Groei der volkeren

image_pdf

25 mei 1962

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp voor heden is: Groei der volkeren.

Ook in uw dagen is het belangwekkend de ontstane parallellen met in de historie bekende ontwikkelingen te bezien. Wanneer wij teruggrijpen naar het verleden, treffen wij daar toestanden aan, die sterk op de huidige problemen en moeilijkheden gelijken. Deze parallellen  zijn alleen bruikbaar, wanneer men tevens beseft, hoe en in welke mate het bewustzijn van de volkeren is gegroeid. Anders zou men terecht kunnen stellen, dat er niets nieuws onder de zon is.

Nu blijkt, dat in het volk zelf, in de massa, weer een denkwijze en denkgewoonte optreedt, die tenminste 300 – 400 jaar gelijk blijft. In perioden van revolutie zien wij een snelle en veelomvattende verandering in denken en gewoonten van de massa. Dit is bedrieglijk, waar de oude gewoonten grotendeels na enige jaren weer opduiken en nog langere tijd invloed behouden.

Nu geef ik u een schets van staatsbestel en Godsgeloof in de eerste menselijke beschavingen. Het staatsbestel is geheel gebaseerd op kracht en bescherming. Degene, die bescherming nodig heeft, onderwerpt zich aan de sterkere en is in feite diens eigendom. Hoe meer men in staat is zichzelf te beschermen en te handhaven, hoe grotere rechten men binnen de gemeenschap zal bezitten.

Zelfs in deze gevallen blijft het absolute gezag van de sterkste – inhoudende gezag over leven en dood – gehandhaafd. Deze staatsvorm keert later terug. Dan zien wij, dat de boer, die de bescherming van een landheer geniet, geheel aan de landheer is onderworpen. De boer zal zijn land bebouwen volgens de wensen en voorschriften van zijn beschermer, zal geen recht tot koop en verkoop, huwelijk, verhuizing e.d. hebben, zonder de goedkeuring van zijn heer. Een krijgsman zal zelfstandiger zijn. In de oudheid vormt hij een macht op zich, later treedt hij officieel in dienst van een kasteelheer. In beide gevallen zal hij, deel uitmakende van de macht van een heerser, door diens macht tegen alle gezag – buiten dat van de heerser – worden beschermd. Zolang de krijger in dienst is van de heerser zal deze volledig lijf geweld hebben over de krijger, terwijl deze gehouden is steeds trouw en zonder enige aarzeling alle hem gegeven bevelen ten uitvoer te brengen. Het grote verschil tussen krijger en boer blijkt gelegen in het recht van de eerste, op bepaalde dagen in het jaar, zijn verhouding tot zijn heer te verbreken en zich een andere beschermer uit te zoeken. Een vorst in de oudheid is een heerser, die zoveel macht en volgelingen heeft, dat anderen eerbied voor hem hebben en zijn welwillendheid verwerven door hem tribuut te geven.

De godsdienst van het volk in de oudheid vloeit direct voort uit de maatschappelijke situatie. Overal zijn in de stof heersers, overal in de onzichtbare wereld zijn geestelijke heersers, en Goden. Men vraagt zich niet af, of een heer goed of kwaad is, of een God goed of kwaad is, maar tracht steeds weer een zo goed mogelijke verhouding met de machtigen te bereiken. Oorspronkelijk tracht men zelf de verbinding met de Goden tot stand te brengen; later maakt men daarvoor gebruik van de – daardoor met Goddelijke rechten en gezag bekleedde – priesters. Men onderwerpt zich aan de priesters en andere machthebbers, omdat dit de enige wijze is, waarop men het weinige, wat men bezit, kan behouden. Dit klinkt natuurlijk zeer negatief. Dit absolute gezag lijkt u misschien wel zeer verouderd. Ik wijs u er op, dat bv. de Franse koningen een soortgelijk gezag over hun onderdanen nog opeisten rond 1600. Het geheel is meer omvattend, is groter geworden, waardoor natuurlijk meer gezagsverhoudingen ontstaan, die worden uitgedrukt in een groeiend aantal gebruiken en regels.

Ongeacht het absolute gezag, dat landheren en edelen over hun onderdanen uitoefenen en het nog absoluter gezag van de vorst, blijkt het voor de eenvoudige mensen uit de massa vaak mogelijk redres voor onrecht te vinden door de opvattingen en het gezag van verschillende machthebbers tegen elkaar uit te spelen. Zo kan onder de Lodewijken een boer, door een beroep op de koning te doen, de bestraffing van een edelman bewerken, die in zijn behandeling van zijn horigen tegen de opvattingen van de koning had gehandeld. Naarmate de massa belangrijker wordt voor haar heersers, zal zij zelfstandiger worden en meer rechten verwerven. Een niet tijdig erkennen van de macht en de rechten voert tot omwentelingen, vaak vooraf gegaan door een ontwikkelingswerk onder die massa: De Franse encyclopedisten en de Franse revolutie.

In de Godsdienst zien wij allereerst het absolute gezag van de sjamaan of priester. Dit maakt plaats voor een vorm van geloof en bijgeloof, waaraan ook de priester zich zal moeten houden.

Nog later zien wij, dat zowel stoffelijke als geestelijke rechten worden verkocht. Denk hierbij aan de aflaathandel. Op den duur ontstaat een vorm van geloof, waarin de rechten, zowel als het gezag van de priester meer en meer beperkt worden. In de middeleeuwen zijn meerdere gevallen bekend van protesten tegen het optreden van bisschoppen en abten bij de Heilige Stoel, waarbij de klagers in het gelijk worden gesteld en de bisschoppen of abten bestraft. Een parallel met het stoffelijk gezag is dus ook in het geloof wel degelijk te vinden.

Overigens geloven de mensen in de middeleeuwen nog zeer eenvoudig. Naarmate de mens zich meer bewust wordt van eigen redelijke vermogens, blijkt de massa God niet meer zonder meer te aanvaarden. Hoe groter de ontwikkeling en eigenwaan van de massa wordt, hoe meer zij ook geneigd blijkt eigen redelijk besef in de plaats van God te stellen. M.i. mag dan ook gesteld worden, dat godsdienstig besef, redelijk besef en gezagsverhoudingen zich bij de volkeren ontwikkelen in overeenstemming met het ontstaande bewustzijn bij de massa. Daarbij blijkt een groep slechts op een bepaald punt een grote hoogte te bereiken. Is dit hoogtepunt bereikt, dan wordt haar invloed, macht en mogelijkheid overgenomen door een ander volk, zodat gezegd kan worden, dat geen sprake is van een gelijktijdige ontwikkeling van alle volkeren, maar eerder een roteren van macht en ontwikkeling onder de volkeren plaats vindt. De Griekse beschaving, die redelijk zeer hoog staat, maar te weinig eenheid kent, wordt vervangen door de Romeinse. Deze neemt een deel van de Griekse cultuur over en weet zijn innerlijke band – de samenwerking, waarop de macht gebaseerd is – nog langere tijd te behouden. Rome op zijn beurt blijkt zijn eigen initiatief, zijn moed enz. steeds meer te verliezen. Dan komt de macht meer in handen van barbarenvorsten, die de fakkel dan op hun wijze verder dragen.

In de historie zien wij, hoe de fakkel van de beschaving en vooruitgang van het ene volk aan het andere wordt overgedragen. Historisch is dit alles reeds interessant. Indien wij ook de geestelijke achtergronden nagaan, blijkt hierbij sprake te zijn van een wel zeer doelbewust geleide geestelijke ontwikkeling. Laat ons nog even de ontwikkeling van de banden met de geest en het geestelijke nagaan, daarbij slechts zeer grove lijnen volgende.

Begin: fetisjisme. De achtergrond is hier het samenvallen van niet te verklaren gebeurtenissen met de aanwezigheid van een voorwerp e.d. Dit laatste wordt hierdoor tot heiligdom. Hierbij blijkt het gebeuren, de ervaring, bepalend. Men gaat uit van feiten. Later wijzigt zich het geloof. Niet meer het resultaat wijst het amulet aan, maar het amulet op zich is heilig en brengt ons mogelijk de verlangde gevolgen. Steeds meer worden stenen, bomen e.d. heilig verklaard, zonder dat deze eerst door tekenen een bijzondere betekenis hebben verkregen. De eigenschappen van de boom of steen zelf – niet de gevolgen, die uit hun aanwezigheid voor schijnen te komen – zijn nu allereerst belangrijk. De verschuiving is nog meer omvattend. In de plaats van het gelukbrengende voorwerp enz. komt nu de geestelijke macht, die resultaten mogelijk maakt en zich uit in bomen, stenen, beelden enz.. Hieruit ontstaat de eerste magie, die als hoofdwaarden kent: riten, gebaseerd op uitbeelding, spreken met Goden en het beheren en bewaren van vuur. Er ontstaat een steeds meer omvattende overlevering omtrent de wereld van het onzienlijke. Er ontstaan priesters. Het hoofdzakelijk magische sjamanendom maakt plaats voor een echt priesterdom. Tot zover is de ontwikkeling over geheel de wereld ongeveer gelijk.

