Goede Vrijdag

image_pdf

 31 maart 1961

Deze avond zullen wij in drie delen verdelen. Wij willen het Paasgebeuren – en vooral wel de kruisgang – bezien vanuit het standpunt van niet-Christenen.
Hierbij zullen wij af gaan op hetgeen wij weten aangaande de historie, de overleveringen van de verschillende volkeren en de stellingen van andere leringen. Het tweede deel geeft u de Christelijke gedachtegang over Jezus’ lijdensweg. Hierbij zullen wij de moderne tijd en enkele meer esoterische punten niet buiten beschouwing kunnen laten. Wij eindigen met een verhandeling over de zuiver esoterische weg, die in het lijdensverhaal verborgen ligt en die wij zullen trachten aan te tonen. Wij hopen u binnen deze trilogie een benadering van het Paasgebeuren te kunnen geven, die niet alleen ongebruikelijk is en meer stof tot denken bevat dan een meer gebruikelijke weergave, doch tevens voor allen praktische en erkenbare waarden bevatten zal.  Wij beginnen met een studie over:

Offerdood en dood

In vele oude verhalen vinden wij de gedachte aan een offergang – of een offerdood – weer- spiegeld. Deze wordt vaak geassocieerd met herrijzenis of lente. Het is zonder twijfel waar, dat de offergang van Jezus daarbij verschillende bijzondere, elders niet zo voorkomende, aspecten vertoont. Toch lijkt het mij goed ons niet alleen op de verschillen te werpen, maar alles, waarin wij een soortgelijke Paasgedachte kunnen ontdekken, aan een nadere beschouwing te onderwerpen. M.i. zal dit ons in staat stellen de achtergronden van het Paasgebeuren te bezien vanuit een meer menselijk standpunt en de Paasgedachte, zoals deze in de mens leeft, nader te erkennen.

Indien het Paasgebeuren alleen een verhaal blijft, maar in de mens zelf geen antwoord wekt, heeft het geheel geen zin. Indien wij door verhalen en overleveringen van alle volkeren en uit alle tijden kunnen aantonen, dat ook buiten het christendom, een Paasgedachte bestaat of bestaan heeft, dan bevestigen wij daarmee tevens het specifiek menselijke van deze verhalen en gedachten. Tevens hebben wij dan vastgesteld dat deze gedachten bij alle mensen voorkomen als uiting van een bepaald geloof en een bepaalde beleving, terwijl zij verder – en dit acht ik van groot belang – steeds weer een afleiding in zich blijkt te dragen van de oorspronkelijke inwijdingsgedachten, zowel als van de oude magie.

Als voorbeeld van de vele verhalen die voor dit doel in aanmerking komen, wil ik u het verhaal van Tammuz in herinnering brengen. Tammuz is een Babylonisch-Perzische Godheid, die de beminde was van de Godin Ishtar. Op aarde toont zich Tammuz als een leraar. Hij is vrolijk, hij weet overal vreugde te geven. Hij geeft de mensen een besef van schoonheid en schenkt hen levensblijheid. En dit brengt hem – volgens het verhaal – in strijd met de duistere Goden. Er komt een ogenblik, dat hij – terwijl hij op zijn fluit speelt om zo de vogels de liederen van de Goden te leren zingen – door afgezanten van de onderwereld mee wordt gesleurd naar de duistere wereld van de doden. De gehele natuur houdt vol ontzetting de adem in.
Volgens bepaalde legenden beeft de aarde, trekken er wolken voor de zon, terwijl de vogels weigeren te zingen en de planten niet meer willen bloeien. Alles is benauwend stil. Ishtar wordt hierdoor op het gebeurde opmerkzaam en neemt al haar moed tezamen. Gevolgd door een schare van haar hemelse duiven, vooraf gegaan door het verschrikkelijke beeld van haar zuster zelf, de strijdende Ishtar, trekt zij over alle hindernissen, tot zij in de onderwereld voor de troon van Nergal staat. Van hem eist zij Tammuz op. Tammuz is echter aan de goden van de onderwereld onderdanig, omdat hij het meer van dodelijke zuren heeft overschreden. Ishtar slaagt erin hem vrij te kopen, maar de prijs is hoog. Telkenmale, wanneer het jaar teneinde gaat – het Babylonische jaar – zal Ishtar met Tammuz tot Nergal gaan, opdat er voor een korte tijd licht en vreugde in de onderwereld zal zijn.

De legende voegt hieraan toe: Wanneer deze beiden elk jaar de lichte werelden weer verlaten, wordt de aarde kaal en stil als eens. Dan trekken de wolken voor de zon en is de lucht zwaar. Het is dan a.h.w. winter. Overigens is dit een typische opvatting van gestaakt leven en heeft met de noordelijke winterbeelden weinig te maken. Maar laat ons het verhaal ontleden.

Tammuz is een zoon van de Goden. Ook van Jezus zegt men, dat Hij de Zoon Gods is. Tammuz wordt gegrepen door de machten van het duister, omdat hij iets op aarde brengt van hemelse wijsheid en vreugde dat – volgens de Goden – daar niet hoort. Jezus brengt het geestelijke licht en de geestelijke waarheid op aarde, waardoor de mens verlost wordt en moet daarom aan het kruis sterven. Tammuz daalt af tot in de diepste diepten van de onderwereld, maar wordt door het offer van Ishtar bevrijd. Jezus, Die wordt bevrijd door Zijn eigen offer, daalt af ter helle en herrijst daarop stoffelijk op aarde, om vandaar weer terug te keren tot de hemelen. De overeenkomst is wel niet volledig, maar de gedachtegang op zich toont grote gelijkenissen en bevat alle elementen, die ook bij de Christenen de paasviering uitmaken: het veroveren of openbaren van een kracht of weten dat bovenmenselijk is: het leven met de mensen – ook Tammuz gaat immers over de wereld, het sterven – omdat een dergelijke gave niet zonder meer aan de mens gegeven kan worden maar door een groot offer bevestigd moet worden. Uit het offer wordt een nieuw leven voor de mensheid of de wereld mogelijk.

In de noordelijke mythen vinden wij de u bekende Balderverhalen. Hierbij wordt door het overzien van een klein en schijnbaar onbelangrijk punt de werkelijke harmonie op aarde verstoord, de mistletoe. Balder gaat naar de onderwereld en met hem verdwijnt het licht van de aarde. Ook hier wordt door offer en drang uiteindelijk het licht op aarde teruggebracht, ook hier is dit tijdelijk. In enkele van de Balderverhalen worden licht en leven zelfs als synoniemen beschouwd. De overeenkomsten met het Paasverhaal zijn ook hier duidelijk.

Het joodse Pascha kent al evenzeer overeenkomsten met het Christelijke paasfeest. Het begint met de leer: Mozes leert zijn volk weer, aan eenheid én aan de ene God te denken. Hij leert de farao de grootheid van zijn God te vrezen. De God van de Joden strijdt met de Goden van Egypte. De strijd eindigt met het offer van de eerstgeborenen in heel het land, waarbij de Joden in plaats hiervan het symbolische offer van het Paaslam brengen. Hierop volgt de uittocht naar het beloofde land. Hierin zijn bepaalde onderwereldelementen te herkennen: de Lethe, het Meer des Doods, e.d. worden aangeduid door de Rode Zee, de hellewereld wordt gesymboliseerd door de 30 jaren, die het volk in de woestijn doolt vóór het vruchtbare, beloofde land kan worden betreden. Waar men elders wel een vergelijking maakt, de hel als de woestijn, de hemel als de oase en het vruchtbare gebied, kan worden gesteld, dat, ofschoon in andere termen uitgedrukt, de gelijkenis met de voorgaande verhalen toch wel zeer groot is.

Ook bij de Hindoes vinden wij verschillende verhalen, die met het Paasgebeuren overeenkom sten vertonen. Onder meer is daar de tijdelijke dood van Krishna, de dansende en zingende held en God, die de mensen wederom het weten brengt. Hij schenkt de mensheid meer dan de Goden goed achten. Hij wordt dan ook achtervolgd en gedood. Hij heeft kinderen op aarde, die heroën blijken te zijn. Deze weten – na moeizame strijd met duivelen en Goden, waarbij zij o.m. Hanuman, de Aapgod, overwinnen – Krishna in zegepraal terug te brengen in de Lichtwerelden. Hij wordt dan binnengeleid in een tempel, van waar hij opstijgt naar het rijk der Goden. Ook hier weer het schenken van iets bovennatuurlijks, een boete voor deze gave – offer – de opstanding en de hemelvaart zelfs. De nadruk ligt steeds weer op een leer, op kennis e.d. .

