Goed en kwaad

11 september 1978

We hebben vanavond een gastspreker voor u die in zijn tijd enige literaire bekendheid heeft genoten. Zijn obsessie is altijd geweest de spanning tussen goed en kwaad.

Het is duidelijk dat je daarmee op aarde een heel eind weg komt. Maar zodra je je naar hogere sferen gaat begeven, blijkt dat dit geen constante betekenis heeft. Dat daar andere zaken voor in de plaats treden, waarvan je geneigd bent te zeggen: dat wordt licht en dat duister. Maar dat blijkt niet te kloppen want er zijn heel veel dingen, die eigenlijk niet juist zijn en die toch licht kunnen heten. En er zijn dingen die wel juist zijn en die duister kunnen heten. Waaruit u al zult hebben geconstateerd, dat dit een zeer duister onderwerp wordt.

Ik zal de inleiding maar op mijn eigen wijze houden. Ik maak natuurlijk gebruik van enkele gegevens die ik in wisselwerking met onze gast heb vernomen.

Het beeld van de kosmos is er één van voortdurende verandering. Nu is het wonderlijke dat deze verandering, wanneer ze menselijk beleefd wordt, chaos lijkt te zijn. Je ziet er geen rijm of geen regel in. Maar wat blijkt nu het geval te zijn? Deze chaos in zichzelve heeft wel degelijk een vast patroon. Wat meer is: deze chaos is alleen maar de menselijke waarneming van een tijdloze perfectie.

Daar zit je dan met je goeie gedrag, kijkende naar de chaos en niet begrijpende hoeveel van hetgeen daarin voorkomt goed genoemd zou kunnen worden en hoe andere dingen, die jij kwaad noemt, uiteindelijk ook goed zijn.

Nu schijnt het dat je die zaak ongeveer als volgt kunt formuleren: Op het ogenblik dat ik uitga van mijzelve bestaan er goed en kwaad ten aanzien van mijzelve; al datgene wat niet in overeenstemming is met mijn persoonlijke wordingsgang is kwaad. Al hetgeen in overeenstemming is met die wordingsgang is goed, maar op het ogenblik dat ik mij los maak van een lotsgebondenheid verandert echter de situatie, omdat ik dan deel uit ga maken van een groter geheel. En dan blijkt dat, nu ik deel uitmaak van een geheel, dat geheel ook weer voor zichzelf regels heeft, namelijk die aanvaardbaar en die niet aanvaardbaar zijn.

Elke regel die aanvaardbaar is wordt goed genoemd. Elke toestand die onaanvaardbaar is heet nog steeds kwaad. Maar je verliest al gauw de ideeën van vorm, wanneer je in de geest verder komt en dan blijkt dat goed en kwaad onderling verwisselbare waarden worden. Want datgene, wat op dit ogenblik kwaad is, is gelijk een vormende werking in de tijd waardoor later iets goeds mogelijk wordt. En iets wat we vanuit het geheel als goed ervaren blijkt zich al heel snel te veranderen in een dood spoor. Je kunt er niet verder mee gaan en is vanaf dat ogenblik kwaad geworden.

Wanneer je dat zo allemaal bekijkt voel je je ongeveer – vermoed ik – als Dostojewski toen hij de grondgedachte wilde formuleren van zijn eigen werk: Schuld en Boete. Want waar kom je terecht?

De situatie hemel en hel hebben we geloof ik uitvoerig genoeg in allerlei bijeenkomsten besproken. Ik dacht niet dat we daarop door behoefden te gaan. Maar wanneer we denken aan schuld en boete zeggen we in feite: oorzaak en gevolg. En oorzaak en gevolg blijken tot aan de sferen van het éénkleurige licht inderdaad te bestaan. Ze zijn ingebouwde waarden in een heel groot gedeelte van de kosmos. Maar niet alles. Het blijkt namelijk dat de geest op een gegeven ogenblik compenserend kan ingrijpen, zodat oorzaak en gevolg niet meer gelieerd zijn en niet meer logisch beredeneerd kunnen worden.

Nou, als je dat in de gaten begint te krijgen zul je waarschijnlijk net als onze gast van vandaag je af gaan vragen: Wat is eigenlijk de inhoud, de betekenis, de essentie van het bestaan? Want zolang je het nog kunt uitdrukken in goed en kwaad is het heel gezellig. Ik ben goed. Jij bent kwaad. Ik ben beter. Jij bent slechter. Op die manier heb je dan een heel groot idee van jezelf. Maar wanneer je dit kwijt bent geraakt kun je je eigenlijk niet meer oriënteren, Dan is het enige oriëntatiepunt het bestaan zelf geworden. Een bestaan dat niet meer deelbaar is in voor en tegen, goed en kwaad en al die andere dingen, is eigenlijk een bestaan dat onomschrijfbaar wordt.

Dit onomschrijfbare te omschrijven lijkt me een verrukkelijke taak voor een ex-literator, die ondertussen zeker zeer verre en hoge vluchten heeft gemaakt naar die werelden van de sferen, waar wij nog een beetje tegenaan kijken.

Ik heb geprobeerd om voor mijzelf na te gaan hoe je de dingen moet stellen. En dan blijkt dat ik alleen maar terecht kan reageren wanneer ik uitga van datgene wat ik zelf ben. Op deze wijze kan ik mijn eigen positie, mijn eigen mogelijkheid vastleggen in de wereld waarin ik leef, maar ik kan nooit daardoor een ander bepalen.

De grote moeilijkheid is dat ik eigenlijk voor elke persoon een afzonderlijke reeks van maatstaven zou moeten hanteren. Dit is onmogelijk. Daarom gebruiken we de wet van het gemiddelde maar en dat gemiddelde zegt, dat voor de meeste mensen a goed is en b kwaad. Dus is het zo.

