Goddelijke democratie

4 januari 1963

Ik ben dankbaar, dat u heden weer allen aanwezig bent. Wij willen, onder de drang der tijden, namelijk ons tempo wat gaan verhogen. Dan het bekende woord: Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Houdt daarmee a.u.b. rekening. Wij zullen nu meteen met het eerste onderwerp beginnen. De titel hiervan zal u misschien wat eigenaardig voorkomen: Goddelijke democratie.

Ja. U hebt het goed verstaan: Goddelijke democratie. Deze titel zal u wel duidelijk worden. Wanneer wij op aarde spreken van democratie, zo bedoelen wij daarmede in feite een op meerderheden gebaseerde regering. Een ieder heeft binnen dit systeem de vrijheid een eigen mening te hebben, zich uit te laten volgens eigen inzichten en te handelen volgens eigen inzichten. Maar in dit alles zal men zich onderwerpen aan de wensen van de meerderheid, zover dit voor het gemeenschappelijk belang noodzakelijk is. Zo hoort het tenminste te zijn. Ofschoon er vele z.g. democratische staten bestaan, waarin een kleine minderheid met grote mond de meerderheid pleegt te vertellen wat zij doen en denken moet, wat goed is etc. In het goddelijke bestel vinden wij iets, wat hierop lijkt. Juist deze eigenaardigheid binnen de kosmische structuur wil ik heden met u aan een nader onderzoek onderwerpen.

Er is sprake van een absolute eenheid in de schepping enerzijds, met een algehele vrijheid van wil anderzijds. Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat God er is, om iets te doen voor de mens, maken wij een grote fout. In een ware democratie is het als volgt: een mens spant zich in voor zichzelf en anderen. Naarmate meer mensen het met hem eens zijn, zal hij eerder iets tot stand kunnen brengen, waarvan hij dan ook zélf profiteert. Nu kan men stellen, dat een soortgelijke regel ook in het heelal bestaat: God antwoordt inderdaad op alle dingen, op elke bede, elke aanroeping. Elk vorm van meditatie of concentratie geeft de mens eveneens ergens contact met God, een band met iets van de goddelijke kracht. Start men als mens echter in deze aanroeping of beleving alleen, dan is men volgens eigen bewustzijn betrekkelijk machteloos, wat zich weerspiegelt in de uitwerking van de bede enz.

Daarom mag voor de mens – en velen uit de geest – worden gesteld dat de kracht en inwerking van het goddelijke groter en meer kenbaar zal zijn, naarmate men met een groter aantal op ongeveer gelijke wijze die God aanroept. Dit houdt in, dat ook de kracht, die als verschijnsel kenbaar wordt door dit contact met het goddelijke, groter zal worden naarmate het aantal gelijkdenkenden toeneemt, terwijl ook het bewustzijn, dat op deze wijze verworven kan worden, veelal toeneemt in overeenstemming met de toename van de groep, die op gelijke wijze contact met het goddelijke opneemt. Hierbij speelt dus ook de massa wel degelijk een zekere rol, zij het, dat deze rol hoofdzakelijk door het bewustzijn van de eenling wordt bepaald en niet noodzakelijker wijze onmiddellijk uit de Goddelijke werkingen zelf ontspruit. Hoe wij ons dit alles, inclusief de verdeling van de mensheid in dergelijke massa’s, moeten voorstellen is het eenvoudigst te beseffen, indien wij aandacht geven aan de structuur van de verschillende sferen. Elke sfeer bestaat uit een groep wezens met een ongeveer gelijk bewustzijn en ongeveer gelijke bestrevingen.

Daardoor ontstaat een zekere mogelijkheid tot samenwerken, samenleven, onderling begrip enz. Op het ogenblik, dat iemand binnen een  sfeer of groep niet meer past, kan hij evolueren naar een andere groep. Op het ogenblik dat iemand in een bepaalde groep niet meer past en toch niet naar een hogere sfeer kan overgaan, zal deze op aarde terugkeren om daar te reïncarneren. Er is geen andere mogelijkheid. Men kan niet onbeperkt blijven leven in een wereld of groep, waarmee men niet harmonisch is en waarmee men dus ook geen werkelijk contact of werkelijke mogelijkheid tot bewuste samenwerking kent.

Dit is een zeer belangrijk punt, want indien ik dit voor de sferen stel, mag ik mij beroepen op de oude spreuk, die zegt “Zo boven, zo beneden”. Dit betekent immers ook: “Zo het in de sferen is, zal het ook op aarde kunnen zijn.”

Belangrijk is daarbij verder, dat de sfeer niet afhankelijk is van een daadwerkelijk gemeenschappelijk optreden, maar slechts de mogelijkheid daartoe vereist, om een sfeer te kunnen zijn. In de democratie, zoals deze in haar oorspronkelijke vorm op aarde voorkwam, werd de invloed van een groep – of het ontstaan daarvan – niet bepaald door een algehele samenwerking, of een volledige overeenkomst van inzicht, maar ontstond zij reeds, wanneer men een enkel punt van inzicht of streven met elkaar gemeen had. Wanneer bv. de burgers van Athene samenkwamen, was het nooit te voren bekend, hoe sterk een bepaalde partij wel zou zijn. Soms ging het om één enkele mens, die zijn mening naar voren bracht. De voorstellen, noodzakelijkheden en mogelijkheden werden verdedigd door een representant van een groep of een eenling.

Onder de toehoorders ontstond dan een groepering, die dit voorstel bevestigde – of verwierp – en veelal stelde men: deze mens zal dit uit moeten voeren, of deze mens moet dan voorlopig onze regeerder zijn. Daarbij konden de aanwezigen reeds kort daarop hun inzichten wijzigen en andere stemmen doen horen. Ook wanneer men het op een enkel punt met elkaar eens was geworden, kon men op elk ander punt nog met elkaar van mening verschillen.

Ik weet niet, of u zult kennen beseffen, hoe belangrijk hier het feit is, dat de menselijke mogelijkheden en de geestelijke mogelijkheden in wezen gelijk zijn – niet in praktijk dus -. Want op grond van het “zo boven, zo beneden ” mogen wij stellen, dat mensen, die gelijke inzichten of bestrevingen kennen en zich daarbij tot de Allerhoogste richten, een antwoord zullen verkrijgen, dat niet alleen met de intensiteit van hun zich tot God richten, maar ook met hun aantal in verband staat. Dit is mogelijk op een enkel punt, ook wanneer men het op alle andere punten niet met elkaar eens is.

Hieruit volgt, dat, evenals in een democratie, een taakverdeling zal ontstaan aan de hand van de meerderheden. In de geest zal, evenals in de stof, een verdeling van taak en mogelijkheden plaats vinden tussen de verschillende groepen, waarbij hun eigen bestrevingen en mogelijkheden zo goed mogelijk tot uiting komen. Dit betekent, dat wij in de kosmos niet met één enkel bestreving of wil te maken hebben maar wel degelijk met invloeden in contact kunnen komen, die een inwerking van een minderheid zijn. Een voorbeeld zal u misschien duidelijk kunnen maken, wat dit inhoudt. Want de ware Goddelijke werkingen zullen daardoor niet beïnvloed worden, maar de uitingen van deze inwerkingen kunnen er door of beperkt of gestimuleerd worden, zover het ons zelf en onze wereld betreft. Wij geloven aan reïncarnatie. Dit is in strijd met de in het Westen gangbare godsdienstige opvattingen. In dit opzicht zijn wij dus een minderheid. Door de intensiteit van geloof en op dit geloof afgestemde bestrevingen kunnen wij echter, zelfs indien ons aantal betrekkelijk gering is, een belangrijke minderheid vormen.

Dankzij dit element van belangrijkheid zullen wij op aarde een invloed hebben, die ook buiten onze kring kenbaar is, terwijl wij nu in de kosmos eveneens een voor het geheel belangrijke taak kunnen vervullen. De taak en de mogelijkheden van een minderheid zullen dus niet alleen op aantallen gebaseerd zijn. Ook invloed, intensiteit en kracht spelen een grote rol.

