Godsdienst en filosofie in het Boeddhisme

image_pdf

19 februari 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst zou ik u er gaarne op wijzen, dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Ik hoop, dat u daarmede rekening zult willen houden. Het door u opgegeven onderwerp luidt: Godsdienst en filosofie in het Boeddhisme.

Zoals bij vele – door u gestelde – onderwerpen al bleek, bevat ook deze titel weer enkele moeilijkheden. Het zuivere boeddhisme mag zeker niet in de zin van een zuivere godsdienst – zoals men die in het westen kent – worden beschouwd. Er is een kerkelijke organisatie.

Ongetwijfeld zijn er bepaalde delen van het boeddhisme, waarin wij rituele plechtigheden, erediensten enz. aantreffen. Daarnaast vinden wij zelfs vormen van boeddhisme die met sjamanisme en tovenarij vermengd zijn. Het zuivere boeddhisme is een filosofie, een soort levensfilosofie. Het boeddhisme zelf is voortgekomen uit de hindoeleer. Deze hindoeleer wordt in vele gevallen zelfs beschouwd als een voorgaande openbaring, waarin een Boeddha zijn bereiking kenbaar maakte. Verder neemt men aan dat regelmatig geesten tot verlichting komen die op de aarde geïncarneerd zijn en dan de mensen wijzen op de noodzaak van een juist bestaan en het gaan van het juiste pad.

Het boeddhisme, zoals wij dit op het ogenblik kennen, is gegrondvest door Prins Siddharta, rond wiens figuur vele legenden zijn verweven. Om er enkelen te noemen: Hij zou een maagdelijk ontvangen kind zijn. Zijn moeder zou zich langere tijd in een zeer weelderige bovenzaal van het ouderlijke paleis hebben teruggetrokken, maar zou haar zoon niet hebben kunnen baren, vóór zij naar de stallen was gebracht, waar zij hem baarde op een leger van stro. Ik meen dat ik u van zijn verdere levensloop niet veel hoef te vertellen. Het enige punt dat hierin voor ons nog belangrijker is, blijkt zijn ontwaken tot de werkelijkheid van de wereld te zijn. Hij rijdt uit – tegen de wil van zijn ouders – buiten de paleisgronden en ontmoet daar lijden, ziekte en dood. Deze waarden heeft hij tot op dat ogenblik niet gekend. Vanaf dit ogenblik blijkt de Prins Siddharta een zoeker en denker te zijn. Zijn levensbeschrijving – reeds tijdens zijn leven voor een deel met grote eerbied opgetekend – bevat dan beschrijvingen van al hetgeen hij verder doet. Het grootste deel van zijn verdere leven blijkt gewijd te zijn aan het onderzoeken van stellingen, het zoeken naar de weg, naar de waarheid.

Indien wij de weg die hij zijn leerlingen toont, nader beschouwen, vinden wij hier enkele overeenkomsten met de Chinese filosofie, waarin immers de leer van Tao – de juiste weg en het juiste gedrag – een zeer belangrijke is. Mogelijkerwijze is vóór zijn verlichting de Prins Siddharta aan het hof van zijn vader door Chinese wijzen beïnvloed, wat verklaart, hoe hij tot zijn latere formuleringen is gekomen. In ieder geval heeft hij kennis gemaakt met het mysticisme in zijn meest verschillende vormen; hij is kluizenaar geweest. Ook heeft hij een tijdlang yoga gevolgd.

Uiteindelijk is hij – naar men zegt – terwijl hij rustte onder een baobab boom en na drie maal bloot te hebben gestaan aan verleiding door de machten des kwaads en de dochteren van de duivel – ofschoon dit legenden zijn – tot een absolute bewustwording gekomen. Door zijn meditatie bereikte hij inzicht in….. zullen wij zeggen het Niet?

Vreemd blijft, dat – ofschoon een groot deel van zijn leer onmiddellijk is vastgelegd tijdens zijn leven – deze leer geen enkele vaste stelling behelst omtrent voortbestaan van de ziel, evt. toestanden in het hiernamaals, terwijl alle problemen die buiten de menselijk wereld liggen, terzijde worden gesteld buiten dit ene: De mens kan opgaan in het grote geheel, want dit laatste is de kern van heel deze leer, heel deze filosofie. Alle dingen zijn één. Uit deze eenheid moet het bewustzijn der eenheid in ons ontspruiten. Wij kunnen dit alleen bereiken, wanneer wij ons houden aan bepaalde regels en wetten. Het 8-voudige pad, de gulden regels, zijn dan ook het werkelijke leidsnoer voor de oprechte boeddhist, wanneer hij in zijn leven tot een nader inzicht tracht te komen.

Van een duidelijke uitspraak omtrent de reïncarnatieleer is – in tegenstelling met hetgeen vele westerlingen menen – geen sprake. Leerstellingen daarover bestaan wel binnen vele sekten, maar maken toch geen werkelijk en belangrijk deel uit van de leer van de Boeddha.

U zult nu begrijpen, dat het mij zeer moeilijk is te spreken over de godsdienst van het boeddhisme. Het volk heeft behoefte aan zichtbare figuren, die kunnen vereerd worden. Wij zullen dan ook vele boeddhistische tempels en heilige plaatsen vinden, waar beelden van de Boeddha en andere bewusten in vele verschillende houdingen aanwezig zijn. Deze beelden moeten beschouwd worden als beelden van heiligen. Zij worden wel vereerd, maar mogen volgens de leer zeker niet worden aanbeden. Wel richt men menigmaal een gebed tot hen om hun steun te verwerven, wanneer men iets bereiken wil. Hier neemt een verering dus de vorm aan van de heiligenverering, zoals men die in een zeker deel van het christendom kent.

De levende boeddha’s zijn evenmin een intrinsiek deel van het eigenlijke boeddhisme. Er zijn tempels en kloosters, waar men aanneemt dat een abt, priester, of zeer belangrijke prelaat – evenals de Dalai Lama – een geest is, die steeds weer in nieuwe lichamen zal incarneren om zo zijn taak voort te zetten. Maar deze leer is niet een deel van het werkelijke en oorspronkelijke boeddhisme, doch moet eerder worden gezien als gevolg van een opname van oudere elementen en volksgeloof, binnen of naast deze leer. Er is vaak sprake van het Rad des Levens dat meestal als specifiek boeddhistisch wordt beschouwd. Toch heeft dit zeer veel gemeen met bepaalde gedachten uit China, terwijl wij soortgelijke voorstellingen ook vinden binnen het hindoegeloof.

Indien wij de kern van het boeddhisme willen weergeven, ontdaan van zijn haast eindeloze argumenten en verhandelingen, kunnen wij dit in enkele zinsneden doen: Leef zonder angsten en zonder begeerten. Hecht u aan niets. Tracht steeds rechtvaardig te zijn. Tracht in alle dingen geheel te handelen volgens beste inzichten en streef steeds meer naar het kennen van de Bron aller Dingen.

Anders gezegd: de kern aller dingen. Een uitdrukking die m.i. juister is.

Hiermede is alles gezegd, wat als basis van gans deze grote leer moet beschouwd worden. Dit is de kern van het boeddhisme, de kern van de leer van de Gautama Boeddha Zelf.

Wanneer zijn leer wordt verkondigd, komen er al heel snel mensen die interpretaties van zijn woorden gaan geven en daarin andere betekenissen menen te kunnen vinden. Dit is in het westen ongeveer gelijk gebeurd met de Leer van Jezus. Ook binnen het boeddhisme is er wel aanleiding hiertoe te vinden. De Meester spreekt immers gaarne in gelijkenissen en ook hij belegt – evenals Jezus – vele samenkomsten. In een vreemde staat wordt hem al snel een stuk grond geschonken, waarop het eerste klooster zal worden gebouwd. Daar, gezeten op een terras onder de bomen, geeft hij zijn leerlingen vele leringen en geeft hij vele beschouwingen omtrent werkelijkheid en schijn. Om zijn gedachten duidelijk te maken, gebruikt hij hierbij steeds weer gelijkenissen. Zijn leerlingen zullen juist deze later gaan becommentariëren.

Daarnaast is het eigen leven van de onmiddellijke volgelingen en vrienden van de Boeddha in het boeddhisme evenzeer belangrijk. Uit de commentaren en leringen van Anakananda worden vele afleidingen gemaakt, die tezamen reeds ruim 900 zeer dikke boekwerken vullen. Hiertoe hebben vele geslachten aan dergelijke commentaren gewerkt. Men heeft getracht in de loop der tijden door overwegingen, door mediteren ter verwerving van inzicht, en het luisteren naar velen die Boeddha konden zijn of worden, een openbaring willen verwerven, die de mens precies vertelt waar hij in dit aardse leven nu eigenlijk aan toe is.

