Grimoires

uit de cursus ‘Magie en magiërs’ – maart 1971

Bijna elke grote magiër, echt of namaak, heeft in zijn tijd een boek geschreven, waarin hij in zeer duistere termen de geheimen van zijn magisch kunnen heeft overgeleverd aan zijn volgelingen. Het is begrijpelijk dat deze boeken op den duur erg beroemd werden, juist omdat niemand er iets van begreep. Het onbegrijpelijke is voor velen kennelijk het attractieve element in het magische boek en enkele daarvan zijn tot in deze dagen gangbaar. Wij denken maar aan de man, die zich Albertus Magnus noemde, le grand Albert, die een uitvoerig boek over “La magie rituelle” heeft geschreven dat nog steeds grote aftrek vindt. Andere boeken van wat duisterder bron zijn eveneens erg in zwang. In Duitsland circuleren bv. nog altijd het 5e, 6e en 7e boek van Mozes. Iedereen denkt hier onmiddellijk aan de Tien Geboden, de doortocht door de Rode Zee e.d. Het was echter een heel andere Mozes. Het was een betrekkelijk onbetekenende rabbijn die wat had gedokterd in allerlei soorten magie en die als wij het eerlijk willen zeggen eigenlijk niet al te veel ervan af wist. Juist daardoor werden zijn geschriften zeer duister en kregen ze ook weer rijkelijk aandacht.

De herdrukken van zijn werken (meestal vervalst) doen op het ogenblik opgeld en als ik mij niet vergis, maken ze er prijzen voor van honderden guldens per boek. Als u het voor een koopje wilt hebben, kunt u misschien een z.g. facsimile druk krijgen die sterk verkort is en waarin nog meer duistere dingen en veel minder reële waarden staan.

Wat is nu het kenteken wan een dergelijke grimoire? De magiër gebruikt een eigen geheimtaal. Deze geheimtaal ontleent hij meestal aan bepaalde filosofische stelsels. Wij kennen in de moderne tijd bij de nog in zwang zijnde grimoires, terminologieën die zijn afgeleid van de kabbala en de alchemie. Maar in het verre verleden bestonden deze dingen ook. En nu denk ik aan het fabuleuze boek van Thoth, waarover wij al eens meer hebben gesproken.

Het boek van Thoth nl. is lange tijd in omdoop geweest en naar ik meen is de laatste volledige kopie daarvan verbrand in Alexandrie. Het was een voor die tijd zeer uitvoerig geschrift, bestaande uit 9 rollen, ofschoon het eigenlijke boek heette te bestaan uit twee bladen of rollen.

Thoth was de god van de dood. Men zou dus kunnen zeggen dat de magie die onder die naam in omloop werd gebracht, eigenlijk doodsmagie was Ga je na wat er precies allemaal in staat, dan blijkt dat je de geesten kunt oproepen die tot taak hebben de verschillende poorten van het hiernamaals te bewaken. Je kunt bepaalde doodskrachten uitzenden naar een ander. Je kunt voorspellen. Je kunt de geesten oproepen, vooral de Ba. De geest zou men hier zeggen, het astraal dat dan verplicht is te antwoorden. Dergelijke verhalen zijn er te over. Het systeem was eenvoudig het geloof van die tijd.

Als een mens sterft en zijn lichaam is verduurzaamd, dan is dit een voortdurend contactpunt voor elke kracht, die verder tot hem be­hoort, een astraal lichaam, dat wij geest noemen of zelfs zielekracht. Wie dit lichaam weet te hanteren, heeft dus kans in contact te komen met die kracht. Omdat het lichaam alleen misschien te moeilijk is, zegt men al heel snel: Elke gelijkenis met het stoffelijk wezen, al dan niet symbolisch, is een centrum van aantrekkingskracht voor de delen die bij de persoonlijkheid behoren. Op deze manier heeft men eigenlijk een soort brug willen bouwen tussen een hiernamaals en deze wereld om daarbij een aantal hemel en hellegeesten a.h.w. onder zijn bevel te krij­gen. De beloften die men dan ook doet in het boek Thoth dat je de he­melen en de aarde kunt uitblussen e.d., zijn ergens verantwoord, indien wij nl. de filosofie van de gebruiker buiten beschouwing laten en het werkelijke scheppingsgeheim in onze beschouwing opnemen.

Het scheppingsgeheim wordt in de boeken van Thoth ook onthuld. Wij spreken dan van de kracht der goden. Tegenwoordig zouden we zeggen: energie. Het verhaal gaat dat alles is opgebouwd uit de kracht der go­den. Wie de sleutel van die kracht kent, kan alles ontbinden. Denkt u maar aan wat men tegenwoordig in de atoomchemie heeft geleerd. Daar kan men ook alles ontbinden of omvormen. Het is dus helemaal niet zo’n vreemde stelling. Ze was in die dagen hoogstens vreemd. Een dergelijk boek zak natuurlijk heel veel hiërophanten, vereerders en volgelingen aantrekken. Het resultaat daarvan is de zgn. mystieke boeken van Her­mes Thoth, een hele serie geschreven door verschillende schrijvers onder dezelfde naam.

Gaan wij wat verder kijken, dan blijken die Egyptische ideeën een sterke invloed te hebben op bepaalde Grieken. Maar ze dringen ook door naar de andere kant. Ze komen zelfs in India terecht.

India heeft een eigen geloof, een eigen magische levensbeschouwing, waarin een verdeling van goden voorkomt die voor de Egyptische magie bijna passend is, want er zijn allerlei hogere en lagere goden die je kunt oproepen en bezweren. Er zijn vernietigende krachten, er zijn red­dende kracht en bovendien gelooft men ook daar dat de dode op een ge­geven moment te bereiken is. In die magie is het wel opvallend dat men daar alleen overgaat tot het oproepen binnen een maand na de dood of zolang het lijk boven aarde staat. Dat verschilt nog weleens. De bezweringen zijn dus wel aangepast, maar ook hier zijn er allerlei mensen die boeken daarover schrijven. En omdat zij nu geloven in krach­ten, die o.m. komen uit de zon, uit de natuur, uit een soort algeest die op bepaalde punten bijzonder kenbaar is, die eigen planten en dieren voortbrengt die speciaal aan hem gewijd zijn, die eigen kleuren hebben, is het heel begrijpelijk dat die magie hier uitloopt op een enorm gebruik van symbolen. Daar staat echter tegenover dat enkele van die magische boeken ook recepten geven die opvallend zijn.

Bijvoorbeeld; Als je werkt met een prisma, waarin het zonlicht wordt gebroken en je kunt daaruit één bepaalde kleur filteren, dan kun je met die kleur b.v. stof impregneren en daaraan eigenschappen geven. Niet alleen een kleur, ofschoon die vaak als het belangrijkste kenteken wordt genoemd, maar ook krachten die wanneer men een kledingstuk uit die stof vervaardigd draagt, dit levenskracht, wijsheid of iets anders zou moeten geven,

Uit Azië komt het geloof dat je met bepaalde giften die je van te voren hebt behandeld, mensen heil of onheil kunt brengen,

In India is in de magie nog steeds vereist dat er aanvaard wordt. In de magie is aanvaarding trouwens altijd wel een belangrijk punt. Wij kennen in de Servisch Kroatische magie zelfs de drievoudige aanvaar­ding die later met het geloof aan Dracula etc. bovendien is overge­waaid in de richting van Engeland, waar ze bij de latere magie ook invloed heeft gehad.