Bij bepaalde gnostici wordt de nadruk wel zeer sterk op deze kennis gelegd. Volgens hun scheppingsverhaal was bv. de slang, die Eva verleidde, een kracht van Licht. Boven de Schepper kennen zij de werkelijke God. De Creator is jaloers op Zijn schepselen. Het is daarom, dat Hij aan Adam, Eva schenkt en hen verbiedt van de Boom der Kennis te eten. De mens blijft zonder kennis de onwetende slaaf, het slachtoffer van een Schepper die niet de werkelijke God is. Nu kent men in deze leer een vrouwelijke of scheppende kracht, die naast de Schepper bestaat. Deze noemt men wel Sophia, een naam, die men klaarblijkelijk door “gedachte” of “Heilige Geest” zou kunnen vertalen. Deze offert zichzelf op en bezielt de slang. Zo brengt deze kracht de mens tot het aanvaarden van de kennis, het eten van de vrucht. De mens wordt nu wel uitgeworpen uit het Paradijs, maar verkrijgt kennis en beheersing, waardoor hij leert te scheppen. De kracht Sophia blijft lange tijd in de slang gebonden en kan eerst later door bepaalde magische rituelen verlost worden. Alle waarden, die wij in andere verhalen vonden, blijken ook hier weer geheel aanwezig te zijn, waarbij i.p.v. de dood de gevangenschap binnen een laag stoffelijk schepsel optreedt.

Nu kunnen wij deze versie van het Scheppingsverhaal misschien aanvechtbaar achten. Het bestaan ervan is eigenaardig en wijst op een bepaalde gedachtegang, die steeds weer bij de denkende mens tot uiting komt. De gedachte aan het offer als prijs voor een gave aan de mensheid blijkt steeds weer op de voorgrond te treden.

Er zijn meer opvallende feiten. Indien wij volgens de Christelijke leer Jezus’ leven aangekondigd willen zien in de uitspraken en voorspellingen van de profeten, zo valt ons op, dat deze uitspraken zelf zowel als de andere mededelingen van de belangrijkste profeten een typisch magisch karakter plegen te hebben. Indien wij zien hoe Ezechiël, de Messiasgedachte aanstipt, zo blijkt – na enig denken – dat deze hierin eerder een magische allegorie ziet, dan de aankondiging van een werkelijke Koning der Joden, een werkelijke Messias. Het apocriefe boek Tobit of Tobias, dat dus geen deel uitmaakt van de Bijbel zelf, maar als commentaar daarop vaak wordt gehanteerd, leert ons meer over deze denkwijze.
Allereerst leert het ons dat de Joden bij vele vreemde volkeren offerden aan vreemde Goden. Deze Tobit of Tobias is een reiziger. Hij beschrijft onder meer offers aan Moloch in een vallei, die dsjehenna of hel wordt genoemd. De voorstelling van de hel, die wij bij de Moslims vinden, zou – volgens sommige commentatoren – overigens van deze beschrijving zijn afgeleid. Deze vertelt ons ook nog in andere geschriften het een en ander. Daarbij zegt hij onder meer, dat bij alle volkeren, die hij kent, het offer een noodzaak is en dat het belangrijk is, dat dit offer vrijwillig wordt gebracht. Het vrijwillige offer legt – volgens velen – de Goden een verplichting op en dwingt hen daardoor bepaalde gaven voor de mens af. De opvatting is overigens wel logisch: bij de dienst aan Bel-Sephon wordt immers inderdaad het offer gebruikt als een magische dwangmaatregel.

Ook de Joden zelf hebben dergelijke opvattingen. In het boek Numeri vinden wij een beschrijving van zuiver magische maatregelen, onder meer het door de priester doen drinken van gewijd water aan een vrouw die van ontrouw beschuldigd is. Weigert de vrouw, dan acht men haar schuldig. Drinkt zij en heeft zij daarvan geen schade, zo is zij onschuldig. Drinkt zij en is zij schuldig, dan zal zij krampen krijgen en verder onvruchtbaar zijn. Zij wordt in dit geval uitgeworpen uit de gemeenschap en gestenigd. Opvallend is het feit, dat men niet bidt om een dergelijk Godsoordeel, maar, op grond van bezwering en offer van het gewijde water zonder meer een Godsoordeel verlangt. Bij nader onderzoek blijkt ons dat dergelijke magische opvattingen niet alleen bij het geciteerde geval, maar bij vele Bijbelverhalen en haast alle andere zogenaamde heilige verhalen een grote rol spelen.

Laat ons hiervan nu eens uitgaan. De magie van de oudheid is niet, zoals menigeen denkt, alleen tovenarij. Deze magie berust wel degelijk op kennis en is een vorm van vroege wetenschap, die in geheimen en inwijdingen ingedeeld wordt. Praktisch alle gegevens van dergelijke inwijdingen en alle aanduidingen van deze magische kennis vinden wij bij haast alle volkeren in heilige boeken verwerkt. Waar alle voorbeelden uit heilige boeken en overleveringen stammen, dienen wij na te gaan, wat de magiërs en ingewijden van de oudheid ons over de offergang te zeggen hebben.

Deze stellen allereerst: het is mogelijk om krachten uit een hogere wereld naar een lagere wereld te brengen. Daarvoor moet een offer worden gebracht, zodat vanuit de lagere wereld een gelijkwaardige aanvulling aan de hogere wereld wordt gegeven. Dit kan alleen door het offer. Foutievelijk wordt deze stelling overigens ook wel gebruikt bij sommige volkeren, om mensenoffers onder dwang goed te praten. Dergelijke onaanvaardbare uitleg en misvorming van de oorspronkelijke inwijdingsleren kunnen wij wel terzijde leggen. Zij zijn voor ons onderwerp van weinig of geen belang.

Verder stellen de magiërs: de kracht van de hoogste God, de onbekende God, ofwel de God, die boven de daadwerkelijke Schepper staat, is in Zich de kracht, die in alles leeft. De Schepper Zelf is een beperkt wezen en is er slechts een uit een reeks van vele gelijkwaardige wezens. Daar eenieder in zich de gelijke mogelijkheden tot scheppen draagt, kan een mens – mits hij zich zoverre overwint dat hij tot het peil van de creërende geesten stijgt – automatisch de plaats van de Schepper innemen en Diens wetten wijzigen gedurende de periode, dat hij in deze toestand verkeert.

Deze stelling lijkt mij ook voor Christenen interessant: Zegt Jezus niet: “Ik ben u het einde van het Oude Verbond? Ik ben u de Weg en de Waarheid”. Hiermede neemt Jezus klaarblijkelijk een grote verantwoordelijkheid op zich, die aan de scheppende Godheid toebehoort. Ofschoon Hij soms stelt: “Niet Ik ben het, Die tot u spreekt, maar de Vader, Die tot u spreekt door Mij”. Kunnen wij aan de andere kant constateren, dat een groot deel van Jezus’ uitlatingen wel voor eigen rekening komen, waar Hij daarbij geen vermelding maakt van het werken van de Vader in Hem. Ook vele van Zijn wonderen volbrengt Hij duidelijk krachtens eigen wezen. Daarmee komt Zijn gedrag overeen met hetgeen de oude magiërs stellen: een mens kan zich verhogen, tot hij zelf gelijkwaardig is aan, of deel van de scheppende kracht is geworden, de Schepper kan vervangen. Logischerwijze moet hij dan zichzelf tot de scheppende kracht opwerken.

In de oude inwijdingsleer wordt gesteld: Zij, die uit een hogere sfeer regeren – vergeet niet, dat men in deze tijd van Goden spreekt – zullen alle lagere sferen moeten kennen. Indien zij slechts één sfeer beneden zich niet kennen, is hun gezag nul en van generlei waarde. In de geloofsbelijdenis vinden wij over Jezus: “Wij geloven, dat Hij afdaalde ter helle en op de derde dag herrees uit de dood.” Jezus zou dus alle lagere sferen hebben leren kennen. Volgens het geloof is Hij immers ter helle afgedaald, maar volgens Zijn eigen woorden is Hij daarna ingegaan tot en opgestegen tot de Vader. Hij spreekt immers in de tuin bij het graf van Arimatheeër: “Beroert Mij niet, want Ik moet nog ingaan tot Mijn Vader”. Een vreemde verklaring, tenzij de geciteerde inwijdingsstelling, althans voor een groot deel, in Zijn geval van toepassing moet worden geacht.

Mijnerzijds stel ik nu het volgende: Ofschoon ik het feit, dat Jezus geleefd heeft, niet kan en wil bestrijden, daarnaast toe wil geven, dat Jezus’ leven voor deze wereld vele en grote geestelijke waarden heeft losgemaakt en ik overtuigd ben, dat Zijn wezen – als de Christus – nog steeds aanwezig is rond en met deze wereld, terwijl ik zelfs stel, dat de Drager van de Christusgeest – de menselijke vorm Jezus – Zich nog vaak op aarde manifesteert, zo is toch het geheel van Jezus’ leven en lijden een herhaling van een oude inwijding en toont het geheel van de evangeliën ons een uitwerking van bepaalde magische inwijdingsgedachten en gevolgtrekkingen. Daarom mag aan het verhaal van Jezus’ lijden niet slechts een voor de mensen ontroerende of symbolische betekenis toegeschreven worden, maar wel degelijk een oude en ritueel-magische betekenis. Zelfs indien het gehele verhaal niet op waarheid zou berusten, zo zou het nog – alleen door de daarin verwerkte gegevens en belangrijke details – een bijzonder waardevolle weergave mogen heten van het diepste en meest verborgen geloof in de mensheid, dat krachtens de nu nog terug te vinden verhalen en overleveringen, tenminste 5.000 jaren geleden reeds zo bestond.