Ongeacht deze bijkomende elementen blijft ook nu nog het boeddhisme in de eerste plaats een levensleer, die zozeer uitgebreid is, dat zij voor degenen die hierin geheel willen opgaan, de juiste levenshouding in elke omstandigheid en in elk ogenblik van het bestaan omschrijft. Dat zij daarnaast tracht een complete kosmologie weer te geven – welke vooral over het ontstaan en einddoel der dingen vaak zeer vaag is – is begrijpelijk, evenals een ieder kan begrijpen dat zij tracht uit te maken hoe de maatschappelijke ordening dient te zijn en hoe de mens binnen deze maatschappelijke orde moet trachten te denken. Het is lastig hiervoor een naam te vinden. Een zuivere filosofie is dit samenstelsel van regels en beschouwingen zeker niet. Een godsdienst kan het moeilijk worden genoemd, omdat er geen sprake van een godsbegrip, doch slechts van een erkenning van de bereikingen van de Boeddha en anderen, die – als een soort ingewijden – tot een gelijk – of bijna gelijk – peil zijn gestegen. Overigens is in de leer wel weer sprake van pogingen om voor zich bepaalde vermogens of krachten te verwerven, ook indien dit niet tot de basisleer mag worden gerekend. Vele boeken bestrijden zelfs het recht van de mens, zich krachten of vermogens te verwerven, die niet onmiddellijk een inzicht in het Niet-zijnde Zijn leren te verwerven.

De mens in het boeddhisme staat in zekere zin alleen. Hij moet zelfs alleen staan om tot een begrip van de werkelijkheid te kunnen komen. Eerst wanneer hij niet gehecht is aan mensen of dingen, eerst wanneer hij geheel zichzelf meester is en geheel bewust leert handelen is er voor hem een mogelijkheid de grote verlichting te kunnen verwerven. Een boeddhist is niet gebonden. Zijn filosofie laat niet toe, dat eeuwige kloostergeloften worden afgelegd. Men kán in een klooster treden en zal beloven binnen de gemeenschap te leven en aan de regels van die gemeenschap te allen tijde te voldoen. Het celibaat is – ook in het zuiden – veelal voorschrift. Er is een grote tegenstelling tussen de rode en gele monniken, waar de eersten wel het huwelijk erkennen, maar perioden van onthouding plegen te eisen. Alles wat wij in de leer van het boeddhisme vinden, wijst in laatste instantie op een zelf en voor zichzelf verantwoordelijk zijn van de mens. Zover mij bekend legt geen enkele van de andere grote godsdiensten die nu op deze aarde bestaan, een dergelijke sterke nadruk op persoonlijke aansprakelijkheid en de mogelijkheid tot persoonlijke bereiking.

Daarnaast wordt in deze leer wel zeer sterk de nadruk gelegd op het feit, dat de mens door kosmische wetten wordt gedreven en aan de werkingen van deze wetten niet zal kunnen ontkomen, tenzij de bron van deze wetten door de mens als een weten in zich zal kunnen worden aanvaard. Dit laatste acht ik het meest belangrijke punt in heel mijn betoog. Laat ons eens zien, hoe de meeste mensen hier in het westen plegen te denken: er is een genadeleer.

De boeddhist van zijn kant meent: zodra genade voor een bereiking noodzakelijk wordt, kan van recht geen sprake meer zijn. Recht en rechtvaardigheid zijn voor mij een zeer belangrijk iets in het leven. Ik kan niet aannemen, dat een God met recht en rechtvaardigheid zou spotten. Ik weet niet veel van die God. Ik weet niet eens zeker of en hoe Hij bestaat. Wel weet ik, dat in het leven voor mij bepaalde bereikingen mogelijk zijn. Ik weet dat ik voor mijzelf iets van eenheid met de Schepping kan ervaren. Voor de boeddhist is alleen hiervan sprake. De westerling meent al te vaak te moeten strijden tot het uiterste, wanneer het zijn geloof, of zijn belangen betreft. De boeddhist is over het algemeen zeer verdraagzaam en beleefd. Hij tolereert de stellingen en het geloof van het westen, zolang men hem deze niet opdringt. Indien hij zijn masker van onverschilligheid eens af zou leggen, zou het westen waarschijnlijk te horen krijgen: jullie spreken zoveel over God. Weten jullie dan al zo goed wat leven is? Leer eerst te leven en ga dan pas het pad verder op de weg naar de grote geheimen. Mijns inziens hebben zij daar volkomen gelijk in.

Nu kunnen wij natuurlijk veel tijd besteden aan een bespreken van de verschillende graden, waarin de belangrijke bewustwordingen mogelijk zijn. Deze graden zijn namelijk zeer nauwkeurig uitgewerkt en ondergebracht in verschillende systemen. Er bestaan alleen bij de hoofdboeken van de leer reeds een zestal delen vol commentaren, waarin alle mogelijke graden van bewustwording staan genoteerd, plus de kentekenen daarvan. Het wordt de mens daarin ook duidelijk gemaakt, dat, wanneer een ziel herboren zal worden, zij nooit tot de wereld terug zal kunnen keren zonder dat hieraan kosmisch een doel verbonden is. Doelloosheid in de Schepping wordt – volgens de boeddhistische filosofie – verworpen. Men beschouwt alle dingen zonder meer als mogelijk en tracht niet alle mogelijkheden zonder meer op dogmatische wijze vast te leggen.

Men geeft toe, dat men van vele dingen niet voldoende weet. Wanneer men dan stelt, dat alles in de Schepping betekenis en een doel moet hebben, zal men ook niet – zoals de westerling maar al te vaak doet – eisen, dat alle dingen een menselijk kenbare reden moet hebben. Men ziet het geheel meer als een complex van geestelijke waarden, die toevallig een stoffelijke vorm schijnen te bezitten.

Het is heel normaal dat de jeugd een tijdlang doorbrengt binnen een van de kloosters. Tot voor kort was het onderrichten van de jeugd in de eerste plaats een taak van de kloosters. Daarnaast leek het dienstig, dat de mens enkele jaren van zijn leven zou wijden aan streven naar onthechting en leven in een toestand van bezitloosheid. Gedurende deze periode zal de mens door bedelen zijn voedsel verwerven, dit voedsel van het klooster geschonken krijgen en daarnaast het grootste deel van zijn tijd slijten in studie, meditatie en gebed.

Let wel: er zijn in het boeddhisme evenveel – of meer – misbruiken aan te wijzen als in de meeste christelijke kerken. Daarvoor is het een geloof, dat machtiger is en bovendien een geloof dat zijn grootste macht en betekenis juist dankt aan gebrek aan agressiviteit. U kunt zich voorstellen dat de westerling alle middelen, tot geweld toe, gebruikt om anderen tot zijn geloof te bekeren. De boeddhist kan dit, krachtens zijn geloof, nooit doen. Het zou betekenen dat hij zich gaat hechten aan degene die hij bekeerd heeft, of zich voor hen verantwoordelijk zou gaan gevoelen. Hij zou dan ook vijandschap gaan voelen voor hen die niet te bekeren blijken, of wel zijn werk trachten tegen te werken.

De boeddhist zal niet gaarne ingrijpen in het lot dat een ander zich schept. Hij zal gaarne de ander op de hoogte stellen van zijn zienswijze. Indien hij van de ernst van de ander overtuigd is, zal hij hem graag binnenleiden in zijn gedachtewereld en met hem spreken over het pad, evenals hij dan bereid is hem de grondslag van alle leefregels uit te leggen en met hem te spreken over de werkelijke betekenis in zijn ogen van al hetgeen voor de mens redelijk kenbaar, of aanvaardbaar is. Maar hij zal nooit trachten een ander zijn eigen mening op te leggen, of zelfs maar op te dragen. Het heeft immers geen zin anderen te bekeren – zo zegt hij – wanneer het doel van alle leven bewustwording is en elkeen deze bewustwording alleen kan bereiken door onthecht te zijn en een gelijktijdig geheel aanvaarden van de Schepping. Wij zouden dit laatste in het westen misschien naastenliefde willen noemen, maar er is toch wel enig verschil.

Ik zou een lang betoog kunnen gaan houden over de filosofische achtergronden van deze denkwijze. Is het dienstig hierop zo ver door te gaan? Ik meen, dat, zo men de kern van deze leer in het westen nog niet eens geheel tracht te begrijpen, of kan begrijpen, het zeer moeilijk zal zijn aan te tonen hoe de oosterling tegenover vele problemen en zelfs tegenover de problemen van de filosofie staat. In het westen zal de filosoof, wanneer het maar enigszins mogelijk is, zich baseren op een feitelijk en buiten hem liggende basis. Zijn filosofie is op feiten gebaseerd, als een bouwwerk, dat hij met zijn gedachten steeds meer tracht te voeren tot een redelijk omschrijven van het voor de mens nog niet kenbare. Menige oosterling en zeker ook de boeddhist gaat van een ander standpunt uit: Er is geen werkelijkheid; wat rond ons is, is alles vertekend, begoocheling, waan. Wij kunnen dus aan deze waan geen redelijke concepten ontnemen. De basis van het denken moet voortkomen uit de innerlijke mens, zelfs indien deze stelling op het eerste gezicht – volgens de stoffelijke rede – dwaas moet lijken.

