Griekse inwijdingen?

image_pdf

19 mei 1967

Aan het begin van onze bijeenkomst mag ik nog wel eens wijzen op het feit, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. U weet dat natuurlijk reeds, maar het moet toch nog eens een keer gezegd worden. Wij hopen dan ook, dat u zelfstandig na zult denken. Daar wij een klein – en zomers – gezelschap zijn, kunt u misschien zelf een onderwerp stellen.

  • Griekse inwijdingen?

Mag ik opmerken, dat wij binnenkort een discussie hebben over inwijdingen? Ik weet niet, of dit daarbij niet ter sprake zal komen? Ik meen, dat als onderwerp “Griekse inwijdingen” iets geheel anders is dan “inwijdingen” zonder meer. Want er zijn wel Griekse mysteriën, die men inwijdingen noemt, maar onmiddellijk zal dan de vraag gesteld moeten worden: zijn die Griekse inwijdingen nu wel werkelijke inwijdingen? Dit is dan ook de vraag, die ik wil stellen, wanneer wij dit onderwerp bespreken, daarbij niet vergetende, dat de Egyptische Inwijdingsstructuur wel invloed heeft gehad op de gebruiken en werkwijze in Griekenland, maar dat dit nog niet betekent, dat de inwijdingen in meer reële zin, zoals deze uit het Egyptische geloof voortkwamen, ook in Griekenland zelfstandig ontstonden.

Vandaar, dat ik de titel door een vraagteken doe volgen, wanneer wij gaan spreken over: Griekse inwijdingen?

Wij moeten ons allereerst realiseren, dat een zeer groot deel van de tot in het heden overgeleverde Griekse geloofswaarden en daarmee ook veel, van hetgeen men als inwijdingswaarden beschouwt, niet zozeer van zuiver religieuze, dan wel van meer culturele oorsprong is. Het is misschien goed u erop te wijzen, dat de goden van Griekenland oorspronkelijk allen nogal vage figuren waren. Zij blijken hoofdzakelijk natuurgoden te zijn. De namen verschilden in het begin nogal eens en veel van de in omloop zijnde verhalen worden op meerdere goden toegepast en als hun ingrijpen of beleven verteld. Naarmate in Griekenland een meer omvattend cultuurbeeld ontstaat – voornamelijk in Elas en Hellas – zien wij, dat het geheel meer vorm krijgt. Zoeken wij echter uit, hoe deze meer algemeen aanvaarde vormen van overlevering en geloof gestalte krijgen, zo blijkt vreemd genoeg, dat zij niet door de priesters wordt gegeven – zoals in de meeste andere pantheons – maar wordt gevormd door de dichters en schrijvers. Het zijn vooral de dramaturgen, die de Griekse godenwereld een eigen gestalte geven.

Daarmede wordt duidelijk, dat het religieuze leven in Griekenland op een enigszins andere basis moet staan dan in de meeste andere vroege beschavingen. In Rome blijkt de kern van de godsdienst bv. het orakel te zijn. Dit is ook elders zeker van belang, maar in Rome is het orakel het meest belangrijke, en het afdwingen van gunsten aan de goden, evenals het gebruiken van orakels – vooral om daarmede de staat te leiden en haar bestaan zeker te stellen – blijkt op de achtergrond van het gehele, overigens van andere volkeren overgenomen pantheon, hier te liggen. In Griekenland blijkt de schoonheid van groter belang te zijn dan orakels en offers. Het gaat hier schijnbaar eerder om het opbouwen van een godenwereld, waarin de goden bijna mensen zijn en de mensen soms bijna tot goden kunnen worden. Het zijn vaak wat spottende verhalen, die men over de goden vertelt. Het is, alsof men hier en daar een beetje met die godenwereld de draak wil steken.

Dit laatste nu zal men nimmer aantreffen, wanneer de opbouw van de godenwereld van de priesterkaste uitgaat. Waar de priester de leiding heeft, is de God ernstig, onbenaderbaar en machtig. Is de basis van de godsdienst in feite de profeet, dan blijkt, dat vooral het uitkomen van de profetie en het resultaat van het goddelijk ingrijpen van belang is, meer dan de naam van de god. De vorm van de godsdienst is dan lange tijd van minder belang en zal eerst een vastere vorm aannemen, wanneer de priesters macht gaan krijgen. De hoofdzaak in beide gevallen is kennelijk, dat er geld binnenkomt. In Griekenland speelt het geld ook wel een rol, maar dient het niet in de eerste plaats om het aanzien van de goden te vergroten, maar, vooral of t.m. mede, om het aanzien van de gemeenschap als geheel te bevorderen.

Gaan wij de stand van zaken in Griekenland na, zo blijkt ons, dat de schoonheid en het openbaar nut van de tempels kennelijk van het allerhoogste belang werden geacht. Bezien wij de gebruiken van eredienst en mysteriën, zo doen deze vaak eerder denken aan het geslaagde werk van een toneelschrijver dan aan een geloofswaarde. Er is hier ook minder sprake van over lange tijd gegroeide gebruiken. Wanneer wij horen, dat in Eulis bij de mysteriën de eerste kreet luidt: “Te water!”, zo denken wij hierbij niet alleen aan een religieuze reiniging, maar ook aan een fantastische massaregie. Het lijkt haast, of een verre voorvader van Cecil B. de Mille heeft gezegd: “Jongens, wanneer wij dan toch in moeten wijden, dan spectaculair en met een grote figuratie.”

Er zijn er onder u, die deze opmerking zullen beschouwen als een ontluistering van de Griekse inwijdingen. Maar wij spreken hier over Griekse mysteriën. Wat zijn deze dan wel? Op de achtergrond van deze mysteriën vinden wij inderdaad wel oude gebruiken, die ook elders bestaan en een inwijding kunnen betekenen. Maar wanneer wij de mysteriën bezien, die bijvoorbeeld thuishoren in de tempel van Poseidon, zo heeft deze uiterlijk zo weinig gemeen met de kernwaarden van de werkelijke inwijdingen, dat wij hier eerder gaan denken aan een soort maskerade, een mantelorganisatie, waarin voor eenieder de echte inwijdingen verborgen blijven. Wat wij zien bij de Eulisische mysteriën is al precies zo onredelijk, wanneer wij tenminste denken aan een echte inwijdingstechniek. Waar wij ook gaan, de uiterlijkheden der mysteriën en het innerlijk wezen van de werkelijke inwijding lijken zoveel te verschillen, dat hier iets niet geheel kan kloppen.

Vergis u niet in de redenen van mijn oordeel. Wie over duizend jaren deze tijd beziet en voornamelijk het christendom, zal misschien zeggen: Er is in deze dagen ook bij de christenen wel een inwijding geweest, maar deze werd bemanteld door vele christelijke en pseudo-christelijke organisaties. De uiterlijke gebruiken hebben met de werkelijke inwijding maar heel weinig te maken. Mogelijk is er echter een kern geweest, waarin andere, niet overgeleverde riten bestonden, die meer passen bij een werkelijk ingewijd worden. Ik hoop, dat u Griekenland realistisch en niet alleen idealiserend wilt bezien. Dan blijken er mysteriën te zijn, die tot de Dionysische weg behoren, terwijl aan de andere kant de z.g. Apologische weg bestaat. Je zou deze richtingen kunnen vergelijken met een weg, waarbij de natuurlijke invloeden en werkingen een rol spelen – Dyonisus – terwijl aan de andere zijde voornamelijk meer abstracte en minder menselijk natuurlijke waarden en stellingen een rol spelen, die voor de opbouw van een maatschappij van groot belang kunnen zijn. Want daarop komt het wel neer.

Dyonisus is natuur. Hij is het ritme van de natuur, het kloppen van het hart van de aarde, het weerklinken van de kristallijne sferen, waarin de mens opgenomen wordt, waarin de mens uitdrukking geeft aan het totaal scheppend principe en daardoor met zijn wereld een zekere eenheid bereikt. Zo Dyonisus al een inwijding brengt, is het zekerlijk een inwijding van de roes, van de algehele zelfvergetelheid. Apollo brengt ons eerder schoonheidsbesef vanuit de mens, een meer bewust leven en scheppen van binnenuit. Bij Dyonisus beleef je, bij Apollo interpreteer je. Maar ook aan de buitenkant gezien blijken deze inwijdingen vooral een soort sociale functie te hebben. Wij weten, dat er vele steden zijn – of men nu Sparta kiest, Athene of een andere gemeenschap – waarin het ingewijd zijn er bijhoort, t.m. in de laagste graad.