In de boeken van India komen mooie overleveringen voor Er staat bv.: Neem een bepaalde plant gewijd aan een zekere kracht of bezield door een zekere kracht, een deel van een dier ook weer door een zekere kracht beïnvloed, voeg die beide samen met een voorwerp dat heeft be­hoord aan de persoon die u wilt bezweren, plus een voorwerp dat het doel van het geheel omschrijft. Het is dus een pakketje. Als je iemand bv. wilt helpen bij het leren, dan zal er een bepaalde plant in zitten, een stukje van een dier, maar ook een potlood en misschien een haar­lokje of wat nagelknipsel van de persoon in kwestie. En dat werkt. Nu weten wij dat zo iets werkt door de kracht van de magiër.

In de grimoires hoor je daar niets over. Die stellen dat de macht die je schept, een zelfstandige is. Het is duidelijk dat veel van de re­cepten die worden gegeven voor het gebruik van planten nog zinnig zijn ook. Als je zegt dat een bepaalde kwaal een aanval is van een demon en dat je die bestrijdt met het sap van een bepaalde plant, dan doe je eigenlijk niet anders dan een Bretonse boerin die iemand die verkouden is onmiddellijk een tisane (kruidenthee) komt brengen. Dus zin en onzin lopen vaak heel sterk door elkaar.

Dat wordt nog veel sterker, als wij iets verder naar het noorden gaan. Daar krijgen wij te maken met de Chinese magie. Nu moet u één ding niet vergeten. Het geloof van China is altijd tamelijk vaag geweest. Een werkelijk eigen Chinese filosofie over het leven hiernamaals is er eigenlijk niet. Er is wel een denkwijze omtrent een parallel van het stoffelijk leven dat elders zou bestaan. Maar deze parallel is er in rangen en in allerlei andere delen van structuur en sociale samenhan­gen en alles wat erbij komt zo gelijk aan de menselijke wereld, dat je hoogstens van een wereldprojectie en niet van een werkelijke hiernamaals­voorstelling kunt spreken. In de magie nu heeft men geprobeerd inhoud te geven aan een te vaag beeld. Het gaan naar de bronnen van de Gele Rivier, het doodgaan en het eventueel terechtkomen in het Hemels Kei­zerrijk. Men heeft daar nl. het hof genomen zoals China zelf dat al ken­de. Vermoedelijk is dat ontstaan in het begin van de Mantsjoe dynastieën, omdat men eigenschappen toekende aan bepaald raadsheren, die eigen­lijk pas van kracht zijn geworden toen de Mantsjoe ‘s China hadden ver­overd. Een deel van hen wordt demonen genoemd. Vreemd genoeg worden an­deren ook als eneuchen voorgesteld, mogelijk wel omdat dit in China ook het geval was. (In de verboden stad waren na een bepaald uur alleen nog de eunuchen aanwezig plus de vorstelijke personen). Dezen hebben dan meestal weer een goede invloed. Zij worden niet voorgesteld, zoals in de Indische magie, als onmiddellijke bedrijvers van iets. Ze zijn eerder de­genen die adviezen geven. Zij adviseren de keizer (dat kan die van het oosten, het westen, het noorden of het westen zijn, het kan de grote Hemelse Keizer zijn en zelfs nog een paar anderen ook om een bepaalde kracht te laten ingrijpen). En dan stelt men zich voor dat deze zijn sol­daten zendt (die op zichzelf geen goden of demonen zijn) en die werken dan weer samen met spookwezens en geesten wezens die op aarde leven.

Interessant is hierbij, dat in deze Chinese grimoires (zo mag ik ze toch wel noemen) een sterke tegenstelling wordt geponeerd tussen de Witte Draak en de Rode Draak. U zou waarschijnlijk denken dat de Wit­te Draak aan de hemel staat, maar dat is niet waar. Het is de Rode Draak, die aan de hemel staat en het is de Witte Draak (in bepaalde westerse versies ook wel de donkere of Zwarte Draak genoemd), die resi­deert in het ingewand van de aarde.

De magiër kan de grote Rode Draak, de draak van de vreugde, alleen bereiken met woorden incantatie en invocatie. Maar als hij naar de slechte kant gaat, moet hij zich door drank en bepaalde gezangen in een roes brengen en treedt dan voor de Witte of duistere Draak. Deze dwingt hij dan, terwijl hij geestenzwaard en geestendolk in de hand houdt, a.h.w. om zijn wens te aanhoren. Als die wens slecht genoeg is, wordt hij zeker vervuld, mits de magiër moed genoeg heeft om zijn terugweg veilig te stellen. Een interessant verhaal.

De situatie wordt anders, als wij te maken krijgen met de grimoires die ontstaan tussen 1400 en 1700, vooral in West Europa. Hier is eigen­lijk geen sprake meer van werkelijk magische boeken. De recepten, die worden gegeven doen natuurlijk nog wel denken aan de magie, ze staan er soms mee in verband, maar er is hier langzaam maar zeker een zekere esoterische filosofie gegroeid. Er is een natuurgeloof dat langs aller­lei vormen-werelden als een soort pseudo wetenschap terugkomt. Al die elementen worden nu met elkaar verenigd. De situatie is daar ongeveer als volgt.

Driekwart van de grimoires die worden geschreven zijn zgn. grijs. De naam zegt het al. Ze bevatten een aantal recepten die eigenlijk thuishoren in de kruidkunde. Daarnaast bevatten ze het vervaardigen van allerlei dranken, sommige onschadelijk, andere minder onschadelijk, waarmee men alweer iemand kan bereiken. Het is dus een soort primitie­ve farmacie. Dan vinden wij daarin oproepingen. Dit zijn zuiver ri­tuele kwesties en hebben een kerkelijk karakter. Bij de magie van het Oosten is dit kerkelijke karakter veel minder sterk onderstreept. Daar is de bezwering iets dat eigenlijk alleen staat tussen de magiër en degene met wie hij contact opneemt. In Europa heeft men langzamerhand de kerk erbij gevoegd en wij vinden elementen van de katholieke eredienst in een groot gedeelte van die riten terug. Het is begrijpelijk dat dergelijke grimoires juist door hun vreemde stelling aanleiding zijn geworden tot het ontstaan van de zg. zwarte boeken.

Zwarte boeken zijn er op de wereld maar heel weinig. Er schijnt er een geschreven te zijn in de Engelse taal. Er wordt een viertal genoemd die in Frankrijk zijn geschreven, ik meen alle oorspronkelijk in het Latijn en later vertaald. Dan spreekt men over nogal wat Italiaanse werken uit die tijd en enkele werken die oorspronkelijk schijnbaar in het oude schrift van Israël werden opgetekend en die men toeschrijft aan de joden of aan de moren. Deze boeken zijn nooit volledig vertaald. Daarover kunnen wij dus verder weinig zeggen. Laten wij eens proberen na te gaan hoe de re­ceptuur werkt. Ze is in feite eenvoudig genoeg.

Als iemand verliefd is en hij wil wederliefde vinden, dan kan hij naar de magiër of de heks gaan. De heks maakt een drankje klaar, waarin iets van de persoon zelf is verwerkt. Soms zijn dat heel onsmakelijke be­standdelen, maar ook volstaat men wel met bv. een druppel bloed of een traan. Daaraan worden enkele wat opzwepende dingen toegevoegd, zoals de spaanse vlieg met al zijn schadelijkheid die wel degelijk in vele lief­desdranken werd gebruikt. Op deze manier krijgen wij a) zelfverzekerdheid bij degene die liefheeft, b) een toestand van opgezweept zijn bij degene, die wordt bemind. De kans is groot dat het optreden van degene die liefheeft, de beminde op dat moment werkelijk tot contact kan brengen. Dat zijn op zichzelf heel aardige dingen.

