Harmonische ketens

 14 februari 1961

Vragen

Ik wil eerst trachten de onduidelijke punten van een vorig onderwerp (Mens-Natuur) te behandelen, maar kort. Zijn er vragen dienaangaande ?

  • I.v.m. het getal 12 – waarover in de vorige les werd gesproken – werd gezegd: “Kosmisch gezien is er sprake van een drie-eenheid (het getal 3 dat wij uit 12 kunnen trekken) en wel geopenbaard in de ene werkelijke kracht en de twee gezichten die deze kracht draagt voor het aanzien der schepping.” Is dit identiek met de hoogste drie sephiroth (l, 2 en 3) op de kabbalistische levensboom ?

Neen, in deze uitdrukking niet. Er is hier bedoeld dat in het getal 12 tot uiting komt de monade die zich openbaart in tegendelen. Over de capaciteit van de monade wordt niet gesproken. Zij wordt niet definitief aangeduid als sephiroth. Zij krijgt ook niet haar titel als elohim. Zij is en blijft een ongekende macht en is dus oerkracht. Oerkracht openbaart zich in tegendelen zodat zij als macht plus dubbele uiting samen, vormt de drie-eenheid die men noemt: Vader, Zoon en Geest.

  • Ditzelfde getal 12 werd genoemd als het verhoudingsgetal tussen de kracht en de inwerking van de geest en van de bewustwording uit de stof, dus uit de rechter- en uit de linkerkolom. Nu vraag ik mij af: Als wij dat getal 12 noemen of welk ander getal ook, dan moet er een eenheid aan ten grondslag liggen, dus een eenheid van bewustwording. Kunt u daarover iets zeggen ?

Gezien het peil waarop wij op het ogenblik staan, lijkt het mij beter daarop niet te ver in te gaan. Ik kan u ten hoogste dit zeggen: Voor elke waarde van 3 factoren bewustwording of drie sferen bewustwording in de geest, krijgen wij een stoffelijke verschuiving van één sfeer in de geest. Voor elke totale ervaring in de stof echter wordt ook eveneens een drievoudige impuls in de geest neergelegd. Dit is dus de verhouding van vordering. Maar hierbij speelt dan verder nog een rol: de evenwichtigheid stof-geest. Wanneer stof en geest t.o.v. elkaar evenwichtig zijn, kiezen zij nl. steeds een gezamenlijk punt, dat kan liggen boven of onder het bereikte in beide buitenste zuilen zoals u het daar uitdrukt en komen zo tot het eigen ik. Uit de factor l en de totale factor 3 komt tot openbaring 2, ofwel mijn eigen omschrijving als tegenstelling tot het door God geschapen volmaakte. Dat is de korte omschrijving daarvan.

  • Wanneer er dus impulsen komen van rechts (van de geestelijke invloeden) op de eenheid die zich beweegt van duisternis tot licht op de gulden middenweg, dan moet er toch evenwicht blijven ? Anders gaat het geestelijk lichaam eraf. Hoe komt dan dat evenwicht tot stand ? Komt er dan onmiddellijk een tegen-invloed uit de stofkolom, uit de natuurkolom ?

Ik kan niet vooruit gaan lopen op dingen die nog niet behandeld zijn. Maar ik wil u alleen dit zeggen: Waar het ik als volmaaktheid is geschapen, zal elke onevenwichtigheid binnen het besef van het ik worden aangevuld door impulsen uit het volmaakte ik, zoals de Godheid heeft geschapen, zodat de aanvulling niet van één zijde plaatsvindt, maar van alle zijden en voortdurend waar het gehele wezen in dezelfde drie factoren staat die u in het symbool terugvindt.

 

Harmonische ketens

Ik zou nu graag wat meer in de richting van de magie gaan, maar dan wel om een zeer bijzondere wijze van magie. Er bestaan – zoals jullie misschien weten – in elk leven bepaalde z.g. harmonische ketens. Een harmonische keten kan als volgt worden omschreven: Een aantal ik-heden van een ongeveer gelijk bewustzijn met een ongeveer gelijk doel in een tijdelijk gelijke uiting. Een dergelijke harmonische keten kan een onbeperkt aantal individuen omvatten en (dit blijkt uit de formulering niet onmiddellijk) eveneens een groot aantal niet-in-een-bepaalde-wereld-vertoevende entiteiten, mits zij hun belangstelling en wezen tijdelijk op die wereld richten. Dat is misschien een beetje ingewikkeld, maar ik zal trachten het jullie duidelijk te maken.

Wij gaan uit van het standpunt dat elke mens – alleen reeds door het feit dat hij mens is – een bepaalde geestelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij heeft daarbij verschillende geestelijke werelden reeds betreden, is zich daarvan bewust geweest en heeft een bepaald geestelijk bewustzijn kunnen projecteren in de materie. (Zonder dit zou hij nimmer de menselijke staat hebben kunnen bereiken.) Hij heeft daarbij ongetwijfeld vele andere krachten ontmoet. Sommige daarvan zijn absoluut disharmonisch, andere zijn sterk harmonisch, weer andere neutraal. Nu zal het bewustzijn van die mens in de stof in de eerste plaats getrokken worden tot de problemen die in de stof leven. Ik bedoel niet alleen zuiver materiële problemen, maar ook de formulering van het abstracte probleem zoals dit voortkomt uit een meer stoffelijk menselijk denken.

Jullie hebben allen reeds meermaals gehoord over het gemeenschappelijk bewustzijn dat men bezit. Er is een bovenbewustzijn dat alle mensen verbinden kan en waaruit alle mensen door afstemming zouden kunnen putten. Stel jullie nu echter voor dat een bepaalde mens volkomen harmonisch is met een andere mens. Dan zullen deze beiden (hou daar voorlopig het bovenbewustzijn als bemiddelende factor voor) identiek kunnen denken en handelen. Maar – wat meer is – zij zullen alle krachten, die niet onmiddellijk materieel gedefinieerd kunnen worden, kunnen uitwisselen. Zo ontstaat een band tussen deze mensen. Hoe groter de harmonie is, hoe groter – bewust of onbewust – hun eenheid van streven en denken wordt.

Ik heb nu twee individuen gesteld. Maar stel dat er over een wereld 1000 zijn. Stel verder dat die 1000 hetzelfde streven delen en elk op eigen wijze beginnen een bepaald plan te verwezenlijken, dat in allen leeft. Dan kan de één een boer zijn, de ander een ingenieur, de derde een z.g. wilde en de vierde misschien een regeerder of een priester, enz. Waar zij gelijk denken, harmonisch denken, zal de ingenieur als een soort inspiratie aanvullen waar de boer tekort schiet. Waar de argumentatie van de ingenieur niet voldoende is, zal bv. de geestelijke ingrijpen. Waar de natuurlijke begaafdheden van de meer beschaafde mens tekort schieten, krijgen zij de inspiratieve werking vanuit de wilde. Zo verkrijgen zij dus een veel groter vermogen dan normaal is. Dergelijke ketens kunnen ook geesten bevatten van mensen die zijn overgegaan. Wanneer een geest zich met een bepaald doel tot de wereld richt en daar wil gaan streven, zijn hele wezen daarop concentreert, zo zal hij weer allereerst de gedachtenuitstraling en de gedachtenwereld van de mens ontmoeten. Het resultaat is dat ook hij harmonisch kan zijn in zo’n keten en vanuit zijn geestelijk standpunt, dat dus een groter overzicht biedt, weer inspireren kan, waar andere leden van de keten tekort zouden schieten. Mag ik aannemen dat ik het begrip harmonische keten hiermee voldoende heb uiteengezet ?

Dan kunnen wij verder stellen: Er zullen gelijktijdig op aarde vele harmonische ketens optreden. De verschillen tussen deze ketens zijn vaak betrekkelijk klein. Zij zijn echter groot genoeg (bv. in doel en streven gelegen) om het de mens onmogelijk te maken twee ketens samen te voegen.

Wij kunnen nu verder nog stellen dat dergelijke ketens het resultaat zijn van bewustwordingsprocessen. Jullie zullen zich herinneren dat enige tijd geleden bij jullie is gesproken over verschillende incarnaties. Deze kwestie van incarnaties speelt natuurlijk een rol. Mensen die in een zelfde tijd leven, hebben waarschijnlijk een ongeveer gelijk bewustzijn, een ongeveer gelijkgerichte interesse. Dit impliceert dat een keten ook kan omvatten een groot aantal wezens (dus geest en mens) die in een bepaalde periode op aarde streefden en nu de mogelijkheid vinden dit streven verder voort te zetten.

Jullie zullen hebben opgemerkt dat ik de geaardheid van het streven zelf niet heb bepaald. Het streven kan dan ook zowel negatief als positief zijn, zonder dat daarom het begrip van de harmonische keten wordt veranderd of verwaarloosd. Dit schijnbaar geen onderscheid maken tussen goed en kwaad, zal voor velen van jullie wat verbluffend werken. Maar waar wij spreken over een werking, een mogelijkheid in een capaciteit, zullen wij altijd rekening moeten houden met twee uitingen. De uiting op zichzelf (goed of kwaad, positief of negatief) doet niet ter zake zolang wij het probleem zelf naar voren brengen.

Deze ketens op aarde worden slechts zelden bewust beleefd. Dit brengt de mens er dus toe een deel van zijn kunnen, van zijn denken en streven onbewust aan anderen te ontlenen. Wanneer hij echter van het bestaan van dergelijke ketens op de hoogte is, zo zal hij beseffen dat een groot gedeelte van hetgeen in hem doordringt als inspiratie, als paranormaal vermogen zelfs, kan voortkomen uit een harmonische band met anderen die leven of in dit leven ingrijpen.

In de magie baseren wij op dit begrip verschillende werkingen. Eén van de eerste is wel: mijn doel kan gewijzigd worden. Op het ogenblik dat ik een doel in mijzelf weet te wijzigen met een terzijde-stelling van alle vorige doelstellingen, zal ik ingeschakeld zijn in een nieuwe keten en daaruit kunnen putten. Een groot voordeel wordt echter alleen behaald wanneer je jezelf geheel uitschakelt en geheel terzijde stelt. Moeilijk voor de westerling, maar desondanks een zeer dankbaar streven en pogen. Wanneer jullie een mens willen genezen en jullie vergeten jezelf, je eigen voorstellingen omtrent de genezing en jullie kennen alleen de absolute wil tot genezen, zo heb je jezelf ingeschakeld in een veel grotere harmonische keten, een grotere harmonische band, dan voordien mogelijk was. Je hebt nl. alles weggelaten buiten de doelstelling. En deze doelstelling hebben zeer velen in stof en geest gemeenschappelijk. Het gevolg is dat jullie grotere kennis hebben, ook al beseffen jullie de bron daarvan niet; een juister reactievermogen; de beschikking over laten we zeggen meer geneesmiddelen, maar ook genezende krachten, een zuiverder inzicht in de behoeften van je patiënt en al wat erbij behoort.

