Harmonische invloeden

21 oktober 1968

Ik zou ditmaal in het eerste gedeelte met u willen spreken over bepaalde elementen van het leven, die erg belangrijk kunnen zijn.

Wanneer wij met de esoterie bezig zijn, begin je altijd jezelf goed te bezien. Ik kan mij voorstellen dat iemand zich soms af­vraagt, wat er dan eigenlijk wel aan te zien is want je weet ei­genlijk zo ontzettend weinig over jezelf.

Nu zijn er echter verschillende elementen, die je op den duur leert onderscheiden. Enkele daarvan zijn de z.g. harmonische, d.w.z. die speciale invloeden – en ook speciale gebeurtenissen – waarop je bijzonder sterk reageert.

Daarnaast hebben we de z.g. geconditioneerde reflexen of reac­ties; dat zijn de omstandigheden, waarbij u dus geen volledige vrij­heid van handelen hebt, omdat uw instinct overneemt.

En ten laatste kennen wij in dat leven een z.g. werkelijkheids-verwisseling; d.w.z. dat het ego op een bepaald moment zijn reali­teit a.h.w. verwisselt voor een andere en daarbij dus komt tot be­levingen die niet in overeenstemming zijn met datgene, wat krach­tens de normale wereld, het normale milieu, verwacht zou kunnen worden.

De esotericus is geneigd vooral dit laatste aan te slaan als een hoge of een bijzondere beleving. Ik hoop u zo dadelijk duidelijk te maken dat dit niet altijd het geval behoeft te zijn.

Wat betreft de eerste invloed zijn er zeer veel mensen die dan spreken over toeval, over een bepaald worden door het milieu en al die dingen meer. Maar wanneer we eerlijk zijn moeten we zeggen:

We hebben een gedachtewereld, waarin een bepaalde verlangen­sfeer bestaat. We hebben dus een reeks denkbeelden en verlangens, die voor ons meer of minder werkelijk zijn. En deze blijven eigenlijk een heel leven door een rol spelen. Zij variëren uiteraard van zeer hoog geestelijke tot zeer laag-bij-de-grondse waarden, maar ze blijven het hele bestaan door inderdaad invloed uitoefenen.

Deze begeerten – als ik ze zo noemen mag – blijken echter lang niet altijd even sterk op de voorgrond te treden. Er zijn tijden dat je buitengewoon geneigd bent a.h.w. naar buiten toe te reageren. Er zijn ook tijden dat je met de droom eigenlijk in een hoekje kruipt. Wanneer je de moeite neemt om eens te controleren hoe dat in elkaar zit, dan ontdek je dat er betrekkelijk vaste perioden optreden, waar­in de mens naar buiten toe verwezenlijkt of tracht te verwezenlijken; en dat ook de droomperiode (het in een hoekje zitten) wel degelijk in perioden in te delen is. Dit is een voorbeeld van een harmonische werking. En we behoeven nog niet direct de astrologie hoog ten he­mel te heffen als een banier van de enige waarheid, om te beseffen dat ook in de astrologie het mogelijk is bepaalde periodiciteiten te berekenen.

Deze z.g. hemel-invloeden en daarnaast de minder gemakkelijk bepaalbare kosmische invloeden hebben nu een bijzondere eigenschap. Zij geven een in verhouding zeer geringe stimulans, waarbij degene, die in een bepaald opzicht maar net evenwichtig is, doorslaat. Er is dus een onevenwichtigheid, die normaal verborgen blijft; maar die tot uiting komt wanneer die invloed optreedt.

Dat onevenwichtig zijn kan vanuit ons standpunt ten goede zijn zo goed als ten kwade. Maar het is een onevenwichtigheid. En daar­om kunnen wij zeggen: harmonische beïnvloedingen spreken aan op die waarden die in onszelf bestaan en in een zodanig labiel evenwicht verkeren, dat elke beïnvloeding de reactie van de persoonlijkheid verandert.

U zult nu begrijpen, dat er dus helemaal geen karma of noodlot nodig is om u op een gegeven ogenblik te stimuleren. Zoals naar men mij vertelt men dit ook doet bij sportlieden, die door vitami­nen of andere preparaten tot een grotere strijdlust kunnen worden opgewekt, waarbij zij bovendien gemakkelijker de eigen reserves aan­spreken. Dit wordt bij sportlieden gecontroleerd gedaan en dan heet het doping. Wanneer het vanuit de kosmos komt, noemen wij het toe­val. Maar in beide gevallen hebben wij er iets over te zeggen.

De esotericus, die zijn persoonlijkheid en zijn gedrag alleen maar beoordeelt aan de hand van de evenwichtigheden, zal nooit beseffen wie en wat hij is. Want juist dit doorslaan in een be­paalde richting – ook in een bepaalde periode – maakt duidelijk, dat wij op een bepaald punt evenwichtig of onevenwichtig zijn. Elk labiel evenwicht is een niet-geuite onevenwichtigheid, vergeet u dat niet.

Weet ik eenmaal welke punten in mijn bestaan onevenwichtig zijn, dan wordt de zaak betrekkelijk eenvoudig. Ik ken mijn zwakke kanten. En wanneer de impuls komt, kan ik nu bewust reageren. Daarmee is natuurlijk het wankele evenwicht niet opgeheven en ook blijft de stimulans bestaan, maar omdat ik haar verwacht brengt zij mij niet tot reacties, die – zullen we zeggen – buiten het normale vallen. Ik krijg dus een aanpassingsmogelijkheid aan mijn wereld, maar daar­mede ook een aanpassingsmogelijkheid – en dat mogen we niet vergeten – aan mijn eigen meer geestelijke instelling en verlangens.

Bij harmonische factoren kunnen wij nooit zeggen, dat wij er ons aan onttrekken kunnen. We moeten wel zeggen, dat hun werking door ons bepaalbaar is zodra we ze erkennen. En dat is dus een zeer in­teressant punt voor iedereen, geloof, ik. Want bij de zelfkennis komt het aan op het erkennen van eigen onevenwichtigheden, waardoor ze beheersbaar worden.

Dan wil ik het even over punt 3 hebben, want dat is ook nogal belangrijk.

Wanneer ik in een toestand verkeer, waarbij mijn werkelijkheid voor mij een andere wordt, dan kan dit zuiver materieel gebeuren. Ik zie eenvoudig dingen die er niet zijn. (Dat loopt vanaf de roze olifant tot de geest van grootmoeder) Het kan zijn dat ik op een andere manier de wereld zie. Mijn waardering verandert en daardoor de samenhang. En ten laatste, ik kan – wat men noemt – uittreden.

