Het goddelijk principe in de mens

uit de cursus ‘Kosmische krachten aan het werk‘ (hoofdstuk 5 ) – februari 1978

Het goddelijk principe in de mens.

Wanneer we kijken naar de mens, dan is het niet erg duidelijk hoe daarin een goddelijk principe kan schuilen. Op zichzelf is dat begrijpelijk want we zien de uiterlijkheden. Willen we echter proberen die goddelijke vonk in de mens terug te vinden, dan moeten we eerst proberen ons een voorstelling te maken van de samenhang van de kosmos zelf. Want wat wij een ziel noemen is in feite een deel van een kosmisch geheel.

Stel het u als volgt voor: de gehele ruimte is een kracht. Vergelijk dat met het veld van een magneet dat u zichtbaar kunt maken met wat ijzervijlsel; u heeft dat misschien wel eens gedaan. Nu bent u één ijzerkorreltje. Onze magneet is geen natuurlijke magneet, het is een elektromagneet. Dat wil zeggen dat de polariteit kan wisselen. Het veld kan wegvallen of kan sterker of minder sterk worden. Nu is de mens dat ijzervijlsel; het ego dat op zich eigenlijk dood is, zoals wij dan leven en bestaan bezien.

Nu komt de goddelijke kracht. Die kracht induceert in ons iets wat vergeleken kan worden met datgene wat in het Goddelijke zelf bestaat. De magneet heeft polariteit, een noordpool en een zuidpool. Onder invloed van het krachtveld ontstaat bij u een vergelijkbaar iets. U gaat functioneren als een kleine magneet. We kunnen dus zeggen: het Goddelijke in de mens is in feite datgene wat door de totale kracht wordt geïnduceerd in het wezen mens.

Wat is dan de substantie? We kunnen nu wel met een magneet en ijzervijlsel gaan knoeien maar dan blijft nog altijd de vraag: de mens is geen ijzer; wat is het dan wel? Is het het lichaam? Dan blijkt het lichaam wel een rol te spelen maar eigenlijk is het werkelijke ‘ik’ toch iets anders. Dan moeten we zeggen: levenskracht is iets wat niet in een gelijkmatigheid bestaat. Levenskracht zou je je kunnen voorstellen als de klontertjes boter in karnemelk. En als je denkt aan de Indiase voorstelling van het karnen van de wereldzee, is dat niet eens zo gek. Zo’n klontertje is eigenlijk een verdichting van eigenschappen die in de totaliteit aanwezig zijn. Op die manier krijgen we een voorstelling van het ‘ik’.

Wat zijn dan de eigenschappen die verdicht worden? Kennelijk bewustzijn; het vermogen om vanuit zichzelf het andere te beschouwen. Hoe noemen we dat dan? In de totaliteit kunnen we zeggen: dat is God in de mens. De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Er bestaan daar tal van bekende en vrome woorden voor. De praktijk is doodgewoon: wij kunnen in het leven niet bestaan, tenzij wij in onze levensprocessen de kracht weerspiegelen waaruit het leven als zodanig ontstaat. Die kracht is God. God is de eerste beweging, de explosie van kracht uit een voor ons onbekend iets: het Niet. Als die mens eenmaal leeft en hij is op aarde, dan zit er dus zo’n klontertje in.

Wat is dan de inwerking van de goddelijke kracht? De goddelijke kracht is er gewoon maar ze is niet altijd gelijkmatig. God is wel altijd en overal en volledig aanwezig maar a.h.w. op verschillende vlakken van werkzaamheid. Het ene ogenblik worden we er volkomen door gepakt, het volgende ogenblik gaat het aan ons voorbij. Zo bezien is het dus heel begrijpelijk dat het Goddelijke in ons niet altijd even sterk kan reageren op de kosmos. Omgekeerd is het ook duidelijk dat de kosmos niet altijd dezelfde inwerking zal hebben op onze geest, ons ‘ik’ en via dat ‘ik’ natuurlijk ook op al datgene wat ermee samenhangt.

Wat zijn dan verder de principes van die kosmische kracht? Er zijn niveaus van kracht. Een niveau van kracht is een verschil in potentiaal. Het is eigenlijk meer: het is gelijktijdig een verandering van trilling. Ik weet niet of u zich wel eens heeft beziggehouden met het afstemmen van een radiotoestel. U kunt afstemmen op kilometergolven; dat deden ze vroeger. U kunt afstemmen op metergolven, op millimeter‑ en centimetergolven. Nu is het kenmerkende dat de fluctuatie, dus de kenbare invloed, groter wordt naarmate de aanduiding van de golflengte lager wordt.

God kan dus op een hoge golflengte zitten. Wanneer God op een hoge golflengte zit, dan kan alleen dat deel van ons wezen daarop reageren dat is afgestemd op deze zeer hoge frequentie. Maar die hoge frequentie moet weer in ervaring worden vertaald. Dan komen we nu tot een vreemde conclusie. Hoe hoger de frequentie waarin de invloeden van het Goddelijke voor ons kenbaar kunnen worden, hoe vlugger de tijd verloopt want onze opeenvolgende ervaringen komen snel.

