Goddelijke wetten

20 oktober 1957

Sprekende over goddelijke wetten, kosmische krachten, zijn wij tot het bewustzijn gekomen, dat de wetmatigheden in het Al als persoonlijkheidsuiting van God kunnen worden gezien. Wij hebben verder begrepen, dat deze wetten voor ons van buitengewoon groot belang zijn. Onze poging om het geschapene te erkennen als deel van het Goddelijke zal ons dan gaan leiden tot de volgende beschouwing;

Alle dingen, die geschapen zijn, zijn deel Gods. Elk deel Gods draagt in zich de mogelijkheid het totaal van het Goddelijke binnen een deel te doen erkennen. Zoekende naar de waarheid zullen wij echter voortdurend bedreigd worden door de begoocheling. De begoocheling, die ons de uiterlijkheid der dingen doet zien.

Het uiterlijk nu is de onvolledige weergave van de werkelijkheid, die er in schuilt. Hierdoor moet ons gehele streven in de eerste plaats gericht zijn op een aanvaarden van de schijn voor zover noodzakelijk, doch het erkennen van de werkelijke inhoud, waar mogelijk. Zelfs indien wij in staat zijn om de waan geheel te doordringen in haar huidig aspect, blijven ons nog een redelijk aantal versluieringen over.

De filosoof uit het oosten zegt hierover; “Hij, die tot bewustzijn komt in de menselijke wereld, doorbreekt een sluier van maya. Doch zeven maal is zij gesluierd; zeven maal zal hij moeten doordringen in de werkelijkheid, die ligt achter de verschijnselen van zijn wereld.”

De noodzaak om deze versluiering van maya te doorgronden doet in ons de vraag rijzen; Op welke wijze kan men binnen de werkelijkheid, waarin men leeft de werkelijkheid, die voor het ogenblik dus bestaat komen tot een aanvaarden van kosmisch reële waarden en gelijktijdig het overwinnen van de schijn der verschijnselen?

Als eerste punt is hiervoor te noemen; Het doordringen in de werkelijkheid door het bewust worden van het gevoel het beheersen van het gevoel zover nodig, waar het de uiting betreft, doch het integreren van de gevoelswaarde met de redelijke waarde. Hierdoor komt een andere waardering van het gekende tot stand en deze waardering is een benadering der werkelijkheid.

In de tweede plaats; Wij zullen moeten zoeken naar een weg om elke maal weer, wanneer wij iets erkennen, het niet te zien als enkel ding, enkele waarde, enkele persoonlijkheid, doch te zien als een integrerend deel van een groot geheel. De samenhang, die ontstaat, kan worden uitgedrukt als volgt; Voorwerp A maal voorwerp B geeft niet slechts situatie D en verschijnsel E, doch verder de onderlinge waarderingsverandering, waardoor A en B gelijk worden aan bv. Y en Z.

In deze situatie verandert dus naarmate de onderlinge verhouding verandert onze waardering der toestanden, der waarden. De betekenis van gelijke voorwerpen zal onder verschillende situaties geheel anders zijn. Een korst brood te midden van overvloed is waardeloos. Een korst brood temidden van grote armoe de is een kostbaar voedsel. Onze eigen houding en waardering van de korst brood zal variëren met de positie, die wij ten opzichte daarvan innemen. De realisatie hiervan is noodzakelijk willen wij komen tot een ontsluiering der waan.

Zijn wij gekomen tot het punt, waarbij wij de verschillende waarden kunnen erkennen, die als uiting van een grote werkelijkheid in elk voorwerp, elk ding, elke persoonlijkheid besloten kunnen liggen, dan zullen wij altijd weer moeten trachten om ons eigen standpunt dus niet slechts ons eigen wezen te kennen maar ook onze eigen plaats in de wereld. Naarmate de kennis van de plaats in de eigen wereld groter is, zal de realisatie van de eigen toestand in de werkelijke wereld groter worden.

De grote werkelijkheid, die wij allen zoeken en allen nastreven, kan worden gezegd te zijn; de directe inhoud van alle kosmische wetten. De kosmische wet is onveranderlijk en geldt in elke wereld. Zij geldt in elke verschijning, elk verschijnsel en zal als zodanig maya regeren. Het kennen der goddelijke wetten is ons echter niet mogelijk dan aangepast aan onze eigen wereld. Slechts indien wij verschijnselen kunnen waarnemen of belevingen doormaken, die liggen buiten onze normale wereld, zullen wij door toepassing der kosmische wetten op deze verschijnselen en deze waarnemingen kunnen komen tot een begrip van de betekenis, die zij hebben, in andere delen van het Al. Hebben wij dit bereikt, dan is ons bewustzijn uitgebreid en kunnen wij, krachtens dit ervaren van kosmische wetten in een meer correcte interpretatie, komen tot een acute en directe beleving van onmiddellijk alle werelden, die binnen het begrip der wetten zijn gelegen.

