Harmonische verschijnselen

 ‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 3) – december 1968

Harmonische verschijnselen

De meesten van u zullen vertrouwd zijn geraakt met denkbeelden als die van de kabbala, waarin men zegt dat een naam, een wezen, een datum een lot kan aanduiden en via velerlei omzettingen en becijferingen inderdaad tot resultaten weet te komen. Ook zult u misschien, zelfs tot vervelens toe, hebben gehoord over de z.g. harmonischen die voor gedachteoverdracht van belang zijn, maar eveneens voor het bereiken van allerhande magische of pseudo‑magische verschijnselen, die evenzeer belangrijk zijn voor het leven, voor de esoterische bewustwording enz. Ik geloof niet dat het op een avond als deze mijn taak is om expliciet in te gaat op de verschillende praktische mogelijkheden van dit alles, ofschoon ik ongetwijfeld aan het einde van mijn betoog enkele meer praktische aanwijzingen denk in te vlechten.
Ik zou u willen wijzen op de achtergronden van dit alles en proberen duidelijk te maken wat deze harmonieën zijn, hoe de harmonische verschijnselen in feite kunnen bestaan en eventueel tot stand komen en ten laatste ‑ zo mij daartoe de tijd rest ‑ op welke wijze wij harmonieën kunnen beheersen.
Het bekende standpunt is: Alle dingen zijn één. Ze zijn geboren uit één God, bestaan uit één Kracht en vormen de uitdrukking van één totale alomvattende Gedachte.
Op grond hiervan is het aan te nemen dat in de eeuwigheid voor alles een harmonie bestaat, want er is eenheid. Maar op het ogenblik dat wij tot een steeds verdergaande differentiatie van waarden komen, zullen wij ook moeten toegeven dat, waar er verschillen bestaan, harmonieën moeilijker worden en bepaalde disharmonische verschijnselen kunnen optreden.
Nu is de basis van de gehele structuur, voor zover het uw aarde betreft (er zijn dus andere mogelijkheden denkbaar), te herleiden tot de z.g. stralen of de Meesters van de stralen. Wij hebben hier te maken met een hiërarchieke opbouw, die echter in feite eerder kan worden gezien als een ontwikkelingsreeks, zoals deze natuurlijk ontstaat.
Wij hebben een bron. Bij deze bron ontstaat een eerste differentiatie tussen twee waarden. Er is het onkenbare; het uit zich in licht en duister. Uit licht en duister komen elk weer verschijnselen voort, die daarvan weer de tussentonen geven. Wij krijgen dus te maken met absoluut duister en minder duister, en absoluut licht en minder licht. Daaruit komen weer verschillende differentiaties voort en zo ontstaat er eigenlijk een soort piramide naar beneden toe.
Wat wij nu de Meesters van de stralen noemen, kunnen wij ons het best voorstellen als een mentaliteit. Er is een bepaalde sfeer. Die sfeer kunt u overal waarnemen. Er zijn planten, die b.v. absolute schoonheid produceren; andere produceren eerder een aantrekking door geurigheid of misschien door eetbaarheid. Bij vogels kunt u hetzelfde zien. Er zijn vogels, die uitmunten door hun scherp gezicht, hun snelheid, hun bijzondere vleugelslag; andere munten weer uit doordat zij bijzonder handig b.v. hout weten te bewerken; weer andere zijn bijzonder goede zangers etc. Elk heeft zo zijn eigen kwaliteiten gekregen en deze zijn in de loop van een lange evolutie ontstaan.