Het lijkt net zoiets als een ondervraging van het publiek door de Tros of door de VARA; ook daar kun je elke vraag precies zo laden als je zelf wilt. “Bent u nog zo vervelend of bent u het niet meer? Antwoordt met ja of nee.” Op die manier.

Nu zou je zeggen, dat op die manier de mensen ondervragen geen zin heeft. Maar wanneer je hogerop komt blijkt dat diezelfde, schijnbaar krankzinnige benadering wel juist is. Want ik omschrijf mijzelve – in elk stadium waarin ik verkeer – in datgene wat ik niet meer ben. En dat is juist volgens mij de kosmische truc. De goocheltruc waarmee je uit een schijnbaar oneindige reeks van incarnaties en karmische beïnvloedingen ineens komt te staan in een absoluut vrije wereld. Want wanneer ik naar bovenstaande vragen kijk, valt mij namelijk op, dat men altijd probeert het verleden bij het heden te betrekken. Maar dat kan niet.

Het verleden is wel de bron van het heden, maar ik kan toch niet zeggen, dat het kind gelijk is aan de vader, aansprakelijk voor alle zonden van de vader en gelijktijdig de rechtmatige bezitter van alle talenten die de vader ooit heeft gehad.

Er zijn natuurlijk wel religieuze richtingen die proberen te zeggen dat de zonden der vader aan de kinderen zullen worden bezocht tot in het zevende geslacht. Maar in werkelijkheid is het zo, dat je met elke daad de wereld verandert en die verander je niet alleen voor jezelf, maar tevens voor eenieder die deelheeft aan die wereld, ook voor die kinderen. Maar voor jezelf is het daarmee afgedaan.

Ik kan niet zeggen; ik ben vandaag op stap gegaan, ik heb een lekke band gekregen en dus zal ik voortaan altijd met een lekke band rijden. Een voorbeeld dat schijnbaar onzinnig is maar zinvol wordt, als we zien hoe de mensen proberen het verleden altijd weer te transponeren naar het heden toe en daarmee de waarde, de waardering, de eigenschap van het verleden toe te passen op het heden.

Wat zijn nu de feiten, voor zover ik ze kan zien inclusief datgene wat ik daarover meen geleerd te hebben, in mijn discussie met de gast?

“Elk ogenblik van het bestaan is uniek in die zin, dat het bewustzijn van dat ogenblik de toekomst bepaalt en in de plaats treedt van het gehele verleden.” En dat is nu juist de truc. Het vloeit dus niet voort uit het verleden alleen, maar treedt in de plaats van het verleden.

Wij zijn in de tijd gebonden. Daardoor zijn wij niet in staat onze totale persoonlijkheid, ons totale evenwicht, onze totale kosmische functie te beseffen. Dan moeten we dus leven in het heden. Best. Maar dan kunnen we ook niet meer zeggen: “Dat is geweest” en “Dat zou dus nu nog moeten”. We kunnen alleen zeggen: “Het verleden heeft het heden voortgebracht. In het heden moet ik reageren volgens mijn eigen normen van goed.” Dat is het geestelijk zelfbehoud, wat iets anders is dan het lichamelijk zelfbehoud.

Vanaf het ogenblik dat ik zo reageer zal het verleden mij niet meer binden. Ik ben dan niet meer gebonden aan de schulden van het verleden, maar ik ben ook gelijktijdig volledig vrij in de bepaling van mijn toekomst.

De bevrijding blijkt te liggen in het verbreken van een schakel oorzaak en gevolg, die zich materieel bijna mechanistisch voltrekt. In de plaats daarvan stel ik mijn voortdurende aanvaarding van het heden en mijn vrijheid om in het heden mijn eigen beslissing te nemen. Ik laat me dan niet leiden door de waarden van het verleden maar slechts door het bewustzijn, dat ik daaruit gewonnen heb. Aangezien mijn bewustzijn dan elke situatie volledig opnieuw benadert Zal ik veel meer gegevens opdoen. Ik zal dus sneller rijp worden, bewust worden.

Het bewustzijn van een rijp wezen of een bewust wezen is “Een erkenning van het eigen ik, onafhankelijk van verleden of toekomst, in elk ogenblik waarin het zichzelf beleeft.” Dat is niet van mij, dat is een uitspraak van de gastspreker. Ik hoop dat hij het zelf mooier zegt, want het klinkt mij niet literair in de oren.

Nu moet u zich dit voorstellen. Wanneer ik mij blijf binden aan het verleden zal ik toch elke keer een verandering van bewustzijn ondergaan, maar dat is dan een plotselinge en een onverklaarbare verandering. Een inwijding. Een gaan door de poorten. Het erkennen van de zeven stralen van licht en al die dingen meer, omdat ik niet in staat ben te begrijpen dat ik op dat ogenblik mijn verleden eenvoudig omschakel. Ik ga er een andere betekenis aan geven, maar ik ben nog steeds gebonden en dat betekent dat mijn weg voortdurend verder voert.

Maar stel nu eens dat ik dat verleden kan uitwissen. Wat gebeurt er dan? Dan zal het ik niet meer selectief gaan reageren op grond van voorgaande ervaringen alleen, het ik zal bewust reageren op elke waarde, of dat nu een goddelijke, een geestelijke of een materiële waarde is, die op dit ogenblik bestaat. En daar zit nu het aardigheidje in.

Omdat ik elk ogenblik a.h.w. in een nieuwe wereld leef zal mijn uitbreiding van bewustzijn een zodanig continu proces zijn, dat daarin geen schokken voorkomen. Het idee van sterven en geboren worden, van ingewijd worden en weer een nieuwe poort van inwijding moeten betreden, valt eigenlijk weg. Ik groei en in mijn groeien absorbeer ik de tijd en kristalliseer die in mijzelve tot een begrip van mijzelve als een tijdloos wezen.