Nu moet u goed begrijpen dat het bewustzijn van elke mens zich verder uitstrekt dan het normale dagelijkse milieu. Dat betekent dat er dus altijd in u en in iedereen factoren zijn, die niet behoren tot het algemeen erkende. Op het ogenblik dat u ze u realiseert, meent u heel vaak dat er hierbij sprake is van een grote geestelijke beleving of zoiets. Maar dat is helemaal niet noodzakelijk. Want het kan evengoed zijn dat u eenvoudig invloeden en indrukken die u hebt opgedaan, maar niet bewust kon verwerken, projecteert als een afzonderlijke beleving.

Dan volgt hieruit dus, dat de esotericus zich nimmer kan be­roepen op enigerlei beleving als bewijs voor het peil dat hij heeft bereikt. Uittreding op zichzelf is geen bewijs van geestelijke rijp­heid. Het is alleen een bewijs van het vermogen zich te projecteren in een andere dan de lichamelijke werkelijkheid. Dat is alles.

In de esoterie krijg je te maken met dit aspect op een heel eigenaardige manier. De mens zoekt in zich naar God. Nu kan hij in zich die God maar heel moeilijk vinden. En dan is die God niet meer te definiëren. Wat doet hij dus?

Hij begint voor zichzelf een beeld van God op te bouwen en hij projecteert dit buiten zich. De mens weet wel: het is in mijzelf. Maar hij heeft het gevoel of hij in zichzelf een soort kathedraal binnengaat, waar i.p.v. een altaar de liefdevolle God op een soort troon zit als een lichtwolk tussen twee engelenvleugels of iets anders.

Hier is geen sprake van een reële ontmoeting met God. Maar de mens, die deze ontmoeting met God beschouwt als een rechtvaardiging van zijn wezen, van zijn bestaan, van zijn streven, is niet geneigd om kritisch te zijn.

In een normaal geval krijgen we dan te maken met mensen die zeer eenzijdig gedreven zijn, omdat ze een boodschap of een zending hebben gekregen.

Wanneer wij te maken krijgen met mensen die een beetje minder evenwichtig zijn, krijgen we de typen die overal horen wat God van hen verlangt. En dat is de ene keer iemand een appel geven, maar een volgende maal iemand de keel afsnijden. Hier zitten we dus wel degelijk in een grensgebied van het menselijk redelijke.

Wat kunnen wij nu doen, wanneer wij in onszelf werken om een onderscheid te maken tussen al deze eigenaardigheden en de werke­lijkheid? Want er moet ook iets werkelijk zijn.

Je kunt niet beweren dat elk beeld, dat onverwacht is, waar is. Want het onverwachte betekent het redelijk onverwachte. Maar wat zich uiten kan, is heel vaak juist de projectie van het subliminale, het onder de grens van het bewustzijn liggende. Dus daar heb je eigenlijk geen houvast aan. Maar we hebben gelukkig wel een ander houvast en dat is dit:

Elke beleving in onszelf, waarbij een projectievorm tot stand komt, zal kenbaar zijn doordat ze een milieu heeft. Ik ontmoet God niet alleen als een erkenning; ik spreek a.h.w. met God; hetzij via rozige wolkjes of op een andere manier, maar er hoort iets bij. Zodra mijn contact met het Goddelijke iets anders is dan een ogenblik opgaan zonder dat daar onmiddellijk het begrip van gesprek of mede­deling in ligt, moet ik aannemen dat ik niet met de werkelijke innerlijke God spreek.

Op het ogenblik dat je daarentegen alleen maar onzegbaar stil en gelukkig bent in jezelf, gewoon zo maar – dat lukt heel menselijk – heb je grote kans dat je innerlijk een contact hebt gekregen met een hogere wereld of een hogere sfeer. Ik zeg niet: met God (dat kan zijn), maar altijd met een wereld, die hoger ligt dan die van jezelf, die ruimer is en vrijer. Als u dit criterium handhaaft, zult u uw eigen belevingen ook gemakkelijker kunnen begrijpen.

Ik heb ook nog wat gezegd over de helderziendheid, enz. Nu is dit zien van het andere ook weer geen bewijs van waarheid of van grote geestelijke bereiking. Er zijn mensen die denken: wanneer ik een geest zie, dan moet ik wel iemand zijn. Neen; wanneer ik een geest zie, is het altijd nog de vraag: Is dat iets wat uit mijzelf voortkomt? Of is dat iets wat reëel bestaat? En daar ik geen mid­delen heb ter onderscheiding van het reële en het geprojecteerde (het niet-reële), is elke helderziende waarneming toch op zijn minst genomen zeer subjectief.

Maar ik heb wel weer een andere maatstaf. Wanneer nl. uit deze geesten of verschijningen die ik waarneem een kennis voortkomt, die ik in mijn eigen wereld kan gebruiken, wanneer daaruit een besef voort­komt, waardoor ik mijn oriëntatie in eigen wereld beter kan stellen, zonder dat ik daarbij bevelen opvolg (dit uitdrukkelijk!), dan heb ik een contact. Ik weet niet wat voor contact, maar een contact dat mij verder kan helpen.

Dit is dus de kern van de magie: de andere wereld. Maar de an­dere wereld is de projectie van mijzelf. De reële waarden, die in die andere werkelijkheid of wereld optreden, kunnen ook buiten mijn wer­kelijkheid bestaan, maar ze moeten ook in mij bestaan. Anders gezegd: alles wat magisch gezien met die andere werkelijkheid te maken heeft is een optreden van harmonische invloeden tussen het andere (niet definieerbaar) en datgene, wat als voorstelling plus verlangen of angst in mijzelf bestaat.

En daarmee kom ik weer een stap verder. Want ik ben een mens. Op aarde zelfs een mens met een lichaam – en dat kan soms erg las­tig zijn.

Als mens ben ik geneigd in de eerste plaats mijzelf te zien als centrum van het Al. Ook wanneer ik zeg dat ik dat niet doe, doe ik het toch. Ten tweede ben ik geneigd alles op mijzelf te betrekken. En ten derde ben ik geneigd alles te omschrijven en te waar­deren vanuit mijzelf.

Men zegt dat Adam als eerste mens namen gaf aan alle dingen. Dat doen de mensen eigenlijk nog steeds; ook wanneer zij daarbij namen gebruiken, die niet altijd precies gelijk zijn.

Een taal als de uwe kent bv. “water”, maar er bestaat een Indianentaal, waarin dat begrip water 7 keer gevarieerd is. Er zijn 7 woorden voor water. Elk duidt een andere verhouding aan. En er bestaat een negerdialect, waarin zelfs 27 (weer het getal 7, ei­genaardig) verschillende woorden voor water voorkomen. En wanneer je nu te maken krijgt met die meervoudige definities, dan zie je pas wat voor een verwarring er kan ontstaan. Want de één beschouwt een bron als water met mana; gebruikt het ene woord. De ander be­schouwt het als drinkwater; dus een ander woord. En weer een derde zegt: jullie kletsen allebei, want het is alleen maar gewoon water, dus vloeistof. Er zijn daaruit heel wat twistgesprekken voortgekomen, maar die mensen hebben er dan ook de tijd voor.

