Godsbegrippen van China

uit de cursus ‘God in verschillende gedaanten’ 1985-1986

China is een heel eigenaardig land wat dat betreft. Wij hebben er al wat over verteld. De meesten van u weten nog wel wat over Yang en Yin en over Taoïsme. Als je het goed bekijkt, dan is het eigenlijk een totaalbeeld van het leven. De evenwichten waarover wordt gesproken, zijn kosmisch. God maakt zich kenbaar in twee tegendelen die gelijktijdig het omgekeerde zijn van elkaar en toch weer gelijkvormig. Het is alsof je in onze termen zou zeggen. Ach er zijn goed en kwaad, man en vrouw, God en duivel maar eigenlijk zijn dat alleen maar de keerzijden van de medaille. Daaruit vloeit voort dat je aanneemt, dat wat ik ben heeft betekenis in het geheel. ­

Het Taoïsme gaat dan ook uit van een zekere lotsaanvaarding. Ik kom als bakker op de wereld dan moet ik niet proberen bankier te worden, maar om een goede bakker te zijn. Ik ben een koelie. Dat is jammer. Maar als ik een goede koelie ben, dan beantwoord ik aan het grote plan.

Hier wordt het denkbeeld eigenlijk naast alle bijgelovigheden en alle theorieën die erin zitten herleid tot het ene beeld; Hij is een God die we niet kennen. Deze God heeft het lot a.h.w. gefixeerd. Ik ben deel van mijn lot. Ik word omringd door een onnoemelijk aantal krachten die proberen mijn lot te verstoren. Ik mag dat niet toelaten. Ik moet trouw blijven aan wat ik ben.

Misschien valt het weleens op dat Chinezen ontzettend fanatiek zijn, misschien ook niet. Een Chinees gaat zo uit van het onvermijdelijke dat hij alles wat hij is en doet, ziet als een uitdrukking van het onvermijdelijke. Een mens dulden, doe je niet zelf, dat is je lot. Een mens redden, doe je niet zelf, dat is je lot. Juist daarom moet je heel erg voorzichtig zijn. Je laat geen emotie blijken. Als je tot tranen toe bewogen bent of je bent verlegen, dan lach je. Achter de lach verberg je wat je werkelijk bent. Want tegenover de buitenwereld moet je iets of iemand lijken maar in jezelf weet je wat je bent. Je moet dat waarmaken, ongeacht de prijs. Niet vragen of het leuk is of niet leuk is. Je moet het waarmaken.

De gehele structuur die we kunnen terugvinden in vele filosofieën is gebaseerd op deze basisaanvaarding. Wat ik ben, wordt bepaald door een hoge kracht. Als ik probeer wat anders te zijn, dan verzet ik mij daartegen. Ik wil niet zeggen dat dat voor een westerling aanvaardbaar is. Een westerling denkt een beetje anders. Maar de manier waarop men alle verandering met een zekere gelatenheid en ook een nuchterheid aanvaardt, zijn voor de westerling ook niet voorstelbaar.

Als er een grote ramp is, dan probeert men daar natuurlijk iets aan te doen. Maar ergens op de achtergrond speelt toch het denkbeeld mee, nu ja, voor mij moet dat zo zijn. Daardoor laat men zich eigenlijk veel minder meevoeren door allerlei wilde emoties en wild verzet als dat bij een westers gebeuren het geval is.

Als je vergelijkt de vroomheid van degenen die in de ramp van Zeeland zaten te bidden op de daken, met die van de Chinees, die gelaten het lot aanvaardt en uitkijkt naar een mogelijkheid die hem, juist hem, geboden zal worden, dan kun je dat toch wel vergelijken. Alleen, in Zeeland dacht men; God moet het doen. In China dacht men: God heeft het al gedaan. Daarin ligt het verschil.

Wie op het ogenblik kijkt naar het moderne China zal waarschijnlijk de schouders ophalen en zeggen. Geldt dat daar dan nog? O zeker, het is nu de Partij en niet meer het lot. Er is in de Partij de neiging om naar boven te streven, want dat hoort zo en dat doe je dan zo. Maar toch is er weer datzelfde, die bijna slaafse onderworpenheid aan datgene wat bestaat.

