Godsdienst en gezag

image_pdf

 14 april 1961

Aan het begin van deze avond wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Als onderwerp voor heden koos ik: Godsdienst en gezag.

Menigeen zal dit onderwerp wat eigenaardig vinden, of schouderophalend zeggen: “Dat is hetzelfde als twee jongens, die elkaar steeds weer het balletje toegooien”. Toch is dit niet juist. Gezag wordt door de doorsnee mens moeilijk aanvaard, indien hiervoor geen dringende redenen aanwezig zijn. Wel is iedere mens in het leven geneigd voortdurend op zijn recht te staan en voortdurend anderen bepaalde verplichtingen op te leggen. Maar wanneer het erover gaat eigen verplichtingen zonder meer steeds na te komen en gezag van bovenaf zonder morren te aanvaarden, komt men met vele bezwaren. De doorsnee mens heeft zelfs geen voldoende begrip voor de noodzaak tot voortdurende zelfbeheersing en discipline. Het is dan ook begrijpelijk, dat men reeds in de prille tijd van de mensheid zocht naar een methode om het gezag van de heersende partij te vestigen op meer dan kracht alleen.

In het begin was de basis van het gezag vaak bijgeloof. Wij vinden op het ogenblik bij sommige (on- Red.) beschaafde volkeren dergelijke praktijken nog. U hebt misschien wel eens gehoord van het z.g. zoem- of bromhout, een soort slinger, waaraan een holle bamboe, of een hol stuk hout is bevestigd. Wanneer men dit apparaat snel doet draaien, brengt het een eigenaardige toon voort. Dit geluid heet bij sommige volkeren de stem van de Goden. Bij een bepaalde negerstam gebruikt men dit geluid als volgt: Wanneer de mannen onder elkaar willen praten, of plechtigheden vieren, klinkt dit geluid eerst buiten, daarna ook in het dorp. De vrouw – of het kind – dat buiten de woning komt op het ogenblik dat deze waarschuwende stem van de Goden klinkt, wordt gedood. “Door de God”, naar men zegt. Er lopen mannen, die vermomd zijn, door het dorp en slachten ieder, die zich onbevoegd nog buiten de woonruimten vertoont, met een mes of assagaai. Het gevolg is, dat alles, wat met dit geluid samenhangt, voor deze stam een zeer bijzondere waarde heeft. Een besluit van de stamraad, dat ondersteund wordt door het klinken van die geheimzinnige stem der Goden buiten het dorp, kan niet meer worden betwijfeld of bestreden.

Op een dergelijke wijze heeft men in de oudheid dus angst en bijgeloof met elkaar verenigd en als middel tot machtsuitoefening gebruikt. Wanneer men de gevestigde macht aantastte, werd men door geheimzinnige geesten en demonen bedreigd, die ook wel de vorm van wilde dieren aannamen. Rampen, die over een stam kwamen, waren altijd het gevolg van een tekort schieten t.o.v. de Goden of geesten. Door offers kon men deze rampen dan verder afkopen. Dank zij de angst voor het ongeziene waren de mensen inderdaad te regeren en konden meer blijvende vormen van gezagsuitoefening optreden. Reeds toen besefte men klaarblijkelijk, dat de mens gemakkelijker beheerst en geregeerd wordt door spoken uit zijn eigen voorstellingsvermogen, dan door welke kracht van buiten af dan ook. De eerste slagzin van de machthebbers was dan ook: speculeer op de angsten, die in de mens leven. Op deze wijze kun je hem beheersen.

Op de duur kwamen uit de eenvoudige groep van tovenaars en magiërs natuurlijk godsdiensten voort. Dit waren veelal erediensten met vaststaand ritueel, terwijl offerpriesters en zieners, duiders van tekenen, de wil van de Goden bekend maakten. Om het gezag te bevestigen en te behouden deed men ook hier, zelfs indien men binnen het priesterschap wel beter wist, steeds weer een beroep op de angst van de mens voor het onbekende en het bijgeloof.
Voorbeeld uit deze dagen: er zijn in Tibet bepaalde gebieden, waar men gelooft aan machtige demonen, die de wereld kunnen beheersen. Deze demonen zijn door priesters geketend en opgesloten. Hun kentekens zijn een eigenaardig geluid en de stem van de demon, die door een medium onverstaanbare woorden prevelt, die later door wijzen worden vertaald. De stem van de demon doet denken aan de lange horens, waarop men tijdens feestelijkheden wel blaast, maar is even diep en veel klagender. De priesters gebruiken hiervoor een horen, die door drie mensen tegelijk moet worden geblazen. Voor de mond van het instrument brengt men een soort molentje aan, waardoor het geluid vibreert en onregelmatig gaat klinken. Wanneer deze klank gehoord wordt buiten de feesten van bezwering om, is het een bewijs, dat de demon toornig is. Door offers stelt men dan de priesters in staat de demon opnieuw en beter te ketenen. Zelfs in deze dagen, nu Rood-China Tibet beheerst, klinkt dit geluid soms nog in de bergen. Alle mensen, die dit horen, zijn dan zeer angstig en geven alles aan de verzetsstrijders of monniken wat deze maar begeren. Dank zij dit gezag gevende geluid kunnen verzetsstrijders alles eisen, wat zij begeren en hoeven zij niet te vrezen, dat men hen aan de rode gezaghebbers zal verraden. Ook in het westen geloven nog velen, dat men zich niet mag verzetten tegen de wil Gods, zoals deze wordt geopenbaard door middel van een priester of ziener. Wie zou weigeren, zal het slecht bekomen, daar de toorn Gods op hem rust.

Gezag en godsdienst waren in de oudheid zozeer met elkaar verknoopt, dat er grote gebieden zijn aan te wijzen, waar heersers alleen krachtens hun afstamming van de Goden, of een verwantschap met God, op de troon konden plaats nemen en enige tijd hun troon konden behouden. Verkondigden de priesters, dat de heerser niet werkelijk met God verwant was, maar een bedrieger was, zo kwam hij niet meer aan bod en kon hij geen gezag meer uitoefenen. Het is dan ook duidelijk, dat de priesters haast altijd de werkelijke macht in handen hadden. Hieruit rijst de vraag: wanneer er geen gezag meer noodzakelijk is om een stam of rijk bijeen te houden, waar er civiele middelen tot machtsuitoefening voldoende zijn, zou het streven naar macht van de godsdiensten – zeker zolang het daaraan verbonden gezag op materieel terrein ligt – niet meer noodzakelijk en aanvaardbaar zijn? Veelal blijkt dit ook uit de grondstellingen van de godsdiensten zelf.

Waarom streven de kerken en godsdiensten dan nog steeds naar macht en nemen zij geen genoegen meer met het geestelijk gezag, dat zij bezitten? Het antwoord daarop is m.i. eenvoudig: alle godsdiensten ontstonden oorspronkelijk als machtslichamen. Zij ontstonden niet, omdat de mensen met alle geweld een bepaalde God wilden dienen, maar omdat alleen zo een zekerheid omtrent de dienstbaarheid van de bevolking kon worden gewonnen. Goden en demonen waren in de eerste plaats menselijke machtsmiddelen. Wat de sjamanen en tovenaars binnen eenvoudige stammen eens begonnen, is later door de godsdiensten, de kerkelijke organisaties, op dezelfde voet voortgezet.
Elke godsdienst heeft daarom in zich dezelfde neiging en toont een hiërarchie, die geschikt is voor het uitoefenen van macht zowel als het scheppen van een kerkelijk leergezag. Een eigenaardige wisselwerking: waar gezag is en gecontinueerd moet worden, ontstaat een vorm van godsdienst. Waar een vorm van godsdienst bestaat, tracht deze, zich daarbij baserende op de verborgen angsten in de mens, haar gezag en macht uit te breiden boven het zuiver lichamelijke, en op grond hiervan alle stoffelijk gezag aan te tasten en te wijzigen, tot het strookt met de inzichten van de godsdienst.