Nu ontstaat een splitsing: In het oosten vinden wij de “Stem van God”, die tevens vorst, regeerder is. In het westen ontstaat de stoffelijke gezaghebber, waarnaast wij de priesterlijke gezag figuur aantreffen. Deze beiden zijn voortdurend van elkaar afhankelijk. Het volk zal hierdoor anders leren denken. De ontwikkeling van de mensheid in Azië en Europa, ook Afrika, gaat van dit punt af in een andere richting. In Azië staat men voortdurend in contact met God, die Zijn gezag direct en kenbaar op aarde openbaart. Men hoort wel zeggen, dat de Aziaten altijd fatalistisch zijn. Dit is natuurlijk maar beperkt waar. Maar zeker is wel, dat de Aziaat eerder dan bv. de Europeaan zal stellen: “Dit is een Goddelijk gebeuren”. Het heeft geen zin ons hiertegen te verzetten. Deze ontwikkeling is te wijten aan het feit, dat vorst en God gelijk zijn. Eerst later ontstaat – naast de God-vorst – weer een priesterdom. Pas wanneer het priesterdom geheel ontwikkeld is en sprake is van zeer complexe godsdiensten, zal het begrip van de Goddelijke koning zich ook naar het westen uitbreiden, waarbij dit begrip invloed uitoefent op Noord-Afrika en uiteindelijk ook rond geheel de Middellandse Zee. De ontwikkeling is ongeveer als volgt: Allereerst erkent de mens alle gezag als Goddelijk. Dan wordt het stoffelijk gezag onderdanig aan het geestelijk gezag, waarbij het Goddelijke bepaalt of decreteert. Het Goddelijke kiest zich onder de mensen zijn werktuigen, maakt lafaards, helden, profeten en werpt legers van engelen en demonen in de strijd, waar dit vanuit het Goddelijke noodzakelijk is.

In het westen staat de geestelijke gezaghebber niet boven, maar naast de stoffelijke heerser. Er is dan ook een voortdurende strijd om de suprematie tussen deze beiden. De praktijk toont ons aan, dat men in vredestijd meer aandacht schonk aan de priesters, terwijl men in tijd van oorlog zich meer hield aan de stoffelijke gezaghebbers, wat voor dezen een rede was zoveel mogelijk strijd te doen ontstaan. De moeilijkheden in het leven worden allereerst redelijk en stoffelijk opgelost. Eerst wanneer geen materiële oplossing mogelijk is, zal men een beroep doen op de Goden. Hierdoor ontstaat in het westen een mentaliteit, die zich tegen de z.g. wil Gods pleegt te verzetten, terwijl in het oosten een aanvaarden van het lot wordt geponeerd en ook grotendeels verwerkelijkt.

Uit deze korte schets kunt u de verklaring lezen voor de grote verschillen in denken tussen oost en west. Elke leerstelling, die direct uitgaat van het Goddelijke, de wil van de Goden en het inspiratieve element in het menselijke denken, zal het geheel van het menselijke gebeuren zien als een directe uiting van een Goddelijk ingrijpen. Het is dan ook logisch, dat de oude veden hoofdzakelijk spreken over mensen en Goden, die denken en handelen als zeer machtige en begaafde mensen, want er is geen verschil tussen de Goden- en de mensenwereld. De wil van de Goden is onontkoombaar. Alles wordt door de oergod geregeerd via zijn kinderen, de Goden.

In het westen is er altijd sprake van stoffelijke macht. Al vinden wij ook hier heldenverhalen, waarin de Goden een bijna menselijke rol spelen, toch blijkt hier de wet van de mensen op de Goden toegepast te worden, het omgekeerde komt haast niet voor. De Asen bv. vormen in wezen een soort bende. Men geloofde, dat er een tijd zou komen, waarin de reuzen van de afgrond tegen de Asen zouden strijden. Ofschoon Loki niet direct een prettige figuur is – men vergelijkt hem wel met de duivel in sommige kringen – staat hij aan de zijde van de Asen, wanneer het er op aan komt. In Azië zijn er demonen en Goden. Een God, die slecht is, zal altijd tegen de andere Goden strijden, zelfs indien dit de ondergang van het Godenrijk tot stand zou brengen. Kennelijk vormen de Goden van het westen een clan, die onderworpen is aan dezelfde wetten als elke stam; onderlinge geschillen mogen bestaan, maar naar buiten toe is de clan één geheel. Het begrip van de beperkte gemeenschap, die de meerdere is van alle andere mensen, groeit dan ook in het westen sterker dan in het oosten en voert er toe, dat het nationalisme zich sterker en eerder ontwikkelt, dan in Azië het geval zal zijn. In Azië is de persoonlijke verhouding tot het geheel belangrijker, dan dat van de groep. Men kan immers zelf door de Goden worden uitverkoren om bepaalde taken te volbrengen enz.. Dit betekent ook, dat de inwijdingsscholen in Azië gemakkelijker uit kunnen gaan van abstracte en esoterische waarden, dan in het westen denkbaar is. Elke inwijdingsschool in het westen blijkt dan toch in de eerste plaats weer uit te gaan van stoffelijke bereikingen. Dit komt zelfs in de magie tot uiting. Vergelijk bv. de zonne-magie van Benares met de middel Europese alchemie.

De eerste groep werkt met de zon, het licht, de kleur, waarden, die wel kenbaar, maar niet vatbaar of zonder meer vast te leggen zijn. De tweede groep werkt met chemicaliën, temperaturen. Dit alles vormt ook de verklaring voor de grote verschillen in westers en oosters denken, die ook in uw dagen steeds weer op de voorgrond komen. Het westen zal – uitgaande van eigen stellingen, middelen en mogelijkheden – alles eerst willen omschrijven en vastleggen, om het zo te verwerkelijken. Het oosten zal uitgaan van een Goddelijke wil, van het noodlot, waardoor het zijn doeleinden vaak na zal streven, zonder de middelen, stellingen en zelfs mogelijkheden geheel te overwegen. Kennelijk gaat men van het standpunt uit: Zolang ik streef naar een doel, dat goed is, zullen de Goden mij alle middelen verschaffen om mijn taak te vervullen en mijn wil door te zetten. Heb ik alle middelen, terwijl het lot anders wil, dan zal ik toch niets kunnen bereiken. Deze mentaliteit blijkt voort te blijven bestaan in de doorsnee oosterling, ook wanneer hij islamiet wordt, christen, hindoe, boeddhist, of zelfs Godloochenaar.

Daarom mag worden gezegd, dat het voorgaande inderdaad voor geheel Azië geldt, terwijl voor geheel de westerse wereld geldt het over weten, zien en omschrijven, voor men een bepaald doel na gaat streven. In enkele gevallen blijkt bij het volk de neiging te bestaan terug te keren tot een absolute onderwerping aan gezag. Dit geschiedt, wanneer men zichzelf onmachtig gevoelt. In Indië zoekt men dan de held, de leraar, de gezondene, de wijze. In Europa zoekt men over het algemeen eerder de sterke man. Vergelijk hier eens de verering voor Gandhi in India en de verering voor Napoleon in Frankrijk.

De uiterlijke verschijnselen zijn van verbluffende gelijkenis. De eigenschappen, die vereerd worden blijken diametraal tegengesteld te zijn. Frankrijk eert Napoleon om zijn overwinningen, de grootheid, die hij aan Frankrijk schonk. India eert Gandhi, omdat hij zichzelf zozeer wist te overwinnen en in vrede zo grote invloed wist te verwerven, terwijl hij – voor zich niets eisende, zelfs geen gezag – aan anderen vrijheid en welvaart schonk. Dit beeld is sprekend voor de verschillen in ontwikkeling van oost en west, die tot rond 1850 bleven bestaan. Eerst daarna blijkt de ontwikkeling en denkwijze van deze delen van de wereld weer enigszins naar elkaar toe te buigen. Op het ogenblik is de geestelijke status van Europa en Azië méér verwant, dan menigeen zal vermoeden. Indië is – via de weg van lotsaanvaarding enz. – langzaamaan gekomen in een fase, waarin de mensen een toenemende behoefte blijken te hebben aan zelfbevestiging en zelfuitdrukking. Meer en meer voelt men daar behoefte aan gezag en heroïek, die uit het ik voortkomt. Men neemt er geen genoegen meer mee deze eigenschappen alleen zonder directe verdienste te bezitten als gezondene van de Goden. In Europa wordt het praktisch redelijk denken, het alleen maar letten op directe resultaten, ver- vangen door een aandacht voor meer abstracte theorieën en waarden, die op den duur wel vergeleken kunnen worden met een godsdienstig beleven, een aandacht voor en streven naar een, nog niet met woorden, in theorie erkende Godheid. Kennelijk voeren de verschillende ontwikkelingen op het ogenblik naar een en hetzelfde punt, zodat wij kunnen spreken over een toenemende eenheid van de mensheid. Daarbij blijken veel intensere en betere banden tussen Azië en Europa mogelijk, dan menigeen zich nu zal kunnen denken. Bij een beschouwing van dit alles blijkt uit een meer geestelijk standpunt de groei en ontwikkeling van een ras of volk bevorderd te worden – zo niet geleid – door een rassengeest.