Er was eens een uitgever in een bepaald land, die meende dat een zekere persoon niet als schatbewaarder mocht worden aangesteld. Bij de door hem beheerde uitgaven werkten redacteuren en journalisten – rond 500 – die over deze vraag anders dachten. De uitgever sprak toen tot hen: “Mijne Heren, wij leven in een democratisch land. Iedereen, die iets anders wil schrijven dan ik goed acht, kan dit natuurlijk ook doen. De enige voorwaarde, waaraan hij moet tegemoet komen, is een indienen van ontslag hij de bladen, die mijn eigendom zijn.” Met andere woorden, deze man had dus een kracht – noem het hier kapitaal – waardoor hij anderen er toebracht, zijn inzichten te volgen. De anderen deden dit hoofdzakelijk, omdat zij niet in dezelfde mate als de uitgever over kapitaal konden beschikken en zich daarom van deze kracht van hem afhankelijk achtten.

Wanneer ik binnen het kosmisch bestel een sterke wil heb en een nauw omschreven streven dat ik – desnoods ten koste van alles – in wereld en sferen tot uiting wil doen komen, zal dus de vraag zijn: over hoeveel geestelijk kapitaal, over hoeveel geestelijke kracht ik kan beschikken.

Op het ogenblik dat mijn geestelijke vermogens en mijn geestelijke krachten groot genoeg zijn, kan een groot aantal entiteiten, die misschien wel anders zouden willen doen en denken, maar teveel zich aan de kracht, die ik bezit, vastklampen, er toe brengen met mij mee te gaan in de volgens mij juiste richting. Dit kan natuurlijk ook een verkeerde richting zijn. Want deze regel zal in licht en duister gelijkelijk werkzaam blijven.

Ik kan dan ook op grond van het voorgaande een regel stellen: In de kosmische of goddelijke democratie geldt als regel: Degene die over het hoogste bewustzijn en de meeste innerlijke kracht beschikt, zal een zeer groot deel der minderbewusten kunnen beïnvloeden en zelfs tijdelijk kunnen dwingen tegen eigen inzichten of wensen zijn inwerking en bestrevingen te steunen. Slechts degenen, die zich van deze beïnvloedingen bewust zijn en persoonlijk alle verantwoordelijkheid voor eigen daden en denken willen aanvaarden, zullen zich van deze banden vrij kunnen maken. De laatsten zullen ongetwijfeld zelf tot machten worden en het voor hen goede kunnen bereiken, omdat zij alles doen met besef van eigen mogelijkheden en zonder beroep op de vermogens of krachten van anderen.

Dit alles klinkt u misschien wel mooi, maar wat ingewikkeld. Nu stel ik het volgende: Een bepaalde mens draagt in zich een bepaald inzicht. Misschien zal hij dit redelijk kunnen weergeven en met woorden tot uiting kunnen brengen, maar dit is niet zeker en niet noodzakelijk. Want of men dit inzicht nu in woorden en redelijk naar voren kan brengen of niet, men draagt het in zichzelf. D.w.z. dat de kracht van eigen geest en persoonlijkheid de stuwende werking is, waarmee de in het Ik bevatte inzichten binnen de kosmos tot uiting komen. Op het ogenblik dat iemand met voldoende innerlijke intensiteit een bepaald doel nastreeft, zal hij onwillekeurig een zekere groep rond zich vormen – bewust of onbewust – die hem in zijn bestrevingen blijft navolgen en innerlijk een zekere harmonie vertoont met zijn inzichten als gevolg van de invloed, die hij – alleen reeds door zijn innerlijke gesteldheid – op hen uitoefent.

Daardoor ontstaat een soort pressiegroep in de samenwerking, die wij misschien wel het beste kunnen vergelijken met een kosmisch parlement. Deze pressiegroep vergroot het werkbereik van de mens met inzicht, waardoor deze weer andere menselijke en kosmische groepen zal kunnen bereiken, waarin verwante of ongeveer gelijke inzichten leven. Als resultaat groeit hieruit het directe – goddelijke – bewustzijn, dat over alle sferen een deel van de goddelijke werkelijkheid openbaart en tot stand brengt. Daarmee heb ik het eerste deel van mijn betoog alweer beëindigd en ga over naar een tweede deel.

In elke democratie wordt – althans theoretisch – een ieder vrijheid van leven, handelen en denken toegekend, zolang hij niet in conflict komt met de belangen van de gemeenschap. Gaat men in tegen de belangen van de gemeenschap, dan zal men de consequenties daarvan moeten aanvaarden. In de goddelijke democratie, die de kosmos beheerst, ligt dit enigszins anders: Wie zich richt op het belang van de gemeenschap met gehele of gedeeltelijke uitsluiting van eigen belang, zal de Goddelijke Werkelijkheid, waarvan alle Goddelijke wetten de uitvloeisels zijn, voor zich tot werkelijkheid maken. Daardoor zal hij dan uit het totaal van de kosmos zijn krachten ontvangen en door het totaal van de kosmos zonder meer gesteund worden in zijn pogingen de werkelijkheid te benaderen. De mens, die zelfzuchtig is en eigen belangen voorop stelt, heeft volledige vrijheid van handelen, maar zal het gevolg daarvan aan den lijve ondergaan. Deze berust hoofdzakelijk op de noodzaak terug te vallen op eigen krachten en eigen mogelijkheden. Wie echter alleen over zijn eigen vermogens beschikt en geen andere mogelijkheden bezit, zal moeilijk een groep van voldoende belang en intensiteit rond zich kunnen vormen.

Conclusie: Al datgene, wat gecreëerd of geschapen wordt door de mens met uitsluiting van de Goddelijke werkelijkheid – bv. vanuit een volledige zelfzuchtigheid of een onbegrip van de kosmische eenheid – is tijdgebonden en gaat teloor. Alles, wat tot stand komt uit onzelfzuchtigheid, ook in de mens en de wereld der mensen, zal een kosmische weerkaatsing vinden, is daardoor tijdloos en zal daarom altijd en in alle sferen kenbaar zijn.

Met deze regels heb ik een punt aangesneden, dat voor de komende tijd van het allergrootste belang kan zijn. Wij kunnen namelijk de waarde van alle gebeuren en ontwikkelingen afmeten aan deze regels en eveneens hieruit leren beseffen, waarom bepaalde waarden uit het verleden ook de komende tijd beheersen zullen.

Bij een beschouwen van de dingen, die zijn en komen en gaan, kunnen wij natuurlijk spreken over de heersende koude en er op wijzen, dat deze kou slachtoffers eist. Inderdaad. Wij kunnen er dan ook nog over gaan spreken, dat deze koude eigenaardige gevolgen heeft: voor het eerst in de geschiedenis vallen er in Nederland vreedzame bommen uit vliegtuigen, die niet de dood brengen, maar het leven betekenen voor vele vogels, post en voeding voor geïsoleerde plaatsen.

Iedereen zal beseffen, dat deze kou op zich weinig te betekenen heeft. Zij krijgt pas betekenis, wanneer wij trachten haar te zien in een groter geheel. Wij kunnen natuurlijk uit meteorologisch standpunt spreken en zeggen, dat deze winter toch werkelijk niets bijzonders is. Dergelijke winters zijn regelmatig in het verleden voorgekomen en zullen ook in de toekomst wel voor komen. Vanuit een menselijk standpunt is dit redelijk. Men kan ook uitgaan van oorzaak en gevolg, wanneer men een meer algemene betekenis wil vinden voor deze koude. Gaan wij hiervan uit, zo blijkt, dat het weer nog normaal, zelfs zacht mocht heten, toen achtereenvolgens een 3-tal atoomproeven werden genomen. Kort hierop ontstond de hevige koude. Men zou geneigd zijn om te stellen, dat deze proeven de oorzaak zijn. Ofschoon er mogelijk enig verband bestaat is een dergelijke verklaring echter niet helemaal redelijk. Bovendien zou een dergelijke samenhang voorlopig een uniek verschijnsel mogen heten. En zoals u weet, is voor unieke verschijnselen in de officiële wetenschappen op het ogenblik geen plaats.

Wij kunnen dan nog uitgaan van de verbondenheid van mens en natuur. In dit geval rijst de vraag, of deze koude iets te maken kan hebben met de innerlijke toestand van de mensheid.