Dergelijke stellingen zijn voor de westerling vaak een grote dwaasheid en van alle redelijke waarde ontbloot. Wanneer u de filosofische werken in het boeddhisme gaat beschouwen, zal het u blijken dat enkele daarvan zelfs uitgaan van het standpunt dat de mens en zijn wereld niet eens werkelijk bestaan. De sekte die zich hierop baseert, is betrekkelijk klein. Haar filosofie is het tegendeel van alles, wat men in het westen nog onder deze naam zou willen verstaan.

Zij stelt: Wij weten niets buiten ons eigen bestaan. Alles, wat rond ons is, menen wij te zien, maar wij weten zelfs niet, of wij, die onszelf als werkelijkheid plegen te beschouwen, niet slechts gedachten van een gedachte zijn. Wij mogen ons nooit baseren op hetgeen er rond ons bestaat en mogen daaraan geen enkele waarde toekennen. Men zou immers slechts waarden aan droombeelden toekennen, die deze onwerkelijkheid niet, of niet zou bezitten. Wel kunnen wij waarde toekennen aan hetgeen wij in onszelf beleven en in onszelf machtig worden, of erkennen.

De doorsnee boeddhist gaat zeker niet zover. In zowel het zuiden als het noorden van de overwegend boeddhistische gebieden vinden wij als doel van de leer veel van het oudere volksgeloof. Magische praktijken en offerpraktijken komen – vooral in het noorden – voor. Verering door votieven komt voor, vooral door het bouwen van kleine huisjes met beeldjes, of voorstellingen langs de kant van de weg, maar ook het bijdragen tot het onderhoud van priesters, of monniken en kloosters, het vergulden, of versieren van tempels en tempeldaken, het geven van religieuze toneelvoorstellingen, het doen lezen van bepaalde delen uit Boeddha’s leven en leer. Hier is sprake van een offerbehoefte die uit het volk zelf komt. Zij wordt door de leer niet bevorderd, of geëist. De gevorderde boeddhist zegt hierover: het is niet verkeerd dat dit geschiedt, ofschoon wij niet weten of het werkelijk ook maar enige betekenis zal hebben. Alle magische betekenis die wordt gebracht aan priesterlijke handelingen, het lezen van geschriften door monniken e.d., is slechts een deel van de waan. Belangrijk is het zoeken van de mens in zichzelf naar de waarheid en het aan de lijve ondervinden van de mogelijkheden die voor de mens bestaan, indien hij de regels van de grote meester volgt. Zolang hij de door de meester gegeven regels niet uit het oog verliest en zich van de waarheden die deze verkondigde bewust blijft, zal het de mens mogelijk blijken de verlichting te bereiken.

Ik kan mij voorstellen dat het dwaas klinkt in uw oren, wanneer ik na dit deel van mijn betoog u ga spreken over duivelen, demonen, boeddha’s die halfgoden zijn geworden, geheimzinnige krachten, magische bezweringen en alles wat daarbij binnen het boeddhisme nog meer te pas kan komen. Deze dingen maken ook in de boeddhistische gebieden deel uit van het volksgeloof en moeten dan ook verklaard worden. De boeddhist denkt niet alleen na over zijn eigen pad, maar tracht die weg logisch en nuchter vast te stellen in verhouding tot de wereld, die hij kent.

Dit laatste doet hij om in die wereld mogelijkheden en eventueel steun te vinden voor zijn streven en het bereiken van de waarheid. Zo wordt over duivelen gesproken en worden dezen door het volk over het algemeen beschouwd als zelfstandige wezens, buiten het ik staande factoren in het leven.

De ingewijde filosofeert ook over deze voorstellingen en meent: De demon die mij bedreigt, kan alleen een waan zijn die in mij leeft. Al, wat het mij onmogelijk maakt door te dringen tot de grote werkelijkheid van de wereld en de werkelijkheid van het eigen wezen en bestaan, zal voor mij demon zijn. Wanneer men spreekt over de demonen, die op de Boeddha afstormden toen hij in zijn laatste meditatie was verzonken, dan meent de boeddhist: Het is natuurlijk dat de mens beproevingen zal ondergaan, wanneer hij ook van het laatste, waaraan hij nog gehecht is, zich moet losmaken. Vooral, wanneer men zich los moet gaan maken van eigen persoonlijkheid, eigen leer en alles, wat hem in de wereld belangrijk was, zullen vele gedachten rijzen. De demonen, die op het ogenblik van bereiking op de Boeddha aanstormen, zijn niets anders dan de misvattingen die in hem leven omtrent de grote waarheid. Eerst wanneer hij deze overwonnen heeft door het juiste pad der onthechting tot het einde te gaan, zal hij dezen kunnen overwinnen en als de Boeddha in de legende, beschermd zijn tegen alles wat zijn wezen zou bedreigen, zelfs het meest duivelse. Er is hier overigens sprake van een schijnbare tegenspraak door eerst het feitelijke bestaan van de duivelen te ontkennen, en dan een bepaalde toestand en bescherming tegen hen te noemen. De uitleg hiervoor is, dat de mens in de ogenblikken van zijn bereiking beschermd zal zijn tegen hetgeen hij op het ogenblik denkt te zijn door datgene, wat hij in werkelijkheid en waarheid is.

In de legenden van de Boeddha en boeddhistische heiligen vinden wij verder altijd weer dieren genoemd: Slangen, die zich met gespreide kraag opstellen om heiligen met hun schaduw te beschutten, de slakken die de Boeddha een helm vormen, wanneer hij in de zon zit en mediteert. Afbeeldingen hiervan zult u vaak, en zelfs in het westen kunnen zien. Men weet niet of deze feiten geheel naar waarheid zijn, of eerder deel uitmaken van een volksoverlevering. Toch hebben ook deze verhalen aanleiding gegeven tot gedachten. Deze zijn wederom een typisch boeddhistisch verschijnsel. Alleen op dit gebied zijn rond twaalf verschillende scholen aan te wijzen. De meesten baseren zich op het volgende: op het ogenblik dat ik voor mijzelf één ben met de kosmos, dit bereikt heb, ben ik niet één met de schijn, die de mens van leven en wereld ervaart, maar met alle dingen, die werkelijk zijn. Hierdoor komt de schijn van vriendschap met dieren tot stand. De dieren hebben de mens niet lief en de mens heeft de dieren niet lief. In kosmisch begrip erkennen zij elkaar als gelijkwaardige factoren en vullen elkaar aan, waar dit noodzakelijk lijkt.

Elders beweert men zelfs, dat je, wanneer je de waan van de wereld als deel van je wezen in je bewustzijn draagt, je vanuit deze waan alles zult scheppen, wat voor een instandhouding van die waan noodzakelijk is. Zelfs wanneer de geest zich hieraan onttrekt en zich in de hoogste bewustwording verdiept, zal die schijn voor anderen blijven voortbestaan, omdat zij niet alleen een deel is van het eigen ik, maar tevens is vastgelegd in vele andere zielen, of ik-heden die een gelijke fase van beleving doormaken. Op grond hiervan kan worden gesteld, dat de leringen die de verlichte Boeddha aan de mensen heeft gegeven, door hem in de waan werden gegeven, terwijl zijn wezen gelijktijdig één was met het grote Niet.

Zoals u ziet, liggen zelfs in deze enkele regels reeds stellingen die voor het westen verwarrend kunnen zijn. Men kan dezen dan ook terzijde laten, indien men zich maar voor ogen stelt, dat alle bezit onbelangrijk is. Belangrijk is alleen het ene: De ervaring. Reeds heb ik u verteld dat de kernleer van het boeddhisme niet spreekt over hiernamaals en voortbestaan. Kort daarop heb ik gesproken over reïncarnatie, waarbij ik ook de uit het noorden stammende voorstellingen rond het levensrad heb aangehaald. U moet goed begrijpen dat de leer van reïncarnatie in geheel het zuiden van Azië, reeds lang vóór de laatste boeddha geboren werd, een intrinsiek deel van alle geloof uitmaakte. Men geloofde aan incarnaties in dieren, zo goed als een herboren worden in menselijke gestalte. Reeds in een ver verleden meende men, dat er een eeuwigdurende cirkelgang bestaat van hergeboorten, waarin de mens is gevangen. Het is begrijpelijk, dat een dergelijk volksgeloof wordt opgenomen in de nieuwe leerstellingen. In de huidige toestand kan worden gesteld, dat het merendeel der boeddhisten op enigerlei wijze gelooft aan hergeboorte. Daarbij zien wij dan ook weer de pogingen dit geloof te rationaliseren en in overeenstemming te brengen met de eigenlijke leer. De conclusie waartoe men dan pleegt te komen is dan de volgende: Op het ogenblik, dat ik mijzelf niet weet te onthechten en niet in staat ben mijzelf vrij te maken van de wereld, zal ik aan de waan gebonden blijven. Mijn lichaam kan dan wel te gronde gaan, maar de waan zal voor mij blijven voortbestaan. Zij maakt het mij onmogelijk de werkelijkheid te aanvaarden. Ik zal daardoor, misleid door mijzelf, inkeren in de eerste de beste mogelijkheid tot hergeboorte.