Ik kan dit echter ook op ander terrein gebruiken. Een magiër pleegt o.m. deze dingen te gebruiken om zijn eigen tekort aan kennis aan te vullen. Hij gaat dan uit van het standpunt: wanneer ik mij concentreer op een bepaald weten en mijzelf daarbij weet te vergeten, zo zal alles wat zich op dat weten concentreert of daaraan deel heeft, op mij toevloeien. In mijzelf bouwt zich zo een veel grotere, meer omvattende voorstelling op, terwijl dogmatisme (wat bij dergelijke stellingen gevaarlijk kan zijn) wordt uitgeschakeld, omdat nl. de persoonlijkheid is uitgeschakeld en als zodanig vele afzonderlijke dogma’s samen kunnen vloeien in het ik, daarbij als vaste stellingen elkaar opheffende, maar als werkingen binnen het ik kenbaar.

In de esoterie trachten wij juist de innerlijke weg te gaan. Deze innerlijke weg berust – zoals jullie bekend is – op het bewust beleven van alle sferen en voertuigen die in geest en mens bestaan. Nu kan ik dus ook nog gaan zeggen: wanneer ik in mijzelf esoterisch streef, maar daarbij mezelf vergeet, zal ik worden opgenomen in een grote keten van gelijksoortig streven en daaruit krachten, vermogens en inzichten putten die mij verder brengen dan ik alleen zou kunnen komen.

Deze stelling zal menig esotericus wat vreemd lijken. Hij meent tenslotte dat het er om gaat het ik te kennen, maar hij vergeet dat het ik het best gekend wordt in de spiegel. Wanneer je in de spiegel kijkt, dan moet je zien naar de weerkaatsing van je beeld en door die weerkaatsing te aanschouwen, kun je je eigen persoonlijkheid dus corrigeren. Wanneer ik door mezelf te vergeten en niet naar mezelf te zien de invloeden van buitenaf op mij laat afkomen, zal ik daardoor een weerkaatsing krijgen van mijn wezen en zijn mogelijkheden. Maar ook van tekorten. Als zodanig is een geestelijke correctie op een door mezelf bepaald niveau steeds en voortdurend mogelijk.

Jullie zullen begrijpen dat wij hier dus te maken hebben met iets wat ligt boven de zuivere natuurwet. Het berust enerzijds op een bepaalde denkscholing, anderzijds op het terzijde stellen van vele onbelangrijke factoren in het ik. Hoe groter de concentratie is, hoe groter het aantal vermogens waarmee ik harmonisch kan zijn …. mits ik mezelf vergeet. Noteer dat goed. Dat is zeer belangrijk.

Zodra ik echter in mijn streven verder wil gaan dan een zuivere zelferkenning en bv. wil komen tot kosmische harmonie, blijkt mij dat het bestaan van vele harmonische ketens even vaak een hinderpaal als een voordeel is. Immers, wanneer ik met een klein deel van het Al harmonisch ben, zal ik uit de aard der zaak negatief of tegengesteld werken t.o.v. een groter deel van het Al. Daarom zal de ware magiër beseffen dat het ik zover mogelijk moet worden uitgeschakeld om een zo groot mogelijk resultaat te verwerven. Denken jullie nu aan hetgeen jullie o.m. is geleerd omtrent het werken met synoniemen, het werken met bepaalde harmonieën en overeenkomsten. Dan kunnen jullie een gevolgtrekking maken. Indien ik nl. een – zij het kunstmatige – harmonie schep of zelfs een denkbeeldige harmonie met andere werelden of andere wezens, zo bestaat deze kosmisch gezien reëel, want er zal in de kosmos altijd iets bestaan dat parallel loopt met mijn eigen streven. Is dit bevattelijk en duidelijk ? Dan zal elke vereenzelviging met een daad van een bepaald stuk materie, ja, zelfs van een woord of geschrift een vergrijpende en verreikende betekenis kunnen verwerven waarbij de irreële verbeelding, daarin gelegen, leidt tot een reële harmonie en een tijdelijke opname van het eigen wezen in een grotere harmonische keten. En die keten – via de wetten gesteld – kan in de verbeelding het ik op zodanige wijze beïnvloeden dat men reële resultaten kan verwachten. Is dit duidelijk ? …… Misschien vinden jullie dit alles moeilijk. Maar wanneer jullie het leren gebruiken, is het toch ook weer gemakkelijk.

Wanneer je te maken krijgt met een magiër die werkt met incantaties, dan schept hij een harmonie van trilling. Krijgen wij te maken met een magiër die bv. offertorens bouwt, heilige lampen brandt, reukwerken gebruikt, dan wekt ook deze harmonieën op, zij het op en ander niveau. Alle rituele magie is gebaseerd op een dergelijke harmonie. Nu is het natuurlijk gemakkelijker een dergelijke harmonie buiten jezelf tot stand te brengen en daardoor bv. harmonisch te worden met entiteiten van licht of duister, verschijningen af te dwingen en wat dies meer zij. Maar het ik zelf staat buiten de keten en kan altijd door die kracht getroffen worden. De wit-magiër die verder komt, onttrekt zich daaraan en wel door zichzelf volledig en geheel in de keten in te schakelen en gedurende de vervulling van zijn taak (dus tot de voleinding van het doel) één te blijven met die keten. Dit brengt met zich mee dat bv. een kracht nooit kan terugslaan. Want de kracht keert terug tot de gehele keten. En elk wezen in die keten, dat de kracht op die magiër zou willen richten, zal zelf mee de schok daarvan ondergaan. Het aantal persoonlijkheden of entiteiten dat aan deze kracht deel heeft, is zo groot dat nimmer van een fatale werking kan worden gesproken. Dus een wit-magiër vergroot zijn eigen vermogen zowel tot handelen en bereiken als tot verdragen, door zich harmonisch te maken met een zeer grote keten van entiteiten, die – gezien zijn wezen – parallel zijn in streven. Vergeten jullie ook dit niet want al zullen jullie bewust dergelijke dingen niet al te veel doen, onbewust zal de mens voortdurend terugvallen op de keten waarmee hij harmonisch is. Jullie noemen dit waarschijnlijk een deel van jullie geaardheid of ‘zo denk ik nu eenmaal’. In feite echter beroepen jullie je steeds op deze kracht die achter jullie ligt, de groep waarvan jullie deel uitmaken. Er is geen enkele mens die volkomen alleen kan staan of staat, noch in de menselijke wereld, noch in de geest. Overal speelt deze wet van harmonie een grote rol. Overal zijn ketens van entiteiten die in een ongeveer gelijk bewustzijn elkaar kunnen aanvullen, elkaar kunnen helpen verwezenlijken.

Hebben jullie dit begrepen, dan zal het voor jullie eenvoudiger worden om met jullie eigen problemen af te rekenen. Want, mijne vrienden, jullie problemen zijn ongetwijfeld niet alleen van geestelijke geaardheid. Zij zijn ook vaak stoffelijk. Onthoud dan dat jullie eigen reactie op je problemen tevens bepaalt met welke groep entiteiten jullie op dat ogenblik een maximum aan harmonische werkingen bereikt. De mens die droefgeestig is, die in voortdurend verzet is, de mens die zich voortdurend blijft richten tot anderen om steun, beroept zich daarmee niet alleen op degenen tot wie hij zich richt, maar ondergaat tevens de invloed van een zeer groot aantal gelijksoortig levende en denkende mensen en geesten. Al hetgeen jullie dus als denkproces in jezelf wekt, wordt onbewust (voor de meesten althans) maar zeer zeker en vaststaand onmiddellijk versterkt.

Deze versterkte invloed openbaart zich bovendien als wat men wel noemt ‘een uitstraling’. In jullie komt op een gegeven ogenblik de kracht van jullie keten tot uiting. Deze kracht doordringt niet alleen jullie wezen, maar breidt zich rond jullie uit. Hoe intenser harmonisch de keten is in jullie beleven of jullie beklag, in jullie vreugde of jullie zoeken, hoe sterker dit als sfeer rond jullie wordt uitgedrukt. Daardoor beantwoordt de wereld in zeer sterke mate aan jullie denken, niet alleen door de directe kracht der gedachte, maar tevens door het scheppen van een harmonie die alle soortgelijke waarden tot jullie trekt. Dit mag meteen worden gezien als een verklaring van het feit: gedachten wekken op, gedachten trekken aan.

En nu wil ik een ogenblik hier de zuiver magische kant terzijde laten. Ik ga nu dit stellen: Of jullie contact hebben met een hoge geest, weten jullie niet. Wanneer jullie het denken te weten, dan kan dit waar zijn, maar het hoeft niet noodzakelijk waar te zijn. Zeker is voor jullie echter steeds dat in jullie krachten kunnen optreden, groter dan die van jullie eigen wezen; dat bewustzijn zich in jullie kan openbaren, groter dan jullie eigen bewustzijn; dat jullie uit bronnen putten die meer bevatten dan jullie ooit hadden gedacht. Deze momenten komen jullie steeds weer tegen !

“Ik zei het en ik weet niet waar ik het vandaan heb, maar het was juist.” “Ik weet niet hoe ik de kracht vond om dit te doen, maar op dat ogenblik was zij er.”

Dergelijke verklaringen zullen jullie ook in het dagelijks leven zeer veel tegenkomen. Stel dus dat het voor jullie niet zo belangrijk is de allerhoogste geest te benaderen, maar dat het belangrijk is jullie eigen innerlijke gesteldheid en harmonie zo zuiver en zo volledig mogelijk te bepalen. Juist wanneer jullie dit doen, krijgen jullie de beste resultaten.

Ik weet dat er mensen zijn die uitgaan van het standpunt: je moet als mens verder denken dan de mensen. Je moet boven de mensheid gaan staan. Inderdaad zou dat zeer mooi zijn. Maar wat voor praktische resultaten brengt dit ? Stel dat je een wilde bent – tenminste een z.g. wilde – en dat je ergens leeft in de diepten van centraal Afrika of bij de primitief trekkende stammen van bv. de Mongolen. En nu krijg je plotseling van een hoger beschavingsvlak – bv. uit Amsterdam of New York of zelfs Den Haag – een groot aantal impulsen. Wat gebeurt er ? Door dit te ver grijpen, openbaren zich allerhande eigenschappen in je die in je milieu niet passen. Een Mongool die plotseling een grammofoonplaat van Beethoven wil hebben, is op zijn minst genomen een dwaas, want hij zal zeer veel kosten en moeite moeten opbrengen om daaraan te komen en daarvoor zijn eigen belangen en directe noodzaken van zijn omgeving verloochenen. Een neger die plotseling de behoefte krijgt om zeer geciviliseerde kunst te scheppen, zal uitgelachen worden door zijn stamgenoten en misschien zelfs uitgestoten. Zeker zal hij in zijn eigen milieu niets goeds daarmee bereiken. Het stellen van een harmonie die te hoog gaat, betekent dus tevens voor jullie het stellen van een harmonische keten die jullie ongunstig beïnvloedt, ongeacht het feit dat de keten zelf geestelijk hoog staat. Praktisch zijn is ook erg belangrijk in het menselijk leven, zelfs voor de esotericus. Deze praktijk zegt: Ik moet mijn eigen wezen zo sterk mogelijk richten op die harmonieën en die harmonische ketens die onmiddellijk voor mijn leven noodzakelijk zijn.

