Godsbegrippen en Godsopvattingen in Egypte

 13 februari 1949

Ik heb gesproken over het oude Atlantis. En inderdaad Atlantis, daar hebben wij gezien de oergodsdienst, die daar heerste en die zich voortgezet heeft in het oude Egypte en in o.a. Mexico. Verschillende takken van Godsdienst zijn afkomstig van deze oude oergodsdienst. Ik zou u heden willen spreken over Godsbegrippen en Godsopvattingen in het nieuwe Egypte.

Oud en nieuw Egypte onderscheiden zich tot het nieuwe Egypte optreedt, nadat het deltagebied in Neder-Egypte en Boven-Egypte zich verenigde tot één rijk van farao Seti. In deze tijd waren er twee priesterkasten, die gezamenlijk het hele regeringsapparaat in handen hadden. De ene kaste was die van Set, die zich bezig hield met de levenden. En de andere kaste, die van de priesters van Amorah, die zich altijd bezig hielden met diegenen, die overgingen. Op het ogenblik, als u dat bestuderen wilt, kunt u nog uit verschillende hymnen en verschillende fragmenten van het dodenboek de toen heersende begrippen nagaan. De grondslagen van dit geloof waren eigenlijk zonaanbidding en duivelsvrees. Dezelfde sagen die u heeft gevonden bij uw eigen voorvaderen, dezelfde sagen en legenden die verschillende geloven als het mohammedanisme, boeddhisme en verschillende andere Godsdienstige richtingen naleven.

De christelijke Godsdienst vindt u daarin terug. Zo schrijft bv. Ageto, een priester die ook in het Grieks vertaald is geworden – later in de tijd van Alexandrië – die voorschriften op:

“Spijzigt de hongerigen, drenkt de dorstigen, bekleedt de naakten en wijst niemand af van uw deur.”

Lijkt dit niet heel veel op de voorschriften van de christelijke Godsdienst? En vindt u dit niet terug in de Koran, 127ste Sur o.a.? Het geloof was dus zodanig, dat elke geest geoordeeld moest worden. Zijn zaligheid was niet alleen afhankelijk van dat goed of kwaad zijn, maar bovendien van het in stand blijven van zijn lichaam. Vandaar dat men probeerde door balseming, of het laten verstenen van het lichaam, dit te bewaren. Namelijk, de uiteindelijke zaligheid is niets anders dan een verheerlijkt Egypte, waar de Nijl steeds het hoge water voert en waar de dag van de druppel nooit gevolgd wordt door een droogte. “De dag van de druppel”, deze uitdrukking klinkt u misschien vreemd, maar diegenen, die ooit in deze streken geweest zijn, kennen die uitdrukking misschien: De dag waarop de Nijl op zijn laagst is, daarna komt de was van het water, slib met zich meevoerende, dan de overstroming, die de velden vruchtbaar maakt.

Want zonder water bereikt de woestijn de Nijl, maar als het water komt, bereikt de Nijl de woestijn. Op dit geloof aan een later vol overvloed is dan deze verheerlijking en cultuur van de doden – bewaren van het dode lichaam, bouwen van paleizen voor de doden, plaatsen van spijsoffers – toe te schrijven. Het is gemakkelijk te zien, spijsoffers werden gebracht door de rijken in natura. Men slachtte rammen, men bracht levensmiddelen, verschillende soorten herten, gazellen vooral, die in kudden werden gehouden in Egypte. Een ander die het geld daarvoor niet had, bracht als offer een dier, gemaakt van deeg, hiermee hetzelfde voorstellende en hiermee ook willende bereiken, dat de overgegane voorvader in het bezit zou komen van zijn werkelijke gazel, zijn werkelijke hoen, ram, kalf, koe of zo iets dergelijks. Een ziel, die over was gegaan had een heel formulier nodig, een hele catechismus. Hij had te beantwoorden verschillende vragen en hier komt eigenlijk het interessante punt van de Egyptische Godsdienstleer: Men erkent hier dat een overgegane aangevallen wordt. Hij gaat over en hij staat voor de verschrikkingen, het onbekende. En hieruit komen op hem toe de nevelvormen van kwade geesten en Goden. Die verzoeken af te leiden van het pad dat hij moet gaan. Hij kent echter de juiste antwoorden, de juiste spreekwijze, de juiste intonaties van de bezwering die hij uitspreekt, en beveelt deze opzij te gaan, eigenaardig genoeg in de naam van Siris of van Horus, die beiden de verpersoonlijking zijn van de zon, dus van het Licht. Hierin ligt een grote waarheid: Die naar het Licht streeft en zijn verlangen op het Licht richt zal niet zo snel ter zijde afwijken. Op hem heeft de boze geen macht. Als hij dan verder gaat ontmoet hij de God Anubis, de God met de jakhalzenkop. Vandaar dat de jakhals over het algemeen heilig werd gehouden en vrij rondzwierf in de verschillende metropolissen van Oud-Egypte. Ook zelfs tot in deze tijd bij sommige stammen in het Abbessijnse Hoogland, dat vroeger ook een Boven-Egyptische provincie was, beschouwt men de jakhals nog steeds als heilig.