Misschien vindt u dit verschijnsel treurig, maar het is een feit. Omdat de mensen hieraan nu eenmaal gebonden zijn, is het m.i. dan ook goed de verhoudingen tussen gezag en godsdienst heden aan een nadere beschouwing te onderwerpen.

Allereerst een vraag. Gelooft u aan een voortbestaan na de dood?
Ja, want anders zou u hier niet zijn. Wanneer u daaraan gelooft, zo gelooft u dus ook aan het bestaan van een onbekende wereld, waarvan u geen vaste voorstelling hebt. Iedereen kan u deze wereld en de daarin vertoevende wezens dus afschilderen, zoals het hem of haar belieft. Dit geldt overigens niet alleen voor de mensen, maar ook voor de geest, ook voor ons dus. Wanneer men dit leven na de dood voor u steeds belangrijker kan maken en gelijktijdig stelt, dat het overschrijden van bepaalde stoffelijke normen – zelfs indien dit gaat over betalingen e.d. – betekent, dat men in een wereld vol kwellingen terecht komt, zo zult u dit verstandelijk misschien nog kunnen verwerpen, maar ergens in uzelf bestaat de twijfel, dat het toch wel eens waar zou kunnen zijn. Want het niet-bestaan van een dergelijke wereld vol kwellingen is eveneens niet te bewijzen.
Het is deze twijfel en de daaruit voortspruitende angsten, die een zekere macht, een groter gezag zullen geven aan de persoon, die het beeld van het hiernamaals voor u construeert. Een tweede vraag. Gelooft u, dat u in dit leven werkelijk vrij bent?
Er bestaan kerken, die een absolute vrijheid van wil prediken, maar anderen verkondigen een algehele lotsgebondenheid. Predik ik u de vrije wil, dan kan ik u voor alles, wat u doet, verantwoordelijk stellen. Deze verantwoordelijkheden kan ik, evenals de beelden van een demonische of hemelwereld, zelf scheppen en u door middel van uw innerlijke angsten en angsten dus beheersen. Gelooft u aan een absolute voorbestemming, dan is daarmede elke maatregel die ik zelf wil nemen, gerechtvaardigd en is elk verzet tegen een dergelijke maatregel nutteloos, ook wanneer ik u, door die maatregelen, het onmogelijk maak uw eigen wil te volbrengen en te leven, zoals u begeert. Ook deze scheiding is opvallend.
In sommige godsdiensten blijkt het gezag in een bepaalde stand te berusten, terwijl de macht al dan niet door leden van diezelfde stand wordt uitgeoefend. Hierbij denk ik bv. aan de sociale structuur, die zich uit de Hindoeleer ontwikkelde.

Hierbij geldt, dat iemand, die meermalen geboren is, een Brahmaan, altijd de meerdere is van alle anderen. Elk verzet tegen deze meerdere betekent automatisch verdoeming of zware straffen in dit leven en na de dood. Elke ontevredenheid met eigen stand en rang is al evenzeer een aantasting van uw geestelijke zekerheid en brengt u met de wereld van de demonen in contact. Men moet zo goed en tevreden mogelijk leven binnen de stand, en de mogelijkheden, waarmee men geboren is. Dit is nu eenmaal uw lot. U hebt dit te aanvaarden. Doet u dit, dan zal zowel het leven na de dood als een nieuwe incarnatie aangenamer zijn. Door deze vorm van geloof werd het mogelijk, dat in India enkele kleinere groepen zich lange tijd op kosten van de bevolking konden vetmesten, zonder dat het ooit tot werkelijk verzet kwam. De meest onmogelijke eisen van deze groepen werden als een Goddelijk gebod aanvaard.

De vrije wil vinden wij terug in het christendom. Er zijn zelfs nu nog predikers en priesters, die hun gelovigen voorhouden, dat men, indien men niet regelmatig naar de kerk gaat en niet de bijdragen geeft, die men wenselijk acht, verdoemd is. De stelling is hier: ik dwing u niet, u hebt een vrije wil en kunt zelf besluiten. Maar indien u niet doet, wat de wil Gods is, komt u in de hel terecht, daar u dan uit vrije wil de u door God opgelegde plichten hebt verzaakt. In beide gevallen blijkt het gezag van de kerk uiteindelijk te berusten op de angst, die de mens koestert voor het hiernamaals. Het protest, dat wij steeds weer kenbaar maken tegen een dergelijke gezagsuitoefening, zal nooit gehoord worden, waar dit het meest noodzakelijk is. Wanneer wij vanuit de geest, die immers weten, wat de dood en het leven na de dood betekenen, tot u willen spreken, zo worden wij uitgebannen als duivelen. Indien men ons niet uitbannen kan, zo spreekt men over bedrog en misleiding. Men verbiedt iedereen kennis te nemen van hetgeen wij zeggen. Men geeft nooit toe, dat deze contacten eerlijk, oprecht en juist kunnen zijn.
Vanuit godsdienstig standpunt is dit begrijpelijk. Hier wordt iets aangetast, dat nog belangrijker is dan het geloof zelf: de basis van de macht, die men op grond van godsdienstige stellingen tracht uit te oefenen, wordt door de verklaringen van de geest sterk ondermijnd.

Voor de gezaghebbende is een dergelijke macht nog op een andere wijze dienstig.
Er is een tijd geweest, dat het in de gevangenis zitten een grote schande en onuitwisbare smet op eigen wezen betekende. Men stelde zich het gevangen zijn voor als een reeks van onvoorstelbare verschrikkingen. Degene, die dit ondergaan had, was hierdoor zo verachtelijk geworden en zo zeer psychisch afstotelijk, dat hij bijna nooit meer in het maatschappelijke leven terug kon keren. De dreiging met de gevangenis, plus het begrip van zondig zijn was voor de maatschappij voldoende om alle banden met een dergelijk wezen te verbreken, waardoor zijn macht tot aantasting van de maatschappij vanzelf teloor ging.

Er is een tijd geweest, dat mensen in de gevangenis kwamen en dit als een eer konden beschouwen, waar dit te danken was aan hun verzet tegen een onrechtmatige overheerser. Het gevolg is, dat de doorsnee mens van heden niet meer bang is voor gevangenisstraf. Alleen, wanneer men er materieel veel bij te verliezen heeft, vreest men de vrijheidsberoving nog werkelijk. Verder heeft men er geen werkelijke bezwaren meer tegen en vele jongeren beschouwen een  gevangenisstraf als een accolade, een waardig verklaring.
Hierbij speelt de psychologie een grote rol: elke kwelling, die gekend wordt, is dragelijk geworden. Het is de ongekende kwelling, die voor de mens niet aanvaardbaar is, daar hij daarin zichzelf psychisch en emotioneel zal vernietigen voor deze kwelling werkelijkheid is geworden.

Vergist u niet. Ik zal zeker geen strijdkreet gaan aanheffen en verklaren, dat godsdienst opium voor het volk is. Dit is niet waar. Het is een vorm van gezagsuitoefening geworden, die niet aanvaardbaar mag heten. Het geloof kan velen een werkelijke steun zijn. Maar de daaruit gedistilleerde gezagsverhoudingen en stoffelijke verplichtingen zijn niet aanvaardbaar. Regeringsvormen, zedelijke maatstaven, wetten – zowel strafrecht enz. als grondwet, dit ongeacht hun afstamming van de Romeinse codex – zijn allen gebaseerd op de kerkelijke gezagsnormen. Het is hieraan, dat alle wetten en gebruiken hun grootste kracht ontlenen. Alleen door het geloof van de mensen zijn dergelijke wetten en regeringsvormen in staat de volkeren te blijven beheersen, zonder een algemeen verzet uit te lokken.