Aan deze stelling zijn weer vele verhalen en sprookjes verbonden. In een ervan wordt de overgegane mens voorgesteld als staande in een straat vol gebouwen, waarvan enkele open, andere gesloten zijn. Elk gebouw is een wezen, waarin een mogelijkheid tot vruchtbaarheid en dus hergeboorte sluimert. Wanneer de ziel, door de waan misleid, in een van deze huizen of paleizen binnen gaat, zal de deur daarvan zich sluiten. De persoon is dan aan het ontstaande voertuig gebonden voor een volgend leven. Heeft hij zich vergist, dan kan hij herboren worden in de gedaante van de meest onreine dieren die er op aarde maar bestaan. De waan is hierbij weer het intrinsieke deel. De hechting is het gevaar. De mens die onthecht is, zal zich nooit laten verleiden door verschijnselen. Indien hij niet weet, waar te gaan, zal hij zich neerzetten en trachten in zich – onttrokken aan wereld, angsten en begeerten – een waarheid te aanvaarden. Moet hij dan al terugkeren tot een wereld, waarin een groot deel van het leven toch zeker schijn is, zo zal hij, alleen aan de hand van het innerlijk ervarene, zijn weg kiezen en zijn leven verder richten.

Eerbied voor het leven is tevens een zeer belangrijk deel van de leer in het merendeel der boeddhistische groeperingen. Gedeeltelijk komt ook dit uit vroegere godsdiensten voort, maar filosofisch wordt het nu als volgt verklaard: Wij kunnen nooit weten, of het wezen dat wij leed aandoen, doden en vernietigen, niet eens zelf Boeddha zal worden. Want in alles ligt de mogelijkheid het juiste pad te volgen en de grote bereiking ook zelf te ondergaan. Laat ons dus voorzichtig zijn, opdat wij niemand hinderen in het gaan van zijn eigen weg tot de oneindigheid.

Laat ons nog met grotere voorzichtigheid handelen, opdat wij niemand kwetsen, of doden en het hem daardoor nog moeilijker zou maken verder te gaan op het juiste pad en te komen tot de enig belangrijke bereiking.

Gezien de rijke inhoud van het boeddhisme is dit niet veel, vrienden. Ik meen, dat dit als een overzicht voldoende is en stel er prijs op, wanneer u de voor u bijzonder belangrijke punten door vragen aan wilt snijden.

 Vragen

  • Na de dood van de Boeddha zijn verschillende geschriften ontstaan. Ik noem daarvan alleen de Dharmapatha. Deze werd in het Engels ook onder meer vertaald. Nu is het eigenaardig, dat in enkele boeken e.d. hier in Nederland zinsneden voorkomen, die klaarblijkelijk letterlijk uit de Dharmapatha gelicht zijn: De zon in de dag, de maan in de nacht en de Boeddha die altijd lichtend is. Hoe is het mogelijk dat een dergelijke gedachtegang reeds jaren voor er een vertaling beschikbaar was – dit blijkt uit de boeken – hier bekend was?

In de eerste plaats geloof ik niet, dat één enkele boeddhist zo verwaand zou zijn te stellen dat ingewijden alleen uit zijn eigen denkrichting voort kunnen komen. De waarheid, zo zij al kenbaar bestaat, zal voor elk schepsel gelijk zijn.

In de oudheid is er ongetwijfeld reeds uitwisseling geweest tussen hindoes, boeddhisten en christenen. Andere geloofssoorten laat ik eenvoudigheidshalve buiten beschouwing. Bekend is bv. dat de Jezuïtenmissie aan het hof van Akbar de Grote de leringen in Zuid-Azië heeft onderzocht, waarbij ook het boeddhisme en de Dharmapatha zeker hier bekend zijn geworden.

Reizigers vanuit het westen gingen naar het oosten en keerden terug. Zij brachten met zich vaak vreemd vervormde, maar soms ook treffend juiste, weergaven met zich van het leven en geloof, dat zij in het oosten hadden aangetroffen. Dit betrof natuurlijk nooit het geheel, maar steeds slechts enkele waarheden. Boeddhisten zijn op hun beurt vaak naar het westen getrokken en hebben daar gesproken met mensen die hen gaarne aanhoorden. Op deze wijze kunnen zich waarheden snel verbreiden.

De formulering in de Dharmapatha is oosters. Het oosterse denken heeft voor de westerse mens een zeker attractie. Het lijkt hem mystieker te zijn, dan het in feite is. In het westen vinden wij o.m. de Loge van het Grote Oosten. De uit het oosten komende basis van de theosofie. De nadruk op oosterse leermeesters, enz. Lijkt het u niet logisch dat deze gang naar oosterse wijsheid reeds vroeg een steeds groeiend contact op geestelijk gebied mogelijk heeft gemaakt tussen oost en west en veel van de oosterse leer mede als basis heeft gediend van, of ingevoegd is, in de gedachtegangen en leerstellingen en inwijdingsscholen die voordien in het westen bestonden.

Daarnaast moet ik opmerken dat uitspraken als de door u geciteerde, berusten op een vergelijk met natuurlijke verschijnselen. Soortelijke uitspraken kunnen wij overal tot in het verre verleden vinden. Lang voor er sprake was van een Boeddha, in de tijden dat het Hindoerijk zich uitbreidde en zijn grote tempels overal oprichtte – de groot-stoepa, de Borobudur is hiervan een overblijfsel – werden dergelijke vergelijkingen en stellingen reeds als verklaring van een leer gebruikt. Het boeddhisme heeft hiervan veel overgenomen. Bedenk wel, dat de leer van de Boeddha geen geheel nieuwe openbaring was, maar eerder een hernieuwing van het oude door de Leraar, die het in een juistere en begrijpelijker vorm brengt. Vele zinloos geworden regels en voorschriften heeft hij buiten werking gesteld om in plaats daarvan, mede aan de hand van de reeds bestaande leer, de mensheid het juiste pad der bewustwording te tonen.

De aanwezigheid van spreuken, als de door u aangehaalde, voordat van een vertaling van de geschriften plaats vond, lijkt mij dan ook – tenzij u er een beroep of roeping van maakt deze dingen na te gaan – weinig belangrijk. Belangrijk is immers niet, waar iets vandaan komt, doch alleen, wat het is. Wanneer u uitgehongerd bent en men biedt u voedsel aan, vriend, zult u niet vragen, waar het werd verbouwd, waar het verwerkt werd, waar het groeide, op het land of in de zee. U zult zeggen: Wanneer mijn honger eerst gestild is, zal ik mijn krachten herkrijgen en voldaan zijn. Dat alleen is belangrijk.

Ook geestelijke honger kan nooit gestild worden en van een geestelijke verzadiging en herwinning zal nooit sprake zijn, wanneer men eerst het hoe en het waarom van de u gegeven stellingen en hulpmiddelen na wilt gaan in zuiver stoffelijke zin, zonder die eerst te gebruiken.

Wie tracht het hem gegeven geestelijk voedsel te begrijpen, vindt daarin een mogelijkheid vele schreden verder te gaan op het pad der verlichting.

  • Is het Zenboeddhisme nog veel anders?

Het Zenboeddhisme is een zuiver filosofische richting, die eerst later uit het boeddhisme is ontstaan. Zij heeft haar oorspronkelijke waarden ontleend aan een vermengen van boeddhistische stellingen met stellingen uit de Chinese klassieken. Als een mystieke godsdienst is dit Zenboeddhisme vandaar naar Japan vertrokken, waar het nu nog zijn grootste betekenis heeft en het langste zuiver bewaard is gebleven. Het Zenboeddhisme kan niet zonder meer met het oorspronkelijke boeddhisme worden vergeleken, tenzij men meent dat een inwijdingsleer die bijvoorbeeld op het christelijke geloof is gebaseerd – zoals sommige leringen van het Rosecrucian Fellowship en enkele loges – kunnen worden geacht een deel van het Christendom zelf te zijn. Er is in beide gevallen een gemeenschappelijke basis. Denk- en ook handelwijzen liggen zodanig verschillend, dat naar mijn mening ten hoogste mag worden gezegd, dat het Zenboeddhisme een in zich zuiver verlicht product is van de boeddhistische filosofie, verrijkt met de wijsheden van andere denkers en volkeren, dat met het eigenlijke boeddhisme slechts beperkte waarden gemeen heeft.

  • Wordt het oorspronkelijke boeddhisme nu nog beleden?

