Grenzen van het kenvermogen en het leergedrag

Ik zal zo vrij zijn om beide begrippen te omschrijven. Kenvermogen: het vermogen tot waarnemen en correleren met de persoon­lijkheidsinhoud. Leergedrag: de wijze waarop men waarneemt en onderzoekt. Kortom, fei­ten constateert op een zodanige manier dat deze ook later als herin­neringen referentie in het ik aanwezig blijven.

Als wij spreken over de grenzen van het kenvermogen, dan zullen we ook nog een verder onderscheid moeten maken. Er is namelijk een stoffelijk kenvermogen en dat is begrensd. Er is een geestelijk kenver­mogen dat – voor zover wij kunnen nagaan – bijna onbegrensd is. Bijna, omdat er oncontroleerbare factoren zijn bij de uiterste bevattingsmogelijkheid. De stoffelijke mens begint over het algemeen te leren op het ogenblik dat hij wordt geboren. Voor die tijd is er wel sprake van een redelijk gedrag en van een zekere mate van leren, maar dat wordt wel zodanig weggevaagd, dat het wordt teruggedrongen tot het onderbewustzijn bij de geboorte, de totale verandering van levensomstandigheden en milieu, dat we op grond daarvan kunnen zeggen: het leren begint bij de geboorte. Dan is er een betrekkelijk geringe inhoud. Er zijn dus wel de automatis­men die erfelijk zijn ingelegd, maar een groot gedeelte van de begrippen die verder nog aanwezig zijn, zijn dermate vaag dat elke ervaring die wordt opgedaan op zichzelf volledig wordt geregistreerd.

Zolang het ik direct betrokken blijft bij het gebeuren leert men. Op het ogenblik dat men wordt geconfronteerd met kennis, die echter niet met het ik direct gereleerd is, valt een deel van het leren uit. Het leervermogen wordt beperkter naarmate men zich minder betrokken weet bij de factoren waaruit het leren (de uitvoering van het kenvermogen) tot stand komt. Laten we beginnen om het heel eenvoudig te zeggen, dan kunnen we la­ter zien hoe wij er verder op in kunnen gaan. Als je tegen een kind zegt: je mag niet aan de kachel komen want die is warm, dan zul je dat waarschijnlijk honderd keer moeten doen. Als het kind een keer aan een gloeiende kachel is gekomen, dan zal het een zeer lange tijd zelfs nog afkerig blijven van het aanraken van een koude kachel. Het onderscheid ontstaat doordat in het tweede geval een directe ervaring een rol speelt.

De directe ervaring wordt zeer sterk vastgelegd en blijft misschien als een in het onderbewustzijn verankerde factor toch voortdurend elke verdere reactie mede beïnvloeden. Nu kun je tegen een kind honderd keer zeggen dat het rechterhand je het mooie handje is. Als je het alleen maar zegt dan haalt het niets uit. Het kind zal alleen het rechterhandje gebruiken omdat u dat leuk vindt. In dat geval wordt het leergedrag eigenlijk bepaald door de wijze waarop de emotionele relatie met degene die de voorwaarde stelt wordt ervaren. Als een kind een hekel heeft aan de ouders of bv. aan een tante, dan komt automatisch het linkerhandje naar voren. Let u hier eens op. Het is altijd waar. Dan krijgen wij verder het vermogen om iets op te nemen. Een kind kan tamelijk veel factoren verwerken; aanmerkelijk meer doorgaans dan volwassenen. Maar als het zich daarbij niet direct betrokken gevoelt, dan verdwijnen die factoren ook zeer snel. Met andere woorden: de intensiteit waarmee een ervaring wordt gefixeerd in het bewustzijn is tamelijk gering tenzij er een directe betrokkenheid bij is. Vandaar ook dat men zegt: leren moet spelen zijn en spelen moet leren zijn. Maar op het moment, dat men het spelen gaat opzetten als een leerpro­ces moet men één ding onthouden: wanneer het kind het leerproces gaat ervaren, gaat de regel niet meer op.

Wij zien dus dat er twee verschillende gradaties van opname zijn. De opname van de directe betrokkenheid en de opname van de van buiten komende gegevens.