U krijgt dadelijk een gastspreker die het eenvoudig moet kunnen zeggen. De grote moeilijkheid van een deskundige in deze dagen is dat hij zo deskundig is, dat hij niet duidelijk kan maken hoe deskundig hij is. Daarom heb je een deskundoloog nodig om uit te maken hoe deskundig een deskundige is. Maar op het ogenblik dat je geen deskundige meer hebt, maar alleen een verlichte dan valt dat natuurlijk weg. Ik wil mijzelf niet voor een deskundige uitgeven, maar ik heb op dit terrein ervaringen opgedaan en gegevens verworven, die u nog niet had en die ik zelf voor een deel ook nog nooit had gehoord. Ik maak daaruit nu een inleidend betoog.

Nu zou ik het op mijn manier zo willen zeggen: Mensen zijn geobsedeerd door goed en kwaad. Wat goed is, is kwaad en wat kwaad is, is goed. Want het goede in zichzelve is gewoon maar één factor van het leven en op het ogenblik dat ik die ene factor verhef tot het leven zelf doe ik kwaad, want ik ontken een groot gedeelte van het bestaan. Op het ogenblik dat ik het kwade doe en mij daarin niet vastbijt als een waarheid, maar het onderga als een ervaring, zal ik daardoor mijn besef uitbreiden. Ik zal mijn mogelijkheden ook anders gaan zien en daardoor ongetwijfeld in volgende ogenblikken van keuze over die ervaringen beschikken, waardoor ik mijzelve juister waar maak. Dientengevolge kan dat kwade dan goed zijn.

De meeste mensen kunnen mij kennelijk niet volgen. Kijk, het is eigenlijk of je zou zeggen: een communist is een kapitalist, die zijn eigen macht en betekenis heeft overgedragen aan de staat. En omgekeerd kun je zeggen dat eenieder, die macht over de gemeenschap ontleent aan zijn kapitaal, in feite een communist is omdat hij de levensstijl van anderen dermate sterk probeert te bepalen, dat hij daardoor alleen reeds zich onttrekt aan het bezittersschap en het omzet in een machthebbersschap.

Als ik dit allemaal zo bekijk zeg ik tegen mijzelf: “Maar je hebt toch ook altijd gewerkt met goed en kwaad?” En het antwoord was:

“Ja, omdat ik niet bewust genoeg was om in te zien wat werkelijk betekenis heeft.” Nu blijkt dat die werkelijke betekenis voor een mens niet gelegen is in datgene wat hij doet, maar in de relatie die hij tot stand brengt.

Wanneer ik iets doe voor mijzelf kan ik daardoor anderen uitbuiten, anderen onderdrukken, maar dan stoot ik die ander ook van mij af. Negatieve relatie. Ontkenning. Dat is voor het ik verkeerd, omdat het een isolement van het ik voortbrengt.

Maar stel daar nu tegenover dat ik gewoon door alles wat ik doe probeer op de één of andere manier contact te krijgen met de ander, hoe dan ook. Dan is dit goed wanneer ik niet alleen aan mijzelve denk, maar ook aan die ander.

De enige juiste definitie van goed die denkbaar is in kosmische zin – en nou ga ik maar weer even lenen – is de projectie van het ik in de ander, waardoor het ik als functie dienstbaar wordt aan het andere en gelijktijdig in die dienstbaarheid zichzelve leert spiegelen en beseffen.

De meeste mensen die zich spiegelen doen het als de boze stiefmoeder van Sneeuwwitje: “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand wie is …. En dan noemt u maar op: de meest bewuste, de meest ingewijde, de meest vrome enz. in dit land.”

De wijze waarop je beleeft is in zichzelve een voortdurende confrontatie met de foutieve opvatting die je hebt van jezelf en van de wereld. Daar, waar die verbondenheid volledig beseft wordt, zal nooit een conflict met het ik bestaan. Maar wanneer je denkt: “Het is allemaal mooi voor de wereld, maar ik dan”, dan komt er al een vorm van egoïsme. Onze gast zei mij, dat de enige rem die bestaat op de bewustwording tot het allerhoogste punt gelegen is in het egocentrisme van elk ego, dat probeert vanuit zichzelve de kosmos te bepalen.

Wat kun je daar zinnig aan toevoegen? Ik kreeg toen ik dat hoorde zo echt het gevoel van: maar zijn wij dan allemaal zo egocentrisch? Toen ik erover nadacht heb ik gezegd: Ja, eigenlijk is dat wel zo. Want wij denken aan onszelf en niet aan anderen. Wij denken zelfs wanneer wij goed zijn voor anderen vaak aan datgene wat wij daardoor betekenen. Maar de betekenis die je zelf hebt is ergens altijd ook illusie. Want wat je voor die ander bent kun je namelijk niet zelf bepalen. En wat je voor die ander probeert te zijn kun je alleen beleven wanneer je de ander bekijkt en niet jezelf.

Een kapper die zegt: “Wat heb ik een mooi modelletje geknipt.” kijkt waarschijnlijk niet of het gezicht of het humeur erbij past. Dat zijn van die eigenaardigheden; je ziet een zuiver Noors type lopen met een afrolook, wat gewoon betekent: een krullenbol omgewerkt tot ragebol. Er is dan een zodanige strijdigheid tussen de persoon en het kapsel, dat de kapper misschien zal zeggen: “Het is mode, het is geslaagd.” Maar in wezen zou hij moeten zeggen: “Ik heb hier de persoonlijkheid verdrongen voor een modebeeld en niet zodanig onderlijnd dat ze duidelijker naar voren kon treden.”

