Goede vrijdag – provocatie

image_pdf

31 maart 1967

Allereerst herinner ik u eraan, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik vind het wel aangenaam, wanneer u zich ook over het volgende een eigen mening wilt vormen. Wat ons onderwerp betreft, weet u natuurlijk reeds, welke kant wij op moeten gaan: Het is weer een van die beruchte algemene christelijke feestdagen, het is weer: Goede vrijdag – provocatie.

Deze vrijdag is het leven en lijden van Jezus – en de betekenis daarvan – op zo een duizend of meer verschillende wijzen en van verschillende kanten belicht. Want de christenen zijn nu eenmaal fantastisch goede belichters. Wij kunnen zelfs zeggen, dat hun belichtingstechniek algemeen wel in orde is. Toch zijn er altijd weer een paar punten in dit alles, die mij tegenstaan.

Ik weet niet hoe het u gaat, maar ik voor mij vind het wat eigenaardig, dat men zich voortdurend bezighoudt met de kruisiging van Jezus en daaruit toch kennelijk geen andere consequenties weet te trekken dan het uitvoeren van een Johannes- of Matheuspassie en een halve of hele dag vrij voor de schoolkinderen. Dit lijkt overdreven, maar in de praktijk wordt het toch steeds meer de waarheid. Ik voor mij vind het niet noodzakelijk steeds weer terug te grijpen naar dit verre verleden en kan alleen maar zeggen: De mensen schijnen enorm veel vergeten te zijn. Zo zijn zij kennelijk vergeten, dat Jezus een jood was. Een jood, die in de laatste wereldoorlog rustig in een concentratiekamp terecht gekomen zou zijn en die door de leden van andere, z.g. vrije staten, niet vrijgekocht zou zijn, zelfs indien zij zijn leven hadden kunnen redden door het offer van een appel en een ei. Zoals velen schijnen te vergeten, dat Jezus zijn lijden zelf heeft aanvaard. Ik wil niet zeggen, dat Hij dit zelf heeft gezocht, ofschoon ook daarvoor argumenten te vinden zouden zijn. Maar aanvaard heeft hij het zeker. Men beschouwt het gehele drama zo in de geest van: God heeft dit nu eenmaal gewild… Ik weet niet, waarom men God hierbij moet gaan halen. Het is immers duidelijk genoeg, dat het offer beantwoordt aan Jezus wil? Wanneer er geen wonder gebeurt, zo zal hij zijn lijden aanvaarden. Indien de “Vader” een wonder doet, waardoor deze “beker aan Hem voorbijgaat”, zal Hij het graag aanvaarden. Maar zo dit niet geschiedt, zo weet Hij consequent te moeten blijven en zijn offer vrijwillig te moeten brengen.

Dat zijn de christenen, die Hem vandaag herdenken, allesbehalve. Misschien komt het hierdoor, dat zij vergeten, hoezeer die Jezus steeds maar weer consequent bleef, door alle dingen heen, ondanks alle invloeden. Ik denk hierbij aan het laatste avondmaal, dat in de prediking van velen vandaag een zo grote rol heeft gespeeld. Het is de voorloper van de bij de christenen zo bekende liefdemaaltijd, de Agape, die op zijn beurt weer de voorloper vormt van sacramentele handelingen in de kerken, avondmaal en wat daar verder zoal bij te pas komt. Vreemd genoeg vergeet men daarbij een heel belangrijk ding: juist aan die tafel zat Judas als verrader. Het herinnert ons eraan, dat wij het verraad steeds weer ontmoeten op het hoogtepunt van een ontwikkeling, zoals wij de werkelijke verraders steeds weer vinden bij de heersers of de idealisten. Marx werd verraden door Lenin. Lenin werd verraden door Stalin. Stalin werd verraden door Chroetsjew. Zoals Jezus wordt verraden door apostelen, volgelingen als patriarchen, pausen, kardinalen.

Wanneer je dit alles overziet, lijkt het een vreemde wanorde. Juist daarom zou ik vanavond andere dan de gebruikelijke aspecten van dit gebeuren willen bezien met u. De verhalen zijn mooi. Of zij nu geheel op waarheid berusten of niet, zeker is, dat een groot deel van deze wereld pretendeert te geloven in Jezus Christus. Men zegt te geloven in de kruisiging, de dood en de herrijzenis. Maar velen gedragen zich als mensen, die het gehele jaar anderen kunnen domineren, hun vrijheid aantasten en zelfs mogen zondigen, omdat zij op een dag in het jaar zich herinneren, hoe Jezus voor hen aan het kruis werd geslagen. De genade, die zij daaraan  ontlenen, geeft hen ten minste de kans – ofschoon sommigen het kennelijk zelfs als een recht beschouwen – om anders te handelen, dan wat God van hen eist, of Jezus hen leert. Zij vergeten maar liever, dat God in ons een wet schept, een soort geweten legt en ons doet gevoelen en inzien, wat juist en wat onjuist is in ons leven en handelen. Zij vergeten eenvoudig, dat elke mens aan zijn God verantwoording schuldig is, dat elke mens voor zich de regels, die hij innerlijk als juist erkent, in zijn leven tot uiting moet brengen.

Niet alleen stellen zij vaak hun wetten boven die van God, zij beïnvloeden de mensen en brengen hen ertoe zich te gevoelen als mensen, die zonden bij de vleet begaan. Daarbij maken zij de in wezen onbelangrijke delen van het leven tot de belangrijkste punten en richten alle aandacht vooral daarop. Zo stelt men wel, dat het doodzonde is, wanneer men zijn Pasen niet houdt, of niet regelmatig op zondagen ter kerke gaat. De geestelijke leiders schijnen zich vaak over deze belangrijke fouten meer op te winden dan over het feit, dat men soms door nalatigheid, onoplettendheid of gebrek aan belangstelling zijn naasten, soms buren in dezelfde straat, stoffelijk, geestelijk, eenvoudig laat verhongeren. Kennelijk vindt men het niet zondig, wanneer mensen zich voorbereiden op het doden van hun medemensen. Men is bereid de mannen, die daarmede belast zijn of daarin betrokken worden, van alle geestelijke steun te voorzien en zelfs in uniform aanwezig te zijn, wanneer zij feitelijk ten strijde zouden moeten trekken. Maar men beschouwt het als een grote zonde, wanneer iemand een meineed aflegt en zo de naam Gods valselijk in de mond genomen heeft. Dan dient men eerst door berouw gekweld te worden, voor de geestelijke bijstand wordt verleend en de middelen van de kerken ter beschikking komen.

Kijk, dergelijke dingen kan ik niet goed begrijpen, zeker niet wanneer men als God en voorbeeld Jezus neemt, die zelfs op het ogenblik, dat men hem ten onrechte gevangen nam om Hem te doden, Petrus gebood het zwaard op te steken en niet te vechten. Kijk naar die wereld van vandaag met al zijn ellende. Bezie die wereld met al haar pseudo-christendom, al haar braafheid en zelfverheffing. Wanneer ik dit alles bezie, rijst mij de vraag, of de mensen nog wel het recht hebben een Goede Vrijdag te vieren, een paasfeest te beleven. De meesten van u vinden het heel gewoon, dat ik deze dingen zeg. Enkelen reageren zelfs met een: Daar komt de boetpredicatie al. Zij hebben er kennelijk al op gerekend. Zeg mij eens, waarom ik een boetpredicatie zou houden, heeft dat dan zin? Ik wil alleen maar vanuit mijn standpunt constateren. Jezus sterft aan het kruis, omdat Hij de weg heeft gekozen van de barmhartigheid, van de liefde, en zich niet wil herroepen op de wetten zonder meer. De christenen echter beroepen zich steeds weer op de wet en maken van hun daden van barmhartigheid meestal een mengeling van ambtelijk gegoochel en stille zelfverheffing. Jezus sterft om Zijn leer van naastenliefde het uiterste zegel van bevestiging mede te geven wat er maar te geven is. Hij trotseert daarvoor de dood. Maar volgens vele mensen, die zich christenen noemen, mag je je naaste niet liefhebben.

O, abstract heeft men er natuurlijk niets op tegen. Maar a.u.b. geen gevoelens van meer concrete naastenliefde tegenover een neger of een kaffer. Zo iemand kun je alleen in de christelijke naastenliefde betrekken, wanneer hij eerst goed zijn plaats weet, nietwaar? En denk a.u.b. niet in de termen van werkelijke christelijke naastenliefde over een communist! Jezus was weliswaar in leer en praktijk een van de eerste communisten op aarde, zo niet de eerste, maar daarover moet je niet spreken. Tegen mensen, die de juistheid van onze wijze van leven en denken niet erkennen, mogen wij geen naastenliefde meer kennen. Dat zijn onze vijanden, nietwaar, daar kun je toch geen liefde aan verspillen? Men wil de naastenliefde wel beoefenen in deze moderne tijd, maar dan alleen wanneer het toevallig opportuun is en degene, die wij met onze naastenliefde vereren, aan kunnen. En dat is dan christendom?