Voor het westen, met zijn Christelijke grondslagen, lijkt dit alles misschien nog aanvaardbaar. Maar hoe werkt dit, wanneer de mensen bv. medicijnmannen als de werkelijke vertegenwoordigers van Goden en demonen gaan zien? Een dergelijk geloof is meestal wilder, wreder en meer aangepast aan een wrede en wilde natuur. De wereld staat ontsteld over alles, wat er bv. in Congo gebeurd. Maar is dit werkelijk zo verwonderlijk? Deze mensen worden beheerst door medicijnmannen, hun geloof is wreed. Zij worden beheerst door de geesten van het woud en demonen, die in de nacht dierlijke gestalten aannemen om zich een offer te zoeken. Is het een wonder, dat dergelijke mensen wreed zijn, dat deze mensen geen rekening houden met de vormen van compromis – die het westen zo dierbaar zijn – maar westelijke zeden en moraal eenvoudig afwijzen?
Stel een andere geloofsvorm, waarin ik stel dat: alleen degenen, die dit geloof met mij delen, recht hebben op een erkenning van hun bestaan als mensen, terwijl alle anderen alleen uitgestotenen zijn, die men kan gebruiken, zoals men wil. Is het dan te verwonderen, dat een staatshoofd – en met dit staatshoofd een groot deel van zijn volk – eenvoudig weigert beloften na te komen, die aan dergelijke minderwaardige wezens gedaan zijn?

Het is steeds weer de godsdienst, die de grondslag vormt voor de moraal voor de heersende zeden in een land. Zij bepaalt de beheersing, die het individu zich oplegt en de machtsvormen en machtsuitingen, die het volk in alle tijden weer zal aanvaarden. Zelfs wanneer men tracht de machine tot God te maken en alle op het bovennatuurlijke gebaseerde godsdienst uit de mens weg te nemen, dan moet men daarvoor in de plaats iets anders geven. Dit is dan het systeem. Dit systeem kan niet als een geheel concrete waarde blijven bestaan. Ook hier zal men, ter wille van het gezag, moeten speculeren op de verwachtingen en de angsten van de mens. Wanneer die angst dan de angst wordt voor het kapitalisme en de verwachting, die van een 1000-jarig rijk, zo is dit niet veel anders dan de verwachtingen en angsten, die de doorsnee-gelovige koestert voor het leven na de dood. Men brengt alleen in de materie, wat voor de gelovige, geestelijk na de dood verwacht wordt. Op grond van deze mentaliteit schept men wederom een God op de achtergrond, die in dit geval een boek wordt, een papieren God. Deze regeert dan, zonder aanzien des persoons. Omdat men daarop vertrouwt, daarin gelooft, kan de massa beheerst worden, ongeacht de onmenselijkheid of menselijkheid van wetten en toestanden.

Juist in de huidige tijd is dit alles van belang. Wanneer uzelf hier in deze maatschappij leeft en alle conflicten meemaakt die de wereld op het ogenblik zozeer in verwarring brengen, zo meent u vaak, dat die andere mensen slecht zijn of dwaas, dat hun wijze van optreden ongehoord is. Wat Soekarno doet, is onaanvaardbaar, zeker, maar vanuit zijn religieuze achtergronden, is dit verklaarbaar. De wijze, waarop hij naar macht zoekt, is daaruit eveneens verklaarbaar. Het gebeuren in Congo, Nyasaland, in de Vrijstaat, is verklaarbaar, wanneer men deze achtergronden leert begrijpen. Indien ik nu verder moet stellen, dat vooral elke godsdienst, maar ook elke vorm van geloof, juist in de bijgelovigheden en innerlijke angsten die ermee samenhangen, emotioneel uitdrukking geven aan het karakter van een volk, een staat, of gemeenschap, zo mag ik ook stellen, dat elke incarnatie, die binnen een dergelijke gemeenschap plaats vindt, gebonden zal zijn aan de angsten en geloofsvormen van de gemeenschap en ook aan de mentaliteit, die binnen die groep bestaat.

Godsdienst is een vorm van machtuitoefening, maar het is ook een wijze van sfeervorming, van emotiebeheersing en emotierichting. Het is een vorm van leven, waarbinnen juist de minder evenwichtige mens, de vertekende mens, tot zijn recht gaat komen. Degene, die incarneert, zoekt uitdrukkelijk de gemeenschap, waarbinnen hij past, de groep, waarmee hij zoveel mogelijk harmonisch is. Hij zoekt ook de religieuze achtergronden, die bij incarnatie uitdrukkelijk niet uit het reeds bereikte bewustzijn voortkomen, maar de keuze wordt vooral in dit opzicht bepaald door de binnen het geestelijk Ik bestaande onevenwichtigheden. De vorm van gezag, die je als de meest juiste beleeft en in de stof wilt aanvaarden, de vorm van geloof en de uitstraling die je daartoe aantrekt, zijn in de eerste plaats een aanduiding van de onevenwichtigheden, die binnen het Ik van de incarnerende bestaan. Dan betekent het voorgaande heel wat meer dan alleen een politieke beschouwing.

De werkelijke macht – niet de stoffelijke – is gelegen in de geestelijke krachten en vermogens, die op aarde worden geopenbaard. Deze krachten openbaren zich overal en te allen tijde, onafhankelijk van de godsdienstige vormen, waarin zij beleefd zouden kunnen worden. Het is niet de voorstellingswereld, die bepalend is voor de kracht uit de geest, die zich op aarde kan openbaren, maar de innerlijke gesteldheid van de mens. Op het ogenblik, dat de geestelijke werking in de mens sterk wordt, valt het begrip macht enerzijds weg en komt hij tot een veel grotere persoonlijke vrijheid van leven en aanvaarden, terwijl aan de andere kant ook de angst wegvalt, die het gevolg is van de boemangedachte, die men helaas in de vele godsdiensten nog pleegt te gebruiken. Ook de verlokking van een hiernamaals vol heerlijkheden valt weg. Wat overblijft is een ethisch bewustzijn, gepaard gaande met zelfkennis, die geheel aan het geestelijk karakter van de incarnerende aangepast zijn. Dit betekent een vooruitgang op elke vroegere geestelijke status.

Wanneer u op het ogenblik uw wereld beziet, zo zal het u opvallen, dat onnoemelijk veel godsdiensten en godsdienstjes hun stempel op de mensheid trachten te drukken. Het zal u ook opvallen, dat vele van deze godsdiensten druk bezig zijn voortdurend water bij de geestelijke wijn te doen, ook al is men geneigd dit water voor zuivere en geestelijke wijn uit te geven. Zij doen dit, omdat zij klaarblijkelijk niet meer in staat zijn, dit te doen op de vroegere eenzijdige wijze, zich daarbij vooral baserend op een verstoring van het innerlijke evenwicht van de mens om blijvend hun bestaande machtpositie te vergroten of te behouden. Daarnaast zien wij, dat een groot deel van de godsdienstige groepen steeds sterker uitgrijpt in de richting van het stoffelijk maatschappelijk leven. De eens bestaande geestelijke macht wordt vooral in de laatste tijd omgezet in politieke macht, die niet meer van andere personen, maar alleen van de kerkelijke groeperingen zelf afhankelijk is.

Daarnaast ontstaan steeds meer confessionele verenigingen met een niet kerkelijk doel. Men kan in geiten- en konijnenfokkersbonden zijn, die tot de meest verschillende confessie behoren en elke confessie beweert dat je als goed gelovige, alleen goede geiten kunt fokken binnen die confessionele groep. Er zijn meer dan 70 jeugdbonden in Nederland op confessioneel-politieke grondslag enz. Men grijpt op het ogenblik steeds meer naar de stoffelijke macht. Dit verschijnsel is interessant, maar kan worden gezien als een uiting van een verandering binnen de menselijke geest op aarde. De doorsnee mens van heden komt klaarblijkelijk niet zo sterk meer onder de indruk van bedreigingen, die alleen betrekking hebben op het hiernamaals en is niet meer tevreden te stellen met beloften, die alleen betrekking hebben op een soort geestelijk Luilekkerland na de dood. De mens van heden vraagt van zijn geloof naar bepaalde resultaten op aarde. Dit pleit voor een vooruitgang in de praktische bewustwording van de doorsnee mens. Het geeft ook bepaalde noodzaken in het heden weer, want gezag kan alleen blijvend worden uitgeoefend aan de hand van in u liggende, zo mogelijk onveranderlijke en gelijkblijvende waarden.