Er is in elk volk een gemeenschappelijke mentaliteit, die het mogelijk maakt, dat een hogere kracht – hiermee harmonisch – voor dit volk als leiding en richting gevende in geestelijk opzicht werkzaam is. Gezien het denken van de mens zullen, naast geesten uit het licht, ook geesten uit het duister, hier bepaalde mogelijkheden vinden. Dan mogen wij wel stellen, dat in de groei en bewustwording van elk volk of ras tenminste twee entiteiten van tegengestelde waarden, doch beiden van grote kracht, een rol spelen. De eerste zal altijd lichtend zijn, de tweede kan duister of grijs worden genoemd. Hun invloed wordt meer en meer beperkt, naarmate de volledige begrenzing tussen rassen en volkeren – en daarmee het voortbestaan van de specifieke eigenschappen – als dragende factor afnemen. Hieruit volgt, dat alleen een samenwerken tussen grotere entiteiten of rassengeesten voor een eigen groei met behoud van bestaande taak nog mogelijk maakt.

Dit geeft ons een interessant en hoopvol beeld van toekomstige ontwikkelingen. Al, wat duister is, zal werkelijke samenwerking moeten weigeren. Wat wij duister noemen, is immers in feite gebaseerd op een streven naar chaos en anarchie; alles, wat lichtend is, zal altijd streven naar ordening. Dit betekent, dat hier samenwerking en juiste harmonische verhoudingen tussen de meest verschillende rassengeesten wel degelijk mogelijk zullen zijn.

Op het ogenblik ontstaan reeds zo in de meeste volkeren twee geheel aan elkaar tegengestelde stromingen, die – ofschoon zij nog voortvloeien uit de eigen geaardheid van het volk – toch reeds duidelijk kenbaar zijn. De eerste kan worden gezien als een groei naar een wereldfederalisme, terwijl de tweede factor het sterkst tot uiting zal komen in egoïstisch nationalisme en binnen de natie verder nog in het egoïstische en in strijd met alle andere noodzaken en belangen bevorderen van eigen of groepsbelangen. Deze waarden worden zeker geestelijk gestimuleerd en mogen niet worden gezien als alleen uit de mensen zelf voortkomende. Wat geldt voor Europa, geldt voor Azië en omgekeerd in dit verband. Er is geen deel in de wereld, waarin dit niet duidelijk kenbaar optreedt. De groei van de volkeren in deze dagen – en in de vernieuwing – zal dan ook bepaald worden door de wijze, waarop zij een synthese weten te vinden tussen eigen kunnen, streven en behoefte en de eigen waarden van andere volkeren.

Elk negativisme is te verwerpen. Alle inconsequentie is chaotisch in uitwerking en daarom te vermijden en te veroordelen. De inwijdingsgedachte voor de volkeren kan dan m.i. worden omschreven als het product van een groei, die reeds 10-tallen eeuwen heeft geduurd en vaak overgenomen werd van andere volkeren, die reeds vergeten zijn. De geaardheid is bepalend.

Ik moet dan ook, wanneer ik een inwijdingssleutel voor Nederland wil vinden, het Nederlandse volk gezamenlijk beschouwen met een deel van Denemarken, Duitsland en Engeland. Vlaanderen wordt in deze beschouwing gezien als deel van Nederland, gezien taal en mentaliteit. De kern is een zekere koppigheid, vasthoudendheid en traagheid van het karakter van de massa. Verder is een neiging tot individualisme aanwezig, terwijl de leer, die voor de massa aanvaardbaar is, altijd weer een leer is, die het eigen contact met God bevestigt, zonder meer met uitsluiting van anderen, van bemiddelaars. Positieve tendens: Wij moeten leven, streven en werken voor de wereld, voor onze medemensen. Wij zien een doel, dat goed is en mogen niet versagen, voor dit bereikt is. Negatieve zijde: laat ons profiteren, waar wij kunnen, desnoods op kosten van anderen. Laat de anderen – als het even kan – de rekening betalen. Omgezet in geestelijke termen is alle egoïsme, ook groeps-egoïsme, duister en demonisch. Het maakt werkelijke harmonie onmogelijk en belet de mens één te zijn met de krachten en invloeden, die vanuit het Goddelijke als hulp tot bereiking op de wereld tot uiting komen. Alle streven voor de mensheid – ook wanneer dit niet ligt in een gezamenlijk werken, zingen, marcheren en vergaderen, maar alleen betekent, dat men vanuit zich intens leeft en streeft voor het geheel – is positief en blijkt geheel in overeenstemming te zijn met de nieuwe tendensen op aarde. Een inwijdingsformule voor genoemde gebieden zal dan ongeveer als volgt luiden: Door het erkennen van de juiste harmonie voor mijzelf, uitgedrukt in mijn verhouding tot de wereld, zal ik strevende, de ware harmonie in geheel de wereld te vergroten, mijzelf in waarheid leren zien en mijn God in mijzelf te mogen erkennen. Hierdoor zal ik een besef verwerven, dat mij verheft boven de beperkingen van mijn eigen ras en maatschappij. Dankzij dit alles, zal ik mijn harmonie en werkzaamheid over geheel de wereld uit kunnen breiden en zal ik in verbinding staan met al het zijnde, sferen zowel als wereld omvattende. Daarin zal ik voortdurend werkzaam zijn, hetzij door het gebruik van gedachtekrachten, hetzij door daden. Zolang ik mijn weg ga, deze als voor allen juist en goed erkennende en voor mijzelf daarin niets zoekende of eisende, zal ik het bewustzijn en inzicht ontvangen, dat noodzakelijk is om de kosmische harmonie voortdurend te vergroten – in mijzelf en in mijn wereld – en mijn doel daarbij bereikende…….

Dit is de sleutel van de inwijding in deze dagen. Wij zullen deze vergelijken met de sleutel voor dezelfde gebieden ongeveer 1.000 jaren geleden: Al, wat ik gezamenlijk met anderen kan doen tegen het onbeheersbare in de natuur, is gunstig. Alleen hiertegen te streven is nutteloos. Mensen mogen onder elkaar strijden, indien wij slechts leren tegen alle niet menselijke gevaren en storingen gezamenlijk op te treden. Harmonie van de mensen t.o. de gevaren en verschijnselen van de natuur betekent veiligheid, ontwikkeling en juister geloof voor de mens. Waaruit volgt, dat elke vorm van inwijding en elke sleutel voor de mensen van die dagen een strijd brengende was. In deze dagen is dit dus niet meer het geval. Ter verduidelijking nog een sleutel voor een ander gebied: Frankrijk, een deel van Zwitserland, Italië en Spanje.

Nadelige invloeden: Chaotische neigingen op egoïsme gebaseerd, neiging tot parasiteren en onnodige argumenten, onnodig argumenteren, sterk ontwikkeld groepschauvinisme en de neiging voor alles steeds anderen verantwoordelijk te stellen.

Positieve werkingen: Een zelf aanvaarden van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, een trachten voor anderen deze aansprakelijkheden en noodzaken kenbaar en aanvaardbaar te maken.

In meer geestelijke zin: Een vrij, maar desondanks zeer godsdienstig beleven van het Goddelijke, dat steeds minder beperkt wordt door stellingen en regels, maar in toenemende mate gebaseerd is op de erkenning van de scheppende kracht in het ik.

Sleutel voor deze tijd: Samenwerking boven alles, aanvaarden van gezag en ordening, ongeacht de kosten voor het ik. In gezamenlijk streven nimmer de nadruk leggen op eigen grootheid, de grootheid van eigen gemeenschap of groep, doch een dienen van het geheel van de wereld en het streven naar alles, wat voor dit geheel bereikt kan worden.