Let wel: de gegevens, die ik u gaf, zijn niet volledig. Ik heb u nog niet gesproken over Osiris, Mithras, waar wij de gelijke werkingen en interpretaties en openbaringen vinden, die het evangelie weergeeft in het lijdensverhaal. Daarnaast heb ik u niet gesproken over de banden tussen de God der Joden en andere, oudere Goden, als bv. de band tussen Aton en Adonaï. Ik heb uit een haast onoverzichtelijke eenheid slechts enkele verhalen uiteen geplozen.

Stel nu voor een kort ogenblik, dat wij allen niet-Christenen zijn en laat ons vanuit dit standpunt logisch verder redeneren. Wanneer, zo lang geleden reeds, in de mensheid een dergelijke gedachtegang bestond en magisch beleefd werd, wanneer wij deze gedachten verder niet alleen terug vinden in het beschaafde oosten – restanten zijn daar terug te vinden – maar bij een geestelijk onderzoek blijkt, dat soortgelijke verlossingsverhalen eveneens deel uit hebben gemaakt van de Manitoeleer van vele Indianenstammen, terwijl een soortgelijk offergeloof en de daaruit voortvloeiende offerpraktijken tevens deel uitmaakten van de leer bij Tolteken en Azteken… Kortom, praktisch geheel de wereld heeft een dergelijk verhaal gekend. Dan moet dit verhaal en de waarheid, die het uitbeeldt, wel een intrinsiek deel uitmaken van het menselijke wezen.

Of wij hier nu van de geest willen spreken, of alleen van de menselijke psyche en de psychologische condities, die voor de mens noodzakelijk werden, wanneer hij denkende het leven moet aanvaarden, zo blijft ons toch één ding zeker: de gedachtegang van het paasgebeuren is niet alleen gebaseerd op uiterlijkheden of rituele opvoeringen, maar maakt deel uit van een innerlijke beleving, die zich steeds weer kan herhalen. Deze beleving is de uitdrukking van de innerlijke bewustwording van de mens. Zij drukt tevens met het verdergaan van de tijd steeds sterker zijn geloof uit in de mogelijkheid uit de dood terug te keren. Ook zijn aanvaarden van het offer als een noodzaak, indien men leven en vruchtbaarheid op aarde wil zien – later wordt dit in de geest – geeft hij hiermee weer. Hij drukt dan ook in deze verhalen en het daaraan ten grondslag liggende geloof uit, dat hij zich als mens onverbrekelijk gebonden acht met de werelden van leven, kracht en dood, terwijl hij zich bewust is van het feit, dat hij – tussen de polen leven en dood heen en weer gaande – op de duur beide krachten in zich zal kunnen dragen, zonder de eigen persoonlijkheid daarbij te verliezen.

Indien wij het gestelde aannemen, is het ook logisch en begrijpelijk, dat wij de herrijzenis tegenkomen, daar we zo vaak offer en hemelvaart samengevat zien in de verhalen van de oudheid. In verhalen als oude openbaringen en overleveringen, folklore en mythologie vinden wij tenminste 170 verhalen over verschillende persoonlijkheden, waarin dood, herrijzenis en hemelvaart of dood – gevolgd door onmiddellijke hemelvaart (lichamelijk) – een rol spelen. De bronnen van dergelijke verhalen lopen uiteen.
In de Bijbel horen wij van een profeet, die door een vurige wagen ten hemel wordt opgenomen. In China horen wij van heldenverhalen, waarin dergelijke gebeurtenissen worden aangehaald. Wij vinden dezelfde gedachtegang en opvallend gelijkluidende verklaringen terug in geopenbaarde boeken, zowel als in volkssprookjes. Dergelijke verhalen kunnen niet blijvend door alle tijden de menselijke behoeften op aarde blijven uitdrukken, wanneer zij niet voor elke mens een verborgen betekenis hebben en als grondslag – verborgen achter bijkomstigheden en verschillende interpretaties – een door elke mens innerlijk als juist gevoelde waarheid hebben.

Ten laatste wil ik u nog iets vertellen over de opvattingen, die bepaalde gnostici hierover hebben. Bij hen is de ware mens identiek met de Verlosser en drievoudig geschapen. Overigens gaat men in deze leer uit van een splitsing van alle waarden in een mannelijk en vrouwelijk deel. De gnosticus stelt, dat er allereerst het principe is, de Christos – niet helemaal identiek met ons concept Christus – dat geheel in de Godheid bevat blijft. Deze Christos is te midden van de Schepping tevens de representant van de onbekende, ware God, Die schuil gaat achter de Schepper. Het tweede deel van dit wezen staat ongeveer halverwege tussen God en mens. Dit wordt in zijn onvolledigheid het brandpunt van alle krachten, waardoor de mensen zowel stoffelijk als geestelijk daaruit de voor hen mogelijke contacten met de ware God kunnen putten. Ten derde is er Jezus, de derde fase. Deze is, in verbinding met de andere delen van dit wezen – op sommige momenten, maar niet blijvend – de vertegenwoordiger van de grote Godheid op aarde. In zijn werking als vertegenwoordiger van de grote Godheid, Die boven de feitelijke Schepper ligt, kan hij in deze ogenblikken tot Christus worden. Een typische opvatting, waar echter m.i. toch wel iets voor te zeggen valt.

De verdeling van Goden in drie figuren komen wij meer tegen. De gedachte aan de drie-eenheid blijkt al evenzeer verbreid als de gedachte aan de herrijzenis. Denk hier aan de drie-eenheid Brahma – Shiva – Vishnu, die gezamenlijk alle fasen van leven en dood weergeven en binnen welke drie-eenheid alle scheppende werkingen dan ook geheel kunnen worden uitgedrukt. Ook vinden wij het drievoud terug in de drie incarnaties, die men aan bepaalde grote boeddhistische leraren toeschrijft: éénmaal als mens, éénmaal als wetende en éénmaal als Boeddha. Het drievoud blijkt verder onverbrekelijk gekoppeld aan het voor haast altijd volkomen heilige getal drie. Heilig, omdat het het aantal is van gezin: man, vrouw en kind, de voortbrengingseenheid op aarde. Heilig, omdat het het getal is van de afmetingen die, voor de mens kenbaar, zijn wereld bepalen. Ook geeft het getal de drie fasen weer, die de mens in zich kent: voor geboortelijk bestaan, leven en dood. Het getal drie en het tienvoud daarvan zien wij overigens meer: 30 jaren zouden er liggen tussen de uittocht uit Egypte en het betreden van het heilige land, 30 dagen vast Jezus in de woestijn, vóór Hij definitief Zijn werk aanvaardt. 30 jaar is Jezus oud, wanneer Hij leraar wordt, 33 jaar wanneer Hij sterft. Drie dagen liggen er tussen dood en herrijzenis. Drie maal verraadt Petrus zijn Meester. In de Christelijke leer speelt het getal drie een grote rol. Ook elders vinden wij het steeds weer terug. Ook dit wijst voor mij op een belangrijke band met andere godsdiensten en inwijdingsleringen.

Drie krachten maken het de mens mogelijk om bewust te leven: verstand, gevoel en wil. Uit deze drie bouwt hij zijn wereld op, maar zij omschrijven ook zijn innerlijke bewustwording. Drie zuilen in de tempel omschrijven de mens binnen het beeld van de kosmische wereld. Verstand of rechtvaardigheid, liefde of schoonheid en daartussen het gematigde en beheerste of bewuste. De belangrijkheid van de factor drie in elke geloofsleer, filosofie en inwijding overtuigt mij dan ook, vrienden, met een terzijde stellen van elk dogmatisch Christelijk standpunt, dat het Paasgebeuren actueler moet worden gezien, dan men pleegt te doen. Het overtuigt mij ervan, dat uw herdenken van Jezus’ lijden en dood en zo dadelijk, van Zijn herrijzenis in feite een herdenken is van krachten in uw eigen wezen en daarmee ook van werkingen, die in uw eigen wereld en wezen onmiddellijk en volledig steeds weer bestaan.

Er rest mij nu nog slechts één laatste conclusie. Indien ik het voorgaande redelijk heb ontleed, en de getrokken conclusies eveneens redelijk mogen genoemd worden, zo dient elke mens de vraag te worden gesteld, of hij – Christen of niet – de gang van steeds hoger bereiken, offer en daardoor bevestigen van het bereikte voor altijd zal durven en kunnen volbrengen. Alleen, indien dit geschiedt, is m.i. een aardse grootheid mogelijk, gepaard gaande met een geestelijke grootheid, die vrijwording en bewustwording inhoudt voor elke ziel, die menselijk is. Overigens, de concreet genoemde gegevens van mijn betoog kunt u naslaan, daar ik mij zoveel mogelijk op in uw tijd bekende overleveringen en geschiedenis heb gebaseerd.