Ik dacht, dat dat eigenlijk het probleem is waar we allemaal mee worstelen. We zijn dan geen kappers, maar de meeste mensen proberen alleen de mores van anderen te friseren. Wij hebben de neiging om op dezelfde manier anderen a.h.w. op te maken volgens een modebeeld. Het is die make-up van ideeën, van denkbeelden, van nadruk, van interventie misschien in de eigen voorkeuren en gewoonten van mensen, waardoor wij ons dan gezondenen noemen.

Wij zijn in staat om uiterlijk iets tot stand te brengen dat overeenstemt met ons beeld van juistheid. Dat doet b.v. Pinochet ook, vergeet dat niet, maar we hebben dan eigenlijk helemaal niets gedaan. Wat we moeten doen is juist de mogelijkheid scheppen, dat de ander zichzelf wordt op een steeds meer kenbare wijze.

Dat betekent dienstbaarheid volgens mij. Niet dat je een ander gewoon moet bedienen en verder helemaal niets doen, maar doodgewoon: wanneer ik op welke wijze dan ook in contact kom met anderen, dan is het mijn eerste taak en verplichting om die anderen hun eigen gedaante, hun eigen ik, duidelijker te laten vinden. Niet om een deel van het ik, dat ik niet geslaagd vind, te vervangen door ideeën mijnerzijds.

Dat is een heel moeilijke zaak. Op aarde zal het wel nooit zover komen, denk ik, dat ze dat doorvoeren. Maar geestelijk gezien blijkt dit dus wel te functioneren. En toen ik zover was – ik had het allemaal gehoord – heb ik gedacht: nu wordt het tijd dat je gaat controleren wat hiervan waar is. En wat blijkt mij?

In zomerland begint men met een beperkte visie van zichzelve en een zeer expliciete visie op de wereld en op de anderen. Zomerland is een projectie van het andere. Het is of men probeert vanuit zijn eigen denken een wereld zodanig toe te snijden dat ze ideaal mag heten.

Wanneer iemand een tijd in zomerland is, wordt de belangstelling voor al die details minder. Het wonderlijke is dat op het ogenblik, dat hij minder belangstelling heeft voor zijn wereld, hij een gemakkelijker contact opneemt met iets wat wij gemakshalve dan maar hogere werelden of sferen zullen noemen. Hij krijgt meer kans om wat we dan onderricht noemen te ontvangen. Dit onderricht is in feite alleen maar het naar voren brengen van de werkelijk belangrijke, de eeuwige facetten van het ik en het terzijde stellen van de denkbeelden, die in feite dat ik vaak in de weg staan.

Ga je nu nog wat verder – ik ben dus gegaan zover als ik daarbij kan gaan; ik heb geprobeerd die reeks te volgen — dan blijkt dat je leeft in een wereld waarin de signalen, de betekenis eigenlijk, in twee klassen uiteenvallen. Men spreekt onder ons dan over de wereld van het gekleurde licht en van de klanken.

De klanken zijn eigenlijk nog allemaal gefilterde waarheden. De klanken zijn onze ik-reacties op hetgeen ons bereikt. Maar het licht is dat niet meer. De taal van het gekleurde licht is al een kosmische verbinding die ik alleen aan kan gaan door te beantwoorden aan het licht dat mij bereikt, terwijl ik in de klankenreeks eigenlijk voortdurend zelf improviseer op de thema’s die ik rond mij hoor, dus probeer om mijzelf te doen gelden.

Kom je in de lichtwereld dan gaan de kleuren ook verbleken (dat is dan ongeveer zover als ik kan gaan) omdat je gaat begrijpen dat het verschil niet belangrijk is. Want zoals ik op één manier iets zeg en het op honderd manieren kan herhalen, zo zullen de kleuren eigenlijk één en dezelfde grondwaarde brengen en dan is het eigenlijk niet zo belangrijk welke kleur licht dat is. Het is belangrijk wat de grondwaarde is.

Maar die grondwaarde kan ik alleen accepteren wanneer ik mijzelve zie als een deel van de basis van het Zijnde. Van het bestaan. Zonder dat lukt het mij niet en blijf ik nog met kleuren en klanken spelen. En dus zal er daarboven waarschijnlijk nog heel wat meer bijhoren, maar zo ik al gezegd heb, dit is mijn persoonlijke mogelijkheid,

Ten aanzien van dit alles zou ik willen zeggen: goed en kwaad verandert eigenlijk steeds, totdat wij komen tot op de werkelijkheid. En de werkelijkheid is het ik, dat voortdurend functioneert als een deel van het geheel en daarbij niet zichzelf probeert te zijn maar gewoon dit geheel ervaart en daarop antwoordt volgens de normen van het geheel die, naar blijkt, ook de feitelijke normen van het ik zijn.

Nu is onze gast iemand die zich in de literatuur bezig heeft gehouden met het vormen van moraliteiten. Hij heeft geprobeerd zijn visie van goed en kwaad en de weg, die de mens moet gaan door het leven, allemaal zo’n beetje uit te beelden in zijn werk. Het opvallende daarbij is dat de man oorspronkelijk eigenlijk heel beperkt was en dat het losbreken uit die beperkingen een bijna smartelijk proces geweest moet zijn.

Nu is hij bezig met hetzelfde, maar in kosmische zin. Hij probeert iets te erkennen van de ritmen van de totaliteit, die in wezen niets anders zijn dan de vaste structuren – zeg maar het gebeente – van de tijdloze werkelijkheid. Hij is soms bijna pedant in zijn uiting. Zijn betogen zijn vaak interessant.