En nu weer terug naar de magie hierop. Uit hetgeen ik gezegd heb, zal jullie duidelijk zijn geworden dat jullie dus meerdere ketens kunnen hebben waarvan jullie tijdelijk deel uitmaken. De regel kan hier als volgt worden gesteld: Krachtens mijn wezen, bewustzijn en ontwikkeling zal ik normaal (dus zonder bijzondere inspanning en pogen van mijn eigen kant) altijd reeds behoren tot een harmonische keten. Door een bewuste inspanning (concentratie, een terzijde stellen van een deel van mijn wezen of een deel van mijn wereld) kan ik echter – zij het tijdelijk – gaan behoren tot een andere harmonische keten met daarin mogelijkheden en krachten die niet in mijn normale leven en wezen tot uiting kwamen. Ik zal echter die krachten en mogelijkheden alleen zolang genieten, als ik voor mijzelf in staat ben harmonisch te blijven met de nieuwe keten waarbij ik mij een ogenblik aansloot. Is dit duidelijk ?

Stel dan verder dat deze wetten van harmonie niet alleen beperkt zijn tot de materie en tot de mensheid. Dan kan ik zeggen: Er zijn een zeer groot aantal krachten in het Al die elk voor zich als dirigerend optreden voor een deel van de schepping. Zij dragen in zich een bepaalde reeks van tendensen en mogelijkheden. Hierbij kunnen jullie desnoods even denken aan de astrologie en de daarin voorkomende tekens of aan de sephiroth; jullie kunnen denken aan de heren van Licht, Kracht en Wijsheid, enz. Hoe jullie ook denken en hoe jullie zoeken, steeds zullen jullie ontdekken: er zijn grote krachten en wezens die een groot deel van de schepping en mogelijkheden van de schepping beheersen. Deze wezens zullen harmonisch zijn met al hetgeen zij beheersen en ook met elke harmonische keten die binnen deze beheersing tot stand komt. Is dit duidelijk ?

Dan stellen wij nu: Door het kiezen van een harmonische keten die niet hoeft te liggen buiten ons eigen vermogen van denken of bewustzijn, kunnen wij automatisch een harmonie bereiken met hogere krachten en wezens. Indien nu in ons eigen wezen hiaten bestaan die door een dergelijk hoger wezen aangevuld kunnen worden, zo zal dit – waar harmonie bestaat – inderdaad geschieden. Bij een verbreken van de harmonie zal niet het totaal van deze kracht terugvlieden, zodat de bestaande hiaten tenminste kleiner zijn en soms zelfs opgeheven.

Dit is belangrijker dan jullie denken. Wij weten allen dat een mens op een gegeven ogenblik zo diep in zijn God verzonken kan zijn dat hij daaruit een licht, een kracht, een vreugde en wijsheid meeneemt als zelden tevoren. Hij raakt dit echter zeer snel weer kwijt. Hetzelfde is het geval wanneer je contact hebt met een meester in de geest of in de stof. Het onmiddellijke contact geeft een klein ogenblik van vervulling, maar daarna ben je schijnbaar weer aan jezelf gelijk. Er blijft altijd echter iets achter. Elk contact met het hogere betekent een verrijking. Wanneer die verrijking echter eenzijdig geschiedt, zo zal het eigen wezen daardoor tot onevenwichtigheid komen. Is ook dit jullie duidelijk ?

Wanneer ik licht zoek op een bepaald terrein, dan kan ik een overdaad aan licht krijgen door deze harmonie en al wat erbij hoort. Ik kan mijzelf desnoods zelfs een beeldje maken dat symbolisch is voor de kracht die ik zoek. Ik kan mij door concentratie op dat beeldje daarmee vereenzelvigen. Ik vul dan inderdaad bestaande hiaten aan. Maar hoe minder hiaten ik op dit terrein heb, hoe sterker de hiaten op een ander terrein gaan wegen. Zo is een eenzijdig zoeken naar een bepaalde harmonie altijd schadelijk, omdat door de onevenwichtigheid van het eigen wezen het totaal van de belevingen niet meer juist wordt doorgemaakt, zodat daaruit een afwijking ontstaat die de harmonie zelfs met de bestaande keten verbreekt en meestal met een lagere of een minder scherp gerichte keten een nieuwe harmonie vormt. Is dit duidelijk ?

Nu houdt dit voor de mens in – en nu komen wij weer even terug tot de praktijk – dat hij ook bij een esoterisch streven of een magisch streven altijd veelzijdig moet zijn. Het is niet goed slechts contact te nemen met één bepaalde kracht of zelfs met krachten die ongeveer gelijkwaardig zijn. Wij moeten proberen in onszelf afwisselend harmonie te scheppen met zoveel mogelijk krachten. Echter kunnen wij dit wisselen slechts tot stand brengen wanneer wij een zekere beheersing hebben, want de harmonie werkt van buiten af ook op jullie in. Mag ik dit vergelijken met een van hars klevend vlak, dat enige kracht vraagt om je daarvan los te maken ? Hoe sterker ik de harmonie aan één kant zoek, hoe moeilijker het wordt mij uit deze harmonie terug te trekken en een nieuwe harmonie voor mijzelf te scheppen om daarin een aanvulling en een vergroting van mijn eigen evenwichtigheid te verkrijgen.

Dientengevolge mag voor de mens wel worden gesteld dat het noodzakelijk is een voortdurende afwisseling te scheppen van factoren waarmee men harmonisch is. Dit moet zo bewust mogelijk geschieden en als het even kan zelfs volgens een zelf geschapen tabel. Bv. ik besteed één uur voor geestelijke concentratie op zo hoog mogelijk vlak. Daarbij zal ik mijzelf geheel uitschakelen. Dan zeggen wij: Daarna zal ik een uur besteden aan concentratie op bv. meer materieel vlak, waarbij ik eveneens mijzelf zo ver mogelijk uitschakel. Dan blijft ons dus de evenwichtigheid bij de invloeden behouden. Maar wanneer wij alleen door harmonische ketens geleefd worden, hebben wij de tijd niet om die dingen zelf te verwerkelijken. Wanneer wij, laten we zeggen op 24 uren dus 6 uren hebben bestemd voor het beleven van harmonieën met bepaalde geestelijke en stoffelijke factoren, dan zullen wij toch minstens ook 6 uren moeten bepalen die bestemd zijn voor het één-zijn met onszelf. Naast de harmonie en de harmonische keten waarmee jullie dus bewust aansluiting zoeken, zullen jullie ook moeten trachten zo sterk en volledig mogelijk jezelf te zijn.

Dit jezelf zijn betekent niet dat je nu dus moet losbreken. Losbreken in de zin van ”de bloemetjes buiten zetten en begieten.” Maar ik bedoel daarmee eerder dat je voor een ogenblik eens vergeet dat je geestelijke banden en bindingen hebt. Dat je – zoveel mogelijk buiten de harmonische ketenen om zelfs – voor jezelf persoonlijk alleen tracht te realiseren wat je wilt en wat je niet wilt; wat je doet en of het goed is volgens je eigen inzichten wat je doet. Dat je tracht te beseffen: Wat is eigenlijk mijn eigen directe en reële aandeel in deze of gene zaak ? Er zijn zoveel dingen in het menselijk leven die door de mens niet worden beheerst. Hij wordt in vele gevallen geheel of ten dele geleefd door anderen of zelfs door de omstandigheden. Jullie kunnen toch allicht een tijdje uittrekken voor het “zelfzijn”. Dus het uitschakelen van de dwang van buiten, ook al is deze periode misschien wat kort. Door steeds weer jezelf te zijn en daarnaast evenwichtige uitbreiding te zoeken, vergroot je nl. je eigen persoonlijkheid. Je vergroot – zoals dat heet – je bewustwordingsmogelijkheid. Daarnaast wordt de ervaringsmogelijkheid steeds uitgebreid, maar dit ligt weer meer op het terrein der magie.

Onder de magiërs werd gezegd: ”De magus ervaart krachten van anderen; maar door de ervaring kan hij de vermogens zelf verwerven.” Nu stamt dit uit een tijd dat men zeer veel deed aan tovenarij en zo. Maar esoterisch kunnen wij dit omzetten en dan blijkt het even belangrijk en even groot te zijn. Wanneer ik deel heb aan bepaalde bewustwordingsfasen die ik zelf nog niet heb verworven en ik onderga deze enigszins bewust, dan zal die ervaring alleen al het mij mogelijk maken op den duur deze bewustwordingsfasen zelf te betreden door eigen wil. De vermogens worden vergroot naarmate het aantal pogingen tot uitbreiding van het ik en het aantal bereikte harmonieën toeneemt. Hoe groter het aantal ketens van harmonie waarin het ik tijdelijk is opgenomen geweest, hoe groter het deel van de wereld dat voor het ik toegankelijk is; hoe zuiverder dan ook de eigen reactie is op het stoffelijk gebeuren; op de geestelijke impuls; en dus hoe groter het bewustzijn van een z.g. goddelijke werkelijkheid.

Dit begrip “goddelijke werkelijkheid” kent de magiër nl. ook. Hij stelt: Alle dingen zijn veranderlijk in hun schijn, maar nooit in hun wezen. Ik kan van de leeuw een lam maken, maar het lam zal de aard van de leeuw behouden. Deze stelling impliceert dus dat wij wel uiterlijk veel kunnen veranderen, maar wij kunnen nooit het eigen wezen van de dingen aantasten, ook niet van de persoonlijkheden. Er is ergens een vaststaande wet, een vaststaande lijn, die door geen enkele mens, door geen enkele harmonische keten of hoogste geest kan worden aangetast. Dit is goddelijke werkelijkheid. Het is het wezen der dingen dat niet bepaald wordt door hun vorm, maar door de eigenschappen die zij blijvend zullen vertonen.

Nu is ons streven in de esoterie zeker ook om steeds weer tot deze goddelijke werkelijkheid terug te keren en wel zo sterk mogelijk. Dan mogen wij hier ook conclusies gaan trekken. In de allereerste plaats (en dit is dan weer meer praktisch): Wij zullen altijd, overal en zoveel mogelijk trachten niet de uiterlijke dingen te bezien, maar de innerlijke kwaliteiten. Wanneer wij de geaardheid der dingen aanvoelen, zo vallen zij voor ons uiteen in twee delen. Het eerste deel is ons sympathiek, het tweede deel is ons antipathiek. Er bestaat geen tussenklasse. Wanneer dingen ons antipathiek zijn en ons toch aantrekken, zo is dit een begeertekwestie die niet op werkelijkheid maar op waan en gedachten berust. Is de aantrekkingskracht echter volledig, zo mag worden gezegd, dat het behoort tot een deel van de goddelijke werkelijkheid waarmee wij in harmonie zijn en wij zullen daardoor dus alles kunnen bereiken binnen de goddelijke werkelijkheid en onveranderlijk.