Ook dit kan men aannemelijk maken. Maar te bewijzen is het niet. Toch ben ik geneigd deze these met meer dan normale aandacht te bezien en de verklaring op deze basis als tenminste belangrijk te beschouwen. Wanneer wij de mensheid van heden nagaan, zo blijkt, dat vele van hen innerlijk kil zijn. Dit blijkt in het dagelijkse leven niet zozeer, maar komt tot uiting, wanneer bv. vele mensen zonder pardon hun huisdieren verstoten, wanneer er maar enig gevaar bestaat voor een bepaalde ziekte. Een ander voorbeeld vinden wij bij mensen die steeds de vrede gepredikt hebben, maar wanneer zij aangevallen worden, deze stellingen opeens prijs geven onder de kreet: “Nu moeten wij wapens hebben en strijden”. Want de vrede bewaren, wanneer wij persoonlijk worden aangevallen, is niet redelijk. Een overeenkomst, die mij iets zou kosten aan aanzien of gebied, aanvaard ik niet. Nu zal ik doorvechten en eis steun van allen, want ik wil ten koste van alles gelijk hebben. Wij hebben in deze gevallen kennelijk te maken met mensen, die het goede wel zien en beseffen, maar dit goede toch niet volledig in praktijk willen brengen. Een dergelijke onevenwichtigheid zal op de natuur natuurlijk invloed hebben. Daarin zou dan ook de oorzaak voor de opeens optredende felle koude gelegen kunnen zijn.

Indien wij dit laatste echter als mogelijk of juist aannemen – nogmaals, te bewijzen is dit zeker niet – zullen wij ook moeten stellen dat het niet alleen bij koude zal blijven. Dan moet hieruit meer voortkomen. Wanneer er op aarde voldoende mensen zouden bestaan, die zonder enige redelijkheid en zuiver egoïstisch – in een soort economisch en sociaal catch-as-catch-can, anderen willen dwingen hen macht, invloed, rijkdom en eeuwige zaligheid te verschaffen, terwijl deze anderen daarvoor de rekening mogen betalen, zullen dezen gezamenlijk een pressiegroep vormen, die geheel past binnen hetgeen in het eerste gedeelte werd opgemerkt omtrent een goddelijke democratie. Op het ogenblik dat groepen handelen met een gemeenschappelijk bewustzijn, dat niet gebaseerd is op onzelfzuchtigheid, maar op egoïsme – bovendien daarbij ethische morele en andere waarden van anderen buiten beschouwing latende – zo zal daaruit invloed voortkomen die niet alleen koude brengt, maar op elk gebied van natuurkrachten een storing zal veroorzaken. Hoe groter een dergelijke groep is, hoe sterker haar invloed zal zijn.

Wij hoeven echter niet te veronderstellen, dat dit ook kosmisch belangrijke onevenwichtigheden tot resultaat zal hebben. Wij hoeven immers de aarde niet als zo belangrijk binnen de kosmos te beschouwen.Ten opzichte van de kosmos is de aarde niet veel meer dan een gehucht.

Weliswaar heeft men er een eigen burgemeester – de aardgeest – plus een aantal wethouders – rassengeesten – en een raad – de groepsgeesten – maar het blijft een gehucht. Kosmisch gezien zijn dan ook de grootste pressiegroepen op aarde niet meer dan een paar eigenwijze boeren, die hun zin door willen zetten. Naarmate de gebondenheid aan egoïsme, persoonlijk belangen enz. groter worden, zal de chaos op aarde eveneens groter worden. Want steeds meer geestelijke belangen zullen eveneens op strijdige wijze ingrijpen. Daarbij beroeren de geestelijke krachten niet alleen de mensheid en de natuur, maar alle wezens, krachten en werkingen, die zich binnen het gebied van de aarde bevinden. Wijzigen niet-zelfzuchtige invloeden de chaotisch lijkende beïnvloeding van de aarde, dan kan zeer weinig reeds belangrijke veranderingen met zich brengen. Een betrekkelijk geringe wijziging van de beïnvloedingen uit de kosmos, kan reeds betekenen, dat er bv. op aarde geen vloedgolven meer voor zullen komen en geen grote rampen plaats zullen vinden. Vergelijk de inwerking in de situatie van een gehucht, wanneer ook maar een paar ambtenaren hun houding wijzigen.

Laat ons nu eens nagaan, welke groepen voor de aarde van het grootste belang zijn. Daarbij stel ik: Een ieder die, onverschillig op welke wijze – hetzij beschouwend, mediterend, biddend of op andere gangbare wijze – zich tot het hoogste richt, daarbij eigen welzijn en belangrijkheid tijdelijk niet achtende, maar zich richtende op het algemene belang, zal met anderen gezamenlijk de meest positieve groep vormen. Deze helpt het lot van de wereld mede bepalen door de geestelijke krachten, die daarmede harmonisch zijn, en die zo op de aarde kunnen inwerken. Een dergelijke groep kan echter nimmer gebaseerd zijn op zuiver stoffelijke overwegingen. Zij kan zich slechts baseren op innerlijke overwegingen, innerlijke kracht en vooral op innerlijk bewustzijn. Hoe groter de golven van kracht zijn, die door een dergelijke groep worden opgewekt, hoe sterker haar invloed in het geheel merkbaar zal zijn. Deze invloed kan zo groot worden dat anderen, die het met deze innerlijke overwegingen enz. in feite niet geheel eens zijn, toch tijdelijk deze beginselen huldigen en zo meer doorslagkracht geven aan alle invloeden, die met de groep verbonden zijn, zelfs wanneer dit alles slechts een kortere tijd zal geschieden.

Op het ogenblik is er in de wereld een directe scheiding te maken tussen twee grote groepen. De eerste is de materialistische. Zij is op het ogenblik – vanuit een geestelijk standpunt bezien – de grootste pressiegroep op aarde. Waar alle zelfzuchtige en materiële opvattingen een behouden van het bestaande voorstaan, of een handhaven van bepaalde belangen zoeken, heeft deze op aarde meest talrijke groep invloed op alle wetenschap, alle filosofie en godsdienst. Het materialisme is dus op het ogenblik een van de grootste en meest invloedrijke partijen op aarde. Zouden voldoende geestelijke inwerkingen hiermede harmonisch zijn, dan zou deze groep zonder meer geheel de aarde beheersen en haar lot bepalen. In het verleden was het materialisme positief: zonder een meer materialistisch denken zou het niet mogelijk zijn geweest los te komen uit een alles tot verstarring dwingend geestelijk dogmatisme. Ofschoon hun opzet een geestelijke bevrijding en bewustwording was, waren zelfs de oude mysteriën langzaam in dit dogmatisch-godsdienstig leven en streven verzand. Zij hadden geen praktijk meer en berustten nog slechts op innerlijke werkingen en geheimen, die geen uitwerking meer naar buiten toe hadden of zelfs mochten hebben. Hun waarde bestond op den duur slechts nog in gefluisterde overgeleverde geheimen en bijeenkomsten achter gesloten deuren – dingen die in feite geen werkelijke zin meer hadden. De mensen waren geneigd zich zonder meer te beroepen op de kracht der goden en zich neer te leggen bij hun besluiten.

Ons doel op aarde is echter nimmer, je zonder meer neer te leggen bij de feiten, die nu eenmaal bestaan. Wij moeten zelf trachten de voor ons juiste omstandigheden te scheppen en de feiten te voegen naar ons persoonlijk bewustzijn. Want wij zijn zelf verantwoordelijk. Het materialisme was noodzakelijk, omdat alleen daardoor de mens op een voor hem overtuigende wijze kon worden geconfronteerd met zijn mogelijkheid om zijn omstandigheden te beheersen. Hij kwam tot een meer stoffelijk interpretatie van zijn geestelijk kennen. Dit bracht met zich, dat vele geheimen van het leven, die eens alleen een mystieke interpretatie van innerlijke erkenningen waren, tot hanteerbare en in formules uitdrukbare stoffelijke feiten van het leven konden worden. Zodra het materialisme te ver gaat, grijpt het echter ook naar de belangrijke waarden van het persoonlijke leven en tracht de innerlijke werkelijkheden, die niet stoffelijk uitdrukbaar zijn, eenvoudig te ontkennen, daarbij alle voor de mens noodzakelijke geestelijke begrippen en invloeden zo materieel mogelijk behandelend. Daarbij wordt echter alles wat werkelijk alleen geestelijk is, voor de materialistische mensen steeds abstracter. Want een stoffelijke hemel, zoals de primitieve, maar mystiek denkende mensen zich voorstellen, kan in het materialistische denken niet meer bestaan: zij is eenvoudig niet meer bestaanbaar.

Gelijktijdig zal de strakheid van innerlijk leven en de vrijheid van uiterlijk leven – waardoor het innerlijk vrijelijk tot uiting werd gebracht, veranderen in een steeds toenemende gebondenheid op stoffelijk terrein. In de plaats van de innerlijke band met een God komt de uiterlijke gebondenheid van de mens aan de gemeenschap. Er komt echter een ogenblik dat ook de gemeenschap vast gaat lopen in maatschappelijke dogma’s, die zij de naam geeft van wetenschap of filosofie en rechtvaardigt deze met termen als “maatschappelijk erkende noodzaak”.

