Goddelijke wetten

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Bij ons zoeken naar een aanschouwen en kennen van God hebben wij vele wegen betreden. Langs elke weg hebben wij God en het Goddelijke kunnen aanvaarden. Echter hebben wij reeds meermalen erop moeten wijzen dat het noodzakelijk is dat wij voor ons wezen (een beperkt deel van het Goddelijke dat wij kunnen realiseren) ook een werkelijkheid vinden.

Ik heb u erop gewezen dat men God kan vinden in de natuur, in de gedachte, kortom, in elke levensfunctie, in elke uiting in de schepping. Er is echter een punt, dat wij nog te weinig hebben behan­deld. En als laatste lezing in deze serie vind ik het dan ook noodza­kelijk uw aandacht te vestigen op de goddelijke wetten.

Over de goddelijke wetten is zeer veel te zeggen. Het korte bestek, waarbinnen ik gedwongen ben deze avond te blijven, brengt met zich mee dat ik ze vluchtig en terloops zal moeten aanstippen.

Allereerst dienen we echter de goddelijke wet nader te omschrijven. Volgens onze definitie is een goddelijke wet een wetmatigheid die optreedt in elke wereld, in elke ruimte en elke tijd; volledig onveranderlijk, begrenzende het “zijn” binnen zijn uitersten, onmogelijkheden scheppend voor eenieder die deze wet zou willen misachten. De goddelijke wet is dus een ons opgelegde dwingende waarde, waaraan wij niet kunnen ontkomen en die met ons ook de gehele schepping gelijk beheerst.

De eerste wet die zeer veel wordt genoemd en waarover dan ook veel wordt gesproken, is de wet van oorzaak en gevolg. De eindeloze keten van gevolgen, die elk op zich weer een oorzaak zijn, wordt soms gebruikt als een argument voor de voorbestemming; het voorbeschikt zijn van het gehele leven, het volledig vastliggen van alle toekomstige gebeurtenissen en ontwikkelingen. Naar ik meen, kunnen wij dit niet aanvaarden, want elk gevolg wordt eerst tot oorzaak door onze aanvaarding en beleving daarvan. En elke beleving en aanvaarding maakt het ons mogelijk op verschillende wijzen te reageren. Zolang er sprake is van een keuzemogelijkheid mogen wij niet spreken van een voorbestemming. Toch zal anderzijds ons bestaan ‑ en dus ook de mogelijkheid van vrije wilsuiting en keuze ‑ aanmerkelijk worden beperkt door oorzaak en gevolg. Want datgene wat wij zijn, bepaalt wat wij worden, ook indien er meer mogelijkheden zijn en één daarvan slechts in ons bewustzijn wordt gerealiseerd.

Het is onmogelijk een oorzaak te scheppen zonder de gevolgen daarvan te ondergaan. Het is onmogelijk een gevolg te beleven, zonder dat dit een verandering in de eigen persoonlijkheid en in de omgeving eventueel teweegbrengt, waardoor het oorzakelijk wordt voor een verdere ontwikkeling. Er is niets en niemand in de gehele schepping die zich aan dit proces kan onttrekken.

De tweede wet noemen we wel de wet van de gelijkblijvende velden. Ongetwijfeld bij sommigen van u reeds bekend. Er bestaan vele krachten in het Al, zegt deze wet. Elk van deze krachten kan zich t.o.v. de andere krachten verplaatsen. Maar elke kracht blijft in zichzelf volledig gelijk. Vertaald in eenvoudige woorden betekent dit: Uit het Goddelijke zijn op het ogenblik van de uiting verschillende krachten ontstaan. Deze krachten, deel van één Wezen, doen zich aan ons voor als onafhankelijke zijnsfactoren. Deze factoren wisselen t.o.v. elkaar van plaats. En als wij ‑ a.h.w. tussen deze velden gevangen ‑ leven, dan zal ons beleven door die velden sterk worden beïnvloed. Op het ogenblik dat wij ons met één van deze velden geheel kunnen vereenzelvigen, blijven we gelijk, is er geen vooruitgang, geen verdere bewustwording, maar ook geen terugval tot een vorig peil. Men zou kunnen zeggen dat de wet van de gelijkblijvende velden betekent; de uitschakeling van alle tijdservaren en van alle ruimtelijke ervaren met als resultaat een Nirwana‑toestand, die ‑ zonder volledige erkenning van God ‑ het individu hetzij voorgoed, hetzij voor kortere tijd in het Al tot een medelevende factor maakt, die echter zelf niet meer ervaart of bewust leeft.