Indien wij verder afgaan op deze harmonie, dan zal ons blijken dat wij ook datgene, waarmee wij ons a-priori wel in verbinding voelen, toch eigenlijk weer terzijde willen stellen. Het is ons bv. te moeizaam of te moeilijk. Ook hiermee moeten wij rekening houden. Want indien er een feitelijke harmonie bestaat en wij kunnen deze voor onszelf niet juist definiëren binnen een goddelijke waarheid, zo zullen wij – ook wanneer ons dit eigenlijk last of moeite bezorgt – moeten trachten om de wijze waarop die harmonie bestaat, waardóór die sympathie bestaat, duidelijk tot uiting te brengen. Waar sympathieën bestaan, moeten deze zo juist en zo goed mogelijk omschreven worden en dit vergt een daadwerkelijk zoeken naar de ware achtergrond.

Deze achtergrond kan het best worden ontdekt door benadering op het vlak waarop deze sympathie – of zelfs antipathie – bestaat. Wij moeten steeds vandaar uitgaan. Dan zal ons blijken dat bepaalde dingen wegvallen. Bepaalde impulsen die wij belangrijk achten, blijken ineens niet meer te bestaan, maar daarachter blijft toch deze sympathie of antipathie behouden. Hetgeen voor ons deze zaak waardevol maakt, is een deel van een grotere werkelijkheid.

Die grote werkelijkheid kunnen wij overal vinden. Er is niets en niemand waarin geen deel van die goddelijke werkelijkheid schuilgaat, zodat wij altijd eigenlijk zouden moeten trachten die werkelijkheid te benaderen. Voor de mens in de praktijk is dat niet mogelijk. Daarom mag gesteld worden : Wij trachten alleen daar de werkelijke sympathie of antipathie te beschouwen waar deze ons langere tijd in ons leven of denken langere tijd beïnvloeden. Daardoor zijn wij in staat – althans voor de belangrijkste fasen van stoffelijk of geestelijk leven – een beeld te krijgen van waarheid. Zouden die pogingen niet slagen of mislukken, zo is dat niet erg. Ook dan hebben zij bijgedragen tot het tekenen van een juiste verhouding, het kennen van een juiste waarheid, een juist beeld. Ik neem aan dat dit voor jullie voldoende definitief is ? Of is het te vaag ?

  • Maar hoe moet je met zo’n antipathie dan verder ?

Wanneer je weet dat die antipathie bestaat, dan zal je begrijpen dat die antipathie bestaat uit een discrepantie tussen je eigen ontwikkeling en hetgeen je in je als werkelijke antipathie hebt vastgesteld. Je moet trachten het te definiëren. Heb je de definitie, dan heb je ook iets gevonden wat je in je gehele leven – en waarschijnlijk ook in je geestelijk leven – voorlopig zult moeten ontwijken, waar het storend is voor jezelf en behoort tot een tegendeel van je eigen bewustwording.

  • O, gelukkig.

Wanneer je veel daarvan hebt, kan ik dit niet zo gelukkig achten omdat ook mag gezegd worden: Waar de antipathische waarden de sympathische overtreffen in het leven, blijkt het eigenlijke belevingsgebied en de daaruit voortvloeiende bewustwording zeer beperkt te zijn. Het is dus wel de bedoeling hier de eigen verhoudingen te leren kennen, ja ?

Nu zal ik jullie niet al te lang meer bezighouden. Maar het zou fout van mij zijn om heen te gaan zonder ook nog enkele andere punten aan te roeren.

Onthoud dit: Alles waarin je schoonheid ziet, behoort tot de sympathische waarden. Schoonheid kan niet worden uitgedrukt in een waardering of omschrijving, maar slechts in een aanvoelen. Alle schoonheid en schoonheidservaren is emotie. Waar een gelijke emotie in verschijnsel voor je bestaat, zal een gelijke inhoud in goddelijke waarheid bestaan en kunnen deze delen dus voor elkaar als vervangend optreden. Dit is belangrijker dan menigeen misschien zal inzien. Maar laat mij een voorbeeld geven.

Een zonsopgang of -ondergang is voor jullie een wonderlijke schoonheidsbeleving. Maar jullie vinden diezelfde schoonheidsbeleving bv. in een bepaalde fase uit een muziekstuk. Nu zijn jullie niet in staat op redelijke wijze zonsondergang of – opgang te gaan zien. Jullie kunnen dus substitueren door de muziek. Of jullie zijn niet in staat muziek te zien of te horen, maar jullie zijn misschien wel in staat zonsop- of -ondergang te zien. Voor jullie innerlijk leven zijn die dingen volkomen gelijk. En alles waarin wij schoonheid vinden – dat is nu weer het belangrijkste hiervan – alles waarin wij schoonheid vinden, werkelijke schoonheidsontroering, is voor ons een harmonie met een bewustzijnsketen, een harmonische keten die ligt boven onze normale beleving. Zo kan door de schoonheidsbeleving kracht worden geput die het ik langzaam maar zeker bewuster maakt. Elke beleving van schoonheid betekent verder over het algemeen een evenwichtige groei en een evenwichtige aanvulling van hiaten die in de persoonlijkheid bestaan.

Daarentegen is het volkomen foutief om bv. aan een gedachte te gaan vasthaken wanneer deze zorgelijk is. Er zijn mensen die denken aan zorgen als ziekte of mogelijkheid tot ziekte. Anderen aan geld. Weer anderen definiëren dat misschien als oorlogsdreiging. Wanneer zo’n eenzijdige gedachte je ook emotioneel gaat beheersen, zo wordt je werkelijkheid niet alleen stoffelijk vertekend, maar je verwijdert je ook van de goddelijke werkelijkheid.

Het zal jullie niet altijd mogelijk zijn om bv. lijden of gebrek onmiddellijk op te vangen door harmonisch te worden in een keten waarin vreugde domineert. Jullie kunnen echter wel trachten van het ene begrip van gebrek of lijden of vrees, dat bij jullie domineert, over te gaan op alle andere jullie bekende patronen daarvan. Wanneer nl. een veelheid van vrezen gelijktijdig optreedt, maar slechts één daarvan jullie werkelijk zou kunnen domineren, zal ook voor de jullie dominerende vrees, zorg, leed, enz. de gewichtigheid en de invloed aanmerkelijk verminderen. Voor degenen die lijden, is mediteren en concentreren op andere vormen van lijden dan zijzelf ondergaan, een gunstig middel om eigen evenwichtigheid te herkrijgen. Is deze evenwichtigheid bijna hersteld, zo kan men daaruit wederom met lichtere en voor het ik meer positieve harmonische ketens in contact komen en dus buiten zijn eigen harmonische keten om bepaalde krachten en inspiraties putten, die dan meestal het ik tot een meer positief beleven en denken brengen. Jullie zien, ook dit punt is praktisch zeer belangrijk en kan gebruikt worden wanneer jullie zelf zekere problemen hebben.

Als laatste wil ik jullie nog wijzen op bepaalde vormen van ontspanning. Ik bedoel hiermee uitdrukkelijk niet toneel, film, boekje lezen, kopje thee drinken e.d. Dit zijn tenslotte maar uiterlijke verschijnselen. Ontspanning moeten wij zien als een tijdelijk verliezen van onze te grote gebondenheid met b.v. onze eigen stoffelijke wereld, taak en problemen of geestelijke wereld, taak en problemen. Het verliezen van deze gebondenheid kan alleen dan werkelijk plaatsvinden wanneer wij de bestaande harmonieën tijdelijk weten te onderbreken. Een mens die hierin getraind is, leert op den duur a.h.w. over te schakelen als een kraan die van koud water naar warm water wordt gedraaid en omgekeerd. Men schakelt eenvoudig de ene reeks inkomende impulsen af en de andere in. Maar dit vraagt een grote training. En menigeen zou dit wel willen bereiken, maar kan dit niet bereiken. Onthoud dan dit: Wanneer je probleem voortkomt uit lichamelijke condities, zo zal de beste ontspanningswaarde liggen in een geestelijk werken, een geestelijk spel waarbij deze lichamelijke condities en problemen hetzij als karikatuur of zelfs als tegenstelling optreden. In vele gevallen is het echter niet goed om daarvoor ontwijkingsmethoden toe te passen, zoals bv. het zoeken van harmonie in een droom van weelde wanneer je arm bent of een droom van gezondheid wanneer je ziek bent of een droom van macht wanneer je je machteloos voelt. Bij deze dromen nl. wordt het contrast met de werkelijkheid te groot. Zoek dus nooit een contrast met de werkelijkheid. Je fantasie kan een ogenblik dienen om je af te leiden, maar de harmonie moet altijd gezocht worden op een ander niveau en in een zo mogelijk gelijk beeld.

Voorbeelden daarvan vinden jullie in bepaalde leringen. Lijden, persoonlijk lijden kan een zeer grote belasting van het ik betekenen, tenzij wij dit transponeren. Wij komen dan bv. tot een ons één-voelen met een Christusfiguur die lijdt voor de mensheid. Het resultaat is een ontspanning waardoor het lijden draaglijk wordt en in vele gevallen genezing optreedt. Een ander voorbeeld: Wij lijden bv. onder armoede. Wij stellen ons voor dat deze armoede op zichzelf een geestelijke armoede helpt opheffen elders; ofwel dat door onze armoede wij in contact komen met geestelijke armen en wij hen van ons geestelijk bezit kunnen geven etc. Deze methode van het trekken van parallellen maar het wisselen van harmonie in gebied, betekent voor ons meestal lichamelijk een zeer grote ontspanningsmogelijkheid, een zeer grote rustmogelijkheid; geestelijk een herstellen van evenwichtigheid doordat het te eenzijdig denken wegtrekt en we daarvoor in de plaats krijgen een gevoel van voldaanheid dat ons met de meest lichtende en positieve ketens in harmonie kan brengen. Verder zullen wij daardoor beheerster zijn, want kracht puttende uit een dergelijk beeld voelen wij ons sterker en tevens meer gesteund.

En dan tot besluit nog: Het heeft geen zin jullie op de geest, geestelijke meesters, op God Zelf of anderen te beroepen zolang er geen harmonie tussen jullie en deze krachten bestaat. Zoek daarom steeds allereerst de goddelijke werkelijkheid te vinden van deze krachten; d.w.z. datgene wat voor jullie waar en onveranderlijk daarin leeft. Dit is nooit een volledige waarheid, maar zij benadert een vaststaande waarheid. Richt jullie daarop. Wees daarmee eerst in harmonie. En dan zullen de krachten – of dit nu meesters zijn, geestelijke leiders of God zelf – zich beter in jullie openbaren.