Word je ouder, dan ontstaat er een soort relatie tussen de waar­den die van buiten worden opgelegd en je eigen persoonlijk welzijn. Als je studeert dan is het misschien niet zo belangrijk om de precieze waarheid te weten als om te weten wat de professor wil horen op het tentamen. Dat betekent dus dat ook in het latere leven je eigen betrokkenheid tevens je opnamevermogen bepaalt en dat de manier waar­op je je gedraagt mede bepalend zal zijn voor datgene wat je als aan­vaardbaar opneemt en als onaanvaardbaar verwerpt. Dit proces van aanvaardbaar en onaanvaardbaar heeft niets te ma­ken met de feiten. Er zijn veel mensen die heel gewoon feiten als onaanvaardbaar verwerpen. Zij zeggen: dat is niet redelijk, omdat zij zelf verkeren in een situatie waardoor voor hen die redelijkheid ken­baar kan worden. Anderzijds betekent het erkennen van de redelijkheid van hun situatie voor hen een belemmering in datgene wat zij op dit ogenblik willen volbrengen. Als wij nu b.v. de kwestie namen van het Kabinet en de minimaverdieners, dan is er zeker geen sprake van opzet om die minima als het ware de armoede in te jagen, de werkelijke armoede. Maar er is geen vermogen, omdat er ook geen wil is de argumenten, die duidelijk maken in feite de vermindering van de laagste inkomens zou betekenen, om te zetten in redelijke termen. Men zegt: dat zal zo erg wel niet zijn. Men gaat eraan voorbij. Hier is een beperking van kenvermogen opgetreden, omdat het eigen­belang mede een begrenzing inhoudt van datgene wat men aan feiten kan accepteren en verwerken.

Ik hoop niet dat iemand mij kwalijk neemt dat ik hier een politiek voor­beeld neem. Ik zou zeker evenveel andere kunnen nemen. De situatie waarin wij ons in de stof bevinden is zeer sterk afhan­kelijk van onze jeugd. In de jeugd wordt een bepaalde manier van leren gefixeerd in de persoon. We kunnen zeggen dat van de leeftijd van 12 tot 14 jaar die manier van leren blijft gehandhaafd, ongeacht wat er verder aan mogelijkheden zijn. Degene die uitbreekt uit een dergelijke conditio­nering is een uitzondering van ongeveer 1 op 8.000.

Dan hebben we verder te maken met eigenbelang. Eigenbelang is een sterk conditionerende factor, zoals u intussen wel zult hebben begrepen. Eigenbelang houdt in, dat je een groot aantal feiten, waarnemingen factoren en eveneens van buiten komende gegevens verwerpt, omdat ze eenvoudig niet kunnen functioneren binnen het ik­‑beeld dat je hebt opgebouwd. Het eigenaardige is nu dat je nooit de werkelijke inhoud van een dergelijke beleving ervaring, mogelijkheid of zelfs maar een theorie van een ander helemaal kunt begrijpen. Er is eenvoudig geen bevattingsvermogen genoeg. In de praktijk blijkt dat bij de mens op aarde het leergedrag ein­digt ongeveer, op het tijdstip dat de maatschappelijke werkzaamheid in­treedt. Dat wil zeggen op het ogenblik, dat je in een bepaald maat­schappelijk patroon gefixeerd raakt, is je leervermogen aanmerkelijk beperkt en is je leergedrag gefixeerd.

Als we achter te maken hebben met iemand wiens geest redelijk openstaat of die een patroon van leren heeft verkregen waardoor de voort­durende toevoeging aan het ik van nieuwe feiten en gegevens belangrijk is, dan krijgen via te maken met een persoon die blijft doorleren. Wat blijkt nu?  In de hersenen zijn een aantal centra. Een taalcentrum bv. is in staat om zonder meer ongeveer 150.000 verschillende gegevens te bevat­ten, daarbij is het kleiner dan het topje van deze pink die ik nu heb geleend. De gemiddelde inhoud echter gaat niet verder bij redelijk beschaaf­de mensen dan ongeveer 20.000 woorden. Het minimum dat bij mensen voor­ komt ligt tussen de 1.800 en de 2.400 woorden afhankelijk van het taal­gebied waar u woont. Dat betekent dus, dat u veel meer vermogen heeft dan u kunt gebruiken. De begrenzing van uw werkelijk opnamevermogen is veel en veel ruimer dan het deel daarvan dat wordt gevuld aan de hand van een bestaand leergedrag en later aangevuld door een gedragscode.