Met de rituelen wordt het al veel moeilijker. Een van die rituelen schrijft o.m. voor dat je natuurlijk eerst begint met baden, je vast 48 uur, daarna trek je een nieuw gewaad aan dat alleen voor magie gebruikt wordt, je neemt uit je kist je zwaard, je dolk (in Europa hoort dat er­bij) plus de toverstaf. En met deze bestanddelen ga je naar een muur die blank moet zijn, meestal op het Oosten. De muur wordt op het juiste ogenblik dat wordt bij horoscoop bepaald met de toverstaf aangeraakt en men tekent daarop eerst met symbolen (met gebaren a.h.w.) meestal een kruis, waarvan de bovenste balk gehoornd is. Soms tekent men ook de horens onder het kruis, het ligt er aan wat men gaat doen.

Daarna wordt er een offer gebracht. De magie van Europa heeft het erg op met bloedoffers en de uitsprak van Goethe “Blut ist ein ganz besonderes Saft” moeten wij hier dan ook wel zien als een uiting van al­le magisch denken. De offers zijn soms een muis, dat zijn waarschijnlijk de goedkope magiërs. Dan kunt u beschikken over een zwarte kat, een zwarte baan, in enkele gevallen ook een lam zonder smet. Onder de offerdie­ren komen ook nog voor duiven en adders. Het bloed, het lichaamsvocht, wordt over een altaarsteen uitgegoten en daarna begint men met invoca­ties die wel heel veel doen denken aan een misoffer. De eerste is nl. een verklaring van de eigen intentie; Hier ben ik. Zelf ben ik niet waardig en niet machtig, maar ik beschik over middelen van macht (waar­bij dan meestal ook het zwaard en de dolk tijdelijk op de altaartafel wor­den gelegd). Dan wordt een geest met naam geroepen en men beweert dat deze dan verschijnt op de muur waar de magische stok de symbolen heeft getekend en waar ze overigens vaak ook nog symbolisch zijn aangebracht.

Nu is de grote moeilijkheid dat men op dit ogenblik een bescher­ming nodig heeft voor zichzelf en de aanwezigen en dat men aan de an­dere kant de geest niet mag afstoten. Want het contact met deze geesten is in die magie “kerkelijk” het is een soort aanbiddingsgeschiedenis. Het resultaat is dat er een lijn wordt getrokken. “O, Heer, wij trekken deze lijn en zullen deze niet overschrijden, opdat wij Uw grootheid, waar­digheid enz. niet krenken.” En als ze dat hebben gedaan, komen ze ter ­zake.

In de meeste gevallen belooft men bepaalde offers of daden te vol­brengen in ruil waarvoor de entiteit die men heeft opgeroepen, ook iets moet doen. De daden, die men belooft, worden altijd wel verricht, maar de resultaten blijken heel vaak uit te blijven, omdat men doodgewoon de juiste techniek niet bezit. Want het gaat natuurlijk niet in de eerste plaats om het werkelijk ritueel voltrekken van de actie, het gaat in de eerste plaats om een werkelijke invocatie. Er moet een werkelijke op­roeping zijn en daarna komt een verschijning. Pas als er een verschijning is, krijgt de rest zin. Indien dat niet wordt begrepen, krijgen we de meest krankzinnige situaties. Denkt u maar aan de verhalen van o.m. blauwbaard.

De geschiedenis van de magie gaat verder en wij krijgen te maken met de zeer ingewikkelde vormen van mechanische magie. In de tijd dat een mechaniek iets nieuws is, althans niet veel wordt gebruikt, is het dui­delijk dat het mechanisme boeit. Men maakt nu o.m. een duivelsklok (in de buurt van Mirtenberg) waarin bepaalde demonen achtereenvolgens me­chanisch tevoorschijn komen. Nu is de hele kwestie; men moet op het juiste ogenblik het juiste reukwerk aansteken, zodat het gedurende de passage brandt. Het mechaniek komt na verloop van tijd tot stilstand (het loopt gewoon op een snoertje met een gewichtje eraan) en de demon die er dan voor staat verschijnt. Het is duidelijk dat dit kolder is.

In de magie van andere volken vinden wij ongeveer hetzelfde. Er is altijd een altaar, er is altijd een ritueel. Waarom zijn die gri­moires dan eigenlijk gelijktijdig belangrijk en gevaarlijk?

Ik heb u al verteld, dat men een geheime taal gebruikt. Die geheim­taal moet eerst worden overgeleverd d.w.z. mondelinge overlevering. Iemand die zo’n boek leest en niet weet wat bepaalde begrippen bete­kenen, weet ook niet wat hij moet doen. Als er op een gegeven ogenblik wordt gezegd dat men een kaars moet doen walmen met sulfer, dan vraagt men zich af; Hoe wordt dat gedaan? Heel eenvoudig. sulfer wordt hier gezien als levensadem. Met andere woorden men blaast over een branden­de kaars, zonder deze te doven, in de richting van een vuur­korfje waar bepaalde kruiden gedaan zijn.

Een ander, even typisch voorbeeld: Men heeft nodig vet van een gehangene. Ik wist niet dat je vet werd van het hangen. Maar sommigen hebben dat geloofd en zelfs grafschennis gepleegd om aan dat vet te ko­men. Maar de gehangene is ook nog de ingewijde. Vet is substantie, zalf of in sommige gevallen smeersel. De ingewijde kende bepaalde recepten en daaronder waren het rode, witte en zwarte poeder wat ook in de cel­chemie veel werd gebruikt en tevens wat men noemde, de olie. Dat was gewoon gewijde olijfolie. Als je dus vet van een gehangene nodig had, dan had je alleen maar een druppel van die op een bepaalde wijze geladen olijfolie nodig. Het is geen wonder dat zoveel mensen met heel veel moeite zo weinig hebben bereikt.

Even vreemd is al het voorschrift dat op een gegeven ogenblik wordt gegeven, nl. Hef de ongeborene en breek hem. Dan denken de mensen Nou, nou, een ongeboren kind te pakken krijgen en dan nog in stukken breken. Het betekende gewoon neem een ei en breek het, zoals in een receptenboekje staat. Ik noem nu maar een paar van die misleidende uitdrukkingen. Als u ooit een grimoire of een boek over magie zult tegenkomen, dan weet u wat er aan de hand is

Eveneens vreemd is het gebruik van diersymbolen. Er wordt gezegd, dat u een veer moet hebben uit de vlerk van een vliegende raaf. Nu is het in de eerste plaats de vraag. Hoe krijg je een vliegende raaf te pakken, terwijl je hem al vliegend een veer uit zijn vlerk haalt? Hij zou misschien uit de lucht kunnen komen vallen. Maar is het dan een vallende veer van een vliegende raaf? Het is veel eenvou­diger; Raaf is omen (voorteken). Als je in deze bezwering, die tegen onheil gaat, resultaat wilt bereiken, dan moet je weten welk onheil er aan de gang is. Vervolgens moet je een voorwerpje nemen dat met het onheil verbon­den is (als het een zieke is, desnoods een haar van die zieke en dat is dan die veer van de vliegende raaf). Ook een duif wordt heel vaak genoemd. Die duif heeft er echter niets mee te maken, en ook niets met de heilige geest. De duif staat voor een bode en vaak ook voor inspira­tie. Dus men dient inspiratief te reageren op een bepaald moment. Het is verbluffend als je ziet hoe handig ze dat allemaal hebben weten weg te moffelen.