Nu is het duidelijk dat voor een geest die in de stof is, er altijd een scheiding zal blijven bestaan tussen het stoffelijk mogelijke, het in de geest levende en hetgeen het Goddelijke als mogelijkheid schept. Dan moeten we daar ook een parallel trekken: wanneer de frequentie van die goddelijke impulsen zeer hoog is, dan ontstaan er zodanige inwerkingen op de geest dat deze daardoor volledig wordt gericht op een bepaalde beleving, een bepaald object, een bepaalde waarde. Dat kan dan metterdaad worden uitgedrukt in een oorvijg of iets dergelijks. Zo sterk kan dat dus zijn. Dan is de daad dus alleen maar het gevolg van zo’n grote reeks goddelijke impulsen dat daaruit automatisch conclusies kunnen worden getrokken – al dan niet juist – en het gedrag van het ego als geheel wordt bepaald. Op het ogenblik dat echter de golflengte lager wordt, ontstaat er een verschil tussen het dringende (de daadnoodzaak die bij mensen zo vaak aanwezig is) en de beschouwelijkheid; het beseffen in de eerste plaats.

Als je iets beseft, dan kan het een heel lange tijd blijven hangen zonder dat het ooit wordt verwezenlijkt. Gelijktijdig kun je echter uit datgene wat bij de mens zich in zijn denken afspeelt, wel degelijk conclusies trekken. Het kan invloed hebben op je besef van de wereld en de wijze waarop je werkt.

Stel nu dat er nog tragere impulsen komen. Die kunnen we niet meer omzetten in iets mentaals. Ze zijn trage tonen die ons misschien blij maken zonder dat we weten waarom of die ons droefgeestig stemmen, die ons stil doen zijn en eigenlijk alleen maar laten afwachten. Wordt het nog trager, dan blijft alleen nog maar  de mogelijkheid over om op een ander dan stoffelijk niveau waar te nemen. En dan verplaatst zich ons besef als vanzelf naar andere werelden.

Al die werelden hebben een tijd die niet vergelijkbaar is met de menselijke en zeker niet met vastgestelde, gemeten tijd. Hierin blijkt dan een fragment wel eens tot het bewustzijn door te dringen als een droom. Maar wat je dan ervaart, is deel van een goddelijke werkelijkheid. Dit is een feit. Vandaar dat we kunnen zeggen: wanneer een mens voortdurend zich herhalende dromen krijgt en deze een vaste periodiciteit vertonen, dan mag worden aangenomen dat deze het directe gevolg zijn van een goddelijke werkelijkheidservaring die ver ligt buiten het normaal stoffelijke bewustzijnsbereik. Nu ziet u dat die goddelijke kracht, alleen al door het feit dat ze er is maar niet altijd hetzelfde is, een zeer grote invloed op ons heeft.

Is de mens nu goddelijk in de zin van een bewust deel van de Godheid? Ik meen dat we dat moeten ontkennen. Een mens kan namelijk niet het geheel overzien. Het zal u bekend zijn dat het totale bewustzijn (niet alleen van de mens maar ook van de geest) mogelijk wordt door het stellen van tegenstellingen. Eerst door de vergelijkbaarheid van waarden is het mogelijk om conclusies te trekken t.a.v. de wereld en jezelf. Diepen we dit nog wat verder uit, dan zeggen we: ik zal op grond van mijn geaardheid, mijn neiging en instelling niet slechts die verschillende goddelijke trillingen ervaren maar ik zal bovendien proberen deze om te zetten in iets wat in mijn bewustzijn betekenis heeft. En dat is dan weer een klein gedeelte van de totaliteit.

Als we zeggen: iemand behoort tot een bepaalde straal, dan bedoelen we dat in zijn wezen en leven een bepaald facet van een goddelijke werkelijkheid een rol speelt. Maar dat houdt tevens in dat die mens zich bewuster wordt van en sterker onder invloed staat eveneens van kosmische krachten en kosmische werkingen.

Het is gemakkelijk genoeg om dit alles theoretisch te stellen maar het is heel moeilijk voor een mens om zijn denkwijze aan te passen aan de feiten. Het is mij altijd opgevallen dat in sprookjes e.d. en zelfs in romans er zelden toiletten zijn. Het is alsof men een bepaalde functie terzijde schuift terwijl andere, zeer Duits, “durch die Blumen” worden gezien; zelfs als het tulpen uit Amsterdam zijn. Hieruit kunnen we wel afleiden dat de mens moeite heeft met het erkennen van de realiteit van impulsen, invloeden en werkingen en dat hij vooral niet in staat is te beseffen hoe zelfs de meest nederige, stoffelijke verschijnselen en functies samenhangen met de goddelijke realiteit, daarin een ervaringsmogelijkheid vormen en daardoor ook mee in harmonie komen met kosmische krachten.

Zijn die krachten nu gelijk aan de krachten die in de bewustwording een grote rol spelen, dan spreken wij van een positieve ervaring. Is de harmonie eerder strijdig met de weg die men pleegt te volgen, dan spreken we van een negatieve ervaring. Maar in alle gevallen is er een goddelijke waarde in aanwezig. In alle gevallen is er een kosmische invloed aan het werk. In alle gevallen kan men kosmische wetmatigheden en krachten herkennen in het verloop van de bewustwording.