Nu hebben wij dit allemaal over de stof gezegd en wordt het tijd om ook iets te zeggen over het kenvermogen van de geest. Zoals u weet, hebben we te maken met ervaring en vergelijking. Elke nieuwe erkenning berust op een vergelijking. Ook het absoluut on­bekende wordt nog vergeleken met bekende factoren al is het alleen maar om het als fenomeen een plaats te geven tussen de verdere erva­ringen. Als die onbekende ervaring zich herhaalt (of in vele schake­ringen herhaalt wet nog beter is), dan ontstaat er een betere omschrij­ving. Hoe juister de omschrijving komt uit te vallen, des te beter is dé aanvulling van de vergelijking en daarmede de integratie in het to­tale beeld van de kennis.

In de stof is die beperkt, maar in de geest niet. Geestelijk ver­keer (uitwisseling van gedachten etc.) bestaat zoals u weet op tele­pathische basis. Wij hebben te maken met een krachtveld. Dit krachtveld op zich is niet beperkt door een gelimiteerde hoeveelheid energie; d.w.z. het veld kan groeien zoveel het wil, maar het groeit alleen in overeenstemming met bestaande behoeften. Als iemand een beeld op mij projecteert, dan zal ik dit eerst in mij moeten aanvaarden. Er zijn een aantal zaken bij die voor mij absoluut niet denkbaar zijn. Wat niet denkbaar is, is op dit moment ook niet ken­baar. Maar ik kan wel een aantal gegevens aanvaarden waardoor het tot nu toe onkenbare toch een soort waarschijnlijkheid wordt. Op het ogenblik dat iets als een erkende mogelijkheid of een waarschijnlijkheid in mij be­staat, kan ik het toevoegen aan mijn totale bewustzijnsinhoud.

Het kenvermogen wordt in de geest dus alleen beperkt door het ver­mogen contact op te nemen met anderen en door het vermogen om door her­haalde contacten niet bestaande beelden, voorstellingen of waarden in dit ik als waarschijnlijk op te bouwen. Op het moment, dat de factor waar­schijnlijkheid is bereikt, is er een nog niet gedefinieerde basisvoorstel­ling, die dan aan de hand van verdere contacten en persoonlijke belevin­gen tot een werkelijk en totaalbeeld kan worden afgerond. Dan is de be­perking en begrenzing van het kenvermogen in de geest dus alleen maar uitdrukbaar aan de hand van het stadium waarin die geest zich op dat ogenblik bevindt.

Hoe meer die geest zich uitbreidt in bewustzijn hoe meer erken­baar, afleesbaar en begrijpbaar hij wordt. Daar komt bovendien nog bij dat geestelijk voortdurend een correlatie plaatsvindt van schijnbaar onafhankelijke feiten tot een eenheid als verschijnsel maar ook als mo­gelijkheid. Men gaat namelijk vale afzonderlijke factoren samenbrengen in een synthese. Daaruit ontstaat dan een totaalbeeld waarin alle deelverschijnselen mede bevat worden (dus kenbaar blijven) maar nu wor­den bekroond door een erkenning van relaties die oorspronkelijk niet bestonden. Hieruit zal u wel gebleken zijn dat we dus de grenzen van het kenvermogen op aarde anders moeten stellen dan in de geest.

Waarin de geest het contact bepalend is, is in de stof de bele­ving bepalend. De belevingsmogelijkheid wordt begrensd door allerlei factoren die uit de mens zelf, uit zijn maatschappelijke situatie uit zijn behoefte tot zelfbevestiging etc. voortkomen. Hoe leert de mens dan? Ik heb er al iets van gezegd in een paar eenvoudige voorbeelden. Al wil ik de mens niet op een gelijk niveau stallen met een dier, zo kunnen we misschien toch van de wijze waarop een dier leert iets begrijpen.

Als ik kijk naar een jong hert bv. dan blijkt dat dit hertje automatisch weet dat het zich stil moet houden als de moeder wat ver­der weg is. Het diertje blijft zelfs helemaal stil liggen, als gevaarlijke prooidieren in de buurt komen. Nu zou men zeggen; dat is erfelijk. Tot op zekere hoogte is dat waar. Maar het is tevens een communicatie die van het begin af aan het diertje heeft beheerst. Waar de moeder is, is beweging, is zekerheid, is vrijheid. Waar de moeder niet is ben je kwetsbaar. Het is hetzelfde als het verhaal van de struisvogel met zijn kop in het zand. Als het hertje zich nu meer gaat bewegen dan begint hij allereerst een onderscheid te maken ‑ vreemd genoeg ‑ tussen zeker­heid en onzekerheid.