Het oorspronkelijke boeddhisme was het vrije boeddhisme, dat tegenwoordig – evenals menige kerk – gesplitst wordt in verschillende richtingen, van de zeer dogmatische en orthodoxe, tot de zeer vrijzinnige. Voor de wijze zal ook hier gelden, dat geen van deze richtingen, met uitsluiting van alle anderen juist is, daar eerst in een innerlijke erkenning van de waarheden en een uit zich vrijelijk in de praktijk brengen daarvan, een innerlijke waarde kan worden bereikt. Orthodoxie bestaat ook heden nog. Het sterkst op Ceylon, daarnaast ook wel aan de kusten van India. Ook in het noorden vinden wij soms gemeenschappen die de oorspronkelijke vorm van het boeddhisme en de daarbij behorende denkwijzen nog zuiver trachten te behouden. Er waren enkele van deze gemeenschappen in China, kleine groepen vinden wij ook in Japan. Deze groepen falen weer op een andere wijze: zij houden zich te streng aan de eens gegeven interpretaties en regels, waardoor een zelfstandige bewustwording moeilijker wordt.

Het vrijzinnige in het boeddhisme is naar mijn mening meer aan de echte aard van de leer verwant, dan elke orthodoxie. Het is een product van vele tijden en plaatsen. Een bepaald centrum kan hiervoor moeilijk worden aangewezen, maar ontstaat steeds weer en overal, waar een mens het pad erkent en zelf tot een filosoof, een zelfstandige denker wordt. Er zijn boeddhistische kloosters, waarin alle monniken een andere wijze van denken hebben. Zij spreken daarover met elkaar, vormen voor zich een zo juist mogelijke weergave van het zuivere streven naar het pad en leven in absolute verdraagzaamheid samen, zonder dat een van hen zou kunnen of willen zeggen; dit is mijn klooster, in de zin van; allen hier denken en leven, zoals ik. Slechts indien de aanwezigheid van iemand binnen de groep, of het klooster, absoluut storend blijkt te zijn en te blijven, zal men deze uit de gemeenschap verwijzen. Over het algemeen zal de boeddhistische monnik – dit geldt voor orthodoxe als niet orthodoxe richtingen – zijn roeping duidelijk maken door het dragen van een eenvoudig kleed en zijn werelds aanzien offeren door het afscheren van het hoofdhaar, de wenkbrauwen en verdere natuurlijke sieraden.

  • Bij de drie waarheden vinden wij het eigenaardige begrip, dat de mens eigenlijk geen ziel heeft.

Het wezen van de mens wordt gezien als de onmiddellijke uiting van een kracht die wij niet kunnen beseffen. Wij zijn niet in staat de eenheid met die kracht te beleven, omdat wij de bewuste binding met die kracht verloren hebben. Op het ogenblik, dat wij die eenheid bereiken, zijn wij geen mens, maar ook geen afzonderlijke ziel meer. In vele boeddhistische filosofische opvattingen moet de mens bezien worden als een blijk van onvolkomenheid.

De mens zelf wordt niet verder ontleend. In andere gevallen zegt men wel: Menselijk bestaan, of bestaan in de wereld, is niets anders dan door een eenzijdigheid van leven en bestaan niet in staat blijken te zijn de evenwichtigheid van het geheel te ervaren. De verschijnselen van het leven – bij hen die aan reeksen van helle- en hemelwerelden geloven tellen ook dezen daartoe – zijn niets anders dan een verplaatsing langs de verschillende aspecten van de werkelijkheid, zonder in staat te zijn die werkelijkheid, of die verplaatsing daarin te beseffen. Wie in de werkelijkheid bestaat, is voor hen, die deze niet kennen, niet meer. Een zuiver persoonlijk voortbestaan kan men zich hier feitelijk niet meer denken.

Voorbeeld: alle levende wezens zijn als wolken uit de oceaan des zijns opgestegen. Zij zijn neergevallen op aarde. Zij dragen met zich nog stoffen als zouten, die hun wezen vreemd zijn. Zij voeden daarmede planten, worden weer tot wolken, of gaan met de stromen naar de oceaan.

Wie de juiste weg weet te vinden, komt in de grote oceaan van Zijn terecht. Wie zal kunnen zeggen, of die druppel zichzelf nog zal zijn in de diepten van de oceaan? Zeker zal zij daarin bestaan, zover wij over substantie, of kracht kunnen praten. Of zij daarin zal voortbestaan, zoals zij vroeger was, weten wij niet. Het lijkt ons zelfs niet zeer waarschijnlijk. Een absoluut voortbestaan na bereiking op de wijze waarop u dit ziet, is voor de boeddhisten zozeer een onbewezen feit, dat zij zich hiermede niet bezig houden, doch zich er mee tevreden stellen te streven naar een absolute harmonie met het oneindige. Dit laatste alleen zal de werkelijke boeddhist dus zien als de kern van alle streven.

  • Is het shintoïsme ook een uitvloeisel van het boeddhisme?

Neen, het shintoïsme bestond reeds voordien. Het is een omvorming van wijsgerige stellingen, vermengd met magische gebruiken en politieke beschouwingen, voorstellingen van een persoonlijk Godendom, dat op aarde kan leven e.d. Er moet er een zware streep worden getrokken tussen boeddhisme, Zenboeddhisme aan de ene kant en het shintoïsme anderzijds. Ik wijs u erop, dat het shintoïsme een sterk magische inslag heeft, die het boeddhisme juist verwerpt, wanneer het zuiver is. Denk hierbij eens aan de erediensten die in shintotempels plaats vinden.

  • Welke rol speelt de barmhartigheid, die in het christendom zo belangrijk is, in het boeddhisme?

De barmhartigheid zal over het algemeen voor de leerling op het pad betekenis hebben. Hij zal immers barmhartig moeten zijn om niet te falen door een zelfzuchtig verwaarlozen van de belangen van anderen. Hij zal dit zelf nooit barmhartigheid noemen, daar het voor hem een normaal uitvloeisel is van zijn leven in de waan van lijden, die immers steeds zijn eigen waan blijft, ook wanneer zij in anderen voor hem kenbaar wordt. De gedachte van eenheid bestaat in het christendom en in het boeddhisme. Maar voor de boeddhist geldt in vele gevallen – dus niet voor alle groepen – “Ik ben één met het Zijnde. Ik ben gebonden en één met alles, wat bestaat”.

Ergens is waarheid in al deze dingen. Wanneer ik deze kan beleven, los ik als afzonderlijk wezen op en ben ik van het persoonlijke bestaan bevrijd. Om dit te bereiken, moet ik deze eenheid al zoveel mogelijk erkennen in mijn onvolmaakte toestand. Ik moet in mijzelf en anderen dit gevoel van eenheid zoveel mogelijk bevorderen. Vandaar, dat de boeddhistische priester – of monnik – wel degelijk het recht heeft door bedelen te leven op kosten van anderen. Daarnaast geldt, dat hij wel degelijk de plicht heeft anderen te helpen. Dit houdt onder meer in: het verplegen van zieken, het bijstaan van stervenden, het geven van onderwijs, advies onder geheimhouding. In het noorden zijn vele monniken tevens wichelaars. Deze taken zijn voor de monnik niets anders dan een middel om de kosmische harmonie sterker uit te drukken door zijn dienstbaarheid aan anderen. Hij dient daarbij elke onthechtheid trachten te voorkomen. Indien de keuze gaat tussen helpen en onthechting zal deze laatste, de voorkeur hebben. Dit laatste veroorzaakt strijdigheden in vele betogen.

Men beantwoordt dan ook de vraag, of barmhartigheid noodzakelijk is voor bereiking, met een neen. Barmhartigheid – zo stelt men – is een menselijk element, dat op zichzelf edel is, maar degene die op het pad gaat, kan niet barmhartig zijn. Hij dient steeds de Schepping, waarvan hij deel is. Het is voor mij geen feitelijk verschil, doch slechts een zuiver theoretisch onderscheid. Jezus zegt: Heb uw naasten lief gelijk uzelf… . Wanneer je iemand liefhebt gelijk jezelf, ben je dan nog barmhartig? Kan een mens barmhartig zijn tegenover zichzelf? De werken van barmhartigheid betekenen een weg, die gevolgd kan worden. Een typische weg overigens die uit verschillende delen bestaat. Zij vormen voor de mens slechts een weg, om tot eenheid te komen met de mensheid, de naastenliefde te ervaren. Is nu het concept van de naastenliefde binnen het christendom eigenlijk zoveel meer, of minder, dan een concept dat ons zegt dat alle dingen één geheel vormen, waarbij elke persoonlijke beleving maar een afwijking van het geheel betekent en daardoor tegens een scheiding ervan? Is het niet vreemd, dat de boeddhist in zich naar verlichting zoekt, terwijl de christen in zich zoekt naar het Koninkrijk Gods? Zijn deze beide eigenlijk niet identiek? De wegen van de grote meesters op deze wereld leiden allen naar hetzelfde doel. Wanneer wij de leer afzonderlijk bezien, zonder daarbij te bezien, wat de mensen erbij gemaakt hebben, kunnen wij grote en treffende overeenkomsten vinden. Ook in de levens van de leraren zijn deze te vinden. Wanneer Jezus predikt, wil zijn moeder Hem terughouden. Hij wendt zich tot haar en zegt: “Vrouwe, wat heb ik met u van doen?…” De vader van Prins Siddharta, die reeds Boeddha is geworden, is ernstig ziek en dreigt te sterven. Op dat ogenblik onderricht de meester zijn volgelingen in een ander rijkje, dat betrekkelijk ver van zijn geboorteplaats ligt. Telkens, wanneer de boden van de vader komen om hem naar huis te roepen, is zijn antwoord: “Mijn taak ligt hier… “. De Boeddha leeft reeds in het Niet-Zijnde – zo genoemd vanuit menselijk standpunt – en weet, wanneer zijn vader zal sterven. Hij is immers deel van alle dingen, ook van zijn vader. Hij is dan wel op het ogenblik van de dood aanwezig en helpt hem. Zoals Jezus met Zijn laatste woorden spreekt tot Zijn moeder en Zijn leerling Johannes, wanneer Hij gekruisigd wordt en Zijn andere taken dit dus dulden. Parallellen zijn in grote mate te trekken tussen de levens van alle leraren, wanneer wij maar de verschillen, die door het milieu worden veroorzaakt, trachten uit te schakelen.