Deze waarden kunt u ook binnen een godsdienst beleven. Dit zou eenvoudiger worden, indien binnen de godsdiensten veel weg zou vallen dat de waarheid van de leer op het ogenblik voor de leek bemanteld. Het gezag, dat uit de innerlijke waarden voortkomt en de aanvaarding van een dergelijk gezag berust voor elke geest op de volgende grondslagen:

In de eerste plaats de Goddelijke wetten binnen het bestaan. Daaruit valt af te leiden: stilstand is dood. Vooruitgang is steeds weer noodzakelijk. Zonder streven kan niemand leven.

De tweede regel leert ons, dat elke poging tot verandering zal worden bestreden. Maar elke strijd tegen een verandering brengt uiteindelijk het tegendeel van zijn doel tot stand. Er zal op  aarde en zelfs in de sferen te allen tijde een strijd blijven bestaan, die voortduurt, tot de volledige eenheid gewonnen is. Alle bewuste schepselen hebben in de kosmos hetzelfde einddoel, ook indien de wegen verschillen. Deze wetten beheersen het leven.

Hieruit trek ik de volgende conclusie: alle mensen hebben hetzelfde doel. Zij zullen moeten strijden, omdat zij verdeeld en onvolkomen zijn. Wanneer wij de volkomenheid op een bepaald gebied benaderen, zal hierin geen strijd meer bestaan, maar een steeds grotere eenheid. Dit laatste is voor het scheppen van harmonie op aarde buitengewoon belangrijk, daar deze immers alleen dáár ontstaat, waar men strijdvragen van minder belang laat rusten en zich in de plaats daarvan oriënteert op meer kosmische aspecten.

Wanneer wij iets willen behouden, zoals het bestaat, is deze drang volkomen natuurlijk. Het komt in de levenswetten tot uiting en is voor ons overal in de natuur op gelijksoortige wijze kenbaar. Wij dienen ons er van bewust te zijn, dat elk verzet tegen vernieuwingen de kracht, waarmee de vernieuwing zich aandient, vergroot, zodat de komst van het nieuwe abrupter en sneller zal plaats vinden.

Er is op het ogenblik in de wereld een vernieuwing gaande. Wanneer er verzet tegen deze vernieuwing blijft bestaan, zal door de strijd, die men tegen deze vernieuwing voert, zelf reeds de macht van het oude gebroken worden. Hoe feller het verzet is, dat het oude in behoudzucht uit, hoe zekerder wij kunnen zijn, dat snel en onverwacht de vernieuwing de overhand zal krijgen.  Ten laatste moeten wij beseffen, dat wij, indien wij genoeg bewust zijn, wij er goed aan doen elke vernieuwing te aanvaarden. Wij kunnen deze immers niet tegenhouden. De innerlijke aanvaarding van het nieuwe betekent voor het Ik een sneller vooruitgang, die zich op zijn beurt zal uiten in een intenser, beter en reëler leven.

Hoe logisch dit alles ook is, de bereiking hiervan gaat toch met vele moeilijkheden gepaard. De werkelijke macht is echter gelegen in innerlijke aanvaarding. Daardoor komen directe en kosmische werkingen binnen het Ik tot stand, die uiting geven aan de krachten, die niet alleen de mens, maar alle leven en bestaan gelijkelijk beheersen. Deze kosmische waarden zijn voor de mens, zowel als voor de geest, onaantastbaar in wezen en werking. Zij kunnen slechts aanvaard worden, of verworpen worden. Indien uit deze aanvaarding, door noodzaak tot het uiten van innerlijke waarden, een godsdienst zou voortkomen, zo zal deze altijd weer een steeds zich vernieuwend beeld van God trachten te geven en de nadruk leggen op het altijd weer achter je laten van oude concepten. Een dergelijke vorm van geloof en godsdienst mag wel gebaseerd zijn op gebruiken en waarden uit het verleden, maar nimmer aan het verleden zelf gebonden blijven, laat staan dit verleden beschouwen als enig werkelijke basis. Dit laatste zou onmiddellijk een verstarring ten gevolge hebben.

Verder kunnen wij stellen, dat het in het stoffelijke leven altijd noodzakelijk zal blijven aan bepaalde wetten te gehoorzamen. Wij willen, indien ons bewustzijn zich uitbreidt, een zekere vrijheid genieten om ons bewustzijn te toetsen aan de praktijk. Welke is nu de vrijheid, die de mens altijd werkelijk zal bezitten?

Voor mens en geest geldt het volgende: Een ieder heeft de vrijheid alle dingen te doen, die hij nuttig en gewenst acht, tenzij deze tegen zijn natuurlijke geaardheid ingaan, dit onder voorbehoud, dat men zonder meer bereid is de gevolgen van eigen daden te aanvaarden. Iedereen is geheel vrij zich voor de werkingen en krachten uit andere werelden open te stellen, dan wel zich daarvoor af te sluiten. Elke blijvende afsluiting van het Ik voor dergelijke krachten en invloeden voert tot innerlijke stilstand. Stilstand ontaardt meestal in verveling en brengt altijd geestelijke pijnen en nood met zich. Ieder is vrij zijn eigen gedachtewereld te kiezen, echter niet om feiten te bepalen vanuit zichzelf, die tot de werkingen, of het leven van de communiteit, waarin hij bestaat, behoren. Zodra er een gemeenschap optreedt, is het totale lot van de gemeenschap weliswaar nog vrij, maar zal de persoonlijke vrijheid van de deelhebbers aan de gemeenschap afhangen van het aantal deelnemers, dat de gemeenschap vormt.
Voorbeeld: Wanneer drie mensen gezamenlijk uitgaan, zullen er misschien drie verschillende meningen zijn. Toch is de zekerheid wel, dat één van de drie zijn zin werkelijk krijgt. Bij een grotere gemeenschap – bv. 5.000 mensen – zal niemand geheel zijn zin krijgen, maar zal ten hoogste een compromis mogelijk zijn, dat althans enigen redelijk bevredigt. Men is in de grotere gemeenschappen praktisch niet vrij, zover het zaken van de gemeenschap betreft.

Degenen, die het voorgaande beseffen, zullen met mij stellen: het is in deze dagen belangrijk, dat men binnen of buiten de godsdienst, zoals die nu gangbaar is, zal streven haar een zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid om – onder aanvaarding van alle gevolgen die onze daden met zich kunnen brengen – voortdurend datgene te doen, wat wij volgens eigen hoogste bewustzijn goed en juist achten. Wij mogen ons door niets en niemand van het doen van het volgens ons meest juiste terug laten houden, onverschillig of men ons dreigt met hel en verdoemenis, dan wel met maatschappelijke maatregelen. Hetgeen wij goed achten is voor ons belangrijk, boven alles. In tegenstelling met wat u misschien nu denkt, voert dit niet tot anarchie. Wanneer je binnen een gemeenschap bent geboren, incarneerde je daar, omdat je aan die gemeenschap door je geestelijke bewustzijn gebonden bent.

Je zult altijd weer de gemeenschap moeten dienen. Maar je kunt dit het beste doen door zo vrij mogelijk eigen hoogste inzichten na te streven, zonder daarbij de gemeenschap of zelfs maar enkele andere personen een dwang op te leggen. Elke mens is vrij om in de geest elk gewenst contact te zoeken, te vinden en te continueren, dat voor hem innerlijk noodzakelijk is, ongeacht de vraag, of dit misschien uiterlijke veranderingen met zich brengt. Alle veranderingen van wezen, inhoud en vermogen, zijn aanvaardbaar, mits de mens hierdoor tot groter Licht en begrijpen komt. Vergroting van bewustzijn, en wel in de Lichte wereld, is een belangrijke beperking. Indien wij niet de nadruk moesten leggen op het Licht, zou zwarte magie ook aanvaardbaar zijn. Zij is dit natuurlijk niet, daar deze geen groter Licht en bewustzijn van het Goddelijke brengt, maar eerder tot een steeds sterker afsluiten van het Ik voor alle leven en krachten voert.