De bijna vernederende goedhartigheid, waarmede men dan maar besluit de gevangenen wat beter te behandelen en ervoor te zorgen, dat er steeds meer idioten in Nederland komen – gezien de verkiezingen is men daarin reeds aardig geslaagd – de goedheid, waarmede men zorgt dat u niet te zwaar gestraft wordt, wanneer u eens faalt tegenover uw medemensen, zijn maar uiterlijkheden, die door de werkelijkheid niet bevestigd worden. Zorg er maar voor, dat u nooit tegen de staat zelf zondigt. Want of u het nu terecht of ten onrechte doet, zolang u eerlijk blijft menen dat uw optreden juist is, zult u bij elk ingaan tegen de grote machten zwaar veroordeeld worden. Natuurlijk acht men dit als christen noodzakelijk en gerechtvaardigd. Hoe zou het anders mogelijk zijn om een christelijke samenleving als de onze in stand te houden, nietwaar?

Dit geldt zelfs wanneer zij op bepaalde punten gelijk hebben. Dan spreekt men bv.: Het is beter, dat het provodom enkele malen ten onrechte zwaar veroordeeld wordt, dan dat men duidelijk zou kunnen maken, dat onze christelijke maatschappij met al haar “waarden” op illusies berust.

Pardon. Dat had ik misschien niet zo mogen zeggen. Maar is het dan niet waar? Wij zijn allen graag goede christenen. Daarom hebben wij allen veel medelijden met de slachtoffers van de oorlog in Vietnam. Daarom zal men zelfs demonstreren tegen die oorlog. Maar ja, Amerikaanse tabakken zijn beter dan andere tabakken, Amerikaanse industrieën brengen veel geld binnen, Amerikaanse producten en patenten zijn vaak zo goed, weet u. Dus protesteert men, terwijl men Amerikaanse ontwerpen van kleding draagt en Amerikaanse sigaretten rookt, of Amerikaanse tabak rookt, en koopt men voor eigen gebruik nog steeds vele Amerikaanse apparaten. Die oorlog is niet goed. Wat men tegenover de negers in Afrika doet, is niet goed. Maar een werkelijke en efficiënte boycot? Dat zou te gek worden. Wij zijn het natuurlijk niet eens, met wat er gebeurt en hebben vele bezwaren tegen de wijze, waarop men daar zijn aangelegenheden meent te moeten regelen. Maar zaken zijn uiteindelijk zaken. Nu ja, misschien kun je die duikboten niet onmiddellijk gaan leveren. Maar je kunt daar langs indirecte wegen toch misschien wel wat aan doen en iets aan verdienen, nietwaar? Want zaken zijn nu eenmaal zaken…

Als Jezus eens gedacht had aan eigen voordeel, wanneer hij eens geredeneerd had op de wijze van de goede christenen, die vinden dat zaken toch uiteindelijk zaken zijn en van het geloof gescheiden moeten worden gehouden, dan zou het volgende gebeurd zijn: Er zou nooit een christendom ontstaan zijn. Misschien zou Jezus in uw geschiedenis nog bekend zijn geworden als de een of andere held of krijgsheer, maar hij zou zeker niet aan het kruis gestorven zijn. Dan zoudt u hier nu waarschijnlijk nog bidden tot Freya en Odin en de komst van Baldur gevierd hebben in plaats van het paasfeest. Maar, Jezus reageerde anders dan de christenen van nu.

Maar ja, zaken zijn nu eenmaal zaken. Wij moeten niet zelf reageren op de verantwoordelijkheden, die het leven ons oplegt. Dat zou dwaas zijn, nietwaar? Anderen zouden immers de slechte dingen doen en daaraan verdienen? Neen, laat ons zelf geen verantwoordelijkheid nemen in dergelijke gevallen. Daarvoor is er de wet, de Staat. Of de Amerikanen nu goed of kwaad doen, of de Russen nu gemeen en oneerlijk zijn of niet, gaat ons niets aan. Wij hebben een buitenlandse politiek, die door onze gekozenen wordt bepaald.

Wanneer wij die mensen eenmaal gekozen hebben, is het onze zaak niet meer.

Wij zijn dan van de verantwoordelijkheid af…. Of zijn wij er wel werkelijk vanaf? Indien Jezus zo had gedacht, zou Hij tegen de leerlingen in de Hof van Olijven gezegd hebben: “Jongens, ik heb gebeden en geen duidelijk antwoord gekregen. Ik hoor in de verte reeds de tempelwachters, dus laat ons hem smeren. Want het is hier voor ons niet pluis meer.” Jezus deed het niet. Hij aanvaardde het feit, dat hijzelf verantwoordelijk was, dat de uiteindelijke beslissing niet bij een hogere autoriteit lag, maar bij hemzelf. Waarbij men niet over het hoofd moet zien, dat Jezus reeds precies wist, wat er verder van zou komen.

Er zijn mensen, die hun eigen verantwoordelijkheid kennelijk niet willen aanvaarden, die de aansprakelijkheid voor hun eigen daden willen delen met- of zelfs afschuiven op anderen. Ik denk hierbij aan de houding van bv. een Barend Biesheuvel. Hij wist, waaraan hij begon. Hij wist, dat hij afweek van hetgeen anderen juist achtten. Toch zegt hij nu tegen anderen: “Indien men mijn optreden en daden niet goed wil keuren, zal ik heengaan.” Ik beweer niet, dat dit niet zijn goed recht zou zijn volgens menselijke opvattingen, maar op de achtergrond zie ik de hoop, dat men tot hem zal zeggen: “Heer, Meester, blijf…” Hiermede wil hij in feite de verantwoording voor zijn optreden en daden gedeeld zien door zijn fractie. Dat is begrijpelijk, dat is menselijk, maar het is niet meer waarlijk christelijk. Een dergelijk optreden is doodgewoon afpersing en machtsmisbruik; anderen binden aan eigen daden en overtuigingen, zijn normaal in deze wereld.

Daarom wil ik de vraag opwerpen, of deze wereld eigenlijk nog wel het recht heeft zich christelijk te noemen, of zij nog wel het recht heeft, zich afkeurend uit te laten over een Pilatus, een Annas, een Caïphas. Ik vraag mij af, of zij wel het recht heeft een gebeuren als dat van vandaag zo vanzelfsprekend te vieren, zoals ik mij afvraag, of het veel zin heeft een dergelijk gebeuren te herdenken, wanneer men zich van de praktische consequenties daarvan toch steeds weer met allerhande uitvluchten en rationalisaties onttrekt, zelfs terwijl men zich uitgeeft voor vertegenwoordiger van Jezus.

U leeft in een christelijk land, nietwaar? U bent vaak zo christelijk, dat u het verschrikkelijk vindt, dat de een of ander op goede vrijdag een uitvoering zou willen geven – in een circus bv. of een theater. Indien het nog gewijde kunst is, mag het desnoods wel. Maar wij moeten ons toch voor kunnen stellen, dat goede christenen deze dag in stilte en overpeinzing door moeten kunnen brengen. Of anderen dit nu zo voelen of niet, gaat ons daarbij niets aan. Of dit moeilijkheden brengt en verliezen voor iemand anders, gaat ons daarbij ook al niets aan. De naaste interesseert ons immers in dit opzicht niet. Wij zijn rechtvaardige en vrome christenen… Daarom moet volgens hen alle amusement stilvallen. Nu ja, de fabrieken moeten natuurlijke doordraaien. Het zou te veel kosten om ze stil te zetten. En de winkels moeten openblijven, want anders hebben wij te veel ongemak daarvan. We verliezen toch alweer een werkdag door die vervelende tweede paasdag, nietwaar? Maar iemand die wel moet werken, de mogelijkheid geven zich dan ook normaal te vermaken, wanneer hij dit wenst…, neen en nog eens neen. Dat zou niet christelijk zijn, daarmede zouden te veel goede christenen zich in hun diepste geloof gekwetst gaan voelen.

Vraag u nu eens eerlijk af, op het eerlijk, redelijk is. Elders weer hoort men: “Voetballen op zondag is niet christelijk. Anderen mogen ernaar verlangen zich te vermaken, maar onze gemeente is christelijk en vroom. Hier wordt niet gevoetbald, hier gaan geen amusementsgelegenheden open, laat de mensen zich thuis maar achter het harmonium bedrinken of desnoods hun vermaak langs de dijk zoeken. Daarmede hebben wij niets van doen. Zo een mens dergelijke fouten maakt, is het zijn eigen zaak, maar wij kunnen toch niet toelaten, dat openlijk de sabbat geschonden wordt.” Er zijn zelfs idioten, die menen, dat eigenlijk zelfs de g.g.d. en de brandweer op zondag niet zouden mogen uitrukken, omdat daarvoor mensen gereed moeten staan. Die werken, en dus daardoor wordt de sabbat geschonden…

Zoals er werkelijk mensen zijn, die menen, dat het gezag de ontuchtige kleding, waarin velen zich dezer dagen vertonen, zou moeten verbieden, daar hierdoor de openbare zedelijkheid wordt geschaad. Ik zou zeggen: Indien iemand voor gek wil lopen, is het zijn eigen zaak. Maar neen: Uit christelijke overwegingen moeten wij voorkomen, dat er zondige gedachten worden gewelkt door minimode, broekpakken en dergelijke verderfelijkheden, die de duivel op ons afzendt. Als je daar niet tegen kunt, zo zou ik zeggen, moet je leren jezelf wat beter te beheersen – en niet alles, wat jezelf niet aan kunt of meent niet te kunnen verdragen, eenvoudig aan anderen te verbieden.