Als men u bv. vertelt dat u een steentje nodig heeft dat zeven maanden de vollemaan heeft gezien op een kerkhof (dit geval komt voor in een Duitse grimoire), dan zult u waarschijnlijk een steentje zoeken en na zeven maanden gaan kijken en denken nu is het machtig. Helemaal niet De vollemaan staat voor Isis, staat voor Pan, staat voor de gereflec­teerde goddelijke kracht, dus voor bepaalde engelen. Het steentje is in dit geval niets anders dan een soort amulet, dat geladen wordt door het gedurende zeven maanden (en dan begint u met de feestdag van St. Johan­nes en telt vandaar verder, elke avond in te stralen onder aanroeping van de 7 Heren van de Uren. Er zijn nl. 7 Heren die de Uren samen rege­ren. En omdat er 24 uren in een dag zijn, zijn er altijd een paar die per dag overwerk malen

De situatie zou belachelijk zijn indien de mensen niet hadden ge­meend dat al die aanwijzingen werkelijk zouden zijn. Als er staat dat je op de maagd het offer moet brengen, dan zijn er werkelijk mensen die zeggen: Dan moeten wij dus een maagdelijk meisje te pakken krijgen, houd haar vast aan armen en benen op het altaar en daar boven offer je de haan of wat het ook moet zijn. Maar de maagd heeft hier niets te maken met een vrouwelijk kind. Het heeft alleen te maken met het sterrenbeeld ‘de Maagd’. Het is dus een tijdsaanduiding.

De meest krankzinnige riten hebben zich voltrokken aan de hand van niet begrepen grimoires. En je zou je misschien afvragen waarom de magiërs niet hebben beseft tot wat voor onzin hun rituelen, aanduidingen en ook hun recepten, die heel vaak eveneens op de een of andere manier waren gecamoufleerd, zouden leiden. Ik geloof dat het in de eerste plaats voortkwam uit de enorme eerbied, die de magiërs zelf hadden voor hetgeen zij bereikten. En zelfs indien hun magie geen echte magie is ge­weest en dat is heel vaak voorgekomen, zo moet men zich realiseren dat zij gebruik maakten van allerlei roesopwekkende middelen en dat zij in die roes vaak goddelijke of ook demonische realiteiten meenden te con­stateren dat ze in contact waren met geesten. Echt of niet echt, dat doet niet ter zake. Voor hen was dit heilig. En alle onheil in de wereld zouden ze gemakkelijk op de koop toe hebben genomen, indien zij de ontwij­ding door niet bevoegde personen van dit heilige maar zouden kunnen ver­mijden.

Het is natuurlijk heel aardig om te zeggen; Er zijn altijd heksen­mythen e.d. geweest. Heksen waren in feite natuurvereerders. Vele van hun heksenrecepten zijn niets anders dan recepten van kruidkunde. En heel veel van de daaraan toegevoegde elementen (bv. het vet van een pasgeboren kind e.d. dingen meer) zijn eerder onder invloed van de Heksenhamer in de receptuur terecht gekomen dan dat ze werkelijk uit de overlevering van de heksen zelf voortkwamen. Maar het heilig zijn van een geloof, dat kunt u zich wel voorstellen. Praktisch iedereen die een grimoire heeft geschreven, geloofde intens in de betekenis van hetgeen hij deed, in de grootheid van de machten waarmee hij in con­tact kwam. Hij geloofde wel degelijk in de grote en m.i. vaak zeer reële gevaren die het oproepen van bepaalde geesten met zich bracht. Hij wilde eenvoudig voorkomen dat de wereld geteisterd zou kunnen wor­den door ongebonden demonen die zo maar zouden losbreken. Alleen in­gewijden waren in staat tot het oproepen van geesten. Een ingewijde ken­de de betekenis van de gebruikte termen. Dus ze hadden wel reden om het zo te doen.

De situatie wordt steeds moeilijker, want met al die oude en vaak volkomen verkeerd begrepen aanwijzingen, gaan nu ook de mensen van de 19e eeuw werken. De 19e eeuw kenmerkt zich, zoals u weet, door een op­leving van wat men occultisme zou kunnen noemen. Het mesmerisme wordt een modeziekte. Het spiritisme doet opgeld. Daarnaast herleeft de magie. Er zijn grote magische kringen, o.m. in Engeland. En een van die magiërs, Bulwer Lytton, schrijft zelfs een paar romans. Hij was misschien wel geen groot ingewijde, maar ingewijde was hij toch wel. Deze mensen hebben de neiging om alles volgens moderne termen te vertalen en dat betekent dat bv. in de theosofie, het spiritisme in het begin een heel grote rol speelde. Omgekeerd betekent het dat de theosofie een heel grote rol gaat spelen in allerlei magische interpretaties in het begin van de 20e eeuw.

De techniek gaat verder en de wetenschap vindt verklaringen. Plotseling worden de golven van goddelijke kracht nu vibraties. Ik noem maar een voorbeeld. Men probeert alles om te vormen en te vertalen. Zo komt men ook tot het opnieuw vertalen van bepaalde grimoires. Er bestaan in deze tijd ofschoon ze niet algemeen toegankelijk zijn gemoderniseerde versies van o.m. ‘Le grand Albert’ die ik u heb genoemd en vele anderen.

Van de boeken van Mozes bestaan er ook gemoderniseerde versies, evenzo van de geheimen van Rabbi Solomon. Terwijl de oude versies ge­meengoed zijn geworden, is er een nieuwe vorm van grimoire aan het ont­staan, waarin het magisch recept a.h.w. aan het redelijk denken wordt onderworpen. De rite wordt voor het grootste gedeelte teruggebracht tot haar symbolische betekenis. Ze wordt beschouwd als preparatief en niet op zich oorzakelijk en vandaaruit komt dan vanzelf de technische bezwering. En nu niet meer in de vorm van allerhande mechanische werk­jes, zoals wij dat heel sterk hebben gezien in Duitsland, in een deel van Zwitserland en in Noord Italië. Neen, men komt nu zuiver tot het overbrengen van bepaalde regels die men in de natuur heeft ontdekt en van bepaalde wetjes die men bij wijze van spreken in de vroegere fa­brieken heeft ontdekt t.a.v. aandrijving en die eenvoudig te koppelen zijn aan het magisch gebeuren.

In de nieuwe magie is de geest (eigenlijk de demon) aan de ene kant vager geworden, hij is minder reëel. Aan de andere kant is de macht die hij uitstraalt, veel groter. In die tijd zei men; Het is de kracht van elektriciteit. In deze tijd zal men waarschijnlijk zeggen: Het is atoomkracht.

De totaal nieuwe kringen die ontstaan, hebben ook behoefte, even­als de oude magiërs, aan hun geheimschrift. Maar ze kunnen dat geheim­schrift niet meer in de oude termen gebruiken. Het zou ofwel belachelijk zijn, dan wel toch nog te begrijpelijk en te gevaarlijk. En zo komen zij tot het gebruiken van bepaalde esoterische, soms theosofische of anthro­posofische formules en daarin vermommen zij dan weer hun magisch denken.

Er zijn schrijvers geweest (o.a. enkele in Rusland) die hebben ge­probeerd om zelfs een nieuw model van het heelal te geven, waarbij alle betekenissen van magische aard werden ontrafeld, de betekenis van de Tarot opnieuw werd geformuleerd en al die dingen meer. Daarmee zijn ze lang bezig geweest. Onder hen zijn er twee geweest, ik zal de namen niet noemen die een dergelijk model hebben gebruikt als dekmantel. In de vorm van een filosofische verhandeling, onder het mom een nieuw denkbeeld over de wereld te geven, brengen zij in feite recepturen. Zij vertellen weer hoe je iets kunt bereiken, maar ook zij beperken zich tot hun ingewijden. Die ingewijden vormen echter in tegenstelling tot vroeger, toen een groot magiër misschien drie of vier werkelijke leerlingen had, groepen en deze groepen zijn het die de magie langzaam maar zeker ombuigen in de richting van de psychologie.

