Godsvoorstelling en magie in het oude Egypte

image_pdf

18 april 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst zou ik u er allereerst op willen wijzen, dat wij aan onze kant niet alles weten. Wij zouden dus, ondanks het feit, dat wij alles doen om dit te voorkomen, fouten kunnen maken. Zover dit noodzakelijk blijkt, zullen de sprekers u dan ook de gelegenheid geven aanvullende vragen te stellen om uw kritiek, of opmerkingen kenbaar te maken. Deze avond is er geen gelegenheid tot het stellen van vragen. Zoals u bekend is, zal dit eerst over veertien dagen het geval zijn. Het onderwerp van hedenavond heb ik nu eens in een wat andere richting gezocht, dan u dat de laatste tijd gewend bent. Ik zou namelijk willen spreken over: Godsvoorstelling en magie in het oude Egypte.

Over Egypte is ongetwijfeld aan de mens van deze tijd zeer veel bekend. De leek is over het algemeen niet in staat om de verschillende dynastieën en de daaronder heersende godsdienstige voorstellingen van elkaar te scheiden. Toch heeft men beschikking over voldoende gegevens om zich een redelijke voorstelling van dit Rijk en zijn bewoners te maken. De grote bouwwerken, of hun ruïnes, die zowel in Thebe, als op andere plaatsen te vinden zijn, geven u een eerste indruk van de macht die dit Rijk bezat, evenals er een beeld rijst omtrent de macht van het priesterdom. Daarnaast heeft menigeen gehoord van het Dodenboek, terwijl een enkele bovendien gehoord heeft van het geheimzinnige boek Thoth, waarin alle geheimen van de wereld in twee bladen perkament zouden zijn opgetekend. Wat is echter de achtergrond van de grote bloei van het priesterschap? Welke gedachtegang ligt ten grondslag aan het Dodenboek, welke gedachtegang ligt er verborgen achter al die vreemdsoortige goden, wiens beelden u nog in verschillende musea kunt aanschouwen?

In de eerste plaats moeten wij dan wel beginnen te constateren, dat het Rijk Egypte in de eerste plaats op de landbouw was aangewezen. Deze landbouw maakte al snel – gezien de ligging van het vruchtbare gebied te midden van woestijnen – een sterke verdediging en een bescherming noodzakelijk. De eerste vorm van gezag was dan ook zonder twijfel een militaire macht. Wij kunnen dit nog terug vinden in het gebruik de farao te zien als Goddelijk hoofd van de gehele legermacht. Hij was dus in feite een soort generalissimus. De krijgers van het land waren echter vaak bevreesd de krijg in te trekken zonder de bijzondere bescherming die  door de magie kon worden geboden. Die bescherming is weer terug te voeren tot veel oudere tijden, tot een fetisjisme, dat al hoogtij vierde, toen de mens nog leefde in holen en zijn enige werktuigen bestonden uit wat splinters steen.
De priesters en magiërs, die plaatselijk invloed wisten te gewinnen en wonderen deden – wat wil zeggen dat zij eigenschappen en krachten gebruikten, die anderen in die buurt niet kenden, dan wel door suggestie voorstellingen wisten te scheppen die de leek wonderbaarlijk leken – gaven dan ook vooral aan de heren van de krijgsbenden bepaalde talismans mee. Op de duur gingen zij er ook toe over bepaalde gebieden te beschermen door zogenaamde banvloeken. Hier ligt nu eigenlijk het begin van hun macht en grootheid. Zolang het alleen nog gaat om bescherming door middel van talismans kan de ene priester de ander bestrijden  zonder gevaar. Hij kan dan krachtiger zijn dan de anderen en dit komt zijn naam ten goede. Maar wanneer zij meer algemeen bekende krachten als Goden gaan aanroepen, om in hun naam de beschermende cirkels te trekken, zou niet een strijd tussen priesters, maar tussen Goden ontstaan. Deze strijd tussen Goden zou het aanzien van de godsdienst kunnen schaden. Bovendien rust in de strijd tussen de Goden – een werkelijke strijd tenminste – voor  mens noch priester winst. Het gevolg is dan ook, dat uit deze reeksen van banvloeken en  magische cirkels, die een zeker terrein of een stadstaat moeten beschermen, al snel een band tussen de verschillende priesters doet groeien.