Wij moeten dus oppassen dat we niet onze eigen maatstaven aan de wereld te nadrukkelijk opleggen! En aan de andere kant moeten we ook oppassen, dat we niet te zeer onszelf proberen te richten naar de maatstaven van anderen, want we kunnen dat toch niet. We moeten onszelf vinden; dat is de kern van de esoterie. Wij moeten de krachten die in ons liggen gebruiken: dat is de kern van de magie.

Nu geloof ik dat we hiermee een achtergrond hebben. En ik ga proberen om het wat korter te zeggen.

Op het ogenblik dat mijn denken plus de op mij inwerkende invloed van een zodanige aard is dat ik wéét gestimuleerd te worden, kan ik door de erkende stimulus selectief uit de scala, die gestimuleerd wordt, elk voor mij begerenswaardig punt, object, actie, enz. kiezen. Bij deze keuze ontwikkel ik een meervoud van mijn normale krachten of vermogens. Dit geldt ook voor geestelijke projecties, mits deze voortkomen uit een associatief beeld binnen de genoemde harmonie.

Dan volgt verder: Ik kan wonderen doen, maar nooit aan mijzelf of voor mijzelf. Ik kan elk beeld in een harmonie veranderen, maar mijn eigen beeld kan ik niet veranderen, omdat het optreden van de harmonische factor inherent is aan het bestaan van mijn wezen, zo­als het is. Magische projectie, maar ook beschouwelijkheid, kunnen dus niet onderworpen worden aan invloeden van buitenaf, waarbij een verandering van de persoonlijkheid of een beïnvloeden van de eigen persoonlijkheid voorop wordt gesteld.

Dan moeten wij ons verder realiseren: Naarmate ik verder door­dring in mijn eigen wezen, mijn eigen denken en begeren, zal ik ook beter in staat zijn uit te maken wat ik in wezen ben. Het is niet belangrijk goed te zijn, het is wel belangrijk waar te zijn. Vergeet u niet dat 9/10 van hetgeen de wereld kwaad noemt, in feite alleen maar goed is, dat verkeerd uitvalt. Dus: waar.

Wanneer ik waar ben t.a.v. mijn gedachten en mijn gevoelens en ook mijn daden, kan ik op grond daarvan ook reageren. Ik heb niet meer de belemmering die de meeste mensen dwingt om met duizend, omweggetjes te lopen. Ik kan recht door zee gaan. Ik spaar mijzelf veel tijd en veel moeite. Maar bovenal, ik heb nu de rechtlijnige energie die door de vele omwegen altijd verzwakt en vermindert.

Heb ik deze energie, dan kan ik het volgende doen: Ik kan deze energie richten op een deel van mijn besefswereld. Dat is de innerlijke wereld, waarover men spreekt. Het innerlijke pad is een besefswereld. Het punt, waarop ik mij richt, moet ik kunnen aan­vaarden in overeenstemming met hetgeen ik in waarheid erken te zijn. Is aan deze voorwaarde voldaan, dan kunnen alle met het ik harmonische punten van die voorstellingswereld zonder meer gecon­cretiseerd en gerealiseerd worden in het eigen ik. Hierdoor ont­staat een vergroting van besefsmogelijkheid; daarnaast vaak een vergroting van actiemogelijkheid. Het laatste is in dit geval se­cundair.

Nu kan ik ook zeggen: Met deze eerlijkheid sta ik in de wereld. Wat die wereld ervan denkt gaat mij eigenlijk toch wel aan. U kunt natuurlijk zeggen dat het niet zo is, maar in de praktijk is het wel zo, zeker wanneer u in de stof leeft. Ik moet dus altijd de weg vin­den, waardoor ik zo duidelijk en juist mogelijk gevolg kan geven aan hetgeen ik in mijzelf als waar en noodzakelijk erken, zonder dat ik hierdoor een conflict met mijn wereld veroorzaak of vrees veroorzaak. De afwezigheid van deze vrees is nl. noodzakelijk. Op het ogenblik dat werkelijkheidserkenning in het ik plus actie samenvallen en daar­bij misschien ook nog een bepaald doel wordt gesteld, zal de totale kracht van het ik als eenheid gebundeld optreden en krijgen wij een magische werking naar buiten toe en gelijktijdig een verhelderende werking naar binnen toe.

Met die verhelderende werking moeten wij voorzichtig zijn. De meeste mensen denken: Als ik op deze manier reageer, krijg ik een openbaring waarmee ik gelukkig ben. Dat is niet helemaal waar. De openbaring, die door deze samenvloeiing van waarheid en actie (zonder vrees dus en zonder voorbehoud) ontstaat, kan evengoed een absolute ontmaskering zijn van mijzelf, maar ook vooral van mijn verkeerde voorstellingen. Altijd kom ik echter tot een grotere werkelijkheidserkenning. En daar ik waar ben, kan geen enkele kracht (geestelijk door mij geprojecteerd of materieel door mij geprojecteerd) op mijzelf terugslaan. Dat is heel belangrijk.

De meeste mensen denken dat je je trekken altijd thuiskrijgt. Als je naar de wereld kijkt, blijkt wel dat die stelling enigszins illusoir is. Dat zult u met mij eens zijn. Ik krijg alleen datgene terug dat niet aan een gericht doel actief kan worden en dat in mijzelf een strijdigheid ontmoet. Zodra ik niet strijdig ben met een geestelijke kracht, maar volledig waar, eerlijk, open, is er geen punt van aanval. Ik ben t.a.v. die kracht – zo ze op mij terugslaat nog doorlaatbaarder dan lucht. Die bundeling gaat gewoon door mij heen, die diffuseert. Heb ik daarentegen in mijzelf een tegenstand, dan krijg ik natuurlijk wel de volle lading.

Het is misschien interessant voor u te weten dat heel veel mensen juist deze fout zo vaak begaan. Ze willen goeddoen en ze zenden goede gedachten uit naar anderen, die zij in feite naar een zeer warme plaats wensen, waar zij hopen later zelf niet te behoe­ven te vertoeven. Deze mensen zullen hun goede gedachten uitzenden. Maar als die niet werken, slaan ze terug op henzelf. Want zij zijn in feite niet geneigd die kracht als harmonisch te beschouwen. Zij projecteren krachten, die zodra ze met het eigen ik in beroering komen, giftig zijn. Het is a.h.w. een gifslang die een gif produ­ceert dat henzelf kan doden.