Wanneer je dat niet hebt, hoor je er eigenlijk niet helemaal bij, dan ben je geen aanvaard burger van enig belang. Dan heb je ook geen voldoende relaties. Er wordt van de loges van vandaag wel eens gezegd, dat zij voornamelijk bestaan dankzij het zoeken naar relaties, zodat het werkelijke doel van de loge en het deel zijn daarvan bij zeer velen in feite op de achtergrond staat en het hen in de eerste plaats gaat om een plaats, waar men gelijkgestemde en invloed hebbende vrienden kan maken; dit wil niet zeggen, dat dit altijd waar is. Maar in Griekenland kunnen wij vooral de laagste graden van de mysteriën wel op deze wijze interpreteren. Het gaat om relaties, kapitaalsrelaties. Door het behoren tot de “ingewijden” kan men gemakkelijker zijn slaven kopen en verkopen, vindt men gemakkelijker scheepsruimte voor zijn goederen en voor zijn schepen gemakkelijker een aanvullende lading of risicodragend kapitaal.

Indien u deze feiten vooropstelt, valt al een groot deel van het bekende Griekse inwijdingsspel weg. De vraag is, wat er dan nog overblijft. Is er nog iets van betekenis in te vinden? Allereerst wijs ik dan, bevestigend, naar de symboliek. Want de symbolen van de inwijdingen en mysteriën – ofschoon zij in die dagen waarschijnlijk evenmin in hun werkelijke betekenis werden gezien als bv. het avondmaal in deze dagen in zijn werkelijke betekenis wordt erkend door vele christenen – zijn waardevol. Al ontgaat hun werkelijke betekenis en waarde vele van de zo genaamde ingewijden, toch kan voor enkele mensen in deze symbolen en “geheime woorden” – indien zij voldoende de waarde daarvan aanvoelen en een voldoende eigen geestelijke achtergrond hebben – een reeks van waarheden erkend worden, die op de duur voert tot een verandering van wereldbeschouwing. Wat m.i. wel degelijk een deel van of een vorm van inwijding betekent.

In de tweede plaats kunnen wij zegge dat naast de symbolen, de mysteriewoorden en de door mimen uitgevoerde spelen – een soort pantomimen – grotere betekenis krijgen, wanneer men hun inhoud op de juiste wijze begrijpt, zeker inzicht geven in hogere waarden.

Maar zo men de mysteriën al een soort inwijdingsbetekenis wil toekennen, zo zal men toch moeten beseffen, dat dit dan wel een methode is, die in tegenstelling met haast alle andere wijzen van inwijding, zeer weinig selectief werkt. Er is geen leiding, die bepaalt, wie een werkelijke inwijding zal ondergaan. Ten hoogste stelt men enkele organisatorische – en financiële – eisen aan hen, die deel willen nemen aan het mysterie. Denk nu eens aan de tempels in Eleusis.

Daar was een oude tempel, die als inwijdingstempel gold, maar al snel door en nieuwe en grotere vervangen moest worden. Zij werd daarna nog wel een lange tijd gebruikt door mensen, die men werkelijk enigszins ingewijden zou mogen noemen. De oude tempel was oorspronkelijk het middelpunt van de feesten, maar de toeloop naar deze mysteriën bleek zo groot dat men al snel een veel groter en mooier gebouwde tempel naast de oude moest op gaan zetten. Deze mysteriën waren geen bijeenkomsten van enkele mensen, die inwijding zochten, maar grote volksfeesten. Er kwamen de – voor die tijd toch wel zeer groot te noemen – massa’s bijeen, die 3 à 400 personen telden.

Wanneer je het mysteriespel zelf beziet, zo blijkt, dat het in vele opzichten doet denken aan middeleeuwse zinnespelen. Het is niet geheel een godenverhaal, maar er wordt wel van alles uitgebeeld, waarbij de goden een rol spelen. Denk je over deze verhalen na en besef je, dat deze z.g. goden niet werkelijke goden zijn, maar dat de spelers, die goden vertegenwoordigen, in feite natuurkrachten weergeven, terwijl de andere spelers voornamelijk menselijke mogelijkheden en eigenschappen tot leven brengen, dan heeft het spel wel enige belangrijkheid van inhoud. Zodra men het op deze wijze beziet, is ook de veel voorkomende persoonlijke deelname van toeschouwers aan het spel iets anders dan alleen maar een zich uitleven geworden. Misschien weet u, dat tijden de mysteriespelen te Eleusis soms massale acties onder de toeschouwers ontstonden. Je zoudt het een soort vroeg historische reeks van happenings kunnen noemen, het spel wordt door priesters, acteurs en daarvoor uitgekozen leken gedragen.

Maar er komt een ogenblik, dat bv. een strijd van grotere omvang wordt uitgebeeld. Dan kan eenieder van de toeschouwers aan deze strijd deelnemen. Er wordt bv. een liefde, vrede, vreugde, een feest uitgebeeld. Eenieder uit het publiek, die zich geroepen voelt, kan zonder meer aan dergelijke delen van het spel deelnemen. De mensen nemen er ook in grote aantallen deel aan. Sommigen van hen maken zich tijdelijk tot dragers van een bepaald deel van de godheid. Zij spelen mee. Voor de meesten echter is dit meedoen alleen maar een soort spel, waar geen goden of mensen enig bezwaar kunnen opperen, iets waarin je jezelf eens fijn kunt uitleven. En meer meestal niet.

Zou men bij deze mysteriën over inwijding willen spreken, dan zou men moeten zien naar de in een veel kleinere kring en in veel statiger vorm gehouden spelen moeten zien – later in de z.g. oude tempel gehouden – die plaats vinden wanneer de menigte zich reeds over de kermis van genietingen, die haar wacht, heeft verdeeld. Het heette natuurlijk geen kermis, maar er werd veel gegeten, nog meer gedronken en …. Enfin … men danste, kunstenmakers demonstreerden hun vaardigheden, atleten hielden spelen enz.

Terwijl dit alles zich buiten op het tempelterrein afspeelde, werd er dus in de kleine oude tempel en ook in het woud daarachter een ander, veel eenvoudiger mysteriespel opgevoerd. Dat bestond hoofdzakelijk uit een ten opzichte van elkander zich stellen en bewegen – in het begin ook volgens een vast schema – van mensen, die zich ervan bewust zijn, dat zij door hun plaats en bewegingen een deel van de goddelijke krachten representeren. Dit is een soort statige dans, waarbij langzaam maar zeker een verschuiving t.a.v. het aangegeven patroon plaats vond.

Hierdoor ontstond een soort caleidoscopische ontwikkeling van elkander treffende goddelijke krachten. De “dans” gaat echter niet onafgebroken voort, telkenmale staakt men de dans, het spel, weer. In de latere periode heeft men zelfs op een platform enkele sneldichters zitten, die de ontstane situatie van goddelijke krachten – als uitgebeeld – in woorden weergeven. Het klinkt alweer oneerbiedig, wanneer ik hier spreek van een soort geestelijks stoelendans. Maar wanneer degene, die op het blok het ritme van de bewegingen aangeeft, zijn geluid staakt, staakt men ook alle bewegen. Wat dan ontstaan is, wordt beschouwd – en later onderling vaak nogmaals besproken. Er is hier dus sprake van een combinatie van dans, mime en meditatie. Eerst hier, waar de zuiver Griekse beelden en waarden in feite reeds te loor gaan, waar sprake is van een in wezen geheel abstracte wijze van reageren, een meditatieve wereld, kan een echte inwijdingsschool ontstaan. Zij is echter niet altijd aanwezig, daar dit bepaald wordt door het innerlijk en geestelijke gehalte van de deelnemers.

Op de Apollinische weg treffen wij de ook elders veel voorkomende beproevingen, die in feite het vinden van een persoonlijke weg door de elementen uitbeelden. Maar ook hier kunnen wij niet veronderstellen, dat de velen, die zich aan de eenvoudigere beproevingen onderwerpen, de werkelijke betekenis geheel beseffen. Natuurlijk, deze mensen gaan “naar beneden”, zij worden voor een soort grafgewelf gebracht, dat zij moeten betreden. Zij krijgen, voor zij hun “reis” beginnen, een mandje mee, waarin een aantal voorwerpen worden gelegd. Daaronder is onder meer een lamp – die niet kan branden – een drinkbeker, een bundeltje van korenaren enz. Elk van deze voorwerpen heeft een betekenis, die bij het overhandigen in vaststaande termen wordt medegedeeld. Denkt u echter, dat de mensen, die deze gang gaan, dit alles in zijn ware betekenis beseffen? Voor hen blijven de aanwijzingen magische spreuken, die op het ik geen werkelijke toepassing hebben. Wanneer men de lamp geeft en hen zegt: “Dit is het Licht, dat altijd in u brandt”, zo reageren de meesten innerlijk: Er is anders geen pit in en ik heb geen olie.