Wanneer dit plaats vindt wordt de groot geworden groep, die in het begin reformatief heeft gewerkt, conservatief. Naar ik meen kan worden gezegd, dat het materialisme op de wereld praktisch identiek is geworden met conservatisme. Dit betekent, dat in de komende tijd het geestelijke, het mystieke op de voorgrond zal moeten treden, om het verstoorde evenwicht weer te herstellen. Daarbij heeft het als voordeel de erkenning van enkele oude waarheden en inwijdingsgeheimen. Want daar waar de ontdekking, de beheersing, het avontuur niet meer mogelijk is op meer materialistisch terrein, zal de mens vanzelf gaan grijpen naar de oude waarheid. Hij zal teruggrijpen naar de geestelijke inhoud van zijn leven. In de plaats van zijn beperkte wereld – zo u dit wilt: de menselijke democratie – zal de mens zich weer gaan wenden tot de kosmos en de innerlijke wereld, of de goddelijke democratie.

Dan kan dus op het ogenblik de geestelijke kracht die op de wereld tracht in te werken, worden beschouwd als een oppositie tegen bestaande waarden. De mensen, die deze geestelijke invloed innerlijk erkennen en in de praktijk proberen te brengen, zijn dan een oppositiepartij, die overigens tegenover de huidige, redelijk loyaal zijn oppositie voert. De invloed, die deze opposanten kunnen verkrijgen, is van het allergrootste belang voor het verdere lot van de wereld. Wij beseffen dit, wanneer wij even nadenken over de geestelijke invloed, de beheersing van minder bewusten en de vrijheid, die deze geestelijke instelling met zich brengen kan. De huidige instelling van de meerderheid der mensen veroorzaakt in de wereld een reeks van problemen, waarbij de tot nu toe werkzame middelen en krachten falen, terwijl bepaalde nog bestaande mogelijkheden niet meer voldoende tot ontwikkeling kunnen komen. Juist daarom is het m.i. noodzakelijk, de geestelijke weg en haar mogelijke invloeden nog verder te ontleden.

Dit vormt dan een derde deel van mijn betoog. Hieraan wil ik weer een spreuk vooraf laten gaan: “Voorwaar, indien gij niet zijt, zoals deze kinderen, zult gij niet ingaan tot het Koninkrijk der Hemelen.”

Hierop laat ik onmiddellijk een uitspraak van de nieuwe Wereldleraar volgen: “Indien gij niet de eenvoud bezit die noodzakelijk is om God zonder meer te aanvaarden, zult gij gebonden zijn aan een voortduring van stoffelijke belevingen en de geestelijke vrijheid niet kennen.”

In deze twee spreuken hebben wij dan weer iets zeer belangrijks vastgelegd. De mens, die mystiek beleven zoekt, geestelijk werk wil doen en a.h.w. met geestelijke krachten speelt, is in zekere zin een kinderlijke mens. Hij is innerlijk niet opgegroeid tot de wereld van de volwassenen! Want de volwassenen van deze dagen zijn mensen, die hun innerlijk leven beknot hebben en hun innerlijke wereld gecastreerd hebben met de rede. De mens, die met succes geestelijk streeft, heeft dan ook een zekere mate van voorstellingsvermogen, van fantasie zelfs, welke hem tot belevingen en het aanvaarden van verschijnselen en mogelijkheden in staat stellen, die de “redelijke” mens niet meer blijkt te bezitten.

Het element van berekening, voorzorg en voorzichtigheid, dat bij de materialist sterk ontwikkeld pleegt te zijn, zal bij de geestelijk gevoelige mens in veel mindere mate aanwezig zijn. Een kind is wel berekenend, maar alleen voor korte tijd.

Het is egoïstisch, maar zal geen op het ego gebaseerde plannen, die vele jaren – misschien zelfs 100 of 1000 – omvatten; het leeft vandaag. Het ziet er ook geen nut in de gehele wereld te onderwerpen om zo iets bepaalds tot stand te brengen. Wanneer het tracht te heersen, komt dit voort uit het ogenblik. De toekomst speelt daarbij geen werkelijke rol en de daden zijn eerder een ogenblikkelijke bevrediging dan een voorbereiding op iets. Wel is het een eigenschap van kinderen, dat zij dromen van een stempel, dat zij later op de wereld zullen drukken. Vele kinderen zeggen dan ook dingen die neerkomen op: wanneer ik later dood ga, zal men weten, dat ik geleefd heb. Dit blijkt het gevolg te zijn van de behoefte iets te betekenen, niet voor jezelf, maar voor de wereld, waarvan je deel bent. Het kind heeft de behoefte iets te doen, dat voort zal leven in het onvoorstelbare geval, dat het er zelf niet meer zou zijn.

Dit kinderlijke element in de mens brengt hem ook in contact met het bovennatuurlijke, het magische, met het mystieke. Wanneer een gewoon mens zit te mediteren en dan opeens een stem hoort, die zegt: “ga naar x en doe y” vraagt hij zich waarschijnlijk af, of hij gek geworden is. In het gunstigste geval zegt hij: “geef mij maar reisgeld en een briefje, waar alles op staat, dan zal ik het wel doen.” Dat geeft hem tenminste enige zekerheid en lijkt daarom nog het meest redelijke antwoord op een dergelijke stem. De kinderlijke mens vraagt zich niet af, of x wel bestaat en y wel mogelijk is. Hij hoort de stem en gaat. Waarschijnlijk zal hij 9 van de 10 keren teleurgesteld worden, maar hij gaat. Dit is nu het grootste verschil tussen de nu noodzakelijke levenshouding en de zogenaamde redelijkheid. De geestelijke georiënteerde mens, de mens, die voor de inwijdende krachten van deze tijd zo buitengewoon gevoelig is, leeft in een wereld, waarin men niet te veel vraagt. Men aanvaardt, alles wat komt, gaat en doet, wat men als noodzakelijk erkent, of als taak krijgt opgelegd. In zijn wereld is alles uniek. Hij wordt dan ook niet meer dan normaal boos, wanneer iets eens niet goed gaat, maar rekent er eenvoudig op, dat het de volgende keer beter zal gaan.

Hierin hebben wij de eigenschappen en werkingen van de moderne mystiek duidelijker geformuleerd. Namelijk, wie niet het onwaarschijnlijke als normaal kan aanvaarden in zijn leven, wie niet de krachten kan gebruiken, die volgens anderen niet eens kunnen bestaan, zal ook de innerlijke band met het Hogere alleen als een droom ondergaan, maar de werkelijkheid daarvan niet kunnen beseffen. Dit aanvaarden, dit geloof, maken hem tot iemand, voor wie geen onmogelijkheden meer bestaan. Wanneer hem gezegd wordt: wandel over het water, dan vraagt hij niet of het mogelijk is, maar wandelt inderdaad over het water. Eerst later wordt hij zich er misschien van bewust, dat dit eigenlijk niet mogelijk zou zijn. Ook wanneer anderen hem precies verklaren, dat hij niet over het water gelopen heeft, maar een bootje of zoiets gebruikt moet hebben, wordt hij niet boos. Hij zegt eenvoudig: misschien is dat wel zo. In ieder geval heb ik mijn taak volbracht, mijn doel bereikt. In deze geesteshouding ligt nu de grote kracht van de revolutionaire machten op het ogenblik. Want een revolutie is dit zeker. Een ommekeer, die een geheel ander aspect van de goddelijke democratie op aarde kenbaar zal maken. Op het ogenblik dat men zich geen vragen stelt over het hoe en waarom, zal de gehele persoonlijkheid met al zijn mogelijkheden immers ter beschikking zijn om het doel te bereiken.

Een voor veranderingen eveneens gunstige invloed is het feit, dat men in het gehucht aarde nu wel mag stellen, dat iets op een bepaalde wijze zal worden volbracht, maar dat hogere instanties in staat zijn dergelijke voornemens eenvoudig te niet te doen door hun ingrijpen vanuit een hoger vlak van bestaan. Wanneer wij dus de materialisten op aarde in een bepaalde richting zien streven, kunnen zij wel een meerderheid in aantal vormen, maar door het ontbreken van een verbinding met hogere machten niet in staat zijn hun plannen ook te verwerkelijken. Degenen, die echter wel in contact met het Hogere zijn, zullen juist aan deze band met het hogere de mogelijkheid danken de anderen tijdelijk te overtreffen in invloed.