In onze godsvoorstellingen is het verder noodzakelijk de nadruk te leggen op het volgende; God, zoals wij Hem zien, is deel van maya, is deel der begoocheling. Buiten alle begoocheling om bestaat inderdaad een goddelijke waarde. Deze waarde is voor ons niet waarneembaar of kenbaar. Wel is het verschijnsel voor ons waarneembaar of kenbaar en zo zal voor elke wereldtoestand, die binnen de kosmische wetten kan bestaan, een aparte vorm van Godheid zich tonen. Deze vormen van Godheid moeten worden gezien als een totale reeks, waarin facet na facet, de werkelijke Persoonlijkheid tot uiting komt. Elk beeld van God is dus een juist beeld. Maar elk beeld van God is onvolledig. Om te komen tot een doorbreken der waan zullen wij alle mogelijke voorstellingen moeten versmelten tot één, en daarin komen tot een juister beeld, een meer aanvaardbare, meer redelijke voorstelling.

Het belangrijkste wapen van de mens in zijn streven naar bewustwording, zijn strijd tegen maya, is de rede. De rede in zichzelf beperkt zijnde geeft ons het middel om tenminste al hetgeen wij beleven onmiddellijk te confronteren met het totaal van onze persoonlijke inhoud.

Verder maakt de rede het ons mogelijk om tot een erkennen te komen van onze eigen krachten. Want een zuiver vergelijk van onze eigen mogelijkheden binnen onze eigen wereld, zal ons te allen tijde in staat stellen om van uit deze wereld door het redelijk erkennen der beperkingen een voorstelling te maken van een grotere wereld. De voorstelling der grotere werelden is in de aller eerste plaats en allerbelangrijkste plaats te zien als een middel tot nadere bewustwording.

Na dit punt beëindigd te hebben moet ik nog een kleine aanvulling geven;

Alle streven, alle werken is in zichzelf nutteloos. Streven en werken kunnen nooit volbracht worden om hun eigen wil. Zouden wij dit blijven doen, dan zullen wij zijn slachtoffers der waan. Want al wat wij bereiken is slechts waan; een verandering, die gelegen is binnen de begoocheling, binnen het gebrek aan bewustzijn ook, waaronder wij lijden.

Om te ontkomen aan deze waan, die onze daden, onze handelingen, onnut, zelfs onredelijk kan maken, zal het noodzakelijk worden voor ons te allen tijde te streven naar een allereerste en directe bewustwording van de inhoud en betekent voor onszelf van elke daad, elke handeling, kortom van al wat wij kunnen verrichten, denken en doen. Hiervan uitgaande wordt het ons dan mogelijk van uit onze persoonlijkheid te leven.

Leven van uit de eigen persoonlijkheid wil zeggen: leven vanuit de enige maatstaf, die men werkelijk kan leren kennen. Hierdoor ontstaat zelfs voor alle begoocheling en waan een vaste meter, een vaste maatstaf, waardoor de verschillende verschijningsvormen geregistreerd kunnen worden. Is dit laatste niet mogelijk, dan heeft het leven voor de bewustwording een betrekkelijk klein nut, waar slechts een bepaalde toestand gerealiseerd wordt, maar nooit een werkelijkheidsbeeld van die toestand in het ik kan ontstaan.

Het is dus noodzakelijk om rede en gevoel tezamen te voegen tot wijsheid, tot inzicht en vanuit dit inzicht zuiver persoonlijk te streven tot God. Dit geldt voor elke handeling, ook voor die handelingen, die volkomen altruïstisch gericht zijn. Want het altruïsme betekent een dienen van de mensheid, maar steeds van uit eigen standpunt,

Vanuit eigen standpunt. Dit belangrijkste van alle punten kan niet voldoende onderstreept worden. Wij leven vanuit ons eigen standpunt. Wij zoeken de waarheid vanuit onze eigen mogelijkheid, ons eigen bewustzijn. Er bestaat voor ons geen andere weg. Indien wij dus willen komen tot grotere bewustwording, zullen wij steeds bij onszelf moeten beginnen.

Het is in de praktijk praktisch onmogelijk jezelf geheel te kennen en alle verborgen driften en drijfveren, die in het bewustzijn schuilen, te registreren. Echter is het wel mogelijk uit de totale levenservaring voortdurend de elementen te vinden, die terugkeren bij elke beleving; de gedachten, die steeds weer het geheel beheersen. Deze gedachten, deze drijfveren, mogen worden gezien als integrerend deel van de eigen persoonlijkheid, niet slechts stoffelijk, maar ook geestelijk, omdat de geest door haar keuze van lichaam een dergelijke drijfveer voor zichzelf heeft begeerd, althans heeft geaccepteerd.