Jezus’ leven en dood

Wanneer wij nadenken over Jezus’ leven en dood is dit voor ons, indien wij waarlijk Christenen willen zijn, een punt van geloof en levenshouding. Mijn voorganger heeft, getracht de historie te gebruiken, om u een beeld op te trekken van een inwijding. Als Christen geloof je meer dan dit. Indien wij in de Christelijke zin geloven, dat Jezus stierf voor alle mensen – m.a.w. Jezus is dé inwijder – zo moet alles, wat Hij ons geeft en geven kan, uit Hem Zelf, als deel van de Godheid, zijn voortgekomen. Om de figuur Jezus – die ongetwijfeld Goddelijke waarden in zich heeft gedragen – te kunnen begrijpen, zou ik Hem gaarne voor een kort ogenblik willen volgen op zijn lijdensweg. Wanneer ik daarbij tot vergelijkingen kom met uw wereld en het hedendaagse christendom, zult u mij dit niet euvel duiden.

Deze band met alle tijden ligt immers in Jezus’ leer, leven, lijden en weg opgesloten. Jezus is actueel. Wanneer wij Hem voor het eerst gadeslaan, weet Hij reeds, dat het gevaar dreigt, dat dit voor Hem de dood, en voor Zijn leerlingen achtervolging, inhoudt. Hij weet, dat er een opstand dreigt en men, om Hem als Vorst van de Joden op de troon te brengen, zal willen strijden met de machtige Romeinse legioenen. Daarvoor zullen de mensen uit Galilea komen, maar ook uit de bergen. Hij wil daarom eenzaam zijn, nadenken.

Het avondmaal, dat Hij volgens het ritueel met Zijn vrienden en leerlingen gehouden heeft, is ten einde. Hij heeft daar Judas een teken gegeven, een treurig teken, omdat Judas daarin geen verwijt heeft gevoeld, maar alleen een bevestiging van zijn droom: de Meester, die, gedwongen door de mensen, nu eindelijk zijn macht, zijn Goddelijk koningschap over de wereld zal openbaren. “Nog heden zal een uwer Mij verraden”. Op de vraag: “Wie?” was het antwoord: “Hij, die nu de hand met Mij in de schotel steekt”. En tot Judas, treurig: “Ga heen en volbreng uw werk”. Dit is van de lijdensweg het begin. Hiermede heeft Jezus de teerling geworpen. Hij had Judas nog terug kunnen houden. Hij weet, dat Hij de verantwoordelijkheid niet op zich kan laden voor het lijden en de uiteindelijke ondergang in materie voor vele mensen. Jezus kan niet naar de wereld en de macht grijpen, zonder tevens het demonische element van de macht voor zich te aanvaarden.

Jezus gaat naar de Hof van Olijven. Aangekomen op Gethsemane, zegt Hij tot zijn drie liefste leerlingen: “Waakt en bidt met Mij”. Jezus gaat alleen wat verder om God te vragen: “Heer, laat deze beker aan Mij voorbij gaan”. Ongetwijfeld denkt Jezus aan alles, wat Hem te wachten staat en vraagt nog eens en nog eens: “Laat deze beker aan Mij voorbij gaan”, maar er is geen antwoord, er is geen bevrijding. Dan wordt de eenzaamheid te zwaar. Jezus gaat terug. De leerlingen slapen. “Kunt gij dan niet één enkel uur waken met Mij?” Drie maal herhaalt zich dit. Als Jezus nu op de wereld zou zijn en zien, hoe levensstandaard, menselijk recht, macht steeds weer zijn volgelingen tot een strijd nopen, zou Hij ongetwijfeld zoals eens zeggen: “Indien ik door het offer van mijn leven dit kan voorkomen, zo zal ik niet aarzelen”.

Er zijn op de wereld vele Christenen. Wij zouden ons voor kunnen stellen, dat de wereld van heden Gethsemane is. Deze wereld van u, waarin de schaduwen dreigen van oorlog, rebellie, onverantwoordelijkheid en zelfzucht. Omgeven door deze duistere schaduwen kan ik mij Jezus voorstellen, die sidderend en eenzaam de Vader bidt: “Heer, indien het Uw wil is, laat deze beker voorbij gaan”. Op uw wereld zijn er vele Christenen; Jezus heeft ook tot hén gezegd: “Waakt gij in deze uren met Mij”, maar de christenheid slaapt. De christenheid droomt en snurkt; droomt van een totaal Christelijke wereld, vol van verplichte zondagsrust en een overal geldend verbod tot gemengd baden.

Ik kan mij voorstellen, dat Jezus hen wekt en zegt: “Kunt gij dan in dit uur niet één ogenblik met mij waken?” Dan gaat er misschien een schok door de Christelijke wereld. Dan stelt men even: “Maar dit kunnen wij toch niet aanvaarden? Deze naturellen, moord, Congo, Laos, het is ondragelijk. Wij moeten er iets aan doen.” Dan staat Jezus weer. Hij geeft al Zijn Licht en al Zijn kracht: “Heer, laat deze beker de wereld voorbij gaan”, maar Hij is nog niet weg, of de christenen dromen al weer. Zij dromen van het voorkomen van een verdere inzinking van de economie, van grotere kerken, een nieuwe en plechtiger eredienst en een intenser binding van de mens aan de Christelijke gemeenschap. Maar zij dromen zeker niet van het gevaar en het offer. Zij delen met Jezus de zorgen en het gevaar niet. Zij slapen.

Zo gaat het verder. Jezus keert de laatste maal tot zijn leerlingen terug. Beneden wordt er lawaai hoorbaar. Ik weet niet, of u de ligging van de Hof van Olijven kent. Zij ligt wat buiten de stad Jeruzalem, de olijfbomen, en tegenwoordig ook wat coniferen, vormen tezamen een schaduwwoud. Om er vanuit de stad te komen, moet je de helling opklimmen. Wanneer je boven staat, zie je de mensen langs de stadpoort trekken. Zoals nu de toeristen staan en naar de oude stad kijken, zo heeft eens Jezus gestaan. Het was donker. Hij zag de lichten van de flambouwen naderbij komen en wist: “Nu word ik verraden”. Vastbesloten nu weer heeft Hij gewacht op het ogenblik, dat Judas Hem zou verraden. Want Hij wist dat het onvermijdelijk was.

Zijn leerling kwam en omhelsde hem:

“Gegroet, Meester”.

“Judas, verraadt men dan de Zoon van de mensen met een kus?”

Die vraag zou ook kunnen passen voor sommige Christenen van heden. Natuurlijk, alle Christenen staan achter Jezus. Wij leven en wij prijzen u, o Heer. Maar wij, blanken, zo zeggen sommige groepen dan, wij zijn superieur… Anderen roepen uit: “Wij zijn waarlijk uitverkorenen. Maar degenen, die niet in U geloven, o Heer, zijn geen mensen. Wij alleen hebben het recht, wij zijn goede Christenen. Gegroet, Meester.” Dan leveren zij het christendom, de leer van hun Meester, uit aan de machtspolitiek, de haat, aan mensenvervolgingen.

“Zijt Gij de Nazarener?”

“Ik ben het”, en met één gebaar werpt Jezus al zijn vervolgers ter aarde neer. Eén ogenblik meent Judas, dat de Meester Zijn gezag eindelijk doet gelden.

Jezus heeft de mensen lief. Hij laat hen opstaan. Het offer moet volbracht worden. Vandaar, dat vele mensen nu niet meer dromen, van een Koninklijke Verlosser, die alle vijanden terneer werpt. Zij dromen van blinkende schijven, die uit de hemel zullen neerdalen, vol lichtende gestalten in witte mantels, met edele gezichten en lange haren. Zij verwachten, dat deze wezens dan zullen zeggen: “Stil nu, mensen. Uit is het met de strijd, want jullie dreigen je wereld te vernietigen.” Dan, zo meent men, zal alles goed zijn. Jezus’ leerlingen hebben waarschijnlijk ongeveer zo gedacht, toen zij voor één enkel ogenblik Jezus’ macht geopenbaard zagen. Maar Jezus kent geen geweld en geen haat. Wanneer Malchus een oor wordt afgeslagen, zo geneest Hij dit zelfs nog. Want Jezus weet, dat alle overheersing, alle geweld, haat kweekt, doch dat alleen uit aanvaarding liefde geboren kan worden.

Hier spreekt Jezus nog, maar verder zal Hij niets meer zeggen. Hij wordt voor het Sanhedrin gebracht. Daar zitten de wijzen van het volk, de gebaarde gezichten boven het staatsiegewaad. Zelfs de opperpriester, de hogepriester is aanwezig. Al heeft hij de geheime dertiende steen dan hier niet bij zich, als teken van zijn gezag draagt hij het heilige tablet met de 12 stenen.

De beschuldigingen beginnen.

“Gij hebt God geloochend”.

Geen antwoord.

“Gij hebt gezegd, dat Gij de tempel in drie dagen af zou breken en opbouwen.”

Jezus antwoordt niet. De aanklacht interesseert Hem niet. Wanneer mensen met hun redelijkheid en hun noodzaak fluisteren: “Het is beter, dat één mens sterve, dan dat een volk ten onder gaat” en zo verraad plegen aan God en aan de mensheid, helpt het immers niet iets te zeggen.

“Zijt Gij de Zoon Gods?”

“Gij zegt het”.

Hier moet Jezus wel antwoorden. Indien Hij zwijgt, kunnen deze mannen vertellen, wat zij willen. Geeft Hij een volledig antwoord dan zullen zij Hem bestrijden en aanvallen en Hij zal verder moeten antwoorden. Daarom is er maar één weg: “Gij zegt het!” Verder zwijgt Jezus.