Nu lacht u. Maar meerderen menen innerlijk, dat dit toch geen betoog is, dat past op een Goede Vrijdag, neen. U hebt gelijk. Dit is alles te modern, te direct. Een betoog op Goede Vrijdag moet iets zijn, dat vol is van verborgen dreigingen. Dan moet er gesproken worden over de aarde, die beeft, over graven, die openscheuren, een gordijn, dat uiteenvalt, tempelmuren die dreigen in te storten. Dan moet je een woordbeeld schetsen van drie kruisen, die daar staan tegen de jagende lucht en spreken van een stem, die op het laatste moment uitroept: “Elie, Elie, lama Sabachtani”. Willen jullie drama? Ga dan naar de bioscoop, naar een werkje over James Bond kijken. Dat is nog veel bloediger en, daar u de afloop nog niet kent, ook veel spannender. Is Jezus voor u dan werkelijk niet veel meer dan dit: Drama, emotie, een gevoel van verlost zijn?

Maar goed, laat ons niet verder ingaan op de vele vreemde dingen, die er in het vrome land bestaan als standjes, die de mensen verbieden te doen wat zij wensen, omdat anderen hierdoor “gekwetst zouden worden in hun godsdienstige gevoelens.” En wij zullen dan ook maar niet spreken over de mensen, die zo nodig eenieder, of hij dit nu wenst of niet, van medicijnen willen voorzien via het drinkwater. Ofschoon daar natuurlijk wel iets voor te zeggen valt: Je begint nu eerst iets te doen om de cariës te bestrijden, dan kun je later misschien nog wel iets in het water doen om de overbevolking te bestrijden ook. De installaties heb je dan toch, niemand zal het bemerken en het gaat toch in één moeite door…, spreken wij van deze afzonderlijke gevallen dus maar niet meer.

Maar hebt u zich wel eens afgevraagd, werkelijk afgevraagd, hoe het zit met de vroomheid van Nederland? Dat Nederland, dat zoveel goed wil doen, dat zo christelijk denkt, besteedt meer dan 50 à 60 maal zoveel aan wapens, waarmede men, indien nodig, andere mensen kan doden, dan aan het helpen van medemensen, die van de honger creperen. Nederland is voor de wereldvrede. Maar in verhouding is het zwaarder bewapend dan gelijksoortige staten elders; het is tegen de atoombom, maar laat rustig toe, ja bevordert zelfs, dat op zijn gebied atoomkoppen worden opgeslagen. Nederland wil alleen maar het goede. Maar indien men elders zegt, dat opgetreden moet worden voor of tegen China of Rusland of iemand anders, dan blaft datzelfde Nederland heel gehoorzaam. Natuurlijk is men voor vrijheid van woord en denken…. dat wil zeggen, zolang iedereen onze vrijwillige censuur respecteert. En als hij dit niet doet, dan zullen wij misschien niet proberen om dit rechtstreeks te verbieden, maar wij zullen zo iemand eenvoudig uit de gemeenschap laten trappen, wij zullen hem wegpesten.

Nederland is een land vol vrome, goede gedegen burgers. Dat vergeten zij alleen wanneer zij de grenzen gepasseerd zijn. Maar zolang zij thuis zijn, zijn zij dat, gezeten burgers vol van idealen en vrome, christelijke denkbeelden. Leuk? Dat landje, met al zijn zelfvoldaanheid, met al zijn werken, beschouwt zich als waarlijk christelijk. Zelfs de niet christenen onder u denken in feite christelijk en worden in hun handelwijzen en denkwijzen beïnvloed door de christelijke tradities.

Uw socialisme is in feite een vorm van materiële kerstening, dat zich baseert op de broederschap en naastenliefde, die Jezus gepredikt heeft – al noemt men dit dan ook solidariteit. Maar deze solidariteit berust op iets, wat Jezus in de verhouding van mens tot mens als noodzakelijkheid beschreef vrijzinnigheid en pogingen tot liberalisme zijn gelardeerd met stukjes Luther, Calvijn en katholicisme. U vormt een christelijke natie. Uw instelling is zo christelijk, dat de mensen er eenvoudig niet meer toe komen, om zelf praktische christenen te zijn. Denk niet, dat dit alleen in Nederland zo is. De USA is een van de meest christelijke staten van de wereld. Toch klinken daar kreten als: “Meer mensen en wapens naar Vietnam. Wij moeten winnen.” “Weg met de negers, want wij wensen deze mensen niet als gelijkwaardigen in onze gemeenschap.” Ook daar neemt men het niet, dat iemand, hoe oprecht ook, zich anders gedraagt dan de doorsnee, mens.

Zelfs in jolly old England stelt men: Wij zijn natuurlijk vrij, het meest vrije volk; maar wij moeten ons baseren op onze tradities, onze tradities zijn heilig; wie daaraan geen gevolg geeft is maar een minderwaardig mens. Dit alles wordt vooral vaak geuit op dagen als deze. Maar Heeft het ook maar iets te maken met christendom, met Goede Vrijdag?

U meent misschien, dat ik overdrijf. U meent misschien: “Nu ja, zij moeten er weer eens wat over zeggen en dus hebben zij een straffe speech in elkaar getimmerd.” Zo is het niet. Maar zelfs indien het zo zou zijn, zijn wij zeker de enigen niet. Hoeveel pastoors en dominees hebben de evangelies en commentaren daarop door zitten nemen, om er een paar stukjes uit te halen, waarover je roerend kunt spreken? Wij hebben ons in zekere zin voorbereid. Wij hebben namelijk de niet al te verre toekomst eens bezien.

Het is Goede Vrijdag. Het is de herdenking van een mens, die sterven moest ten bate van de gemeenschap. Zo immers zagen de hogepriesters het en de leden van het sanhedrin? Zo zagen het ook de meeste burgers. Want de meeste burgers denken, zoals hun leiders hen zeggen dit te den. Dus deden zij het. Op enkele idioten na. Dat werden de eerste christenen. Het is Goede Vrijdag. Op dit ogenblik staat de wereld aan het begin van een periode vol hevige bewogenheid. Op het ogenblik staat de wereld aan het begin van een doorlopende reeks van revoluties en opstanden. Op het ogenblik ziet het eruit, of uw wereld bezig is haar eigen graf te graven. Men is zelfs al bezig aan het laatste monument. Terwijl men behandelt, hoe men kan komen tot een beperking van de atoombewapening – beter zou zijns het atoommonopolie van enkelen te handhaven – is er zojuist een totaal nieuw atoomwapen klaargekomen. Een heerlijke bom. Een van deze bommen zou het leven in korte tijd op ruim 300.000 m2 onmogelijk maken door een zeer sterke radioactieve neerslag en grote stralingsintensiteit. Een heerlijk wapen. Wat je daarmede niet alles kunt doen, nietwaar?

Vraagt men, waarom dergelijke wapens gebouwd worden, dan klinkt het antwoord: “Wij doen dit, omdat wij de vrijheid moeten beschermen”, maar indien men degelijke wapens gaat gebruiken, zal de mensheid nog slechts vrij zijn, omdat de as van de doden door de wind zonder enige belemmering heen en weer gewaaid zal worden. Een eerlijker antwoord zou luiden: “Wij doen dit, omdat wij mensen nu eenmaal macht willen hebben. Wij moeten er toch voor zorgen, dat de zaak volgens onze inzichten goed blijft gaan? Wij doen dit, opdat onze tegenstanders niet de kans krijgen ooit te bewijzen, dat zij net zo sterk en zo goed zijn als wij.” De bom, waarover ik spreek is op deze Goede Vrijdag, deze dag, waarover wij spreken, voorzien van een laatste tweedelige manteling. Indien de mensen door blijven werken, zou de eerste explosie reeds voor de derde paasdag plaats kunnen vinden. Het is nog een geluk, dat men besloten heeft dit wapen, zelfs op zeer kleine schaal, niet te proberen: “Want dit is het meest verschrikkelijke wapen ter wereld. Men zal er zeer voorzichtig mee zijn……….”