Ik meen, dat ook dit pleit voor een in de boeddhistische filosofie steeds weer voorkomende stelling: er is een grote waarheid, die voor ons niet vatbaar is. Elke uiting van die waarheid moet bij een uiting van die waarheid een steeds grotere onthechtheid tot stand brengen. Alle punten van de weg, die worden gegeven – dit geldt voor elk geloof – zijn niets anders dan de stappen die wij moeten zetten om onszelf van de waan te bevrijden en zo tot een inzicht van de waarheid te komen.

  • Bent u boeddhist geweest?

Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik geen boeddhist geweest ben. Dat is niet belangrijk. Dit zult u wel leren, wanneer u bij ons komt. Streven naar waarheid en zelfkennis is de enige werkelijke band die er kan bestaan tussen mensen of geesten. Verschillen van godsdienst vallen dan weg. Ongetwijfeld is dan een belangrijk punt in het leven bereikt, omdat je leert de waarheid ook in het denken en geloof van een ander te respecteren, zodat je juist daardoor in eigen denken en geloven een grotere waarheid kunt bezitten. Ik moet overigens verklaren, dat ik zelf slechts een hindoe was van de kaste der handelaren, dus zelfs geen Brahmaan. Maar ik heb toch leren beseffen, hoe overal de waarheid te vinden is, wanneer men zich niet op de uiterlijke vormen en vastgelegde denkwijzen alleen werpt, maar zich bezig houdt met de weg, die hierin schuilt, met de methode tot streven. Deze is de belangrijkste. Het hindoeïsme is te vergelijken met het Jodendom, daar het de voorloper was van het boeddhisme, zoals het Jodendom de voorloper van het Christendom was. In beide gevallen is er sprake van een voortzetting van vele der bestaande begrippen, maar vergezeld van een innerlijke vernieuwing en een nieuwe openbaring. Dit neemt niet weg, dat in elk van de genoemde godsdiensten en de meeste andere een volledige bereiking mogelijk is en blijft. De bereiking is immers niet in de uiterlijke benadering van de leer, maar in de innerlijke beleving van de mens en zijn streven naar volmaaktheid gelegen. Mijn uitdrukking van spijt was dan ook niet bedoeld als een afbreuk doen aan de waarde van mijn vroegere geloof, maar een betuiging van spijt, dat ik niet kan spreken met het gezag, dat u aan een boeddhist zou hebben toegekend.

  • U brengt het er anders maar goed af.

Dan is het maar goed, dat ik geen boeddhist ben. Want in dat geval had ik moeten vrezen dat deze woorden mij er toe zouden kunnen verleiden mij van het pad der onthechting af te keren en mijzelf te loven.

 Esoterische beschouwingen

In dit tweede deel van de bijeenkomst komen wij weer zelf aan het woord. In dit deel trachten wij steeds weer u iets te vertellen over esoterie en wat daar zo mee samenhangt. Het is mogelijk dit zeer plechtig te doen; het is ons evenzeer mogelijk meer praktisch te blijven. Voor beide wijzen van behandeling zijn altijd wel liefhebbers in de zaal.

Op het ogenblik dat je leeft – of je dat nu wilt of niet – ben je ingeschakeld in een meer omvattende levensgang. Wij zeggen meestal dat wij geschapen zijn in het eerste ogenblik van de Schepping. De wil Gods was de eerste Openbaring. Op het ogenblik dat deze wil zich openbaarde, bestonden wij, ook al zijn wij ons niet van dit bestaan bewust geweest op de wijze waarop wij ons nu van ons leven bewust zijn. Vanaf het ogenblik van ons ontstaan worden wij gedreven. Ik wil niet zeggen, dat wij een soort ingebouwde robotbesturing hebben, maar toch kunnen wij erop rekenen, dat ergens in ons wezen iets schuilt, dat het ons onmogelijk maakt gelukkig te zijn, tenzij wij in een bepaalde richting zoeken, naar werkelijk leven en bereiken.

In de esoterie vinden wij dit alles met vele en vaak geheimzinnige woorden omschreven. De fasen waarin het bewustzijn zich ontwikkelt, worden dan vaak weergegeven als de treden van een trap, bv. 7 x 3 x 3, ofwel: 7 x 9. Wij vinden deze fasen van ons wezen verder aangeduid in de mysteriën van de poorten. Het mysterie van de zeven poorten bijvoorbeeld. Altijd weer  probeert men u duidelijk te maken, dat je na het beëindigen van een fase weer in een nieuw bestaan binnentreedt, een nieuwe wereld leert kennen. Daarin kun je en moet dan nieuwe kennis opdoen.

Vergelijking: In de USA had je automatische bioscopen. De inrichting daarvan was eigenlijk heel eenvoudig. Om binnen te komen moest je een munt gooien in een tourniquet. Was je daar doorheen, dan stond je voor in de zaal. Enkele rijen stoelen waren onmiddellijk bereikbaar voor je. Wilde je verder gaan, dan moest je eerst weer een ander tourniquet passeren en ook daarin een munt gooien. Zo was het zelfs, door steeds maar weer munten in de draaihekjes te blijven gooien, mogelijk tot de meest luxueuze plaatsen van de inrichting door te dringen. Nu wil ik niet zeggen, dat wij in het leven direct behoefte hebben aan luxe plaatsen. Het is een feit dat je in de bioscoop een helderder beeld ziet, naarmate je meer naar achteren zit, terwijl de punten die het beeld uitmaken, niet meer opvallen. Je ziet op een afstand duidelijker, terwijl je tevens meer op een afstand blijft van het gebeuren en daardoor niet zo snel meer wordt meegesleept. Misschien hebt u andere ervaringen, maar ik weet uit de gedachten van velen, dat het voor de meeste mensen toch wel zo is.

Zet dit nu om op geestelijk terrein, dan krijg je dit: God is het geweest die voor ons de entree in het leven heeft betaald door Zijn wil. Wanneer wij verder willen gaan, zullen wij dit eerst moeten willen. De wil kan eerst redelijk ontstaan aan de hand van kennis. De nodige wil kunt u steeds weer vergaren door meer kennis te verwerven, zoals in de bioscoop de centjes, die u in de gleuf gooit ook ergens vandaan moeten komen. Soms zullen zij uit een erfenis, of een loterijprijsje kunnen stammen, maar in de meeste gevallen zul je ze toch met werken hebben moeten verdienen. De esoterie, die op uw wereld steeds wordt behandeld, mag u wel zien als een arbeid, waardoor u het noodzakelijke geestelijke vermogen, de kennis en de wil, die u dan als geestelijk geld kan dienen. Studie, zelfstandig denken, een pogen zelfstandig iets te beleven, behoren bij de taak.

Wanneer je verder gaat op het pad der bereiking, komen daar mystieke belevingen bij, symbolische handelingen, waardoor je tracht je op een hoger geestelijk vlak te plaatsen enz.

Het product daarvan is de geestelijke waarde, die noodzakelijk is om verder door te dringen in de waarde van het leven. In de bioscoop moet je je centjes van het begin af aan bij je hebben.

In het leven is het anders. Wanneer je eenmaal binnen bent in dat leven, zul je op elke trap je eerst de middelen voor een verdere bewustwording, een overgaan naar een volgende trap moeten verdienen.

Tot zover is de gelijkenis aardig. Nu komt de vraag: Hoe moeten wij dit werk dan zien? Niet elke trap zal aan de mens dezelfde eisen stellen. De mogelijkheden liggen dan ook anders dan in het normaal stoffelijke leven. Wanneer je begint verder te gaan, heb je allereerst een heel grote waarde nodig. Dat is het geloof. Dat klinkt u misschien wat vreemd. Om een bewustwording te kunnen beginnen, is geloof een eerste noodzaak. Zonder dit geloof kom je namelijk niet tot een verklaren van wat er rond je is en dus ook niet tot een gerichte waarneming. Dit geloof is alleen maar voldoende om de eerste poort door te gaan.