Op het ogenblik dat het zich bevindt in een situatie die als on­zeker wordt ervaren blijkt het veel schichtiger en ook veel scherper te reageren dan binnen het bereik van de moeder of de kudde waar hot gevoel van zekerheid wel aanwezig is. De reactie houdt kennelijk verband met zelfbehoud. Zelfbehoud is voor de mens ook een van de factoren die zijn leren en zijn leergedrag voor een deel bepalen. Het is de wijze waarop je moet leren in de omgeving zekerheid te vinden. Daarnaast is er voor het dier de behoefte aan voedsel. Bij de mens is die voedselbehoefte – zeker in de jeugdjaren – voor een deel weggenomen. Er is daarvoor een verzorgings­mogelijkheid in de plaats gekomen. Het herinnert een beetje aan de jon­ge vogels. Er is wel een enorme behoefte om de omgeving te kennen en waar mogelijk te manipuleren. De manipulatiedrang lijkt mij de mens eveneens door zeer vele geslachten heen erfelijk te zijn meegegeven. Kennen en ma­nipuleren betekent: voortdurend ervaringen opdoen. Het leergedrag geeft dan ook aldoor de neiging te zien het onbekende te testen en te toetsen. Dat kan zelfs zover gaan dat men vooral mensen die men niet kent soms probeert uit te dagen of te brutaliseren op de een of andere manier alleen maar omdat men wil weten hoe zo iemand reageert. Onderwijzers wor­den daarvan vooral de eerste weken in hun klas vaak het slachtoffer.

Het zoeken naar het onbekende het beproeven van het onbekende is de mens misschien niet helemaal erfelijk meegegeven, maar het maakt toch wel een belangrijk deel uit van zijn eerste benadering van het leven. Worden er verhalen verteld, dan zien we niet alleen dat die verha­len een soort droomwerkelijkheid worden (wat zeker tot de achtjarige leef­tijd het geval is), maar dat we ook de neiging krijgen om delen uit die verhalen a.h.w. na te bootsen. Kinderen die naar een vechtfilm zijn ge­weest, komen naar buiten en zijn veel vechtlustiger dan voordien. Zij hebben zich geïdentificeerde met een mogelijkheid en bewust of onbe­wust willen zij die mogelijkheid zelf beproeven. Er bestaat een relatie, tussen doen en werkelijk leren. Toch wordt een groot gedeelte van de mensheid, dat zult u met mij eens zijn, eigen­lijk geregeerd door abstracte begrippen. Recht, rechtvaardigheid zijn abstracties. Theologie, godsdienst en alles wat daarmee samenhangt zijn abstracties. Wiskunde is tot op zekere hoogte voor de mens een abstractie. Ofschoon ze een taalmogelijkheid bevat en daarmee wel weer een reëel hanteerbaar iets kan worden, maar dat is het in het begin zeker niet.

Waarom die abstracties? Deze abstracties maken weer deel uit van een rationalisatiepatroon. Wij worden in het leven met veel onbekende waarden geconfronteerd die ons onzeker maken of ons vrees aanjagen. Op het ogenblik echter dat we daarvoor in de plaats een voorstelling kunnen creëren die niet echt is maar die emotioneel beleefbaar en de zekerheid uit die emotie voortkomt dan hebben we het gevoel daar­door een grotere beheersing over onze wereld en over onszelf te heb­ben gekregen. Dat we daarmee gelijktijdig middels de rationalisatie een groot gedeelte van onze reële kenmogelijkheden uitschakelen, vergeten wij dan maar liever.