Als wij ontstaan, dan zullen wij, evenals al deze wezens op aarde zich in een evolutie langzaam maar zeker van elkaar gaan onderscheiden, eveneens verschillende eigenschappen opdoen. Nu geldt daarbij het volgende: Als ik met één grondeigenschap begin, dan kan ik die met zeer velen nog wel gemeen hebben. Er zijn enkele directe tegenstellingen, maar er zijn geen vergelijkbare waarden aanwezig. Naarmate die differentiatie echter verder gaat, krijg ik een groter aantal vormen, die uit dezelfde basis zijn voortgekomen; en ga ik nog verder, dan blijkt dat er families ontstaan. U kent dat uit de biologie, waar men spreekt over b.v. de familie van de eenhoevigen of de familie van de omnivoren zus en zo. U geeft daarbij een hoofdeigenschap aan en u zegt: Daardoor ontstaat er een verwantschap.
Dit gebeurt nu met ons. Maar we zijn niet alleen verwant aan datgene, wat naast ons bestaat, gesproten uit dezelfde basis; wij zijn ook verwant aan datgene, wat vóór ons kwam in de ontwikkelingsgang. Er is dus een tweeledige verwantschapsmogelijkheid. Een die horizontaal ligt in het vlak van de eigen wereld en een die verticaal ligt in de richting van de origine, de vroegere ontwikkelingen.
Wij kunnen nu stellen: Harmonieën zijn alleen mogelijk tussen absolute tegenstellingen (ze vullen elkaar aan) of tussen leden van een gelijke familie, dus behorende tot één en dezelfde tak van ontwikkeling. Een gedeeltelijke harmonie is met al het andere te bereiken, maar slechts indien men bepaalde delen en eigenschappen van eigen wezen tijdelijk buiten beschouwing laat. Gaat men uit van de volledigheid van de eigen persoonlijkheid, dan zal er een harmonie bestaan met b.v. bepaalde dieren, bepaalde gewassen, grondsoorten, zelfs met bepaalde landen, bepaalde invloeden uit de kosmos, bepaalde sterren. Dit noemen wij dan een z.g. harmonisch verband. Een dergelijk harmonisch verband is meestal te herleiden tot de terminologie van de z.g. 7 Heren of Meesters der kleuren.
Elke kracht, die mij bijzonder scherp aanspreekt, zal even scherp al diegenen aanspreken, die behoren tot mijn familie. Ze zal daarentegen totaal niet mijn antithesen (datgene, wat tegenover mij staat) aanspreken of daarvoor in het tegendeel uitwerken.
Nu zult u misschien begrijpen dat harmonische verschijnselen de eis stellen dat ik gevoelig ben. Ik kan dus alleen harmonisch reageren ten aanzien van datgene, wat tot mijn straal of tot mijn familie behoort. Daarnaast kan ik reageren, maar niet in een volledige harmonie, op alle verschijnselen, die verwantschap vertonen met datgene, wat in mij kan aanslaan. Het is misschien moeilijk om dat duidelijk te maken. Jan houdt van thee en Piet houdt van koffie. Beiden zullen zij water drinken. Maar zodra het water verder wordt verwerkt, ontstaat het onderscheid thee ‑ koffie en geeft het zelfs een verschil in karakter aan. Niet alleen in smaak, maar zelfs in karakter. Op die manier kunt u dat bekijken. Wat is de basiswaarde? Daar kan ik een harmonie krijgen, elders niet.
De harmonische verschijnselen in het totale Al, de Kosmos, berusten nu op de harmonieën die vanuit de sferen bestaan (de verticale lijn) plus de harmonische mogelijkheden die ik erken in mijn eigen wereld (de horizontale lijn). Op deze wijze ontwikkelt zich voor mij niet alleen een reeks direct harmonische mogelijkheden, maar ook van indirect harmonische mogelijkheden. Want wat voor mij harmonisch zeer ver weg ligt, is eenvoudiger bereikbaar vanuit een fase, die in het verticale vlak dichter bij de Bron ligt. Kom ik bij God, bij de Origine, dan kan ik met alles harmonisch zijn. Hoe sterker mijn persoonlijkheid tot uitdrukking komt en wordt gevormd, des te kleiner het terrein, waarin die absolute harmonie kan bestaan. Wij gebruiken hierbij als stelregel over het algemeen dat de afstand tussen huidige wereld en sfeer bepalend is, daar aan beide zijden een harmonie kan worden bereikt in de eigen wereld, gelijk aan de afstand tussen wereld en sfeer, terwijl het hele gebied, dat vanuit het ‘ik’ bereikbaar is, als een harmonie in een gelijkzijdige driehoek kan worden weergegeven, met wederom als basislijn de eigen wereld. Hiermee heb ik dus mijn eigen harmonische mogelijkheden wel ongeveer beschreven.