Bovendien heb ik geen vuurslag. Wat heb ik dus aan dit ding in het donker? Zij begrijpen niet, dat de bedoeling is, dat zij zelf zichzelf tot Licht, tot lamp worden in het duister. Zoals zij niet begrijpen, dat het de bedoeling is, dat zijzelf als eens het graan, de kracht van de aarde aanvoelen en in zich opnemen. Zoals de drinkbeker, die hen gegeven wordt met de aanwijzing, dat men hierin de kracht van de goden moet ontvangen, slechts het symbool is van hun eigen wezen. Zij horen de spreuken wel, maar begrijpen ze niet en het is de vraag, of vele van de z.g. inwijders zelf wel beseffen, wat de betekenis is van de spreuken, die zij zo plechtig herhalen.

Misschien zijn er enkelen, die de overdrachtelijkheid van al deze symbolen wel beseffen, maar de abstracte en overdrachtelijke interpretaties, die de mensen van heden zo doodgewoon vinden, zo vanzelfsprekend achten, was zeker geen algemene gewoonte en geen algemeen gehanteerd begrip bij de Grieken. Een Griek heeft het over realiteiten, wanneer hij iets vast kan houden. Al het andere is voor hem ergens onwerkelijk. Een Romein wil over iets nog als werkelijk spreken, wanneer hij zich kan voorstellen, dat hij het kan doen. Maar het denkbeeld van het verborgene, het abstracte, dat in de moderne inwijdingsfilosofieën een zo grote rol speelt, was voor de mens in die dagen meestal eenvoudig onbegrijpelijk, magisch desnoods, maar niet redelijk begrijpelijk. U denkt misschien aan de wonderlijk mooie beelden van goden. Voor u heeft deze schoonheid een bijzondere betekenis. Maar al mag in de ogen van de wereld van toen een dergelijke tempel of beeld zelfs een soort wereldwonder zijn, zo betekent dit nog niet, dat men de werkelijkheid van die god of zijn mysterie heeft begrepen en geëerd. De aanleiding tot het oprichten van tempels en beelden is maar al te vaak in wezen zakelijk: het winnen van aanzien, het tonen van rijkdommen, speelt meestal meer een rol dan vroomheid of begrip voor de goden zelf. Goden zijn voor de meeste Grieken eigenlijk niet veel meer dan verhaaltjes. Zoals voor de meesten de z.g. inwijdingen niet veel meer zijn dan een sociale ritus. Pas wanneer u dit beeld van Griekenland wilt aanvaarden – en ik verzeker u, dat dit een juist beeld is – kunt u verder gaan spreken over Griekse inwijdingen.

Griekse inwijdingen, dit klinkt zo mooi. Juist omdat Griekenland door zijn filosofen – zijn denkers hoofdzakelijk dus – maar ook door zijn kunstenaars, een zo grote invloed had op de denkwijze van vele latere christenen, is men geneigd, hieraan meer waarde toe te kennen dan redelijk is.

Denk in dit verband eens aan Ambrosius, een bisschop, die zelfs de titel kerkvader heeft gekregen. Deze christen baseerde zijn wereldbeschouwing en zelfs zijn wijze van betogen op Aristoteles en andere Griekse filosofen. De stellingen van Plato worden bij de christenen tot het platonisch denken, dat wij tot in de middeleeuwen terugvinden, als een ideaal. Officieel beheerst deze filosofie – naar buiten toe dan – de relaties tussen een dame en haar ridders. Wie zich dit alles te binnen durft brengen, zal zich ook af gaan vragen: stellen wij de Grieken en hun inwijdingen niet op een te hoog voetstuk, juist omdat wij zoveel van hun stellingen in een verchristelijkte en in wezen gemoderniseerde vorm leren kennen, dat interpretaties in omloop komen, die met de werkelijke bedoelingen weinig of niets meer te maken hebben? Want tot in de 16e en 17e eeuw werd steeds weer met Latijnse en Griekse citaten gewerkt en heeft men in wezen veel van de oude leringen eenvoudig door de nieuwe interpretaties up to date gemaakt.

Men zal dan ook beseffen, dat men een vergissing begaat wanneer men over de Griekse inwijdingen gaat spreken en daarbij geen onderscheid meer maakt tussen riten, die eerder te maken hebben met geheime genootschappen en een soort logevorming, dan met werkelijke inwijdingen. Zelfs het scheppen van feestdagen, waardoor eenieder de gewende orde kon doorbreken, zonder daarbij voor enig verwijt vatbaar te zijn, speelde vaak een rol. Wie eerlijk is, zal moeten toegeven, dat er bij de Griekse mysteriën heel wat minder sprake was van geestelijke waarde, hoge inzichten en grote begavingen dan men algemeen wel pleegt te denken. Waarmede ik een protest heb uitgesproken tegen de al te vaak voorkomende verheerlijking van het verleden, waarbij men dan alle afwijkingen van denken, gewoonte en zelfs gangbare uitdrukkingswijzen gevoeglijk maar over het hoofd ziet.

Ik moet nu wel komen tot een omschrijving van hetgeen een werkelijke inwijding is. Ik zal daarop natuurlijk niet te ver ingaan, want in het begin leek het mij, dat de voorzitter wat bang was, dat ik hier alvast en tegen gereduceerde prijs, een stuk discussieavond weg zou geven.

Wat is dan een werkelijke inwijding? Een werkelijke inwijding is een proces, waarbij de mens, die zelf zoekt, via het ondergaan van situaties, het erkennen van feiten en het ontvangen van sleutels – aanwijzingen, verkapte richtlijnen enzovoorts – in staat is eigen besef omtrent het leven en zijn gebruiken van de krachten van het leven steeds verder te wijzigen en te ontwikkelen.

Dat is inwijding. Het is dus geen magische overdracht van krachten, maar het overwinnen van de imaginaire wereld, waarin je leeft, het erkennen der imaginaire factor in de bepaling van waarden, die immers de wereld van de mensen pleegt te regeren. Daarnaast kan men inwijding omschrijven als het vinden van de eeuwigheid in de tijd. Het vinden van blijvende waarden en betekenissen voor jezelf in datgene, waarvan je weet, dat het voor alle mensen toch van voorbijgaande aard is. Het is het wekken van een oneindige waarde voor jezelf uit de eindigheid.

Wie op deze wijze een inwijding zoekt, zal deze door het geheel van de menselijke historie en bij alle volkeren, ongeveer gelijkelijk kunnen aantreffen.

De symbolen, waarin men over de inwijding vertelt, zijn natuurlijk steeds weer andere. Wanneer er in een geloof, een gangbare mythologie geen sprake is van een heilige slang, wie zal dan over de slang als beschermer spreken, nietwaar? En wanneer een slang het beeld is van alle kwaad, zal men u zeggen, dat gij de slang moet leren overwinnen, terwijl daar, waar de slang een symbool van goed is, men juist zal horen, dat de slang in u leeft en altijd uw gezel zal moeten zijn. Wij vinden vele tegenstellingen en zelfs tegenspraken, wanneer wij ons bezighouden met de omschrijvingen van de inwijdingen. Deze zijn echter steeds weer beeldspraak. Toch is, zelfs in beeldspraak, de inwijding zelf niet te vatten. Wanneer u een doodgewoon pak speelkaarten bezit en daarmede mediteert, dan zult u, mits uw wijze van mediteren bewust en goed gekozen is, met “des duivels prentenboek” meer kunnen bereiken, dan anderen met een hele bibliotheek vol wijsgerigheden. Zijn die speelkaarten dan een inwijding? Neen. Het is uw eigen wezen, dat daaraan die waarde geeft. Het is het gebruik, dat u ervan kunt maken, dat het geheel tot een inwijdingsmogelijkheid maakt.