De tweede fase bestaat uit het verwerven van kennis en het komen tot kritisch en zelfstandig denken. Het is niet voldoende, dat u iets gelooft, of iets weet, maar u zult dit binnen uzelf tot een zekere harmonie, tot een voor u aanvaardbare eenheid moeten kunnen brengen. U dient instaat te zijn uw geloof te wijzigen tot voor u de meest juiste geestelijke condities ontstaan. In het begin zult u ongetwijfeld gaan eisen dat een ieder hetzelfde geloof heeft als u. In de tweede fase leert u beseffen dat geloof uiteindelijk een zeer persoonlijke kwestie is. U zult misschien nog trachten anderen te overtuigen van de juistheid, die uw zienswijze, krachtens uw weten bevat, maar u zult toch niet meer zonder meer stellen, dat u alleen maar weet, wat waar is.

Heeft u deze toestand bereikt en voldoende kritisch vermogen vergaard, dan bent u klaar voor het passeren van de derde poort, die u op een gebied brengt, waar het noodzakelijk is niet alleen elke zaak vanuit eigen standpunt te bezien, maar tevens een overzicht van alle zaken in samenhang moet worden verworven. Zoals wij op de avonden hier zo vaak spreken over onderwerpen die schijnbaar alleen zijdelings met geestelijke waarde te maken hebben, zo zult u in de derde trap te maken krijgen met wetenschap, filosofie, met verschillende denkwijzen en geloofssoorten, waaruit u voor uzelf nieuwe waarden zult moeten puren. U zult ervoor moeten zorgen, dat u een eigen weg verwerft. In deze fase kunnen wij niet zonder feitelijk weten verder gaan. Dit moet u goed onthouden. Geen geleerdheid in de eerste plaats, maar een weten. Het is noodzakelijk, dat je voor jezelf een duidelijk en klaar omschreven beeld van je wereld bezit.

Ben je zover, dan sta je nog veel vreemder dan voordien tegenover het raadsel, dat wij God noemen. Het is pas in de vierde fase – bij een indeling in 7 poorten – dat God in ons bewustzijn een duidelijkere en grotere rol gaat spelen. Het geloof is op dit ogenblik als tot een zuiver persoonlijk ervaren teruggebracht. Uiterlijk kun je natuurlijk nog elke bestaande vorm van geloof aanvaarden, maar innerlijk heb je een geheel eigen beleven van God. Je kent a.h.w. een geheime naam van God, die uitdrukking geeft aan de persoonlijke band tussen jou en je Godheid. De grote vraag in deze fase wordt: Kan ik met mijn beperkt weten, mijn beperkte wil en mijn beperkte vermogen, die God voor mijzelf steeds reëler maken? In de mystieke bewegingen spreekt men rond deze fase van het kennen van de geheime naam en het eerste woord der Schepping. Deze geheime naam, dit grote woord is dan de uitdrukking van een geheime machtsverhouding. Het feit, dat wij de eigenschap van het scheppend principe  erkend hebben, maakt het ons mogelijk a.h.w. boven de rest van de Schepping te gaan staan. Niet omdat wij meer zijn dan anderen, maar omdat wij een verder reikend inzicht in de bedoelingen van de Schepper hebben gewonnen.

Studie speelt ook in deze fase nog een belangrijke rol, ofschoon de daad, de praktijk, al meer op de voorgrond komt. Het is duidelijk dat wij op het ogenblik dat wij in weten of denken komen tot een verder gaande eenheid met het Goddelijke, zullen moeten gaan bewijzen, dat wij die Godheid voor onszelf aanvaarden en steeds meer werkelijk willen maken. Onze leefwijze moet aan de gekende God steeds meer worden aangepast. Zijn wij zover, dan gaan wij de volgende – of 5de – poort door. Vanaf de 5de trap zijn wij steeds meer instrument van de Goddelijke wil. Niet, dat wij alle dingen kunnen weten, ook al dragen wij die geheime naam in ons. Wij voelen dat wij niet alleen gedreven worden, of zelf bewegen, maar indien wij dit kunnen aanvaarden naar onze aard en bestemming bewogen worden. Wij erkennen in deze fase binnen onszelf twee afzonderlijke wezens. De eerste persoon in ons is de mens Jan, Piet, Maartje, Hetje, of wat voor naam je hebt. Het andere deel van het ik, dat afzonderlijk ervaren wordt, is het deel van de Godheid, dat zich binnen deze persoon manifesteert. U weet aan de ene kant heel goed, dat u mens bent met menselijke gedachten en wensen, met eigen geest en sfeer, met eigen vrienden, met eigen kennis. Anderzijds voel je: Ik ben deel van het eeuwige. Dit eeuwige moet ik trachten steeds meer voorrang te geven. Daardoor krijg ik dan in mijzelf de mogelijkheid om werkelijk actief te worden voor God.

Voortaan heb je twee functies in het leven i.p.v. één. Met het bereiken hiervan ga je door de zesde poort. Die zesde trap geeft u enerzijds de taak het ik op te bouwen tot een steeds groter persoonlijk begrip en beleven van God, een verbinding tussen hemel en aarde, anderzijds ben je bezig de Goddelijke, in je dringende krachten tot de aarde te brengen. Je bent dus een verbinding tussen hemel en aarde. Wordt het eerst erkende deel van het ik tot een kracht, die steeds sterker naar God toe groeit, zo wordt het tweede deel een Goddelijke kracht, die binnen hetzelfde Ik steeds verder tot de wereld nadert.

Gedurende de gehele zesde trap blijven deze waarden in het ik voor het bewustzijn gescheiden.

In de 7de trap zijn zij samengevoegd, daar hier voor het eerst in de gehele bewustwording het begrip ik volledig wordt gekend en gerealiseerd. Door precies te weten, wie en wat je bent, weet je nu ook precies, wie en wat je dient te zijn binnen het volmaakte plan der Schepping. Het gevolg is, dat het stoffelijke wezen en het geestelijke wezen zich geheel aan zullen passen aan de bedoelingen die God had met het scheppen van het wezen. Je bent dan een intrinsiek deel van de Schepping geworden – ook volgens eigen bewustzijn – zonder dat er nog sprake zal zijn van een pogen eigen wegen te gaan. De band die tussen de twee delen van het Ik ontstaat en wordt sterker gemaakt, daar zich de Goddelijke kracht op aarde niet alleen onmiddellijk door het wezen openbaart, maar ook rond dat wezen. Je zou kunnen zeggen, dat het gedrag van die twee zijden iets is als een strip van Möbius. De slag die daarin zit, maakt het je moeilijk nog te bepalen wat nu de binnen- en buitenkant is. Zo ook hier: het ene ogenblik is het stof, maar het volgende ogenblik voel je aan schijnbaar dezelfde zijde: hier is God. Het ene ogenblik wendt God zich door jou tot de Schepping, het volgende ogenblik wend jij je door God tot de Schepping. Naarmate de eenheid groeit, zul je begrijpen: Het Goddelijke, dat door mij heeft gewerkt, de kracht, die mij steeds weer is gegeven, is eigenlijk niets anders dan een keerzijde. Sta ik aan de ene zijde van de medaille, dan staat aan de andere zijde God. Ik zei reeds, ik weet niet of mijn onderwerp wel praktisch is. Je krijgt aan de hand van dit beeld misschien een beter idee van je eigen toestand en zou daaruit tenminste enig begrip kunnen krijgen van de zeer belangrijke fasen in uw bewustwording. In de wereld kent men een spreuk – naar ik meen staat deze ook hier buiten op het gebouw – “Ken u zelf.” Dat is zeer belangrijk. Maar werkelijke zelfkennis kan pas bereikt worden, wanneer voldoende wereldkennis bestaat. Probeer nooit jezelf helemaal te kennen en te begrijpen wanneer je je wereld nog niet kunt begrijpen. Zorg eerst eens, dat je over voldoende kennis en wijsheid kunt beschikken voor je te ver in jezelf doordringt. Blijf wel jezelf steeds toetsen. Werk van buitenaf. Lees desnoods Freud, Jung, de oude en de nieuwe filosofen, de politieke schrijvers. Studeer in welke richting u maar wilt. Telkenmale, wanneer u dit een tijd hebt gedaan, moet u uzelf de vraag stellen: wat ben ik? Wanneer je meent er een antwoord op te krijgen, laat het er dan niet bij, maar blijf studeren, streven en vragen. Daardoor ontstaat – langzaam maar zeker – als een wazige vorm, waaruit zich een gestalte gaat vormen: een idee, van wat je in werkelijkheid zou kunnen zijn. Dit kan een ieder doen in zijn leven.