Als er een culturele revolutie komt, dan is dat erg vervelend voor veel mensen, maar het staat nu eenmaal ergens geschreven, dat is het lot. Dat betekent dat je de revolutie aanvaardt en ermee verder gaat totdat er iets ingrijpt. Daarom zul je van de massa’s in China ook geen ingrijpen kunnen verwachten, tenzij ze iets of iemand vinden zal, als de vertegenwoordiger van hun lot. Dan staan ze er ook volledig achter.

De lange mars van Mao is een legende van zelfopoffering. Het is een sage van heldenmoed, maar het is ook het nuchtere verhaal van een Chinees die zich gebonden acht aan een bepaalde stelling, aan een bepaalde leiding, dat is mijn lot. Daarom verloor hij (Mao) zo weinig mensen. Daar staat tegenover Chiang Kai-Shek. Een man die als veldheer, als generaal, als bestuurder eigenlijk Mao’s meerdere was, maar die uitging van de oude traditie en vergat dat wat je predikt in China, ook zelf moet waarmaken. Want anders kun je niet de vertegenwoordiger zijn van het lot. Dan ben je een leugen, een leugen verwerp je. De Chinees kan liegen tegen iedereen maar niet tegen zichzelf, niet tegen zijn lot.

Ik breng dit naar voren omdat er heel veel mensen zijn die zeggen. Je moet meten met twee maten. God wil dit van ons. Maar wij kunnen dat alleen doen, als dat haalbaar is. Neen, zegt de Chinees, dat kan niet. Of ik vlucht weg, ik trek mij helemaal terug. Ik doe of ik er niets mee te maken heb of ik doe datgene wat ik zie als de wil van God. Een tussenweg is er niet.

In het westen denkt men aan prestatie e.d. Natuurlijk, maar ik moet er wat voor terugkrijgen. In China is prestatie iets anders. De prestatie is een poging om je lot te vervullen. En als we zeggen lot, dan hebben we maar een lettertje te veranderen en staat er al Got, zij het op z’n Duits.

God in China is de al-bepalende macht. Hij is niet een persoonlijkheid. Daarvoor creëren ze andere dingen als de Hemelse Keizer. God is het Patroon waarin wij ons bewegen. Zodra je dat eenmaal door hebt, ontdek je dat zelfs godloochenaars in China eigenlijk heel gelovige mensen zijn, want ze proberen het lot waar te maken.

Zeker, er zijn magiërs en tovenaars geweest in het verleden. Zelfs in deze tijd zijn er nog wel mensen die, zij het tersluiks, bezweringen uitspreken en dergelijke dingen doen. Maar de tovenaar kan alleen een tovenaar zijn, als het zijn lot is om tovenaar te zijn. Maar als het zijn lot is om de Rode Draak te overwinnen, maar onder de Zwarte te vallen of omgekeerd, dan zegt niemand: Hij was een slecht magiër. Neen, het was zijn lot. Het was hem eigenlijk voorbestemd.

Het is een ander geloof van voorbestemming dat we vinden in de islamitische landen waar men zegt: God wil het en dan gebeurt het. Als God het niet wil, dan gebeurt het niet. Voor de Chinees is zijn wezen datgene wat het betekenis geeft, wat hem maakt tot een persoonlijkheid direct gebonden aan het persoonlijke waarmaken van datgene wat hij in het leven als taak heeft. Dan zegt men: Ze zijn zo fanatiek en vaak zo perfectionistisch. Maar dat vloeit echter voort uit hetgeen ze zijn.