In Griekenland zijn heel wat bekende wijzen en denkers geweest. Ik meen dan ook, dat Griekenland onder zijn inwoners zeker ook een behoorlijk aantal werkelijk ingewijden gekend zal hebben. Vergeet hierover echter niet, dat vele van deze Griekse denkers niet waarlijk ingewijden waren, vergeet niet, dat enkele filosofen, die in hun geschriften duistere toespelingen maken op de inwijdingen en mysteriën, dit in wezen al te vaak allen maar doen om zo belangrijker te lijken en dus propaganda te maken voor zichzelf. Deze mensen waren zeker geen echte ingewijden en behoorden ook niet tot de hogere kaste van z.g. ingewijden, die het priesterschap aan de lopende band produceerde. Want in dat geval hadden zij niet zoveel neer durven schrijven – en willen schrijven. Voor het verwerven van aanzien was dit dan van geen belang geweest, terwijl een al te openhartig bespreken van de werkelijke mysteriën hen zeker het leven zou hebben gekost. Juist wanneer men dit begint in te zien, wordt een specifiek Griekse inwijding langzaam maar zeker een soort fantasiebeeld. Geen speciale inwijding dus, die verschilt van andere inwijdingen, maar ten hoogste een inwijding, die gelijk komt aan de inwijdingen elders, maar hier wel eens zal worden weergegeven in de termen van de Griekse mythen.

Eerst wanneer u dit als feit aanvaardt, hebt u enig recht van spreken. Maar dan volgt onmiddellijk de vraag, of er wel een zo groot verschil tussen de Apollinische weg en de Dionysische weg bestaat, zoals men beweert. Voeren niet beide wegen voor degene, die werkelijke inwijding bereikt, tot hetzelfde punt van besef en een gelijke bereiking? Een verandering van de relatie tussen ik en wereld? Voeren niet beide wegen uiteindelijk tot een verlaten van de menigte om, gaande door de eenzaamheid en steeds beter beseffende, wat die menigte in al haar facetten inhoudt en betekent, terug te keren te midden van die massa als wetende? Dit is de feitelijke bereikingsmogelijkheid. Maar waar is dan het werkelijke verschil t.a.v. bijvoorbeeld de Egyptische of de Boeddhistische inwijdingen? Zeker niet in de formule, waarmede men de uiterlijkheden daarvan weergeeft, want die is uiteindelijk maar bijkomstig.

Elke formule brengt ons tot een mogelijkheid. Het begin is steeds weer een isolement. Wij moeten in eenzaamheid alle dingen overwinnen, die vanuit de gemeenschap voor ons van belang lijken te zijn. Dit wordt o.m. uitgebeeld door de overwinning op de elementen, die in vele vormen van inwijding een deel van de uiterlijke weg vormt. Maar iemand, die denkt het vuur alleen te kunnen overwinnen door het te verdragen of, – zo dom zijn er wel – meent het te kunnen bemeesteren door het te blussen, kan beter streven naar een plaats als manneke Pis dan als ingewijde. Pas wanneer de mens begrijpt dat de gehele kwestie van het vuur neerkomt op en samenhangt met alle scheppende elementen, het louterende element, de beheersing van het ik, de beheersing van de hartstocht en nog vele andere dingen, alle tezamen, zal het vuur kunnen overwinnen en verdragen op een wijze, die werkelijk ook geestelijke betekenis heeft.

Een overwinnen van duister en ledige ruimte, van wind, heeft niet veel te betekenen wanneer je niet allereerst beseft, dat dit ledige, waarmede je worstelt, het duister, waarin je je weg moet zoeken, tevens de uitbeelding is van het begin van alle dingen. Beseft men echter, dat dit deel van de proef in feite de mens in een ledig niet brengt, waarin hijzelf moet creëren, vormen geven en richtingen bepalen, dan is er iets te bereiken. Degene, die de zin van het duister, de dreiging van het ongevormde, het onzichtbare gevaar van de wind erkent, die hem van zijn weg kan afdwingen, en die toch zijn weg weet te vinden en toch zonder aarzelen verder kan gaan, zal de innerlijke werkelijkheid kunnen beseffen, waardoor hij een wereld kan betreden, die reëler is dan hetzelve geschapene, of de door mensen geschapen voorstellingen en beelden.

De man, die de wateren moet overwinnen, heeft in wezen niet alleen te maken met de dreiging van dood en ondergang door dit element. Hij moet beseffen, hoe het water ook het begin van alle leven is. Hij moet leren het water te zien als een beeld van de stortvloed van levenskrachten, die zich bij voortduring uitstort over de gehele wereld. Het overwinnen van het element water is tevens het overwinnen van het beangstigende beeld van de stroom van het leven, waardoor je dan in staat bent, het geheel van het leven in zijn totaliteit te beseffen en te aanvaarden, zo eigen bestaan niet alleen meer ziende als een reeks van veranderingen. Zo zijn alle dingen uit te leggen, die bij de inwijdingen een rol plegen te spelen. Het heeft echter weinig zin, daarop nu reeds verder in te gaan.

Alle symbolen die ik noemde, vinden wij in allerhande inwijdingsriten terug. Wij treffen ze aan bij Egyptische inwijdingen, maar evenzeer bij de inwijding van Mithras, waar men ook hij de inwijding half geroosterd wordt. Deze beelden stammen kennelijk uit een zeer ver verleden, maar bestaan, zij het in een meer symbolische weergave dan eens, bij vele geheimscholen in deze dagen nog steeds. Er is aan dit alles niets te ontdekken, wat nu werkelijk specifiek Grieks zou zijn. Niets behalve dan misschien de reputatie.

Sta mij toe om mijn peoratie – die zeker niet pro dome is in dit geval – af te sluiten met een korte schets van de werkelijke toestanden in het Griekenland, dat door velen in deze tijd als bakermat der beschaving wordt vereerd. Ik wens geen ontluistering van dit alles. Houdt mij ten goede, maar ik wil het Griekenland van eens, dat zeker vele grote en goede waarden in de wereld bracht, niet van zijn werkelijke luister ontdoen. Ik wil u alleen maar duidelijk maken dat dit Griekenland toch in wezen iets anders was, dan wat men er nu in de meeste gevallen van gemaakt heeft. Al die statige tempels, al die mooie beelden en kunstwerken, zijn het product van slavenarbeid, van het leven van zeer velen in een grote en niet te rechtvaardigen armoede.

Zij verrijzen niet alleen naar uit behoefte aan schoonheid, maar eerder uit prestige overwegingen en om eigen rijkdommen aan anderen te tonen, ongeveer op dezelfde wijze, waarop in vele moderne staten grote gebouwen vol van weelde en schoonheid worden gebouwd om de grootheid van de Staat aan te tonen, en, terwijl, om dit alles mogelijk te maken, eenvoudige mensen veel langer dan in feite noodzakelijk was, in onvoldoende woningen, ja, in onbewoonbare krotten moeten leven.

De zeden van Sparta, die me vaak in de moderne tijd als een voorbeeld van juiste lichamelijke hardheid en discipline beschouwt, zijn allesbehalve menselijk, zijn niet menslievend. Natuurlijks in Sparta is er nog geen Hitler, tegen wie men heil kan roepen. Maar hun verering van de lichaamskracht, hun verering van hun eigen vaste orde zou in de moderne tijd onmiddellijk fascistisch genoemd worden. Het offeren ven lichamelijk onvolwaardigen, het doden van baby’s die een klein gebrek vertonen, het doden van vreemdelingen, als ongewenste element in de maatschappij, komt in Sparta steeds weer voor.

En dan Athene, de moeder van de democratie. Hier is de samenleving volgens de huidige normen in feite decadent. Op de agora, de markt, lopen de openlijk tegennatuurlijke, zinnelijke contacten uitlokkende jongelieden. Alles is toegelaten. Laat ons eerlijk zijn en toegeven, dat in Griekenland de vrouw, die netjes is, thuis dient te zitten, terwijl de “lichte vrouwen” een algemene verering genieten. Het is een gemeenschap, waarin sporthelden en kunstenaars alles gedaan kunnen krijgen wat zij maar willen, terwijl soldaten in Athene eerst werkelijke geëerd worden, wanneer zij dood zijn en liever niet voordien. Het is een wereldje, waarin handel veel belangrijker is dan al het andere. De Trojaanse oorlogen – hoe romantisch men ons daarvan ook vertelt – zijn in feite handelsoorlogen, waarbij het vooral gaat om het handelsgezag op de zee en in Noord-Afrika. Het is dit land, waarin slaven als niet-mens, als minderwaardige vormen van leven worden beschouwd, dit land met zijn vele woeste bergstammen en kleine, oorlogszuchtige koninkrijkjes, dit land van steden, die niets anders doen dan rijkdommen vergaren en strijden, wanneer zij menen dat hun stoffelijke welvaart of aanzien ook maar even geschaad zouden kunnen worden, is dat nu het voorbeeld van de democratie? Deze vervallende, deze decadente Griekse wereld is het namelijk, waaruit al die dingen stammen, die u nog in deze tijd beschouwt als de grootheid, als het waardevolle erfdeel van Griekenland.