Wat in de mens is goddelijk?

Voor de mens is in zijn wezen alleen datgene waarlijk goddelijk wat zich aan zijn omschrijvings‑ en ontledingsvermogen onttrekt. Anders gezegd: God is iets wat we pas in het geding brengen wanneer we te maken hebben met zaken die we niet kunnen aanpakken. Al het andere zien we dan als ons eigen werk. Dat is wel heel goed maar niets is mogelijk zonder het Goddelijke. Dan is ook niets in ons mogelijk zonder die inductie van vergelijkbare waarden in ons wezen.

Het schema van ons bestaan is in wezen goddelijk maar wij zullen het zien als eigen bestaan zolang het valt binnen ons erkenningsvermogen, beslissingsvermogen, onderzoekingsvermogen enz. Wij maken dus een splitsing tussen God en de mens omdat we niet beseffen dat het totaal van het Goddelijke in het totaal van de mens voortdurend is weerspiegeld of, beter gezegd, geïnduceerd. Door dit verschil dat we maken, wordt het beeld van God vaag, ongrijpbaar; het wordt onwerkelijk. Alleen wanneer we door hevige emoties gedreven op een bepaald ogenblik onszelf een beetje vergeten, dan halen we God erbij om deze stuwkrachten, die we niet kunnen beheersen en die we dan onbegrijpelijk vinden, toch weer een tintje van aanvaardbaarheid te geven.

In feite is dat niet juist. In wezen is al wat we doen, al wat we zijn – of het goed heet of kwaad, of het is vruchtbaarheid brengen aan de aarde of neutronenbommen maken – goddelijk. Dat kan niet zonder het Goddelijke bestaan. Zo zal de mens altijd rekening moeten houden met het feit dat het geheel van elk gebeuren in zich het Goddelijke weerspiegelt en dat de mens niets kan zijn, kan doen of beseffen wat niet inherent is aan de goddelijke Kracht die in hem wordt weerspiegeld.

In hoeverre hebben we dan nog het recht te spreken over kosmische wetten en invloeden? Het antwoord is eenvoudig : in God bestaan geen wetten of invloeden omdat het geheel van zijn wezen zich voortdurend in alle facetten uitdrukt in het geheel van al het aanwezige en van alle mogelijkheden. Maar aangezien wij in ons wezen krachtens ons besef die volledigheid niet kunnen verwerken of aanvaarden, zullen wij worden geconfronteerd met verschillende invloeden, stromingen en krachten. En naargelang onze instelling, onze persoonlijkheid zullen we dan ook wel degelijk proberen om die krachten en instellingen te determineren. Wij gaan ze omschrijven in de termen van ons besef. Zo komen we tot de formulering van een kosmische wet, die eigenlijk niets anders is dan de begrenzing van het, voor ons besef, mogelijke. Wij komen tot de omschrijving van de kosmische krachten, die niet alleen persoonlijkheden hoeven te zijn of werkingen van volkomen reële aard, maar ze kunnen net zo goed voor ons de weergave zijn van reacties, die wij sterk ervaren zonder ze in wezen en oorzaak te kunnen omschrijven.

Waarom dan toch werken met kosmische krachten, invloeden en werkingen?

Dat wordt duidelijk als we het vergelijken met een landkaart. We kunnen nu het gehele land overzien maar dan is het toch nog nodig om ons eerst op de kaart te oriënteren zodat we weten wat noord, zuid, oost, west is en onszelf daarbij. Dan is het ook nodig om de verschillende wegen en mogelijkheden afzonderlijk te volgen, anders krijgen we geen beeld van de werkelijkheid.

God is de kaart die wij misschien voor een deel overzien. De kosmische wetten zijn de grenzen maar tevens het kompasroosje; het is onze oriëntatiemogelijkheid. De kosmische invloeden zijn de wegen maar ook de belemmeringen, de hoogteverschillen e.d. die we zullen moeten overwinnen als we bepaalde delen van de kaart in het bijzonder gaan beschouwen. Al hetgeen bij kosmische invloeden, krachten en wetten behoort, is eigenlijk oriëntatie.

Kan die oriëntatie een persoonlijkheid hebben?

Voor zover ons bekend is: ja. Wij weten namelijk dat iemand meer kan zijn dan u, maar ook op dat gebied waarop u ook uw betekenis heeft. Dan ontstaat er een spontane hiërarchie, die niet is vastgelegd in de een of andere wet, die niet is gesteld door anderen buiten u, maar die eenvoudig voortvloeit uit het feit dat de ander meer is, meer weet of meer kan op het gebied waarop u zelf actief bent. Dit is de verhouding van de goeroe tot zijn chela.

De leraar is de man die alles in zich draagt wat de leerling als potentie in zich bezit. Omdat de leerling die potentie nog niet kan waarmaken, ontleent hij zijn mogelijkheden aan de ander. In wezen zijn ze echter gelijk. Je kunt geen goede leerling zijn als je in je niet datgene hebt wat in je meester bestaat. Je kunt geen goede meester zijn als je in je niet meer en harmonisch bevat wat in je leerling als beginsel aanwezig is. Kijk, dat is nu de hele kwestie van die wetten. Wij hebben die wetten nodig.