Uit deze zelfkennis wordt een beeld van de wereld duidelijk opgebouwd. Want onze hoofdgedachte, onze drijvende tendens in het eigen leven, zal voortdurend elke beoordeling van de wereld, elke beoordeling van anderen beïnvloeden. Het beeld, dat wij zien, is eenzijdig gekleurd door onze persoonlijkheid en dit wetende kunnen wij dus aanvullen, wat in ons eigen beleven niet onmiddellijk tot uiting komt, Het hierdoor verworven beeld zal ongetwijfeld meer van de waarheid omvatten, dan een normaal beeld.

Dit beeld toegepast als “test” voor elk kennen van de goddelijke wetten, doet ons duidelijker zien, hoe deze werkzaam zijn op aarde. Zo onthullen zij ons het werkelijke wezen van de wereld, waarin wij leven. Ditzelfde kan geacht worden te gelden voor alle sferen, waarin men leeft binnen een vorm.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

BEGOOCHELING.

Wat lijkt de wereld klein. Wanneer je hoort, hoe vlak bij andere wereld delen liggen, hoe kort de tijd is, die je nodig hebt om heel de wereld te omvamen, dan is ze klein. Als je uitgaat in het land, je wandelt voort dag na dag, dan is de wereld onmetelijk groot. Wanneer je opkijkt naar de hemel, hij lijkt je onbereikbaar; en de verre lichten, zij zijn iets, dat nooit en te nimmer binnen het menselijk gezichtsvermogen zich zal openbaren in ware vorm.

Als je geest bent en je ziet de dansende zielen, die als vlammen aan de hemel staan, je kent ze van nabij, je kent hun namen en wezen, is de wereld dan groot of klein? Is het Al groot of klein? Het is al begoocheling.

Slechts één ding is waar; Er is een God. Een God, Die in ons leeft. Een God, Die ons kracht geeft. Slechts één ding is waar: Wij zijn deel van God en daardoor deel van al het geschapene.

De vormen, die we zien, de daden, die we stellen, al wat wij menen te begrijpen, menen te kunnen doen, mag begoocheling heten, maar achter de begoocheling ligt de waarheid. Want ons onbegrip van God, ons onbegrip van de schepping, van onszelf, zal ons andere beelden doen zien, dan de werkelijkheid schept, maar er is een werkelijkheid. Wanneer wij steeds weer zoeken naar die werkelijkheid, zal ze voor ons geopenbaard worden.

Wanneer het weten, het bewustzijn is gewonnen, is de begoocheling teniet gedaan. Dan gaat het spel van vormen en veranderingen nog wel voort, dan is ons leven nog gevuld met vele daden van klein of groot belang, maar we weten, wat er achter schuilt; Gods waarheid, Gods werkelijkheid. En daarin vinden we dan de werkelijke openbaring.

Vrienden, niets is begoocheling in zijn wezen, maar al wordt ons begoocheling door onze eigen aanvaarding ervan. Daarom kunnen wij zeggen, dat alle begoocheling sterft in ons, naarmate wijzelf meer waar worden. Hoe groter de waarheid, die in ons als een licht opkomt en hoe groter onze aanvaarding van de werkelijkheid zonder het masker der schijn en der zelfbegoocheling, hoe zuiverder onze wereld, hoe kenbaarder onze God, hoe zinrijker het leven.

Wij kunnen niet zeggen; “Dit is begoocheling, en dit zullen wij bestrijden,” want wij weten niet. Wij weten niet, wat de begoocheling uitmaakt en wat de werkelijkheid is. Maar indien wij ernaar streven om zelf waar te zijn, eerlijk en oprecht, dan zal ook de waarheid van al hetgeen rond ons bestaat zich steeds sterker openbaren. En als gevolg daarvan zal voor ons de ware wereld openbloeien en de begoocheling teniet zijn gedaan.

Ik wil deze bijeenkomst beëindigen met de hoop uit te spreken, dat wij allen hier in geest en stof aanwezig in staat zullen zijn waar te zijn tegenover onszelf. Onszelf niet te begoochelen met problemen en vragen, die weinig ter zake doen. Onszelf niet te verblinden met beelden omtrent onszelf, die we niet met de daad kunnen of durven bewijzen. Slechts zo, wáár in onszelf, kunnen wij de werkelijkheid vinden. En zo we de werkelijkheid vinden, hebben wij de grootste schrede gedaan op het pad naar de volmaaktheid. Want wie de waarheid kent, kent God. Wie God kent, zal de eenheid met God kunnen aanvaarden.