Maar de conflicten wakkeren aan. Wat zoudt u denken van China bv.? China moet wel wat gaan doen. Want anders is zo dadelijk de trek van de roodgardisten niet tegen te houden en daarmede ook niet het optreden van degenen, die tegen hen zijn. China staat aan de rand van een economische ondergang, wanneer het niet uitkijkt. Daar moet je iets tegen doen, nietwaar? Dus heeft men, als groot rijk, vijanden nodig. Een particulier met hetzelfde probleem zou kunnen insereren in bv. de advertentierubriek diversen: “Gezocht, enkele goede vijanden, die ons in staat stellen de eenheid in eigen gelederen weer te versterken. Schrijven onder letter …”

Dan is er de USA, waar men krampachtig zoekt naar het ene succesje, dat de bestaande machthebbers weer 4 jaren de macht zal bezorgen. Niet alleen zoekt men, maar men zoekt krampachtig en weet nog niet, hoe men daaraan iets moet doen. Want de Vietnamkwestie is een doorn in de zijde van een groot deel van het volk. De regering weet dit. Daarom moet er iets gebeuren. Ik zeg niet, dat het zo zal gaan. Maar men zou in staat zijn aan het scheppen van een dergelijke ommekeer in de houding van het publiek als men dit wenst zelfs een groot deel van de eigen mensen op te offeren. Vrede of aanleiding tot een meer absolute oorlog, het is uiteindelijk beter, dat er een regiment in de pan wordt gehakt op onvoorstelbare wijze dan dat de hogepriesters van vrijheid en money making hun gezag over het volk zouden verliezen….

Ik zeg niet, dat het zo is, maar denkbaar is een dergelijke houding zeker. Ergens anders zijn geleerde priesters bezig een formulering uit te vinden, waarmede zij de neiging van vele mensen om zelf na te gaan denken, de nek om kunnen draaien. Zij denken daarbij aan een ban, een wat strengere wet, een betere beheersing van de priesters. Een paar snoepjes voor de kinderen erbij, dat mag wel. Maar men wil zelf de touwtjes van het geloof toch geheel in handen houden. Waar zouden de hogepriesters anders moeten blijven, nietwaar? Dat de mensen misschien wat minder christelijk, wat meer zondig volgens de kerken zouden gaan leven, dat wil men dan wel op de koop toe nemen. Dat de mensen wat meer zondigen, is niet zo erg, nietwaar, daarvoor kan men absolutie geven, of God tezamen met hen om vergeving ervoor vragen. Maar o wee, wanneer het gezag van de predikers gaat wankelen. O wee, wanneer de curie het niet meer voor het zeggen zou hebben. O wee, wanneer de oude wetten zouden moeten vallen en het oude gezag ten gronde zou moeten gaan. Neen. Het is beter, dat duizenden in gewetensnood leven, dat velen kapotgaan aan de huwelijkswetgeving en andere dingen, dan dat dit zou gebeuren….

Denk nu niet, dat ik fabuleer, of dat dergelijke pogingen in een verre toekomst liggen. Wanneer u goed luistert naar hetgeen er op paasdag door de paus wordt gezegd, zult u reeds kleine indicaties in deze richting kunnen aantreffen. Want deze dingen werden reeds lang geleden ter tafel gebracht. Viert dan maar vroom de Goede Vrijdag, zing het “dies irae, dies irae”. Spreek dan maar over het grote offer van Jezus, die, om ons te verlossen, alles, werkelijk alles tot het laatste toe heeft gegeven. En verraad en verkoop hem dan, zoals eens Judas, verkoop Hem ter ere van uw godheid van macht, uw zelfrechtvaardiging, verkoop Hem maar.

Denkt niet, dat dit alles is. Misschien meent u, dat dit lopende jaar met al zijn spanningen reeds voldoende aanleiding vormt voor mijn wijze van betogen. Maar het volgende jaar zijn de problemen, die nu ontstaan en reeds bestaan, nog steeds aanwezig en dringender dan ooit. O, er is natuurlijk in dit jaar geen crisis en het feit, dat er geen crisis is, zal voor steeds meer mensen duidelijk kenbaar worden, naarmate het jaar 1968 verder vordert. Maar leuk zal men het niet vinder: of er nu werkelozen zijn, omdat er wel een crisis is, dan wel steeds meer mensen steeds minder uren mogen werken, omdat er geen crisis is…, waar ligt daar het verschil? Daarom dient men iets te vinden. Dan moeten er ergens offers vallen. Dan is het toch beter, dat hier honderd duizenden en daar misschien tienduizenden geestelijk en/ of stoffelijk ten gronde gaan, dan dat de gehele mensheid onder het besef van een crisis zou blijven lijden, nietwaar?

Bovendien: Indien men die mensen offert, levert dat aardig op. Je verdient daaraan meer dan 30 zilverlingen. En geld verdienen is uiteindelijke zeer belangrijk in de wereld, al ben je ook nog zo vroom, hebt u daar al eens aan gedacht?

Indien er in de komende tijd weer meer wordt gesproken over de dreiging van een wereldoorlog, zo is dit te danken aan het feit, dat men Christus alleen met de mond belijdt, dat men neerknielt en gezangen zingt, maar het vertikt ook maar een ogenblik werkelijk aan de naasten te denken.

De naaste is steeds weer diegene, die voor eigen goed en het belang van het gemeen moet lijden. Men reageert op de naaste, zoals Annas, Caïphas, de getuigen en ouderlingen, op Jezus. Want waar ligt het verschil tussen de regenten, die op het ogenblik overal in de landen de macht in handen hebben en het Sanhedrin? Het enige verschil is, dat nu niet alleen maar een Jezus aan het kruis genageld wordt. Nu worden grote delen van de mensheid gekruisigd. Judas was een fatsoenlijk man. Toen hij zijn Heer verraden had en zag, dat de farce werd doorgevoerd, dat de Meester werkelijk gekruisigd zou worden, ging hij tot de hogepriesters en sprak: “Ik heb zwaar gezondigd, ik heb onschuldig bloed verraden”. En hij wierp hen het geld toe, ging heen tot op de akker van de pottenbakker, zure en onvruchtbare grond, en verhing hij zich. Tegenwoordig verhangt men zich niet, wanneer men verraden heeft. Men verhoogt eenvoudig eigen inkomen door het salaris op te voeren en creëert een paar nieuwe departementen. Dit is uw Goede Vrijdag. Predikt dan, bidt dan in al uw kerken, o mensheid. “Looft Jezus, voor wat hij heeft gedaan, en verraadt en verkoopt Hem dan en al hetgeen, waarvoor hij is gestorven. Veroordeel Judas maar en vergeet uw eigen daden.” Jullie hebben zo ontzettend veel pretenties. Wanneer een paar mensen op aarde elkander liefhebben, zo eisen jullie, dat zij zich eerst laten registreren en zich voorzien van een kerkelijke zegen. Anders deugt het niet. U handelt, alsof de liefde een kwestie is van papieren, u handelt alsof de Liefde, die God schenkt, ooit gevonden zou kunnen worden door middel van de menselijke kunstjes en afhankelijk zou zijn van de menselijke goedkeuring. Wees voorzichtig, mens, wanneer je voelt dat God vandaag werkelijk met je is. Spreek dan de waarheid niet, die jij erkent. Draag je geloof niet uit buiten de gangbare en doorgepraatte spreuken, die niemand iets zeggen. Zwijg liever. Anders word je door de gemeenschap uitgebraakt en kom je in een gekkenhuis of erger. Spreek vooral niet van de liefde Gods als iets, wat ook buiten kerken en menselijke wetten bestaat. Want als je dit te duidelijk doet, word je uitgebannen als duivels door alle vrome christenen.

Denk vooral aan uiterlijkheden. Indien uw naaste ligt dood te bloeden, omdat hij werd neergeslagen door rovers – of misschien ook niet door rovers, want ook door anderen wordt tegenwoordig veel geslagen – ga er dan niet heen en help hem niet. Want zo men u niet neerslaat, zal men u in ieder geval veroordelen. Laat die naaste maar verrekken. Wanneer hij daar ligt, zal hij er zelf wel schuld aan hebben. Bovendien heeft men toch mensen aangewezen, die voor dergelijke gevallen moeten zorgen? Maak uw handen niet vuil, doe alsof u niets ziet. Doe als de priesters en levieten in de gelijkenis: “Ga voorbij aan de noden van anderen opdat uw handen schoon kunnen blijven en u vol zelfrechtvaardiging en formele reinheid de tempels van geloof en maatschappij kunt binnentreden om de obligate offers te brengen.” Dit geldt ook voor u, christenen. Want is het niet belangrijker, dat men aan Hem, die alle dingen geschapen heeft, degene, die u hebt gemaakt tot een moloch, die aan een kruis hangt, uw offers brengt, dan dat de lijdende geholpen worden, dan dat de mens Jezus op zijn weg werkelijk zou volgen?