Als ik u zeg dat er een kosmische invloed is die binnen enkele dagen een groot gedeelte van Europa en waarschijnlijk een kleiner deel van Azië zal beroeren, dan zegt u onmiddellijk: wat voor een invloed? Wat zal er gebeuren? Wie doet dat?

Wel, er zijn persoonlijkheden die zoveel meer omvatten van een bepaald aspect dan wij als mens of als geest geheel kunnen overzien, dat ze onze meerderen zijn. Ze zijn de Meesters van een straal, de Heersers van een kosmische storm en al die dingen meer. Deze invloed komt. Ze brengt verwarring. Er ­is gevaar voor kleine catastrofen omdat er verwarring is. Die invloed is tegenstrijdig. Waarom? Is ze dat op zichzelf? Neen, op zichzelf is het een persoonlijkheid. U bent zelf toch ook vaak tegenstrijdig. Het ene ogenblik lacht u, het volgend ogenblik huilt u. Toch bent u altijd dezelfde. Zo moet u zich zo’n kracht voorstellen.

Maar aangezien die kracht de facetten gelijktijdig kan uiten (iets wat voor u nog niet helemaal voorstelbaar is), zal ze voor ons dus zeer verschillende werkingen tot stand brengen. De reacties zijn dan duidelijk. Wij zullen de natuurkrachten verkeerd taxeren, zeker wanneer we op aarde zijn. Wij zullen onze mogelijkheden overschatten. We zullen misschien op een gegeven ogenblik niet volgens ons besef van juistheid handelen en reageren. En omdat iedereen dat op zijn manier doet, komen er botsingen, ontstaat er chaos. Die chaos kan dan zo’n grote omvang aannemen dat men spreekt over een grote of een kleine catastrofe.

De Meesters waarover we zo vaak spreken, waaronder de Meesters van Wijsheid wel zeer belangrijk zijn, moeten we ook weer zien als invloeden, die geënt zijn op een bepaald niveau van het Goddelike. De goddelijke wijsheid die ons bereikt, is in feite alleen maar het oproepen van een totaliteitsbesef zoals dat bestaat in de bron van ons wezen die zijn evenbeeld, d.w.z. dezelfde kracht en verhouding, in ons heeft geïnduceerd. Maar nu blijkt dat wij bepaalde dingen daarvan niet kunnen aanvaarden of niet geheel kunnen aanvaarden. Dus is er voor ons een samenvatting nodig, een soort verkorting van de gehele inhoud die in ons leeft.

Er zijn krachten die inderdaad die bondigheid hebben bereikt, op welke wijze dan ook. Als wij met hen in contact komen, dan zijn ze voor ons een bron van wijsheid. Dan erkennen wij dat zij het inzicht bezitten dat bij ons misschien een potentie is, maar niet kan worden gerealiseerd. Dat zijn dan onze Meesters van Wijsheid. Maar als die wijsheid inwerkt, verandert die ook uw relatie met uw wereld. Zij verandert de relatie tussen u en geestelijke werelden wanneer u op aarde bent. Ze zal u mogelijkheden en inzichten geven in bestaande omstandigheden waardoor u geheel anders kunt reageren en veel meer kunt bereiken. Kijk, dat is nu een Heer van Wijsheid. Zeker, het is een persoonlijkheid waarmee we in contact komen. Maar de kracht als zodanig is niets anders dan een verschijnsel van het Goddelijke.

Als u zegt: God in mij, dan bent u geneigd om die God te zien als iets afzonderlijks. Dit is niet geheel juist, ook als de voorbeelden die ik heb aangehaald, zoals het klontertje vet in de karnemelk, daartoe misschien wel aanleiding geven.

Het geheel van uw wezen, met alle fouten, met alle vooroordelen, is God. Niet dat u God Zelf bent maar elk deel van u bestaat uit God. Je kunt dus zeggen: elk wezen en elke mens is een goddelijk wezen omdat het is opgebouwd uit het geheel der krachten en wordt bepaald door het geheel der krachten die het Onbekende voortdurend uitzendt. Het Onbekende dat we God noemen. Dan is er ook geen grens meer te trekken.

Er zijn mensen die zeggen: dit kan wel en dat kan niet. Neen, alles kan. Het enige dat voor ons nodig is, is het beantwoorden. Dus de harmonie met die hogere niveaus of die tragere golven waarin de goddelijke waarde ook aanwezig is, nu eens sterker dan weer minder sterk. Het is de overeenstemming die we zoeken waardoor wordt bepaald wat we zijn en natuurlijk ook wat we beleven. Misschien zou u het zich kunnen voorstellen, als u het uittekent. Een aantal golvende lijnen die met elkaar parallel lopen op horizontaal vlak. De eerste lijn heeft vele bochtjes, de tweede iets minder en zo kunt u er desnoods tien tekenen. Nu zegt u: Hieronder in het midden van dat golflijntje zit ik. Zet daar maar een stip. Dan zegt u: om mijzelf harmonisch bewust te zijn, zal ik niet alleen moeten beantwoorden aan dit lijntje maar ook aan alle daarboven liggende lijnen. U trekt dan een lijn naar boven en u krijgt een verbinding van alle vlakken waarop het Goddelijke waarschijnlijk afzonderlijk registreerbaar is zodat het totaalbeeld van de werkelijkheid die in u ontstaat, onafhankelijk is van de tijdsvariaties van uw bestaansvorm van het ogenblik.