De democratie van Griekenland wordt vaak als voorbeeld gesteld. Maar zij is in feite geen echte democratie, tenzij u onder “Demos”, het volk, alleen de klasse van welgestelden en uitverkorenen wilt verstaan. Deze democratie is in wezen een regentenregering. De filosofen en denkers van Griekenland, die u eert als grote mensen – en dit vaak zijn – blijken in hun eigen tijd maar al te vaak broodpraters te zijn. Wat u zich voorstelt als de wijsgerige scholing en gesprekken in de stoa’s, de zuilengangen van de tempel en de tuinen, blijkt vaak niets anders te zijn dan een paraderen om de aandacht te trekken, en zo – geld inbrengende – leerlingen te krijgen. Het verschilt vaak niet al te veel van het zich ten toonstellen van kleine filmsterretjes, die ten koste van alles een engagement bij de film willen veroveren, tijdens het een of andere filmfestival.

Het zijn natuurlijk geen voor u aangename vergelijkingen, die ik trek, dat weet ik wel. Maar laat uw ideaalbeeld van de Grieken van eens nu eens vallen, besef, dat dit een wereld is als de uwe, een wereld, waarin de gebruiken misschien wat van de uwe verschillen, maar waarin meer overeenkomsten zijn te vinden, dan u wel denkt. Het is een wereld, waarin z.g. mystieke handelingen maar al te vaak als dekmantel dienen voor meer mundane bestrevingen en vele riten in feite slechts een afreageren van spanningen betekenen. Het is een wereld, waarin men al te vaak de goden alleen maar eert, omdat het zo goed is een kelk wijn meer te kunnen ledigen en de fluitspeelsters uitnodigt, omdat er een hymne aan Pan gespeeld moet worden, maar in feite, omdat zij een prikkeling zijn voor de lusten en zinnen der aanwezigen. Het is een wereld, waarin de schoonpraters graag worden uitgenodigd en filosofen aan haast elke tafel kunnen eten, omdat zij met hun spitsvondigheden en argumenten de mensen vermaken. Menige filosoof, die men nu eert als groot denker, werd alleen uitgenodigd, omdat hij een attractie van vermakelijkheden was, een soort Buziau of Walden en Muyselaar van uw tijd. De waarderingen en motiveringen liggen anders, dan men zich vandaag kan voorstellen. Vele argumenten, die in deze dagen worden beschouwd als een toppunt van diepzinnigheid, werden eens neergelegd als een soort parodie op anderen. Dat is het werkelijke Griekenland, een land vol trotse, rijke, beschaafde en eigenzinnige mensen. Zeker. Maar ook een land van mensen, die vaak alleen maar leven voor zich en waarin het parasiteren op de gemeenschap, vooral bij schrijvers, toneelspelers en filosofen, als normaal wordt beschouwd.

Men moet echter niet denken, dat mijn argument nu luidt, dat de maatschappelijke verrotting ook nog iets goeds heeft gebaard. Dat wil ik niet zeggen. Maar het is wel zeker, dat het vooral een dergelijke maatschappij is, in vele opzichten verwerpelijk vanuit het moderne standpunt, waarin de enkeling een voldoende mogelijkheid tot zelfexpressie en vrijheid van spreken kan vinden. Vrijheid komt voort uit dit z.g. verval, een vrijheid, de in een strak gereglementeerde, een krijgslustige maatschappij, nooit te vinden is. Het is niet om niets, dat vooral Athene ons vele grote filosofen brengt, niet voor niets, dat Pallas Athene de godin van de wijsheid is. Het is juist dit verval – want dat is het in feite – waardoor een vrijer denken en argumenteren mogelijk wordt, zelfs indien dit de waardigheid van de goden of de gevestigde instellingen zou aantasten.

Het is het verval en de verdeeldheid van Griekenland, – een verval en verdeeldheid, waardoor Rome het zo gemakkelijk kan overrompelen, – waardoor de wijsheid die men tegenwoordig eert als de grote en goede nalatenschap van de Grieken, naar voren kan komen.

Maar vergeet niet, dat de werkelijke grote gedachten, die de Griekse filosofen ons nalieten, even ver van de alledaagse werkelijkheid af stonden als de denkbeelden van grote denkers en filosofen van deze tijd al afstaan van de hedendaagse mens en zijn gewoonten. Schweitzer is een christelijk humanist. Maar kan men nu stellen dat hij representatief is voor uw beschaving?

Neen? Goed, besef dan, dat een dergelijke wereld nooit zo grote en algemene waarden van inwijding zal kunnen kennen, dat algehele inwijdingen “en gros” mogelijk zijn, zoals men t.a.v. Griekenland al te vaak pleegt te stellen, dat mogelijk was. Begrijp, dat dit Griekenland met al zijn fraaie marmeren gebouwen vaak erger stonk dan de hedendaagse vismarkten kort na het einde van de veiling. Begrijp, dat de droom van de schoonheid van Griekenland, zover het de samenleving betreft, een idealisering, een droom is en dat in die legende de inwijdingen van Griekenland verkeerdelijk worden beschouwd en geïnterpreteerd!

Als inwijdingen, die een typisch Griekse bereiking waren, waren zij dit niet. De Griekse inwijdingen, waarover men nu vaak met zoveel nadruk en eerbied spreekt, waren uiterlijke vormen, mysteriën, die met een werkelijke inwijding maar al te weinig te maken hadden. De werkelijke inwijdingen, die ook in Griekenland voorgekomen zijn, waren in wezen vreemd aan het volk en vormden de voortzetting van iets, dat veel ouder was, iets dat reeds in de Kretenzer beschaving, maar ook in Egypte en Babylon reeds in wezen gelijkwaardig bestond en door alle tijden en onder alle volkeren zal blijven voortbestaan.

En als u dit alles nu begrijpen kunt, dan heb ik verder over dit onderwerp niet veel meer te zeggen. Indien u van mening bent, dat ik Griekenland onrecht heb gedaan, dat ik de waarde ontken van de grote schrijvers en filosofen, zo wil ik u aanraden hen, met dit alles in gedachten, nog eens goed na te lezen. Misschien zult u dan gaan beseffen, dat er nog andere dingen meespelen dan de hoogheid van denken en zoeken: “leven” alleen. Dan zult u misschien gaan beseffen, dat een denker als bv. Socrates niet alleen maar een wijsgeer is, maar in al te vele gevallen in feite optreedt als agitator. Waarschijnlijk gaat U dan ook begrijpen, dat Xantippe niet alleen maar een feeks van een huisvrouw was, maar zeer waarschijnlijk ook een vrouw met een behoorlijke opvoeding, die met die doe-niet van een vent eenvoudig niet op kon schieten.

Wanneer u al die mooie resten van beeldhouwwerken ziet en beroemde namen van bouwheren en werkers hoort als Praxiteles en dergelijke, vraag u dan ook eens af, of zij eigenlijk niet de zaak in vele gevallen niet beduveld hebben, of zij de werken, die hen de grootste roem brachten, in feite niet grotendeels van elkander gestolen hebben, of die architecten niet vaak van een en hetzelfde werkelijke bouwplan hebben gewerkt, maar toch elkander aanklaagden en probeerden de keel af te snijden onder voorwendsel, dat die anderen ondeugdelijk werk maakten.

Wanneer u, al lezende, dit alles bent gaan inzien, zult u niet alleen concluderen, dat hetgeen ik over Griekenland heb gezegd in wezen in feite geheel juist was, maar zult u ook m.i. denken: Wanneer het zo is geweest in Griekenland en desondanks zoveel goeds is ontstaan, zoveel inwijdingen mogelijk zijn geweest, dan moet dit zelfs in het Nederland van heden ook kunnen bestaan.

0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Cicero was toch niet de eerste de beste. Hij zegt, dat hij zeer veel heeft gehad aan de mysteriën en daardoor vele deugden heeft gevonden’?