Ik weet niet, of het voor een ware christen niet beter zou zijn in deze dagen om ook te zwijgen. Te zwijgen, zijn leed te dragen, anderen te helpen en maar niet te praten over onrecht, zelfs niet over een onrecht, dat men zelf moet ondergaan. Jezus was niet militant. Hij was niet de strijder, die men zo gaarne van Hem tracht te maken. Jezus is de duider, de aanvaardende. “Hoe wilt gij, mensen, het leven overwinnen, indien gij het leven niet kunt aanvaarden, zoals het is?”

Jezus wordt gehoond en geslagen. Men brengt Hem naar de Romeinen toe. Men maakt een Spotkoning van Hem. Jezus zwijgt.

“Zeg ons toch, profeet, wie heeft U geslagen?”

Jezus blijft kalm en zwijgt. Het heeft geen zin te spreken, of een vertoning te geven voor de soldaten, of voor Herodes, die halfdronken uitroept:

“Kom, Profeet, toon ons een wonder. Eén enkel wonder maar en ik zal u vrijlaten”.

Dat zinnetje van Herodes is het woord van geheel de wereld tegenwoordig, de Christenen inbegrepen. “Kom, profeten, laat ons één enkel wonder zien. Wij zullen in u geloven. Wij zullen alles doen”.

Maar Jezus weet, dat, wanneer Hij één wonder doet, men meer zal vragen, steeds meer, tot het een spel wordt, een belachelijk spel, gespeeld met de hoogste Goddelijke waarden om mensen te vermaken, om hun ongeremde begeerten te bevredigen. Ook nu roepen de mensen: “Geef ons een bewijs en wij zullen geloven”. Maar wanneer hen een enkele proef wordt gegeven, zo vragen zij duizend proeven en zij zullen zich zelfs daardoor niet laten overtuigen, wanneer zij niet willen aanvaarden. Dat weet men immers. Dit is de reden van het zwijgen van Jezus. Daarom zwijgt Hij ook, wanneer Hij voor Pilatus staat. Daarom zwijgt Jezus tegen allen, die Hem vijandig gezind zijn; tegen allen, die niet Hem, maar alleen slechts zichzelf zoeken. Het heeft geen zin aan te vallen, zich te verzetten en zo haat te kweken. Het is alleen goed te dulden en te vergeten, jezelf te schenken en desnoods je leven te schenken, opdat er niet meer haat in de wereld kome.

Jezus beklimt de weg naar de Schedelplaats. De weg gaat langs bochtige straten, die nu klimmen, dan weer even dalen. Hij lijdt en zwijgt. Maar als de vrouwen om Hem wenen, zo heeft Hij voor hen nog een woord van troost. Wanneer Hijzelf uitgeput is en niet verder meer kan, zodat de Cyrener, Simon genaamd, Zijn kruis moet dragen, heeft Hij voor deze nog een blik die het leven van deze mens veranderen zal, want in Jezus was geen haat. Maar deze wereld kookt over van haat. Jezus had één enkel wapen: Zijn geloof, Zijn God, de Goddelijke rechtvaardigheid. Het weten ook, dat Hij handelde, zoals het moest, volgens de Goddelijke wil. Dat is de weg, dat is de enige juiste weg. Dat staat in de evangeliën geschreven. Dat gelooft men op deze Christelijke wereld toch?

Waarom dan atoombommen?

Jezus spreekt aan het kruis. Een kreet van dorst, wanneer Hij even té sterk het lichaam beseft. Hij spreekt tot de goede moordenaar, die de legende Dismas heeft genoemd. Hij bidt ook voor de Romeinen en het volk: “Vader, vergeef het hen, want zij weten niet, wat zij doen”.

Jezus sterft met een grandeur, die zelden vertoond is. Daarom leeft Hij eeuwig. Daarom over- wint Zijn liefde de dood. Maar de Christenen krakelen. Zij spreken recht over de moordenaar en oordelen over hun naasten. Zij spreken recht over iemand, die anders denkt, of andere zeden kent, dan zij. De Christenen staan voortdurend klaar om hun rechten te verdedigen, al zouden zij daarvoor de straat op moeten gaan om te staken, te plunderen en te doden. De Christenen van heden geven niet meer, maar staan steeds klaar om te eisen, te eisen, te EISEN. Zij staan voortdurend klaar om hun vijanden, o, natuurlijk zonder haat en alleen uit rechtsgevoel, om hals te brengen. Dat zijn de Christenen van vandaag. “Ons werk is een werk van liefde”, zo zeggen zij. Maar gelijktijdig worden zij gedreven door een ongebreidelde haat tegen alles wat hen vreemd is, wat zij niet begrijpen, tegen alles, wat hun voorrechten zou kunnen aantasten.

Als vandaag Jezus op aarde zou staan als toen, en een communist zou zeggen: “Heer, Spreekt Gij tot de Vader voor mij”, dan zou Hij evengoed – als eens tot Dismas – zeggen: “Voorwaar, Ik zeg u, nog heden zult gij met Mij zijn in het paradijs”. Zou Jezus moeten vragen: “Wat heb je gedaan? Wat ben je geweest?” “Communist, nazist, neger, Mau-Mau-man?” Jezus vraagt hen niets. Hij geeft, wanneer zij slechts aanvaarden willen, zonder voorbehoud wordt hen gegeven en zonder vraag, of zij deze gave wel waardig zijn. De Christenen van heden denken daarover anders. Zij verklaren, dat de moderne maatschappij dit vraagt.

Jezus sterft aan het kruis. Jezus wordt begraven. Hij aanvaardde alles, zelfs de schijn van ondergang en is opgestaan uit het graf. Maar de Christenen van heden roepen uit: “Wij laten ons niet zo gemakkelijk begraven. Wij zullen ons verdedigen. Wij zullen voor onze vrijheid, voor ons recht, voor onze macht, opkomen”. Misschien bent u dapper, jullie, Christenen van heden. Maar vergeet u niet een ding: Wie gelooft aan deze Jezus, deze Duider, die in het graf gelegd werd door Jozef, de Arimatheër, gelooft toch ook, dat op de derde dag, vóór de hanen kraaiden, er een licht was aan de hemel als van de morgenzon, zodat de vogels riepen. Gij gelooft toch, dat een engel nederdaalde van de hemel en de steen weg wentelde, terwijl Rome zijn soldaten verblind lagen voor het ledige graf. Jezus was daar niet. Dan vergt uw geloof niet, dat gij u verdedigt tegen onrecht, dat gij voor uw leven en uw wijze van leven vecht. Dan eist uw geloof dat gij – evenals Jezus – aanvaardt en desnoods sterft, want hoe wilt gij anders, zoals de Meester, herrijzen uit het graf?

Dit is alleen zo volgens Jezus’ leer. Het is niet sociaal verantwoord en economisch misschien dwaas. Maar u zult alleen kunnen herrijzen, wanneer u niet de haat predikt. De duider overwint, de strijder gaat onder. “Wie het geweld hanteert, gaat daaraan ten onder”.

Jezus heeft geleden, Jezus is gestorven, opdat de mensen elkaar lief zouden hebben. Jezus is gestorven, mijne vrienden, voor alle mensen. Dat gelooft u toch? Voor u en alle anderen, ook voor uw vijanden. Hebt u dan nog de moed om te haten? Hebt u dan nog de moed om te oor- delen? Waarlijk, niet voor niets riep een van mijn vrienden kort geleden uit: “De Joden hebben niet veel schuld. Zij kruisigden eenmaal een Jezus, waarin zij niet geloofden. Maar waarlijk zijn de Christenen schuldig, want door hun daden, kruisigen zij elke dag, vele malen weer de God, waarin zij geloven. Zij slaan Hem aan het kruis met hun hypocrisie, met hun uiterlijkheden, hun monddienst aan hun Heer en hun wet, maar ook met de haat, die zij achter hun vroomheid verbergen.”

Vrienden, ik wil niet te lang hierover doorspreken. Gelooft gij in Jezus als de Zoon Gods? Dan zult gij Zijn weg moeten gaan, of geestelijk ten onder gaan. Gelooft, gij in Jezus als de Drager van de Christusgeest, als de Drager voor een kort ogenblik in de oneindigheid van de liefde, die de Schepper koestert voor Zijn Schepping? Zo zult u met Hem moeten dragen en aanvaarden, of zelf – niet gedreven door God, maar alleen door uw ik-zucht – terug moeten wijken in het duister, dat Hij, uw Meester, de buitenste duisternis noemde. Indien gij alleen in Hem gelooft als een legende misschien – want er zijn zo mensen, die zo denken – zo vraag ik u: “Hebt gij de moed een dergelijk edel voorbeeld met uw daden te bespotten? Hebt gij de moed uzelf mens te noemen, wanneer gij nog niet eens in staat blijkt mens met de mensen te zijn?”

Een herrijzenis is mogelijk. Dat weet ik. Maar dan ook alleen voor hen, die weten te offeren. Gods Licht en de heerlijkheid, die Jezus omgeeft, zowel, wanneer Hij herrijst, als wanneer Hij ten hemelvaart, is voor ons allen bestemd, indien wij Jezus’ weg maar durven gaan, de weg van een liefde zonder eisen, zonder geweld, de weg van aanvaarding.