Deze Anubis nu geleidt de ziel voor de rechters in de Hof der twee gerechtigheden. Weer een beeld dat eigenaardig dicht bij de werkelijkheid komt, want wie zoekt naar het Licht, die ontmoet een gids. Die ontmoet iemand die hem verder geleid en nu in de Hof der twee gerechtigheden Gerechtigheid van het goed en gerechtigheid van het kwaad, daar beantwoordt de ziel 4 vragen op een vastgesteld formulier. Vandaar dat men doden veelal, hetzij op het hart, of hetzij onder de oksel, onder de mummiewindselen, hetzij ook in de kist gebonden in een speciale versiering, deze voorschriften en antwoorden meegaf, om het ze mogelijk te maken een keer af te kijken of te spieken. En door deze Goden dan wordt de straf of de beloning uitgesproken. Deze beloning is het leven, de straf is het teniet gaan, de eeuwige dood. Ook dit komt de waarheid zeer nabij. Want wie leeft in duisternis leeft niet. Voor hem bestaat alleen het eigen ik, het berouw, daar hij aanschouwt wat allemaal had kunnen zijn en wat geweest is. Dat verteert hem. Verder is hij dood, leeft niet, neemt niet meer deel aan de schepping, de scheppingsbeweging, staat eenzaam. Ook hierin schuilt weer een grote waarheid. In de 42 gezegelde boeken kan men verder de uitleg vinden, hoe alle Goden en Godinnen, die men ter betovering van het volk heeft opgesierd, en gemaakt heeft tot orakelen, eigenlijk niets zijn dan een verschijningsvorm van het Al. Deze verschijningsvorm van het Al nu brengt alle verschijnselen op aarde terug tot God, de Alkracht. De Oud-Egyptenaren waren zeer wijs, maar ook zeer eigenzuchtig. Ingewijd in deze laatste geheimen weet slechts hij, die geacht werd door zijn eerzucht en zijn streven, het de priesterkaste mogelijk te maken te heersen over het volk. De priesterkaste beheerste de farao, en de kromme priesterscepter van de hoge priester stond hoger dan de God Osiris.  Ook hierin kunt u een eigenaardige gelijkenis zien met de hedendaagse tijd. Wij weten allen dat er een God is, één Almacht. Maar de priesters, kennende en wetende, doen deze kennis te niet.

Zij schuiven nu voorbeelden aan, sagen, legenden, om hun macht en hun eigen bestaan te bevestigen. Helaas ook veel goeden onder hen geloven nog steeds hun eigen drogbeeld. En als zij komen tot ingewijden, dan moet men eerst zeker zijn dat zij u niet gunnen de waarheid, die hen van luister ontkleden zal. Maar veel goeds ook brengt de priesterkaste in Oud-Egypte. Waar allen, van een parasiet af tot een geneesheer, de astroloog, de letterkundige, de dichter, de regeerder, de biechtvader, allen priesters zijn; een raadsheer, ja zelfs sprake, een bekende gids; Nemet Ket Sen, de bekende regeerder in de tijd, toen Seti III opvolger van Ramses aan de regering kwam. Deze waren, zo niet openlijk het witte kleed dragende, priester, en zij hebben het rijk van Egypte geleid tot een tijd van overvloed en geluk, maar uiteindelijk hebben zij ook door hun oogverblinding, zichzelf verblind en Egypte naar de ondergang gebracht.

Want  Egypte en Egypte’ s priesters kenden niet alleen de recepten van de arts en de Kabbala van de witte magie, zij kenden ook het gebruik van de duivelse machten, de zwarte geesten. Van een half-geest, aardgebondenen, die hun macht buiten de stof overdragen in de stof, en men gebruikte ze en misbruikte ze.

En zo Atlantis te gronde is gegaan aan zwarte magie, zo is Egypte te gronde gegaan aan een zwart priesterschap, en zo gaat de blanke overheersing dadelijk teniet door zwarte techniek.

Zwart, gebonden aan de aarde, aan eigen ik, maar er is één redding: Verdraagzaamheid.

Verdraagzaam leven. Niet alleen het eigen ik en de belangen van het eigen ik stellen voor de waarheid, maar waarheid stellen bovenal. Dat kan ook nu nog redding brengen, dat had Egypte kunnen redden en dat had, zo het Atlantis niet had gered van de ondergang, de Drasten Atlantinen kunnen redden. Ook voor u is daar een redding. Verdraagt elkaar, bemin elkaar, maar stelt boven al, de waarheid.