Begrijpelijk. Cicero was ook staatsman, politicus. En dan zeg je nu eenmaal dergelijke dingen graag. Heeft u wel eens gehoord, hoe Eisenhower tijdens en na zijn verkiezingscampagne zijn opgaan in het christendom heeft verkondigd? Onder meer in de tweede toespraak voor de senaat – na zijn verkiezing dus – is een frase vastgelegd waarin hij stelt hoe hij “gedragen door het christendom” zijn taak heeft nagestreefd en ook nu zal vervullen. Indien u Ike een groot man vindt, dan zult u daaruit misschien concluderen, dat het christendom toch wel heel wat betekent als inwijdingselement. Maar dat zult u niet snel doen, nietwaar? U stelt echter wel een dergelijke conclusie t.a.v. Cicero, omdat u vergeet, dat hij niet alleen denker en redenaar, maar ook een politicus en staatsman was. En dat betekent, dat hij uit de aard der zaak wel eens vriendelijke woorden zal hebben gezegd en vriendelijke gebaren zal hebben gemaakt in de richting van godsdienst en mysterie. Deelt u deze mening niet?

  • Maar door inwijding leren wij vele deugden te ontwikkelen.

Inderdaad. En door het christendom leren wij in naastenliefde te leven. Maar er zijn in deze dagen vele mensen, die beweren uit de christelijke beginselen te werken, terwijl zij in feite, geheel met het christendom strijdig, alles doen om elkander de nek om te draaien. Indien u een voorbeeld van dit laatste wenst hoeft u alleen maar te zien naar de woorden en daden van de vele christelijke partijen in uw eigen gouvernement. Woorden en daden zijn nu eenmaal vaak geheel verschillende dingen. Vele mooiklinkende woorden worden niet gesproken omdat zij waar zijn, maar omdat zij propagandistische waarde hebben. Ik stel, dat u veel van de Oudgriekse propaganda nu als een letterlijke waarheid aanneemt, eenvoudig omdat dit alles zover in het verleden ligt, dat het eenvoudig is over het hoofd te zien, dat bv. Cicero nog wel andere dingen heeft gedaan dan vallen onder de vele deugden, die hij zegt gevonden te hebben.

U kunt niet meer begrijpen, dat vele belangrijke filosofische leergeschriften het resultaat waren van opzettelijk geënsceneerde twistgesprekken, die werden gehouden op plaatsen en tijden, waarop men meende “beschermers”, d.w.z. zeggen mensen, die je feestmalen aanbieden en dan nog geld geven op de koop toe, zouden passeren. Vaak wenste de mecenas dan, dat het argument, dat hen zozeer had getroffen, ook op schrift zou worden gesteld. Anders gezegd: Veel van die denkbeelden zijn misschien op zichzelf waardevol, maar werden door de denkers niet zo au sérieux genomen, als men dit nu pleegt te doen.

  • Heb ik het juist begrepen, dat in decadentie juist de geestelijke waarde van de mens vrijer tot uiting kan komen.

U hebt mij inderdaad begrepen. Ofschoon ik sprak van iets, wat volgens de huidige normen een decadentie genoemd zou worden. Wanneer alles gericht en gevormd is in de maatschappij, is het voor de eenling moeilijk en bovendien vaak heel gevaarlijk, om speculatief te denken. Zoals het in een maatschappij, waarin alle gedrag streng genormd is, het gevaarlijk is je afwijkend te gedragen. Denk maar eens aan de houding van Griekenland (anno 1970) tegen de mensen met lang haar. Die worden daar niet meer toegelaten. Waarom niet? Omdat zij anders zijn? Zodra een regime zogezegd gezond begint te regeren, is er geen ruimte meer voor persoonlijke reacties en een te persoonlijk denken. Wanneer je een inzicht wilt verkrijgen in de filosofie van Griekenland en Rome, zal je moeten begrijpen dat er altijd en overal twee soorten van filosofen voorkomen: Degenen, die alleen zeggen, wat zij weten dat anderen graag zullen horen, en degenen, die zich buiten de maatschappij en de daarin gangbare handelingswijzen en  opvattingen plaatsen. De eersten kunnen in een absolutistische staat gedijen. Zelfs Hitler had zijn partijfilosofen. De anderen echter vallen steeds weer buiten de gemeenschap.

In Rome kende men een soort filosofen, die bekend stonden onder de bijnaam: de honden. Deze mensen wilden vrienden zijn voor elke mens, waren bereid iedereen te helpen, maar bezaten bewust zelf niets en hielden in hun denkbeelden geen rekening met de gangbare opvattingen.

Onder hen treffen wij denkers aan, die de moed hadden op zeer reële wijze over Rome en zijn mogelijkheden te praten, open en voor eenieder begrijpelijk. Zij werden vaak het slachtoffer van hun woorden. Staatslieden echter zullen zich nooit op een dergelijke realistische en heldere, voor ieder begrijpelijke wijze vastleggen. Wat men in deze tijd decadentie noemt, is in feite een gemeenschap, waarin alle dingen wel mogelijk zijn, terwijl men zozeer onderling verdeeld is, dat men voor alle dingen wel ergens gehoor kan vinden; het is dus veel gemakkelijker tot een discussie te komen, die gebaseerd is op feiten en niet alleen op gezag. Een dergelijke discussie is noodzakelijk, indien men een nieuwe zienswijze, een nieuwe benadering van het leven of de problemen daarin tot stand wil brengen. Daarom zal een z.g. decadentie – een decadentie, die slaat op de algemene waardering van de maatschappelijke verhoudingen en niet noodzakelijkerwijze een aanduiding is van de waarden van het meer persoonlijk bestaan – in feite noodzakelijk worden, indien er een nieuwe ontwikkelingsmogelijkheid op moet treden.

Ik weet niet, of u betoog hebt kunnen volgen. Het betekent echter, dat u, zodra u de kans krijgt, uw mooie idealen aan anderen op te leggen, in feite elke andere ontwikkeling en reactie onmogelijk tracht te maken en daarmede elke werkelijke, niet eenzijdige ontwikkeling van mens en maatschappij tegenhoudt of zelfs onmogelijk tracht te maken. Duitsland b.v. had een tweede wereldoorlog gemakkelijk kunnen vermijden, wanneer het geen eenheidsgedrag en denkwijze dwingend had ingevoerd. Het had zelfs de oorlog nog kunnen winnen, wanneer het meer de nadruk had durven leggen op het persoonlijk initiatief, en minder de gezagsverhoudingen had willen handhaven ten koste van alles, maar dit laatste was onmogelijk, omdat het systeem juist daarop was gebouwd. De Duitse staat was gebouwd op een kritiekloze aanvaarding van gezag en een trouw, die geen kritiek toelaat en buiten het bevel alle persoonlijke verantwoordelijkheid terzijde legt. Daaraan is het ondergegaan.

  • Dus individualisme en een geordende staat zijn in feite tegenhangers?

Inderdaad. Een geordende staat kan misschien snel reageren en snel alle noodzakelijke maatregelen doorvoeren, maar moet daarvoor het persoonlijk leven, de vrijheid en aansprakelijkheid van de eenling tot zich trekken. Daarom is een te zeer geordende staat, hoe goed haar werking en bedoelingen ook mogen zijn, altijd uit den boze. De geordende staat neemt het eigen geweten van de mens weg en stelt daarvoor wetten in de plaats. Zij neemt de persoonlijke aansprakelijkheid van de mens in het leven weg en stelt daarvoor in de plaats de gehoorzaamheid aan de staat. In wezen neemt zij dus de persoonlijke ervaringsmogelijkheden ten goede en ten kwade weg. Daarmede neemt zij de werkelijke vreugden en bereikingen van het leven grotendeels weg en laat de mens in een goed geordende leegte achter.

  • Leve de provo’s!

In zekere zin ja. Wanneer namelijk de provo’s niet alleen maar zouden zijn orde verstorende elementen, maar zich zouden beschouwen als jonge mensen, die veel met elkander kletsen en vele heerlijk onpraktische dingen zeggen en doen, maar zouden zoeken naar iets anders. Mensen dus, die niet alleen bij hun belevingen de bandeloosheid zoeken – zoals velen onder hen helaas – maar eenvoudig voor zich het recht opeisen om te leven en te experimenteren met het leven. In dat geval zou ik hen toejuichen. Maar het beeld van de werkelijke provo is in Nederland verwaterd door het feit, dat zij, niet georganiseerd, rond zich en onder hun naam optredende, een groot aantal jonge mensen treffen, die niet meer iets anders willen, maar eenvoudig niets willen. Dit laatste is geheel verkeerd en in strijd met hetgeen de eerste provo’s wilden. Het gebrek aan organisatie, dat inherent is aan deze filosofie, heeft zoveel meelopers op doen komen, die werkelijk iets willen, dat de werkelijke waarden van het provoïsme daarin dreigt onder te gaan. Maar wij wijken te ver af. Ik volsta dus met de nogmaals herhaalde vaststelling, dat een volkomen individualisme, ook in de levenssfeer, mogelijk moet zijn, wil het leven voor eenieder de grootste vruchten kunnen dragen.