Relaties met hoger geplaatsten spelen dus klaarblijkelijk ook in de goddelijke democratie een rol. Wanneer u dit alles weet en misschien zelfs geheel kunt begrijpen, zal u zeer veel in de wereld en in uw eigen wezen duidelijk worden.

U leeft in een wereld, die vervuld lijkt te zijn van steeds weer nieuwe en ontstellende ontwikkelingen. U weet bv. niet, wat Chroesjtsjov zo dadelijk zal gaan zeggen… (in de zaal fluistert iemand) Hij ook niet? Dat weet ik zo net nog niet. Woordelijk weet ik het natuurlijk niet, maar ik heb wel degelijk een idee van de inhoud van zijn woorden.

Hij zal onder meer naar voren brengen, dat de Sovjetstaten nu voldoende blijk hebben gegeven van hun vredelievendheid, zodat zij menen nu ook een gelijke vredelievendheid van het Westen te mogen eisen. Hierop volgen o.a. eisen ten opzichte van Berlijn en enkele opmerkingen over een betere samenwerking bij hulp aan ontwikkelingsgebieden. De Sovjetstaten zijn volledig bereid een dergelijke samenwerking tot stand te brengen, zolang de imperialistische tendensen van enkele grotere staten bij deze hulp geen overwegende rol spelen. Daarna krijgen enkele staatslieden een indirecte veeg uit de pan. Hieronder zullen ook verwijten zijn aan enkele Sovjet staatshoofden. Dezen wordt verweten, dat zij naar geweld streven en niet werkelijk de revolutie dienen. De werkelijke revolutie kan alleen worden gediend door het vredelievend overtreffen van de kapitalistische staten enz. enz. Dit tussen haakjes. In krant en radio zult u waarschijnlijk vooral te horen krijgen, dat Mao een veeg uit de pan heeft gekregen. Verder volgen enkele reacties op wat omtrent Berlijn werd gezegd. Deze laatste kwestie kan heel wat stof op doen waaien. Laat ons echter tot het onderwerp zelf terugkeren.

Wanneer u zich bezig houdt met de internationale ontwikkelingen en spanningen zult u zien, dat er steeds weer onverwachte dingen gebeuren. Men zal zich dan afvragen, waarom Chroesjtsjov het juist zo heeft gezegd en gedaan, want dat lijkt niet redelijk. En men vraagt zich af, waarom mister K. niet zus, maar zo reageerde. Waarom spelen Engeland en de Gaulle opeens samen?

Dergelijke dingen gebeuren en men vraagt zich af, hoe dit nu mogelijk is. Wie zich echter hierover zorgen maakt en daaraan veel van zijn tijd besteedt, zal er onder lijden. Want dan roest men eens te meer vast in zijn hunkeringen naar een veilig materialistisch zeker geheel.

Men zal dan geen deel kunnen uit maken of zelfs maar rekening kunnen houden met de oppositiepartij, die op de wereld werkzaam is, de geestelijk werkende groep, die zovele goedgemaakte plannetjes overhoop gooit en zovele zorgvuldig gemaakte berekeningen doet mislukken.

Het nadeel van het materialisme is in deze dagen vooral de redelijkheid, die tot afgod is geworden. Daarom is men niet meer tevreden met een plan, dat slechts een deel van een taak omvat.

Men wil alles vooruit weten en berekenen wat men volbrengen moet. De materialist eist plannen die hem althans schijnbaar 100% of minstens 90% zekerheid geven. Nu eist men dus meer, dan één Napoleon. Deze pleegde te zeggen, dat een veldslag gewonnen was, wanneer er tot en met 3/4 onder een redelijk plan viel. In de praktijk worden echter veldslagen gewonnen met heel wat minder overleg en zekerheid. De mensen, die geestelijk werken en streven op deze wereld, de opposanten van deze tijd, zoeken niet allereerst naar een plan. Zij kennen geen systeem en hebben maar weinig berekeningen nodig. Voor hen is het belangrijkste: het voortdurend uiten van de kracht, die in je leeft, het voortdurend instellen van het ik op de hogere geestelijke waarden, die het ik kunnen bereiken en een bewust, of onbewust, vormen van banden met zoveel mogelijk mensen, om daaruit een grotere invloed op het geheel tot stand te kunnen brengen.

Men mediteert niet volgens bepaalde systemen en zendt zijn gedachten niet alleen uit aan de hand van een te voren vastgestelde orde. Men zegt eenvoudig: “Ik, mens, ik zet mij neer, mediteer, of wacht alleen maar af, of er in mij ergens een gedachte of beeld ontstaat. Ik vraag mij niet af, of anderen dit nu wel doen en zo ja, op welke wijze. Ik voor mij erken dit als juist, daarom doe ik dit.” In dit ik is dan ergens een antwoord, ontstaat ergens een kracht. Dit is geen redelijke kracht, maar het gevolg van een zich instellen op de kosmos zonder eisen te stellen of maatregelen te eisen. Een deel hebben aan de vernieuwing vergt van de mensen een zich instellen op de Goddelijke Kracht, een niet alleen aan zichzelf denken en het erkennen van Goddelijke werkingen binnen het kader van de gemeenschap. Misschien meent u, dat er op aarde niet veel mensen zullen zijn, die zo denken en leven. Dit zou u dan waarschijnlijk erg meevallen. In steeds toenemende mate zijn er mensen op de aarde, die – gezien vanuit een materialistisch redelijk standpunt – kind blijven.

Blijft de kinderlijkheid behouden, maar streeft men alleen in de materie, dan brengt men de wereld grotere chaos. Dergelijke mensen zijn als sommige jonge mensen, die iemand aframmelen, alleen omdat dit past in het spelletje, dat zij spelen, en ruiten ingooien, omdat zij het gerinkel van brekend glas nu eenmaal aardig vinden. Wanneer de kinderlijkheid aldus stoffelijk geuit wordt, werkt zij chaotisch en zij verstoort de openbare orde. Wanneer dezelfde mens met dezelfde kinderlijke inslag echter naar het Hogere durft reiken, blijkt hij iemand te zijn, die klaar is voor het ontvangen van inwijdingen, zo deel hebbende aan hogere krachten en intensere waarden van leven. Want dan zal men de praktijk van eigen leven niet meer alleen op eigen genoegens baseren, maar innerlijke mystieke beleving tot uiting gaan brengen ten voordele en nooit ten nadele van anderen. Mensen, die naar een nieuwe innerlijke weg, een nieuwe inhoud in het leven zoeken en toch daarbij kinderlijk zijn, zijn er gelukkig al vele op aarde. Vandaar dat ik aan het begin van dit deel van mijn betoog stelde: “Indien gij niet wordt zoals deze kinderen zult gij niet ingaan tot het Koninkrijk der Hemelen”.

Dit is dus de kern van de vernieuwing: het kinderlijk aanvaarden, het kinderlijke vertrouwen, het kinderlijke geloof en het kinderlijk als normaal aanvaarden van wat men van Hoogste Krachten ondergaat, om na de beleving rustig voort te gaan met zijn werken of spelen, zoals dus een kind een ogenblik diep na kan denken, om onmiddellijk daarna weer voort te gaan met zijn spel. De vlotheid, de vloeibaarheid waarmede verschillende waarden in het persoonlijk leven zich mengen, de eenvoudige wijze, waarop de innerlijke kracht wordt aanvaard, zijn de waarden, die voor de geestelijke oppositie op het ogenblik van het grootste gewicht zijn.

Helaas is het juist hierdoor niet mogelijk algemeen geldende voorschriften te geven, waardoor de naar vernieuwing hunkerende mens zal weten: zo zult u werken, leven, handelen, streven.

Op het ogenblik dat men hiertoe overgaat, bindt men onwillekeurig dit geestelijk leven weer in een dogmatische band en ketent men de mens weer sterker aan de starheid van materie en rede. Men kan in ieder geval wel stellen, dat de mens moet beseffen, dat de waarden, die in hem leven, geuit kunnen worden, terwijl mogelijke banden die hier stoffelijk uit voort zouden komen, in wezen geestelijk zijn. Het innerlijk ontwaken, de innerlijke band met het Goddelijke is geen menselijk redelijk iets, geen wonder en geen wijsheid, maar alleen een betere integratie van het ik in het kosmische geheel.