De gevolgtrekkingen zijn voor de hand liggend. De werkelijke macht in de wereld behoort u en niemand anders. Deze macht kan niet worden vastgelegd in wetboeken of regering. Evenmin kan het Goddelijke gezag tot uiting worden gebracht binnen een godsdienst, of binnen een hiërarchie. Zelfs in de binnen de godsdienst belangrijk geachte openbaringen, komt het Goddelijke gezag niet werkelijk tot uiting, die komt alleen tot uiting in uzelf. De uitdrukking van dit gezag en zelfs van de Goddelijke macht op aarde bent u, zover het uzelf betreft, alleen uzelf, u bent ook de enig verantwoordelijke door daden, die u zelf begaat; u bent de enige, die besluiten kan en mag nemen, die het eigen innerlijke en eventueel zelfs uiterlijk wezen zouden kunnen veranderen. Alleen uzelf kunt werkelijk zeggen: “Dit is Gods woord”. Want alleen in uzelf kunt u de Goddelijke stem leren verstaan, alleen in uzelf kunt u de hoogste leringen ontvangen. Alles, wat men u in de naam van God als openbaring overbrengt, kan onjuist of zelfs een vervalsing zijn. Onthoud dit en zoek steeds naar de hoogste waarde, die u in uzelf kunt ontdekken.

Na deze conclusie wil ik nog even terugkomen op de incarnatiekwestie:

Zoals wij reeds vaststelden is uw aanwezig-zijn binnen deze gemeenschap en dit volk, evenals de reeks van eigenschappen, die u daarbinnen bezit – onafhankelijk van het feit, of u deze nu aangenaam of minder prettig vindt – een gevolg van een geestelijk gebrek, of een geestelijke onevenwichtigheid, die reeds in u bestond vóór het ogenblik van de stoffelijke geboorte. Het terugbrengen van al deze waarden tot een volgens eigen hoogste besef aanvaardbare norm, kan dan ook wel het meest gewichtige streven in het menselijke leven worden genoemd. Het is niet belangrijk, wat u in een vorig leven bent geweest, evenmin als het voor u op het ogenblik van belang is, wat u zo dadelijk na de dood zult zijn. Daarover kunt u nu niet op vruchtbare wijze nadenken. Het is echter van zeer groot belang, dat u zich steeds weer realiseert: Wat ik nu ben, inbegrepen alle onevenwichtigheden en fouten, komt uit mijn eigen wezen voort. Voor alles, wat ik beleef, is niets en niemand buiten mijn innerlijk wezen zelf, aansprakelijk. Er is dus niemand, die ik de verantwoordelijkheid voor mijn belevingen en daden kan opleggen of overdragen. Ikzelf ben verantwoordelijk en aansprakelijk. Aan de hand hiervan, zult u voor uzelf uit moeten maken, wat dit leven voor u zal worden, wat dit leven u nog verder brengen zal.

Indien u een raad van mij hierbij wilt aanvaarden: begrijp vooral, dat je een zeker gezag nodig hebt. Niet alleen binnen de gemeenschap, waarin je leeft, maar vooral in jezelf. Ergens in het Ik moet een punt zijn, dat zo zuiver is, dat het een oordeel over uw gedachten en handelingen mogelijk maakt, zonder dat dit oordeel door de rede kan worden aangetast. Zoek daarom voor alles in uzelf naar een punt van waarheid dat zich – zover u kunt overzien – tijdens uw huidige bestaan niet, of zeer weinig, zal wijzigen. Noem dit desnoods geloof of geestelijk inzicht. Maar houdt u er aan. Aan de hand van dit in u levende, deze innerlijke waarheid, die ik geen geweten zou willen noemen, daar zij niet door opvoeding of omgeving kan worden beïnvloed, is door een steeds weer juist handelen en denken eenvoudig te bereiken. De term “geweten” wijs ik hier af, daar een dergelijke onveranderlijk schijnende waarheid steeds weer een openbaring van het Goddelijke moet zijn. Aan een dergelijke geestelijke waarde mag u binnen het menselijke bestaan alle daden op aanvaardbaarheid voor uzelf toetsen, ook de daden van anderen. U mag de anderen niet oordelen, wanneer hun daden voor u onaanvaardbaar zijn.

Wat de stoffelijke wereld betreft, alles, wat u na rijp beraad en overleg, toetsende aan deze innerlijke waarheid niet verboden is, kunt u toegestaan achten voor uzelf. Alles, wat u daardoor wordt verboden, mag niet worden gedaan, ook al zou het behoud van eigen leven daarvan afhangen. Wat volgens de innerlijke maatstaf niet toegestaan is, is blijvend verboden en blijft – ongeacht de verontschuldigingen, die men misschien naar voren zou willen brengen – onaanvaardbaar. Indien u deze raad opvolgt, zult u tot een persoonlijk geloof komen. Dit persoonlijke geloof impliceert volgens mij ook een voorstelling van God, hoe u deze voorstelling ook zelf wilt noemen. Deze God eist van u een beantwoorden van Zijn wezen. Alleen zo kan deze God in u spreken. Daarom wil ik stellen, dat in de plaats van de godsdienst van het verleden, die een farce was en bestond uit een gebruiken van geestelijk weten om daardoor macht te verkrijgen en te behouden, een persoonlijke godsdienst noodzakelijk wordt, die zelfs persoonlijke riten en een persoonlijk begrip inhoudt.

Je kunt God alleen dienen, indien je meent Hem werkelijk te kennen. Er is niets en niemand op de wereld, wat in staat is te bepalen, hoe God Zich in u openbaart en hoe God binnen u erkend wordt. Dan is er ook niemand, die kan bepalen, hoe deze God juist te dienen buiten uzelf. Indien u iets ziet als een werkelijke dienst aan de God, Die in u leeft, als u iets ziet als een werkelijke bereiking in de richting van het Lichtende, zo zult u dit ook voortdurend tot uiting moeten brengen, zolang de God in u zich niet wijzigt of zijn eisen niet wijzigt.

Er is in het verleden een tijd geweest, dat godsdienst en gezag een kwestie waren, waarmee men de domme massa overdonderde. Er is een tijd geweest, dat uit godsdienst en het daaruit voortkomende gezag de voorrechten van de ingewijden en machthebbers opbloeiden. Er is een tijd geweest, dat inwijding alleen mogelijk werd door een onderdrukken en egaliseren van de massa. Die tijd is ten einde.

U bent in deze wereld geïncarneerd binnen een bepaalde gemeenschap en zelfs binnen een bepaald godsdienstig milieu, dat voor u past, omdat daarbinnen voor u de mogelijkheid is gelegen de onevenwichtigheden van uw geest te herstellen. U krijgt daarin alle belevingsmogelijkheden, die u persoonlijk dichter tot de God in u kunnen brengen.

In uw leven krijgt u verder alle mogelijkheden om ware beheersing, het werkelijke gezag over het eigen Ik te verwerven, zowel stoffelijk als wat uw geestelijke capaciteiten betreft. Het is geen noodzaak dit alles in één enkel leven geheel te verwerven, maar de mogelijkheid bestaat, zodat u daarmee zover kunt gaan, als u gewenst en noodzakelijk acht.

Het is nu de tijd geworden van algemene inwijdingen, niet meer een tijd, dat inwijding en bewustwording van het hogere behoren tot de uitzonderingen. Dit is de tijd, dat de mens persoonlijk op leert gaan tot zijn God en komt tot de volle aanvaarding van een Goddelijk gezag, dat via het Ik en alleen voor dat Ik wordt geopenbaard. Wanneer dit tot stand komt voor een groter deel van de mensheid, vinden wij daarin de vernieuwing van alle tijden. Een omwenteling als de huidige kan voeren tot vergroting van algemeen bewustzijn, maar voor degenen, die in deze moeilijke tijd op aarde leven, in het bijzonder wel tot een zeer snelle bewustwording, een vrij worden van veel bijgeloof en vele begrenzingen, die de mensheid tot op heden vaak geketend houden, en een vrij beleven van innerlijke en geestelijke waarden onmogelijk maken.