Maar als er nu twee verschillende wezens zijn, dan kan het zijn dat hun harmonische mogelijkheid vanuit een bepaalde sfeer een deel overlapt. We krijgen dan twee driehoeken, die elkaar zodanig snijden, dat aan de punt van beide driehoeken a.h.w. een extra driehoekje ontstaat. Dat terrein is dan de harmonische mogelijkheid tussen twee personen of twee verschijnselen. Als u dit eenmaal hebt leren beseffen, dan zult u ook op grond van uw eigen geestelijk vermogen uw harmonische mogelijkheid in uw eigen wereld kunnen bepalen. Het is tamelijk ingewikkeld om u dat verder uit te leggen. Ik zou dus eerst gaarne verdergaan met de harmonie, die er op ander terrein kan bestaan.
Ik heb zo-even al aangespeeld op een zekere gevoelsverwantschap met b.v. bepaalde dieren, bepaalde planten. Maar misschien kunnen wij het anders stellen.
Er zijn mensen, die schitterend bloemen kunnen telen, maar die nooit een goede oogst aardappelen uit de grond krijgen. Omgekeerd zijn er mensen, die met landbouwproducten uitstekende resultaten behalen, maar die ‑ zodra ze in de bloementeelt komen ‑ er eigenlijk niets van terecht brengen. We zouden dergelijke verschillen nog verder kunnen uitwerken. Er zijn boeren, die met de fruitoogst altijd geluk hebben, maar die b.v. met graanoogsten meestal tegenslag hebben. Het lijkt nu wel of dat aan de samenstelling van de grond ligt of aan de mogelijkheden van de boer, maar in feite speelt hierbij die harmonie een grote rol.
De man, die bijzonder grote fruitoogsten heeft, voelt zich meer verwant met de fruitboom. Hij is dus in staat om in zijn boomgaard op het juiste moment in te grijpen. Hij snoeit beter, hij zorgt voor een betere voeding van de bomen, een betere afscherming en hij weet beter wanneer het tijd is om te plukken. Alles bij elkaar verzekert hem een hogere opbrengst. Hier betreft het kennelijk een aan­voelen van een ander wezen.
De verschijnselen van harmonie in uw eigen wereld vallen soms niet op en toch is het typerend, dat een bepaald type mens, een automobilist b.v., met een bepaald type auto een maximum resultaat behaalt, maar dat hij met een ander type motor of een andere carrosserie plotseling geen resultaten meer heeft. En dat is niet alleen een kwestie van gewenning. We kunnen dat zien bij experts als chauffeurs op lange lijnen of autocoureurs die, werkende met een voertuig, dat kwalitatief gelijk is, dat qua omvang en vermogen gelijk is, alleen door die kleine verschillen, die schijnbaar onbetekenende verschillen tot andere resultaten komen. Het gaat hier om een harmonische structuur.
Nu heeft het ‘ik’ een zekere harmonische opbouw, die zelfs mechanisch een bepaald resultaat geeft. Indien de totale structuur van die motor, zullen we maar zeggen, een vierkant is, dus gedrongen, dan zal iemand, die gewend is veel vooruit te kijken, hoe vreemd het ook moge klinken, daar minder resultaten mee behalen dan met een lang motorblok. Daar haalt hij meer uit, ofschoon het vermogen en de technische mogelijkheden verder gelijk zijn.