  • U verwerpt doelbewustzijn?

Kortgeleden was er een boer, die zijn graan zodanig behandelde tegen kwalen, dat hij hierdoor een grotere oogst kon krijgen. Nu bleek, dat in de omgeving vogels, muizen, hazen, konijnen, zelfs reeën stierven door het gift, dat hij hiervoor gebruikte. Hij had echter maar een doel: Zijn bedrijf winstgevend te houden. Daarom merkte hij op: Het is natuurlijk jammer, maar een mens moet nu eenmaal aan zijn bedrijf en zijn winsten denken …. Neen. Geef mij maar liever minder doelbewuste mensen die in het leven steeds zoeken naar de meest juiste weg. Zij zullen voortdurend veranderen en daardoor voortdurend wijzer worden, terwijl zij veel minder schade veroorzaken dan al die mensen, die zo heel erg doelbewust zijn en aan dit doel alles, vooral alle anderen, op willen offeren. Het “doel” in het leven blijkt meestal een illusie te zijn.

Het gehele leven is in feite een reeks van illusies. Iemand, die uit dit alles door een voortdurend zoeken, bewustzijn en een mate van geluk weet te distilleren, is degene, die in het leven werkelijk iets bereikt. De anderen zijn grote schreeuwers, die hun leegte met vele kreten en nutteloze activiteiten proberen weg te praten. Indien de mens dit niet uit eigen krachten zou kunnen bereiken, zou het leven op aarde zinloos zijn….

  • Bestaat er wel “eigen kracht”?

Wij worden wel erg filosofisch. Ja. Er bestaat een eigen kracht, die, ofschoon voortvloeiend uit het deel-zijn van het goddelijke en deel uitmakende van de goddelijke kracht, door het Ik voorlopig geheel volgens eigen wil en in overeenstemming met eigen omstandigheden zal kunnen worden gebruikt. Hij zal deze kracht dus steeds gebruiken volgens eigen inzichten, in verband met eigen mogelijkheden en volgens de mogelijkheden, die hij voor zich in het leven erkent.

  • Ik moet zeggen, dat uw rede voor mij een koude douche was

Mogelijk. Maar dat is wel eens goed. Het koelt te verhitte en van zich te zeer overtuigde gemoederen wel eens wat af en dit is nuttig, naar ik meen. En nu ga ik sluiten. Wij spraken over het menselijke leven. De zin van dit menselijke leven in verandering, ontwikkeling, desnoods iets wat u groei kunt noemen. Wanneer deze dingen niet meer deel van het bestaan zijn, kan men niet meer van een mens spreken. Desnoods is er dan te stellen, dat er een andere vorm van bestaan optreedt, maar geen mens meer. Wij spraken over Griekse inwijdingen. Laat ons dan aan het einde van ons betoog ook nog even constateren: Wij zijn in feite dwaas, wij begrijpen, dat het oude bestaat, maar beseffen niet, dat het niet een bereiking inhoudt, die wij vandaag waar moeten maken, maar slechts het zaad is, waaruit het heden voortkomt, een summier beeld, dat ons in het heden niets kan leren, maar dat het ons mogelijk maakt, misschien te beseffen, wat onze bestemming morgen zal zijn.

U moet begrijpen, dat uw systemen, denkbeelden en idealen in feite alleen maar droombeelden en illusies zijn, maar dat degene, die beseft, hoe deze dromen ontstonden, daaruit steeds weer iets kan leren omtrent eigen juiste benadering van het leven, vandaag en ook morgen. Of je jong bent of oud, of je leeft in de stof of in de geest, je zult moeten groeien, moeten veranderen, steeds maar door, omdat dit de enige wijze is, waarop je waarlijk jezelf kunt zijn. Dit is de enige wijze, waarop de mens kan beantwoorden aan de schepping, die, in haar eeuwige en vaste wetten, ook de wet van voortdurende verandering en de noodzaak tot een steeds voortgaande aanpassing heeft opgenomen. Zonder verandering zou de schepping zelfs statisch en daarmede levenloos zijn.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

In jezelf de waarheid zoeken is natuurlijk mooi. Het is een taak, waarover zeer veel wordt gesproken en zelfs nog meer over gezwetst. Om de werkelijkheid echt te benaderen, zo reëel blijvende en toch aan de andere zijde de mensen niet te veel te ontmoedigen bij hun zoeken naar de innerlijke waarheid, is niet gemakkelijk. Om dit te doen zal men allereerst moeten beseffen, dat de mens geheel eigen denkbeelden heeft omtrent het nut der dingen. Hij wil graag goed leven, maar verwacht dan toch wel iets terug, een loon. Hij wil graag offers brengen, maar bij voorkeur, wanneer de kracht waarvoor de offers worden gebracht, daar een schuldbekentenis tegenover stelt. Een mens wil veel doen voor de naaste of de innerlijke bewustwording, zolang hij maar niet hoeft te denken, dat de resultaten daar, voor hem nihil zullen zijn. Ik had zoëven contact met de eerste spreker en vond in de reacties, die op zijn toespraak volgenden de aanleiding, iets te zeggen over de werkelijke waarden van de esoterie en alles, wat daarmede samenhangt.

Men meent vaak, dat men als mens de dingen alleen doet, omdat er een doel achter schuilt, omdat er een bereiking aan vastzit. Men beseft niet, dat een dergelijke bereiking, zo zij al werkelijk mogelijk is, in de meeste gevallen secundair is, bijkomstig, het is de actie, die het meest belangrijke is. Het is niet hetgeen, wat na het streven zal worden bereikt, dat in wezen het meest belangrijke zal zijn, maar het feit zelf dat je streeft, wat in wezen al belangrijk is. Wie het leven wil beschouwen als iets, waaraan een definitief einde komt, zelfs indien dit in de hemel zou liggen, moet wel beseffen dat het begrip eeuwigheid, dat men zo graag hanteert, dan geen werkelijke inhoud meer heeft.

Zodra ik in mijzelf zoek naar God en meen, dat ik eens een laatste platform zal beklimmen om uithijgend te zeggen, ziezo, dat was dan mijn laatst bewustwording, vergeet geheel, dat God oneindig is volgend de menselijke voorstelling van zaken, zodat in die God of zelfs bij het bereiken van die God nooit een einde kan betekenen van een voortdurend nieuw erkennen van die God.

Het is natuurlijk leuk te denken, dat je iets onmiddellijk, snel en volledig zult kunnen volbrengen.

Maar het volbrengen op zich geeft in wezen – kan men steeds weer ervaren – maar heel weinig en zeer korte tijd voldoening. Wanneer u bezig bent met esoterie en u blijft eerlijk tegenover uzelf, zo zult u toegeven, dat voor elke vraag, die u voor uzelf beantwoord hebt, er een reeks nieuwe vraagstukken oprijst.

Het is, of de waarheid, die wij zoeken te kennen en te overwinnen door haar “eigen” te maken, een soort hydra is: zodra je een stukje waarheid hebt gevonden, zie je daarover weer tien nieuwe feiten die je nog niet kunt verklaren, nieuwe mogelijkheden tot waarheid, erkenning, waarmede men vrede zal moeten vinden. Ik geloof dat de esoterie op de eerste plaats gezien kan worden als een geestelijke erkenning van het altijd voortdurende proces van leven, waarbij ook het innerlijk van de mens voortduren actief moet blijven. Ik meen niet, dat men zonder meer over een uiteindelijke bereiking kan spreken.

Een mens, die herboren wordt, door dat hij een poort van inwijding doorschrijdt, laat zijn vroegere leven achter zich. Dit is een feit. Hij laat de betekenissen, van het verleden achter zich.

Maar hij kan hierdoor nog niet aan de werkelijkheid ontkomen, die werkelijkheid blijft ondanks alles precies dezelfde. En al heeft u nu 20 inwijdingen, indien de werkelijkheid betekent, dat u eksterogen hebt, zo zult u nog steeds eksterogen hebben, tenzij u krachtens de opgedane kennis en ervaring – opgedaan in de inwijdingen – het bestaan van die eksteroog voor uzelf ongedaan maakt.