Daarnaast dient men te beseffen, dat elke mens, die dit – al is het maar voor een kort ogenblik – ondergaat, zich bij de vernieuwers heeft gevoegd, tot hij terugkeert tot zijn z.g. redelijk denken en handelen. Men hoort dan bij de rebellen, zeker. Maar dit zijn geen anarchisten, die geheel de wereld omver wensen te werpen, maar slechts mensen die, met behoud van het bestaande, zover dit maar mogelijk is, de betekenis van het bestaande willen gaan wijzigen. Wanneer namelijk de betekenis van het menselijk beleven zich gaat wijzigen, zal daarmede tevens de werkelijke betekenis van alle aards gebeuren zich wijzigen.

Aan het begin van mijn rede maakte ik enkele opmerkingen over de kou. Daarbij merkte ik ook op, dat er nu bommen vallen boven Nederland, die leven brengen in plaats van dood en verderf.

De mensheid van dit ogenblik beschikt over zeer grote materiële mogelijkheden en middelen. Denk hierbij aan atoomkracht, raketten, de nieuwe ontdekkingen op het gebied van radio en magnetisme, het bruikbaar maken van zonnekracht. U zult dan met mij eens zijn, dat de mensheid van heden inderdaad over haast onmetelijke mogelijkheden beschikt. In het geval van de vogels blijkt nu iets vreemds. Het zijn niet in de eerste plaats de vogels zelf, waarom men helpt. Aan hun nut wordt heus niet zoveel gedacht. De hoofdreden blijkt een zekere sentimentaliteit te zijn, een besef van de hulpeloosheid van deze wezens, een erkennen, dat zij op “ons terrein” zijn. Daaruit vooral volgt het besluit, ze met alle mogelijke middelen te helpen.

Door dit sentiment worden procedures, die normalerwijze dood betekenen, nu bronnen van leven. Dit zal op alle gebieden mogelijk zijn, wanneer het gevoel bij de mensen sterker spreekt dan de rede, wanneer de mens zich van de hulpeloosheid van zijn medeschepselen meer bewust gaat worden dan van zijn eigen belangrijkheid. Deze instelling is in deze dagen meer dan ooit noodzakelijk. Er is grote behoefte aan mensen, die in staat zijn voor hun gevoel alle redelijkheid opzij te zetten. Zij zullen dan immers hun gevoel en daarmede ook de innerlijke stem, de kracht die in hen leeft en werkt, laten spreken. Zij zullen verder alle middelen, waarover zij beschikken zeker willen gebruiken, om dit innerlijk als juist erkende ook te verwerkelijken. Dit lijkt misschien kinderlijk. Wanneer men aan de kosten en moeiten alleen denkt is het idioot om vliegtuigen te gebruiken om vogels te gaan voeren. Nu is dit alles zeker niet volmaakt. Er is nog veel gemakzucht en voorbehoud bij deze dingen in het spel.

Toch is reeds nu haast een ieder trots en dankbaar voor alles, wat er gepresteerd wordt in deze zin – hoe onredelijk het misschien dan ook moge zijn vanuit een zuiver zakelijk standpunt.

Daarom kunnen wij stellen: de middelen waarover de mens beschikt zijn er in feite om hem de mogelijkheid te geven zijn gevoelens en inzichten te uiten. Verandert het innerlijk leven van de mens, al is het nog zo weinig, dan zal daarmede tevens de betekenis van alle middelen, waarover hij kan beschikken, zich wijzigen. Er zijn reeds veel mensen, die improviseren en afgaan op hun innerlijke stem, hun innerlijk weten en putten uit hun innerlijke kracht. Soms is dit nog ireëel en dwaas, zoals een kind, dat van een stoel een paard maakt en dan verre reizen doet – in zijn dromen.

Vele mensen dromen nu nog. Maar wanneer hun gevoelswereld zich verder ontwikkelt, is het waarschijnlijk, dat zij steeds meer geneigd zullen zijn dingen, die het verleden maakte om er dood en verderf mee te zaaien, te gebruiken om er iets goeds mee te doen. Dit betekent nog niet, dat men zal beginnen zwaarden in ploegen om te smeden. Maar het betekent wel, dat steeds meer zwaarden – zij het tijdelijk – gebruikt zullen worden om te ploegen. Dit laatste is o.i. zeker en wordt door ons gezien als een begin van de grote ommekeer, een begin van de nieuwe geestelijke ontwikkeling van de mensheid. Daarmede heb ik dan mijn eigenlijke onderwerp, naar ik meen, wel afgerond. Tot mijn spijt betekent dit niet, dat ik nu ook meteen uitgepraat ben.

Wanneer men in zich de spontaniteit bezit, die voortvloeit uit de geesteshouding, die wij bespraken, een spontaniteit, die het mogelijk maakt te stellen: “de gedachte, die nu in mij opkomt, is een gedachte, die uit God kan komen, ik neem dit aan en vraag niet verder…”, zal men veel bereiken. Men zal de opkomende inspiraties niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk en meditatief verwerken. Zo zal dit alles in mij niet alleen een ervaring worden, maar ook een begrip. Komt men zover, dan heeft men iets groots gedaan. Om te behoren tot degenen, die deze wereld kunnen helpen, die iets kunnen doen, moet je spontaan reageren op alles, wat er in je leeft, zonder het eerst uit elkaar te rafelen in in vakjes onder te brengen. Verwerk de inspiratie, die in je leeft en draag deze gelijktijdig uit.

Soms zullen wij opeens voelen: “Mijn God, wat zijn sommige mensen geestelijk arm. Waarom is er geen contact tussen hen en de wereld?” Probeer dan dit contact te brengen, en vraag niet wat anderen daar nu wel van zullen zeggen, of wat het zal kosten. Misschien is het niet zo eenvoudig, dit materieel te doen. Maar dan kun je nog in jezelf werken. Stel je open voor de kracht die rond je is. Wees stil, zwijg en luister, zo aandachtig als een kind, dat zich zwijgend verbergt in een hoekje, in de hoop, dat er dan een verhaal verteld wordt. Laat de inspiratie, de geestelijke kracht in u gestalte krijgen, zonder daaraan allereerst uw eigen normen op te leggen. Vraag van dit alles ook niets voor jezelf, maar stel: alle kracht, alle inzicht, die ik nu verwerf zijn alleen voor die mens, die geen contact met de wereld weet te vinden. Dan vindt men de kracht, om ergens die mens te bereiken, een mens in zijn hopeloosheid wat Licht, wat moed, wat begrip te geven.

Op het ogenblik dat men leert zo te zijn en zo te werken, begint er een vreemde reeks van stromingen en werkingen. Dan heb je uitgegrepen naar de krachten van de geest, maar ook naar de gemeenschap van hen, die op uw eigen wereld op gelijke wijze werkzaam zijn. Dan krijgt u contact met de revolutionairen van deze tijd, die geen leuzen kennen, maar zich laten bezielen door het Goddelijke Zelf, niet vragend wat een ander of een bepaalde leraar daarvan zegt, maar alleen nog maar vragen: “Wat leeft er in mij? Waar is God? Waar is het vertrouwen, dat in mij leeft? Hoe kan ik dit alles ervaren en ook voor anderen tot werkelijkheid maken?” Zo iemand kan niet met zekerheid zeggen, dat hem nu alles zal gelukken. Misschien zal de geest hem helpen, misschien ook niet. Wel zal hij weten, wat hij zal moeten doen voor het welzijn van allen. Daarom zal een mens die de krachten van de nieuwe tijd in zich heeft erkend, altijd persoonlijk en voor zich handelen, zonder enig voorbehoud.

Voor alles zal zo iemand de krachten van deze tijd en de krachten, die in hem bestaan, verwerken zonder ook maar ooit te denken aan regels, vakjes, logica en indelingen. Er zal misschien weinig verband zijn tussen het innerlijk erkende en bepaalde stellingen of geloofswaarden, zoals die op aarde de mens worden voorgehouden. Maar deze innerlijke werkingen en krachten zal men werkelijk beleven.

De wereld van heden, met al zijn verwarringen, heeft behoefte aan mensen, die vanuit het Hogere kunnen leven en denken, soms zelfs eigen gedachten stilzettende om het Hogere juister te kunnen ondergaan. De wereld van heden heeft behoefte aan mensen, die op de een of andere manier in staat zijn te werken, met een kinderlijk vertrouwen door een klein magisch ritueel, een gebed, of door desnoods een aftelrijmpje te herhalen, omdat zij weten, dat daaruit eens iets geboren zal worden. De mensheid heeft behoefte aan mensen, die kinderlijk zijn. Zo kinderlijk als een kind, dat met regen gaat slapen en kinderlijk herhaalt: “morgen zal het ander weer zijn, want morgen gaan wij naar Artis”. Er is behoefte aan mensen, die kunnen zeggen: “de wereld mag nu wel dreigend en vol spanningen zijn, maar ik weet, dat er een nieuwe tijd en een nieuw taak zal komen”. “Hoogste krachten Gods, Meesters uit de geest, help mij, opdat er Licht kome”.