Ik heb niet veel woorden meer, vrienden. Ik weet, dat de mensen heel wat tegen mijn betoog in kunnen brengen. Maar het is naar mijn beste overtuiging de waarheid van Jezus. Jezus, Die voor mij is de Drager van de Christusgeest; een geest vol Licht en kracht, Die ook nu nog in en met de mensheid strijdt voor vrede. Wanneer ik bidden moet, zo ken ik maar één gebed: dat de mens mag spreken over Jezus en het geloof, maar de moed moge vinden tot daden, die Jezus en diens leer waardig zijn.

De esoterische les van de offergang

De gedenkdag van Jezus’ kruisiging is een ernstige zaak. Men kan dit natuurlijk, zoals de andere sprekers op deze avond hebben gedaan, uit een meer stoffelijk of godsdienstig standpunt benaderen. Ik zou graag met u willen spreken over de esoterie, die zeker ook in dit gebeuren voor ons allen te vinden is: de esoterische les van de offergang.

Wanneer wij, geesten, het menselijke leven ingaan, doen wij dit met een zeer bepaald doel. Vooral, wanneer een geest in de stof incarneert, heeft hij daarmee een eigen en zeer bijzonder doel. Voor elke mens, die op aarde leeft, kan dit geestelijke doel iets anders inhouden. De geest tracht door middel van de incarnatie eigen wezen evenwichtiger, lichtender en bewuster te maken. Sommigen falen, anderen slagen daarin volledig. De grote moeilijkheid daarbij is wel het begrip voor het leven zelf en de zelferkenning. Dit laatste is a.h.w. een esoterische inwijding, waaruit een Godserkenning voortvloeit. In de geschiedenis van Jezus vinden wij een aardig voorbeeld.

Het kind Jezus komt op aarde, omringd door jubelende engelen. Een geest, die bewust zich een lichaam op aarde gaat kiezen, is vergezeld door velen uit de sferen, die deze geest bij zijn streven “wel” wensen en hem a.h.w. aanmoedigen. Nauwelijks is Jezus op aarde, of daar is al de dreiging van de tegenstanders en de vlucht naar Egypte. Nauwelijks heeft de geest haar keuze gedaan, of daar komt reeds de drang uit de stof. Zij vlucht vanuit haar wereld naar een ander beleven, waardoor haar bewustzijn steeds meer wordt vernauwd, tot zij met het wordende lichaam geheel tot eenheid is vergroeid.

Dan komt de jeugd. Jezus speelt, zoals alle kinderen plegen te doen. Ook de mens, die jong is, speelt. Helaas blijft hij vaak nog spelen, wanneer hij reeds oud is geworden. Het spel op zich is voor de geest niets anders dan een leren de stof te beheersen. Een mens die in zijn werkelijk stoffelijk bestaan niet verder kan komen dan een redelijk beheersen van de stof alleen, is en blijft geestelijk een kind. Er zijn ook mensen, die leren. Zij gebruiken dan allereerst een periode tot het verkrijgen van kennis, het opdoen van ervaringen. In jezelf vorm je dan een band met geestelijke leiders, grotere wijsheid en grotere kracht. Soms kun je deze krachten zelfs naar buiten toe manifesteren en je verbaast je medemensen met je prestaties. Zoals Jezus in de tempel de Schriftgeleerden verbaasde. Maar je bent nog kind, je staat nog steeds in een gezagsverhouding tot het hogere. Zoals Jezus op het bevel van zijn ouders mee gaat en de tempel weer verlaat, zo zal de geest, die haast nog onbewust en alleen spelend een contact en hogere werkelijkheid vindt, steeds weer tot de materie terug moet keren.

Op ons geestelijk pad betekent dit, dat het begin van een geestelijk rijpingsproces vaak gepaard gaat met een gevoel van grote verlatenheid. Het geestelijke, de band met het hogere, die wij meenden buiten ons te kennen, gaat dan teniet. Wij zouden steeds verder buiten ons mogelijkheden en kracht willen vinden en willen aanroepen, om daarmee voort te gaan.

De periode, die dan volgt, is er een van leren en werken. Jezus leert, zo vertelt men ons, van Zijn vader het timmermansvak. De mens die in een dergelijke periode verkeert, leert wel allereerst verstandelijk na te denken, te werken met filosofie en wijsbegeerte. Daardoor krijgt hij een zekere vaardigheid in het hanteren van eigen gedachtewereld. Maar zoals Jezus in het leven meer zoekt, zo zoekt ook de mens, die bewust begint te worden, naar meer. Er komt een ogenblik in je leven, dat je vroom wordt. Ik bedoel daarmee niet een kerkelijke vroomheid. Het “Kwezelke, wilde gij dansen”, speelt in het geestelijke leven van de mens weinig of niet een rol. Je zoekt in jezelf en in de wereld in deze tijd naar een contact met een God, Die je eigenlijk niet vinden kunt.

Dan ga je zoeken, zoals ook Jezus rond ging trekken. Je hebt in deze tijd misschien reeds de kracht om een medemens te genezen, of op andere wijze te helpen. Maar je hebt nog geen kracht genoeg om de werkelijke waarden van eigen wezen te beseffen en te aanvaarden.

Jezus trekt Zich terug in de woestijn. Ook wij dromen, dagdromen, van alles wat wij zouden kunnen doen met onze gaven. Soms worden wij van deze dromen het slachtoffer. Degene, die aan die waan toegeeft, zal de innerlijke weg nooit werkelijk kunnen gaan. Maar zouden wij er in slagen deze periode van bezinning, zelferkenning, gestoorde emoties, een zoeken naar het onbekende te overwinnen, dan staan wij opeens anders en vrijer in de wereld. Er is geen doop met Jordaanwater bij voor ons. Maar een doop des Lichts ontvangt men dan wel. De mens verbreekt voor een ogenblik de kluisters van het Ik-zijn, het aan zichzelf gebonden zijn, en stijgt omhoog. Hij ontmoet zijn God en kent voor een ogenblik de verrukking van een verzonken zijn in een Licht vol vrede en kracht. Menigeen denkt, dat dit reeds de bereiking is. Laat mij u zeggen, dat dit pas het begin is van het werkelijke pad der inwijding.

Nu wij dit Licht kennen, moeten wij het uit gaan dragen, zoals Jezus deed. Jezus, Die sprak in de Naam des Vaders. Gedragen door krachten, die in u ontwaken, kunt gij dan misschien uiterlijk een belangrijke figuur worden. Maar wanneer u niet in uzelf steeds meer beseft: “niet ik, doch slechts de hoogste krachten door mij”, zult gij ook daar blijven steken. Dan bent u misschien een tovenaar en magiër. Maar zeker zijt u dan nog niet een bewuste. Jezus’ totale leven, met Zijn leraarschap, Zijn verwerpen van conventies en Zijn zoeken naar de juiste weg voor allen, vindt de ontknoping in een wel zeer zware beproeving. Ook voor ons komt dit eens. Eerst zoek je wel in jezelf, maar je leeft nog naar buiten toe. Word je zo de steun en toeverlaat van anderen, dan verwerf je zoveel belang, dat men je misschien als een verlosser zou kunnen gaan beschouwen.

Om dan, zoals Jezus op de Palmzondag, toen Hij, te midden van het gejubel van de menigte, Jeruzalem binnenreed, niet te menen, dat je een vorst bent in het land der blinden en te beseffen, dat ook dit voorbijgaat, is een zware proef. Wij mogen nimmer, hoe dan ook, hetgeen anderen in ons leggen, of van ons verwachten, gebruiken als een maatstaf voor ons eigen wezen. Ook Jezus deed dit niet. Hij hield Zich aan de gebruiken van de tempel, die Hij toch ook bestreed. Ook de mens leeft in een wereld, waarvan de gebruiken voor hem van weinig betekenis zijn. Maar hij houdt zich aan deze gebruiken, omdat zij als symbool waardevol kunnen zijn. Om in jezelf bewust te worden moet je ook in staat zijn jezelf te beheersen, jezelf te verloochenen.

Je moet de vrijheid van het leven kunnen aanvaarden zonder beperkingen, alleen aan de hand van eigen innerlijk weten omtrent al dan niet Goddelijk, of voor God aanvaardbaar van daden en gedachten, uw eigen weg verder bepalend. Is men hiertoe, althans in theorie, gekomen, dan zullen achtereenvolgens in het leven van de mens verschillende kleinere groepen van denkers en gelovigen op de voorgrond treden. Want het innerlijke bewustzijn vraagt nu ook het uiterlijke contact, de bewustwording van hetgeen in het Ik reeds leeft door lessen van leraren, geestelijke meesters en Goddelijke werkingen, die ons van buitenaf bereiken. Deze periode is te vergelijken met Jezus’ verblijf in Jeruzalem. Hij komt daar voortdurend in contact met de meer wetenden en meer ingewijden.
Toch is dit niet het doel van het leven, want ook hier zou men zichzelf naar buiten toe kunnen verliezen. Wanneer de innerlijke weg van de geest – die men verstandelijk niet altijd volgen kan – goed wordt gevolgd, zal men op de duur ook aan dergelijke groepjes en kringen voorbij gaan. Dan ben je met jezelf alleen. Zo begint de lijdensweg, of, het is misschien beter het anders te zeggen: de weg der inwijding. Je hebt al veel van jezelf verloren, maar moet leren nu geheel van jezelf afstand te doen. Zo mag de spot van de wereld je niet meer beroeren, moet het oordeel van de wereld je onverschillig laten en mag je alleen zekerheid zoeken bij het Licht, dat in je woont.