Dit wil zeggen, dat de inwijding op zich niets oplost, het wil zeggen, dat wij, door hetgeen wij in de inwijding leren, de mogelijkheid tot verdere ontwikkeling en actie, die wij zo krijgen, nu dingen die eens onoplosbaar schenen, wel op kunnen lossen. Maar zelfs als je de eksterogen weg hebt genomen, zal er misschien geestelijk iets vergelijkbaars overblijven, een soort geestelijke eksteroog, die wanneer het geestelijk slecht weer dreigt te worden, begint te steken en u last geeft. Misschien kun je die dan nog niet te lijf gaan door een volgende inwijding, waarbij je leert ook dit op te lossen, maar dan is er wel weer iets anders, wat je nog niet de baas kunt.

Het is moeilijk voor een mens zich voor te stellen, dat de geestelijke bewustwording in wezen iets anders is dan een in geestelijke zin je schaapjes op het droge te krijgen. Toch kun je alles, wat je innerlijk bereikt, moeilijk tellen. Wat men altijd weer over het hoofd ziet, is het feit, dat men zelf verandert, voortdurend verandert. Denk eens aan uzelf terug, zoals u was, toen u in dit leven voor het eerst met geestelijke wijsheid en filosofie in contact kwam. Hoe anders hebt u toen de dingen niet gezien, hoe geheel anders hebt u ze ondergaan, beleefd. U denkt nu misschien dat de geestelijke waarheden en wijsheden zijn veranderd. Maar als u goed nadenkt, blijkt, dat daarvan geen sprake is. Uzelf bent veranderd. U hebt een totaal nieuwe betekenis gegeven aan iets wat nog steeds hetzelfde is. U hebt, of u nu uitgaat van de emotie of van het verstand, een andere benadering gevonden. U bent anders. Het andere bleef gelijk.

In de esoterie worstelen wij eigenlijk met waarheden, die altijd dezelfde blijven. Maar omdat wijzelf groeien en ze steeds uit een ander gezichtspunt bezien, lijkt het ons, of wij vooruitgaan.

Maar gaan wij wel werkelijk vooruit?

Vanuit de eeuwigheid gezien is dit waarschijnlijk niet het geval. Maar zeker is, dat wij het deel van de eeuwigheid, waartoe wij behoren, beter leren kennen. En wanneer je dan, na veel denken, werken en zoeken, verzadigd bent van de geestelijke wijsheid, van alle theorieën en filosofieën, zul je terug gaan denken.

Dan komen uit het verleden bepaalde wensen en wijsheden naar voren, die je in het verleden eens hebt gezocht en erkend. Dan zie je, dat het verleden zich op een andere wijze ordent, je gaat anders leven, je gaat je anders gedragen. Je bent geen ander, maar omdat nu de theorieën en stellingen wegvallen en daarvoor in de plaats een begrip voor de veranderingen in jezelf komt, kun je a.h.w. als een eenheid gaan leven.

Je handelingen, denkwijzen en zelfs voornemens worden dan bewust en erkend getint door de verschillende stadia van ontwikkeling, die je tijdens je bewustwording doorlopen hebt. Misschien zullen velen zich tegen deze stelling willen verzetten. Ik heb ontdekt, dat bij vele mensen een enorme weerstand ontstaat, zodra je de heilige huisjes aanvalt. Wanneer je praat over maatschappelijke orde, naastenliefde, seksualiteit, over wederkerige verplichtingen, over oorlog en vrede, dan zijn er steeds weer mensen, die na je uiteenzetting uitroepen: “Maar zo kan het niet. Dit is onredelijk!” Wanneer wij echter iets werkelijk willen bereiken en in ons zelf een stap verder willen komen op het pad der zelfkennis, zo kunnen wij dit nooit bereiken op grond van illusies en luchtkastelen. Wij zullen steeds terug moeten keren tot de werkelijkheid.

Of dit nu een werkelijkheid is met een geheel verkeerde moraal, een sociale ontwikkeling, die theoretisch mooi is en praktisch faalt of iets anders, maakt daarbij niet veel uit. Wij moeten erkennen dat het beste, wat wij willen, niet gelijk is aan het beste dat wij kunnen.

Zolang wij het beste doen, wat wij kunnen, beantwoorden wij aan onze bestemming. Zolang wij het beste willen, maar daarbij uitgrijpen boven ons kunnen, bereiken wij het tegenovergestelde van hetgeen wij zeggen te willen bereiken.

Indien ik in mijzelf in staat ben de mensen wat beter te begrijpen en wat meer lief te hebben – daar ik meen, dat dit deel van de goddelijke waarheid is – zal ik in mijn misschien zeer eenvoudige beleving ervan veel wijsheid opdoen. Ik zal mijzelf beter leren kennen. Ook op het innerlijke pad zal ik snel vorderen, ook al heb ik geen termen om die vorderingen te omschrijven.

Maar stel nu, dat ik bezig ben een plan te maken over de takken van bewustwording, die in deze tijd voor mij belangrijk zouden zijn.

Al noem ik de namen van de engelen, die de waarheid vertegenwoordigen en omschrijf ik de paden, die ik moet gaan, ik zal niet in staat zijn te handelen volgens mijn kunnen. Ik zal misschien handelen volgens mijn idealen en daarbij te ver gaan, zodat de zaak mislukt. Ik zal in vele gevallen echter zo zeer in mijn theorieën verdiept zijn, dat ik eenvoudig te laat tot handelen kom en daarmede mijzelf elke mogelijkheid tot slagen ontneem.

Jezelf kennen wil volgens mij ook zeggen: Begrijpen wat je waarlijk kunt, begrijpen, niet alleen wat je graag zoudt willen in de wereld, maar wat je in feite van die wereld moogt verwachten.

Jezelf kennen is de dromen inruilen voor de feiten. Het is het inruilen van de illusie, dat je eens als wonderdoende vol ingewijde, door de wereld zult gaan om wonderen te doen voor anderen, voor het besef, dat je nu enige krachten hebt en met die krachten moet werken naar beste vermogen.

Het betekent, dat je je filosofieën over God beter kunt opschorten tot het ogenblik, dat je bewust die God in jezelf beleeft.

Pas wanneer dat gebeurd is, kun je misschien daarover verder enige stellingen vinden. Zolang de filosofie niet voert tot een werkelijk beleven van God, heeft zij echter weinig nut.

Ik weet, dat de mensen dergelijke verklaringen altijd met achterdocht bezien. Het is hen ook zo eenvoudig geleerd. Doe wat de wijzeren, de ouderen, de priesters, de wetenschapsmensen zeggen dat je moet doen en je zult zalig worden, de hemel binnengaan, de wereld beter maken.

Maar is dit wel waar, wat men u voorhoudt?

Is het, concreet gezien, niet zo, dat veel van hetgeen er aan goeds en nieuws in de wereld is, ontstond ondanks hetgeen de priesters, de ouderen, de wijzeren, de wetenschapsmensen hebben gepredikt. Is het niet 9/10 van hetgeen op aarde van werkelijk belang was, geheel buiten het door de theoretici gestelde kader om gebeurd?

Bewust leven is de praktijk niet van je wensen stellingen, maar van je mogelijkheden, vermogens. Dezen bepalen wat je innerlijk bent, wat je voor jezelf innerlijk en anderszins zult kunnen bereiken en zelfs, wat je voor de wereld kunt betekenen.

Een mens, die te veel droomt, verliest het contact met de werkelijkheid. De mens, die te veel zoekt naar de verklaring voor de vele grote problemen, die bestaan, vergeet vaak allereerst de eenvoudige problemen van alledag op te lossen. Wanneer men met een denkbeeld omtrent, eigen grote wijsheid en bereikingen terug tracht te keren tot de praktijk van het leven, zal men maar al te vaak mislukken.

Theoretisch weet u misschien zelfs, dat het mogelijk moet zijn om eigen lichaam geheel te regenereren, te verjongen maar in feite kunt u nog niet eens een kleine verkoudheid de baas. U weet, dat alles kan in theorie, maar in de praktijk kunt u daardoor nog niets. U weet misschien precies, wat God bedoeld moet hebben met zijn schepping, maar in feite bent u niet eens in staat die schepping te zien, zoals zij werkelijk is. Dat is de tragiek van een esoterie, die alleen bij z.g. innerlijk, maar in feite theoretisch streven blijft stilstaan.

Daarom stel ik: Ware esoterie is de praktijk van het leven, waarin men door feiten en ervaringen zichzelf leert kennen en de werkelijke waarden van het leven leert ervaren.

image_pdf