Dat alles klinkt bitter. Het is niet mooi om het zo te zeggen. Het is niet verdraagzaam en christelijk. Maar wat ik zeg, is helaas in wezen waar. Wanneer u hier vanavond bent gekomen voor zoete wijding, moet ik u aanraden voortaan daarvoor haar andere gelegenheden te gaan.

Zoek naar de kerken en groepen, waar men de zalf regelmatig per bus en per dienst verkoopt, zalf voor gewetenswroeging, smeersel ter zelfrechtvaardiging, uitverkiezing om wat meer te zijn dan anderen. Maar als u na wilt denken over de werkelijkheid rond Goede Vrijdag, dan kunt u misschien dit alles toch nog wel verdragen en zo leren begrijpen, waarover het in wezen gaat.

De mens heeft zijn naasten limieten gesteld, die Jezus nimmer stelde. De mens heeft uitleggingen vervaardigd, vaak zeer verwrongen uitleggingen gegeven aan alles, wat Jezus heeft gezegd, alleen maar om onder de noodzaak eerlijk en oprecht alleen voor God en de naaste te leven, uit te komen.

Zegt Jezus: “Zalig zijn de eenvoudige van geest”. Och ja, natuurlijk, de eenvoudige van geest! De armen, nietwaar? Wij zijn natuurlijk beter, wijzer. Maar Jezus zegt: “Zalig zijn de armen van geest, want zij zullen ingaan in het koninkrijk der hemelen.” Zalig zijn zij, omdat zij niet alleen maar geloven in het verhaaltje over Jezus aan het kruis, maar omdat zij geloven kunnen aan de noodzaak tot offeren, lijden, maar ook aan de noodzaak tot liefde, de goddelijke liefde, zich uitende in de mens, die alle lijden en offer goed maakt. Maar ja, zalig zijn de armen van geest.

Natuurlijk. Zij hebben toch al zoveel minder dan wij, zij mogen daarvoor wel enige compensatie ontvangen. Of wordt hier misschien toch bedoeld, dat de zaligheid van de armen van geest erin is gelegen, dat zij er niet toe komen zichzelf te verheffen boven de eenvoudige waarheden van het leven, zoals de mensen die zo verstandig zijn en zoveel menen te weten?

Jezus zegt, dat de bedroefden zalig zijn, omdat zij getroost zullen worden. Nu ja, de bedroefden moeten toch ook iets hebben om zich aan vast te klampen, nietwaar? Zij hebben toch al zoveel ellende. Daarom moeten zij dan maar getroost worden. Wat een heerlijke belofte voor hen. Hoe heerlijk dat wij dit niet van node hebben…. Maar een mens die werkelijk bedroefd is, die werkelijk verloren heeft, kan eindelijk alles aanvaarden. Die kan God aanvaarden, beleven op een wijze, waarop een ander, die rekening heeft te houden met man, vrouw, kinderen, status, auto, tv. en wasmachine eenvoudig niet kan, omdat hij vreest die dingen dan misschien kwijt te kunnen raken. Heerlijk nietwaar, die zaligsprekingen. Zij ontheffen ons van menige aansprakelijkheid, zij geven ons dooddoeners, wanneer wij met het lijden en de gebreken van anderen worden geconfronteerd, nietwaar? Zalig zijn de zieken, want zij zullen genezen worden.

Natuurlijk, door God en de sociale diensten. Daarom hoeven wij ons niet al te veel van hun kwaal en pijnen aan te trekken, nietwaar? Of zijn zij misschien degenen, die genezen zullen worden omdat zij, wanneer zij niet meer weten waarheen, eindelijk eens het onredelijke, het bovenzinnelijke leren aanvaarden, die God, dat onbekende, zonder er eerst voorwaarden aan te stellen?

Dit is Goede Vrijdag. Dit is de dag, waarop men herdenkt, dat eens een uitgeputte mens een kruis een eind een berg op moest slepen langs een weg, die tegenwoordig een attractie is voor vrome toeristen en hebberige souvenirverkopers een goed inkomen bezorgt: De via dolorosa. Dit is de dag, dat men gedenkt, hoe de priesters een schuldeloos en rechtvaardig mens overleverden aan de heidenen om gekruisigd te worden, daar zij de waarheid omtrent zichzelf en hun stellingen niet konden verdragen. Dit is de dag, waarop men bovenal dient te gedenken, dat er geen enkele menselijk redelijke verklaring te geven is voor de beheersing, vrede, het geduld, dat Jezus bij dit alles toont. Dit is de dag, dat men zou moeten herdenken, hoe Jezus ín zijn dood, mens zijnde, gelijktijdig bovenmenselijk was. Het is de dag, waarop men beseffen moet, hoeveel meer er is, hoeveel meer krachten er ook voor de mens bestaan dan alles, wat redelijk verklaard kan worden. Dit is zeker niet de dag, dat men zich, reeds vrolijk in het vooruitzicht van de komende vrije dagen, moet voorbereiden op de paaswake, het ogenblik, dat men vrolijk kan uitroepen: “Halleluja, de Heer is verrezen! Tok tok tok, alweer een ei…”

Ja, ik weet het. Door dit zo te zeggen, kwets ik misschien iemand. Maar gaat het daar dan om?  Neen. Daarom gaat het niet. Het gaat niet om het feest, de “verlossing, ons eens gegeven”, maar om de werkelijkheid, van Jezus, de werkelijkheid, die boven alle menselijk verstand en redelijkheid uitgaat. Het gaat niet alleen maar om de gebeurtenissen, het gaat er om, dat er meer is, meer dan jullie leven en redeneren, meer dan jullie eigen belangrijkheid en mogelijke verlossing. Het gaat er om, dat er een belangrijker Kracht is dan alles, wat jullie redelijk of zelfs in jullie zogenaamd geloof aanvaarden kunnen. Daarom gaat het vandaag. Het gaat er om, dat Jezus dood vanuit menselijk standpunt een grote domheid dan wel een grote vergissing was.

Tenzij het niet waar gebeurde, in welk geval het de overlevering van een inwijdingsverhaal zou kunnen zijn. Het gaat er om, dat de werkelijkheid van dit gebeuren is geworden tot iets, wat alleen mogelijk zou kunnen zijn, door middel van het bovenzinnelijke, door de kracht van God.

Door God. Door God, die leefde in Jezus. Door de God, die leeft in u. Door de God, die leeft in al die staatslieden, zakenlieden, wetenschapsmensen. Door die God die in u leeft, of u nu arm, verlaten, of dom bent, dan wel een van de meest wijze en machtige mensen ter wereld. God.

Een onredelijk iets, een wezen dat je niet kunt omschrijven of als mens werkelijk kunt aanvaarden, maar dat in je leeft als een Kracht, die meer is dan alle andere dingen. Indien u herdenkt op Goede Vrijdag, denk dan niet alleen aan die mens, die aan het kruis werd geslagen, denk aan alles, wat erachter ligt. Niet de herrijzenis. Dat is alleen maar de show. Denk aan de werkelijkheid, die erachter ligt: Een leven, dat meer is, een eeuwigheid, die meer is dan alles, wat je als mens verstandelijk of zelfs maar gevoelsmatig kunt overzien of erkennen. Een kracht, die al jullie wetten en al jullie weten, jullie zelfverheffing en zelfrechtvaardigingen overhoop gooit en maar een enkel ding schijnt te zeggen; overgave.

Jezus geeft zich over aan de Vader, in een volledigheid, die niemand, geen mens, naar ik meen, Hem ooit zal kunnen nadoen. Maar betekent dit dan, dat die Kracht voor ons niet bestaat?

Betekent dit daarom, dat de Vader, het Licht, de Macht, die in Jezus werkzaam was, de Kracht die Hem in stand hield, het leven, dat in Hem was, voor u niet zo kan bestaan? Daarom drijf ik wat de spot met uw halleluja-roepen. Daarom spot ik wat met uw “heilige gevoelens”; om u te laten zien, hoe vaak dit alleen maar een lege frase is. Het is een gedachteloos en traditioneel leven van de Heer, die men in zich draagt en verwerpt, zodra Hij meer eist van het ik, dan het meent volgens de geldende regels te moeten geven. Het jubelen tot God om diens liefde voor ons heeft weinig zin, wanneer men gelijktijdig de liefde in zichzelf laat sterven. Het verheerlijken van God om Zijn macht, zoals die eens was, heeft weinig betekenis, wanneer men die God afwijst, terwijl hij als een tintelende kracht in jezelf klaar staat om door je te werken, zodra je hem zonder voorbehoud aanvaarden kunt.

Vindt u het nu nog vreemd, dat ik niet zoveel met die tradities van de Goede Vrijdag opheb? Dat ik niet veel voel voor die mooie gedenkdag, die christelijke algemene feestdag? Ik heb er niet veel mee op, niet omdat het feit dat herdacht wordt, onwaar of onwaardig zou zijn, maar omdat ik steeds weer zie, dat de mensen uit de herdenking een komedie maken, die hen steeds verder van de werkelijkheid verwijdert. Ik wijs uiterlijkheden af, die de mensen een gevoel van zekerheid, van “verlost zijn” moeten geven en hen zo in staat stellen voort te gaan zoals zij doen, in plaats hen te confronteren met hun innerlijke werkelijkheid.