Er is geen enkele mogelijkheid om een deel van die werkingen uit te schakelen. Als er een goddelijke kracht actief is, dan geeft het niet met welke golflengte we werken. Wij zijn eraan gebonden want het geheel van die kracht is in ons als een soort replica geïnduceerd. Ze bestaat in ons ook. Op het ogenblik dat we een of meer van die goddelijke golven (krachten) zouden verwaarlozen, verwaarlozen wij dus ook een deel van onszelf. Hierdoor ontstaat er onevenwichtigheid. Deze onevenwichtigheid betekent tevens weer een bias: een afwijking van het ideale pad waarmee we weer ervaringen opdoen die disharmonisch zijn en zo meer.

Theoretisch zou het voor een mens mogelijk moeten zijn om in een zodanige harmonie te leven dat het geheel van alle tijdsverschijnselen wordt opgeheven door het geheel van alle eeuwigheidswaarden. En zo is in een totaalbesef de beleving zelf onbelangrijk geworden daar zij slechts de uitdrukking vormt van de zijnstoestand. Dit bereik je als mens en als geest niet zo gemakkelijk.

De krachten van de kosmos, de werkingen uit de kosmos zijn voor ons voortdurend herinneringen aan deze harmonieën die in ons bestaan. Onze disharmonieën op zich zijn een teken dat een bepaalde verandering in ons bestaan, ons denken, ons leven, ons ervaren, noodzakelijk is. Wij beantwoorden niet aan datgene wat we innerlijk zijn. Dus is het antwoord op alle vragen betreffende het goddelijke in de mens: het goddelijke in de mens bestaat maar het kan alleen worden gerealiseerd, indien de mens in zichzelf vrede weet te vinden en deze vrede met zijn wereld ook erkent. Op het ogenblik dat u vrede heeft met al wat is, is het Goddelijke in u manifest en bent u niet meer gebonden aan de beperkingen van één bepaald tijdsniveau en een bepaald krachtsniveau zodat u eveneens niet meer in het bijzonder gedicteerd zult worden door een van de Heren van de Stralen of bijzonder wordt beïnvloed door een Heer van Wijsheid. U bent dan boven de kosmos verheven. Maar dat is theorie.

De doorsneemens, juist omdat hij onevenwichtig is, is voortdurend gevoelig voor de invloeden van de sterren. Hij wordt aldoor mede beroerd door aanstormende stralingsgolven (op aarde nog niet meetbaar en daardoor niet eens theoretisch bekend), die het geheel van de gedragingen, de groeiprocessen, maar ook de gedachtenprocessen van mensen beïnvloedt.

Als er geestelijke golven komen, dan bent u ook daarvoor ontvankelijk omdat u zichzelf niet heeft waargemaakt. Zichzelf waarmaken is een proces dat niet in één leven of in korte tijd bereikbaar is. Soms kun je de eenheid van je bestaan wel voor een ogenblik beleven maar daarna valt de wereld weer uiteen in tegenstellingen, in moeilijkheden, in tegen‑ en meevallers en al wat je ook maar aan termen kent om afwijkende belevingen uit te drukken. Vraag u dan niet af of deze toestand bereikbaar is. U heeft haar beleefd, of u zult haar een keer beleven. Die toestand is er wel. Vraag u veel liever af hoe u in uw leven met al die wisselvalligheden, met al die beïnvloedingen, misschien juist die invloeden kunt gebruiken om uw eigen harmonie te verbeteren en daardoor de innerlijke vrede wat dichterbij te brengen.

Hoe groter uw innerlijke evenwichtigheid is en hoe groter uw vermogen om krachten uit te stralen, des te groter is uw vermogen om innerlijk bewust te bepalen wat u aan beleving en betekenis verkiest. En bovenal, hoe meer u ook in staat bent om niet alleen kosmische krachten aan te voelen en hun betekenis te kennen, maar ook in staat zult zijn om de gehele beïnvloeding in de wereld rond u te erkennen en daaruit weer de positieve beantwoording te vormen aan dat Onbekende, dat geïnduceerd in het ‘ik’, in feite een replica is van de onbekende goddelijke macht.

Heksen en magiërs

Als je bezig bent met het goddelijke in de mens en met alle kosmische krachten die werkzaam zijn, dan vergeet je wel eens dat veel van wat magie en hekserij heet, ook daarop berust. Het is ook wonderlijk dat de meeste mensen, om de juiste instelling te krijgen, allerlei dingen doen die eigenlijk geen samenhang vertonen met de kracht die ze inschakelen. Om u een voorbeeld te geven: er is een zekere Lavinia geweest, een heks in Rome. Ze woonde op een kerkhof en voedde zich vooral met de ogen van vossen en stieren; en daardoor zag ze er dan ook glazig uit. Het wonderlijke was dat ze met al deze vreemde gebruiken en gewoonten een bijzonder goede helderziende was en daarnaast sterke suggestieve en hypnotische krachten had. Waarom ze zo eigenaardig leefde? Wel, ze geloofde erin. Geloof is een van de dingen die je nodig hebt om de kracht die in je bestaat, aan te boren en in werking te stellen.