Neem mij niet kwalijk dat ik hierbij meteen wijs op een menselijke zwakheid. Je bent al heel snel geneigd te zeggen: “Maar dat weet ik dan toch maar”, of “daar doe ik geen moeite voor, want dat kan ik toch niet leren”. Het is niet noodzakelijk dat u precies weet hoe een 4de dimensie mathematisch uit te drukken, of hoe je een verloop van krachten bij omvorming van krachten kunt omzetten in een overdracht naar een andere dimensie, vanwaar deze “verloren” kracht weer onder bepaalde omstandigheden terug kan vloeien naar het eigen dimensionaal bestel. Dat is allemaal mooi en ingewikkeld, maar daar moet je werkelijk aanleg voor hebben. In het leven zijn er voldoende dingen, die je wel kunt leren, die je wel kunt begrijpen. Dat is onder meer een begrip voor samenhang. Zelfs een huisvrouw die dom is en aardappelen schilt, kan zich nog realiseren, dat de aardappel de knol van de plant is, dat die plant groeit, dat hemel en aarde daaraan a.h.w. mee hebben gewerkt. Tracht je steeds bij alle dingen die je ontmoet, bewust te blijven van de waarde die zij in je wereld hebben en de betekenis die zij voor jezelf dragen.

Hieruit ontstaat wijsheid, terwijl dit pad nevenbij tot kennis voert. Het is het recht van de mens nieuwsgierig te zijn, maar het is niet de plicht van God – of zelfs lagere wezens – aan die nieuwsgierigheid zonder meer en te allen tijde tegemoet te komen. Het recht jezelf vragen te stellen is echter het onmiddellijk product van het Mens-zijn. Bij het verwerven van antwoorden op onze vragen, zullen wij zorg moeten dragen, dat noch het vinden van het antwoord, noch het uiting geven daaraan ooit anderen zal kunnen schaden. Dit betekent, dat het vraag- en antwoordenspel, dat wij leven noemen, in de eerste plaats binnen het ik zal moeten worden omgezet in wijsheid en weten.

Een ander punt dat binnen de esoterie zeer belangrijk blijkt, is dit: wanneer je je eenmaal wendt tot een bepaalde richting – of leer – is het nutteloos deze halverwege te verlaten. Wanneer deze leer – of geheimschool – echter geen nieuwe impulsen meer geeft, terwijl het ik onbevredigd blijft, omdat het aanvoelt niet meer voldoende vooruitgang te maken, omdat het niet voldoende bereikt heeft, is het je plicht verder te zoeken. In sommige gevallen zal je zien, dat een volgende leer – of stelling – een aanvulling van het voorgaande betekent. Daardoor ontstaat dus een uitbreiding van wat je reeds bezat. In andere gevallen zal je zien, dat je iets van wat je meende verworven te hebben, moet laten vallen, om op een nieuwe weg verder te gaan. Het is uw recht verder te gaan. Niemand mag zich tot in eeuwigheid aan bepaalde stellingen gebonden achten. Wel dient men trouw te blijven door anderen niet de voor hen nog bestaande waarde van geloof of stellingen te ontnemen, voor zij rijp daarvoor zijn. Er bestaan op deze wereld vele verschillen van rang en stand, van geloof en opvoeding, van ras en huidskleur. Deze verschillen mogen niet tellen, waar het om bewustwording gaat. Men zegt op aarde zo graag, dat alle mensen broeders en zusters zijn. Indien wij voelen dat dit wenselijk of waar is, dan dienen wij dit ook door onze handelingen waar te maken. Wij mogen rustig eens met elkaar redetwisten over een godsdienstig puntje, maar wij mogen dit nooit alleen maar doen om zo de meerdere van een ander te zijn. Wij moeten steeds van elkaar willen leren en elkaar willen helpen. Hoe meer je een dergelijke houding ten overstaan van de wereld aan kunt nemen, hoe meer je deze ook binnen jezelf geestelijk zult ervaren en om zult kunnen zetten tot geestelijke kracht, die voor jou een verdere bewustwording mogelijk maakt. Het ligt er niet alleen aan, wat je doet, maar vooral, hoe je het doet. Dat laatste is het belangrijkste. Er bestaan vele en verschillende wegen, die allen een kennis van andere werelden, van God en ook van het ik kunnen geven. Een ieder heeft het recht zijn eigen weg te gaan. U bent verplicht een ieder, die u op zijn weg kunt helpen, ook metterdaad te helpen.

Er is nog een punt, dat maar al te vaak over het hoofd wordt gezien: wanneer iemand een voertuig heeft, waarmee hij regelmatig in het verkeer komt, dient hij er ook voor te zorgen dat dit op redelijke wijze in stand wordt gehouden. Waar een mens zijn lichaam, zijn hersens enz. nodig heeft, daar deze voor hem het middel vormen, waarmee hij verder kan gaan, is hij verplicht voor dit lichaam op de best mogelijke wijze zorg te dragen. Ook voor een ander is het lichaam belangrijk. Wij zijn dus ook verplicht anderen bij te staan, opdat ook zij in een zo goed en dragelijk mogelijke lichamelijke toestand zouden kunnen blijven verkeren. Het heeft geen zin ons alleen met het abstracte bezig te houden. Onverschillig in welke wereld wij ook leven, zolang die wereld voor ons de enige, of zo goed als de enige is, zullen wij in die wereld ook moeten leven volgens de waarden van die wereld. Het abstracte kan ons een aanleiding zijn tot een herzien van denkbeelden omtrent eigen wereld en eigen persoon. Dit is waar. Maar dan zal het abstracte alleen moeten gebruikt worden als een middel, dat nieuwe realisaties om doet zetten in concrete feiten. Onthoudt, dat in de esoterie, de magie en de geheimscholen, evenals in het eenvoudigste geloof, het niet alleen aankomt op de stellingen, maar ook op de praktijk.

Verhaal: Er was eens een man die op aarde naar zijn eigen denken buitengewoon goed had geleefd. Toen hij overging, zag hij al het goede wat hij in het leven had gedaan, als bagage die hij in een koffer mee kon nemen naar de hemel. Nu zijn gedachten voor de geest realiteit, dus had hij inderdaad een schitterende koffer. Petrus is heel voorzichtig, wanneer men met koffers de hemel in wil gaan.

“Wat heb je daar?” vroeg Petrus…

“O, mijn goede daden. Ik ben altijd goed geweest voor mijn medemensen. Ik heb veel goed gedaan. Dat is hetgeen ik nu meebreng”.

“Zo zo. Van buiten ziet het er mooi uit. Laat maar eens zien wat er in zit.”

“Dat weet ik niet precies, maar zwaar is hij. Ik kan het weten, want ik heb de hele weg naar de hemel er mee moeten sjouwen.”

“Doe dan maar eens open. Ik kan u niet zonder meer met een koffer binnen laten. Bovendien zegt u, dat dit uw aanbeveling is voor het binnengaan in het hemelrijk, dus….” De man deed de koffer open en schrok, want er zat niets anders in dan keistenen. “Dat is bedrog”, zei hij.

“Ik kan u niet binnen laten, omdat u een paar stenen hebt meegebracht. Ga terug naar de aarde en tracht er achter te komen, wat er oorspronkelijk in uw koffer heeft gezeten.

De man keerde naar de aarde terug en zocht heel zijn leven door. Maar a.u.b. kostbare kleinodiën van goed, vond hij werkelijk niets anders dan keistenen. Begrijpen deed hij het niet.

Daarom bad hij tot God hem duidelijk te maken, waar hij gefaald had. Opnieuw zag hij zijn hele leven terug. Zo leerde hij, dat hij wel veel goed had gedaan in de wereld, maar dit toch nooit had gedaan om goed te doen. Al het goede in zijn leven had hij alleen gedaan omdat het nu eenmaal zo goed staat, wanneer je goed bent. Hij had gewenst, dat ieder hem een goed mens zou noemen. Daardoor was al zijn goedheid alleen uiterlijk geweest. Die uiterlijke goedheid was de fraaie koffer geworden. Daar er verder in hem niets anders was geweest als de last van een te stoffelijk denken, had hij ook niets anders dan keistenen om mee te brengen. De man weende daarom zeer en ging het pad naar de hemel terug. Toen hij daar was aangekomen en de koffer opende, terwijl hij zijn schuld bekende en verklaarde, dat hij als resultaat van zijn leven niets anders dan keistenen over had, weende hij: “Ik heb voor niets geleefd en dat spijt mij”.

“Laten wij de zaak nog een keer bekijken, maar ik vrees, dat ik niet veel voor u kan doen”.

Toen zij in de koffer keken, zat daar geen keisteen meer in, maar alleen een heel kleine diamant. Toch had die kleine edelsteen glans genoeg om Petrus ervan te overtuigen, dat deze mens recht had de hemel binnen te gaan.

Het waarom zal u wel duidelijk zijn. Niets is in een mensenleven kostbaarder dan het durven en willen toegeven van eigen fouten; niets draagt meer tot bewustwording en het verkrijgen van zelfkennis bij dan juist deze erkenning.

image_pdf