Een absolute onderwerping aan deze hogere krachten is alleen dan aanvaardbaar, wanneer deze onderwerping volledig uit onze sympathie voor die krachten geboren wordt. Een onderwerping echter die geen directe zin heeft, die ons zelfs tegenstaat en waarvoor wij innerlijk geen compensatie kunnen vinden, is uit den boze. Ze verstoort in de eerste plaats de begeerde harmonie; in de tweede plaats het contact met de harmonische keten waarin wij leven en in de derde en misschien wel de belangrijkste plaats de mogelijkheid om met hogere krachten in harmonie te zijn en daardoor de onvolledigheden van ons eigen wezen aan te vullen.

En daarmee heb ik mijn les beëindigd en naar ik hoop niet geheel zonder jullie goedkeuring te hebben verworven. Is er hierover nog iets te vragen of op te merken?

  • Men heeft eens gezegd: “Het ervaren van schoonheid is het ervaren van het oneindige in het eindige. Het is dus het ervaren van het hoogste wat je je denken kunt.”

Ik weet niet of ik het geheel met u eens kan zijn. In het Paleolithicum werden beeldjes gemaakt die de absolute schoonheid van bv. de vrouw uitdrukten. Sommige daarvan noemt men zelfs een stenentijdperk-venus. Dit is absoluut geen schoonheid voor u. Met andere woorden: wij zien daarin niet een oneindigheid of zo, maar wij voelen daarmee een harmonie of niet. In de eerste plaats is de schoonheid voor ons een emotionele gesteldheid. Nu kunt u zeggen: Daarin beleven wij het oneindige in het eindige. Dat is zeer wel mogelijk, maar zeker is het niet. Want ook waan en droom kunnen vaak voor ons schoonheid zijn en deze zijn niet oneindig en openbaren het oneindige niet. Belangrijk is dat er in ons een emotioneel antwoord is, als een diep ademhalen, waardoor wij eenheid vinden. Daarom mogen wij het niet uitbreiden op deze absolute manier waarop u doelt. Dat is heel goed binnen een strak esoterisch systeem, maar niet voor de ervaring. Want nu gaan wij zeggen: En daar willen wij nu het oneindige in zien en dus is het schoon.

Maar dan hebben wij te maken met een constructie. Schoonheidservaren echter berust niet op een construeren van schoonheid, maar op een innerlijk aanvoelen, een ondergaan. Begrijpt u wat ik bedoel ?

  • De emotie is natuurlijk primair en daaruit kom je in contact met wat er achter ligt, wat de oorzaak is van die emotie en die kun je zo hoog mogelijk zoeken.

Natuurlijk. Maar ze zal altijd beperkt worden door de harmonische keten die u vindt en de goddelijke waarheid die u dankzij deze keten plus het emotioneel ervaren zult kunnen erkennen.

Ik beëindig hiermee deze lezing. Het was mij een waar genoegen en eer voor jullie te mogen spreken. Ik heb getracht dit zo duidelijk mogelijk te doen met zo weinig mogelijk voor meerdere uitleggingen vatbare verklaringen, ofschoon ik daaraan niet geheel ontkomen ben. Ik hoop voor jullie dat jullie hierin niet alleen een esoterische les zullen zien, maar dat jullie zullen trachten bepaalde van de aangesneden systemen, die altijd – zo al magisch – zeker wit-magisch zijn, zullen gebruiken. Want slechts hij, die met een zo groot mogelijk deel van het Al in harmonie is, vindt zijn eigen waarheid, zijn eigen ware gestalte en de ware vermogens die voor hem bestemd zijn.

Heersers in uw leven

In dit tweede gedeelte kunnen jullie zo nodig vragen stellen; maar prettiger vind ik het wanneer jullie voor me een onderwerpje hebben.

  • N.a.v. de vraag “Hoe leven wij het meest doelmatig?” werd ooit het volgende gesteld: Voor de doorsneemens moet eerst het contact worden gezocht met de heersende planeet op de ascendant en daarna met de hierover heersende grotere kosmische kracht. Wat wordt hiermee bedoeld ? Kunt u het misschien met een voorbeeld illustreren ?

U hebt uw ascendant staan in zoveel graden van dit of dat teken. En dan hebt u daar het dichtst bij staan – hetzij in het eerste, hetzij in het twaalfde huis – een planeet, het geeft niet welke. De planeet die dus qua graden het dichtst bij de ascendant staat, is de planeet, die de grootste invloed op u heeft. Dat is nu eenmaal een feit. Maar ik kan hier wel een onderwerpje van maken.

Een mens die een horoscoop laat maken, ziet daarin hoe de verhouding van de verschillende planeten en hun verdeling over de verschillende huizen klaarblijkelijk veel zegt over zijn eigenschappen en capaciteiten en in zekere zin zelfs over zijn lot, althans de tendensen die hij tegenkomt. Wat hij daarbij meestal over het hoofd ziet, is de kwestie van bezieling: nl. de bezieldheid van de planeet en de wijze waarop deze planeten dus in feite bezield zijn, wat zich daarmee afspeelt. Om de zaak heel eenvoudig te maken, zou ik het zo willen stellen:

De zon is a.h.w. de vader van de planeten. De zonnelogos wordt gezien als de heerser over of voortbrenger van alle planetaire krachten. De oudste zoon is de planeet die daarnaast de meest directe invloed op aarde heeft (de verdeling wordt dus gemaakt in verhouding met de aarde) en dat blijkt de maan te zijn. De maan, die meestal vrouwelijk wordt genoemd, maar die dan toch klaarblijkelijk een mannelijke vertegenwoordiger heeft. Nu vinden wij Eloi of Elohim als heersende kracht in de zon en wij vinden zijn eerste dienaar (de meer genoemde en bekende Arcan) daar als eerste genius. Genius wil zeggen: boodschapper, overbrenger van bedoelingen en werkingen. Deze is nu ook heerser van de maan. Maar hij staat daarin niet alleen. Hij heeft een drietal concurrenten: de z.g. ziel van de maan, de z.g. geest van de maan en voor de maan bovendien de heerser der demonen. Dit is natuurlijk niet een poging om de één of andere mythologie op te bouwen, maar eenvoudig een uitdrukking van eigenschappen die op de maan voorkomen. Aan de hand van de werkingen van de maan kunnen wij dat wel enigszins duidelijk maken.

De maan reflecteert het licht en daarmee ook een groot gedeelte van de invloed van de zon. Zij versterkt vele tendensen van de zon en is als zodanig ook heel vaak gebruikt als symbool bv. van de aardse vruchtbaarheid, die echter dankzij het zonnelicht in de eerste plaats ontstaat. De overbrenger van de kracht van de zon wordt dan ook gezien als de werkelijke heerser. Zonder de kracht van de zon zou de maan levenloos zijn, althans voor de aarde.

Nu heeft die maan ook nog een eigen wezen. Noem het mijnentwege de aantrekkingskracht, datgene wat de getijden bepaalt: datgene wat de maan a.h.w. een bepaalde cirkelbaan doet kiezen. Dit noemt men de ziel. De ziel is dus a.h.w. het wezen van de maan dat materieel op de aarde werkt.

En dan kennen wij de geesten van de maan. Jullie hebben allemaal wel eens ontdekt hoe de maan jullie stil en rustig kan maken; hoe de maan soms contemplatie bevordert; hoe zij het de mens mogelijk maakt te dromen, maar ook om zijn geest vrij te maken van het meer stoffelijke. Dit noemt men dan het werk van de geest of de vorst der geesten van de maan. Daarnaast echter blijkt die maan ook op het menselijk organisme wel eens een wat storende werking uit te oefenen. Vallende ziekte bv., bepaalde groei- en ontbindingsprocessen staan in verband met die maan. En men zegt dat die vaak het sterkste zijn met nieuwe maan of volle maan; dus de twee fasen waarin de maan zich ten volle openbaart; in het ene geval naar het Al toe, nieuwe maan; in het andere geval naar de aarde toe, volle maan. Dit noemt men dan de heerser van de demonen. Die demonen worden niet bedoeld als geestjes die rondgaan, ofschoon er ongetwijfeld wel entiteiten zullen zijn die met dergelijke natuurkrachten verbonden zijn. Men bedoelt daar gewoon mee een voor de mens vernietigende of althans onaangename invloed.

Op dezelfde wijze zijn alle andere planeten eveneens bewoond. Zij hebben allen een eigen heerser. Of die nu Atrax heet of Tubor, of welke naam u ook verder noemen wilt, is van minder belang. Elke planeet heeft een heerser. Deze heerser drukt de directe eigenschap uit in relatie tot de zon. Die relatie tot de zon is voor ons de meest belangrijke factor. Dat daarnaast meer stoffelijke werkingen bestaan en dat er ook dus sprake is van een ziel, het eigen wezen dat invloed heeft op de aarde, is voor ons lang zo belangrijk niet als de verhouding die tussen de planeten en de zon bestaat. En de gedachteninvloeden en gedachtensfeer die er vanuit gaat, de geest van zo’n planeet, ach, die kunnen wij heel vaak verwaarlozen. Deze krachten zijn nooit dwingend. Dwingend voor ons echter is steeds de verhouding van de z.g. heerser tot de zon.

Een astroloog zal hier waarschijnlijk opmerken: “Dat klinkt mij erg vreemd in de oren”; en dat kan ik best begrijpen. De leer van bezieling is zo langzamerhand uitgestorven en men begrijpt tegenwoordig niet meer hoe eigenlijk vroeger de mens de natuur zag. De beelden echter die daardoor ontstonden, zijn de uitdrukking van een kosmische wijsheid. De wezens die daarbij werden genoemd, hebben vaak namen die op aarde zijn uitgevonden; maar hun persoonlijkheid, het geestelijke wezen dus, bestaat wel degelijk.

Nu stellen wij dit: Elk mensenleven staat in de eerste plaats en te allen tijde onder invloed van de zon. Deze zonne-invloed zal voor elke mens alleen af te lezen zijn uit het huis waarin de zon a.h.w. staat of – pardon – het teken, waarin de zon staat. Maar wanneer er nu een planeet bij komt en een planeet dicht bij de zon staat op het ogenblik van geboorte, dan neemt men aan dat er op dat ogenblik dus het sterkst geestelijk contact is tussen de heerser van een dergelijke planeet en de zon zelf. Dit is hetgeen je stoffelijk leven sterk beïnvloedt. Het heeft een zeer sterke invloed op je eigen gedachtenleven. De strijdigheden die in zo’n mens kunnen ontstaan bij een ouder worden, zijn heel vaak juist te wijten aan het conflict dat op het ogenblik van geboorte heeft bestaan tussen de heerser van die planeet en die zon.