Ik ben bang dat als hij op aarde komt, hij ongetwijfeld ook weer hier en daar blijk geeft van woordverliefdheid. Maar alles bij elkaar is het iemand die geleerd heeft om afstand te doen van het verleden en die daardoor de toekomst steeds meer eeuwig heeft gemaakt en het heden eenvoudig de erkenning van die eeuwigheid.

Ik ben zeer benieuwd wat zijn bijdrage zal zijn, want het is uit de aard der zaak zo’n moeilijk onderwerp, dat hij wel met uitstraling van denkbeelden of van emoties de zaak zal moeten aanvullen.

Ik kan u alleen maar garanderen dat ik zelf blijf kijken hoe dat gaat. Misschien leer ik er iets van. Of we in staat zullen zijn om iets van die eeuwigheid door te laten klinken in zo’n gebeuren in de tijd is voor mij een grote vraag. Kennelijk is dat wel de bedoeling van de spreker. Zal hij slagen? Ik weet het niet.

De keuze van deze spreker is ook niet de mijne en ook niet van degenen, die heel vaak gastsprekers voor dit soort bijeenkomsten proberen te benaderen. De keuze is gemaakt door onze vriend Theodotus, die tot de leiding van onze Orde behoort en heeft kennelijk te maken met een tendens, die hij ontdekt heeft in de tijd waarin u leeft.

Daarmee sluit ik dan maar meteen deze inleiding. Maar dit laatste moet ik nog even verklaren. Theodotus heeft namelijk dit als reden gegeven: “Wanneer de mensen leven in een tijd, waarbij je alleen door afstand te doen van het verleden tot een reële waardering van het heden kunt komen, dan is het tijd om hen duidelijk te maken, dat heden alleen maar een andere naam is voor de eeuwigheid. Ik ken geen betere spreker voor dit onderwerp dan juist deze gast.” Zo gebonden hebben wij deze spreker dus benaderd. Hij zal na de pauze contakt met u opnemen. We hebben gezorgd voor alle mogelijke afscherming zodat een direct contakt zeer waarschijnlijk mogelijk is.

Verder hebben we geprobeerd – en dat zult u ons ook niet kwalijk nemen – hier een klein beetje aan afstemming te veroorzaken en zullen daarmee verder gaan. Denkt u nou niet dat het een plechtige bedoening moet worden, dat hoeft helemaal niet. Doodgewoon een afstemming in de hoop dat daardoor voor deze gastspreker een beter klankbord wordt geschapen.

U hebt de basisthema’s vernomen. U kunt er eens over nadenken en er zelf over praten. Na de pauze gaan we over tot het tweede gedeelte en daar ik me dan niet meer direct tot u zal kunnen wenden neem ik nu reeds afscheid van u.

De Gastspreker

Ik ben meer gewend met de pen dan met de mond mijn ideeën te tekenen. Maar elk middel waarmee je de waarheid, die je meent te beseffen, kunt uitdrukken is daardoor op zichzelf reeds, gerechtvaardigd.

Mijn gehele bestaan op aarde is bepaald door zeg maar de zedenleer; de vraag wat juist en wat niet juist kan zijn en vooral de vraag wat waar en wat niet waar kan zijn. Het heeft mij een lange tijd gekost om af te leren wat ik mijzelve in deze had aangewend.

U leeft nog in een wereld waarin nu eenmaal licht en duister en goed en kwaad tegenover elkaar staan als onverzoenlijke vijanden, die in een eeuwige vete zoeken elkaar te verderven. Maar wanneer je ontdekt dat deze hele vete niet veel meer is dan het sabelgekletter in een marionettenspel of misschien het klinken van de zwaarden in een dans, dan begin je langzaam maar zeker te twijfelen aan de juistheid van al wat je zo zeker meende te weten.

Het eerste principe dat een mens langs de koninklijke weg zoekende naar de waarheid ontmoet is de onzekerheid. Want niets is vast en niets is zeker. Niets is bepaald en niets is blijvend buiten het bestaan zelve. En het bestaan zelve wordt steeds meer onomschrijfbaar.

Dan vraag je misschien diep in jezelf of er dan een band te vinden is met een God, met een kracht die de wetten geeft, opdat je eindelijk kunt losbreken uit deze kooi van vooropgezette meningen. En je zoekt.

Soms denk je dat je vindt, maar het zijn dwaallichten. Het licht dat je denkt te vinden verdwijnt voor je ogen en verandert in duister. Wanneer je treurt over een duisternis waaraan je niet kunt ontkomen doemt het licht op als een poort of een spiegel vlakbij. Want zo sta je dan tegenover een God, die er is en die er niet is tegelijkertijd.

Het is moeilijk om vanuit jezelf te erkennen dat er geen wetgever is, die je persoonlijk vertelt hoe jij moet leven. Dat er geen weldoende heer is, die je vrijstelt van taken of je doemt tot beproevingen zoals Job die eens volgens de bijbel heeft moeten ondergaan. En ik verzeker u: wanneer je dat ontdekt voel je je als Job op de mesthoop en je zoekt krampachtig een potscherf om je geheel in de war geraakte geweten te kunnen krabben. Maar ook dat gaat voorbij.

Er is geen God die wij kunnen zien. Geen persoonlijkheid die tot ons spreekt. Maar er is een kristallijnen structuur van de kosmos, van het leven zelve, waarin elke lijn gegrift is, waarin elke waarde bepaald is. Het bewustzijn kan zich langs alle lijnen bewegen als een glinstering van licht in een juist geslepen briljant. En juist dit geeft dan weer hoop.

Er zijn geen wetten. Er zijn geen persoonlijke waarden en waarderingen te vinden, die in de kosmos waar blijven buiten die ene: waar mijn bewustzijn gaat is er een flonkering van licht en onthult mijn zijn iets van de schoonheid van het tijdloos bestaande.