Daarom is waarheid in de magie zo buitengewoon belangrijk; maar evenzeer in de esoterie. Want ook in de esoterie werk ik met geprojecteerde werelden. Ik werk met werelden die ik dan veron­derstel; een soort werkelijkheid die toch voor een groot gedeelte uit mijzelf voortkomt.

Wanneer die wereld niet in overeenstemming is met mijn werke­lijke wezen, zullen daar factoren in zijn die agressief zijn t.a.v. mijn werkelijke wezen. Ik kan mij daaraan niet onttrekken door te zeggen: zo heb ik het niet bedoeld. Ik kan dus ook esoterisch in mijzelf spanningen oproepen … met de beste bedoeling. Ik kan zelfs mijzelf te gronde richten … wanneer ik probeer een te mooie werke­lijkheid op te bouwen in de geest en daarbij vergeet dat ik in de eerste plaats mijzelf moet zijn. Aan het “ken uzelve” zou ik dus voor de esotericus en de magiër willen toevoegen: en wees eerlijk uzelve. Ik weet niet welke van de twee moeilijker is.

Nu gaan we een klein tikje technischer worden:

  1. Elke projectie van het ik is in energie uit te drukken als: het harmonisch totaal, waaruit de projectie wordt geboren, ver­veelvoudigd met de waarheidserkenning of het geloof in het ik. Ge­loof versterkt altijd de uitgezonden kracht. Uitgezonden kracht, ook wanneer zij in het eigen ik en de beleving van het ik in hogere sferen gericht is, zal door het geloof dus sterker worden. Het be­tekent niet dat zij alleen uit geloof kan bestaan.
  2. Daar ik als mens gebonden ben aan een bepaalde sfeer die mijn z.g. werkelijkheidswereld is, kan ik alle andere werelden welis­waar beleven en erkennen, maar ze kunnen voor mij – ook esoterisch – eerst waarde krijgen, wanneer ik ze herleid tot mijn eigen wereld. Daarom geldt: naarmate ik in staat ben een groter deel van mijn in­nerlijke ervaring te vertalen in de termen van mijn eigen wereld, zal de eenheid met de andere werelden voor mij feitelijk groter worden en gelijktijdig de werking van kracht uit die andere wereld ook in mijn eigen wereld meer kenbaar.

Een eigenaardigheid voor het menselijk wezen is – en dan kom ik weer terecht bij een technische formulering – dat naarmate zijn streven rechtlijniger is, zijn bekwaamheid tot ervaren in gelijke mate afneemt; terwijl elke afname van ervaringsmogelijkheid een vergro­ting van onbegrip voor de eigen wereld plus eigen daden inhoudt.

De kracht die vanuit geestelijke waarden in mijzelf als mens en door mijzelf in mijn wereld tot uiting kan worden gebracht, neemt toe in werking in een verhouding van 10e macht per sfeer. Laat ik het anders zeggen, want u volgt me niet: Wanneer een kracht, uitge­zonden naar de astrale sfeer en van daaruit reëel teruggekaatst, de factor 10 heeft, dan zal diezelfde kracht naar laag Zomerland de factor 100 hebben, naar hoog Zomerland echter de factor 10.000 (een meetkundige reeks). En dit impliceert dus, dat wij hogere krach­ten beleven, naarmate de sfeer verder van ons verwijderd is.

Menselijk uitgedrukt betekent dit: Naarmate de tweede of andere werkelijkheid die ik – in overeenstemming met mijn eigen wezen en volgens de harmonieën die ik in mijn wezen t.a.v. die sfeer erken – kan beseffen en projecteren, verder van mijn werkelijkheid ligt, zal de actiemogelijkheid daaruit voortvloeiende groter zijn.

En nu nog een aardige esoterische formule, die u ook eens moet onthouden. Zoals u weet is spreken vaak: al sprekende pas beseffen wat je zegt. Want je wist niet wat je dacht, voordat je het gezegd had. Dat weet u. Nu geldt voor de esotericus dit:

De werkelijke waarde van elk innerlijk besef kan pas menselijk worden gerealiseerd, wanneer het tot uiting is gebracht. Daarom zal elke esotericus die het eerlijk meent, niet volstaan met zijn innerlijke bespiegeling, maar hij zal trachten deze tot uitdrukking te brengen (hetzij in een betoog) of ze neer te schrijven desnoods voor zichzelf, zodat in woorden is geformuleerd. Is het mogelijk daarover bovendien nog een discussie te voeren, dan zal daaruit een aanmerkelijke rijping van eigen begrip en vooral een juistere omschrijving van de in het ik beleefde waarde groeien.

En nu ben ik er bijna. Maar de grote kracht van de mens is: zijn vermogen om gebruik te maken van het andere. Lichamelijk is de mens op zichzelf niets. Doordat hij echter zijn bekwaamheden door het gebruik van andere waarden vergroot, is hij – zoals hij dat zelf beschouwt – heer der schepping. (Je moet eens een miereneter vra­gen, hoe die daarover denkt) Maar daaruit blijkt dat een mens zijn grootste kracht niet vindt in wat hijzelf is, maar wat hij weet te gebruiken.

Wanneer u aan esoterie doet, kunt u elk willekeurig beeld ge­bruiken om tot een groter innerlijk inzicht te komen. Naarmate u wat u buiten uzelf vindt aan ideeën en waarnemingen juister weet te groeperen voor uzelf, krijgt u ook een juister inzicht in uzelf.

Maar dat moet dan ook gelden bv. voor de magie. Naarmate ik juister en meer bewust en gericht gebruik kan maken van datgene rond mij als werktuig, zal ik zelf grotere macht bezitten. Een mens bezit geen macht in zichzelf, maar slechts macht als beheersend of denkend brein (als denkende kern mag ik misschien zeggen) van een totaal dat door hem gestuurd of beheerst wordt. Dit is geen macht in menselijke zin, maar het is wel degelijk geestelijk vermogen en daarmede ook vermogen tot projectie en erkenning.

We hebben voor vanavond een heel aardige spreker voor u, een magisch filosoof uit ca. 1530, een Europeaan. Zijn onderwerp is dus uiter­aard de onstoffelijke wereld en daarnaast de harmonie met de onstof­felijke wereld en de sferen. Ik heb zo’n idee dat het u zal interes­seren.  Ik ben er wel van overtuigd, dat het tweede gedeelte zeer zeker uw aandacht waard is. En vergis u niet … de schijnbare primitiviteit van sommige denkbeelden is slechts het masker van het geniale besef dat erachter verborgen is.

de gastspreker

 

Men heeft mij gevraagd u enkele gedachten voor te leggen o.a. over bestaande harmonieën in het leven en wat dies meer zij.

Nu is het moeilijke dat een harmonie eigenlijk altijd door ons­zelf wordt bepaald. En deze harmonie speelt altijd een heel grote rol in alles wat wij zijn en wat wij doen.