Waarom die indeling precies zo is gemaakt, dat vraagt een hele reeks berekeningen en dat kunnen jullie waarschijnlijk net zo goed vinden wanneer jullie de afleidingen van de astrologie nagaan. Maar wanneer dus een planeet zo dicht mogelijk bij de zon staat (dat is belangrijk) zal zij ons leven zeer sterk beïnvloeden. Is dit het geval, dan mogen wij dus ook stellen dat wij in de eerste plaats moeten rekening houden met de macht van die planeet; want die planeet heeft het meeste in ons leven te zeggen, of wij het nu toegeven of niet. Wij zijn daarmee nl. het meest harmonisch. Kunnen wij die harmonie voor onszelf ten gunste buigen, dan vloeit daaruit voort dat alle krachten die zo’n planeet schenkt, voor ons positief werkelijk worden.

Neem bv. de planeet Mars. Mars brengt moed, een zekere agressiviteit, daadkracht. Hij brengt een zeker geluk. Wanneer je al die factoren samen neemt en je bent met Mars dus in harmonie, dan zullen deze waarden in je leven direct reëel worden. Daardoor zal veel innerlijke tweestrijd en verwarring worden voorkomen.

En dan pas gaan we kijken naar de heerser van het teken waarin wij geboren zijn. Want de heerser van het teken beïnvloedt ons hele leven, maar hij doet dit alleen door de tendens te bepalen van de planeten, verder niet. Hij bepaalt a.h.w. de plaatsing van de huizen, de tekens waaronder bepaalde huizen van de horoscoop vallen. Maar verder niet. Dus wanneer wij met onze planeetgeest eenmaal één zijn, dan kunnen wij gaan streven naar een hogere harmonie.

En moeten wij de geest (of entiteit moet ik eigenlijk zeggen, want het is natuurlijk meer dan een gewone geest) die een teken beheerst niet onderschatten. Wanneer wij zien wat een invloed de heerser van Vissen bv. op aarde heeft gehad en de invloed die nu al Aquarius merkbaar maakt, dan begrijpen wij wel dat dit geestelijke geweldenaren zijn. Zij hebben een eigen rijk. En dat rijk komt ongeveer gelijk aan wat wij noemen een inwijdingssfeer. Je kunt nl. wanneer je eerst in jezelf harmonie en vrede hebt gevonden, daaruit eenheid zoeken met de heerser van het teken waaronder je behoort. Dat verzekert je dan een innerlijk verdergaan en niet alleen een uiterlijke harmonie.

Voor de mens in de stof is het uiterlijk leven, de materie, de basis. Dat is wat je lichamelijk hebt, wat je lichamelijke mogelijkheden zijn en zal tenslotte ook bepalen wat voor tijd je wilt besteden aan het geestelijke en op welke wijze je de geestelijke inwijding zult kunnen en willen ondergaan. Daarom: eerst met de planeet één en dan pas met de hoge meester. Want zouden wij één zijn met de hoge meester en niet met de planeet, dan zullen wij door de tweestrijd die in ons blijft bestaan, nooit in staat zijn om volledig vrij te worden.

Hebben wij de eenheid bereikt met de geest, de entiteit van het teken die onze horoscoop beheerst, dan hebben wij nog te maken met een ander, nl. het teken van het ogenblik. Wat is op het ogenblik de heerser ? Laat ons aannemen dat dat Aquarius is. En nu staat u bv. in de Ram, in Tweelingen, Leo, de Stier, de Weegschaal, enz. Dan gaan jullie zeggen: Wat is de verhouding tussen beide tekens ? En dat kunnen jullie weer gewoon in de horoscoop aflezen. Want deze ervaringsleer heeft de onderlinge sympathieën wel degelijk vastgelegd. Nu weet ik dus: Ik ben harmonisch met mijn planeetgeest, ik ben harmonisch met de grote kosmische heerser onder wiens kracht ik incarneerde; en ik leef in een wereld van déze heerser.

Mijn inwijding zal altijd in de richting liggen van mijn geboorteheerser. Dat is te begrijpen. Degene die de incarnatie beheerst, beheerst ook de inwijding die plaats vindt tijdens het leven. Maar de tendens van de hele wereld en van de inwijding zijn afhankelijk van de heerser die nu de gehele aarde en het hele zonnestelsel domineert. En daarom gaan wij dan nog verder en zeggen wij: Wanneer wij een begrip hebben voor de verhouding die bestaat tussen onze eigen heerser en de heerser van het tijdperk, kunnen wij daaruit bepaalde bezwaren en moeilijkheden aflezen en ook bepaalde harmonische krachten. Op die harmonieën leggen wij de nadruk. Dan zullen wij in onze inwijding – dankzij de krachten op aarde – sneller kunnen vorderen en zo meer en intenser onszelf zijnde, meer en betere bereikingen op geestelijk terrein vinden in de stof, zonder daardoor de materie los te laten en alleen in de geest of alleen in de stof te gaan leven. Dit is de grondtheorie.

  • In de levensboom van de Kabbala zijn bepaalde sephiroth ook aangegeven met planeettekens.

Wanneer u verschillende systemen hebt en u gaat ze door elkaar gebruiken, dan vormen ze altijd een verwarring. Wanneer u Koptisch schrift, Duits schrift, Grieks schrift, vroeg spijkerschrift, beeldschrift en pictografisch schrift, zoals bv. de Chinezen hebben, naast elkaar gaat gebruiken, dan zult u ontdekken dat ze elk hun eigen wijze hebben om iets te vertellen. En nu behoort dit niet thuis onder de kabbala. Dit behoort thuis onder de z.g. zonne-magie, waarbij dus de hemelsferen worden verklaard aan de hand van verschillende heersers. Dit is niet identiek met kabbala, waar de kabbala (het levenspad van de mens) over verschillende punten van inwijding die op zichzelf een pad zijn, voert tot de hoogste bereiking. En dat is heel wat anders. Gaat u die twee dus door elkaar halen, dan kunt u zeggen: het wordt hutsepot; het smaakt misschien wel, maar geestelijk gezien voedt het niet.

  • Wat bepaalt eigenlijk welke planeet je beheerst ? Dus je hele leven beheerst ?

Dus de planeet die op het punt van de geboorte in graden gemeten het dichtst bij de ascendant staat, onverschillig of dit in het twaalfde huis of in het eerste huis is, wordt geacht te zijn de planeet met de grootste invloed op uw leven.

  • En dan hebben wij de planeet die vlak bij de zon staat, zoals u gezegd hebt.

Dat is precies hetzelfde.

  • Neen … want ik kan bv. Uranus op mijn ascendant hebben en de zon bij de geboorte bv. in het derde huis.

Akkoord. U hebt gelijk. Maar wij houden ons aan de ascendant, dat is het meest eenvoudige.

  • Maar nu heb ik bv. Mars staan bij de zon in het zoveelste huis; dan kan ik toch de verklaring die u gegeven hebt, dat ik met Mars veel te maken zal hebben, aanhouden ?

Die kunt u rustig aanhouden omdat dat in uw stoffelijk leven volledig juist is. Maar gezien de geestelijke ontwikkeling die ik u heb beschreven, is bij het vergelijken van de geboortehoroscoop, om de redenen in mijn korte betoogje neergelegd, dus de planeet die het dichtst staat bij de ascendant, dus het punt van geboorte in feite, de belangrijkste heerser over uw leven en zal ook deze op uw stoffelijke reacties enz. een overwegende invloed hebben.

  • Geldt dit ook voor de zon ? Als nu de zon het dichtst bij de ascendant staat i.p.v. een planeet?

Dan geldt dit ook voor de zon. Maar dan krijgen wij het eigenaardige dat de zon met zichzelf geen geschillen kan hebben en dat wij ons dus onmiddellijk kunnen gaan richten op de heerser van het teken.

De tarot

Het systeem van de Tarot, ook wel Rota of rad genoemd, is eigenlijk gebaseerd op een reeks van 21 azen, plus de dwaas. Dit zijn 21 situaties, samen weer vormend het getal 3 van de drie-eenheid (de omkering van het getal 12 zoals jullie misschien weten), waarin wordt uitgedrukt alles wat wij innerlijk kunnen beleven. Het innerlijk pad wordt weergegeven door allerhande beelden, waaronder wij bv. zouden kunnen noemen: de goochelaar of page, de gehangene of ingewijde, de magiër of demon, noem maar op, allemaal symboolbeelden.

Nu bevatten al die beelden samen praktisch elk probleem dat de mens kan hebben. Zelf wordt hij meestal voorgesteld – als hij onbewust is – als de dwaas, de man die niet eens merkt dat een hond hem in zijn been bijt bij wijze van spreken; terwijl hij – wanneer hij meer bewust is – heel vaak de tovenaar of goochelaar wordt. Is hij dit, dan betekent dit dat vanuit dit beeld alles wordt geïnterpreteerd.

Door nu deze kaarten schijnbaar willekeurig neer te leggen, krijgen wij te maken met een willekeurige groepering van levenswaarden, waarbij echter elke relatie tussen die levenswaarden en elke onderlinge verhouding overdacht kan worden. Zo is het mogelijk in een betrekkelijk klein aantal z.g. azen het hele innerlijk menselijk leven weer te geven. Elke gedachtemogelijkheid die er bestaat, kan door beschouwende contemplatie hieruit worden afgelezen. Zo zou je het hele geval, de gehele tarot, wel eens kunnen noemen: een esoterisch boekwerk zonder woorden.

Om echter het spel te vervolmaken, vinden wij daarin verder de gewone reeksen van 4, die men dan geloof ik bekers, staven, munten en zwaarden noemt, maar die in feite te vergelijken zijn met de gewone waarden die jullie op dit ogenblik kennen: harten, ruiten, schoppen, klaveren. Alleen vinden wij er naast de boer en de vrouw, ‘de ridder’ en dan de heer. Verder is de serie volkomen normaal. Nu gebruikt men deze om stoffelijke gebeurtenissen weer te geven. Met als resultaat natuurlijk dat door het beschouwen van die stoffelijke waarden (meestal in een lijst uitgedrukt), de mens zich ook nog kan voorstellen hoe zijn innerlijk leven in verhouding staat tot zijn uiterlijk leven.

Het is nooit de bedoeling geweest dat het Tarotspel voor wichelarij gebruikt zou worden, ofschoon die er waarschijnlijk wel uit is ontstaan. Het werd oorspronkelijk ontworpen in de Egyptische tijd, maar had toen nog niet de bekende beelden. Eerst veel later (in 1600 ongeveer) heeft men een poging gedaan om dus die eerste afbeelding te snijden, die eerste tekeningen te maken, en die zijn later nog verschillende malen door anderen herzien en vervormd.