Een meester is weer een heel ander mens. Een meester is iemand, die weet dat die kracht bestaat. Hij heeft haar a.h.w. gesorteerd. Als hij een effect nodig heeft, dan slaat hij innerlijk die kracht (trilling) aan, zoals een gitarist een bepaalde toon zoekt op zijn gitaar. Hij weet welke snaar en welke vingerstand nodig is. Hier is sprake van iets wat we onszelf soms inbeelden omdat we niet weten waar het om gaat.

Ik wil in dit tweede gedeelte een paar punten opsommen, die te maken hebben met de eigenaardige krachten die heksen en magiërs op wonderbaarlijke wijze in werking weten te zetten.

De eerste kracht zou je de sympathische kracht kunnen noemen. Ze is namelijk een kracht, die inwerkt op alle gelijkgestemde wezens en waarden. Die sympathische kracht moet natuurlijk een gemiddelde weergeven. Als je een oorlogszuchtig volk hebt, dan zul je bij wijze van spreken een oorlogsdans moeten uitvoeren om de juiste afstemming en het juiste resultaat te krijgen. Heb je te maken met mensen die in vrede leven, dan zul je misschien een tijdlang in meditatie gaan. Want deze sympathische kracht is niets anders dan je instellen op wat je de grootste gemene deler van je omgeving zou kunnen noemen. Wanneer je die instelling vindt, ben je plotseling de gelijke van allen en je bent ook van allen gelijkelijk deel. Elke impuls die je dan geeft, wordt weerkaatst in het geheel. De aardigste voorbeelden daarvan zijn de z.g. heilige mensen die omgaan met wilde dieren alsof ze familie van ze zijn. Ze zijn ingesteld op hun omgeving, de dieren zijn daar ook deel van, dientengevolge zijn ze daar zo sterk mee verbonden en aan verwant, dat de dieren zelfs bevelen uitvoeren die zo’n heilige geeft.

De tweede kracht is de tegenstelling. Wanneer we rekening houden met de natuurwetten, dan weten we dat tegenstellingen elkaar plegen aan te trek­ken. Nu kunnen we dit als volgt omschrijven: op het ogenblik dat ik een teveel erken en mijzelf tot een tekort kan maken, zal het teveel overvloeien in het tekort. Waar ik een tekort erken, zal ik mijn eigen kracht concentreren totdat zij groter is geworden; zij zal dan het tekort opheffen.

Hier heb ik dus de mogelijkheid om eveneens evenwicht buiten mij tot stand te brengen. Maar ik kan dat alleen doen, indien ik de tegenstellingen erken en als mijn hele wezen en eventueel ook de riten, die ik volvoer, op die tegenstelling zijn gebaseerd.

De derde kracht is zekerheid. Ook zekerheid is een van die snaren die je kunt aanslaan. Als je werkelijk in iets gelooft, kun je dingen doen die anders onmogelijk zijn. In de zekerheid ben je alleen datgene wat je wilt zijn. Hierbij is het belangrijk dat je zozeer geconcentreerd bent op wat je wilt zijn, dat het andere wegvalt. Wat je uitstraalt, is voor een deel levenskracht, voor een deel telepathie. Er zitten zelfs nog suggestieve waarden in.

De manier waarop het werkt? Wel, dit voorbeeld, het z.g. schieten met de magische pijl. Men zag dat vroeger bij de magiërs van Tibet. In de eerste plaats: afzondering is noodzakelijk. In de tweede plaats: het vermogen om een beeld voor jezelf op te bouwen van hetgeen je gaat doen. Dit werd heel vaak gedaan door het kneden van heuveltjes van saffraanrijst. In de derde plaats is er een voorstelling nodig. Die voorstelling werd dan gevormd aan de hand van b.v. een gewaad van het slachtoffer in kwestie of een afbeelding van hem of, als het niet anders kon, alleen maar een woordelijke beschrijving die dan herhaald moest worden. Op het ogenblik dat men voelt dat de ander werkelijkheid is geworden, wordt er een pijl afgeschoten. Die pijl schiet je door het gewaad, op de afbeelding, eventueel uit de tent, als je met de verbale kwestie werkt. Die pijl zal dan natuurlijk niet ver gaan, maar de dodende impuls wordt met sterke suggestiviteit overgebracht op het slachtoffer. Het gevolg is dat het slachtoffer denkt: nu sterf ik. Dit heeft tot gevolg dat het hart een enorme schok krijgt en zo’n persoon sterft dan gewoonlijk aan hartverlamming.