Het klinkt misschien vreemd wanneer ik u vertel dat het on­juist verwijderen van een alruinwortel inderdaad mensen het leven heeft gekost. U zult in uw moderne tijd daarover lachen. Want, zo zegt u, dat is alleen maar een wortel van een plant en het alruin­mannetje heeft geen bezieling en dus ook geen magische kracht. Maar ik weet dat er mensen gestorven zijn; mensen die wilden bewijzen dat een alruinwortel alleen maar een wortel was. Zij geloofden nl. ergens diep vanbinnen dat het anders kon zijn. En zij hadden zich­zelf zodanig opgezweept tot de moed om dan toch zonder strik en al wat erbij hoort en zonder eventueel een dier voor het z.g. bloedoffer dus die wortel eenvoudig uit te graven. Het resultaat was dat zij een hartcollaps kregen. En daaruit blijkt wel hoe sterk wijzelf de waarde van de dingen bepalen.

U denkt misschien dat er algemene normen moeten zijn. Maar het vreemde is, dat je ze nooit kunt ontdekken. Zodra je de mens met zijn oordeel terzijde stelt en alleen naar de feiten kijkt, is er ei­genlijk geen vaste regel. Er is geen norm, geen gemiddelde. Het hele leven is opgebouwd uit de excepties, de uitzonderingen.

Nu is het natuurlijk erg prettig dat wij desondanks met normen kunnen werken. Maar de norm is dus een werking van onze imaginatie, niet van de feiten. De harmonieën die wij kennen in de wereld en in het leven, komen dan ook niet alleen uit de feiten voort; zij zijn de bevestiging van feiten die toevallig stroken met ons voorstellings­vermogen. En daar zit de grote moeilijkheid.

In de periode waarin ik leefde waren de mensen veel bijgeloviger dan u. (Of moet ik zeggen, anders bijgelovig dan u?) Maar door hun bijgeloof gaven zij waarde aan bepaalde plaatsen, gaven zij waarde aan verschijnselen. En het vreemde is, dat deze verschijnselen en plaat­sen voor hen de werking hadden, die zij ervan verwachtten.

Een stukje grond heette vervloekt. Het was niet vervloekt, maar men noemde het zo. En omdat iedereen zei dat het vervloekt was, voelde degene die desondanks op die grond kwam, zich bela­den met de vloek van dat stuk grond. En daaruit kwam heel wat ziekte voort.

Ik heb meegemaakt dat mensen worden voorzien van een eenvou­dige talisman. Die talismans worden soms eerlijk en oprecht vervaar­digd. Maar u begrijpt wel dat er heel veel, laten we zeggen, “kramers” waren, die eenvoudig wat onzin met fraaie hand neerschreven, het voorzagen van enkele tekens en dat dan verkochten als bescherming tegen hondsdolheid, ziekten, verwondingen en wat dies meer zij. En het vreemde is dat de mensen die zo’n talisman hadden, in verge­lijking inderdaad vaak minder leden aan de hondsdolheid, de kiespijn of waarvoor dan ook de talisman moest dienen.

Ik zeg: in vergelijking. En daarmee neem ik dus aan, dat er ergens een maatstaf is. Die maatstaf is het gemiddelde dat je van een mens verwachten kunt.

Wij kunnen van elke mens verwachten dat hij met een zekere vrijheid denkt. Natuurlijk, iedereen is een uitzondering op deze regel. Maar de regel op zichzelf helpt ons te bepalen, hoever dan die uitzonderingen van deze imaginaire norm verschillen. En zo gaat het eigenlijk met ons allemaal. Wij leven met normen die niet bestaan. Maar door die niet-bestaande normen kunnen wij onszelf een beetje beter bepalen.

Wanneer een kapitein kijkt naar de sterren, gebruikt hij daar­voor een instrument. Dat was een Jacobsstaf in mijn tijd; tegenwoor­dig heeft men daar betere dingen voor. Hij meet wel een verschijnsel, maar er is op aarde geen reëel punt. Wat hij doet is eenvoudig een relatie vaststellen. En omdat eenieder aanneemt dat een bepaalde relatie een bepaalde waarde uitdrukt, maakt hij een berekening. Tegenwoordig schijnt men met die berekeningen nogal juist te zijn; in mijn tijd gebeurde het wel dat een schip wegging naar New York en terechtkwam in de Caraïbische Zee.

Dat zijn natuurlijk dingen, waarover je kunt denken en filoso­feren. Maar mijn belangrijkste gedachten in dit opzicht zijn wel deze: Wanneer mijn maatstaven grotendeels onwerkelijk zijn en eenieder af­wijkt van de gestelde maatstaf, dan moet ik beginnen met te stellen dat er geen maatstaven zijn; en dat de door mij gehanteerde waarde alleen maar dient als een theoretisch punt van vergelijking.

Dit klinkt leuk, zolang wij dat materieel befilosoferen. En zodra wij bij de godsdienst komen, is het eigenlijk al gevaarlijk. Wanneer ik bv. stel – en dat is toch heel goed mogelijk – dat het­geen men mij leert over God alleen dienen kan als een punt van uit­gang om voor mijzelf gemakkelijker te bepalen wat God voor mij is, dan val ik daarmee de kerk aan. En toch geloof ik dat dit vol­ledig juist is.

Maar dan moet dat ook gelden voor elke wetenschap en voor elke filosofie. Wat ik als waarde hanteer is geen waarde. Het is alleen maar een middel om mijn eigen waarde te bepalen.

Hier krijgt u, mijne vrienden, eigenlijk een wereld waarin niets bepaald is. En het is heel erg moeilijk te leven in een wereld, waarin niets bepaald is. Daar wij op een gegeven ogenblik in ons­zelf wel gaan beseffen dat al die maatstaven maar stellingen zijn, abstracties, moeten wij voor onszelf wat anders creëren. En wat creëren wij? Onze eigen abstracties.

Vreemd. Want zodra een abstractie mijn eigen abstractie wordt, mijn persoonlijke bepaling en daarmee mijn persoonlijke maatstaf, ga ik met mijn gevoelswereld mij éénvoelen daarmee.

Het is als met de metalen. Metalen hebben geen reële invloed op mensen, tenzij ze misschien in het lichaam komen; en dan ligt het er nog maar aan hoe. Maar toch kan goud voor mij een waarde uitdrukken, of lood. Zodra ik deze – dus helemaal niet reëel zijnde – waardering aan dat goud of aan dat lood toeken, ontstaat een gevoelsrelatie tussen goud en lood en mijzelf. En daardoor werkt het goud voor mij, werkt het lood of het zink of het koper of het ijzer voor mij.