De abstracties die wij hanteren betekenen in het leergedrag een vergroting van de zekerheidsfactor maar tevens een beperking van de ervaringsfactor. Zo zien we dat mensen die ouder worden, die doorgaans steeds maar vaste patronen als het juiste, het beste zijn gaan ervaren, niet meer in staat zijn om nieuwe factoren en daarmee nieuwe mogelijkheden voldoende in zich op te nemen en te verwerken tot iets wat past in het totaalbeeld van hun bewustzijn. Dit houdt in, dat het leergedrag dus afzwakt naarmate de zekerheidsfactor en daarmee de zelfbevestigings­factor toeneemt. Dan is het duidelijk, dat hiermee een begrenzing van het kenvermogen wordt gegeven en een afwijking van het werkelijkheidsgedrag. Dat wil zeggen, dat het leergedrag wordt omgezet in een waangedrag. Ik zal dit nader toelichten.

U heeft wel gehoord van de generatiekloof. Het is een van de klo­ven die op het ogenblik de Grand Canyon begint te naderen. U zult zeggen. Zo’n generatiekloof ligt in het verschil van veerkracht e.d.. Dat is niet waar. Het is doodgewoon dit: jongeren worden vooral in de eerste belangrijke jaren geconfronteerd met andere bestaansmogelijkheden, andere zekerheidsfactoren, ande­re belevingen dan de ouderen voor hang want de wereld verandert. Dit houdt in, dat hun leergedrag dus afwijkt van voorgaande generaties. Dit houdt gelijktijdig ook weer in, dat hun bewustzijn zich dus op een an­dere manier uitbreidt. Dit resulteert in een afwijking van waarderingen een totaal ander aantal basiservaringen waardoor de benadering van de wereld en de verschijnselen daarvan anders zullen zijn. Gelijktijdig ont­staat er ook een gevoel van eigen zekerheid omdat ze dat nu op dit pa­troon net zo goed opbouwen als de ouderen vroeger hebben gedaan.

Soms worden die jongeren dan gegrepen door de een of andere ratio­nalisatie van politieke, religieuze of andere aard. In dat geval staat een groot gedeelte van de uitbreiding van hun bewustzijn tijdelijk stil, omdat alles wordt herleid tot die ene noemer. Waar dit niet gebeurt, daar hebben ze eigenlijk meer mogelijkheden dan de ouderen. In hun gedrag komt dat tot uiting, maar eveneens in hun benadering van het verschijn­sel van fenomenen en van problemen. Het gevolg is, dat de oudere, vastgeroest in zijn zekerheidsdenken en de daarmee samenhangende beperking van zijn kenvermogen, niet meer in staat is de zinnigheid te erkennen van hetgeen er in die jongere bestaat, de reden te begrijpen van de reactie van de jongere en daarmee ook niet in staat is tot een werkelijk contact op basis van de geschilpunten. Een generatiekloof ontstaat doordat er bepaalde verschillen zijn in wording en daarmee in kenvermogen in bewustzijn. Gelijktijdig is er een afwijkend leergedrag ontstaan waardoor degene die zijn voorwaarden aan de ander probeert op te leggen – wat wederkerig het geval is  – want het zijn heus niet de ouderen die de jongeren proberen te beheersen; het omgekeerde is net zo goed waar daardoor eigenlijk vastloopt, want er is een te klein gebied waarop ze elkaar nog kunnen begrijpen. Misschien dat dit voorbeeld duidelijk maakt wat ik bedoel.

Laten we nu nog even verdergaan en geestelijke factoren injecteren in het geheel. U heeft vorige incarnaties gehad. Deze incarnaties zullen in dit leven voor u een conditionering betekenen. Het is geen zeer sterke conditionering, dat ben ik direct met u eens, maar er zijn voorkeuren geschapen. Die kunnen net zo goed gaan in de richting van een bepaal­de kunstvorm als in een bepaalde stijl van leven of zelfs een bepaalde manier van denken en geloof. Er zijn pregeselecteerde voorkeuren die wel in hun vorm worden bepaald door uw ervaringen, maar hun oorzaak ligt in de prenatale periode of in het geestelijk bestaan. Wanneer nu een geest contact met u opneemt, dan kan deze dit contact nooit opnemen op basis van uw huidig kenvermogen, want bij leeft in aan andere wereld. Zijn kenvermogen wijkt teveel van het uwe af. Zelfs als ik probeer contact met u op te nemen en mij daarom tracht te beperken, zal ik mij voortdurend moeten corrigeren aan de hand van uw uitstraling, anders word ik te onbegrijpelijk voor u.