Het is typerend dat in deze tijd de oude magische riten nog steeds bestaan, maar dat een groot gedeelte van de toepassingen en de recepturen direct met de psychologie samenhangend in psychologische termen wordt uitgedrukt. Over het algemeen wordt ook toegegeven dat zij in de eerste plats op suggestie en hypnose berusten en pas daarna op reële werkin­gen.

Er blijft ons nog een laatste deel van deze magische vernieuwingen over. Het zijn de zg. grote genezers. Er zijn er heel wat geweest. In sommige landen zijn ze gehinderd en geëlimineerd. In andere landen zijn ze vereerd of eenvoudig zakenmensen geworden. Deze grote genezers hebben ook heel mooie theorieën. De een werkt met oude indiaanse medi­cijnmannen, de ander vindt Indiërs attractiever en maar heel zelden houdt de een of andere oude overleden dokter spreekuur. Deze mensen genezen werkelijk. Ze zijn in staat in vele gevallen ongeneeslijk geachte kwalen in zeer korte tijd sterk in symptomen te doen afnemen en in sommige geval­len zelfs ook medisch op te heffen.

Hun techniek bestaat uit concentratie. Het is alsof die psycholo­gische werking zich heeft doorgezet in de richting van: wat ik ken en anders zie, wordt anders. Het “voor mij” laat men eenvoudig buiten beschouwing. Omdat men voor zichzelf die mogelijkheid tot verandering niet aanneemt, werkt men met allerhande projecties, waarbij het helemaal niet belangrijk is dat het projecties zijn, want dat weet de genezer zelf meest­al wel, maar het is wel belangrijk voor hem dat hij gelooft dat zij een macht representeren.

Als hij de naam van een dergelijke beschermgeest noemt na kennis te hebben genomen van twintig brieven over allerhande kwalen, dan is hij er eerlijk van overtuigd, dat het aanroepen van die macht (dus het geven van het machtwoord) bepaalde vibraties losmaakt (daar hebben wij het woord weer!), die al die patiënten zullen bereiken en genezen. Is het zelfbegoocheling? In vele gevallen wel. Is het soms bedrog? Ik ken zo’n geval dat een zoon van een werkman magiër wordt in deze zin, dus een groot genezer. Op het ogenblik bezit hij een drietal buitenhuizen met aanmerkelijk grondbezit daaromheen, laat eigen bussen rijden van en naar enkele grote steden om de patiënten aan te voeren en zegt daarbij te leven van collecten. Ze moeten dan toch wel aardig wat opleveren!

Ik geloof niet dat je van deze man kunt zeggen dat hij volkomen eerlijk is. Aan de andere kant kun je toch ook niet zeggen dat hij hele­maal oneerlijk is, want hij gelooft dat hij werkelijk mensen kan genezen en doet dat een enkele keer ook. Hier ligt het bedrog eigenlijk in het hoop­geven aan velen, opdat je enkelen kunt helpen. Naarmate zo iemand deze manier van werken doorzet, worden de resultaten minder. Dat is een vreemd verschijnsel. Misschien zou je over deze modernste magiërs kun­nen zeggen dat zij gedragen moeten worden door hun geloof, ook ten aan­zien van hun eigen onbaatzuchtigheid, hun werkelijke behoefte om de men­sen te helpen. Het is een omstelling van het eigen “ik”. Die omstelling bewerkstelligt dan kennelijk ook overdracht van krachten en het vermo­gen krachten over te dragen.

Misschien kunnen wij teruggrijpen naar een oude filosoof, iemand uit de tijd van Solon, die rustig zei; “In mij is de kracht. En ziet, zo ik zeg, deze kracht heb ik, is deze kracht in alle dingen. En zo ken ik alle dingen in de kracht en ik werk vanuit haar in alle dingen.” Een beetje cryptisch misschien, maar het komt hierop neer;

Ik heb in mij een kracht. Als ik die op de juiste manier zie en beleef, dan is ze zo kenbaar voor mij in alle dingen dat ik eenvoudig, omdat ik ook die kracht ben of er deel van ben, alle dingen kan veran­deren volgens mijn wensen, mits ik blijf binnen de perken van die kracht. Het lijkt mij een aardige omschrijving van al hetgeen die magiërs hebben getracht te doen.

Je kunt natuurlijk zeggen dat hun recepten in vele gevallen niet dwaas waren. Dat is inderdaad zo. U weet dat sommigen van hen koorts­werende middelen gebruikten. Anderen gebruikten hallucinogene stoffen die zij via zalven of dranken aan anderen gaven en waarmee ze hen hele visioenen lieten beleven. Ze hebben heus wel dingen die werken. Maar is niet het belangrijkste dat zij in zichzelf geloven? Het in zich­zelf geloven, is het werkelijke kenmerk, naar ik meen, ook van de grote magiër. Iemand die volledig op zichzelf vertrouwt en in zichzelf ge­looft, beschikt werkelijk over grote krachten. De geheimen die hij vindt, meestal volgens zijn eigen geneigdheid, uit zijn eigen wijze van leven, zullen dan voor hem de kentekenen worden van een geheiligde kracht. Het symbool van het contact met een geheiligde wereld. En vandaaruit is de stap naar het geheimschrift, naar de zorgvuldige overlevering van details niet zo groot meer.

In uw dagen bestaat de mogelijkheid dat u met grimoires in aanra­king komt. Ze zullen waarschijnlijk anders heten. Of ze rituele magie be­handelen of natuurmagie, of ze het eenvoudig hebben over de simpele me­thode van mudra (gebaar) en eventueel het woord gebruiken om kracht op te wekken of misschien nog eenvoudiger, u brengen tot het innerlijk contact met bepaalde geesten en grote krachten, ze hebben allen een ding gemeen, ze zijn niet volledig waar, omdat ze geheimtaal gebruiken. Maar als u ze leest en al die onmogelijke details nu eens even verwaar­loost, al die recepten even terzijde zet, dan blijft daarin mogelijk ook voor u toch iets over van het inzicht dat je door het geloven in jezelf enorm veel kunt bereiken en dat als dit geloof misschien middels de projectie van een grote geest of van een beschermer de grenzen van het menselijk mogelijke overschrijdt, ook de daad, de beïnvloeding die van je uitgaat, het schijnbaar onmogelijke mogelijk kan maken.

Ik hoop dat u uw belangstelling voor magie en magiër zult rich­ten op het gebruik van de juiste technieken. En ofschoon wij al meer­malen hebben geprobeerd u een beeld te geven van de juiste technieken, wil ik er nog enkele opsommen.

In uw wereld dient u zich te beperken tot een minimum aan ritueel.

Zowel in uw wens (dus uw projectie) als in uw methode om die projectie op te wekken en waar te maken, dient u zoveel mogelijk uw natuurlijk gedrag te volgen en uw natuurlijke persoonlijkheid te gebruiken.

Een intens denken aan hetgeen u wilt, een vertrouwen in de mogelijkheid op deze wijze iets waar te maken, is noodzakelijk. Maar als u hiervan gebruik maakt is een lange duur vaak overbodig. Een korte concentratie is vaak het best.

Alle recepten zijn gevaarlijk, omdat u niet precies weet wat met de genoemde bestanddelen, in feite wordt bedoeld. Daarom dient u niet te werken met de recepten van oude magiërs. In vele geval­len zult u echter ontdekken dat het eenvoudig instralen van water, het samenvoegen misschien van enkele bestanddelen een even juiste en goede werking kan hebben. Een mens kan vaak zijn eigen medicijnen, zijn eigen tovermiddelen samenstellen, indien hij daar­bij maar geen gebruik maakt van stoffen die hem bekende gevaarlijke werkingen hebben. In dat geval gaat u de kant uit van de gifmengerij en waar dat toe kan leiden, hebben o.a. de gifmengsters van Pa­rijs wel bewezen.