Als je naar bijgeloof kijkt, dan zie je inderdaad de hele wereld is vijandig, juist als je ergens een meerwaardigheidsgevoel hebt. En heus, Chinezen voelen zich toch de meerdere van alle andere volkeren en rassen en dan heb je ook wel het gevoel dat je meerwaardigheid wordt bedreigd. Je bent omringd door vijanden. Dat hebben we gezien bij Hitler, bij Stalin. Dat hebben we in beperkte mate gezien in de wijze van reageren van Winston Churchill. Er zijn ook presidenten van de Ver. Staten geweest, denk maar aan Tricky Dicky (Nixon) die ook zo waren. Als je denkt, dat je de top hebt bereikt, dan voel je je aan alle kanten belaagd.

In de oudheid was dat belaagd worden iets dat juist van buitenaf kwam, van demonen, van goden. Het was zo erg dat een boer die een zoon kreeg, die kleedde als een meisje en hem een meisjesnaam gaf, opdat vooral een benijdende demon geen vloek zou leggen op het kind en het zou laten sterven, of misschien zelfs erger nog, het in beslag zou nemen. Die traditie vinden we overal wel terug.

De drie namen zijn in bepaalde negerculturen heel gebruikelijk. Je hebt je werkelijke naam, je hebt de naam waarmee je wordt aangesproken en je hebt nog een plechtige naam de naam waarmee je tegenover de gemeenschap jezelf bewijst en eventueel jezelf aankondigt.

Bij de Chinezen was dat gewoon een kwestie van: wij worden bedreigd. Als er iets gebeurt en je kunt het niet verklaren, dan is dat een goddelijk ingrijpen. Maar God is een Patroon die kan het zelf niet doen. Dus dan moeten er halfgoden zijn. De draken van de vele Chinese legenden zijn eigenlijk een soort geesten die het ene ogenblik als een monster verschijnen, het volgende ogenblik als een gewoon mens door de straten wandelen. Hun optreden verklaart dan waarom bv. een rivier ineens is ingedamd of waarom er ineens een overstroming komt. Dat doen de draken. Want als ik zeg, dat ik zelf schuld daaraan heb, dan ben ik onwaardig, dan heb ik geen betekenis meer, ik heb a.h.w. geen naam meer. Maar zeg ik nu: Het is een kracht die dat door een goddelijke weg of een goddelijk Patroon moet doen, dan ben ik zelf niet verantwoordelijk.

Men heeft weleens gezegd in de koloniale tijd dat Chinezen eigenlijk zoveel dingen laten vervallen en verwaarlozen. Dat er aan de ene kant de grootste zorgvuldigheid, kunstzinnigheid en weelde bestond en aan de andere kant een soort luiheid en ook een zekere angst die onverklaarbaar waren. Maar men begreep niet wat de ziel van het volk was.

Kijk, de mooie dingen die je doet zijn deel van je wezen, daarmee bewijs je dat je bent wat je bent. Maar als iets zijn betekenis verliest, als het niet helemaal bij je lot hoort, dan heb je er ook niets mee te maken. Zelfs de familieband die op het ogenblik nog heel sterk bestaat in China ondanks alles en die bloksbanden (de burenbanden, de gemeenschapsbanden) die vloeien ook weer voort uit het gevoel: ik ben hier geplaatst ik hoor erbij.

De moderne communistische Partij heeft zich dat ten nutte gemaakt, want als je iemand ergens plaatst, dan is dat zijn lot, dan hoort hij erbij. Daardoor is hij, als hij maar probeert bij de gemeenschap te passen niet de vreemdeling, maar a.h.w. een welkome gast die wordt tot een welkom deel van een soort familie. Mao begreep dat heel goed en probeerde dat over te dragen aan de Partij o.a. door zijn bevelen aan studenten, geleerden, bureaucraten en dergelijken om eens in de zoveel tijd een periode op het land te werken. Want daar speelde die saamhorigheid een heel grote rol. Je moest leren je in een ritme in te passen van de eenvoudige gemeenschap (de familie). Als je dat doet en je zegt: Dat is de Partij die het doet, dan maak je niet alleen de Partij in de ogen van de mensen tot een vertegenwoordiger van het eeuwige Patroon (van de Godheid), maar je maakt gelijktijdig de actie tot iets waarmee de mens zich verbonden voelt. Want als je regelmatig werkt in een gemeenschap, dan ben je ook deel van de familie van de gemeenschap. Het zijn dergelijke sterke banden die meer dan belijdenissen uitdrukken hoe in China de godsbeleving is.