Opvallend is dat de oorspronkelijke beelden elk voor zich een totaal esoterisch verhaal zijn. Zo zal bv. de maan een gezicht zijn waarin bovendien een sikkel is ingetekend. Want in ons leven zijn de krachten van licht en duister ongelijk verdeeld, zij wijzigen zich van ogenblik tot ogenblik. Maar het leven blijft zichzelf gelijk en het leven openbaart zich in ons ervaren; vandaar dat de wereld, die onder die maan staat getekend, vaak een landschap is. Zo kunnen wij aan de hand van de verdeling licht en duister in ons eigen wezen voor onszelf bepalen wat er op de wereld gebeurt en te doen is en daaruit lering trekken.

Zo vind je bv. de gehangene, één van de meest bekende figuren, die heel vaak wordt aangezien voor een arme kerel, een arme dwaas door degenen die aan waarzeggerij doen. In feite echter is de gehangene een ingewijde. En nu hangt hij niet aan een gewone galg, dus die bekende galg, waar Jan Klaassen in de poppenkast aan hangt, maar hij hangt op de oude kaart aan een balkgalg; d.w.z. 2 palen, door een derde overkruist. Dat heeft een aparte betekenis. Binnen het kader van het materiële, schouwend van boven naar beneden, gebonden aan zijn hoogste wereld, maar niet in staat zich aan de stof, aan de materie te onttrekken, is de ingewijde in de ogen van anderen een lijdende. En als jullie die kaart toevallig omdraaien en jullie hebben de oorspronkelijke te pakken, dan zien jullie dat de gehangene in zijn eigenaardige houding a.h.w. klaar staat een schrede voorwaarts te doen en daarbij – nog gebonden zijnde aan de galg – klaarblijkelijk in de lucht zweeft en in staat is de wereld te dragen.

Ik heb jullie nu 2 voorbeelden genoemd en jullie zullen begrijpen dat ik niet alle kaarten wil gaan beschrijven. Het is alleen belangrijk dat jullie even begrijpen: elke kaart is een geheel esoterisch verhaal.

Laat jullie niet teveel tot waarzeggerij met de Tarot verleiden en denk vooral niet dat jullie die kaarten goed kunnen gaan gebruiken door ze in verbinding te brengen met de planeten, met de geheime namen en wat er verder bij hoort. Zij zijn daarvoor niet ontworpen en niet bedoeld.

Zij zijn een beeld van jullie leven. En de kringloop van jullie leven dat jullie met die kaarten kunt leggen, blijft dan ook steeds gelijk. Hoe jullie de kaarten ook leggen, dezelfde waarden komen er in voor. Soms blijft er eens een enkele waarde weg; dan weer wisselen twee waarden van plaats. Wat wij zijn, is altijd hetzelfde, wij zijn gelijk. Maar de hergroepering van waarden in ons betekent een heel ander beleven. Je zou kunnen zeggen: Wij leven altijd in Gods werkelijkheid, maar de manier waarop wij de delen gegroepeerd zien, maakt voor ons uit wat onze wereld is.

Zo drukt de Tarot of Rota dus eigenlijk het totale beeld uit van de esoterische geheimen. Degene die daarin verder doordringt, vindt de mogelijkheid om uit het leggen van de kaarten, die op vele verschillende manieren gegroepeerd kunnen worden (er bestaan een 12-tal hoofdsystemen, maar daarnaast wel een 150 z.g. secundaire systemen) daardoor een bepaalde meditatie te beginnen en heeft voor zijn gedachten een goed concentratiepunt.

Waarschijnlijk hebben de scheppers van dit systeem (dat – zoals ik al zei – ver in het verleden teruggrijpt), gemeend dat de mens zijn gedachten niet voldoende kan beheersen om één ding goed te overzien en zich daarop geheel te concentreren. Maar – zo hebben ze gedacht – wanneer wij nu eens een combinatie van voorstellingen geven en wij leggen in elk van die voorstellingen verder een grote reeks van symbolen vast die voor de mens spreken, dan zal zijn denken zich binnen een bepaald kader gaan bewegen, een bepaald raam. Daardoor zal hij in staat zijn aan de hand van deze kaarten en boeken even goed de geheimen van de natuur te overwegen als zijn eigen persoonlijkheid. Hij zal kunnen doordringen in de wetten van de goden of God, zo je wil, of de natuur, maar ook kunnen erkennen waar hijzelf faalt of waar hijzelf bepaalde dingen overdrijft. Zo leert hij zichzelf kennen en komt hij dus uit dit rad tot de oplossing. En deze oplossing is dan volgens deze traditie van de Tarot, dat men elk van de figuren eenmaal is geweest. Dat is geen reïncarnatieleer, ofschoon het er veel op lijkt. Men neemt aan dat iedereen eerst begint als een dwaas, maar langzaam maar zeker verdergaat, tot hij de wijze, de ingewijde wordt; de ingewijde, die in de groepering of rangorde van de z.g. azen, niet de top vormt maar het midden. Want de middenkracht van het Al is de ingewijde. Boven en onder hem liggen alle dingen, in hem komen zij tot evenwicht.

Ik mag daar misschien wel bijvoegen dat men in de oudheid zelfs wel heeft gemeend dat deze wichelboeken, die toen nog niet altijd Tarot genoemd werden, een voortvloeisel waren uit het boek van Toth en dat zij in beeldschrift daarvan een vertaling waren. Zo zocht men daarin reeds heel vroeg de geheimen te vinden van de godenwereld en de woorden (de magische woorden), waarmee je het Al zou kunnen regeren, de engelen zou kunnen bevelen en wat dies meer zij.

De mens, die later een esoterisch systeem kreeg, ging natuurlijk die kaarten verder gebruiken. Maar de grootste indruk maakten zij wel op mensen die nog gebonden waren met Indië. Want bij de Indische voorstelling van hemelen en hellen, in het z.g. volle rad getekend, dat men zowel vindt bij de Boeddhist (vooral bij de Lama) als bij de Hindoe, vinden wij soortgelijke voorstellingen. Daar is een rad ingedeeld in 24 spaken of in 12 spaken; en tussen die spaken ligt een hele wereld getekend met symbolen van engelen en duivelen, van goden en gebeurtenissen. En – zo zei men – door de beschouwing van dat rad krijg je inzicht en kun je de kern van het leven, de grote Godheid a.h.w., benaderen.

Zo is het begrijpelijk dat het vooral de Roemi’s zijn geweest, de zigeuners, die deze kaarten al heel snel gingen gebruiken. Maar hun werk was in die dagen heel vaak ketellapperij, stroperij en ook waarzeggerij. En zo zijn zij het geveest die uit de Tarotkaart een soort waarzegkaart ontwikkeld hebben en voor de doorsneemens tenslotte de Tarot van zijn luister hebben ontdaan door hem tot een middel tot predictie te maken. Dit is echter nooit de werkelijke bedoeling van de Tarot geweest.

De mens die in zichzelf zoekt, zal door de juiste voorstellingen voor zich te zien en zich daarop te concentreren, kunnen komen tot een verzinking in zichzelf, een begrip voor zichzelf en voor de relaties in zijn leven en denken tussen uiterlijke en innerlijke wereld. Een dergelijk mens kan evenwichtig zijn.

Hij kan – wederom in overeenstemming met het Indisch systeem – de kern van het ik of de goddelijke kracht vinden. En wie de bron vindt, beheerst het leven. Zo lijkt zelfs de vergelijking met het boek Toth niet zo dwaas als op het eerste gezicht misschien gedacht werd.

De gevormde persoonlijkheid

In het leven heeft elke mens zijn eigen instelling. Elke mens heeft een eigen gevormde persoonlijkheid. Deze gevormde persoonlijkheid gaat heel wat verder dan alleen maar een stoffelijk bestaan of zelfs meerdere stoffelijke levens. De mens ìs dus. En hij leert zichzelf kennen door verschillende levens die dan misschien vergeleken kunnen worden met de exploratie van sommige ledematen en organen van het werkelijke wezen. Voor ons is dat alleen in zoverre belangrijk, als wij in staat zijn ons eigen wezen te erkennen, niet alleen maar in een beperkte vorm of een beperkt leven, maar als een oneindigheid.

Wij dragen allen in ons een eigen leer. Je kunt niet zeggen dat er voor ons ook maar één waarheid is die wij precies gelijk met anderen zien, buiten de grote of enige waarheid God. Al het andere wordt door ons verschillend gezien en verschillend geïnterpreteerd. De consequentie is dus dat wij elkaar nooit helemaal zullen verstaan zodra wij moeten spreken over de werkelijke innerlijke waarden en belevingen. Zo sta je als esotericus in zekere zin alleen. Je vindt overal hulp en overal steun, maar die kunnen alleen gebruikt worden om op je eigen wijze volgens je eigen beste weten en inzicht een schrede voorwaarts te doen op je eigen pad dat niemand anders kan gaan.

Het is aardig dit eens te constateren. Want er zijn zoveel mensen die denken dat je een soort verenigd systeem tot bewustwording kunt stichten of misschien zelfs een maatschappij met uitgesloten aansprakelijkheden tot exploitatie van het hemelrijk. Degenen die dat doen, exploiteren een illusie. Wij kunnen alleen onze eigen weg gaan. Wij hebben onze zeer persoonlijke instelling en gedachten. En deze persoonlijke instelling en gedachten zullen wij moeten doorvoeren in alle dingen. Want de waarheid die in ons leeft, omvat alle sferen, alle werelden en alle levens. Wij kunnen niet gaan zeggen : in dit leven moeten wij dit of dat maar eens niet doen. Dan zullen wij terug moeten keren om dat te achterhalen. Wat tot de kern van je persoonlijkheid behoort, wat werkelijk een deel uitmaakt van wat je aanvoelt als goed, als waar, als begeerlijk enz. – maar dan eerlijk en zonder zelfbedrog – dat zul je moeten volbrengen. Want je bent nu eenmaal een gevormd wezen en je kunt misschien binnen dit gevormde wezen de exploratie van de onderdelen nog wel eens afwisselen, maar je kunt er nooit aan ontkomen dat je alle delen daarvan moet leren kennen.

De gedachte dat wij alleen maar binnenwaarts behoeven te gaan (bij esoterici zozeer geliefd) is dus eigenlijk niet juist. Want ook het uiterlijke, het stoffelijke leven behoort er net zo goed toe als elke andere belevingsmogelijkheid. Alles wat in en buiten mij bestaat voor mij, is deel van mijzelf.

Dat is natuurlijk heel erg lastig. Want dan zeggen jullie: “Ja, die minister van financiën, die nog geen belastingverlichting heeft aangekondigd, is ook een deel van mijzelf”. Zeker, dat zijn jullie ook. En jullie zijn ook de agent die jullie op de bon slingert. En jullie zijn ook de kruidenier die jullie bedriegt met het gewicht van suiker of bonen. Jullie zijn alle dingen.