Die geest zal dus hoofdzakelijk proberen bestaande tendensen be­staande gedachteketens of ervaringsmogelijkheden aan te stippen, aan te kondigen of eventueel af te raden; dus een ontmoediging te creëren. Dit betekent, dat de geest niet uw werkelijke bewustwording kan bewerkstelligen, maar dat hij wel het proces van leren en daarmee ook de begrenzing van uw kenvermogen enigszins kan verschuiven door steeds weer op de juiste manier te prikkelen.

Deze geestelijke factoren zijn over de gehele wereld werkzaam. Maar het is te begrijpen dat een geest nooit kan worden aanvaard door iemand die altijd heeft geleerd dat geesten uit den boze zijn.

Als ik in het Vaticaan plotseling zou optreden als inspirator voor zijne heiligheid de Paus dan zijn er drie mogelijkheden:

  1. hij denkt dat de H. Geest aan het woord is;
  2. dat de H. Maagd hem probeert bij te staan;
  3. hij wordt bezocht door de duivel. Dat laatste is het meest waarschijnlijke, omdat in een denken waarin ordening hiërarchie het meest belangrijke is, datgene wat ook maar even ingaat tegen hetgeen gewoonte is geworden, zal worden beschouwd als demonisch. Dit is een veel voorkomend verschijnsel.

De geest zal dus wel over de gehele wereld inwerken, maar hij wordt steeds bepaald niet alleen door het kenvermogen van de mens, maar ook door de gehele manier waarop dit kenvermogen stoffelijk tot stand is ge­komen. Aan de hand hiervan zou ik enkele aanbevelingen willen geven van meer praktische aard.

Kinderen hebben altijd een mate van wet, van discipline nodig. Dit bevordert voor hen de kenbaarheid van hun wereld. Als hun ervaringen dan tegen de regels ingaan, is dat helemaal niet erg, mits de regel als zodanig compenserende ervaring schept.

Kinderen moeten de mogelijkheid hebben zoveel mogelijk door eigen on­derzoek iets te leren. Een film laten zien waarop wordt getoond hoe je koeien kunt melken is beter dan het alleen maar te vertellen. Maar het beste zou zijn om het kind, zelf voorzichtig (anders krijgen we last met de dierenbescherming) een poging te laten doen in die richting. Dan pas gaat het kind werkelijk begrijpen wat er zich afspeelt. Heeft het eenmaal het fenomeen ‘melken’ gezien en misschien zelf beleefd, dan zal daarmee ook een geheel interessegebied zijn gewekt. Het gaat nu niet alleen meer om het melken, dat leuke verschijnsel, maar ook om de vraag; hoe zit dat in elkaar berekent de koe, indirect een biologisch gerichte belangstelling en het verzamelen van kennis en feiten op dat gebied. Probeer zoveel hun eigen ontwikkelingsmogelijkheid te geven. Ik weet dat er heel veel mensen zijn die tegen het geven van een vrije keuze aan kinderen zijn. Maar dat zijn meestal dezelfde mensen die het kind in zijn gedrag te weinig beperken. Het kind moet een zekere keuzemogelijkheid hebben. Het moet daarnaast worden geconfronteerd met noodzakelijkheden. Voorbeeld; schoolvakken. Er zijn een aantal basisvakken die je als kind zult moeten leren beheersen. Daarnaast zouden er keuzevakken moeten zijn. Deze zouden vooral moeten worden bepaald door de belangstelling van het kind en de mogelijkheid voor het kind om in de omgeving daarvan iets te zien.

Als u in Den Haag geschiedenisles geeft, den is niet alleen een bezoek aan de Gevangenpoort van belang, maar u zoudt ook eens kunnen gaan kijken naar het Oude Jachthuis achter de Ridderzaal. U zoudt de verschillende bouwstijlen kunnen doornemen die in Den Haag nog heel aar­dig worden gedemonstreerd vooral als u boven de winkelgevels kijkt. U zoudt daarnaast het kind kunnen vertellen op welke plaatsen het een en ander is gebeurd en waarom. Door in de historie steeds een relatie te leggen met het heden, voor zover dat mogelijk is, worden niet alleen het heden maar ook het verleden begrijpelijker.

Ervaringen toegevoegd in het heden betekenen gelijktijdig een be­tere interpretatie en erkenning van het historisch gebeuren. Dit is maar een enkel voorbeeld.