Vragen

  • Je kunt het verleden toch niet helemaal loslaten? Uit dat verleden groeit juist de  ervaring voor je. Een loslaten lijkt mij dan onmogelijk.

De ervaring wordt tot kennis. Wanneer u in Nederland geleefd hebt en u emigreert naar Canada of Australië, zal alles, wat u in Nederland geleerd hebt, u ook in de nieuwe omgeving bij blijven, u zult het moeten gaan gebruiken in overeenstemming met de nieuwe omstandigheden, waarin u komt te verkeren. Wanneer u in deze landen wilt blijven leven, zoals u dit in Nederland hebt gedaan, is het waarschijnlijk, dat u zeer snel zult gaan behoren tot de teleurgestelden, die terug moeten keren. Slechts indien u uw ervaringen in kennis en begrip weet om te zetten en deze weet te gebruiken in overeenstemming met de nieuwe mogelijkheden en omstandigheden, zult u slagen. Vul in het voorbeeld nu Nederland in voor ‘verleden’. Dan zult u inzien, dat het heden wel behoefte kent aan de ervaringen, die u hebt opgedaan, maar bovenal toch wel behoefte heeft aan een gebruik daarvan, dat in deze tijden bij de huidige mogelijkheden past. Alleen de mens, die zijn verleden en de ervaringen daarvan – desnoods met inbegrip van alle vroege incarnaties en belevingen – weet om te zetten in de taal en in overeenstemming met de behoeften van het heden, kan werkelijk bewust worden.

U mag het verleden rustig verwaarlozen. De kennis, die daaruit voortkwam, blijft immers aanwezig en leeft ook nu in u voort. Wanneer u die kennis en mogelijkheden gebruikt in overeenstemming met de mogelijkheden, die nu in de wereld bestaan en de krachten, die nu op de wereld inwerken, kunt u ermee rekenen, dat uw leven uit stoffelijk, zowel als geestelijk standpunt een groot succes zal zijn. Houdt u zich vast aan hetgeen was, daarbij als zovelen stellende: “Wij hebben het altijd zó gedaan, het is op die manier altijd goed geweest”, dan hebt u grote kans, dat u in deze grote tijd ten onder gaat. Dan behoort u namelijk tot de partij, die strijdt om het oude te behouden – een natuurlijk verschijnsel – maar daardoor hetgeen zij niet wenst, juist dát veroorzaakt: een vernieuwing, waarin voor haar geen plaats en geen bewustwordingsmogelijkheden meer aanwezig zijn.

  • Een tegenspraak: iets tot stand brengen, wat je bestrijdt.

Toch gebeurt dit meestal. Voorbeeld: twee vrienden hebben ruzie. Een derde tracht vrede te stichten. Uiteindelijk slaan de twee anderen de derde tegen de grond om dan, na deze gezamenlijke inspanning, hun eigen strijd rustig voort te zetten. Dus er is meer geweld veroorzaakt door de poging dit te bestrijden. Het voorbeeld is zeer eenvoudig en onvolledig. Wanneer men zich verzet tegen de ontwikkelingen van de wereld, verzet men zich tegen de tijd en kosmische werkingen. Daartegen kan men zich in feite nooit met succes verzetten. Men kan dan ook niet behouden, wat in een voorbije tijd gefixeerd was. Uw tegenstand is dan te vergelijken met een dam, die misschien wel sterk is, maar tegen een steeds groeiende druk uiteindelijk niet bestand is. Stel, dat zij water moeten tegenhouden. Zodra de druk van het water groot genoeg is, wordt de dam weggeslagen en vernietigd. Het gevolg is een vloedgolf, die van hetgeen men dacht te verdedigen, veel meer vernietigt in kortere tijd dan anders het geval zou zijn. Ik meen, dat beide voorbeelden voldoende zijn om u duidelijk te maken, dat wij hier te maken hebben met een geheel redelijke en logische stelling, waarin geen tegenspraak schuilt. De mens, die voor zich zelf iets wil behouden, wat hij, gezien tijd en ontwikkelingen, voor zich niet behouden mag, zal toch kunnen behouden. Daartoe moet men het Goddelijke en de wereld buiten het Ik sluiten. Dit is stilstand en komt gelijk aan een geestelijke dood. Wil men verder leven, dan zal men, nu na veel pijn en strijd alles wat men in zich wilde behouden, toch prijs moeten geven.

  • Men baseert zich op het geweld en meent, dat alleen de dreiging van het geweld in staat is de vrede te verzekeren. Is dit juist?

Een vergelijking: vroeger predikte men, dat de duivel ook lijfelijk over de aarde  dwaalde om mensen te verleiden, waarbij hij vooral rond middernacht op een kruising van wegen te ontmoeten was. Als u wist, hoe vele mensen in die dagen ‘s nachts op een kruisweg hebben gestaan in de hoop op een voordelig contract met de boze, zou u misschien begrijpen, dat een dergelijke bedreiging maar al te vaak in zijn tegendeel verkeert. Het prediken, dat geweld en dreiging met geweld noodzakelijk is om de vrede te behouden, betekent een vergroten van onverschilligheid tegenover geweld bij alle betrokken partijen. Dit betekent voor alle partijen een langzame, maar onophoudelijke innerlijke verruwing. Men zal steeds minder waarde gaan hechten aan eigen leven en het leven van anderen, zodra daarbij belangen in het spel komen, die men wenst te verdedigen. Daardoor groeit de neiging ook voor kleinere zaken en ongeacht de mogelijke consequenties geweld te gebruiken.

Hoe verder men gaat met het scheppen van een oorlogsdreiging ter wille van de vrede, hoe groter de mogelijkheid op oorlog en hoe groter de kans, dat men oorlog op de duur als synoniem voor vrede gaat beschouwen. Eerst in eigen ondergang en vernietiging zal men dan vrede kunnen vinden. Geweld kan men niet blijvend met geweld bestrijden, waar geweld niet blijvend beheerst kan worden. Wie vuur met vuur wil bestrijden, moet wel zeer ter zake kundig zijn. Bij prairiebranden gebruikte men deze methode wel. Men brandt dan een klein deel zélf af om de grote brand tot stilstand te brengen. Wanneer men niet voorzichtig genoeg is, bevindt men zich opeens tussen twee vuren en moet jammerlijk omkomen. Waar er geen werkelijke samenwerking is tussen degenen, die door geweld de vrede willen bewaren, is de kans veel groter, dat men tussen twee vuren omkomt, dan dat door de dreiging althans enige vrede ten koste van vele offers zal kunnen worden behouden.

  • Vanouds leert men ons, dat de mens de God in zich moet leren kennen. Men  kan dus de leer niet verwerpen?

Ik heb de leer niet aangevallen. Ik heb de leer slechts een enkele maal en zonder verwerpen daarvan genoemd. Verder sprak ik over de godsdienst. Een godsdienst is een hiërarchie, die zich bezig houdt met een eredienst, streeft naar de macht om haar leer aan anderen op te kunnen leggen, of althans haar zeden, die haar gezag ontleend aan een leer, maar bij haar streven naar macht slechts zelden – zoals – met de werkelijke leer rekening houdt. Voor mij is er een groot verschil tussen de leer en de godsdienst. Indien alle boeddhisten leefden volgens de leer van de Boeddha, zou er geen strijd in het oosten mogelijk zijn. Als alle Christenen zouden leven volgens Jezus’ leer, dan zou er geen plaats zijn voor communisme in de wereld. Vandaar, dat ik verschil maak tussen de feitelijke leer en de z.g. praktische vorm, die men binnen de godsdienst daaraan geeft en tot basis van kerkelijk gezag maakt.