De uiterlijke en stoffelijke omstandigheden zijn in zo’n periode niet altijd helemaal gunstig. Er is veel onrust rond je en veel onzekerheid. Vaak wordt men ook beroerd door ziekten en lijden. Dan juist moet men innerlijk sterk zijn, want degene, die zich onttrekt aan de uiterlijkheid, kan nu voor het eerst zijn werkelijke Ik gaan ontmoeten. Je stijgt boven jezelf uit. Het lijden en alles worden onbelangrijker. Je ziet a.h.w. een visioen van vele werelden. Daarin besef je voor het eerst, dat alles een doel heeft, ook al weet je het einddoel van dit alles nog niet voor jezelf geheel duidelijk te omschrijven. Zo zul je misschien, ziende, hoeveel moeilijkheden jezelf nog door zult moeten maken, hoelang je nog zult moeten worstelen om aan je eigen ideaal te beantwoorden, als Jezus bidden: “Laat dit aan Mij voorbij gaan, Heer”. Deze bede is natuurlijk. Het feit, dat men deze bede uitspreekt, maakt geen enkel verschil uit voor de bewustwording. Ja, haar niet te stellen, zou m.i. misschien van verderfelijke trots kunnen getuigen. Aanvaarden, wat het leven geeft, aanvaarden, wat je innerlijk en uiterlijk als beproeving wordt opgelegd, is toch wel het kenmerk van de innerlijke weg, die vooral van hieruit steil omhoog gaat.

Jezus wordt gegeseld. Ook in uw leven zullen geestelijk – en zelfs stoffelijk – de beproevingen en de pijn op u neer komen. U kunt zich daaraan niet onttrekken door te zeggen: “Deze dingen erken ik niet als belangrijk, want Gods wil, de evenwichtigheid van het wezen, waar ik God ken en beleven mag, is belangrijker dan alle dingen”. Dit is wel heel moeilijk, maar het kan. Misschien dat u dan nog, steeds verder reikende in uzelf en wordende tot een steeds Lichtere kracht, wederom de keuze zult moeten maken van eigen bestemming. Het is niet uitgesloten, dat men u, zoals eens Jezus aan het volk, voorstelt met de vraag: “Wie wilt gij, dat ik u vrijlaat? Barrabas of Deze?” Ook gij zult dan, als Jezus, zien, dat de mensheid, die gij wilt dienen met alle liefde van uw wezen, met alle wijsheid en Lichtende krachten, die gij bezit, zult roepen: “Barrabas” en “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”. Je zou hieraan nog kunnen ontsnappen door een beroep te doen op de mensen.

Maar dan besef je, dat ook hier aanvaarden noodzakelijk is, want hier begint de grote inwijding, maar ook de werkelijke verlatenheid, het werkelijke grote lijden. Tevens echter begint – dit moet ik er wel bij vermelden – de innerlijke opgang. Je gaat innerlijk steeds verder naar boven toe. Deze innerlijke weg doet denken aan Jezus, Die pijnlijk en met een zwaar kruis beladen, dan toch maar de Schedelplaats beklimt, zonder protest. Innerlijk speelt zich dan bij ons het volgende af. Wij gevoelen steeds meer, hoe alles, wat de wereld van ons vraagt, pijnlijk en lastig is, maar tevens zien wij steeds helderder en zuiverder de werkelijkheid, het doel van alles. Het is, alsof in jezelf ergens een dam op het punt van doorbreken staat, alsof zo dadelijk de dijk bezwijken zal en een vloed van Licht zo maar in je naar binnen zal stromen, tot je niet méér kunt bevatten. Maar dit gevoel betekent geen werkelijke rust. Je moet nog verder gaan.

Juist door dit innerlijke verder gaan krijg je nieuwe punten van bewustzijn, de werkelijkheid schijnt zich verder en beter voor je open te plooien. Je staat a.h.w. voor een korte tijd buiten jezelf en ziet jezelf de eigen levensweg gaan. Je beseft, hoe noodzakelijk alle dingen op die weg zijn en gevoelt je met dit worstelende Ik eigenlijk niet zo sterk meer verwant. Daarmee bereiken wij tevens het eerste werkelijke kosmisch belangrijke punt van inwijding. Wij zouden de pijnlijke terugkeer tot eigen werkelijkheid kunnen vergelijken met Jezus’ vallen. Terwijl wij verder uiterlijk de geestelijke last niet meer baas kunnen, vinden wij in onszelf steeds weer kracht. Anderen, die dit niet begrijpen en alleen het uiterlijke verschijnsel zien, zullen zij, zelfs ondanks alles, kunnen troosten, zoals Jezus de wenende vrouwen troost wist te bieden. Want de innerlijke krachten groeien, naarmate het moeilijker wordt de stoffelijke weg nog verder te gaan. Je zou kunnen stellen: wanneer de geest zich bewust is van God, van een Goddelijke wil, waarmee hij één kan zijn, valt elk stoffelijk bezwaar in feite reeds weg. Het stoffelijke moet zijn voortgang vinden, zoals de kruisiging van Jezus voort moest gaan.

Jezus had reeds in Gethsemane alles reeds aanvaard. Wat dan stoffelijk, na een dergelijke aanvaarding, nog gebeurt, is niet veel meer dan het in stoffelijk ervaren omzetten van iets, wat je mentaal reeds geheel kent en innerlijk reeds geheel hebt aanvaard. Dan betreed je een gebied, waarin hoge en grote geesten leven. In een dergelijke periode leer je, als maatstaf om het Ik te kennen, gebruik te maken van hemelse krachten. Entiteiten, die regeren over werelden, of over perioden van tijd, zijn zelfs dan de maatstaf, waarmee men zich kan meten en leren kennen. Het is ook in deze periode, dat de mens innerlijk de aartsengelen a.h.w. ontmoet, dat hij beseft, hoe de Goddelijke Schepper de functies in zijn wezen doet samenvloeien en in hem zinvol zijn geworden.

De kruisgang nadert dan zijn einde. Maar het smartelijkste moet nog gebeuren. Je moet de wereld vaarwel zeggen. Het is geen gemakkelijk vaarwel, niet alleen een afscheid, je moet de wereld rond je voelen sterven, zoals Jezus Zichzelf voelde sterven en de wereld zag uitblussen, terwijl Zijn wezen steeds intenser begon te leven met het vervloeien van Zijn lichamelijke krachten. De wereld wordt steeds minder zinvol, steeds minder interessant. Maar gelijktijdig wordt het begrip van de werkelijke God in jezelf steeds groter. Met het eigen wezen gaat het ondertussen als met Jezus’ bloed, dat volgens een legende op zou zijn gevangen in de Graalbeker, om de wereld steeds weer tot zegen te zijn, als de mantel van Jezus, het kruis, de spijkers en de doornenkroon, die opeens een wonderdadige kracht en kosmische betekenis mochten verwerven door Jezus’ dood.
De mens, die zichzelf offert door zich te verliezen in de hoog geestelijke kracht, zal met alle dingen, die hij doet, aan de wereld, een nieuwe kracht en een nieuwe mogelijkheid tot inwijding geven. De mens, die zover gaat, zal voor allen, die hem begrijpen en volgen kunnen, een pad scheppen, evenals Jezus dit eens voor alle mensen deed. Ons pad zal misschien kleiner zijn, misschien alleen voor enkelen werkelijk begaanbaar blijken, terwijl Jezus’ pas kosmisch en al omvattend is.

Wanneer wij verder gaan, zo denken wij aan Jezus, aan het kruis geslagen. Als vergelijking dringt zich dan het beeld op van de mens, die bv. van het leven afscheid heeft moeten nemen, die weet: ik moet sterven, al kan het nog lang, of misschien maar kort duren… . Een mens, die bij zichzelf misschien denkt: ik wilde, dat het maar voorbij was, al is het alleen maar, omdat het leven zo onbelangrijk wordt, wanneer je in jezelf het geestelijke Licht kent, de stralen van Licht van de verschillende groot-heersers in de kosmos met hun verschillende krachten vanuit de kosmos tezamen ziet vloeien rond je wezen. Juist dan, wanneer alles reeds ten einde lijkt te gaan, moet je nog kunnen spreken tot hen, die beneden je zijn; zij, die nog op aarde zijn. Want juist in het grootste offer, tijdens het beleven van de grootste krachten Gods in jezelf, moet je ook nog de liefde Gods kunnen uitdrukken in de mensheid.