Een moeizame tocht, maar elke pelgrimage is moeizaam. Dan zeg je: er is geen God. Maar er moet dan tenminste toch een verschil zijn tussen licht en duister. En je zoekt verder langs de lijnen die je eens tijd hebt genoemd en je probeert de werkelijkheid te vangen, die er niet is. Want daar waar ik ben is er licht en daar waar ik niet ben is er duister voor mij. Totdat ik erken, dat gelijktijdig met mij ontelbaar andere lichtjes spelen in dezelfde vaste flonkering van dit kristal dat eeuwigheid heet.

Dan, langzaamaan, begin je te beseffen: er is geen licht en er is geen duister. Er is geen goed en er is geen kwaad. Maar ik voor mijzelve: ik ben licht. Of mijzelve niet erkennende als licht ben ik duister. Ik ben de norm die, dolende door de mogelijkheden van een vaststaande werkelijkheid, uitmaakt door zijn eigen wezen wat licht is en wat duister.

Maar als het zo persoonlijk is, is er geen licht en geen duister. Dan is er alleen erkennen; alleen bewustzijn. En bewustzijn is licht en duister tegelijk. Een Januskop. Twee gezichten die één gedachte, één brein omgeven: licht en duister.

Daar sta je dan. Je vraagt je af: wat is dan de waarheid? Want wonderlijk genoeg zoeken we allen een waarheid te vinden omdat we dat, wat we waar denken te weten, toch weer betwijfelen.

De rol van de mens in de gehele kosmos is die van de eeuwige twijfelaar. Altijd weer zoekend naar het andere. Altijd weer uitreikend naar het nieuwe en altijd weer zich beroepend op dat, wat hij niet meer is en rechten ontlenende aan dat, wat al lang vergaan is. Want zo leeft de mens en zo leeft de geest, die mens is geweest, lange tijd in de sferen.

Maar als je beseft alles ligt vast buiten de weg die mijn bewustzijn gaat, hoe kan ik dan nog spreken over goed en kwaad? Over licht en duister? Hoe kan ik nog spreken over tegenstellingen, wanneer ik voortdurend mezelve onthul wat onveranderlijk en waar en wezenlijk is?

Toen ik voor het eerst deze kristallijnen rasteren bewust betrad heb ik mij afgevraagd: is er dan een God die dit geteld heeft? En ik moet antwoorden, Ik denk het, maar ik weet het niet. Misschien is mijn hele kosmos met al zijn eeuwig noodlot niet veel meer dan een enkel steentje dat een kind aan het strand verloren heeft. Misschien heeft het kind het niet eens verloren en heeft een rivier het losgebroken uit rotsen die zo anders zijn, dat ze zelfs geen tijd meer mogen heten. Wie zal het zeggen?

Toch is er een waarheid. Natuurlijk is het de waarheid die je zelf bent. Het is het voortdurende zelf zijn en jezelf erkennen. De voortdurende eenvoud van het Zijn, waarin alle lotslijnen verbroken worden en de werkelijkheid zich steeds weer manifesteert. Het is het glimlachend dansen door weiden vol sterren of het kreunend ondergaan in een wereld vol verschrikking. Wat wil je zelf?

Zeg niet: “De wereld wordt mij gemaakt”, want gij maakt de wereld.

Zeg niet: “Het lot is mij bestemd”, want gij bestemt het lot.

Uw besef en uw bewustzijn – en alleen dat – bepaalt de paden waarlangs het bewustzijn dwalen zal. De facetten die ge zult erkennen van een werkelijkheid die onveranderlijk is.

Toen ik de eerste maal voor dit licht stond waarin alle tegenstelling schijnt te verbleken, dit verterende, verblindende licht waarin je denkt onder te gaan, heb ik gedacht: nu wordt de wereld beëindigd. Ik ga op en verlies mijzelf in het grotere en wat voor mij bestaan heeft is niet meer voor mij.

Maar als je door het gordijn gaat blijkt de verblinding een streling te worden en waar de ogen wilden zien en niet meer konden aanschouwen daar trilt het hele wezen in de verrukking van een waarneming. Het is daar, waar het hele wezen gelijktijdig waarneemt en beseft. Is en niet is. Verweven is en toch afzonderlijk blijft. Het is daar waar de structuur de vastgelegde lijnen van de kosmos, het noodlot en het Al opeens kenbaar worden.

Je moet jezelf verliezen, zeggen ze dan. Maar hoe verlies je jezelf? Als ik terugkijk, kan ik alleen zeggen: Wat ik ben is voortgekomen uit al wat ik geweest ben. Ik heb mijzelf niet verloren. Ik ben ontwaakt tot mijzelf. En nu bén ik. Ook al ben ik niet meer een dolende, een zoekende, een werkende, een vechtende, een juichende of wenende eenheid, die in zijn onbegrip de lijnen langs gaat zonder te weten wat ze betekenen.

En nu kom ik uit mijn wereld terug. Terug naar een wereld van mensen. Terug naar een wereld van geesten. Ik probeer te zeggen wat de werkelijkheid is en ik weet dat ik geen woorden heb.

Maar de woorden schuilen in u. Ik kan ze niet zeggen. Ik kan ze niet waarmaken. Ik kan u niet tonen wat er in u leeft en woont en wat u werkelijk bent. Maar in uzelf voelt en weet u dat.

U hebt uw twijfels gehad en u hebt ze soms nog. Maar uw twijfels zijn alleen de aanduiding, dat u uzelf nog niet aanvaarden kunt zoals u bent. Want wie zichzelf aanvaardt zoals hij is aanvaardt de kosmos zoals ze werkelijk bestaat.