Mogelijkheid: Zeer sterke inspiraties en geestelijke werkingen, die voeren tot schijnbaar spontane uitingen van de gemeenlijk passieve massa, werkingen ten goede ten gevolge hebbende. Opgemerkt zij, dat de negatieve elementen, vooral in bepaalde delen van Frankrijk, in verhouding sterk zijn.

Oude sleutel ter inwijding in hetzelfde gebied: Persoonlijke bewustwording en godsdienstige beleving ten koste van alles, ook in strijd met en in tegenstelling tot het geheel van de gemeenschap. Zelf dient men de waarheid in zich te beleven, vanuit zich te uiten en alles te vernietigen, wat die waarheid bedreigt. Slechts wie de waarheid beleeft, zal de waarheid van de kosmos kunnen beseffen en zo zijn eigen verhouding tot God en de werkelijkheid juist kunnen overzien en bepalen. In de oudheid was de sleutel van dit gebied dus hoger dan de sleutel, die gold voor Nederland enz., terwijl op het ogenblik de sleutels ongeveer gelijkwaardig zijn, maar de positieve mogelijkheden voorlopig in het noordelijke gebied groter blijken.

Ten laatste Azië. Daar was eens de sleutel: Indien ik in mijzelf het nutteloze van de dingen leer erkennen, zo, door aanvaarding van de wil van de Godheid komende tot een juist leven zonder emotie, angst en begeren, zal ik opgaan boven alle leven en mijzelf kennende, de Godheid erkennende, het geheel van de Schepping overzien.

De nieuwe sleutel is vanuit een theoretisch standpunt misschien minder hoog en edel, maar blijkt meer praktisch bruikbaar te zijn. Voor een groot deel van Azië luidt deze n.l.: Zonder voor mijzelf te vrezen of te begeren, zal ik alles moeten verwerkelijken, wat ik erken als juist, nuttig en rechtvaardig voor allen, mij daarbij niet afvragende, wat ik zal verliezen of gewinnen. Ik zal weten, dat – zo ik mijn leven wijd aan het leven van allen – ik in al het levende mijzelf en de waarheid van de Schepping zal leren kennen. In mijn streven zal ik dan de voortdurende kracht en wijsheid bezitten, waardoor ik de juiste besluiten kan nemen, daarbij niet gebonden aan de vermogens, het karakter en de mogelijkheden, die ik meen te bezitten, of die men mij toekent, maar alleen aan de werkelijke noodzaak, zoals die vanuit de kosmische aspecten bestaat.

Hier ziet u wel zeer duidelijk, dat de sleutel een ander karakter heeft gekregen. De groei van de volkeren heeft de mens gevoerd uit een doodse aanvaarding, of een eeuwige strijd om macht naar een steeds groter begrip van verbondenheid en dienstbaarheid, een steeds belangrijker eenheid door samenwerking. Het is de dienstbaarheid op vrijwillige basis en de eenheid, die in de komende dagen een steeds belangrijker deel van de bewustwording uit zullen gaan maken.

De menselijke verhoudingen, voortgekomen uit de primitieve wereld van de jagende en zwervende stammen, zijn gegroeid tot de steeds complexer wordende verhoudingen binnen de industriële maatschappij. De volkeren hebben tijdens deze groei vele vormen van denken en godsdienst, de hunne, de enige juiste genoemd. Elk van deze waarden bezat een eigen waarheid en paste binnen het kader van de zich ontwikkelende mensheid. Men heeft vele vormen van magie gekend, die langzaam maar zeker vervangen werd door wat men nu wetenschap noemt, althans ten dele. Altijd zijn de mensen deel geweest van de grote kosmische waarheid. De sleutels van de inwijding, hebben zich met de mensheid ontwikkeld, maar de kosmische waarheid zelf kan op niets anders gebaseerd zijn, dan de waarheid, die in elk individu zelf leeft. Het volk, het ras, is geuit in elk wezen, dat er deel van uitmaakt. De geestelijke kracht, die invloeden schept voor een ras of volk kan, door een enkele mens uit te kiezen als exponent van de noodzakelijke ontwikkeling, deze mens tot werkelijke vertegenwoordiger van het geheel maken. Een ieder is daarnaast steeds zichzelf, zelfs indien men de rasse-eigenschappen – “zichzelf” – herkent in een ander en daarom diens stellingen of leiding gaat volgen. In de huidige dagen is het niet meer noodzakelijk, dat een enkeling optreedt als verpersoonlijking van het ras, de groep. Ieder op zich kan de uitdrukking van de beste waarden in het geheel worden, zo de kosmische waarheid ook in eigen wereld een juistere uitdrukking verschaffende. Nu zal een ieder, dat in de eerste plaats doen vanuit eigen wezen, eigen volk en eigen ras. Daarnaast zal iedereen – aan de hand van de sleutel, die voor hem en zijn ras geldt – moeten en kunnen komen tot een samenwerking met entiteiten op kosmische vlak. In verband met de zich nu op aarde afspelende vernieuwing geldt m.i. dan ook: Wanneer aan de hand van een zich nu ontwikkeld besef een deel van het bestaande vervangen wordt door andere waarden of begrippen, zo is dit een revolutie. Deze behoeft niet altijd in geweld tot uitdrukking te komen. Voorbeeld: Pasteurs ontdekking van de noodzaak tot steriliseren. Dit heeft veel strijd en opstand veroorzaakt. Zoals in elke omwenteling hebben niet de theorieën maar de feiten uiteindelijk gezegevierd. Wanneer in deze dagen een nieuw geestelijk inzicht op de wereld ontstaat en deze vernieuwing een uiting vindt – ook al zou men zelden daarvan horen in de openbaarheid en dringt de vernieuwing en het daarmee gepaard gaande besef allereerst slechts tot zeer kleine groepen door – zo is dit een revolutie. De vernieuwing zal een terzijde stellen inhouden van al het oude, dat niet meer belangrijk, bruikbaar en voor de ontwikkeling van de mens dienstig is onder de huidige omstandigheden. Gelijktijdig houdt dit een opbouw in, waardoor een aanvaardbare en bruikbare opbouw van leringen en inzichten in overeenstemming met nieuwe mogelijkheden en invloeden wordt geschapen. Eerst daarna zal de vernieuwing algemeen kenbaar worden. Elke vernieuwing kan dan ook worden ingedeeld als volgt: A. realisatie, B. strijd, mede inhoudende het verzet tegen de vernieuwing en C. de feiten, die alles bevestigen en de werkelijke vorm van de vernieuwing voor de toekomst bepalen.

Een vernieuwing kan nooit alleen bepaald worden door geestelijke inwerkingen en inzichten. Deze staan aan het begin van het geheel. De feiten, de tastbare resultaten en de praktijk, zullen uiteindelijk bepalend zijn voor de aanvaarding van de nieuwe weg, ongeacht of deze geestelijk is, of zich op ander gebied aankondigt, de praktijk is dwingend voor de mensheid. Elke mens, die in zich een vernieuwing gevoelt, zal daarom mogen stellen, dat hij/zij t.z.t. geroepen zal worden om tekenen te doen en een bewijs te geven van de waarden van de vernieuwing. Een ieder, die dit doet, zal – binnen de sleutel van zijn eigen volk, gebaseerd op de daarin werkzame positief-geestelijke krachten – de resultaten van zijn bewustwording ook met feiten aan kunnen tonen. Alle stellingen zullen uiteindelijk bevestigd moeten worden door de stoffelijke gevolgen. Dit is voor allen, die de vernieuwing aanvaarden en nastreven, zonder haar geheel te kennen, een moeilijkheid, omdat de gewenste proeven zelden of nooit geleverd zullen kunnen worden, zoals men zelf deze wenst te geven.

Degenen onder u, die uit willen gaan om wonderen te doen, zullen moeten beseffen, dat zij uiteindelijk de invloed openbaren en de wil vervullen van het hogere. Zodra men voor zichzelf – of vanuit zichzelf – omtrent het gebruik van krachten en het geven van tekenen wil beslissen, zal men niet meer tot resultaten kunnen komen. De wens van het ik is immers beperkend, niet ordenend en daardoor strijdig met de positieve krachten, die men wil dienen.