Er zijn heksen die het weer heel anders doen: die heksen betoveren de mensen, zoals dat heet. Men ziet die betovering dan als het resultaat van een verbond met de duivel maar dat hoeft helemaal niet. Wat ik hiervoor nodig heb, is ook weer zekerheid. Zekerheid is de factor.

Op het ogenblik dat ik een zegen of een vervloeking uitspreek en zeker ben dat dit mijn hele wezen betreft, zal ik zolang ik leef die invloed uitstralen. Zou ik nu verwachten dat ik dood zal gaan of dat het na mijn dood zal gebeuren, dan kan ik het alsnog doen en dan zal mijn geestelijk wezen daarop gericht zijn. Anders gezegd: een astraal voertuig dat dan alleen door deze wil en zekerheid in stand wordt gehouden. Zo kun je dus mensen lang na je dood goed doen of kwaad doen, precies zoals je wilt.

Een snaar (een kracht) die niet zoveel wordt gebruikt door heksen en magiërs maar die in het totale scala toch erg belangrijk is, is wat men noemt ‘communicatie’.

Communicatie is het overdragen van denkbeelden. De eenvoudigste situatie is telepathie maar er zijn ook andere dingen denkbaar: het overdragen van beelden, van gevoelens, van ervaringen. Het is zelfs mogelijk dat je je eigen bewegingspatroon zo sterk overdraagt aan een ander dat hij dat tijdelijk overneemt.

Bewegingspatroon

Als ik spreek over de man die de pijl afschiet, dan is zijn bewegingspatroon datgene waarmee hij voor zichzelf uitbeeldt wat er komt. Wanneer een mens dingen doet – onverschillig wat – en ze hebben voor hem een bijzondere betekenis, dan wil hij dat koppelen aan een geestelijk besef. Dan kun je ook nog zeggen: autopoetsen kan een bewegingspatroon zijn. Voor heel veel mensen zelfs een harmonisch patroon waarin wederkerigheid mogelijk wordt omdat de anderen meestal ook hun auto poetsen. Het betekent gewoon dat een innerlijke toestand door veel mensen het best wordt gerealiseerd en dat concentratie daarop het gemakkelijkst is, wanneer een uiterlijke weerkaatsing daarvan of een symbool ervan, op welke wijze dan ook, wordt geschapen.

Deze communicatie berust op het feit dat we allemaal behoren tot dezelfde kracht. En wil het werken, dan moeten ook alle invloeden van buitenaf, die op ons neerkomen, eveneens gelijk zijn. Als het dus mogelijk is dat een bepaalde kosmische kracht op dit stukje grond wel komt, maar waar de ander zich bevindt niet, dan is die communicatie niet meer in een volledige overdracht mogelijk; dan zijn er storingen. Maar als alle invloeden gelijk zijn, dan maak ik gebruik van een gelijke afstemming op de basis. Ik maak gebruik van alle invloeden die er zijn want die versterken alleen maar wat ik overdraag. Op deze manier kan ik spreken tot een ander maar ik kan de ander ook verstaan.

Bij telepathie zegt men: je hebt de luisteraars en je hebt de zenders. Maar als je van communicatie gebruikmaakt, dan verplaats je je zodanig met het denkbeeld in de ander, dat de ander daarop antwoordt en feitelijk reageert.

U kunt zeggen: het antwoord formuleer je als zender toch weer zelf. Maar de ander ervaart het, dus de waarde van het antwoord is in de ander aanwezig. Dit is een invloed die in het dagelijks leven ook wel voorkomt. Voor zover mij bekend is, zijn er maar weinig heksen en magiërs geweest die daarvan uitgebreid gebruikmaakten, met misschien als uitzondering in Europa de Graaf van St. Germain. Deze had namelijk de gewoonte om op die manier zijn belangrijke cliënten en degenen die hij wilde beïnvloeden, a.h.w. van tevoren te benaderen zodat ze al geprepareerd waren en bepaalde denkbeelden al hadden ontvangen voordat hij persoonlijk verscheen.

Wat moeten we nu met al die snaren doen? Heel eenvoudig: in uzelf zijn ze alle aanwezig. Als u een innerlijke zekerheid kunt wekken zonder enige twijfel daarbij te koesteren, dan heeft u kracht en kunt u die uitzenden. Daarmee kunt u werken. Wanneer u een communicatie tot stand brengt, dan kunt u daardoor zonder verder stoffelijke contacten, denkbeelden, invloeden en wat dies meer zij uitwisselen. En niet alleen als een droom maar als iets wat in de ander ook feitelijk bestaat.

De heksen en tovenaars, de magiërs van het verleden en de paranormaal begaafden van deze tijd werken eigenlijk met een soort innerlijk klavier van mogelijkheden. Maar al die mogelijkheden hangen samen met het goddelijke in de mens. Ze hangen samen met de kosmische stralen, die de mensheid a.h.w. verdelen in bepaalde richtingen van bewustwording. Ze hebben zeker ook zeer veel te maken met de invloeden die normaal van buitenaf op aarde komen. Daarom geldt voor magiërs dat bepaalde bezweringen en handelingen alleen verricht kunnen worden op vastgestelde dagen. Dat betekent, dat die bezweringen niet alleen op een bepaalde datum of feestdag mogen worden verricht maar bij het optreden van een bepaalde constellatie waardoor de sterren dus op een bepaalde manier op aarde inwerken.