De wet van evenwicht toont ons dat geen enkele kracht zichzelf eenzijdig kan ontwikkelen. Dit is begrijpelijk, indien wij ons realiseren dat het Goddelijke nooit eenzijdig kan zijn, maar te allen tijde moet zijn volmaakt en dus harmonisch, evenredig en ‑ vanuit ons standpunt althans – alomvattend. Elke kracht nu, die binnen het Goddelijke tot uiting komt, is deel van het Goddelijk Zijn en van de Goddelijke Kracht. Als er dus een kracht ten goede ontstaat, moet dezelfde kracht ook ten kwade ontstaan. Dit is echter binnen het totaal van de schepping. Voor ons persoonlijk kun­nen wij deze wet iets anders uitdrukken. In ons beleven betekent het nl. dat elke ervaring ten goede voor ons een potentie ten kwade betekent. Hoe beter men leeft, hoe slechter men zou kunnen zijn.

Ook deelt deze wet ons mee dat er nooit iets kan worden geboren, zonder dat iets anders tenietgaat. Dit wordt het sterkst uitgedrukt in het leven van de stofmens. Op het ogenblik dat hij stoffelijk ten ondergaat (sterft), ontplooit zich juist zijn geestelijk bewustzijn. Omgekeerd, de geest die in de stof terugkeert, zal grotendeels of geheel haar geestelijke capaciteiten verliezen en daarvoor in de plaats een gebondenheid krijgen in het reële bestaan van de materie. Dit is een wisseling.

De stof heeft echter in zich voortdurend de potentie van verdeeldheid en vormloosheid, terwijl de geest altijd in zich de potentie draagt van de volledige geestelijke bewustwording die het “vormloos bewustzijn” betekent. Beide waarden zijn altijd aanwezig.

Ten aanzien van de wet van evenwicht lijkt het mij belangrijk de volgende noot nog toe te voegen:

Wij allen dienen te leven op een evenwichtige wijze. Wij kunnen nooit geheel onevenwichtig zijn. Wij zullen altijd in ons wezen een compensatie zoeken voor elke onevenwichtigheid die schijnbaar of reëel optreedt. Ons leven is vanuit ons standpunt altijd een gesloten geheel en daarin bestaan geen gapingen. Indien we echter willen streven naar de hoogst mogelijke bewustwording, zullen wij dienen te zoeken naar een harmonie, die evenwichtig geest en stof gelijk hun deel geeft en daardoor het Goddelijke meer benadert in de evenwichtigheid die het kenteken is van de goddelijke harmonie waaruit het Al wordt geboren.

Dan kennen we verder de wet die ons zegt: “Alle bewustzijn is gebaseerd op een waan, die uit de waarheid geboren wordt.” Wij zouden deze de wet der waarheden kunnen noemen.

Deze wet zal de meesten van u in deze vorm niet bekend zijn. Ze is echter terug te vinden in de boeddhistische leerstellingen, in bepaalde theorieën van de theosofie en zelfs in vele bespiegelingen van de christelijke mystiek. Zij brengt naar voren dat al wat er in ons leeft een reactie vanuit ons wezen is op een waarheid. Als resultaat is het totaal van hetgeen wij waarnemen waan, geen weergave van de werkelijkheid. Zonder deze waan echter zou de werkelijkheid voor ons niet bestaan en ook niet kenbaar zijn. Omgekeerd zou er geen werkelijkheid zijn. We zouden evenmin waarnemen en zo zou er ook geen waan zijn.

Dit is voor ons een lering die wij zeker niet mogen misachten. Het is noodzakelijk voor ons dat wij ‑ ook als wij weten dat het leven waan is ‑ dit nemen als realiteit. Immers eerst door deze waan als werkelijkheid te beleven, zullen we uit de waan de waarde kunnen puren van de Goddelijke realiteit die erachter schuilt.

Indien wij deze wet in het Goddelijke bezien, zegt zij ons dat het totaal van de verschijnselen “gedacht” is, of waan van het Goddelijke uitgaande, terwijl zijn Wezen de werkelijkheid blijft. De waan komt uit zijn Wezen voort. Maar om zich zijn Wezen te realiseren, moet Hij het denkbeeld omtrent zichzelf uiten, dat als gedachte voor ons tot heelal, tot werkelijkheid en wereld is geworden.

Deze wetten maken deel uit van een veel groter aantal wetten en wetmatigheden die voor deze avond echter niet voor behandeling in aanmerking kunnen komen. Want het gaat ons hier niet in de eerste plaats om de wetten zelf, maar om de mogelijkheid deze wetten te erkennen als een middel om tot God te komen.