Het is gemakkelijk om te spreken – we hebben het in mijn dagen zo vaak gedaan – over de Verlosser die de zonden draagt voor een gehele wereld. Maar wat is de zin daarvan in een wereld waarin geen zonden zijn, maar alleen een weg?

Er zijn geen zonden. Er zijn geen fouten. Want niets kan zijn wat niet tot de werkelijke structuur van de kosmos behoort. Het is de weg die je gaat om te beseffen wat de waarheid is. Dat is ook niet de pelgrimsweg van boeten voor wat je hebt gedaan of beloond worden voor het goede, dat je hebt voortgebracht. Het is alleen maar de erkenning.

Hoe kan ik het u duidelijk maken? Een deel van mijn wezen is zelfs nu nog verborgen achter een licht, zo fel, dat u het niet kunt aanschouwen. Een deel van mijn wezen spreekt in sferen en werelden met de groten die daar nog hun gestalte, hun wezen manifesteren en een deel spreekt met u door een lichaam zo zwak, dat het door mijn kracht zou verteren, wanneer ik mij daarin volledig zou willen uiten. Kunt u zich dat voorstellen? Toch is het bij u net zo. Precies hetzelfde.

U denkt waarschijnlijk: ik ben lotsgebonden. De tijd gaat verder. ZO dadelijk moet ik naar huis en dan roept me weer de taak die mij wacht. Dan moet ik weer nieuwe wegen zoeken en nieuwe wegen en krachten vinden. Maar zo is het niet. U bent die dingen zelf. U maakt ze zelf, ook al kunt u dat niet geloven en daardoor het zijnde niet veranderen. Want ook uw wezen is een lichtje dat gaat door die kristallen waarde. Die fonkelende edelsteen die blijvend is, die we kosmos noemen. Ook uw wezen doolt soms onwetend rond in die werelden, waar de hoogste geesten samenspreken en in een tijdloosheid de tijd bezien en spreken over de wegen van hen, die nog tijdgebonden zijn.

Een deel van u wandelt nog in werelden waar de geest tuinen heeft aangelegd en vijvers. Waarin de bergen kleine, haast onaanzienlijke tempels bergen waarin de mediterenden zich verheffen om vrij te komen van de beperkingen van vorm. U zit hier en u luistert, alles tegelijkertijd.

U bent veel meer en veel complexer dan u beseft. U bent gelijktijdig eeuwig en tijdgebonden, maar het eeuwige in u zal u zeggen, dat er geen goed en geen kwaad, geen licht en geen duister bestaat, maar slechts het Zijnde zelf.

De vormen zullen u zeggen dat het belangrijk is de juiste lijn te vinden, de juiste samenhang en de juiste kleur, omdat u niet weet dat elke kleur, die gezien wordt, het gehele licht ontvangt en slechts een zwakke weerkaatsing is van een deel ervan.

U zit hier en u zegt: “Die geest heeft heel gemakkelijk praten. Die geest in zijn vrijheid en in zijn weten heeft waarschijnlijk gelijk,” maar ik zit hier.” Toch bent u gelijktijdig elders. Bent u gelijktijdig tijdloos en tijdgebonden. Daarom spreek ik tot het tijdloze deel dat u bent, want daartoe kan ik spreken met mijn gehele wezen. Daarom probeer ik met woorden een ogenblik uw aandacht te vangen in deze tijd en in deze voortdurende strijd tussen goed en kwaad en licht en duister in de hoop, dat het tijdloze kan spreken met het tijdloze.

Ik heb gezocht naar goed en kwaad, licht en duister en ik heb geleerd dat het niet is. Ik heb gezocht naar de ontkenning van goed en kwaad en licht en duister en ik heb erkend dat het niet bestaat. Omdat ze de normen zijn, die wij in onszelf hebben vastgelegd. Omdat ze de waarden zijn die wij hebben gegrift in ons wezen, misschien wel in onze angst om tijdloos te zijn.

Een pen grift woorden die blijven bestaan. Een stem brengt klanken en terwijl ze gevormd worden versterven ze. Maar is het schrift blijvend en vergaat de stem? Het is het denkbeeld waaruit het woord kan voortkomen en dat ongetelde eeuwen in de mensen kan blijven leven, steeds weer.

Het geschreven woord, wanneer het geen inhoud heeft, wordt verteerd door de tijd zonder dat er één mens gevangen wordt door het denkbeeld wat het probeert weer te geven.

De werkelijkheid is anders dan je denkt. Uw leven is anders dan u denkt. U denkt misschien omhoog te klimmen langs de steile bergen tot de werkelijkheid van het licht. Maar ik zeg, zolang u blijft klimmen langs de berg zult u van de top afdalen naar een volgend dal en een volgende heuvel beklimmen en een volgende berg voor u uit zien torenen. Maar als je zweeft als een vogel sta je boven de berg.

Wanneer je innerlijk licht bent sta je boven het streven. Dan is er alleen het erkennen. Maar wanneer je zoekt te begrijpen, met onvolkomen termen het volkomende te schrijven of te spreken eindigt berg na berg en dal na dal de eindeloze vermoeiende tocht daar, waar ze begonnen is, wanneer je een hele kosmische wereld doorkruist hebt.

Hergeboorte, zeggen de mensen, is het oordeel dat wordt gesproken. Maar leven in welke vorm ook is de essentie van het bestaan. Leven doe je zoals je het beseffen kunt.

Hergeboorte is geen loon en geen straf. Hergeboorte is onvermogen om afstand te doen van de denkbeelden die het onmogelijk, maken het tijdloze te beseffen. Maar in elk leven zal je verbonden zijn met het tijdloze. Elke keer wanneer je incarneert op een stoffelijke wereld zal je toch geestelijk voortgaan, dromend misschien in een wereld of sfeer waarin je ook je taak hebt.