God is datgene wat bepaalt wat bij je hoort. Wat bij je hoort is je taak, daar ben je aan gebonden met handen en voeten bij wijze van spreken. Maar datgene wat niet bij je hoort dat kun je dan onverschillig laten, want dat is niet je taak.

Als je zegt; Ik zorg voor mijn eigen familie en ik zorg dat die het goed heeft. Als een andere familie daarnaast verhongert, dan vind ik het jammer voor hen. Dan zegt de westerling, de christen: Hoe kun je dat doen. Dat is toch het lot. Je kunt daar toch niet gaan ingrijpen. Misschien ontstaat er een situatie waardoor ik moet ingrijpen. Dat is dan mijn lot. Dat is ook geen verdienste tegenover de ander. Het is iets wat vanzelf spreekt, iets wat hoort.

Nu ik dit allemaal zo heb gezegd, moeten we toch eens gaan filosoferen of dat misschien juist is.

Wij hebben God in heel wat verschillende gedaanten ontmoet zo lang­zamerhand. Het is eigenlijk allemaal “God in Frankrijk”. Overal is een vreemde macht die al-bepalend is, maar die ook alles naar zich toetrekt. Je zou kunnen zeggen: Het onbegrepene leeft overal als God in Frank­rijk. Want als ik niet geloof in een gepersonifieerde God, maar ik ge­loof in een soort wetmatigheid, een patroon waarvan ik deel uitmaak, dan ben ik niet meer geneigd om even de zaken omver te werpen of om het anders te doen. Dan wacht ik eenvoudig af totdat ik word gedwongen iets te doen.

Natuurlijk zijn er Chinezen die verwesterd zijn. Als we denken aan de Grote Revolutie, dan zien we onmiddellijk heel veel mensen die uitwijken voornamelijk naar Hong Kong, later naar een Japans eiland en ook een aantal mensen die probeert uit te wijken naar de Ver. Staten en andere landen. Maar dat waren eigenlijk mensen die losgeslagen waren. Ze waren terecht gekomen in allerlei westerse ondernemingen. Zij hadden bv. gezien hoe een oliemaatschappij niet alleen lampen voor China probeerde aan te dragen, maar gelijktijdig wapens verkocht aan elke generaal die een bepaald gebied tijdelijk wilde beheersen of een rooftocht wilde ondernemen. Zij waren daarbij betrokken. Hun leven was een leven waarin omkoperij (in China normaal) niet meer een kwestie was van: Dat is mijn status. Ik moet wel een fooi vragen, want dat hoort bij dat wat ik ben. Het was een kwestie geworden van stelen wat je kunt. Die mensen zijn ook weggegaan.

God als een Patroon zegt aan de ene kant: een absolute voorbestemming. Aan de andere kant zegt het: je hebt geen verdienste, je hebt ook geen schuld. Dat geen schuld hebben is onvoorstelbaar voor de westerling. Een rover, die uit armoede de bergen intrekt, zegt niet: Ik ben een rover. Neen, hij zegt gewoon: Ik ben de bergen ingegaan. Waarom? Het was mijn lot. Ik kon mijzelf niet op een andere manier waarmaken, dus ben ik naar de bergen gegaan. Nu overval ik anderen, zou je erbij kunnen zeggen. Als hij wordt gepakt en wordt veroordeeld, dan zegt hij ook niet: Wat een ongeluk, wat ben ik dwaas geweest. Dan zegt hij. Het was mijn lot. En hij buigt heel gehoorzaam zijn nek als hij moet worden onthoofd. Onvoorstelbaar eigenlijk.

In die houding zit veel dat wij in de geest niet helemaal acceptabel vinden. Aan de andere kant heeft het heel veel facetten waar men ook in de westerse wereld ook eens over zou moeten nadenken.