Oorlogen zijn op deze wereld niet noodzakelijk, wanneer de mens in zichzelf keert, wanneer hij de liefde vindt voor zijn naaste en zijn God, die hem wel degelijk mogelijk is, en daarbij leert zijn redelijkheid zo nu en dan eens wat uit te schakelen; dan worden oorlogen ondenkbaar, overbodig. Dan kan er vrede zijn op aarde, heeft men geen last meer van revoluties, kabinetscrises, economische crises of iets anders, wat nu het leven beheerst. Dan is er plaats voor de ziel in het stoffelijke leven, omdat men God waarlijk als de al beheersende kracht en waarde gaat erkennen.

Als Jezus nu op aarde zou komen, te midden van de christenen, die Hem vandaag herdenken, en zou spreken, Hij zou in de gevangenis komen, in een concentratiekamp omkomen, sterven op de elektrische stoel of tot levenslange afzondering veroordeeld worden. Welk van deze dingen zou gebeuren, is afhankelijk van het land, waar Hij ter wereld zou komen. De mensen, die vandaag Christus herdenken, willen alles doen buiten dat ene; erkennen hoezeer Hij de vrijheid brengt om tot God te gaan. Toch is dat uw weg, uw waarheid. Dat is de ware Christus. Indien de mensen werkelijk Goede Vrijdag zouden vieren, werkelijk, juist, erkennend en ervarend in henzelf, voorwaar ik zeg u – en ik gebruik deze frasering niet voor niets – voorwaar ik zeg u, dat de engelen zouden jubelen, de doden zouden herrijzen, de zieken zouden hernieuwd gezond zijn en de aarde zou opnieuw vreugdig schitteren in de glans van het aangezicht Gods.

Maar dat zal niet gebeuren. Niet nu en niet in de volgend jaren. Toch zullen wij aan deze mogelijkheid, aan deze plicht, steeds weer moeten denken. Want zo de wereld als geheel, de Goede Vrijdag dan niet kan maken tot dat, wat zij werkelijk is en betekent, namelijk een manifestatie van een algehele overgave aan God en een absolute kracht uit God, zo kan de eenling het misschien wel. Jezus heeft tot zijn leerlingen gezegd: “Ga. Drijf duivelen uit en genees de zieken in mijn naam en de Naam des Vaders.” Zo zou ik tot u nu willen zeggen: “Ga als werkelijke christenen uit, zonder regels en wetten te stellen voor anderen, maar in u Gods waarheid dragende. Werk uit de Kracht Gods in u.” Dan bent ook u misschien in staat, waarlijk Pasen te vieren.

Maar ik zal er mee uitscheiden. Is er iemand, die misschien bezwaren heeft tegen hetgeen ik gezegd heb? Dan kunt u dit nu nog kort kenbaar maken. U zwijgt? Dat is gelijktijdig wat treurig en voor mij toch ook weer prettig. Treurig, omdat er enkelen zijn, die zo even heel anders dachten en veel – en ernstige – kritiek hadden op alles, wat ik meende te moeten zeggen. Prettig, omdat ik misschien toch aan mag nemen, dat u, zelfs in dit laatste moment, ondank uw ergernis, hebt aangevoeld, dat Goede Vrijdag het feest is van Gods Kracht, geuit, geboren in de mens, door de aanvaarding van God door de mens zonder enig voorbehoud, zoals Jezus eens de dood aanvaard heeft. Ongeacht de consequenties van pijn, lijden, nood van zijn leerlingen. Daarom wens ik u toe: erkenning van het Licht in uzelf, waardoor u in staat zult zijn het offer, dat op deze Goede Vrijdag wordt herdacht, eindelijk in zijn ware betekenis te beseffen en ook waar te maken in uw eigen wereld.

 0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

Het eerste deel van deze bijeenkomst was deze maal gewijd aan een goede-vrijdags-provocatie vanuit de geest. Het zal u duidelijk zijn, dat over dit onderwerp zo onnoemelijk veel te zeggen is, dat het voor mij moeilijk is daaraan in kort bestek ook maar enig alomvattend beeld toe te voegen.

Uit de aard der zaak zullen wij op de tweede paasdag ingaan op de aspecten van de opstanding en het Licht. Nu zijn wij echter eerder geconfronteerd met de dood. In de esoterie, vooral wel in de magische esoterie en de inwijdings esoterie, is de dood een noodzaak tot inwijding. Zij is de hergeboorte, waardoor het nieuwe ontstaat. Misschien dat je alles, wat in het eerste deel is gezegd omtrent uiterlijke dingen en houding in de wereld, innerlijk kunt beschouwen als een erkenning, dat je moet sterven om te kunnen leven. Je moet zelf sterven, je kunt nooit een ander voor je laten sterven. Indien een ander voor je sterft, is het ook de ander, die zal herrijzen.

Je kunt je dan spiegelen aan de herrijzenis. Maar wanneer je de weg niet volgt, die die ander is gegaan, ben je zelf ergens een levende dode…

Wij zijn, wanneer wij op aarde wat ouder worden, trouwens allemaal innerlijk ergens een tikkeltje dood. Er sterft zoveel in je. U denkt nog wel eens aan het verleden. Maar kunt u zich nog inbeelden, hoe fel de kleuren waren, toen u kind was, hoe intens de zon kon schijnen, hoe interessant de kleine dingen konden zijn, hoe u op kon gaan in een mier, die over de straatstenen liep? Misschien weet u nog – maar dan toch niet echt meer – hoe je naar boven kunt kijken naar de wolken en opeens in een sprookjesland leven. Is het niet net, of de felheid van deze dingen reeds vergaan en onvoorstelbaar is? U bent in wezen reeds een beetje dood.

Innerlijk gebeurt precies hetzelfde. Wanneer wij als kind op de wereld leven, worden wij gedragen door een onmetelijk vertrouwen. Dat wil niet zeggen, dat wij onze ouders zo nu en dan niet haten, of dat wij niet zo nu en dan aan God en alle gezag een hekel hebben. Maar wij vertrouwen erin, dit is onaantastbaar. Indien u nadenkt, realiseert u zich: in mijn leven is steeds meer aantastbaar geworden. Wij zijn wijzer geworden, zo denken wij. Misschien menen wij wel, uit de dromen van de jeugd eindelijk alles geëlimineerd te hebben, wat niet waar was.

Maar beseft men wel, dat daarmede de mens ook vaak de droom doodt, die werkelijk leven heet? Daarom wordt de wereld saai en eentonig, daarom wordt het leven meer arm, een sleur, daarom vinden wij, wanneer wij eerlijk willen zijn en het toegeven, zo weinig werkelijke bevrijding meer in het bestaan.

Toch geloof ik, dat Jezus, die op het punt staat te sterven, intenser leeft dan ooit tevoren. Wanneer hij daar, in de Hof van Olijven, in Gethsemane, zoeken moet naar wat de dood schijnt te zijn, treedt Hij binnen in een geheel eigen wereld. Hij is losgekomen van de wereld der mensen met al hun eisen en al hun kleine belangen. Hij is zelfs losgekomen van recht en onrecht. Er is niets meer. Misschien lijkt het hem wel of alle voorstellingen, tot die van God, van de Vader, toe, in hem worden uitgeblust, dan klimt de pijn in Hem op. Dan vraagt Hij, of de beker niet voorbij kan gaan aan zijn lippen. En dan is het zaak om toch te aanvaarden. Om in een niets in te gaan en herboren te worden uit dit niets, tot leven te komen vanuit een wereld van pijnen en algehele ondergang. Dan is het zaak te leren opnieuw te leven in een wereld, die nieuw, die geheel anders is, en niet meer aan dezelfde wetten gehoorzaamt. Een wereld, waarin je door stenen muren kunt gaan, wanneer je dit wilt, waarin je kunt verschijnen en verdwijnen, zoals je wilt, een wereld, waarin je de waarheid steeds zult beseffen en kennen, geheel, vollediger dan ooit een mens gekend heeft.

