u gelijk. U stelde het anders. God ervaren is nog niet gelijk aan God geheel redelijk kunnen erkennen of begrijpen. De ervaring van het totaal Goddelijke is zelfs voor een stofmens mogelijk. Er komt een ogenblik, dat men zichzelf verliest in het ervaren van het Goddelijke. In ieder geval zal men dit kunnen bereiken, zij het voor kortere tijd, wanneer men bereid is de Goddelijke wijsheid te aanvaarden, zover zij voor het ogenblikkelijk bewustzijn te volgen is en leeft naar de in de Schepping kenbare wetten en eigenschappen van de Schepper. Dan komt er een ogenblik, dat men in de kosmische orde de juiste plaats inneemt, de juiste instelling heeft. Voor de mens betekent dit, dat hij de Goddelijke liefde als een kracht in zich beleeft. Al, wat hij daarbij beleeft, is stoffelijk niet te omschrijven, of uit te drukken. Maar dit beleven is en blijft een maatstaf, waartegen elk gebeuren, elk beleven, alle gedachten, kunnen worden gemeten. Hierdoor wordt het dus wel mogelijk uit het eigen bestaan alle krachten te elimineren, die niet met de Goddelijke ordening in overeenstemming zijn. Dit betreft het gehele wezen; alle delen van het wezen, het ik, levende in onverschillig welke wereld, zal dan ook dezelfde mogelijkheid bezitten. Dit is voor u het wringende punt. Al moeten wij toegeven, dat een stoffelijk redelijk erkennen van het wezen Gods onmogelijk is, zal een geestelijke vorm van bewustzijn, die meer blijvend – en daardoor volgens mij zelfs reëler – is, de plaats van de stoffelijke rede innemen.

  • Volgens mij moet u dan stellen: Wanneer men God erkent, kan men Hem weerspiegelen, maar wanneer men Hem ervaart, is men één met Hem.

Dat is nu weer een denkfout. Het is niet: Ik ben één met God, maar: Ik ben in harmonie met God. In de harmonie met God raakt inderdaad het ik-bewustzijn tijdelijk op de achtergrond. Maar men keert vanuit deze status van verdrongen ik-bewustzijn altijd weer terug tot een toestand, waarin het ego sum “Ik ben” weerklinkt. Hieruit volgt, dat men zich niet blijvend één weet met alle dingen. Zelfs Jezus wist Zich niet één met alle dingen. Hij erkende wel de eenheid, die Hij door de Vader bezat met alle dingen. Dit lijkt mij het hoogste peil, dat menselijk bereikbaar is. Door dit bewustzijn geeft men uiting aan de Goddelijke waarden binnen de Schepping, maar met een bewustzijn van het eigen ik. Daarom ook hier: Weerspiegeling; niet; eenheid.

  • U stelt: God wordt weerspiegeld door de Schepping. Verstaat u daaronder ook het menselijk denken en handelen?

 Ja.

  • Opmerking: Dan zou God niet in de gehele Schepping weerspiegeld zijn, want hier ontbreekt de ordening.

Omdat de mens chaotisch, althans niet volledig systematisch pleegt te denken en te handelen? Dan moet u stellen, dat God Zich geheel niet in de Schepping kan spiegelen, omdat immers de Schepping als geheel uit de chaos is voortgekomen. U stelt dit omdat nu, op dit ogenblik, in het menselijke denken en handelen nog niet de juiste harmonie kenbaar is, de juiste ordening nog niet is opgetreden. Maar kunt u ook stellen, dat dit nooit in de eeuwigheid zal kunnen gebeuren? Vergeet niet, dat ik in mijn inleiding reeds stelde, dat er een verschil is tussen de menselijke visie en de Goddelijke. God kent wel tijd, maar deze is niet gelimiteerd, geen opeenvolging van momenten, zoals de mens ondergaat. Zijn tijd is de eeuwigheid. Voor Hem omvat de Schepping dus steeds het totaal van alle tijd, het totaal van alle menselijke denken en handelen. Dit geheel kan uiteindelijk God wel degelijk in Zijn volheid weerspiegelen.

Wij geloven, dat een ieder op den duur het hoogste bewustzijn zal kunnen bereiken. Dit betekent, dat wij geloven, dat er een ogenblik zal zijn, waarin binnen alle handelen en bewustzijn – ook dat van de mensen – de volle harmonie met het geheel zal bestaan en de Goddelijke waarde in het geheel, zowel als in de delen, geopenbaard is.

Ik kan overigens uw gedachten zeer wel begrijpen, want de mens heeft minder tijd nodig gehad om van de knuppel tot de atoombom te evolueren, dan hij nodig blijkt te hebben om het verschil te beseffen tussen vrede als een woord en vrede als een innerlijke waarde, die je eerst in jezelf moet bereiken, voor er van een werkelijke uiterlijke vrede ooit sprake zal kunnen zijn. Vanuit ons standpunt is het redelijk te stellen, dat dit nog wel eens een tijdje kan duren. Maar voor God bestaat geen duur. Daarom vervalt bij elke werking vanuit Zijn wezen deze beperking. God spiegelt zich in het totaal van de Schepping. In elk deel van die Schepping en elk moment van de Schepping zal een deel van God gereflecteerd zijn. Wij allen kunnen in onszelf het geheel van de Goddelijke waarden ontvangen. Dit geschiedt altijd in het gehele wezen, wat tevens dus de voleinding, de weg door de tijd, die deel is van het ik, inhoudt, plus alle ontwikkelingen, die daarmee gepaard gaan.

Laat mij het zo zeggen: Op het ogenblik, dat wij een innerlijke harmonie met God bereiken, zijn wij – ook al realiseert men zich dit stoffelijk niet – dit geheel. De invloed van deze beleving werkt ook in het beperkte bewustzijn van de verschillende voertuigen door. Hierdoor zullen wij – dankzij het innerlijk contact met God – juister kunnen leven, dichter bij de Goddelijke werkelijkheid kunnen blijven, die ons wezen is. Dit houdt tevens in, dat wij de weg door de Schepping tot de voleinding in voor ons minder schijnende tijdsduur af zullen leggen. Eerst nadat deze weg geheel gegaan is en de vervulling van eigen wezen binnen de Schepping bewust voltooid is, zal het bewust kennen van God in Zijn werkelijke uiting mogelijk zijn.

image_pdf