Blijf bij het eenvoudige. De stand van de sterren kan invloed heb­ben. Realiseer u dat als u wind mee hebt, u harder kunt fietsen dan als u wind tegen hebt. Dat geldt ook in de magie. Zijn de kosmische stromingen, de krachten rond u in overeenstemming met hetgeen u wilt doen, dan heeft u natuurlijk meer kans te slagen. Het is niet zo dat een bepaalde stand van de sterren een slagen waarborgt. Het is slechts zo dat die stand de grootste mogelijkheid tot snel slagen geeft. Als u dit alles heeft verwerkt, kan ik alleen maar dit zeggen;

U maakt in het dagelijks leven, zonder het te weten, duizendmaal gebruik van iets dat in feite magie is. Waarom zou u het niet bewuster doen? Waarom zou u voor uzelf dit magisch werken en leven niet een beet­je losmaken van de al te ingewikkelde en versleutelde oude grimoires, die nog voor zovelen het beeld van alle magie schijnen te bepalen.

Dodenmagie

Er zijn een aantal riten op deze wereld, waarbij de doden een grote rol spelen. Wij kunnen hierbij denken aan de praktijk van de zombie, in feite iemand die verdoofd is en blijvend hersenletsel heeft, maar die uit een toestand van schijndood weer tot leven wordt geroepen. Dit echter bedoel ik niet. Ik denk aan de wijze waarop men in sommige delen van de wereld heeft geleerd om werkelijk gestorven mensen tijdelijk tot een soort schijnleven op te wekken. Misschien heeft een van de meest interessant vertoningen in dit opzicht gedurende lange tijd in een groot klooster iets noordelijk van Lhasa plaatsgevonden.

Men had daar de gewoonte om meermaals per jaar meestal driemaal pas overleden mensen eenvoudig weer te laten opstaan. U moet zich pro­beren voor te stellen hoe dat ongeveer gebeurde.

Er is een grote, betrekkelijk lage zaal met aan het einde een ver­hoging, een soort toneel of erepodium en op dit podium staat de dode op­gebaard. Aan de linkerkant van de dode staat een grote steen, die van onder iets puntig toeloopt en rust in een uitholling van een andere steen. De uitholling is met boter gevuld, ofschoon ik niet weet waarvoor. Aan de andere kant zit een soort orkestje dat beschikt over enkele ver­schrikkelijk klinkende hoorns en een groot aantal ratel en trommel­instrumenten.

Als men samenkomt, begint eerst een reeks incantaties. Men begint met het citeren van bepaalde delen uit heilige geschriften. Daarna komt er een voorganger en die begint tamelijk opzwepende, ofschoon nogal traag beginnende keerzangen met het publiek en dan komen de eigenlijke magiërs. Het orkestje begint lawaai te maken. Ze proberen hun krachten. En als die krachten goed zijn, zal op een gegeven ogenblik de spitse steen, die toch altijd wel een ton weegt, beginnen te draaien. Hij draait en vervolgens verheft hij zichzelf zo ver dat hij volledig los is van de basissteen. Als dit gebeurt, is het hele publiek daardoor in een soort trance gekomen. Iemand, die daar binnenkomt, heeft het gevoel dat er stati­sche elektriciteit in de lucht is. Je haren rijzen bijna ten berge. En dan begint pas de werkelijke ritus.

Er worden danspassen gemaakt rond de dode die op de baar ligt. Er worden bezwerende woorden gesproken. Er worden gebaren gemaakt en tenslotte komt uit de dansers iemand naar voren, praktisch niet be­kleed, maar hij draagt wel een masker en deze begint als een magneti­seur in te stralen. Hij trekt zich langzaam terug op het ogenblik dat het lijk in beweging komt. Het lichaam verheft zich inderdaad, loopt meestal niet meer dan 6 à 7 stappen in de richting van de steen en spreekt dan. Dat spreken is praktisch onverstaanbaar. Het is een dof gebrul van klanken dat al heel gauw in een soort gerochel versterft. Dan zakt het lijk in elkaar.

Het doel van deze op zichzelf meer op een vertoning lijkende voor­stelling is wel om een bepaald orakel te krijgen. Men kiest bij voorkeur een gestorven monnik voor deze vertoning. Want, zo redeneert men, die monnik is op de juiste manier vrij geworden. Hij is bij zijn sterven bijge­staan, de ziel is vrij om weg te kunnen komen, dus weet hij wat er aan de hand is, zowel in het rijk van de Heer der Wereld als in het rijk der mo­gelijk incarnaties. Als hij terugkomt, is hij nog niet geïncarneerd, dus kan hij ons wel vertellen wat er zo ongeveer zal gebeuren. Op deze ma­nier wordt de goede man gebruikt om te vertellen wat het klooster en ook de hoofdstad in de komende maanden te wachten staat.

Ik geloof niet dat deze rite in deze vorm op dit moment nog wordt uitgevoerd, maar toch zijn er ook andere landen waar men dit dodencere­monieel nog kent.

Het is niet bekend in het Westen, maar op bepaalde Polynesische eilanden kent men soortgelijke gebruiken. Alleen kiest men daar geen vast lijk per zoveel tijd maar wacht men totdat er een bepaalde hoofdman of hooggeplaatst persoon is overleden. Van deze redeneert men dat hij de voortzetting is van vele krachten. Indien hij op aarde kan terug­komen en kan spreken, dan geeft hij niet alleen raad, maar hij daalt ook a.h.w. neer in degene die dan de leiding van de gemeenschap overneemt. Ook hier zijn de gebruiken langzamerhand wat verminkt en zullen ze niet zo vaak meer voorkomen. Bovendien is men bang hierbij betrapt te worden.

U kunt zich deze ceremonie ongeveer als volgt voorstellen; De dode wordt zittend neergezet voor een met spijzen beladen plek. De anderen gebruiken een feestmaal. Dat gebeurt op enige afstand. De dode presideert wel, maar op afstand. Tijdens die maaltijd worden be­paalde gezangen herhaald. Op den duur is er een roes en allen beginnen te dansen en te zingen, behalve de dode. Op een gegeven ogenblik be­gint men de naam van de overledene te roepen in een gescandeerde incan­tatie. De mensen krijgen allerlei verschijnselen van hysterie, bijna epilepsie, schuimbekkend vallen sommigen neer en dan klinkt er een stem. Hier staat het lijk dus niet op, maar men beweert dat die stem inderdaad uit het lichaam komt en dat de mond beweegt. Nu is het ook hier zo dat de woorden niet geheel verstaanbaar zijn. Ze worden door enkele magiërs, de priesters, geïnterpreteerd. Als ik mij niet vergis, is de laatste keer een dergelijke plechtig­heid gehouden in 1967 op een eiland waar ook Amerikanen waren. Het vreem­de van het geval was, dat dezen er niets van hebben gemerkt. Zo geheim werd dat gehouden. Een dergelijk ritueel is iets waarvoor men bang is ge­worden. Vroeger was het iets normaals. Het was alleen voor de genodigden, maar het hele eiland wist het. Tegenwoordig wordt het door bepaalde kleine groepen nog steeds volbracht. In Afrika bestaan ook nog dergelijke riten o.a. aan de bovenloop van de Niger. Hier is overigens het oproepen van de dode eigenlijk niet het werkelijke doel. Het doel is om een verbanning van de geest van de dode te bereiken en daarvoor bindt men het lijk, opdat het niet zal kunnen weglopen, dat doet het trouwens ook niet. Men begint ook te roepen, er wordt ook weer bij gedanst en betrekkelijk veel bij gedron­ken, er is een daverende muziek van heel veel trommen en dan op een gegeven ogenblik beweegt er iets. Men zegt dat het gebonden lijk beweegt. Misschien veroorzaakt, zoals althans meermalen is gebleken, door een trekken aan touwtjes, waardoor enige beweging van de baar wordt veroorzaakt. Opdat ogenblik begint een priester of tovenaar tegen de dode te spreken dat zijn taak is afgelopen, dat hij geen rech­ten meer heeft, dat hij heen moet gaan. De dode geeft, overigens onver­staanbaar, antwoord. Die samenspraak kan soms wel 20 tot 30 minuten duren. Als de dode daarna rustig wordt, neemt men aan dat hij is heen­gegaan. En dat is ook weer begrijpelijk.