Ook dit is leven, het is herrijzen. Maar dan tot een nieuw leven. Er is geen vergelijk te maken tussen de Jezus, wiens sterven men vandaag herdenkt en de Jezus, die herrijst, het is, alsof het hier om twee geheel verschillende wezens gaat. Zeker, het is een en dezelfde entiteit, maar het gedrag, de waarden, zijn geheel veranderd. Ten opzichte van elkander zijn deze twee gestalten van Jezus, hoezeer zij identiek zijn, niet meer te vergelijken. U moet innerlijk steeds weer het verlies verwerken. U verliest steeds meer illusies, de vertedering misschien van contacten met de mensen, de samenhang ook vaak van uw innerlijke processen. Wat eens zo mooi en redelijk scheen, datgene, waarin je jezelf eens mystiek kon onderdompelen, verrukkingen kon ondergaan en werkelijke extase kon vinden, is nu voorbij. Als je in je innerlijk schouwt, dan heb je wel eens het denkbeeld, dat je langzaam, maar onophoudelijk én onvermijdelijk de grote leegte tegemoet loopt. Dan te beseffen, dat die leegte, de aanvaarding van die leegde op zich, de verandering betekent, is wel een van de grootste dingen, die je als mens innerlijk en gevoelsmatig kunt volbrengen.

Natuurlijk, een mens die ziet, dat alles, wat hem het leven levenswaard heeft gemaakt, alles, wat hij meent opgebouwd te hebben, ten onder gaat, zal zich daarbij niet aangenaam gevoelen.

Zoals Jezus zich ongetwijfeld, ondanks zijn aanvaarding, niet erg prettig heeft gevoeld bij het verraad van Petrus, die hem driemaal achtereen verloochende, zoals hij zich niet prettig voelt, wanneer Judas hem met een kus verraadt en hij zich zeker ook niet prettig gevoeld heeft, toen het gehele volk voor Pilatus’ hof stond te schreeuwen: “geef ons Barabas”. Want al deze dingen zijn deel van zijn leven. Dit alles heeft hij zijn liefde en krachten gegeven. Toch moet hij er nu afstand van doen. Zoals je zelf steeds weer mooie dingen, die wat verbleekt en vaal zijn geworden, achter je zult moeten laten.

Je moet nieuw beginnen. In jezelf moet je overnieuw beginnen. Opnieuw moet je leren geloven – niet meer rationeel en niet meer volgens alles, wat je in je leven tot nu toe hebt geleerd, dat waar zou zijn, maar eenvoudig innerlijk erkennen. Je moet opnieuw, en nu zonder voorbehoud, met geheel je wezen, maar ook met het geheel van je innerlijk wezen en je innerlijke krachten leren geloven. Je moet leren God niet meer te definiëren, zoals je eens hebt gedaan, je moet niet omschrijven, maar eenvoudig ondergaan. Zoals je je leven niet meer moogt zien als een middel om jezelf uit te drukken en a.h.w. je stempel op de wereld te drukken, maar alleen nog maar als een overgaan in absolute aanvaarding. Je moet het sterven van innerlijke en uiterlijke waarden niet alleen aanvaarden, je moet er a.h.w. zelf deel van worden.

Het is niet voor niets, dat wij in alle verhandelingen over de innerlijke weg steeds weer ergens het vormloze tegenkomen: Een wereld waarin bv. alleen nog maar Licht is, waar zelfs geen kleur meer bestaat. Een wereld, waarin in feite niets meer is en Licht in feite voor jou een vorm van duister dreigt te worden, een wereld waarin het enige, wat je nog ontmoet, het beeld is van eigen ik. Dat is de wereld van verlatenheid. Een verlatenheid als die van Jezus, die alleen staat in de Hof van Olijven, terwijl de leerlingen slapen en de dreiging van buiten steeds naderbij komt. Dat is de eenzaamheid van een Jezus, die, pijn gekweld, aan het kruis hangt en niets meer kan, niets meer mag doen dan misschien nog een troostwoord spreken tot zijn moeder en Johannes, maar verder machteloos is, nu moet ondergaan.

Dit is het geheim der esoterische inwijdingen in hun werkelijke essentie. Goede Vrijdag bereidt ons voor op de dood, Pasen op de herrijzenis. Daartussen liggen dan de dagen, dat je door alle werelden der hel gaat. Want het is niet gemakkelijk afstand te doen van die dingen, die je voor jezelf had opgebouwd en de muren te slechten die je had opgetrokken als een verdediging tegen de wereld en het leven. Het is niet gemakkelijk afstand te doen van al die rationalisaties van eigen gedrag, eigen waarderingen en oordelen. Het is niet eenvoudig, afscheid te nemen van alles, wat je zelf bent en hebt opgebouwd. Toch komt er een ogenblik, dat dit noodzakelijk is.

Er komt een ogenblik, dat je toe moet geven; dit kan niet meer, dit is een illusie. Ik kan mijzelf niet tot een standbeeld van geestelijke bereiking maken, versteend in eigen wijsheid. Ik moet leven. Zelfs indien dit leven een oplossen betekent van alles, wat tot nu toe volgens mij de moeite waard is.

Uit dit alles zal het wel duidelijk zijn geworden, dat ik in de Goede Vrijdag nog geheel andere waarden besef en beleef dan die, welke mijn voorganger te berde bracht. Deze onderging het geheel als een protest. Ik echter meen, dat de tijd tot protesteren voorbij is, zodra het werkelijke begrip komt. Dat is volgens mij het ogenblik, waarop je eigen Goede Vrijdag aanbreekt.

Misschien kun je nog tot enkelen zeggen, die je na staan – zoals Jezus deed: “Kunt gij dan niet een enkel uur met mij waken?” Maar verder kom je niet. Er is geen mogelijkheid meer, wanneer eenmaal de beslissing is gevallen, om zelf maar verwijten te maken. Je bent het zelf, die sterven gaat en zelf ben je het, die de verantwoordelijkheid zal dragen voor het oplossen van alle dingen die je tot nu toe de moeite waard hebben geschenen.

Jij bent het zelf, die uit de gestorven herinneringen van eens de kracht tot een nieuw leven moet voortbrengen. Jij moet afdalen tot in de diepste diepten van je wezen. Jij moet erkennen, hoezeer je misschien de wereld en ook jezelf wel bedrogen hebt. Je moet erkennen, wat je de schijn van schoonheid en liefde hebt gegeven, terwijl het in feite alleen maar een uiting was van lust, machtsbegeerte of iets anders. Je zult moeten begrijpen, hoe zoveel wat je beschouwde als verdienste, als goedheid, in feite niet veel meer dan goed gemaskeerd egoïsme was. Je moet doordringen tot de kern van alle dingen in jezelf, waarvoor je bang bent. Daarom kan men ook in dit verband stellen, dat de mens die sterft, afdaalt in de krochten van eigen diepste wezen en de kwellingen ondergaat van eigen verdorvenheid, of deze nu bewust en erkend was of niet.

Dit alles is noodzakelijk. Want veel van de dingen, die wij verworpen hebben, die wij niet wilden erkennen als mogelijk, goed en aanvaardbaar, die wijzelf hebben weggedrongen naar het diepste duister en hebben gebannen uit ons bewustzijn, zijn in wezen – gezien in Gods Licht – goed en aanvaardbaar. Deze dingen zijn voor ons duister, omdat wij met ons denken, met onze rationalisaties, met onze beredeneringen en ons vooropgesteld geloof hen daar hebben gebracht.

De legende zegt, dat, toen Jezus afdaalde tot de diepste werelden van de hel, Hij omgeven werd door drommen van door Hem bevrijde geesten. Misschien zullen wij niet direct in staat zijn om andere wezens te bevrijden, wanneer wij de dood, die inwijding is, doormaken. Wat wij moeten doen, is onze herinnering bevrijden. Onze herinneringen die nu doods, kleurloos en saai zijn, omdat zij in de grijze wereld van de een of andere zelfgeschapen Hades vertoeven.

Herinneringen, die wij vervalsten tot duisternis, maar die toch zo belangrijk zijn voor onze benadering van God, ons besef van de werkelijkheid, ons erkennen van het ware leven. Wij moeten juist de herinneringen vrijmaken van de valse gloed, de valse grijsheid van ons denken.

Daarom sterf je steeds weer innerlijk, voor je in staat bent op te gaan tot Hoger Licht. Daarom laat je steeds alles achter. Daarom ga je door de hel.

U heeft het misschien zelf wel eens ervaren; u had een vonk van Licht gevonden, een vonk van begeestering. Zoiets als de apostelen gevoeld moeten hebben op het ogenblik, dat zij tot Jezus spraken: “Heer, wij laten alles achter en volgen U.” Want volgens ons eigen denken zijn wij haast allen wel ergens geroepenen. Maar wanneer wij verder moeten gaan dan dit, wanneer wij ontdekken, dat wij niet alleen ons bezit, onze “vrijheid” achter moeten laten, maar zelfs het eigen ik achter moeten laten, wordt het ons te moeilijk. Petrus bv. moet zijn gewelddadigheid, zijn strijdlust achterlaten en zijn heerszucht. Judas had zijn begeerte en zijn hang aan bezit, zelfs indien het niet hem behoorde, moeten achterlaten. Johannes moest afstand leren doen van zijn dromen en mystiek. Elk van hen, die door de tijden heen Jezus waarlijk gevolgd hebben, die Hem waarlijk gevonden hebben, hebben veel meer achter moeten laten dan alleen maar stoffelijke belangen, materieel denken en aangenaam leven. Zij hebben zichzelf achter moeten laten. Zij hebben moeten terugkeren tot de waarheid van zichzelf, tot het ware ik.