Eerst wanneer je dit kunt, komt het laatste moment der inwijding, het laatste besef, de laatste openbaring. Dit is het ogenblik, waarop Jezus – naar men zegt – uitroept: “Eli, Eli, lama sabachtani”. Een droeve klacht volgens de versie, die men nu geeft: een mens die uitroept: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Maar in werkelijkheid was dit een andere roep: “Mijn God, Mijn God, hoe hebt Gij Mij verheerlijkt”. Want wanneer je het laatste offer brengt, jezelf geheel vergetende, dan vloeien de zeven stralen van kracht rond je samen, dan, terwijl je misschien nog stoffelijk bent, terwijl je geest zichzelf nog niet eens geheel heeft leren kennen, zie je jezelf verheven als op een troon van krachten door hen, die je helpen en steunen. Dan is het Goddelijke Licht rond je in zijn vele kleuren van uiting, zó sterk, dat je jezelf ziet als een schaduwbeeld en zo – voor het eerst – van aangezicht tot aangezicht komt te staan met jezelf.

In het zesde uur verduisterde de hemel. De aarde beefde en de graven scheurden open. Wanneer wij eenmaal het contact met de hoogste kracht zo innerlijk kunnen vinden, beeft de aarde. De materie verandert voor ons. Wat verloren en verleden scheen te zijn, herleeft, wanneer dit nodig is. Licht, dat eens belangrijk leek, dooft misschien uit, zoals een weten, dat ten onder gaat in de innerlijke wijsheid van het Goddelijke Licht. Dan… dan rust je. Want in zo een periode moet de mens zichzelf leren kennen, zichzelf duidelijker en bewuster leren zien. Die rust is als een rondgang door alle sferen. Er bestaat in de esoterie een geloof, dat het leven van de mens een rondgang door alle sferen is, een cirkel, die ligt tussen de laagste geestelijke en stoffelijke waarden en het hoogste geestelijke Licht zelf. Wij zijn niet, wat zich langs die cirkel beweegt. Wij zijn de cirkel zelf.

Gedurende deze periode van innerlijke rust, kun je voor het eerst jezelf zien als een tijdloos wezen. Zó openbaart zich dan het geschapen Ik aan je bewustzijn; zó treed je voor het eerst geheel en eerlijk jezelf tegemoet en aanvaard je voor het eerst volledig alle dingen. Jezus keerde tot de wereld terug. Menige bewuste geest, menige vol ingewijde keert tot de wereld terug. Ook gij: wanneer u eenmaal vol ingewijd zijt, zult gij terug keren. Want juist, wanneer wij onszelf kennen als deel van de Goddelijke kracht, als deel van het Goddelijke wezen, beseffen wij ook, hoezeer wij één zijn met alle leven.

Vrienden, er is geen verschil tussen u en een andere mens , tussen u en een andere geest, ook al meent u dit misschien op het ogenblik nog. Want in God, in het Licht, waarbinnen je de waarheid van je eigen wezen erkent, waarin je de zuil ontdekt, die rijst, als volledige openbaring van de werkelijkheid, boven de samenvloeiende zuilen van de tegendelen, ken je eenheid. En omdat je één bent met die anderen, omdat deze anderen deel zijn van je eigen wezen, zal je tot hen keren. Want er is een volledige geestelijke eenheid. Als het nodig is, dat u uit de dood herrijst, of u spontaan in de geest een lichaam vormt en tot de wereld gaat, zo zult u dit doen.

Esoterisch leert ons Jezus’ gang naar het kruis zoveel. Zijn herrijzenis is voor ons vandaag het culminatiepunt. Wij herrijzen als dat, wat wij in God zijn. Volledig bewust, uit het laatste offer van inwijding, uit de ontkenning van het zelf-zijn en het aanvaarden van het God-zijn, het één-zijn met God. U ziet, dat er esoterisch wel wat te leren valt hieruit. Maar er is natuurlijk nog meer. De tijd is vandaag kort en ik ben zelfs blij, dat ik op de Tweede Paasdag nog even op dit onderwerp terug zal mogen komen. Toch wil ik nog enkele punten opsommen:

Wanneer Jezus voor de wereld sterft, voor de wereld leeft, volgens het geloof de wereld in Hem. Stel dat nu eens voor uzelf als een esoterische waarheid. Indien u leeft voor de wereld, zo kunt u alles op de wereld dragen. Wij kunnen alleen de innerlijke weg gaan, die Jezus bedoelde, toen Hij sprak: “Ik ben u de Weg en de Waarheid”. Want Hij is, zeker wanneer Hij zijn kruisiging volbrengt en sterft voor de ogen van de mensen, één met God. Hij is de Tijdloze geworden, die alle sferen verbindt. Daarom leeft Hij in ons allen. Het esoterische Pasen leert ons hierover veel. De esoterische beschouwing van Jezus’ lijden leert ons de band tussen Hem en ons te begrijpen. Een band die ons ook verenigt met alle ingewijden, met de grote geestelijke Broederorde. Zó geïnterpreteerd is Jezus waarlijk gestorven voor de wereld en zelfs na Zijn verheerlijkt ten hemel gaan, herleeft Hij in de wereld. Nu niet als een persoon, maar als een kracht, waaraan wij allen deel hebben, wanneer wij de innerlijke weg van inwijding weten te volbrengen.

Uw leven is een beproeving. U bent uit de geest geboren om uzelf evenwichtiger, groter en Lichtender te maken. Om dichter tot God te komen vooral. De beperkingen van de stof zijn slechts bijkomstigheden. Uw daden in de stof hebben alleen belang, wanneer zij uw innerlijke en geestelijke waarheid geheel uitdrukken, anders niet. U allen hebt deel aan deze Jezus, aan al deze hoge en bewuste krachten en kunt deze in uzelf tot werkelijkheid maken op elk ogenblik, dat u uzelf weet te vergeten, hoe kort dit ogenblik ook zij. Niet voor niets staat er in de esoterische scholing geschreven: Wie in zich bewust wordt van het Licht en binnen treedt in het huis des Lichts, wordt tot Licht en zal Licht dragen tot allen, die hem aanschouwen. Gij allen, indien gij het innerlijke pad gaat, kunt worden tot Licht van de wereld. Niet in de plaats van Jezus, of van God, maar als een direct deel van Jezus en van God en toch gelijktijdig geheel uzelf zijnde.

Ik zou willen besluiten met een soort “Schone Woord”, maar toch wel iets, dat er op lijkt.

Ik heb U geroepen, o Jahweh, Gij kracht, en gebogen heb ik mij, o Jehova, voor Uw toorn.

Gij hebt mij het leven gebracht.

Maar zijt Gij nu de kroon van het leven? Ik heb getracht Uw weg te gaan met U, o Jezus, Gij, Christus, Messias, kracht van God.

Maar is het niet genoeg om met U te gaan alleen?

Ik smeek U, Gij kracht, die leeft in Licht, Gij lichtende, die Uw aangezicht verbergt achter de schittering van Uw werkelijkheid: leid ons. Leid ons langs dat pad, dat ons niet slechts naast Jezus doet gaan en staan; niet slechts ons naast het gebeuren voort doet gaan, maar ons er deel van maakt met heel ons wezen. Laat mij, al is het een korte wijle,  spreken vanuit Uw stem, O God. Laat mij roepen tot hen, die Uw heerscharen regeren. Gij, strijders van het Licht, gij brengers van het Woord, gij verborgenen, die Uw plichten kent, gij die de mens bekoort, zowel als gij, die de mens licht en vrede geven, wees met mij in deze tijd.

Uw leven, Uw strijd, Uw werkelijkheid, zij worde mij tot Licht en mij als inzicht nú gegeven. Ik spreek nog één keer, o Adonaï, ik spreek nog één maal, tot al, wat bestaat uit Uw naam. Gij, der kosmische krachten Heer, verborgen achter al, en achter hen, die ik noemde, laat mij Uw wezen ondergaan. Laat mij Uw krachten proeven, het lijden dragende van hen die lijden, stillende de droefheid van hen, die falen in de strijd om nog zichzelf te zijn.

Laat mij klein zijn, mijn God, maar geef mij de krachten om het grote, dat gij in mij verborgen hebt als een kostelijk juweel, fier te dragen tot zegen van al, Uw wezen openbarende tot aan het einde der dagen, het uur, waarop ik mij in U en U in mij, mijn God, volmaakt erkennen zal.

Alle krachten zijn in U. Alle krachten, die de hemelen regeren, alle krachten in de Schepping, die Licht zijn, zijn ook deel van uw wezen, indien u deze voor uzelf tot werkelijkheid maakt. Indien u vreest, dat kwaad u beheerst of duister, zo beroep u op het Licht en ga in de naam van het Licht uw weg. Dat is vooral de conclusie, die getrokken moet worden uit het feit, dat door ons op deze Goede Vrijdag herdacht wordt: niet lijden, dood en duisternis, maar de zelfoverwinning, waardoor het Licht werkelijkheid wordt en de kosmos stem vindt in de mens.

Vrienden, daarmee heb ik mijn plicht gedaan en mijn woorden gesproken. Ga zo dadelijk vredig huiswaarts in de wetenschap, dat de mens, die gelooft in het Licht, dat in hem woont en die streeft om zichzelf in dit Licht te kennen, ook al zal zijn weg hem misschien over calvaries voeren, zijn God en zijn werkelijkheid bereikend. Dat de vrede van de Lichtende in u zij, uw harten beware en uw geest richtte op het einddoel van alle dingen.

image_pdf