De sleutel, die geldt voor een ieder, die de vernieuwing aanvaardt, kan worden uitgedrukt in de woorden: Streven voor geheel de wereld, zonder aan het streven en de vervulling daarvan enigerlei beperking op te leggen. Men zal zichzelf als onbelangrijk dienen te beschouwen en zijn medewerking nimmer mogen binden aan de voorwaarde, dat men zelf de gewenste taak zal mogen vervullen en de noodzakelijke tekenen vanuit zich zal mogen brengen. Belangrijk is slechts, dat door de samenwerking in het geheel de tekenen ontstaan en de werkingen plaats vinden, die voor de vernieuwing belangrijk zijn. Hieruit volgt, dat men in de vernieuwing, die ongetwijfeld enerzijds een veel grotere persoonlijke vrijheid brengt, anderzijds een veel sterkere gebondenheid zal moeten aanvaarden, dan men wel wenst. Men kan niet enerzijds zichzelf dienen, eigen wensen en genoegen nagaan, anderzijds gelijktijdig de grote krachten dienen en een bewustzijn van werkelijkheid en bewustwording in zichzelf kennen. Slechts wanneer door de positieve krachten binnen wereld of groep geen beroep op het Ik wordt gedaan, zal men enige tijd overhouden voor zichzelf. Hierdoor zullen vele mensen – niet alleen in Nederland, maar ook elders – tegen beter weten in, tegen de kracht, die zich in hen uit, in, trachten ook verder redelijk te blijven handelen. Met het “redelijk” bedoelt men dan: De wereld meer in overeenstemming brengen met eigen wensen en genoegens, dan met de als werkelijk kennende noodzaak.

Het zal u duidelijk zijn, dat dit verschijnsel voortvloeit uit de strijd tussen positieve en negatieve krachten, die ik – bij gebrek aan een juistere omschrijving – rassengeesten heb genoemd.

Bedenk verder in dit verband, dat een absolute keuze voor de mens niet reëel mogelijk is. Men kan niet zeggen vanaf heden, of vanaf morgen zal ik geheel positief denken en handelen. Ten hoogste kan men stellen: Ik zal trachten elke dag iets meer positief te denken en te handelen. In de geleidelijkheid van de verwerkelijking van de nieuwe krachten is nu de mogelijkheid gelegen voor de mensheid om te groeien, tot men op uw wereld niet meer verdeeld, maar waarlijk één is. Langs de weg van de geleidelijkheid steeds meer positief wordende ontwikkeling kan op den duur ook een harmonische band worden geschapen tussen allen, die op de wereld leven en alle lichtende krachten in alle sferen.

Naarmate het positieve de overhand gewint – hoe klein ook de vooruitgang schijnt te zijn – zal samenwerking en harmonie in geestelijk en stoffelijk opzicht toenemen. Door vermindering van absolute zelfzucht, zal het chaotische element op aarde steeds meer verdrongen kunnen worden. In de komende dagen zult u dit alles ook op aarde kunnen zien. Veel van hetgeen u meemaakt, is niet veel anders, dan de strijd tussen positief en negatief; het begin van de door mij gesignaleerde verdringing. Vele mensen hebben reeds in zich een begrip van God, dat leeft en niet slechts een stelling of afgodsbeeld blijft. Zoals er velen zijn, die in zich een toenemende drang ervaren een werkelijke behoefte om nieuwe wegen te gaan, waardoor zij de sleutel van deze nieuwe tijd zullen leren hanteren. Dit is voor velen waar, ondanks het feit, dat zij zich er nog niet aan willen aanpassen en zich tegen hun innerlijke drang steeds nog blijven verzetten. Steeds meer zullen de goedwillenden op aarde zich beter aan het geheel aanpassen. Binnen de volkeren, als binnen geheel de mensheid, blijkt dit steeds sterker. Dit is de groei der volkeren.

De groei, die in het begin met een strijd om bezit en macht is voortgegaan en treedt een nieuwe fase binnen. Maar de groei der volkeren op aarde zal eerst waarlijk voltooid zijn, wanneer er geen werkelijke volkeren meer zijn, wanneer een ieder op aarde in de eerste plaats mens is en pas in de tweede plaats zijn land of ras erkent met alle waarden, die daarin gelegen zijn. De mensheid van uw wereld, opgebouwd uit vele verschillende bestanddelen, met allen hun eigen begaafdheden en mogelijkheden, hun eigen fouten ook, is zo opgebouwd, dat bij een werkelijke samenwerking van allen een praktisch perfecte en homogeen geheel kan ontstaan, waarin alle behoeften van de mens op geestelijk en stoffelijk gebied geheel voldaan kunnen worden. Denk niet, dat dit alleen een droom, een toekomstbeeld is, want reeds in uw dagen is overal openlijk zowel de opmars van het positieve kenbaar, als de laatste en daarom verbeten strijd om zelfbehoud van de chaotische elementen. De tekenen nemen reeds in deze dagen toe en zullen steeds veelvuldiger, duidelijker en meer onloochenbaar naar voren treden, tot de mensheid deze niet meer kan minachten, daaraan niet meer voorbij kan gaan.

De waarden van het innerlijk pad en de werking van het Gouden Licht

 Zoals gebruikelijk zullen wij in dit tweede deel van de bijeenkomst weer met elkaar spreken over de esoterie, de waarden van het innerlijk pad en de werking van het Gouden Licht. Het lijkt mij nuttig om weer eens wat citaten aan te halen, om aan de hand van hetgeen de wijzen op aarde hebben gezegd – en in een enkel geval ook, wat in de sferen geleerd wordt – beter te beseffen, wat dit gouden licht nu eigenlijk is. Om te beginnen citeer ik een Perzische wijsheid, die ik helaas niet in de juiste versmaat kan vertalen, omdat ik daardoor de duidelijkheid en de inhoud zou moeten schaden:

“Een siddering als van trillende berken,
een zucht in mij als van de wind,
wordt tot een licht, een gloed en een kracht,
die mij toont, wat ik ben.
Nu is het volbracht, ik ken mijzelf,
als der schepping kind.”

Hier is een poging gedaan om het licht, de nadering van het licht ook, als een beleving duidelijk te maken. Wanneer je begint te streven en daarbij alleen uitgaat van de menselijke gedachten van de filosofie, komt er een ogenblik, dat het je lijkt, dat je t.o. een ledig staat.

Het is, alsof je ergens in de tijd een afgrond vindt, of ergens in de sferen een einde komt aan de wereld en een verdergaan niet meer mogelijk is. Wat er verder is, kun je niet begrijpen. De rede staakt, begrip is niet meer mogelijk. Wanneer je dan toch volhoudt, komt er een ogenblik, dat je een visioen volgt. Dan ben je als Petrus, die over de wateren wandelt en vergeet, dat er voor je een niets, een afgrond, is. Op dat ogenblik begint er een eigenaardige werking in je, het is een gevoel. Het is als een siddering, als een zuchten van de wind, zegt de dichter.

De omschrijving van Gods nadering als wind hebben wij ook elders aangetroffen, zelfs in het Oude Testament. In deze eigenaardige beroering ontstaat dan opeens een licht. Stel het u voor als het uitwaaieren van een licht, dat je wezen beroert. Opeens kun je weer zien. In en rond je is alles opeens van een verbluffende klaarheid, helder en doorzichtig.

Natuurlijk kunnen wij een dergelijk ogenblik van verrukking niet blijvend behouden. Zoals een andere denker eens meditatief heeft gezegd:

 “Soms ga ik uit en koester mij in de gulden lichtende kracht van de Oneindige. Juist wanneer mijn ziel uitroept: Hier wil ik eeuwig vertoeven, val ik terug en vind mij in eigen beperkingen weder. Dan ben ik treurig om het paradijs, dat ik niet meer bezit”.

In deze woorden komt er iets door van het verschil tussen het beleven van het hoogste en het eigen bestaan. Op het innerlijke pad zullen wij dit terugvallen tot eigen leven en bestaan steeds weer ontmoeten. Wij kunnen niet verwachten, dat het Goddelijke, het Gouden Licht, het contact met het kosmische, voor ons blijvend kan zijn, vóór wij een algehele harmonie met de oneindigheid hebben bereikt. Eens zal dit misschien mogelijk zijn, maar wij zijn eerst een klein deel van de weg gegaan en staan nog voor zoveel sferen, die wij moeten doorleven en doorgronden, dat het ons onmogelijk is de eenheid met het Hoogste blijvend te ondergaan. Toch komt het contact met het Gouden Licht steeds weer. Wanneer je dit eenmaal hebt doorgemaakt, ontstaat er in je wezen een soort echo.

Ik ontleen dit beeld aan een christelijke mysticus, die eens schreef:

 “Wanneer ik bid tot mijn God en in gedachten Hem aanschouw moet ik terugkeren tot mijn wereld; maar wat ik ook zeg, de woorden Gods klinken als een echo achter mijn eigen woorden aan”.