Het is moeilijk dat te beseffen. Want jullie weten nu eenmaal dat die anderen werkelijk bestaan en jullie zeggen dus: “Wanneer ze werkelijk zijn, dan kunnen ze geen deel zijn van mij”. Maar jullie vergeten één ding: Jullie zullen in die ander alleen datgene zien en ontdekken wat voor jullie in jullie ware persoonlijkheid belangrijk is. En daarom kunnen wij zeggen dat ze deel zijn van jullie. Niet zoals ze werkelijk bestaan, maar zoals ze voor júllie leven.

Dan kom je terug tot de gedachte: de wereld is een spiegel, waarin ik mijzelf bewonder. Maar zolang ik niet toegeef dat ik het zelf ben, ben ik net als een poes die tracht te spelen met haar eigen spiegelbeeld en uiteindelijk alleen maar scherven produceert. Ik moet verstandig zijn. Ik moet begrijpen dat – ook al is voor mij redelijk daarvoor geen verklaring te vinden op het ogenblik – alles wat vanuit de wereld op mij afkomt, deel uitmaakt van mijn wezen. Ik moet begrijpen dat mijn hele leven een geheel is en dat elke willekeurige indeling in fasen of perioden alleen dienen kan om een redelijke verklaring van dat leven te geven, maar nooit kan dienen om de waarde van dat leven te bepalen. Je kunt niet iets in de details overzien; je moet het steeds als geheel nemen. Alleen zó behoort het werkelijk tot het ik.

Dan vinden wij verder in de esoterie nog de grote vraag: Hoe staat het dan met die goddelijke krachten en die kosmische krachten waar wij bijhoren ? Ook hier is het antwoord heel eenvoudig: Zoals wij deel zijn van de Schepper en Zijn schepping, geheel en volledig, zo zijn wij door Zijn wezen ook deel van elke openbaring van Zijn kracht in de vorm van de kosmische persoonlijkheid, in de vorm van een Groot-engel, een Aartsengel, een Troon, een Heerschappij, noem maar op. Aan deze dingen hebben wij allen deel. Niet slechts aan een enkele, maar steeds aan alle. In de belangrijkheid die ze voor ons hebben, kunnen grote verschillen bestaan, want ze zullen niet op het pad van elke mens precies gelijk liggen, met precies gelijke grote intensiteit en gelijke invloed, maar ze maken van alle deel uit. Wanneer wij ons richten tot een bepaald deel van God, tot een zeer bepaalde kosmische heerser, zo doen wij dat dus alleen omdat dit in overeenstemming is met een deel van ons eigen wezen dat wij op dit ogenblik exploreren. Maar wij kunnen nooit zeggen: “Dit hoort voortdurend bij ons, dit is altijd mijn meester, dat is altijd mijn kracht.” Wij moeten altijd zeggen: ”Dit is het deel van een andere entiteit dat binnen mij als kenbaar werd vastgegrift en dat zo deel is van mijn eigen wezen, zoals ik het beleef.”

De mens die dit beseft, zal ook begrijpen hoe het geestelijk pad hem verder voert van fase tot fase, van sfeer tot sfeer, van meester tot meester en van kracht tot kracht, zonder dat het ik daardoor feitelijk verandert. Alleen het bewustzijn wijzigt zich steeds. En het bewustzijn, dat de delen van levens in sferen en op aarde (voordat er een aarde was en nadat er een aarde geweest is) samenvoegt, kent het werkelijk ik.

Dan is er nog één ding. In de esoterie willen wij zo graag spreken over “Het Woord, dat was in den beginne”, de “Heilige Naam” en wat erbij hoort. Begrijp wel dat zelfs de naam Gods voor ons allen niet dezelfde is, want in elk van ons ligt een zeer bepaalde openbaring van God. Alle namen samen vormen de schepping, maar wat in ons de naam van God is, is tevens de naam van ons wezen in de oneindigheid. Daarom is het belangrijk te trachten voor onszelf te vinden wat God is voor ons en alleen voor ons. Dat wij trachten te begrijpen hoe die God zich openbaart, dat wij Hem a.h.w. een naam leren geven in elke fase van ons leven en bestaan. Want zo realiseren wij ons onze eigen naam. En zoals de oude wijsheid al zegt: De naam is vaak identiek met het wezen. Wie de naam kent, beheerst het wezen. Zo, indien wij de naam kennen die God ons gegeven heeft in het begin van de schepping, kennen wij ons wezen, kunnen wij Zijn wezen aanvaarden en erkennen en zullen wij meester zijn over al hetgeen ons eigen wezen omvat.

Voordat wij zover zijn, zal het nog wel even duren. En wij weten nooit precies aan welk deel van het “ik” wij bezig zijn op het ogenblik. Dat merk je alleen wanneer je uit de sferen van vorm loskomt en voor een kort ogenblik het geheel van het ontdekte ik hernieuwd vindt: de geboorte in licht of de geboorte in God. Maak je er niet druk over wat je nu in dit leven precies bent en wat deel uitmaakt van je leven en wezen. Vraag je alleen maar af hoe je dit zo goed mogelijk kunt beseffen. Hoe je je zo sterk mogelijk één kunt voelen met alles wat verleden en toekomst aan stoffelijk en geestelijk beleven brengen. Het gevoel één te zijn in jezelf, boven alle tijd, boven alle sfeer, één met jezelf (het ware Ik) en één met God, die dit Ik maakt, is voor ons altijd het meest belangrijk. Van daaruit komen wij zelf tot de absolute voleinding, waarbij het Ik zich uitdooft als afzonderlijke factor en de naam deel wordt van de naam Gods, ofwel het wezen direct uitvoerend orgaan wordt van het Goddelijke zelf.

De staf

Staf. Een steun voor de mens die moet gaan wanneer de benen weigeren.

Staf, het idee van iets wat je helpt, waar je zelf tekortschiet. Een verlengstuk van het eigen wezen dat niet tot het ik behoort. Een staf is iets waaraan wij ons kunnen oprichten wanneer wij gevallen of vermoeid zijn. De staf is een steun. Wanneer wij steun behoeven, zullen wij onszelf een staf zoeken: een geloof, een verwachting, een droom, een hoop. Maar in feite zijn al deze dingen overbodig want zij zijn geen deel van onszelf. Zodra wij vrijelijk kunnen staan, hebben wij geen staf meer nodig. Wanneer wij dit beseffen, kunnen wij gaan zeggen:

Jij, God, bent mij tot steun en staf.

Jij helpt mij alle dagen te dragen, wat ik zelf niet dragen kan.

Jij, God, Jij bent mij geopenbaard

in de boeken en de woorden,

die Jijzelf hebt gegeven.

Zo ben Jij mij een staf in ’t leven,

ofschoon ‘k Uw woorden niet versta.

Mijn God, Jij bent mijn steun en staf,

omdat ‘k door in U te geloven,

zoals ’t mijzelf ’t beste past,

leer de last des levens voort te dragen.

Maar kan ik het ooit wagen, God,

te zeggen wie Jij bent ?

Wanneer je dat zo zegt, dan heb je eigenlijk God een onrecht aangedaan want God is niet een steun en een staf, God is het leven zelf. Wanneer je het zo uitdrukt, dan heb je getracht God klein te maken en Zijn openbaring tot iets wat een hulpmiddeltje is ofwel iets wat onveranderlijk en altijd en eeuwig waar blijft, wat – gezien de tijdelijkheid van de mens en diens wereld – niet mogelijk is.

Wij zullen het dus op een andere manier moeten uitdrukken. Wij zullen de gedachte van de staf en de steun terzijde moeten stellen. En dan denk ik onwillekeurig aan het menselijk lichaam. Is daarin niet de staf van de ruggengraat die het hele lichaam in staat stelt om zich te bewegen, die er houvast aan geeft ? Is het niet dat waar alles om draait ? En dan kunnen wij het misschien toch nog duidelijker en beter zeggen voor onszelf en ook voor het leven :

Jij, God, geef mij Uw wezen,

Uw lichte kracht als ziel,

de staf waarop mijn leven steunt.

Jij, die in mij woont

en in mijn ik Uw wezen openbaart,

Jij maakt mij door Uw Zijn het leven mogelijk

en het leven waard geleefd te worden.

‘k Erken U als de Kracht die in mij woont.

Maar niet wil ik erkennen steun en staven,

die niet zijn Uw kracht die leeft in mijn wezen.

‘k Wil vrezen niets dan dat

wat Jij in mij geschapen hebt als vrees.

‘k Wil winnen niets dan dat,

wat Jij, Uw liefdekracht mij openbarend,

in mij geschapen hebt.

‘k Wil één zijn met Uw wezen.

Zo beseffen wij dan de werkelijkheid die in geest en mens gelijkelijk steeds weer bestaat. De werkelijke staf, de staf waarop wij leunen en zonder welke wij niet kunnen voortgaan op ons pad, is de kracht in ons. En dan mogen wij misschien met de oude zanger uitroepen :

“Heil U, o nacht, die in de hemel staat

en in mijn wezen toch Uzelf hebt herschapen.

Ik groet U, Kracht van Licht en glanzend wapen,

dat mij beschermt en heel mijn wezen richt

tot onbekende tijd.

Ik eer U, Gij die leeft in bloem,

in dier, in wezen en in sfeer.

Gij, die zijt de rivier

en de zee en de wolk en het land.

In alle erken ik Uw hand.

Maar in mij zijt Gij Licht en méér dan dat.

Gij, Zon, die in mijn wezen straalt,

Gij, Licht, waaruit mijn wezen leeft,

U erken ik als de kracht,

die mij de macht tot méér dan leven geeft.

Gij zijt het, die ontsluieren zult het beeld, dat verhuld is.

Gij zijt het, die terecht zit over de rechteren, die mij dreigen.

Gij zijt het, die de wereld doet staan of gaan.

Gij zijt die leeft. En Uw beeld is in mij.

Zo zijt Gij mij de zegen, waaruit ik voortbesta.

Wil mij dan tot U nemen, zoals ik leef in U, waar Gij toch leeft in mij.”

Daar heb je de staf, uitgedrukt in de woorden van een lang vergeten dichter, die eens zong voor Ammon toen zijn tempels nog klein waren en zijn priesters weinig. Maar daar heb je ook de eeuwige waarheid. Want al heb ik de godennamen dan weggenomen en daardoor de sfeer wat meer voor jullie tijd geschikt gemaakt, de woorden blijven gelijk van waarde door alle tijden.

Het licht dat in ons is, is onze steun en onze hulp. Het licht dat in ons is, is ons leven, is onze adem, is ons bestaan. Wanneer wij slechts daarop ons beroepen, slechts daarop steunen, zo zullen wij de voltooiing en de voleinding vinden. Dan zullen Schepper en schepsel samensmelten tot één eenheid.

En wie met zijn God zo leeft, heeft in de stof en in de geest geen steun en staf van node. Maar hij kan hen, die nog onbewust zijn, zelf tot steun en staf vaak zijn.