Indien nl. kan worden aangenomen dat er ergens in de ruimte een Kracht is die denkt, dan mogen we ook aannemen dat die Kracht haar eigen regels en eigenschappen kent. Indien wij aannemen dat er een God is, Die de ruimte met zijn Wezen omvaamt, dan moeten we dus aannemen dat bepaalde eigenschappen van het Goddelijke binnen die ruimte als wetten kenbaar zullen worden. En als wij met al ons zoeken naar het Goddelijke niet tot een resultaat kunnen komen, blijft ons nog slechts de benadering langs de weg van de wetten.

Er zijn regels die schijnbaar wreed en onbegrijpelijk zijn. Er zijn wetten die ons fantastisch voorkomen en toch bestaan ze. Wij ervaren ze feitelijk aan den lijve in elk leven, in elke sfeer. Wij kunnen er niet aan ontkomen dat er bepaalde regels zijn, waaraan niet slechts wij, maar het gehele leven, al het zijnde, gebonden is. Aan te nemen dat dit zijnde een willekeurige oorzaak heeft, zou betekenen dat de structuur van dit willekeurig oorzakelijke dus schijnbaar op de schepping werd overgedragen en als zodanig die eigenschap tot wetten, tot voor ons niet‑overschrijdbare lijnen zijn geworden; grenzen van onze mogelijkheden en van ons bestaan.

Indien we dit echter aannemen, dan wordt het ons onverklaarbaar, hoe sommige wetten plotseling en zonder dat het voor ons waarneembaar is in elkaar overgaan, elkaar aanvullen, maar nooit elkaar opheffen. Zou dit laatste het geval zijn, dan zou er sprake kunnen zijn van een zekere willekeur, van een variëren misschien van ruimtelijke toestanden en omstandigheden, van een spel van krachten, die op zichzelf onbe­heerst zijn. Maar nu een wet nooit wordt overschreden, maar wel blijkt dat wetten elkaar soms aanvullen tot een nieuwe vorm, een nieuw bewust­zijn dat gelijktijdig een vereenvoudiging van zijnswaarden betekent, moeten we aannemen dat geen onbewuste oorzaak deze wetten kan hebben ge­schapen. Hieruit vloeit voort dat het Goddelijke krachtens zijn wetten voor ons kenbaar is. En wat meer is: elke wet die wij in de natuur ken­nen als onomstotelijk, kan voor ons een bepaalde karaktertrek of eigen­schap van het Goddelijke symboliseren.

Nu zijn er natuurlijk wetten, die onmogelijk en wreed schijnen in de ogen van de mensen. Eén daarvan zal ik als voorbeeld aanhalen.

Wij kennen allen het zgn. recht van de sterkste. Dat wil zeggen dat de sterkste ten bate van zichzelf en ten koste van de zwakkere te allen tijde zijn eigen regels en wetten zal opdringen aan eenieder in zijn omgeving. Dit betekent dat het zwakke dier zal moeten vallen door het sterkere. Dit betekent dat bij de mensen de zwakkeling ondergaat, de sterke naar voren komt. Dit betekent dat in de geest de zwakke geest verloren zal kunnen gaan in het duister, de sterke echter zelfs in het duister zozeer tot heerser kan worden, dat hij ook hierin op den duur het licht weer vindt. Dit schijnt ons onrechtvaardig toe. Maar het moet ons toch een inzicht geven in het Goddelijk karakter en in bepaalde mogelijkheden. Ik zal deze voor u opsommen.

Wanneer de zwakke valt, zal de sterke overblijven, inderdaad. Aannemende dat de sterke zijn rechten onbeperkt blijft uitoefenen, zou dus de zwakke ten eeuwigen dage verworpen kunnen zijn. Dit blijkt niet het geval te zijn. Want naarmate de sterke zijn krachten meer beproeft en vertrouwt, komt hij nader tot een beleven van geestelijke waarden. De beheersing van het stoffelijke leidt tot overpeinzingen op meer ethische en tenslotte meer esoterische basis, met als resultaat een opgaan in het Goddelijke. Dit blijkt ons in elke sfeer en wereld. Opgegaan in het Goddelijke uit de sterke kracht zich niet meer, tenzij in de wetten en krachten van het Goddelijke. De zwakke wordt dus automatisch langzamerhand tot sterkere. Indien hij zijn bewustzijn weet te gebruiken, kan hij op zijn beurt zich verheffen boven zijn omgeving, lering geven, kracht vinden, bewustzijn zoeken, tot ook hij de gang van de sterkere is gegaan.