Dat is een dwaas denkbeeld. De kosmische ordening bestaat niet; niet zoals wij haar als mens of als geest ons kunnen voorstellen. Wat bestaat is een ordening die wij veronderstellen en onze persoonlijke houding tegenover die orde, hetzij als opstandelingen, als slaven, als vrije medewerkers of als onderzoekers.

En zoals het met de metalen gaat, zo gaat het nu hier met deze waarden, die wij in die geest veronderstellen of verwerpen. Er ontstaat tussen mijzelf en het andere een gevoelsrelatie. En dat gevoel is voor mij reëel. U kunt 1000 keer zeggen dat ik geen hoofdpijn heb en misschien heb ik ze ook niet; maar als ik denk dat ik hoofdpijn heb, voel ik hoofdpijn. Zolang ik hoofdpijn voel, heb ik hoofdpijn. Zolang ik hoofdpijn heb, kan ik mij bezighouden met een geneesmiddel tegen hoofdpijn; ook als dat geneesmiddel door de to­verdokter is gemaakt uit wat suiker of honing met misschien een kruidje erbij en wat water uit de eerste de beste boerensloot. (En dat gebeurde in mijn tijd veel) En dan is dus dat helemaal niet werkzame middel vaak het enige middel, waarmee je die hoofdpijn kunt bestrijden.

Wanneer ik met een kosmische ordening eenmaal een vaste re­latie heb, kan ik alleen met een gelijksoortig middel die relatie eventueel verbreken. Heksen zijn er geloof ik niet veel meer in deze tijd, althans geen officiële. Vroeger werd een heks gedoopt met bloed. En zo’n heks had het gevoel, dat zij nooit uit haar verband (haar band met de duivel en wat daarbij kwam) zou kunnen loskomen, tenzij wederom bloed werd gebruikt.

Ik heb dat een keer gezien bij Neurenberg. Daar was een heks die bevrijd wilde worden. Een heksenmeester sloeg de kop van een levende zwarte haan af en besprenkelde die heks met het bloed onder het uitspreken van de vrijlating. En toen voelde ze zich be­vrijd. Toch was de heksenmeester een oplichter, volgens mij tenmin­ste. De heks was eenvoudig een vrouwtje dat geprobeerd had wat meer te zijn dan een ander, maar eigenlijk niets kon. Maar als ze niet met bloed was bevrijd, zou ze het gevoel hebben, gebonden te zijn aan een duistere macht. En die macht zou haar inderdaad achter­volgd hebben door haar gevoel.

Dus mag ik veronderstellen dat elke relatie, die ik – hoe willekeurig dan ook – met het Hogere aanga, voor mij een beleving inhoudt, die voor mij werkelijk is. En er is geen maatstaf, waardoor ik die werking ongedaan kan maken, tenzij door een kracht van de­zelfde orde.

Wanneer ik voel dat ik zondig ben en ik laat mij dus bevrijden door het bloed (dat was toen van sommige trekkende priesters een heerlijke leuze), dan heb ik daar precies hetzelfde als deze heks, die zich door bloed liet vrijmaken. Symbolisch, maar hetzelfde. En wanneer mensen zich richten op de Christus als een kracht, die hen door zijn bloed bevrijdt, dan komt dat omdat dit oude geloof nog er­gens emotioneel voortbestaat.

Dit zijn alleen maar voorbeelden van wat je harmonieën zou kunnen noemen. Maar nu zijn er toch wel dingen in de wereld, die echt zijn. Wanneer ik een dracht stokslagen krijg, dan kan ik 1000 maal beweren dat het imaginair is, maar emotioneel blijft het mij een werkelijkheid, die ook fysiek bevestigd wordt. Dus er zijn kleine invloeden.

Nu kun je die invloeden benoemen als krachten, zoals men ge­daan heeft: wezens, dus geniï. Je kunt ze beschouwen als aantrek­kingen, die op de planeet aarde inwerken. Je kunt er namen aan ge­ven zoveel je maar wilt. Maar nu blijft één feit bestaan: er is een reële relatie – al weten we niet welke – tussen de aarde en de an­dere planeten van het zonnestelsel. En dat betekent dat een derge­lijke relatie kan bestaan tussen alle kenbare delen van het Al.

Wanneer ik aanneem dat die werking bestaat, wordt zij voor mij een werkelijkheid. En deze werkelijkheid, die ik beleef, kan voor mij zeer nuttig zijn.

Ik heb een proef meegemaakt van een zekere Jacob Lehrer, een laten we zeggen “medicus-alchemist”. Hij voegde kruiden samen, die een licht narcotische werking hebben. Hij gaf deze aan een mens die meende bezeten te zijn. Hij vertelde nu niet dat die mens niet bezeten was, al was hij overtuigd dat van een bezeten­heid hier geen sprake was. Maar hij beweerde dat er een goddelijke kracht was, even sterk als de demon.

En nu krijgen we een eigenaardig beeld. De patiënt schijnt aan twee kanten heen en weer gesleurd te worden, waarop Jacob zelf naar de patiënt gaat en zegt; ik zal je helpen. En nu het vreemde: Omdat een gesuggereerd evenwicht aanwezig was, was het begrip “ik zal je helpen” genoeg om de stuiptrekkingen te bedaren en de patiënt – zo mogen we hem wel noemen – bleef gebonden aan Jacob. Maar Jacob had alleen belangstelling voor het fenomeen en de patiënt kwam terug naar normaal.

Nu stel ik dat ik God of een duivel of een hoge geest of een geestelijke weg kan poneren, maar zolang ik daarin geen evenwicht kan vinden, zal ik naar één kant getrokken werden. Ook wanneer ik zeg: “Jezus is mijn meester”, dan kan ik dit zo uitbeelden dat ik de gevangene ben van die Jezus. Ik kan niet meer mijzelf zijn. Maar zodra ik zeg: “Jezus houdt het kwaad in bedwang”, kan ik leven tus­sen deugd en kwaad in, beide beseffende, en ik ben vrij. (Dit is een beeld, natuurlijk, meer niet.)

Maar wanneer u werkelijk wilt zoeken naar waarheid, kunt u het nooit vinden, wanneer u één weg wilt gaan. Besef twee wegen of twee punten en vorm jezelf dan een eigen weg. Die weg wordt echter medebepaald door de gebeurtenissen, die voor mij dan toch reëel zijn in mijn leven, in mijn wereld. En daarom ontstaat nu tussen het beeld dat ik mijzelf maak èn het gebeuren een relatie.

Het gebeuren is voor mij – wanneer ik vrij sta, tussen de evenwichten – plotseling iets geworden dat ik gebruik. Mijn besef is niet een onderworpenheid aan het Hogere, maar het is een erkenning van facetten van het Hogere. En tussen deze facetten in sta ik zelf met de middelen van het gebeuren. Daardoor word ik eigenlijk de ge­lijke van het Hogere voor mijn gevoel. En als ik gelijk meen te zijn, kan ik spreken, kan ik uitwisselen.