Deze mensen hebben lange tijd de gewoonte gehad om als er iemand sterft in een dorp, dat dorp te verlaten. Later volstond men ermee om alleen een hut te laten vervallen daar woonde dus niemand meer in. Maar nu kan er iemand sterven met veel geld en bezittingen. Dan zouden eigenlijk al die bezittingen moeten verwilderen of vervallen. Dat kan men zich eenvoudig niet permitteren en daarom deze bezwering. Door die bezwering krijgt de geest de illusie, dat hij elders grote be­zittingen heeft, maar dat hij hier niets meer bezit, dat hij het heeft verkocht. Men hoopt op die manier het spoken en het vallen van vervloe­kingen e.d. op de bezittingen te voorkomen. Eveneens een interessant verschijnsel.

Als je al die rituelen met en rond de dood ziet, dan begin je je te realiseren dat mensen eigenlijk altijd bang zijn geweest voor de dood en dat gelijktijdig aan de dode bijzondere macht en betekenis werden toe­gekend.

Als u zich realiseert dat zelfs in Twente er nog huizen bestaan met een speciale dodendeur een soort raam dat licht wordt dichtgemet­seld of met stenen wordt dicht gemaakt, waarlangs elk lijk de hoeve dient te verlaten. Ook hier is dit begrijpelijk. De dode kan alleen naar het huis terugkeren, indien hij dezelfde weg terug kiest. Als je dus zorgt, dat hij dan voor een muur staat, dan denkt hij dat hij zich heeft vergist en gaat ergens anders heen. De situatie ligt, voor zover wij haar kunnen nagaan, als volgt;

De dode leeft buiten de tijd van de mensen. Hij moet dus veel meer kunnen weten en zien van de mensen dan de mensen zelf. Hij is belangrijk om advies te geven. Aan de andere kant is hij in vele opzichten ook mach­tiger dan de mensen en als zodanig gevaarlijk. Indien hij een bezit op aarde heeft en hij wil dat behouden, dan beschikt hij over de middelen om iedereen af te schrikken en desnoods te doden, die tegen zijn wil aan dat bezit zou komen. Daarom probeert men maar liever er voor te zorgen, dat hij niet kan terugkomen.

In China bouwden ze vroeger geestenpoorten, omdat men meende; een geest kan alleen rechtuit gaan. Als je nu een muurtje zette voor de poort, zodat je a.h.w. zigzag naar binnen moest gaan, dan kon de geest er niet door, maar ieder ander wel, dus de geest bleef buiten.

Bang is men voor de dode vooral, omdat de dood het onbekende is, dat er ergens nog leven overblijft. Als het helemaal dood was, helemaal weg, dan zou je het als mens betreuren, maar dan zou je niet bang be­hoeven te zijn. Maar er zijn voortdurend symptomen, waaruit je toch kunt opmaken dat die dode ergens voort bestaat, dat er nog iets van zijn kracht of zijn wezen aanwezig kan zijn en zich kan manifesteren. En dat is nu juist hetgeen men niet begrijpt en ook niet wil.

Kun je nu van iemand gebruikmaken, dan kan hij een orakel worden. Ik meen zelfs dat men in de tijd van Seti I in Egypte een cultus had, waarmee mummies werden ondervraagd en men beweert dat ze antwoord gaven. Al die dingen van de toekomst willen kennen en zekerheden verwerven en gelijktijdig de dood terugwijzen zijn voortgekomen uit de onbekendheid met de dood. Naarmate de mens zich meer hecht en zich meer meester van zijn eigen wereld voelt, is hij banger voor elke wereld, waarin die meesterschap mogelijk niet meer zou bestaan. Naarmate de mens meer leert rustig te leven, zijn gevaren iets meer excessiefs in zijn leven. En het gevaar van een dode dat je eens normaal vond, wordt nu een dreigend gevaar, waarvoor je probeert te vluchten.

Het bijgeloof is overigens tamelijk uitgebreid. Zo beweert men bv. dat een dode u kan achtervolgen, maar niet over stromend water. Een element dat u terugvindt ook t.a.v. allerlei weergestalten (weer­wolven e.d.), die ook niet over stromend water zouden kunnen gaan. In sagen over verdragen met de duivel komt het ook vaak voor dat je alles kunt krijgen en alles moogt doen, maar dat je niet over stromend water moogt gaan. Kennelijk heel belangrijk. Wij weten zelfs dat bepaal­de pygmeeënstammen de gewoonte hebben om als er een grote sterfte is, over een rivier te trekken. Zij denken dat de dood en de doden dan ach­terblijven. Is dat waar? Als al die mensen dit geloven, kun je na­tuurlijk wel zeggen dat het een bijgeloof is, maar er moet iets van aan zijn.

Wij weten dat je als geest over stromend kunt gaan. Maar wij weten ook dat een zichtbare manifestatie, een schijngestalte, waarin je je zichtbaar voor de mensen op aarde probeert te vertonen of van waaruit je de materie tracht te manipuleren, sterk afhankelijk is van o.m. lucht-elektriciteit en bepaalde temperatuurs-mogelijkheden. Stromend water betekent afkoeling, verandering van vochtigheid in de lucht, verande­ring van statisch elektrisch element in de lucht. En als zodanig is het nog niet eens zo gek om te zeggen dat een rivier inderdaad bepaalde invloeden kan uitschakelen. Dat je daaruit natuurlijk weer allerlei sym­bolen kunt fabriceren is duidelijk.

In Mexico hebben sommige mensen de gewoonte om als er iemand begraven zal worden, water uit te gieten voor de deur. In enkele ande­re gevallen besprenkelt men het graf ook nog in het bijzonder en soms zelfs niet alleen met water, maar ook met wijn. De reden is hier waarschijnlijk ook dat men meent dat door dit vocht de dode verbannen blijft. Meestal weten de mensen niet meer waar het vandaan komt. Ik denk bv. aan de absoutie van de katholieke begrafenis, waar ook gewijd water op de dode wordt gesprenkeld, althans op zijn kist. Gewijd water dat de geest zou uitbannen. Men is allang vergeten dat het dat heeft betekend, maar in feite is het een magische rite t.a.v. de dode.

De oude indianen hadden ook eigenaardige gebruiken t.a.v. de doden. Een daarvan is deze; Een opperhoofd werd begraven. Zoals u weet, ging dat niet in de grond, maar hij werd in de openlucht, op een soort scha­vot vastgebonden met stokken en leren riemen, zodat hij daar kon ver­gaan of verdrogen. Maar een jaar na de begrafenis keerden jonge krijgers altijd tot dat graf terug. Zij kwamen daar naar men zei om het opperhoofd eer te bewijzen. Er zat echter iets anders bij.

Een groot opperhoofd werd een soort manitou, een emanentie, van een godheid. Bij deze verering moest men dus gaven brengen. Dat waren o.a. pijpen, klei en nog meer van die dingen. Met deze giften probeerde men dan de gunst te krijgen dat deze manitou, deze tot godheid geworden stam­hoofd of grote strijder als beschermer zou optreden van een van degenen die daar kwamen. Het is ongeveer hetzelfde als het zoeken naar een eigen totem, een eigen symbool, iets wat wij overigens niet alleen bij de in­dianen vinden, naar evengoed bij de verwilderde bergstammen in Azië of bij vele stammen in Afrika.