Kijken we naar China, dan zeggen we: Wij hebben vaak geluk, maar het is deel van het Patroon. Wij danken dit aan de eerbiedwaardigheid van onze voorouders. Als wij het zouden moeten zeggen, dan zouden we dat voor het westen moeten vertalen met: Ik heb misschien veel geluk in dit leven, maar dat heb ik te danken aan mijn voorgaande levens. Ik ben mijn eigen nakomelingen. Ik heb datgene gevormd waaruit ik nu ben voortgekomen en dat met hinderpalen, met straffen, maar ook met beloningen. Ik heb alleen maar waargemaakt wat ik in het verleden zelf al ben geweest.

Als we dan verder denken, dan zien we hoe de mensen eigenlijk fanatiek bezig zijn met hun God. Dat is niet hun God, dat is hun beeld van God. Het wonderlijke is dat de Chinees in wezen veel toleranter is. Hij zegt niet: Dat is onwaar of dat is waar. Hij zal misschien zeggen: Een katholiek moet eerst deel zijn van de gemeenschap en dan mag hij katholiek zijn. Maar hij zal niet zeggen katholicisme of christendom is onzin. Hij zal alleen zeggen: Het is niet mijn traditie. Hij vecht niet voor een bepaald beeld, want dat is toch al bepaald.

Een dichter wijsgeer zegt op een gegeven ogenblik nadat hij de liefde, de bloesem en de wijn heeft bezongen “Als ik zing als een nachtegaal zo is dat omdat ik als nachtegaal geboren ben.” Hij zegt niet: dit ben ik. Ik kan iets wat een ander niet kan. Maar dat is mijn lot. Dan zegt hij er iets heel vreemds achteraan. Het is een van de gedichten van deze dichter die overigens het minst worden geciteerd.

“De kracht, die is en mij bepaalt, straalt door mij heen. Maar vormen geef ik zelf alleen aan dat wat in mij reeds bestaat.”

Dat zou men in het westen ook eens moeten onthouden.

Je kunt de geschiedenis niet boetseren, ook al wordt het voortdurend geprobeerd. Je kunt het leven niet zonder meer veranderen, ook al zijn er heel veel mensen die dat erg prettig zouden vinden als dat een keer zou gaan. Het enige dat je kunt doen, is datgene wat je bent met al je kwaliteiten en mogelijkheden zo volledig mogelijk leven, waarmaken en kenbaar maken. En dan geldt wat een filosoof, een volgeling van Confucius een keer heeft gezegd. “Ik, die ben gegaan tot het uiterste van wat ik besef, ik maak slechts waar wat in mij is, uit dat wat werkelijk bestaat.”

Als je dat goed begrijpt, dan word je duidelijk dat de God waar het over gaat helemaal niet een persoonlijke God is, een God met gelijk en ongelijk. God is licht en schaduw gelijktijdig. God is het goede en God is het kwade. God is de ambtenaar die de wet handhaaft en de rover die haar overtreedt. God is beide partijen, als twee generaals die elkaar bevechten. God is in alle dingen. Maar God heeft een Patroon en dat kennen wij niet. In ons is een stukje van dat Patroon verankerd en dat maken we waar.

Voor het westen zit daar te weinig vrijheid van wil in. Wij zijn toch vrij. God heeft ons een vrije wil gegeven. Ja, dat is allemaal heel mooi. Je kunt willen wat je wilt, maar je kunt het niet waarmaken.

De Chinees is nuchter. Hij zegt: In dromen vlucht ik, wanneer ik vrees mijzelf te zijn. Maar wanneer ik mijzelf ben, dan handel ik uit mijzelf, dan maak ik mijzelf waar.

Hij is nuchter, practisch, een beetje laag bij de grond vaak, zeker in de ogen van de westerling. Zijn vrije wil is juist de wil om waar te maken wat hij beseft te zijn. Zijn droom is niets anders dan zijn poging om dat voor zichzelf aanvaardbaar te maken en gelijktijdig iets voor zich te beseffen van al datgene waardoor hij juist moet zijn, moet doen wat hij nu is, wat hij nu doet.