Om dan rustig verder te gaan in de zekerheid, dat alles goed zal zijn, zoals een kind, dat zijn bezwerende beweringen spreekt en dan gaat slapen in de zekerheid, dat het morgen werkelijk mooi weer zal zijn. Want alleen wanneer er voldoende mensen zijn, die vertrouwen hebben in het goede in mens en geest, die vertrouwen op de inwerking van hoogste krachten, kan inderdaad op aarde veel geschieden. Alleen dan kan men er zeker van zijn, dat het morgen mooi weer is.

Materialistisch is dit waanzin. Toch is dit vertrouwen, gepaard gaande met een handelen volgens innerlijk inzicht en weten, de enige mogelijkheid om alles op deze wereld vlot en goed weer op poten te zetten. Het is de enige mogelijkheid voor de mensheid, om waarlijk deel te worden van een groter kosmisch geheel en niet voorgoed te blijven steken in een toenemend wantrouwen en een voorzichtigheid, waardoor men op den duur geen uitweg meer kan vinden. Nu weet ik wel, dat bij dit alles nog bepaalde geheimen te pas komen. Maar deze geheimen worden ook in de mens geboren. Er zijn voorbeelden te geven van kinderen, die geheimen van voortbestaan en incarnatie wisten, die voor volwassenen onvatbaar zijn en waarnaar zelfs de gelovigen nog speuren.

Een voorbeeld is misschien wel een kleine jongen, die op 2-jarige leeftijd zijn ouders vertelde, dat hij niet hun zoon, maar iemand anders was. Dit kind verstrekte gegevens over degene die hij geweest was. Onder meer bleek het kind het adres – in een andere stad – juist te noemen, de datum en oorzaak van overlijden te weten van degene, die het vroeger geweest was en zelfs te weten, welke schulden en vorderingen de overledene had nagelaten. Daaronder waren er enkelen, waarvan de erfgenamen niets hadden geweten. Alles bleek echter geheel juist te zijn.

Dit kind vertelde verder van een wereld, waarin het enkele jaren had doorgebracht. Nu is dit laatste betrekkelijk kinderlijk weergegeven. Maar waar alle andere punten van de verklaring blijken te kloppen, mag men ook deze verklaringen toch wel voor redelijk waar aannemen. Dan is dit kind wijzer dan menige wijsgeer en kent het geheimen, die, naar men meent, reeds lang teloor zijn gegaan. Toch probeert dit kind niet tegelijk twee personen te zijn – de overgegane volwassene en het jonge kind – maar leeft rustig als kind verder en is zichzelf. Het enig opvallende is het feit, dat dit kind gebruik maakt van kennis, die het klaarblijkelijk in zijn vorige leven verworven heeft, wanneer dit te pas komt.

Ik kan u meer dergelijke voorbeelden opsommen. Naar ik meen, heeft men in Engeland meerdere van deze gevallen genoteerd en onderzocht. Men kan dit alles wat mij betreft zelfs afdoen met een verwijzen naar de kinderlijke fantasie enz. Volgens mij is het belangrijke van dit voorbeeld, dat een kind dergelijke gaven bezit en een kennis blijkt te bezitten, die het, zover bekend, op geen enkele redelijke wijze verworven zou kunnen hebben. Ik meen, dat het kind deze kennis en gave zal behouden, tot het dit alles niet meer kan aanvaarden. Dan zal het redelijk proberen te zijn en de innerlijke kennis niet meer kunnen aanvaarden, waardoor het zichzelf afsluit van de mogelijkheden, die het nu dankzij een vorig bestaan – zo u wilt: dankzij zijn kinderlijke fantasie – bezit.

Dit is misschien wel het grootste bezwaar voor de mensen van heden: het is allemaal immers zo onwaarschijnlijk. Het is nergens vastgelegd. Het lijkt zo onwaarschijnlijk, dat je zonder enig systeem en zonder berekeningen vaak méér goeds bereikt, dan met de beste plannen en de grootste stoffelijke kennis. Wanneer men echter zover komt, dat men alleen de resultaten beziet en niet de behoefte heeft naar een redelijk uitleg te vragen, zal men kunnen luisteren naar de Hoogste Kracht en daaruit werkelijk kunnen putten. Dan zal men werkelijk kunnen antwoorden op de invloeden en krachten, die de mensheid bereiken. Zulke mensen bestaan er al op aarde.

Er zijn reeds mensen, die de band met het hogere, met de goddelijke democratie, met de tijdloze werelden, in zich kunnen dragen zonder deze te verliezen. Zij vormen – zover zij nog niet vol bewust zijn – de aanvulling van het netwerk van ingewijden, dat rond de wereld is gesloten. Wij in de geest, wachten steeds weer met spanning af of zij, die deze mogelijkheden daartoe in zich dragen, zullen ontwaken. Want de revolutie, waarover ik sprak, is onvermijdelijk.

Maar zij zal voor de mensheid eerst dan vlug en goed verlopen, wanneer er voldoende wetende kunnen ingrijpen. De ingewijden, de geestelijke krachten, die nu werkzaam zijn, zullen alleen kunnen helpen en ingrijpen, wanneer zij bij de mensen een antwoord vinden. Want degenen die bewust worden van hun mogelijkheden in de stof, vormen de groep, die anderen tegen hun inzicht en schijn weten in, voor een ogenblik mee kan slepen in de goede richting, wanneer daarvan voor de mensheid bijzonder veel afhangt.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

  • Innerlijke waarden.

Wij zullen nu trachten gezamenlijk bepaalde innerlijke waarden nader te bezien.

Wanneer de mens beseft, dat zijn lichaam slechts de woning is van de kracht, waaruit hij werkelijk leeft, en beseft, dat zijn werkelijk lot, wezen en weten in die kracht, maar niet in het lichaam, gebonden is, zo vindt hij de eerste weg tot de vrijheid.

“Wie slechts ziet naar het uiterlijk en het innerlijk vergeet, verloochent de banden met het verleden, de plichten van het heden en doodt de mogelijkheden van morgen.”

Deze wijsheid is niet van mij. Ik meende echter aan de hand van dit citaat u iets duidelijk te kunnen maken. Wij leven in onszelf. Wij zijn verborgen achter ons uiterlijk. Maar ons lichaam beantwoordt niet zonder meer aan de persoon, die wij in wezen zijn. Wij menen soms, dat wij ons stoffelijke ik zijn en meer niet. Maar dan vergeten wij, hoezeer wij in dromen, in gedachten, weten en bewustzijn plegen te verschillen van datgene, wat wij uiterlijk trachten voor te stellen.

Toch zal men met het erkennen van het werkelijke ik moeten beginnen. Wie zijn eigen persoonlijkheid niet kent, kan moeilijk beseffen, welke weg hij of zij op aarde moet gaan.

Wie het lichaam beschouwt als een werktuig, doet daaraan zeker goed. Maar wie een werktuig onoordeelkundig gebruikt, kan daarmee veel vernietigen. Gebruik met de kennis van uw innerlijk wezen daarom uw lichaam als een werktuig, waarmee u alles wat u wenst, kunt bereiken of voorbereiden, en verzorg het, maar gebruik het niet nodeloos. Men zegt, dat er wetten in het leven zijn, waardoor de mens gedwongen wordt, bepaalde dingen wel, anderen niet te doen. Maar deze wetten zijn slechts een product der verbeelding, een fantasie, of een chimère, die werd opgeroepen door hen, die de werkelijkheid niet durfden beseffen. Is niet elk wezen vrij in de kracht van zijn God? Is niet elke mens vrij in de krachten van zijn bewustzijn?

Zo u droomt en deze droom – zij het tijdelijk – voor u waar is, zal er voor uw wezen geen enkel verschil zijn tussen wat waarlijk geschiedt en dat, wat men droomt. Ten hoogste kan men stellen, dat de stoffelijke beleving meer ervaringen brengt, omdat zij stoffelijke gevolgen brengt. De droom brengt vaak minder gemakkelijk kenbare gevolgen. Vraag u nu af, wat beter is: alleen te dromen, of te leven en ervaringen op te doen?