Kinderen die je aardrijkskunde moet onderwijzen, zou je eigenlijk moeten meenemen op een paar vliegtochtjes boven Nederland. Als ze het eenmaal zelf hebben beleefd en gezien hoe het allemaal ligt, zullen ze veel eerder begrijpen hoe het in elkaar zit. Ze zullen daarbij een grotere belangstelling hebben voor de wijze waarop de verschillende onderdelen functioneren, wat de wegen zijn, wat waterverkeer betekent en wat dies meer zij.

Een kind een religieuze voorstelling opleggen in zijn allerjong­ste jaren is in feite een tikje misdadig. Dat is in tegenstelling tot alles wat u ongetwijfeld gepredikt krijgt in elke religieus denkende ge­meenschap, maar het is toch waar.

Ik geloof niet dat een kind kan worden gebonden aan een christe­lijke gemeenschap van een bepaalde signatuur alleen door het in die richting op te voeden. Dit is in feite een verminking. Het kind wordt de mogelijkheid tot zelfervaren en denken ontnomen.

Hetzelfde geldt voor menselijke aspecten. Ik weet dat er menselijke aspecten zijn waarbij de ouders wat fronsend kijken; bv. op het gebied van seksualiteit. Maar deze is natuurlijk. De ervaringen van het kind moeten worden gerelativeerd. Ze moeten niet worden afgekeurd en ze moe­ten niet worden aangemoedigd. Het kind zal op zijn eigen manier en op zijn eigen tijd ongetwijfeld ook deze factoren in zijn leven aan een onder­zoek willen onderwerpen. Wees daar niet boos over.

Zorg achter wel, dat het kind weet wat eventueel de consequenties of de mogelijkheden zijn. Met andere woorden: hoe groter de vrijheid is voor het kind, hoe beter het leergedrag op de feitelijkheden van de maat­schappij en van de hele wereld zullen zijn ingesteld. Hoe reëler ook de conclusies zullen zijn waartoe het kind zal komen. Daardoor zal de grens van het kenvermogen en voor het kind aanmerkelijk wijder zijn, zelfs in de stof, dan voor iemand die van jongsaf aan gereglementeerd is op­gevoed.

Wat ouderen betreft, ongetwijfeld heeft u uw eigen manier van le­ven gevonden. Als u de 50 voorbij bent, dan treedt er langzamerhand een verstarring in. Maar als u zelf levendig blijft en steeds zoekt naar het nieuwe en niet alleen naar het vergelijkbare, zult u gedeeltelijk aan­merkelijk levendiger blijven reageren. U zult bovendien ondanks uw eigen geconditioneerd zijn (dat is tegenwoordig onweerlegbaar een feit) toch veel meer van de wereld kunnen beseffen; uw kenvermogen wordt dus stof­felijk uitgebreid. Dit betekent echter gelijktijdig, dat u na de overgang over veel meer referentiewaarden beschikt en dus in de geestelijke contacten een veel eenvoudiger en meer omvattender uitbreiding van uw kenvermogen kunt ondergaan.

Ten laatste: waar ligt dan de grens van het kenvermogen? Ik heb al gezegd een reëel antwoord kun je daarop niet geven. Maar ik veronderstel dat het volgende ongeveer juist is:

God in Zijn geheel kun je niet kennen. Je kunt de delen ervan kennen, maar het samenvoegen tot een geheel van alle factoren lijkt mij, persoonlijk, onmogelijk. Maar al het andere is en blijft kenbaar, ook het wezen van de grootste krachten in de natuur ook het wezen van de grootste invloeden die er zijn als Meesters van Wijsheid, Meesters van Licht en dergelijke. Hun wezen is te kennen. De grens van het kenver­mogen ligt dus verder dan dit. Laten wij ons echter niet laten bepalen door de grenzen van het kenvermogen. Ik geloof, dat als je groeit, je je bezighoudt met de vraag hoeveel groter je wordt, en niet hoe groot je zult worden. Dit geldt volgens mij zowel voor de mensen op aarde voor het kind in zijn maatschappelijke ontwikkeling als voor de geest in het geheel van zijn kosmisch bestaan.

Groei verder. Probeer altijd elke verstarring op haar minst genomen te herkennen, zodat je weet dat ze bestaat. En als het even kan, probeer een dergelijke verstarring te verminderen of zelfs te vermijden. Op deze manier krijg je de beste resultaten in leven en bewustwording.