Misschien vindt u het vreemd dat ik aan dit deel een onderwerp wijd. En toch, wij die leven zijn beperkt in onze mogelijkheden. 0, wij hebben mogelijkheden, natuurlijk. En aangezien wij niet leven in een maatschappij waarin onze plaats door geboorte in een bepaalde gemeenschap in een bepaald dorp helemaal wordt vastgelegd, hebben we een zekere vrijheid van wil. Maar wij kunnen alleen waarlijk onszelf aanvaarden, indien al wat we zijn en al wat we doen, strookt met hetgeen wij innerlijk beseffen te zijn. Als je dat verloochent, dan kom je tot de meest krankzinnige dingen.

Er is iemand geweest die heeft gezegd: Het is wonderlijk dat de prostitutie de wereld uit is in Rood China. Nu is dat niet honderd procent waar, maar het is grotendeels waar. Waarom? Een vrouw die beseft wat zij is en wat zij dus moet waarmaken binnen de groep waartoe zij behoort, die zal zich niet eenvoudig neerleggen bij het zich door anderen laten leven, door alleen maar te beantwoorden aan de eisen van anderen. Je kunt niet alleen maar doen wat een ander wil, je moet doen wat jij bent. Daardoor krijgt het leven een heel andere inhoud, een heel andere betekenis.

Als je handel drijft, dan moet je natuurlijk handel drijven. Als ik iemand van onze Orde mag citeren dat je als handelaar al datgene steelt wat een gek meer wil geven dan het jou waard is. Maar zelfs daarin moet je rechtlijnig zijn.

Het is heel gek, een Chinees die een onderlinge afspraak maakt, houdt zich daaraan alsof het een geschreven contract is. Hij zal zich niet eens afvragen of hij daar onderuit kan. Dat is eenmaal zo gezegd, zo gedaan, dat ligt vast. Als dat verlies betekent, dan is het beter om goederen te verliezen dan je gezicht te verliezen. Met andere woorden, datgene wat je innerlijk weet te zijn te verloochenen.

Is het eigenlijk niet een veeg teken dat je in het westen alles zwart op wit moet zetten en dan bij voorkeur nog in drie, zes of twaalfvoud voordat iets betekenis heeft. Dat je alles moet ondertekenen en bevestigen, a.h.w. beëdigen ook nog voordat het geldig is. Dat komt gewoon omdat de mensen niet geloven in datgene wat ze zijn, dat ze niet geloven in een werkelijke relatie met de wereld om zich heen, dat ze geen begrip hebben voor hun eigen samenstelling waarin licht en donker evengoed samenspelen als in de hele kosmos. Wat erger is, er zijn heel veel mensen in de westerse wereld die niet eens begrijpen dat wit zijn betekenis verliest als er geen zwart is en omgekeerd. Zwart en wit is ons wezen. Wij zijn niet allemaal of man of vrouw.

Wij zijn een evenwicht van mannelijke en vrouwelijke zaken of wij het toegeven of niet. Pas als wij dat accepteren, kunnen we waarlijk leven naar datgene wat we zijn. Als wij een deel onderdrukken, dan is het duidelijk dat het andere deel een ongelooflijke aandacht krijgt en dat we ons dan ontevreden voelen en ongelukkig, miskent misschien en proberen dat te compenseren door ons ten koste van alles aan anderen vast te klampen. Terwijl een terugkeer naar die donkere of andere zijde van ons wezen misschien voor ons de mogelijkheid zou scheppen om werkelijk onszelf te zijn.

God is maar de naam voor het Onbekende. Hoe vaak is dat al niet ge­zegd. Maar god als een Patroon waarbinnen we leven is toch ook wel aantrekkelijk. Geen bevelende God. Geen straffende God, maar eenvoudig een noodzaak om te beantwoorden aan die God, iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken.