Gaan we kijken naar de heksen, dan blijkt dat zij zich vooral sterk plegen te oriënteren op de maan en in mindere mate op de zon. Ook hier weer een rekening houden met twee invloeden van buitenaf, die bijzonder sterk zijn. Maar bij de heksen zien we nog iets anders: zij hebben een samenwerking in gemeenschap. Omdat zij tezamen wel verschillende typen, invloeden en afstemmingen vertegenwoordigen maar toch een gezamenlijk brandpunt hebben tijdens hun riten, ontstaat er dus een completer ervaren van kosmische en geestelijke invloeden dan elk voor zich bewust tot stand kan brengen. En daaruit lezen ze dan weer kosmische invloeden af. Niet alleen die er nu zijn maar ook die er zullen komen. Dit kan zelfs kosmische invloeden betreffen die van zuiver geestelijke oorsprong zijn en die misschien pas over 3 á 4 maanden optreden. Aan de hand daarvan stellen ze dan weer samenkomsten vast voor een bepaald doel.

Ook bij heksen – de witte zowel als de anderen – zien wij dus een enorm respect voor kosmische invloeden. Maar we zien tevens het gebruikmaken van die door mij omschreven zaken. De zekerheid is daarbij heel belangrijk, omdat deze suggestief moet worden opgevoerd. Dit is zeer waarschijnlijk mede verantwoordelijk voor allerlei rituelen die op zichzelf nogal zinloos schijnen.

 Wie zich bezighoudt met al deze verschijnselen moet beseffen: een heks is niet iemand, die anders is dan een ander mens. Een magiër is geen buitengewoon mens, hij is een gewoon mens. Alleen, zij maken gebruik hetzij volledig bewust of misschien onbegrepen door middel van overleve­ringen , van basiskrachten die in de mens bestaan en van basisresonanties die kunnen worden opgewekt door rekening te houden met kosmische krachten buiten hen. Op die manier kun je veel bereiken.

Als u nu niet behoort tot de heksen en magiërs, dat nemen we maar niet aan, dan moet u het volgende onthouden: afstemming kunt u altijd vinden. Waar die afstemming vandaan komt, wat ze omvat, is eigenlijk niet eens zo belangrijk behalve voor uzelf. Wanneer u met één of meer van de gegeven waarden tezamen komt tot een innerlijk volledig uitstralen of volledig ontvangen van bepaalde zaken die voor u belangrijk zijn, dan zult u tot uw verbazing ontdekken dat het soms heel erg goed gaat.

Bent u een beetje astrologisch ingesteld, dan zult u verder bemerken dat de beste kansen voor wederkerige contacten liggen op ogenblikken dat de maan zich in bepaalde tekens bevindt. Op die manier kunt u voor uzelf een regeltje maken. U kunt, ook zonder u bezig te houden met ingewikkelde magische zaken, zonder u voortdurend in te stellen op alles wat heksen en tovenaars eigen is, wel degelijk de krachten gebruiken die er in u wonen. Misschien dat u dan gaat beseffen hoe groots en omvattend het Goddelijke is in de mens. Maar dan gaat u ook begrijpen dat dat Goddelijke in zijn werking en waarde niet bepaald alle menselijke preferenties deelt.

Als u dat heeft geconstateerd, dan probeert u uzelf waar te maken op een manier die voor u aanvaardbaar is. En dan heb ik zo het gevoel dat u daardoor, zowel in uzelf als naar buiten toe, heel veel nieuwe mogelijkheden ontdekt en vooral nieuw innerlijk evenwicht, nieuwe innerlijke kracht.

Bewustzijn

Ik denk. In mij bouwen zich beelden op. Ik schep een wereld en ik meen dat die wereld alleen in mij bestaat. Maar hoe kan ik mij een wereld bouwen die niet reeds ergens werkelijkheid is? Ik kan alleen waarheid tot stand brengen. Ik kan niets maken of veroorzaken dat niet ergens reeds aanwezig is.

Ik besef steeds meer dat al wat ik denk, behoort tot een geheel dat ik alleen herken. Het is een beleven van dingen, zeer zeker, maar het is nog meer dan dat. Het is eigenlijk ook het weten om de dingen. En hoe meer ik weet om de dingen, hoe meer ik besef hoezeer ik met al die dingen zelf verbonden ben.

Het is het begrip dat ik met dit alles verbonden ben – of ik het weet of niet weet of wil – waaruit voor mij het bewustzijn ontstaat van de eenheid waaraan mijn persoonlijk bestaan voortdurend zal moeten beantwoorden. Dan begint de werkelijke bewustwording omdat ik steeds meer het geheel leer erkennen in al wat ik denk, wat ik ken, wat ik doe.

Onthoud één ding: het begrip gaat altijd aan de daad vooraf. Want de mensen, die dingen doen die ze niet begrijpen, denken dat ze andere dingen doen dan ze gedaan hebben. Daardoor komen ze voor gevoelens te staan, die ze niet hadden verwacht en die ze ten onrechte menen niet verdiend te hebben.