Zo u erkent, dat leven verkieslijk, ja, soms zelfs noodzakelijk is, omdat het beleven een van de belangrijkste punten vormt van het menselijke bestaan en de ware betekenis daarvan vastlegt binnen het ik, zult u zich moeten gaan afvragen, hoe dit beleven dan gericht dient te zijn. U kunt immers niet willekeurige belevingen zoeken, zonder enig oordeel en voorbehoud, omdat u zo de stoffelijke ervaringsmogelijkheid beperkt en niet verruimt. Wat u in wezen bent, en vooral dat, wat u worden zult, bepaalt u nu. Maar wanneer men zich steeds in een cirkel blijft bewegen, zonder na te denken over de weg en de volgende schreden, is het niet mogelijk snel voorwaarts te komen. Menigeen zal zelfs helemaal niet verder kunnen komen, omdat hij niet in staat blijkt te zijn, zijn ervaringen aan de hand van zijn werkelijke ik en zijn werkelijke doel in het leven te kiezen.

Naar ik meen, mogen wij hierbij dan ook wel enkele zeer algemene wetten en regels stellen.

  1.  De grote kracht van het ik en het meest juist erkenbare deel van de goddelijke persoonlijkheid, is het doel, waarmede deze persoonlijkheid op aarde leeft, of in een sfeer. Dit doel zal immers altijd bepaald worden door haar bewustzijn. Wanneer ik volgens mijn eigen bewustzijn het meest juiste doel kies en dit vervul, zo zal mijn leven juist gericht zijn en zullen alle ervaringen van dit leven een verrijking van het ware ik betekenen. Mijn bewustwording zal dan een verrijking in sfeer en kracht inhouden.
  2. De wet, die mij regeert, is de wet van oorzaak en gevolg. Zolang ik de oorzaak erken, zal ik ook een gevolg niet kunnen ontgaan; daarbij zullen vele oorzaken onbewust of ongewild worden geschapen. Indien ik een niet bewuste oorzaak toch blijf erkennen als oorzakelijk – niet in staat zijnde, mij van de latere realisatie los te maken – zal ik de gevolgen moeten aanvaarden. Een bestrijden van het gevolg heeft geen zin. Oorzaak en gevolg kunnen eerst dan van elkaar gescheiden worden, wanneer ik in mijn totale bewustzijn weiger een oorzaak als zodanig te erkennen en dus ook geen gevolgen verwacht, in beiden geen persoonlijk deel hebbend aan de schepping, maar slechts een uiting van de Hoogste Kracht ziende. Deze zeer filosofisch – misschien zelfs sofistisch – klinkende woorden, hebben een zeer werkelijke achtergrond. Zolang men slechts de goddelijke kracht – God, Brahma, of wat u wilt – die in het ik leeft, tot uiting brengt, kunnen er geen gevolgen zijn, die het ik blijvend beroeren, en zo het werkelijke proces van bewustwording en remming van bewustwording kunnen betreffen.

Dan zijn er voor ons slechts werkingen, die uit het Goddelijke zelf voortkomen. Anders niets. Het bewustzijn, dat wordt vergaard op deze wijze, is eveneens niet persoonlijk, maar een deel van het Goddelijke bewustzijn, dat aanvaard kan worden, ofschoon men daartoe niet zonder meer verplicht is, zoals bij een persoonlijke ervaring zonder meer.

Slechts wie voor zichzelf leeft en streeft, vindt echter een persoonlijke bewustwording. Slechts hij, die leert zijn gehele bewustzijn uiteindelijk te beschouwen als een deel van het grote geheel zal echter de lotsketen kunnen doorbreken en aan de werkingen van oorzaak en gevolg in het persoonlijk bestaan kunnen ontkomen.

Vandaar de eeuwige kringloop: een mens wordt geboren. Hij leeft en sterft, hij rust en wordt geboren, om weer te leven, te sterven en te rusten. Zo gaat het steeds verder. Want wie niet eerst de werkingen van oorzaak en gevolg erkent, en daarna de suprematie van de hogere krachten die in hem leven, zal altijd voort blijven gaan van sfeer tot sfeer en leven tot leven in een eindeloze rondedans. Daarom is de wet van oorzaak en gevolg voor ons een zo belangrijke wet. Zij tekent ons de noodzaken van het huidige bestaan, maar leert ons tevens het doel beseffen, dat wij ons in leven en werken moeten stellen: het erkennen van de hoogste inwerkingen in ons wezen, om uiteindelijk alleen daaraan nog te beantwoorden, geestelijk zowel als lichamelijk.

Alleen op deze wijze kunnen wij ons uiteindelijk bevrijden uit de cirkelgang, waarin weliswaar bewustzijn vergaard wordt en klimmen kan, maar waarin de grote waarheid van het Zijn niet erkend wordt.

  1. Een volgende wet, die het innerlijke wezen kan regeren, is de wet van evenwicht. Daar waar alle waarden evenwichtig en gelijk zijn, heerst rust. Waar rust heerst, spreekt God, maar is er geen uiting. Ook dit punt is uw aandacht waard. Wanneer wij geheel evenwichtig zijn in het ik, zullen wij ongetwijfeld God kunnen beleven. Maar er is geen uiting meer en geen verandering.

Wij kunnen, wanneer wij mens zijn – en vaak ook wanneer wij geest zijn – voorlopig niet zonder verandering. Daarom zullen wij er goed aan doen voorlopig te stellen, dat wij de onevenwichtigheden van leven en werken zullen aanvaarden, zowel de veranderingen van wereld en sfeer, als de steeds weer anderen krachten, die ons regeren en beroeren. Steeds weer zullen wij echter trachten, in ons zelf een ogenblik van rust te scheppen, opdat wij dan – evenwichtig zijnde – in ons zelf het Goddelijke mogen erkennen. Wanneer onze onvolmaaktheid ons weer terugstoot in de warreling van de voortdurende veranderingen, zullen wij uit een dergelijk ogenblik voldoende kracht en steun hebben verworven, om ons bewustzijn te verheffen tot een punt, waarin op den duur evenwichtigheid voor ons natuurlijk zal zijn geworden, zodat wij onze God niet meer alleen zullen kunnen erkennen in de met vele moeite aan de warrelingen van de tijd afgedwongen pauzes in ons bestaan.

  1. Het scheppende zal zijn eigenschappen in al het geschapene weerkaatsen. Het geschapene zal niet kunnen bestaan, tenzij het een eigenschap van de Schepper uit en weergeeft. Dit betekent, dat in alle dingen gelijkheid bestaat. Deze kan echter alleen vanuit het Goddelijke geheel beseft worden. Wij zien verschillend en leven verschillend. Indien wij deze verschillen echter leren beschouwen als een eenvoudige noodzaak, zonder welke onze wereld voor ons niet kenbaar zou zijn, zullen wij deze aanvaarden zonder daarop steeds weer de nadruk te leggen.

Onze aandacht zal eerder uitgaan naar de overeenkomsten, de punten van gelijkheid, tussen ons en al het andere. Door deze punten van overeenkomst te beschouwen als een directe uiting van de Schepper, zullen wij een steeds betere samenwerking, een steeds dieper gaande eenheid bereiken met de schepping zowel als met de Schepper. “Wie voor zich tracht enkel het goede te leven en het goede te zien, in zich steeds weer het goddelijke erkennende, heeft het bewustzijn, waardoor men tot evenwichtigheid kan komen en zo de rust, waardoor de Allerhoogste ook binnen hem tot uiting komt.” Daarmede verovert men de snelle weg naar de absolute bereiking. In de leringen en stelling over esoterie enz. treffen wij steeds weer opsommingen van de fasen van streven aan, ofschoon deze slechts onder voorbehoud als juist kunnen worden beschouwd.

Wie erkent, dat de relatie tussen ego en God alleen voor het ik bestaat, maar daarvoor ook volledig waar is, zal men God in zich kunnen leren kennen. Dit betekent dat men het geheim van de Schepper erkent en komt tot een scheppen in zichzelf. Dan weet men, dat men inderdaad aan zijn Schepper gelijk is, van Hem slechts verschillend in oorsprong en vermogen. Daarom zal juist de esotericus zich op een bepaald ogenblik moeten afwenden van te complexe systemen en redeneringen, vooral wanneer deze gebaseerd zijn op het leven, denken en de waarden van anderen. Erken uzelf als deel van de Schepper en de Schepper als de kracht Die u beweegt. Dit is eenvoudig, deze eenvoud voert tot het doel. Overweegt alles, wat ik u heden heb gebracht.