Waarmee hij bedoelde, dat het eeuwige, wanneer men het eenmaal beleefd heeft, door blijft klinken in alle dingen, zodat het haast een echo lijkt van alle normale dingen in het dagelijkse leven. Ik meen, dat met het voorgaande het Gouden Licht wel heel mooi is omschreven. Kunnen wij ooit denken aan een werkelijkheid, die niet ergens een achtergrond heeft, die verder gaat, dan onze eigen begrippen? Wanneer je alleen van de feiten uit moet gaan, bij esoterie, magie e.d., blijken deze dingen geen kracht te hebben. Zij zijn en blijven dor en leeg. Eerst wanneer ergens achter de woorden en begrippen, de rituelen, een echo van het Goddelijke mee gaat klinken, zodat wij aanvoelen, dat het juist is, heeft het waarde. Eerst wanneer wij innerlijk gevoelen, dat achter ons eigen leven een ander, groter leven schuil gaat, dat ons draagt en geleid, heeft het leven zin voor ons en kunnen wij steeds verder gaan, zonder ooit te aarzelen of moe te worden. De Koerden hebben voor dit gedragen worden door God wel een heel eigenaardige uitdrukking gevonden. Deze Koerden zijn in de ogen van anders denkenden duivelsaanbidders, ofschoon dit niet geheel waar is. Ook zij kennen hun priesters en grote denkers. Enkelen onder hen hebben vanuit hun geloof getracht het esoterisch ervaren vast te leggen.

“Wanneer ik het duister zie, zo vrees ik het duister en offer, opdat het mij niet zal schaden of verslinden. Wanneer ik het licht in mij voel, zo keer ik het duister de rug toe, want ik weet mij door het leven zelf gedragen. Slechts wanneer de eenzaamheid mij bedreigt en ik mij afvraag, of het wel zin heeft te leven, keer ik mij tot de heer Pauw – de heer van het duister – breng hem offers, opdat hij mij vrede laat. Dan eerst zal ik kunnen herwinnen het lichtende, dat voor mij het leven is”.

Op het eerste gezicht lijkt dit niet juist. Maar wanneer wij even verder nadenken over de betekenis ervan, zo meen ik toch te mogen stellen, dat wij ook hier aan de rand van een esoterische werkelijkheid staan. Wij kunnen het Gouden Licht wel altijd erkennen, steeds weer voor onszelf herhalende, dat God liefde en kracht is. Maar op een bepaald ogenblik lopen wij vast en kunnen wij vanuit onszelf niet verder gaan. Dan gevoelen wij ons eenzaam. Wij keren tot onze eigen beperkingen terug en ervaren deze als duister. Indien wij niet toe willen geven, dat dit duister inderdaad bestaat, dat het werkelijk is, zo zullen wij voortgaan, zonder te weten waarheen en door het duister worden verzwolgen. Wij zullen wijs doen te erkennen, dat ook in de esoterie ergens een grens voor ons bestaat. Een grens tussen het Goddelijke, de innerlijke vrede, de vreugde van het leven en de wereld buiten ons, die zorg, strijd, duister, desnoods het kwade, voor ons betekent. Deze dingen bestaan nu eenmaal en wij kunnen niet in waarheid leven en streven, terwijl wij weigeren te erkennen, dat ook deze dingen deel van ons leven zijn.

Wanneer wij het Gouden Licht erkennen, moeten wij toch de moed opbrengen om te zeggen:

“Nu staan wij t.o. het duister. Laat ons ook dit duister erkennen, zelfs wanneer dit voor ons een offer betekent”.

Dit doen de z.g. duivelsaanbidders, wanneer zij een offer brengen aan heer Pauw. Zij erkennen zijn bestaan en macht en kopen zich zo vrij van het duister, opdat voor hen het licht weer in het leven kenbaar moge zijn. Er is hier reeds meer gesproken over eenzijdigheid en gewezen op het feit, dat eenzijdigheid van levenserkenning voor de bewustwording fataal kan zijn. Ik vertaal u vrij een uitspraak van een Chinese dichter-filosoof:

“De Goden van het Noodlot wegen de waarden van de mens. Nu eens rijst de ene schaal, dan weer stijgt de andere. Slechts waar er evenwicht bestaat, zal de mens de Goden en zichzelf kunnen leren kennen. Dan is het hem eerst mogelijk het voor hem juiste pad te gaan; dan erkent hij zijn juiste plaats in het leven en is zijn bestaan in overeenstemming met Tao”.

Een treffend beeld. Wij zijn immers voortdurend onevenwichtig en stijgen nu geestelijk te hoog, dan weer stoffelijk te laag. Wij dienen ergens de kracht te vinden om evenwichtig te leven en toch al, wat boven ons is, in eigen wezen te dragen, zonder daardoor de waarden, die onder ons liggen, geheel te ontkennen. Dan eerst kunnen wij werkelijk leven. Het Gouden Licht wordt natuurlijk ook in vele magische gezangen verheerlijkt. In de oudheid hebben zeer vele mensen de zon gezien als het zichtbare beeld van dit licht.

Zo zingt een oude Egyptische priester:

 “O, gij machtige zon, wanneer gij rijst op de vleugelen van de morgen, wanneer gij vaart langs de hemel in Uw zonneboot, zijnde licht, gloed, glans en kracht, weet ik, dat gij leeft in mij; erken Uw Zijn ook in mijn wezen.. Zo gij daalt en de nacht komt, zeg ik: Hoe goed, dat de dag voorbij is, want ik kan Uw gloed en grootheid niet onbeperkt doorstaan. Maar in de nacht herwin ik het heimwee naar Uw komst op gouden vleugelen”.

De vertaling is wederom zeer vrij. De zin bleef geheel behouden. Is dit niet een waar beeld van het leven? Wij willen streven, wij willen in en vanuit onszelf verder gaan. Wij willen het Gouden Licht voortdurend sterker en intenser erkennen, maar wij kunnen dit licht niet onbeperkt verdragen. Een mens, die wat extra zon nodig heeft, gaat in uw dagen wel onder een zonnelamp liggen. Indien men dit voor enkele minuten doet, zal dit heilzaam zijn. Indien men te ver gaat en bv. enkele uren zich laat bestralen, ontstaat er grote schade en zou zelfs leven en gezichtsvermogen bedreigd kunnen worden. Zo is het in het geestelijke werk eigenlijk ook, zo is het ook op het esoterische pad. Wij moeten natuurlijk zoeken naar het Gouden Licht, naar deze openbaring van kracht. Wij beseffen immers zeer wel, dat dit licht voor ons noodzakelijk is en de kracht uit dit licht voor ons zeer nuttig kan zijn. Wij moeten uit dit licht leven. Het zal zin geven aan ons bestaan. Er komt echter weer een ogenblik, dat wij niet langer het licht kunnen verdragen, dat de kracht ons eerder zou schaden dan helpen.

Denk nu niet, dat de terugkeer naar eigen wereld en besef van beperkte menselijke of geestelijke dingen een vloek is. Wanneer onze Egyptenaar zegt, dat hij in de nacht heimwee naar het licht krijgt, zo betekent dit ook, dat hij in de nacht reeds voorbereidselen voor de wederkeer van het licht zal treffen, zo moeten ook wij, juist wanneer het licht eens niet innerlijk kenbaar is juist wanneer het Goddelijke niet als een kracht in ons kenbaar is, ons voor weten te bereiden op het ogenblik, dat die kracht zal komen, dat dit licht ons weer zal beroeren. Een Indiër zei het op zijn manier; hij vergeleek daartoe de mens met een vaas:

“Gij, grote God, gij vult de vaas des levens met Uw gulden vloed en ziet, hoe goed is het om stralend vreugdig voort te gaan maar ook gij schenkt ons leed. Is ons dan de waan gekomen en gegeven, dat wij de gloed zijn, gulden licht, dit noemende ik en leven, zo zullen wij, met wat gij uit ons neemt, ook zelf ondergaan”.