Oorspronkelijk hielden zij allen vast aan een eigen visie, een eigen beeld van de machtigste God. Naast elkaar zien wij dan als zodanig vermeld de aarde, de zon en de Nijl. Zij worden in verschillende vormen uitgebeeld. Van de diergoden, die later een zo grote rol gaan spelen, is echter nog weinig te bemerken. Anubis, de Gids der Zielen, is in deze periode nog niet bekend. Zelfs, een algemeen aanvaarde God des Doods – toch een van de eerste erkende Goden in haast alle gebieden – komt eerst naar voren, wanneer de twee rijken staatkundig gestalte beginnen te krijgen. In het Boven Egyptisch rijk overheerst, vooral in het begin, het Nubische element. De zwarte mensen zijn vooral in de bovengebieden van de Nijl oppermachtig. Wij zien hen dan ook, tot veel later, optreden als verdedigers en stadhouders van de zuidelijke gewesten. Hun eigen soort van magie is in zijn uitingen zeer sterk en blijkbaar ook voor het blankere deel van de bevolking geheel aanvaardbaar. De statige omgang met  priesters en Godenbeelden, waarbij dus afbeeldingen of symbolen worden meegedragen van verdienstelijke helden of priesters, naast de beelden van de Goden, is dan ook wel te zien als van zuiver Nubische oorsprong. Dergelijke symbooltochten vinden wij nu nog terug bij enkele negerstammen. Zelfs de Masai, die toch heel wat verder wonen, kennen deze gebruiken en houden die nog in ere. Ook de Kopten van Abessinië dragen in hun processies beelden van helden, vorsten en heiligen mee, naast het symbool van God.
In het Beneden Egyptische rijk is de ontwikkeling ietwat anders gegaan. Belangrijk in het leven van deze mensen is het moeras, zeer belangrijk. De Nijldelta bergt immers grote rietvlakten en haast onafzienbare moerasgebieden. Daar heeft men oorspronkelijk een zeer verschillende visie.
In het begin vereenzelvigt men de Goden vaak
met de vogels, die wonen en vliegen op ontoegankelijke plaatsen, waar zelfs de kleine, uit rietbundels gemaakte boten niet kunnen komen.
Wanneer zij tot een eenheid komen, is de zon hun God. In Boven Egypte echter wordt allereerst de Nijl een algemeen erkende God. Beide groeperingen kennen al snel daarna de aarde als belangrijkste Godin. Vreemd genoeg blijkt later een vereenzelvigen van de aarde met de maan te ontstaan. Mogelijkerwijze hangt dit samen met de vrouwelijke vruchtbaarheidscyclus. In de Isisverering is deze Godin dan ook in de eerste plaats de Godin van de wereld, ofschoon wij als haar voornaamste symbool een maansikkel zien gebruiken. Deze gemeenschappelijke godsbeschouwingen zijn dan wel in de eerste plaats de grondslag, waarop de macht van de priesters groeit.

Langzaam maar zeker vestigen plaatselijke godsdiensten ook tempels in andere steden. Over en weer vindt tussen verschillende tempels veelal een uitwisselen van gegevens plaats. Ofschoon sommige hogepriesters en hoofden van kloosters zich soms wel te buiten gaan aan excessen tegen andere geloofsvormen, zijn er toch steeds meer onder hen, die hun confraters en concurrenten bij een nieuwe vestiging een hartelijk welkom bereiden. Vaak brengen zij hun godsbeelden naar deze nieuwe tempels of om hun gast te bezoeken. Zo groeien er geheime priesterbonden, die in de eerste plaats magische ervaring en gedachtegang met elkaar delen.

Rond de periode dat de kronen van beide rijken worden verenigd, geldt dan onder hen veelal de volgende voorstelling. De middelen, die ons gegeven zijn, moeten niet slechts gezocht worden in het gebied van de onzichtbaren, ofschoon het noodzakelijk is tegenover leken hierop vooral de nadruk te blijven leggen. Wij kennen de tekenen van wolken en wind, kennen de geheime krachten die schuilen in planten en dieren; wij kunnen ook in het geheim ter ere van de Goden het geweld gebruiken. Door deze middelen kunnen wij de gelovigen helpen en onze vijanden onderdrukken. Daarna zullen wij de mensheid steeds weer moeten tonen dat er een ander leven, een voortbestaan is en hen moeten zeggen, dat dit boven al belangrijk is. De belangrijkheid van het voortbestaan vinden wij in ongeveer gelijke vorm en inhoud ook bij geheel andere vroege cultuurvormen terug. Hier klinkt iets mee, dat ons onmiddellijk doet denken aan een voortleven van Atlantische gebruiken en Atlantische sagen.
Het beschermen van de mummie als (zijnde) belangrijk voor het voortbestaan vinden wij immers niet slechts in Egypte, maar identiek in bv. het oude Mexico. De grondgedachte, die bij deze volkeren hiertoe leidt, is als volgt:

De mens kan worden gedeeld in drie persoonlijkheidsvoerende voertuigen. Deze drie  voertuigen kunnen onafhankelijk hun weg gaan, maar een band tussen hen is noodzakelijk om de werkelijke persoonlijkheid een zekere vrijheid van beleven te geven. Zij hebben elk hun eigen kracht. Wanneer de mens een band met de wereld en de werkelijkheid wil behouden, is het noodzakelijk dat het lichaam op voldoende wijze wordt geconserveerd, opdat het laagste voertuig hierin schuil- en rustplaats kan vinden. Wanneer het daarin rusten kan, zal het de gestorvenen te allen tijde weer mogelijk zijn om als geest, of als levende mens, wederom op aarde te verschijnen. Deze grondslag is vooral in de Egyptische magie steeds belangrijker.

image_pdf