In China kan God vele namen hebben. Hij kan Xiaoping heten, hij kan Mao heten of welke grootheid u op het ogenblik maar voor ogen zweeft. Maar alleen omdat de wet, om niet te zeggen de doolhof van de werkelijkheid bepaalt dat wij op dat ogenblik geleid zullen worden door deze kracht, want dit is onze weg. Dan komt, er een punt waarop wij moeten afslaan. Dan zal er een andere kracht zijn die ons verder leidt. Juist door zo te vertrouwen op de zinrijkheid van alle dingen, de verbondenheid van je eigen wezen met de godheid, kun je ook aanvaarden dat er zoveel tegenstellingen, zoveel verschillen zijn, kun je je bezighouden met het heden zonder voortdurend aan de toekomst en aan het verleden te denken.

China heeft eigenlijk geen God. Tenminste dat zeggen vaak de missionarissen die daar een tijd hebben gewerkt. Ik denk dat China God leeft. Is het niet beter om de kracht die je voortbrengt te leven dan haar nederig te erkennen en alles te doen om aan haar werkelijke wil te ontkomen?

Tao, de wet van al wat geschreven staat. De wet van een lot dat zo vaststaat dat het schijnbare toeval van gulden roeden, stengels of zelfs munten je kan wijzen hoe het lot voor jou is. Is dat niet een zeker voordeel? Het gaat niet om de prognose. Het gaat om de erkenning van wat je moet zijn. Het gaat niet om een antwoord op vragen. Het gaat om een antwoord op je persoonlijkheid.

Een groot gedeelte van de Chinese wichelsystemen, inclusief de horoscopie en wat daar verder bij is, is niet te herleiden tot een poging om de toekomst te kennen of zelfs te veranderen, maar komt voort uit de behoefte om te weten wat je bent. En als je deel bent van God en dat geloven we werkelijk, hoe kun je God kennen als je jezelf niet leert kennen?

Hoe kun je de wetten van de schepping begrijpen, als je niet eerst beantwoordt aan de wetmatigheden die je eigen bestaan regeren? Natuurlijk je kunt uitwijken naar allerlei vreemde begrippen en woorden. Je kunt elke andere filosofie omhelzen en zeggen: Daar ligt de waarheid. Maar als je daar zelf geen deel van bent, als dit niet in alle aspecten in je leeft maar dat voor jou betekent het licht dat moet compenseren dat je tekortschiet, dan ben je weg van de werkelijkheid, dan vlucht je weg van God.

Het is gemakkelijk genoeg om onder te duiken in de een of andere gemeenschap en te zeggen: Hier vind ik mijn waarheid. Maar als je zelf de waarheid niet bent, hoe kun je dan de waarheid vinden? Zeker, een typisch Chinese denkwijze. Zou het niet goed zijn als het ook in een wereld van Christenen werd toegepast? Dat men niet moet zeggen: Ik moet vooruitdenken. God wil dit wel, maar dat kan ik in een 10 jarenplan doen. Maar gewoon je af te vragen. Wat ben ik? Het is de God in mij die mij maakt tot wat ik ben. Het is het hele proces van mijn leven dat mij maakt tot wat ik ben. Maar kan ik vandaag daaraan beantwoorden? Ik denk, dat dan het christendom anders zou zijn. Ik denk dat een hele hoop filosofieën, godsontkenningen en wat dies meer zij zouden verdwijnen omdat ze niet belangrijk zijn.

In het westen zijn het de vele woorden die de gedreven en niet beheerste daden moeten verantwoorden, verklaren en zinrijk maken. In China was het de daad, die de sleutel vormt tot het woord waarin men zichzelf herkent. Ik meen dat het de moeite waard is juist op deze basis ook eens kennis te maken niet alleen met de verschillende Chinese systemen vooral zoals ze door westerlingen worden uitgelegd, maar ook met de eenvoudige volksverhalen waarin u deze mentaliteit tegenkomt. Ja, zelfs de sprookjes en legenden van China die u steeds weer zeggen: Er is buiten mij een noodlot dat mij beperkt en bepaalt, maar ik ben mijzelf ondanks het noodlot. Ik ben mijzelf in evenwichtigheid juist omdat ik mijzelf ben en niet mij bezighoud met het lot, maar met het waarmaken van mijn wezen.