Mijn beleving, innerlijk, mystiek … hoe moet ik dat zeggen … in ontruktheid aan alle wereld wordt bepaald door de manier, waarop ik mij gelijk (maar niet één) kan voelen met hogere krachten. Zodra één van die hoge krachten mij domineert, ben ik er niet meer. Er is geen begrip. Er is nog een beleving, maar er is niet meer mijn weten. En zodra ik kom tot een bewust hanteren, ben ik het zelf die beleef en weet. Ik kan bewust zijn van de dingen.

Dat is een belangrijk punt. De harmonie met de wereld, met de sferen, met de planeten ontstaat niet zonder meer. Zij ontstaat door mijn besef van deze waarde en mijn gevoel van onafhankelijkheid t.a.v. die waarde.

Een magiër die een geest oproept omdat hij in een geest gelooft, is de gevangene van twee geesten: degene die hij hanteert om op te roepen en degene die hij oproept. Hij is feitelijk hun dienaar. Hij is gebonden aan hen. Maar degene, die een geest niet oproept maar be­seft vanuit zichzelf, is de meester van die geest. Hij bepaalt de relatie.

Er is maar één kracht, waarmee wij misschien die relatie niet kunnen bepalen. Ik ben niet zo vermetel dat ik durf aannemen dat God door ons bepaalbaar is of zelfs in Zijn werkingen te bepalen. Maar ik neem wel aan dat wij dit voor alle andere fasen van de schepping kunnen doen.

En indien ik dat stel, moet ik ook stellen dat ditzelfde geldt voor alle materie. Wanneer ik wil bepaal ik de relatie tus­sen mijzelf en een plant. Dan moet ik niet alleen aan de plant den­ken, maar ik moet die plant zien als één fenomeen dat in twee stadia kan bestaan, bv. vruchtbaar en onvruchtbaar. Heb ik dat, dan kan ik zelf bepalen hoe ik tegenover die plant sta, en zal mijn invloed inderdaad die plant beter kunnen doen groeien of kunnen doen afsterven.

Maar als ik dat kan doen met een plant, waarom dan niet met een steen? Maar als ik een steen alleen maar zie als het verschijn­sel steen dat ik ken, heb ik geen macht. Dan kan ik er niets mee doen. Maar als ik die steen zie in verschillende fasen, bv. in vor­ming en vergruizeld, dan kan ik bepalen wat die steen zal zijn tus­sen de twee uitersten.

Dat klinkt misschien allemaal een beetje abstract, al geef ik u nog zo reële beelden. Maar dat komt, omdat u gewend bent de din­gen alleen maar aan te kijken.

Weet u, een dronkenman ziet twee bomen. De werkelijke staat er tussenin. Een niet-dronkenman ziet één boom. Maar beiden kun­nen het punt waar die boom staat bepalen, wanneer ze hun toestand kennen.

Ik heb een lakei gehad, die erg veel in de wijnkelder kwam. Maar het gekke is, dat wanneer hij in die toestand een glas moest pakken, hij er nooit een brak. Hij greep nl. op het punt, waarop hij tussen twee andere géén glas zag en dan had hij het. Hij had ook goede zijden, anders had ik hem ongetwijfeld reeds eerder uit mijn dienst ontslagen.

Wij moeten eigenlijk hetzelfde leren doen. Wij moeten leren kij­ken tussen de dingen, die wij zien. Hoe zegt u dat? Tussen de re­gels lezen. Want vergeet één ding niet: wat ik zeg dat steen is, is steen niet. De steen is anders dan ik denk. Maar wanneer ik twee beelden heb van wat die steen geweest zou zijn en wat ze kan worden b.v., dan bestaat er voor mij een relatie, waarbij ik kan zeg­gen: nu is dit die fase daarin. En dan ben ik emotioneel gebonden met de steen; ik beheers de steen, ik kan haar verpulveren; ik kan haar misschien ook polijsten.

Nu is dat natuurlijk niet iets, waarmee men hier in Nederland tevreden zou zijn. De slijpers bv. zouden een dergelijke wijze van polijsten afwijzen. Maar waarom zouden wij het met steen doen of met aarde? Waarom zouden we het niet proberen met mensen, met geesten, met krachten?

Ik zie iets. Wat ik zie is zeker niet helemaal waar. Maar ik kan mij een beeld maken van wat geweest kan zijn en van wat komen, kan; of van twee toestanden, die beide mogelijk zijn. Dan kan ik daar tussenin een waarheid vinden. Mijn waarheid, zoals mijn lakei zijn glas wist te vinden.

Verblind door de illusie van een vastliggend bestaan kunnen wij nooit kiezen, tenzij wij beseffen dat wij verblind zijn. En als wij verblind zijn, moeten wij toegeven dat wat wij zien niet waar is. Maar wat wij zien heeft waarheid in zich. Laten we dan maar ver­onderstellen dat er tussen de schijnbare tegendelen één werkelijk­heid ligt. En laat ons naar die werkelijkheid grijpen.

Er is een god en er is een duivel, beide uitingen van macht, mijne vrienden. Laat mij dan tussen die twee grijpen en ik vind de macht van het bestaan.

Er is leven en er is dood, twee tegengestelden. Daartussen is alles mogelijk. Maar daarachter ligt iets, een ontwikkeling. En die ontwikkeling moet een waarde zijn. Laat ik daarnaar grijpen en ik kan ze beleven.

Ik geloof dat ik in oude fouten verval: ik praat te veel over wat mijzelf geïnteresseerd heeft en vaak nog interesseert. Maar het zoeken naar waarheid, mijne vrienden, naar werkelijkheid, is nu een­maal één van de dingen geweest, waarover ik een leven lang heb ge­daan en ik zoek er nog dagelijks naar. En ik vind wat meer dingen die ik pakken kan, al zie ik ze niet. Want ik behoef niet te zien, zolang ik maar pakken kan. En dat is de kneep van dit alles.

U zult in uw leven met heel veel dingen worden geconfronteerd waar u geen weg mee weet, omdat u ze ziet als een vaste waarde. Maar er moet iets anders zijn. Kijk, dat is misschien de gulden mid­denweg. En probeer dan niet alleen die middenweg te constateren, maar reik a.h.w. met uw gedachten, met uw emoties daadwerkelijk uit naar dat schijnbaar niet-bestaande. Dan wordt je leven rijk. Dan ga je begrijpen, waarom een talisman kan werken, waarom een alruinwor­tel kan doden. Dan ga je begrijpen waarom metalen leven en edelste­nen invloed hebben en een ziel. Dan ga je begrijpen wat de invloe­den van de sterren zijn.