Alvorens te gaan, wil ik u er nog aan herinneren, dat ook u op deze wereld geïncarneerd bent met een bepaald doel. Tracht er eens achter te komen, wat dat doel eigenlijk is. Niet door over het verleden na te denken, maar door u af te vragen, wat u, indien u alle maatstaven, die tot een ver of nabij verleden behoren, volgens uw innerlijke maatstaven van geest tot stand kunt brengen. Het zal u verbazen, hoeveel mogelijkheden u dan – juist voor het heden – nog ontdekt, waar u nooit aan had gedacht.

Tweede deel

Vragen

  • Is astrologie bedrog?

Niet, indien deze wetenschap ernstig wordt beoefend. Indien men tracht uit een oppervlakkige kennis omtrent werken en loop der sterren een prognose tracht te geven, zonder daarbij van een gedegen basis uit te gaan, wordt het bedrog. De z.g. algemene voorspellingen, die men in vele bladen en tijdschriften kan vinden, zijn in feite ook niet veel beter dan bedrog, ofschoon zij op algemene berekeningen berusten en nog wel zoveel juistheid bezitten, dat het uitkomen van de gedane voorspelling iets, maar niet veel boven de toevalsnormen zal komen te liggen. Veel hangt van de duiding van de invloeden af.
Indien gewetensvol en kundig wordt berekend, daarbij altijd uitgaande van de geboortehoroscoop om de persoonlijke tendenzen vast te stellen, mag men hieraan wel waarde hechten. Er zijn vele, voor de mens belangrijke, indicaties in de horoscoop te vinden. Iemand, die onbekwaam is, zal, ook al tracht hij zo goed mogelijk te werken, door gebrek aan kennis of onjuiste aanduiding van invloeden, vaak onbewust bedrog plegen.
Ten laatste mag worden gesteld, dat, waar het toekomstige gebeurtenissen betreft – prognoses – de astrologie alleen nimmer voldoende is, doch een grote sensitiviteit van de duider noodzakelijk is, indien men tot een dragelijk en redelijk resultaat wil komen.

  • Kunt u verklaren, waarom veel mensen angst of tegenzin vertonen tegen een  spreken over de dood, ook wanneer deze, gezien hun ongemakken en kwalen, eigenlijk  een verlossing zou moeten zijn?

De meeste mensen vrezen zozeer de wisseling naar het onbekende, dat zij daarom alleen reeds liever niet aan de beperktheid van hun bestaan en de dood worden herinnerd. Het woord ‘dood’ heeft voor de mensen iets dreigends, iets onontkoombaars. Daarbij komt, dat velen niet ver genoeg gevorderd zijn in geestelijk bewustzijn om te kunnen beseffen, wat de  stoffelijke dood in feite inhoudt. Opvallend is, dat het woord ‘overgang’ vaker en veel liever gebruik wordt in kringen, waar men over de dood nogal eens pleegt te spreken, dan het woord ‘dood’ zelf. M.i. speelt vrees voor het onbekende een grote rol en heeft de doorsnee mens een gevoel van: het gaat mij misschien hier niet al te best, maar het kan na de dood nog wel erger worden.

  • Kunt u de diepere oorzaak van het antisemitisme in heden en verleden geven, dat  vooral in christelijke landen voorkomt, maar in Afrika ten zuiden van de Sahara, India,  China e.d. onbekend is?

Allereerst zou ik willen opmerken, dat ook bv. in Z. Afrika sprake is geweest van discriminatie tegen joden. Ook kwam dit voor in de vroegere kalifaatsgebieden, Perzië, Irak, Iran en – in beperkte mate – in praktisch alle Aziatische gebieden, waar joden in grotere aantallen voorkwamen. De diepere oorzaak ligt niet alleen in de verhouding jood – christen, zoals uw vraag suggereert. De hoofdoorzaak is m.i., dat de joden steeds een minderheid – vaak een zeer kleine minderheid – vormen en door het behouden van eigen gebruiken en gewoonten, daarnaast ook door betere opvoeding, handelsgeest en ijver, steeds weer voordelen boven de plaatselijke bevolking weten te verwerven. Daarbij was het onderricht in de joodse groepen in het verleden aanmerkelijk beter dan de mogelijkheid tot ontvangen van onderricht voor anderen uit dezelfde stand. In Rusland was een tijdlang de joodse opleiding tenminste vijf maal zo uitgebreid en doelmatig als het onderricht, dat de Russische middenstand kon genieten. Het is duidelijk, dat tegen een dergelijke vreemde groep in elke besloten gemeenschap reeds enig mistrouwen zal bestaan. Hierbij komt nog, dat deze minderheden zich sterk isoleerden en zelden of niet huwden met buitenstaanders, maar wel internationale relaties hadden waarbij hun familiebanden zich vaak over gehele continenten uitstrekten. Dit stelt hen buiten de plaatselijke belangensfeer. Genoemde waarden zijn reeds voldoende om in een burgerlijke maatschappij de haat tegen deze vreemdelingen wakker te roepen.

Waar vervolging van de joden vaak een voordelige zaak was, werd zij in vele landen tot gewoonte. De Jodenvervolging van de Hitlerperiode kon plaats vinden, omdat Duitsland reeds een lange tijd pogroms en Jodenvervolgingen had gekend. Hetzelfde geldt voor Rusland, waar pogroms ook, na de laatste wereldoorlog – zij het niet officieel – zijn voorgekomen. Ook elders zien wij, dat bij het ontstaan van ongewenste, of niet beheersbare toestanden, minderheidsgroepen tot slachtoffer en zondebok worden gemaakt. De rijkdom van de joden maakte dit vaak aantrekkelijk, daar men zich op hun kosten kon verrijken en gelijktijdig eigen fouten voor kon stellen als misdaden van deze minderheidsgroep. Hierbij komt, dat de joden over het algemeen wel luidruchtig weten te spreken, maar zelden over praktische bruikbare mogelijkheden tot verweer beschikten, zodat zij gemakkelijk slachtoffers waren.
De eigen mentaliteit van het joodse volk heeft hierbij ongetwijfeld ook een rol gespeeld. Men dient zich te realiseren, dat de jood na de verdrijving uit het Heilige Land – rond 80 n. Chr. – steeds tussen vreemde volkeren en rassen heeft geleefd en er dus aan gewend is geraakt een compromis te sluiten en, zelfs om eigen veiligheid, handel te drijven. Daarnaast hebben de joden geduld geleerd. De reacties van de joden zelf op vervolgingen waren tot voor zeer kort dan ook laks, in de ogen van buitenstaanders niet geheel begrijpelijk. Hieruit zijn in het verleden alle Jodenvervolgingen voortgekomen.

In de laatste paar honderd jaren komt hierbij, dat grote kapitalen en de aandelen van grote en belangrijke bedrijven voor een groot deel in het bezit zijn van mensen, waarvan men kan nawijzen dat zij Israëlitisch bloed in de aderen hebben. In de ogen van Jodenhaters zijn zij daardoor tot joden bestempeld, onverschillig of zij al dan niet belijdend jood zijn, dan wel een ander geloof aanhangen. Men kan aantonen, dat in Britse grote ondernemingen in textiel, bankzaken en bepaalde metaalproducten, 60 – 70% van de aandelen in handen zijn van mensen, die enig joods bloed in de aderen hebben. Dit wil niet zeggen, dat deze mensen werkelijke joden zijn. Wel betekent dit, dat men hen – op grond van hun afstamming – joden kan noemen en daardoor het eenvoudig mogelijk maakt de haat tegen de huidige bezitters  te combineren met de oude en ingewoekerde haat tegen de vreemdeling. Dit is dan ook in verschillende landen meerdere malen gebeurd. Het vreemde hierbij is, dat de werkelijke bezitters van een dergelijke actiën zelden of nooit het slachtoffer worden, maar vooral de joden van de middenstand onder deze achtervolging te lijden hebben.