Ik denk dat dit een lering kan zijn voor de gehele westerse wereld. En dat het ons zeker niet zal afbrengen van kapitalisme, status of meer particulier kapitalisme, maar het zal u duidelijk maken dat u met woorden uw daden niet kunt veranderen, omdat u uw daden maar in beperkte mate beheerst. Het beseffen van uw daden kan u voeren tot het beseffen van uw wezen.

Dan komen we aan een zeer oude zin, die overigens uit Birma stamt die zegt: “Wanneer ik al gezien heb al heb beleefd en al bestreden, dan keer ik tot mijzelf. En in mijzelf eerst kan ik treden in een rijk van rijkdom, een rijk van vrede, in een rijk waarin het zijn verdwijnt en toch zichzelf schijnt te zijn nu zonder grens.” Dat is een denkwijze die voor heel veel mensen verschrikkelijk is. Zij verdienen liever de hemel en de snobs liever de hel dan een cyclus door te maken van leven en sterven, dan op te gaan in iets wat ze niet kunnen begrijpen. Ja, een bestaan te voeren dat voor hen geen bestaan meer is, omdat ze de uiting van zichzelf schijnbaar verliezen. Het is een denkwijze die mij zeer aantrekt. Het is een denkwijze die misschien nog duidelijker wordt neergeschreven als we denken aan een geschiedschrijver en filosoof in de tijd van Mantsjoes, de latere keizers, die schreef:

“Ik eer het kleed maar niet de mens. De mens erken ik. En zo ik hem erken, is hij met mij verbonden. Maar eren doe ik slechts het kleed. Want licht en duister hebben beide zin. Daar waar het kwade leeft, dekt het het goede. Daar waar het goede woekert daar sterft het kwaad niet uit. Beide zijn de werkelijkheid in mij, in elkaar. Zo ik het in anderen erken, ik ben zijn vriend, omdat ik zelf zo ben. Maar eren doe ik slechts het kleed.

Met andere woorden, uiterlijkheden, positie en rang is iets dat goddelijk is en dat blijft hetzelfde of je nu bedelaar bent of keizer. Het kleed is datgene wat uw functie is. Ik eer de functie, want ze is deel van de totaliteit. Maar een mens kan ik niet eren. Ik kan hem slechts erkennen. Ik kan zijn vriend zijn. En dan moet ik in die mens hetzelfde terugvinden dat in mij leeft; licht en duister.

Misschien de moeite waard om daar eens over na te denken. Verering heeft geen zin. Slechts erkenning van een functie. Alleen, menselijk erkennen is slechts daar mogelijk waar je in een ander licht en duister terugvindt zoals ze in jezelf bestaan.

Als dit de wijsheden zijn van China, dan zien we hoe God in China is geworden tot een levenspatroon waarin het streven van de mens alleen maar de bevestiging is van datgene wat hij zelf is geworden door de krachten, door de wetten die hem ten allen tijde zullen beheersen.

  • De vriendelijkheid van de Chinees is verloren gegaan,

Ze is veranderd. De vriendelijkheid van vroeger was het masker waardoor de maatschappelijke verhouding in feite toch werd gekarakteriseerd. In de moderne tijd wordt ze door de verdienste voor de gemeenschap bepaald. Dan behoef je dus, niet vriendelijk te zijn tegen iemand zolang je zijn verdienste erkent. Het is dus een andere vorm van hetzelfde.

De vriendelijkheid van China was geen vriendelijkheid vanuit het hart. Het was een vriendelijkheid vanuit de ik-beleving, de sociale beleving. Nu is de sociale beleving een andere geworden en de vriendelijkheid heeft nu de functie gekregen van prestige voor allen. Als u daarmee rekening houdt, dan zult u hetzelfde nog altijd terugvinden dat er altijd is geweest.

Ik hoop dat u hetgeen ik heb gezegd toch eens wilt overdenken al is het alleen maar om te begrijpen dat in andere volken, God schijnbaar anders is, maar dat in alle zijn dezelfde wetten werken.