We zijn toch harmonisch met de dingen; of we willen of niet. Want achter de schijn van onze ervaring speelt zich een werkelijk gebeuren af, en dat werkelijk gebeuren kunnen we niet ontgaan. Maar wanneer wij door die schijn heenkijken, wéten wij wat er gebeurt. En wie weet wat er gebeurt, kan er rekening mee houden. Wie er rekening mee houdt, kan bewust handelen. Wie bewust handelt, kan zijn eigen relatie vaststellen met het andere. En wie de relatie be­paalt, heeft de emotionele en daarmede ook de geestelijke waarde bepaald, zo goed als de stoffelijke beheersbaarheid.

Indien u vindt dat ik te lang van stof ben, staat het u vrij opmerkingen te maken. Maar als het u wel interesseert en u niet alleen uit beleefdheid toeluistert, zou ik u willen vragen of u eigenlijk aan de grondwaarden van het leven niet voorbijgaat. De leuzen die u gebruikt om uw dagelijkse werkelijkheid te omschrijven, zijn leuzen. En als u maar even goed beseft wat u eigenlijk allemaal stelt, dan weet u dat zelf ook wel. De feiten die uw leven beheer­sen zijn niet de dingen die u wilt. En toch is wat u wilt mogelijk. Dat voelt u aan. Hoe komt het dan dat u zo beheerst wordt door dat andere?  U wilt geestelijk veel bereiken, maar wat u wilt lijkt onbe­reikbaar. Waarom? Hebt u misschien een verkeerde voorstelling van zaken? Dat zijn vragen, waarop je een antwoord moet geven.

Ik weet dat ik de totale waarheid nog niet gevonden heb. Soms denk ik het, maar die waarde ligt tussen mijn begrippen. En al kan ik als een goochelaar soms het glaasje van de waarheid pakken, ik weet nog niet precies waar het staat. Ik bepaal het aan de hand van mijn illusies. Dus om in je eigen leven gebruik te maken van deze mogelijkheden voor geestelijk werk, voor innerlijk besef, voor meer praktische dingen, zult u eerst moeten proberen te beseffen wat het tegendeel is van wat je wilt.

Na de loopfiets is de vélocipède gekomen. En dat voertuig heeft de eigenaardigheid – naar men mij meedeelde – juist in die richting te gaan, die men met alle kracht wenst te vermijden. Menig mens doet mij denken aan zo’n vélocipède. Hij gaat – gebiologeerd door wat hij vreest – af op datgene wat hij niet wenst. Maar als je je nu eens niet laat biologeren door wat je vreest en ook niet door wat je verlangt, maar beseft dat beide de weg bepalen waartussen je zelf kunt sturen, dan geloof ik dat zelfs een gevaarlijk voertuig als de vélocipède veel van zijn risico’s zou verliezen.  … O, neemt u mij niet kwalijk, dit is in uw tijd al weer ridicuul. Maar goed, zo is het geweest.

Wanneer het niet gaat zoals u wilt, moet u zich niet afvragen waarom, maar u moet zich afvragen wat u wel wilt en wat u niet wilt. En dan zeggen: Tussen deze twee ligt mijn mogelijkheid, direct daar­tussen als evenwicht. En u zult ontdekken dat u verbluffend veel kunt beheersen.

Wanneer u een innerlijke beleving wenst, dan moet u niet zeggen: Ik moet concentreren of mediteren aan deze kant; of ik moet er stof­felijk wat aan doen aan die kant. Dan moet u zeggen: Wat zijn de moge­lijkheden die ik besef? Er is wat materieel, er is wat geestelijk; dus is mijn weg (die waarheid, die beleving) deze; daar kan ik haar vinden.

Geloof mij, bij alles wat er over deze wereld wordt besloten – en wat ook niet altijd uitkomt – door de geest, maken ook wij de fout om vaak te veel naar één ding te kijken. En dan gaat het mis. Toch zou de geest veel moeten kunnen beheersen in haar eigen wereld en in de uwe. En hetzelfde geldt ook voor u.

U wilt bewustwording? Dan moet u zich eerst eens realiseren: wat is bewustwording voor u en wat is onbewustzijn voor u. Kies dan een weg in het midden. Zoek het punt te vinden, waarin die twee ergens wel erkend worden, maar net niet geactiveerd. Zo kun je God vinden en eeuwigheid. Zo kun je kracht vinden. Zo kun je genezing vinden. Zo kun je alles vinden. En dan kun je ook de krachten, vin­den waarmee je werkt. De harmonie die je zelf bepaalt, bepaalt ook wat je beleeft. En wat je beleeft bepaalt je streven. Wees dus voor­zichtig en erken je harmonie; dan kun je je leven beheersen en daar­mee je bereiken bepalen. Dat is dan zo ongeveer alles, wat ik te zeggen heb.

Nu wil ik u iets vragen. Wanneer ik zeg dat iets mogelijk is, is het dan mogelijk voor u?

  • Dat moet je dan proberen.

Juist. Je moet het zoeken. Wanneer ik zeg: “Hier staat licht”, dan kunt u kijken tot u blauw ziet, of u schept een kleine illusie. Maar als u zegt: “Hij zegt: ‘hier is licht’, dan moet er dus een ver­schil zijn tussen licht en duister. Ik kijk naar een contrast en niet naar de definitieve uiting.” Dan zult u zien dat er wel licht is en duister. Dan zult u zien wat ertussen staat, wat de betekenis is.

En wanneer een priester zegt: “Dit is mijn bloed, enz., dit is mijn lichaam” en je denkt, hier gebeurt een mirakel, dan gebeurt er niets. En als je zegt: “Die vent staat te zwendelen”, dan gebeurt er ook niets. Maar als je tegen jezelf zegt: Dit is enerzijds een mogelijk wonder en anderzijds een komedie,” wat blijft daar dan tussen? Een emotionele realiteit. En die kan ik beleven.

Wat ik beleven kan is waar. En wat waar is bepaalt mijn wezen, maar wordt ook door mijn wezen bepaald, zodra het erkend is. Wij be­heersen de waarheid en de werkelijkheid, wanneer wij ons niet blindstaren op de eenzijdige uiterlijkheden.

Ik ga afscheid van u nemen. En wanneer u denkt dat ik met dit afscheid nemen weg ben, dan is dat niet waar. Wanneer u denkt dat ik ondanks het afscheid nemen aanwezig blijf, is ook dat niet waar. Wat ligt ertussen?

Indien u mij aanvoelt is er een contact dat geactiveerd kan worden. Dat geldt niet alleen voor mij, maar voor eenieder voor wie u een beeld weet te vinden. Misschien dat u daardoor ooit nog eens een nieuwe visie krijgt op de schijnbare mogelijkheden van het bestaan. Moge het voor u een nuttige en als het even kan een zeer aangename zijn.