Het is een inwijdingsritueel, dat hier voor de dode wordt gehouden en kennelijk met de bedoeling iets van die dode weer tot leven te bren­gen. Men doet dat dan ook  t.a.v. helden, dus mensen die of als opperhoofd bijzonder geëerd en wijs zijn geweest of strijders die zo groot en heldhaftig zijn geweest dat ze daardoor a.h.w. begerenswaard worden. En daaruit ziet men weer iets heel anders.

De mens begeert kennelijk ook iets van de dode. Hij meent dat hij iets van de essentie van zijn, die tot de overledenen behoort, in zichzelf kan opnemen. Het is dezelfde gedachtegang die de koppensneller ertoe brengt koppen te snellen, want ook daarmee probeert hij iets van de manas, van de persoonlijkheid, van de kracht, over te nemen. Menseneters zijn heel vaak alleen maar rituele menseneters. Zij eten geen mensen omdat zij het lekker vinden, maar doordat zij iets (bv. het hart van een machtig strijder) verorberen zelf een machtig strijder zullen  worden. Er is dus ook nog een identificatie met de dode. Deze identificatie met de dode heeft weer aanleiding gegeven tot necromagie die tot de meest krankzinnige dingen behoort die je je maar bedenken kunt. Riten van die aard hebben o.a. in de Sahara plaatsgevonden. Het zijn meestal woestijnen of heel woeste oorden waar het gebeurt.

Men brengt hier een dode of een deel daarvan, een botje is al genoeg. Men begint een bezwering waarbij heel wat kruiden worden verbrand, allerhande donkere spreuken worden gezegd en uit de rook herontstaat dan de gestalte van degene, die men oproept.

U moet niet denken dat het een sprookje is. De gedachtekracht van de deelnemers, hun concentratie (er gaat soms een reis van een halve maand of maand aan vooraf, de bezwering zelf neemt over het algemeen bijna twee weken in beslag, daardoor worden die mensen zo opgezweept, dat hun gedachtekracht alleen al in staat is om uit de rook een gestalte te vormen. En het is zeker ook heel goed mogelijk op die manier zelfs een astrale schil op te bouwen of een astrale schil die aanwezig is op te roepen.

Wanneer deze dode verschijnt, dan brengt men hem offers van leven. Soms slacht men een kameel, een paar schapen, in een enkel geval, maar heel zelden, heeft men ook weleens een paard geofferd. Het is ook bekend dat men een aantal kleinere dieren offerde, bv. een aantal vogels.

Het bloed wordt altijd voor het bekken waar de rook uit komt, gestort. Men neemt aan dat de essentie van dit bloed (een soort levenskracht zijnde) zal overgaan in de door de rook gevormde gestalte. Daardoor verkrijgt deze een zelfstandig leven. Maar dat leven is niet meer beperkt, zodat die onsterfelijke gestalte nu met een opdracht kan worden belast en bv. als een eeuwige wachter voor een heilige plaats kan worden gesteld of als een soort permanente slaaf en bediende kan worden gebruikt om bezittingen veilig te stellen, om bepaalde mensen te achtervolgen in de doodsmagie, waartoe o.m. behoort het Tibetaanse schieten met de doodspijl, het richten van de speer in bepaalde delen van Afrika, het werpen van de pijl met stro in Nieuw Guinea. Al deze dingen tezamen vormen de bedreiging met de dood. Maar om deze waar te kunnen maken, gelooft men in vele delen van de wereld (althans de primitieve volkeren) nog steeds dat men de dode nodig heeft.

Dan is er een laatste vorm waarvoor ik uw aandacht wil vragen, omdat ze ook zo curieus is en vooral omdat ze ook in beschaafde gebieden nog voorkomt. Wat ik u nu vertel is het afgelopen jaar nog gedaan in Sicilië. Het komt voor in zeer vele Zuidamerikaanse staten. Het is het  zenden van een dode tegen een dode.

U moet zich de situatie weer even indenken. Er is iemand, die je vijand is. Je wilt je wreken, maar deze man sterft. Iemand heeft enorme schulden aan je. Hij sterft en ze worden je niet terugbetaald. In dat geval moet je iemand vinden, die de dode gaat opzoeken, hem aan zijn verplichtingen herinnert en hem eventueel laat betalen. In de oude tijd bestond dat ook wel, maar was het veel eenvoudiger. Je nam eenvoudig een slaaf, je gaf hem zijn opdracht en je sloeg hem de kop af. Dan ging hij vanzelf wel op zoek en maakte de zaak wel in orde. Nu echter moet men iemand oproepen. Hierbij wordt weer gebruik ge­maakt van iets, wat men op de begraafplaats heeft gevonden. In sommige gevallen neemt men ook aarde van een gewijd kerkhof. Het ritueel dat daar omheen wordt opgebouwd, bestaat onder meer uit dansen, bepaalde gezangen die vaak als psalmen klinken (dus nogal traag) en bloedoffers. Als dit allemaal is gebeurd, roept men net zolang, totdat er via een medium een geest zich meldt. Deze geest krijgt beloften. Men zal hem bepaalde offers brengen, of als hij dat verzoekt, men zal op aarde iets betalen aan zijn nabestaanden, maar daarvoor moet hij beloven dat hij die andere geest gaat halen en dat hij hem dwingt een onrecht onge­daan te maken.

Op Sicilië was het de kwestie van iemand die vermoord was. Men wilde weten wie de moordenaar was. De familie heeft net zolang ge­werkt, totdat zij via een heel dikke dame, die naast vrome oude vrijster ook nog medium, helderziende en tovenares was, die dode heeft opgeroe­pen. Men heeft toen gehoord dat dat het iemand van een bepaalde familie was. Kort daarop heeft men twee leden van die familie vermoord. Het werd aan de Maffia toegeschreven Maar het was toch werkelijk een kwestie van vendetta.

Als u begrijpt dat ze op deze manier doden achter doden aan stu­ren, dat ze zelfs geloven dat je op die wijze een dode kunt dwingen al­les op aarde, zo te beïnvloeden dat je je bezittingen terugkrijgt, dan kunt u zich misschien ook indenken dat men zich veel moeite ervoor geeft. In enkele gevallen beweren ze ik weet het niet, ik ken de we­reld van de geest te goed dat de dode zijn schuld heeft betaald.

Ik neem een geval uit Bogota. Men had daar ook een dergelijke rite uitgevoerd. Het ging om een betrekkelijk gering bedrag. Drie dagen la­ter trok de loterij en de man in kwestie aan wie men schuld had, kreeg een prijs, waarop men prompt zei; Zie, nu heeft de dode zijn schuld afbetaald.

Dit vreemde mengsel van bijgeloof, van geestelijke realiteit, van menselijke en suggestieve krachten, van gebruik en misbruik van bepaal­de kosmische krachten zelfs vormen tezamen de dodenmagie. Maar als je je afvraagt waarom deze dodenmagie bestaat, is er maar één antwoord.

De mens is gelijktijdig bang voor de dood en hij begeert de geheimen, die achter de dood volgens hem verborgen liggen. Hij zoekt voordeel te gewinnen en is bereid daartoe desnoods de duivelen uit de hel te be­zweren. Aan de andere kant wil hij zichzelf beschermen, zichzelf zeker­heden scheppen en is bereid daarvoor vaak zeer grote offers te brengen.

De dodenmagie komt voort uit deze sentimenten en is daarbij natuurlijk de uitdrukking van een bestaand geloof en ook nog de uitdrukking van een bestaande werkelijkheid, die door deze rationele wereld helaas vaak wordt ontkend.