Alweer “helaas”, want de versvoet, de klank, de magische klank zijn in uw taal niet te imiteren. Maar aan de andere kant is dit beeld toch wel duidelijk en waar. Wanneer wij stellen:

“God in ons is alles”, dan is dit volkomen juist en waar. Wanneer God in ons leeft, wanneer God in ons werkt, wanneer God kracht in ons is, dan is dit een vervulling. Dan ben je meer, dan jezelf. Dan spreek je woorden van diepe wijsheid, die je later zelf aarzelend en zonder erkennen onderzoekt; dan gaan er krachten van je uit, dan vorm je rond jezelf een sfeer van vrede, of vol intense vreugde. Later vraag je je af: Was dit alles nu werkelijk van mij uit? Was dit alles werkelijk in mij gelegen? Juist wanneer je langere tijd dit licht mag dragen – en wanneer je het innerlijke pad gaat – gebeurt dit vaak, ben je geneigd te stellen: “Dus dit ben ik ben licht, ik ben de kracht”. Wij zeggen dan nog wel heel nederig: “Het is God, die werkt door mij”, maar innerlijk stellen wij, dat dit een onvervreemdbaar deel is van ons bestaan; iets, waar wij niet buiten kunnen. Dan komt er een ogenblik, dat het niet meer gaat. Dan is de kracht er niet meer, dan stralen wij geen vrede en vreugde meer uit. Dan bezitten wij het licht niet meer. Wie meende, dat dit alles deel van zijn eigen wezen was, zal verward zijn en uitroepen: “Ik ben dood. Er is geen werkelijk leven meer in mij. Ik ben door alles verlaten”. Dit is natuurlijk niet waar, want wat je zelf bent, bestaat nog steeds. Vooral wanneer wij in de stof leven, moeten wij niet trachten ergens God te zijn. Wij kunnen dit immers niet. Wij moeten alleen trachten te zijn als een vat, waarin God zijn licht kan doen vloeien, kan laten rusten, of werken, volgens Zijn wil. Wij moeten zijn als een edelsteen, die Gods licht steeds weer volgens Zijn wil weerkaatst. Wij moeten een werktuig zijn, waardoor de Goddelijke kracht op eenvoudige wijze kan worden overgebracht, volgens Zijn wil en inzichten. Altijd weer moeten wij voor alles beseffen, dat wij zelf niet het licht, de kracht zijn, maar alleen een werktuig. Wanneer je dit begint te beseffen, krijgt het Gouden Licht wel een heel bijzondere betekenis voor je. Het is moeilijk voor mij dit alles in woorden uit te drukken. Wanneer je weet, wat je zelf bent, met alle fouten en gebreken, met alle moeilijkheden en deugden en toch kunt zeggen: “Ik wil mijzelf zijn” en dit ik gebruiken als werktuig voor de kracht, die mij helpt, waaruit ik ontstaan ben, dan eerst leef je op de juiste wijze. Wanneer ik zeg: “Ziet, ik ben een God’’, word ik door de Goden verslagen. Doch zo ik zeg: “De wapens, die ik voer, zullen de wapens van mijn God zijn, zo komt het ogenblik, dat Hij mij zijn lichtend zwaard geeft, opdat ik met Zijn kracht mijn vijanden uitvaag”.

Vrienden, wij moeten begrijpen, dat wij onszelf moeten zijn en toch gelijktijdig het hoogste in onszelf mogen aanvaarden, verwerken en uiten. Dan zullen wij ook beseffen, dat wij uit het licht, dat nu met ons is, de kracht zullen kunnen putten om voort te gaan, wanneer het ons voor een ogenblik verlaat.

Heeft u dit alles begrepen, dan kunnen wij verder gaan naar de volgende les. Wij zullen trachten te begrijpen, wat nu feitelijk de kracht en de inwijding van het Gouden Licht is. Het Gouden Licht is niet Gods onverhuld gelaat. Het is eerder de zachte schijn, die Hij ons geeft. Een licht, dat wij kunnen verdragen, een vage gestalte, die wij bijna kunnen zien. Het Gouden Licht is in ons een stem, die – geluidloos sprekend – ons de geschiedenis vertelt van heel het Al, van ons eigen leven en ontstaan, een stem, die ons de toekomst onthult en het einddoel doet zien. Het is een stem, die zo zacht en fluisterend spreekt, dat – al kunnen wij haar verstaan, terwijl zij spreekt – de woorden voor ons teloor gaan een ogenblik, nadat zij in ons zwijgt. Wanneer wij, elk op onze eigen wijze, streven naar dat licht, zo zal dit licht in de eerste plaats wel tot ons komen als een gevoel, een halve droom, een toestand van onwerkelijkheid. Zouden wij die onwerkelijkheid buiten het dagelijkse bestaan willen stellen, er een kerkdienst van willen maken, een Goddelijk beleven of een roes, dan zijn wij het licht, de kracht, reeds kwijt, is alles reeds voor ons verloren, voor wij ingewijd kunnen worden tot een nieuw begrip en uit kunnen gaan in een volgende fase van ontwikkeling. Indien wij kunnen beseffen, dat dit licht een deel van ons bestaan is en met ons gaat, dag na dag, zelfs indien wij het niet kennen, wetende, dat elke gedachte, die wij denken, elke daad, die wij stellen, iets van dit licht in zich draagt, zo behouden wij alles. Wanneer het noodzakelijk is, zal het licht dan tot ons spreken.

Om dit alles duidelijker te maken, wil ik nu teruggrijpen op een lering, die ik in de sferen heb gehoord. Ik hoop, dat zij voor u te volgen is. Zo nodig zal ik daarna trachten te verklaren, wat onduidelijk bleef. “Wanneer het licht in je leeft, de wereld verbleekt tot ijle waan en al vervuld is van flonkerend, levend goud, los en luchtiger, dan de wind en toch de eeuwigheid vervullende, besef dan: Hier ben ik; ik ben mijzelf. Want nog is het ons recht niet, het ik verliezend, op te gaan. Besef het goud, dat je ziet, besef jezelf en de gouden gloed zal gestalte aannemen. Zij wordt tot een beeld van jezelf, dat je aan jezelf toont en je zegt, hoe verder te gaan…. Vraag niet aan het licht “geef mij kracht”, vraag niet aan God om rijkdom, vraag niet de kracht “geef mij een wereld vol vreugden”, want dit alles kan u waarlijk geschonken worden. De grootste gave is, dat u in het Gouden Licht, volgens de waarheid uzelf zult verschijnen. Geeft acht op uw beeld en aanvaardt uzelf, zoals u bent. Stel: Dit is mijn wezen, dit is mijn taak, dit is mijn werkelijkheid. Zeg dan tot uzelf: Deze gouden vreugde zal ik in mijzelf nemen, zo goed ik kan, haar schenkende aan een ieder, die daarom vraagt. Want het geheim van het Gouden Licht is de rijkdom, die gelegen is in het kunnen schenken van het Gouden Licht. Ons is het een gave.

Door het Licht te geven aan anderen, maken wij het voor onszelf eerst tot blijvende werkelijkheid. Het Gouden Licht, dat in jezelf leeft, kun je niet zien en begrijpen. Dat zegt niets in je wereld en zal nooit tot een werkelijk begrip voor je kunnen worden. Het Gouden Licht, dat je verder hebt mogen dragen en aan anderen hebt mogen geven, al is het een ziel, die je voor een ogenblik opheft uit duistere sfeer, een mens, die je een ogenblik lang vreugde en troost schenkt, zo is dit een blijvende waarde. Daarom: Geef licht, opdat ook uw eigen wereld lichtend worde. Vraag niet aan jezelf: Wat behoud ik, van hetgeen ik geef? Dit is de eerste sleutel, dit is de eerste les en eerste taak. Wie dit al beseft en leeft, zal het Gouden Licht voortdurend, tot zich voelen keren en het in zich ontmoeten, een steeds weer zich vernieuwende kracht, een steeds groeiende werkelijkheid. Dan zal het licht u uiteindelijk zeggen: Dit is mijn naam. U zult die naam in uzelf stamelen en bewaren als een zoet geheim. Spreek die naam nimmer uit, gebruik haar niet als machtwoord of magisch akkoord, maar laat haar steeds in uzelf herklinken, wanneer u meent: er is geen licht. Dan zal er licht zijn, want de naam, die in u groeit, is de band met het licht, beeld van uw wezen, dat gehuwd is met de krachten van de eeuwigheid. Geef dan van uw licht, uw kracht en vreugde, steeds meer, steeds krachtiger, opdat u uzelf mag leren kennen.

Zo u geleerd hebt te zien, wat uw wereld is, beseffende, dat grenzen tussen werelden en sferen niets dan waan zijn, die uit het onvolmaakte Ik geboren worden, keer tot het licht terug. Zeg dan tot het Licht: “Ik ken U in duizend kleuren, maar niet Uw wezen. Ik ken in mij Uw naam, doch nu wil ik ondergaan zonder meer. Laat dan het Licht in u trillen als een werkende kracht, laat het u geheel onthullen en zeg niet; ik wil zien. Zoek niet meer naar pracht en volheid, zoek zelfs niet meer naar al, wat het u kan openbaren, maar draag het in uw wezen en laat het op u inwerken als een koesterend licht, dat in u de veelheid van kleuren doet verbleken tot uw wezen, uiteindelijk tot eenheid geworden, een weerkaatsing van het levende goud is. Wie veel heeft geleerd en veel heeft gegeven zonder te vragen, zonder enige voorwaarde te stellen of bepaling te aanvaarden, zichzelf zijnde en vanuit zich gevend, wordt waarlijk tot deel van het licht. Wanneer u nu deel bent van het licht, zal de naam, die u in u draagt, groeien en worden tot een taak en een woord. Misschien zult u uzelf dan uitgestoten zien door deze taak uit de lichtende werelden, dalend tot het diepste duister, of gebonden in de stof, zo uw wereld van eenheid en geluk verlatende. Beperkt door uw taak en toch één met het lichtende Zelf, zult u dan vanuit uzelf het licht dragen en geven, zo uw taak verwezenlijkende. Licht zult u geven, niet als deel van uzelf, maar omdat u deel van het licht bent. En zo uitgaande, zult u volbrengen”.