Op het ogenblik is het internationaal Jodendom iets – wat in wezen niet bestaat – een term, die door velen in de politieke strijd wordt gebruikt, en lang niet alleen door fascisten of nazi’s maar ook door christenen, socialisten en communisten. Men gebruikt deze term en de daarmee verbonden hetze hoofdzakelijk, om een geheimzinnige dreiging op de achtergrond te suggereren, die eigen niet te rechtvaardigen maatregelen in de ogen van de menigte aanvaardbaar doen zijn.

Het zijn dergelijke onjuiste voorstellingen en beweringen, die ook nu nog bij velen het antisemitisme in stand houden. Daartegenover kan worden opgemerkt, dat het optreden van het huidige Israël en de burgers van deze staat, die de wereld hebben bewezen als een joods volk tot vele prestaties op allerlei gebied en moedige, soms zelfs overmoedige, daden in staat te zijn, op de duur respect voor de joden terug kan winnen. Zolang men in de wereldpolitiek zondebokken nodig heeft, vooral binnen bepaalde staten de noodzaak zich voordoet het aanzien van de regering te handhaven ten koste van een minderheid, zullen ook de joden daaronder moeten lijden.

  • Bestaat er een geestelijke organisatie om groepsincarnaties doelbewust te doen  verlopen?

Er bestaat op dit terrein geen enkele geestelijke organisatie. Wel bestaat een aantal geestelijke wetten, die gedeeltelijk voortvloeien uit het innerlijk van de mens of geest en zelf betrekking hebben op het bereikte bewustzijnsvlak, plus de tijdens het bestaan met anderen gevormde banden. Deze wetten zijn voldoende om groepsincarnaties zoals omschreven voor te doen komen, terwijl de behoefte-elementen in perioden van verwarring en crisis het hunne ertoe bijdragen om in dergelijke perioden volledige incarnatiegroepen de aarde te doen betreden.

  • Hoe werkt het menselijk denkmechanisme? Hoe denk ik, zij het in de geest of in de stof?

Mechanisch denken doet alleen de stoffelijke mens, wel niet in eigen lichaam, maar via de mechanismen van groepen als de IBM. Het stoffelijk, menselijk denken berust op een organisme, waarvan kan worden gezegd, dat het zeker niet mechanisch functioneert, waar de functies van de delen allen verwisselbaar zijn en centra zonder meer elkaars taak over kunnen nemen. In de hersenen bestaan een aantal windingen en draaiingen. U kunt dit zien in de hersenschors. Bepaalde wikkelingen en draaiingen daarbij betrokken kunnen worden beschouwd als meest voorkomende centra van geluidsherinneringencentrum, visueel centrum e.d. . Een binnenkomende prikkel wordt niet alleen naar de meest harmonische reflex geleid, dus de cellen, die het meest overeenstemmen in weerstand met de inkomende prikkel, maar tevens worden alle harmonische nevenliggende klanken of beelden mede gewekt. Bij zien, valt op, dat naast het werkelijk geziene beeld onmiddellijk een aantal herinneringsbeelden wordt gewekt, de laatsten met zo grote sterkte, dat zij tot onjuiste waarneming voeren en oorzakelijk kunnen worden geacht voor de verkeerde redeneringen die met de visuele prikkels worden verbonden. Tussen elke waarneming en uitingsmogelijkheid ontstaat door de reeks van herinneringscentra, plus meersporige banen, een contact. Dit maakt een gelijktijdig vergelijken van waarneming en herinneringen mogelijk, zodat bv. visuele prikkels naast beelden, ook woorden, klankherinneringen e.d. wekken.

Het denken geschiedt bij de doorsnee mens in woorden. Een vergelijking van de binnen het Ik behouden beelden en herinneringen, onverschillig of deze uit eigen ervaringen stammen, of als beelden van anderen werden verworven, kan tot de gedachte worden gecombineerd. Verder speelt ons onderbewustzijn een rol. Dit onderbewustzijn bestaat uit een grote reeks van herinneringen, die niet sterk genoeg waren om bij beroering onmiddellijk kenbaar te zijn en aan de oppervlakte van het denken, het bewuste, te komen. Zelfs indien hun invloed sterk genoeg is om een prikkel op te wekken, zullen zij de tendens van de gedachten kunnen wijzigen, maar toch nooit zelf op de voorgrond treden. Emotie met een prikkel gepaard gaande kan in de grote eiwitcellen van de hersenen een structurele verandering veroorzaken. Daardoor kunnen emotionele blokken voorkomen, maar kan evenzeer een emotie tijdelijk of blijvend een afbuiging van de normale denksporen tot gevolg hebben. Het zogezegde redelijke denken in de mens bestaat uit het vergelijken van binnen het Ik bestaande beelden en het daaruit opbouwen van compilatiebeelden, die aan de behoefte van het Ik tegemoet komen.

Wanneer de geest zich binnen de stoffelijke gedachtewereld wil uiten, doet zij dit veelal door het wekken van emotionele reflexen, om vanuit de onderbewuste wereld wederom een afbuiging te bereiken van de meest redelijke of gangbare wijze van denken en reageren. Zo kan zij haar eigen intenties, zij het beperkt, in het menselijke gedachteleven mede vastleggen.

De geest zelf denkt door spanningsverschillen, of – zo u technisch aangelegd bent – verschillen in velddichtheid binnen haar wezen, waarbij de flux van de impulsen gaat van – (min) naar + (plus). Het minimum wordt altijd gerealiseerd door vergelijk met het maximumveld. De grootte van het verschil bepaalt de intensiteit van de gedachte. Dit alles is onvolledig, maar binnen het kader van een vragenrubriek kan ik dit onderwerp niet omvattender behandelen.

Voor de geest geldt verder: kort na de overgang is haar denken nog een denken in woorden, waarbij begrip na begrip wordt omvat. Later gaat dit over in het beelddenken, waarbij dus meerdere factoren gelijktijdig kunnen worden omvat. De reflexen zullen langere tijd een visueel karakter hebben, maar op de duur overgaan naar een zuiver emotioneel ervaren, waarbij een grote scala van erkenningen mogelijk wordt, doch een minder nauwkeurig onderscheid van vormen pleegt op te treden.

  • Maar er ontstaan toch mentale reacties, die van een geheel andere orde zijn?

Ik ben het niet met u eens, dat deze reacties van een andere orde zijn. De mentale reactie is geheel gelijk aan de prikkelende reactie, waarbij het verschil ligt in het feit, dat de oorzaak van het gedachteproces voor een groot deel – maar niet voor de beginprikkel – binnen het Ik gelegen kan zijn en zich zonder uiterlijke waarden afspeelt. Zijn er geen prikkels van buiten, waardoor men een denkproces op mentaal vlak kan beginnen, dan blijkt het denkvermogen buiten de beheersing te liggen en niet meer redelijk te zijn. Dit geldt voor de mens. Het wonderlijke is dan ook niet het denkproces of de filosofie, die daaruit ontstaat, maar de doelbewuste wijze, waarop deze processen gebruikt kunnen worden. Gaan wij het gebruik van het denkvermogen tot de bron na, dan blijkt deze emotioneel te zijn en kunnen wij vaststellen, dat de uiteindelijke leiding van het stoffelijk denken daardoor in hoofdzaak bij de geest zal berusten.

Ik ben mij ervan bewust dat zeer velen op grond van Christelijke leer en moraal in opstand zullen komen tegen opmerkingen als: laat men de beperking van de gezinsgrootte bevorderen. Toch is dit voor Nederland de enige weg, waardoor het als land welvarend kan blijven en toch enige onafhankelijkheid t.o. het buitenland bewaren. Confessionele groepen zullen waarschijnlijk uitroepen, dat ik hierdoor de grondrechten van de mens aantast: het recht zich voort te planten. Indien men een ieder de gevolgen van een te groot gezin zelf zou doen dragen – zodat men zich voor het kindertal steeds grotere beperkingen op moet leggen en desnoods voor een teveel aan kinderen de maatschappij lasten moet betalen – blijft deze vrijheid bestaan en zal toch het bevolkingsaantal beperkt worden.

image_pdf