Er is dus niet zozeer sprake van een selectieproces waardoor een gedeelte van de schepping wordt verworpen en een ander gedeelte van de schepping wordt aanvaard, maar van een proces van beproeving. Immers, de zwakke ‑ lerend van de sterke ‑ zal weten, hoe zich als sterke te gedragen, zodra hem de mogelijkheid wordt gegeven. Hij zal dan zijn kracht uitbuiten, waarschijnlijk in de eerste plaats stoffelijk, of bij ons ten aanzien van de vormenwereld. Maar daarna ‑ door zijn verzadiging ‑ kan hij komen tot hogere sferen, tot beter beleven, tot groter aanvaarden ook.

Er is dus geen uitschakelen. Men kan hoogstens zeggen: Er zal een ogenblik komen dat er geen zwakken meer zijn, maar nog slechts de laatste sterken. Aannemende dat de schepping een continuïteit is, zal door het ontstaan van onbewust leven deze laatste rest der sterken dus leidinggevende kracht worden voor de zwakken.

Hieruit zien wij dat de schijnbare wreedheid van de natuur, de schijnbare wreedheid van deze wet, in werkelijkheid geen wreedheid is, maar eenvoudig een cyclisch proces dat zich afspeelt voor eenieder binnen het tijdservaren.

Elk wezen heeft vanuit het Goddelijke beschouwd echter zijn bereiking reeds in zich; en dit betekent vanuit goddelijk standpunt (het kosmisch standpunt) dat deze bereiking dus reeds werkelijkheid is.

Misschien is dit alles niet genoeg om God te vinden en te aanvaarden. En toch is dat een noodzaak. Een God buiten ons vinden, kunnen we niet. We kunnen buiten ons waarden van God vinden, maar God Zelf niet. Want God Zelf moet altijd het totaal van ons wezen omvatten. En bij elke differentiatie tussen God en “ik” blijft een deel van het Goddelijke voor ons dus onbereikbaar. Eerst als het Goddelijke voor ons bereikbaar wordt door het innerlijk beleven daarvan, wordt het voor ons een realiteit. Ik geloof dat we daarom het beste doen als volgt de goddelijke wetten te interpreteren:

Al de eigenschappen die ik buiten mij erken, worden tot kennis van het wezen dat de kern van mijn bestaan is. Hoe meer goddelijke wetten ik erken, hoe nauwkeuriger ik voor mijzelf de levende kracht definieer, waaromheen ik ben opgebouwd.

Deze definitie zal het mij mogelijk maken meer en meer door te drin­gen tot de ziel, deze kern van mijn wezen en mij hierin de mogelijkheid van het Goddelijke te realiseren. De erkenning van het Goddelijke wordt dan ‑ dankzij deze erkenning van wetten ‑ voor mij vereenvoudigd tot ik mij één voel met deze levende Kracht in mij en deze Kracht mij beheerst, terwijl mijn wil geen bewuste werking meer vertoont en al mijn daden slechts voortvloeien uit de goddelijke wetten.

Met dit betoog heb ik dan een reeks lezingen afgesloten die voor de meesten van u ongetwijfeld betrekkelijk zwaar zijn geweest. Ik had misschien een eenvoudiger weg kunnen kiezen. Maar had ik een eenvoudiger weg gekozen, ik zou minder vragen in u hebben wakker geroepen. Sta mij toe op te merken dat juist de vraag die in u bestaat belangrijk is. Want een vraag die gij u stelt, dwingt u een antwoord te vinden. Het antwoord dat u vindt, wordt uit uzelf geboren; aan de hand van uiterlijke oplossingen en mogelijkheden misschien, maar in uzelf.

Elke vraag die wij ons stellen omtrent God, betekent een schrede nader tot God. Elke vraag die wij ons stellen omtrent eeuwigheid, betekent een nadere definitie en dus begrenzing van eeuwigheid en daardoor een voor ons meer aanvaardbaar worden van dit Oneindige.

In een volgend jaar zullen wij niet meer in de gelegenheid zijn om met deze onderwerpen door te gaan in de zin, waarin we dit thans hebben gedaan. Toch zult u ook daar het Goddelijke steeds weer ontmoeten. U zult het ontmoeten als kern van alle geestelijke waarden, maar ook als de dragende kracht van een gehele kosmologie.

Er is niets onvoorstelbaar buiten het Goddelijke. Het enige dat ons niet voorstelbaar is, is het Goddelijke zelf. Al ons streven naar bewustzijn daarvan betekent een aarzelend benaderen van het grote, onkenbare geheim. In ons kan een weten zijn, buiten ons is dit weten onbewijsbaar.

Zo wil ik deze cyclus niet afsluiten zonder u in de eerste plaats toe te wensen een geloof, een innerlijk weten omtrent God. Hoe dit weten is, doet minder ter zake. Want wie gelooft in God, zal een weg vinden om Hem nader te leren beschouwen en kennen. Hebben wij dat bereikt, dan hebben wij ook tevens onze taak volbracht.