“Het is daarom” zo besloot onze vriend, “dat wij met elkaar delen het symbool van de lichtende zuil, het brood van de Broederschap, de eenheid, die is de samenklank van de zielen. Want dit is reeds nu in ons de uitdrukking van het licht, dat wij eens zullen mogen schenken. Dit alles is ook de uitdrukking van onze hoop, dat wij eens waardig zullen zijn, om ongeacht wezen, werken en Zijn, als deel van het licht te mogen dragen en vertegenwoordigen, wetende, ik ben, maar niets ben ik, tenzij ik ben in het Lichtende”.

Hier heb ik getracht gedachtebeelden om te zetten in woorden. Ik heb getracht u duidelijk te maken, hoe groots, hoe heilig, dit Gouden Licht voor ons is. Dit Licht bestaat voor u zowel als voor ons, want het is overal. Wanneer u in uzelf begint alleen maar theorieën op te bouwen, u blijvend vastklampt aan een dogma, zult u het licht niet vinden. Indien u de moed hebt om te zeggen: “Laat het Licht mij leiden, ik zal aanvaarden en werken, met wat ik ben, vervullende hetgeen mij nu is opgelegd als taak”, dan zult u het Licht ontmoeten en aanschouwen. Vraag uzelf dan niet af, wat dit licht u eigenlijk is en wat u er nu eigenlijk mee kunt doen. Schenk het weg, waar u kunt. Zo zult u ook in het Licht uzelf leren kennen.

Dit is, geloof ik, de eerste en belangrijkste stap op elke weg van bewustwording. Weet, wat je bent, maar besef ook, dat, wat je bent, veredeld kan worden door het licht, dat je geeft. Als je dat eenmaal beseft, wanneer je niet alleen maar leeft, wat je nu meent te zijn, benepen, begerig, bekrompen en angstig, maar het licht leeft, wat in je bestaat, dan zul je je ook niet meer ergeren, of wanhopig worden over een periode van daadloosheid en schijnbare stilstand.

Je zult weten: Wanneer het noodzakelijk is, leeft het licht in mij. Ik ken nu mijzelf en weet, dat ik dienen mag als deel van de lichtende kracht.

Eens komt er een ogenblik, dat je dit licht moet en zult geven; een ogenblik, dat je niet anders kunt. Dan voel je veel meer, dan je ooit beseft te kunnen volbrengen. Dit alles geldt zowel in uw wereld, als in onze sferen. Alleen daaruit kan een werkelijke bewustwording tot stand komen.

Misschien vindt u, dat ik met mijn esoterie hier en daar aan de populaire kant ben gebleven, maar, vrienden, indien wij beseffen, wat het Gouden Licht werkelijk is, dan zullen wij het niet meer nodig hebben naar ingewikkelde formuleringen te zoeken. Dan hebben wij geen boeken en geen inwijdingsscholen meer nodig, dan is er geen behoefte meer aan oude wijsheid, of de leiding van een meester. Deze dingen hebben wij alleen maar nodig, tot wij het licht in onszelf hebben kunnen aanvaarden. Daarna kan dit alles voor ons alleen nog maar een bevestiging, een versterking, van ons eigen ervaren en weten betekenen. Maar het Licht is de kracht, waarmee de grote weg van de werkelijke inwijding begint: Onze werkelijke bewustwording.

Ik meende dan ook dat ik eenvoudig mocht blijven. Voor hen, die dit alles eigenlijk te eenvoudig vonden en dus liever iets hebben, waarover zij zich de hersenen kunnen vermoeien, zal ik nog enkele citaten geven. Misschien, dat de anderen, die toch ergens gegrepen zijn door de woorden, die ik trachtte te vinden om de betekenis van het Gouden Licht in de bewustwording duidelijk te maken, zullen zeggen: Het is vreemd, maar het lijkt mij, dat ook dit het licht iets dichter bij mij brengt, want de oude wijsheid, de oude woorden, het nieuwe licht, stammen eigenlijk uit een en dezelfde kracht.

“In het zand der woestijnen, in de onstuimigheid der zeeën, in de groene vruchtbaarheid van het land is een en dezelfde kracht, werkt een en hetzelfde leven. Waar ik ook ga, het leven is en het leven blijft bestaan. Uit de volheid van het leven wil ik gedragen worden. Ik wil zijn als het zand der woestijnen, als de woeste golven der zee, als het statig ruisende groen van oude bomen. Ik wil zijn als de lucht, als de vogels, als de drijvende wolken, maar bovenal wil ik zijn als de bewuste geest, die – levende alle dingen en voelende alle dingen – volmaaktheid schept uit het Gouden Licht, opdat het verblindende licht zich openbare, opdat het kleurloze, dat verborgen is achter de tronen vol glans, zal erkennen mijn wezen en zeggen: “Zie, dit is waarlijk deel van mijn wezen”, zo spreken sommigen. Ieder drukt het uit op zijn eigen wijze.

“Wanneer ik moet gaan over de smalle brug, die de vallei der verdoemden overschaduwt, wanneer ik binnen schrijd in de paradijzen, de 7 hemelen doorloop, of treden mag voor de troon van Hem, die alle dingen schept, ik zal mijzelf zeggen: Eén zijn alle krachten, één is God, één is God in mij en met mij. Ik erken slechts één God en Zijn werkelijkheid in mijn bestaan, mijn wezen en mijn leven. Wat zijn vormen, wat is hel, paradijs, zolang God in mij leeft? Zonder God ben ik niet. Zolang ik God aanvaard en besef in mijzelf, ben ik met Hem in het hoogste der hemelen, met Hem in alle hemelen, die het paradijs vormen, met Hem in alle werelden. Zelfs dsjehenna zal mij dan niet pijnigen, uitwerpen, of ontkennen, want in Hem leef ik in alle dingen, machtiger dan al, wat niet erkent. Machtig, terwijl ik mij bewust van mijzelf ben, alleen omdat God in mij leeft”.

Een vroeg-Perzisch lied:

“Ik kwam uit de woestijn en zag een roos. Haar schoonheid was bedauwd, haar wezen heeft mijn hart beroerd. Plotseling was er geen woestijn en geen dorst, doch slechts de roos, die sprak tot mij van leven en van vreugde. Ik ging door de bergen, ik zag een schim op de wolken en erkende mijn wezen. Ik leerde mijzelf niet te vrezen, ik zag boven mij vochtig wit de blauwheid van het hemelruim. Ik zei tot mijzelf: Hier vindt gij de vrede. Ik was de hemel, ik wás de berg, ik was de wolk, die vlokkig dreef. Ik was mijzelf, een eenzaam starende naar Niet, terwijl ik achterbleef, alleen op het pad van de karavaan”.

Na meerdere coupletten:

 “Ik trad voor mijn vorst en mocht binnen gaan. Ik zag de kristallen zuilen, ik stond voor de gouden troon en boog mij. Maar ziet: dit alles leek mij een hoon vergeleken met de schoonheid, die nog leeft in mij. Want hoe stil zijn de weiden, geladen met verwachten. Hoe schoon is ook de zon, gouden boog aan de hemel, beeldende de kracht, die in mij leeft. Hoe schoon zijn de rozen van daden en gedachten, die bloeien langs de weg. Hoe schoon is de wereld, die in mij leeft. Een tempel, getrokken uit kristal, een wereld, levende uit vloeiend goud is mijn paleis. Zal ik dan nog voor vorsten beven, zo mij de schoonheid kracht en eeuwigheid als deel van leven diep in het hart is toevertrouwd?”

Met deze, misschien wat onvolledig vertaalde, wijze gedichten wil ik mijn betoog beëindigen. Ik hoop, dat tot u door zal dringen, wat ik ook hiermee wilde zeggen: Wees één met het Licht, waar je kunt, draag de schoonheid ervan in jezelf.

Dit is genoeg. Wat kan je verder nog gebeuren, wanneer je dit bezit? Dit is je kracht, je vreugde. Leef uw wereld vreugdig in het Gouden Licht, niet eisende, dat het altijd met u is als kenbare gloed, maar beseffende, dat het steeds weer kenbaar met u zal zijn, wanneer het u noodzakelijk is, wanneer u maar kunt leren uzelf soms te vergeten.

image_pdf