Wanneer er mensen op aarde sterven, dan is er, volgens een verhaal, – dat overigens meer een legende is, – een ogenblik van herinneringen. Zo zegt men wel, dat je, wanneer je verdrinkt, in de laatste ogenblikken je je gehele leven aan je voorbij ziet trekken. Nogmaals, dit is legende.

Maar wanneer je toe komt aan de geestelijke overgang, wanneer je voor deze kruisweg staat, dan zie je inderdaad je leven aan je voorbijtrekken, je ziet het niet meer met de ogen van een mens die wil oordelen of herinneringen ophaalt, niet ook als een kind, dat eenvoudigweg zijn dromen beleeft, men ziet samenhangen en leert begrijpen waarom alles moest zijn. Dit begrijpen op zich betekent nog geen aanvaarding. Wij hebben desondanks vele dingen gedaan, waarmede wij het bij nader inzien toch niet eens kunnen zijn. Want wij zijn nog steeds onszelf en overtuigd van ons recht tot oordelen.

Dan komt het ogenblik, dat het herinneren uitblust. De scenes zijn voorbij. Dan staan wij in het donker. De samenhang, het overzicht is voorbij. Nu komen, terwijl wij in een duister staan, de herinneringen, die wij zo even in hun geheel hebben gezien, bij ons terug. Niet meer nu als een beleven of iets, waarin wij de samenhangen moeten erkennen, maar eerder als iets, waarin wij nu voor onszelf bewust een plaats moeten vinden. Wij moeten weer één worden met alles, wat wij eens waren. Maar dan ook geheel, totaal één. Niet alleen maar door de daad te stellen of de gedachten weer te denken, maar door bewust alles, wat wij waren en konden, tot een onverbrekelijk met het ego verbonden deel van onszelf te maken. Pas wanneer wij onszelf geheel hebben aanvaard, zonder daarbij ooit God werkelijk te loochenen, en zonder het bestaan van de wereld en haar waarden ooit werkelijk te ontkennen, zijn wij in staat tot waarlijk leven.

Het is gemakkelijk genoeg te zeggen, dat je van dit alles met een meditatie over de vergankelijkheid der dingen af kunt komen. Maar waar is dit niet: wanneer Jezus zijn lijdensweg begint, zo is ook dit gebed een meditatie. Dan zoekt ook Hij naar mogelijkheden en redenen.

Maar dan komt de daad: Het offer. Wanneer je ziet, hoe hij op zijn lijdensweg allen passeert, die hem eens hebben vereerd, de leerlingen, de wenende vrouw, het volk, maar ook de Romeinen, de priesters en farizeeën, die hem honen en beseft, hoe Hij, voor men hem kruisigt, van het laatste eigene beroofd wordt, dan besef je; nu, in de daad, in de praktijk, ontmoet hij het geheel van zijn leven weer. Hij ontmoet zelfs de zieken, die hij eens genezen heeft en moet de kracht bespeuren van de duivelen, die hij eens heeft uitgedreven. Dit alles moet ook hij dan leren zien, leren aanvaarden als een geheel, als één enkel doel.

Dan komt het moment van verlatenheid, dat Hij zich verheven gevoelt boven allen, maar gelijktijdig geheel alleen is, omdat Hij niet meer één kan zijn met de broeders, de leerlingen, de naasten, zoals tevoren. Dit is het ogenblik, dat hij, niet alleen lijdend aan het kruis, boven hen zweeft, maar ook los wordt gescheurd van het gehele volk, de gehele mensheid, van de tijd zelf. In die tijdloosheid sterft en herrijst Jezus. Wij moeten eveneens sterven in de tijdloosheid en in de tijdloosheid herrijzen. Dat kan pijnlijk en moeilijk zijn. Maar eerst wanneer wij alles in onszelf hebben geslecht, wat staat tussen de werkelijkheid van ons wezen en ons besef, ons bewustzijn, wanneer wij werkelijk aanvaard hebben, wie en wat wij in wezen zijn, zullen wij God kunnen aanvaarden, zoals Hij in ons bestaat.

Eerst wanneer wij Gods wetten als de enige wetten hebben aanvaard en al onze zelfgemaakte wetten en regels terzijde hebben geworpen, kunnen wij de waarheid van het leven beseffen.

Noem dit dan inwijding. Noem dit zalig worden of ingaan in het koninkrijk Gods. Dit zijn namen voor het onzegbare. Maar besef, dat het meer is dan deze dingen schijnen aan te geven. Doordat alle dissociatie t.a.v. de werkelijkheid wegvalt, word je niet alleen maar jezelf in de zin van een kennen van de werkelijkheid van eigen wezen, maar besef je ook de kracht, die je zelf bent. Je wordt jezelf in het tijdloze, waarin je werkelijk en eeuwig bestaat. De Goede Vrijdag is dus voor mij zeker niet alleen maar een reden tot provoceren, tot een vragen aan de mensen die die dag vieren: Je viert nu wel, maar wat doe je met de lering, die erin schuilt? Voor mij is deze dan ook een reden om te zeggen: Mensen, bedenkt dat alles, wat vandaag herdacht wordt, ook voor u waar zal worden. Niet op aarde misschien, niet in dit leven misschien, niet door kruisiging misschien. Maar besef, dat alle belangrijke fasen van het drama, dat je heden herdenkt, zich af zullen spelen in je wezen, ja, af moeten spelen in je wezen en geest, omdat dit de sleutel vormt tot de ware erkenning van zowel eigen werkelijk wezen, als van God.

Tussen de mens en de waarheid staan de illusies. Als de illusie van een mens sterft, meent hij zelf te moeten sterven. Maar wanneer hij dan deze dood heeft doorgemaakt en alle illusie ten laatste is gedoofd, erkent de mens, dat hij voor het eerst werkelijk leeft. Wat is beter dan te herleven en te herrijzen uit deze dood, misschien losser dan te voor van de wereld, maar gelijker tijd meer bewust en meer verbonden met de realiteit daarvan? Ook in deze zin kan men stellen, dat Jezus ons is voorgegaan. Hij kan ons niet verlossen van onze illusies. Dat kunnen wij alleen zelf. Hij kan misschien onze schulden voor ons dragen, zoals men zo graag  gelooft.

Maar Hij kan ons niet van onze schulden verlossen, voor wij die schulden wezenlijk en zonder voorbehoud of illusie erkend hebben. Dit kan men niet met een schuldbelijdenis, een biecht, of bede tot God alleen oplossen. Dit kun je alleen innerlijk uitvechten. De ware innerlijke weg is een weg van grote strijd, het is een weg, waarop je stukje bij beetje moet sterven, omdat je eerst door de dood de waarheid vindt en uit die waarheid het eeuwige leven kunt ervaren.

Ik meen, voor heden hiermede te mogen volstaan. U zult, naar ik hoop, begrepen hebben, dat het niet mijn bedoeling is u de innerlijke weg en ontwikkelingen tegen te maken door u erop te wijzen, hoe moeilijk en zwaar zij is. Ik wilde slechts duidelijk maken, dat veel van hetgeen u op het ogenblik ervaart en misschien in afgelopen tijden zo vaak hebt ervaren, deze mismoedigheid, deze vraag, waarvoor het alles eigenlijk goed is, een begin vormt van dit sterven, van deze bewustwording. Indien u zich tegen deze gevoelens verzet, kunt u het proces, dat zich in u voltrekt, niet tenietdoen, u kunt alleen de marteling langer doen duren.

Indien u echter beseft, dat uw gehele scala van waarden moet veranderen, wilt u waarlijk kunnen leven, dan zult u misschien alles, wat zich in en rond u afspeelt, beter kunnen aanvaarden. U zult uit deze erkenning enige rust kunnen putten en zekerheid vinden, die het u mogelijk maken verder te gaan. Dan kunt ook u in lijden en verandering misschien komen tot de waardigheid, die Jezus bezit wanneer hij voor de rechters staat en deze zelfs niet verliest, wanneer hij aan het kruis hangt, de waardigheid van hen, die weten, dat dit alles noodzakelijk is. De waardigheid ook van hen, die dit alles niet slechts beschouwen als een onvermijdelijke last, maar het ook als een voorrecht beschouwen, omdat zij beseffen, welke de kracht is, die zich middels dit alles door hen uit.

En daarmede wordt het tijd ons samenzijn te besluiten. Zo ik nog een laatste spreuk moet geven op deze dag, lijkt mij deze de meest passende: Weet in uzelf te leven, te sterven en te herrijzen. Dan zult gij u niet ergeren aan anderen, die hun wegen willen gaan, dan zult gij de wereld niet meer willen dwingen, maar de waarheid, die alles beheerst, leren beleven.

image_pdf