Hebben wij dan een taak? De taak die wij hebben, hebben we onszelf gekozen. Wanneer je de lijn volgt van dit onveranderlijke, volgens wetten die ik niet ken, gevormde kristal dat eeuwigheid heet, zal je die lijn verdergaan. Die lijn is de taak omdat je zegt: hier wil ik leven. Hier wil ik tintelen en glanzen. Hier wil ik zijn. En toch, als je je verplaatst over het vlak, schijnbaar niets zijnde voor de anderen, vind je een volgende lijn en een andere tank. Die is dan evenzeer en even juist de jouwe als de vorige.

De taak is dat wat ik gekozen heb. De taak is mijn realisatie van een deel van de oneindigheid; is mijn licht werpen op een werkelijkheid die onomschrijfbaar is. Dat is het enige lot; dat is de enige taak, dat is de enige werkelijkheid waarvan je kunt zeggen, dat ze beheerst wordt door een wet en die wet ben je zelf.

Dromen, zeggen mensen, zijn bedrog. Dromen, zeg ik u, zijn werelden waarin je wandelt op het ogenblik dat je bewustzijn voor wat jij werkelijkheid noemt een ogenblik gedoofd is. Maar even werkelijk. Of je een mens doodt op deze wereld of in een droom, maakt geen verschil uit voor jezelf. Dat is jouw werkelijkheid.

Wanneer je denkt aan licht en vreugde of je maakt ze waar is een gradueel verschil voor jou. Maar als het licht en de vreugde in je bestaan dan zijn die je werkelijkheid en blijken ze deel uit te maken van de tijdloze waarheid, waarin je moeizaam met je besef weg na weg zoekt, totdat je iets begrijpt van de eenheid die alles verbindt.

Woorden en krachten schieten te kort. Wat kan ik in u wekken wat niet in u leeft? Wat kan ik voor u waarmaken wat niet voor u kenbaar is? Ik probeer u wakker te maken. Niet uit een droom, maar uit de beperking van uw besef. Leef je leven zoals je voelt het te moeten leven. Het is niet zo belangrijk hoe je leeft. Maar leef het zo dat je jezelf aanvaardt. Dat je op elk ogenblik kunt zeggen: Ik besta en in het bestaande kan ik licht vinden. Dat is het enige wat nodig is.

Droom zoals je wilt. Dromen zijn niet belangrijk wanneer er in de droom maar één ogenblik van licht is. Want zelfs als je droomt van een hemel tot een hel te vallen is die hemel deel van je droom en deel van je wezen. Luister met eerbied naar de woorden van hen die weten; naar wat ze zeggen, wat juist is. Wat licht is en wat duister is. En laat de woorden u voorbijgaan als de wind, die zich soms tegen u richt en u soms steunt naarmate zij gericht is en u uw pad kiest.

Luister met eerbied naar hen die zeggen wat juist is, want voor hen zal het juist zijn. En lach niet om hen die dingen zeggen, die je niet begrijp of die je onwaarschijnlijk vindt. Het is hun waarheid. Hun deel van licht misschien.

Maar wees trouw aan jezelf. Want slechts de mens die trouw is aan zichzelf kan trouw zijn aan zijn God. Slechts hij die de weg gaat, waarin zijn wezen de verbondenheid erkent met alle dingen kan eens beseffen hoe hij deel is van al en kan zijn bewustzijn vrijelijk laten uitgaan naar al wat bestaat.

Leef zoals je bent. Leef zoals je wilt. Maar leef nooit tegen de ander. Want dit zeg ik u: daar waar u grenzen opricht tussen uzelf en het andere, daar dooft u uw eigen besef van licht.

Laat anderen hun wegen gaan. Erken ze. Geef ze de vrijheid om die wegen te gaan zo goed je kunt en wees jezelf zo goed je kunt. Want tijdloos is de werkelijkheid en licht in het tijdloze, is ons zijn, ons leven. Dit geldt voor eenieder.

Wees sterk in je weten dat de kosmos niet waarlijk kan vergaan doch ten hoogste herkenbaarheid voor mensen kan verliezen. Vindt de kracht in het feit dat jij, wanneer je wilt, elk lichtend pad kunt betreden wanneer je bereid bent de grenzen, die je hebt geschapen tussen jezelf en de werkelijkheid, te slechten.

Besef dat alle kracht en licht tezamen je deel zijn. Ook wanneer je schijnbaar lotsgebonden de trage gang van de uren mee moet maken en de wenteling van leven na leven. Want de verschijnselen zeggen niets omtrent het wezen en de erkenningen van de delen zeggen niets omtrent het geheel.

Wanneer je het geheel beleeft zullen alle delen van het geheel voor jou lichtend zijn en in het lichtende zal je de kracht vinden om dat, wat je nu bewust beleeft, te maken tot een weergave van de eenheid in de totaliteit waarin je wezenlijk ook nu bent opgenomen.

Wat kan ik meer met woorden doen? Welke gedachte kan ik nog uitzenden? Hoe kan ik de beperkingen van de beperktheid gebruiken om het onbeperkte duidelijker te maken?

Wij zijn deel van één geheel. Wij zijn licht omdat we erkennen. Al wat we zijn, geweest zijn of zullen zijn is onvergankelijk vastgegrift. Een vastblijvende kosmos, waarlangs ons begrip lijn na lijn kan trekken zonder ooit zichzelf anders te verliezen dan in deze onbeperktheid.

Ik heb u gegeven wat ik kon. Genoeg is het niet en toch is het voldoende. Want beoordelend vanuit de beperking heb ik u te weinig gezegd. En beoordelend uit het geheel heb ik slechts uitgedrukt wat reeds is, zowel voor u als voor mij.