Hier zijn een paar dingen, die voor u bijna ongelooflijk zijn, indien u daar niet op let. Maar past u eens op: Er zijn mensen, die in een bepaalde stof veel minder schade aan hun kleding hebben dan in een andere stof. Dat gaat zover dat er dames zijn, die nylons hebben van een bepaalde grondstof, die bij anderen voortdurend ladderen. Bij hen ladderen ze niet. Maar zodra zij ze van een andere kwaliteit kopen, ladderen ze ineens wel. Hoe komt dat? Dat is wat men noemt ‘een harmonisch verschijnsel’. Dat, wat harmonisch is, past zich bij mij aan en daar pas ik mij bij aan. Ik zal automatisch zo reageren en bewegen dat dat andere eveneens perfect kan reageren en bewegen. Maar is die harmonie weg ‑ en dat kan een kwestie zijn van grondbestanddelen, van voeding of van andere – dan is er plotseling wrijving. Ik reageer niet meer exact, en naarmate die afwijking minder opvallend is, wordt de fout, die ontstaat, voor mij onverwachter. Dit bestaat natuurlijk niet alleen tussen u en b.v. een paar kousen of een bloem, het bestaat met de gehele kosmos.
U heeft hulp nodig uit de geest. Nu kunt u duizend geesten aanroepen maar de enige geest die u volledig kan begrijpen en daardoor u goed zal kunnen helpen, is degene, die in het horizontale vlak een begripsvermogen heeft (dus vanuit zich een projectie kan maken die uw wereld omvat) en die gelijktijdig in de verticale projectie harmonisch met u is.
Wij zijn geneigd om dat allemaal in sferen in te delen. Wij zeggen dat iemand uit een bepaalde sfeer meer harmonisch met je is dan een ander. Dat is eigenlijk niet waar. De verdeling, die wij kennen, bestaat in elke sfeer precies hetzelfde. Er zijn grondtypen. Die grondtypen hebben wij dan maar aangenomen als de Heren der stralen, die over het algemeen als 7, ook wel als 9 worden uitgedrukt. Die indeling is betrekkelijk willekeurig, maar de daarin aangegeven klassering is hanteerbaar omdat ze met een beperkt aantal hoofdtypen en de daaruit voortvloeiende harmonische mogelijkheden werkt. Nu stellen wij het volgende:
Als ik behoor tot b.v. de blauwe straal, de rode straal of een andere, dan zal elke ster, elke planeet, die tot diezelfde straal behoort (of die dezelfde vibratie kent) met mij harmonisch zijn. Men zegt in de astrologie heel vaak: De ster Algol is een demonische ster. Dat is misschien wel waar van het standpunt van het menselijk besef. Toch zijn er mensen, die onder de invloed van Algol juist tot hun beste prestaties komen. Ze zijn toevallig harmonisch met die ster. Nu kunnen we een oordeel uitspreken over die mensen en zeggen: Dan zullen ze wel niet erg deugen. Maar dat is lang niet zeker. Ze zijn daarmee harmonisch. De uitdrukking, die zij aan hun leven geven, stemt overeen met de invloed, die wij aan Algol plegen toe te schrijven; dus zal die invloed hun de gemakkelijkste mogelijkheid tot erkenning en beheersing geven.
Zo pleegt men ook te zeggen dat mensen in hun geboortejaar gebonden zijn aan een bepaalde planeet. Iemand, die b.v. geboren is in 1931, zou onder de zon behoren, etc. Dat is allemaal heel aardig. Maar hoe komt men ertoe? Alweer omdat men aanneemt dat in de tijd de harmonieën enigszins verschillen. Is dit praktisch waar? Neen. Iemand, die in een bepaald jaar is geboren, ondergaat alle kosmische invloeden evenzeer als ieder ander. Er bestaat geen bijzondere voorkeur voor de invloed, die men dan de heerser van het jaar heeft genoemd. Wat wel kan bestaan, en dat is iets anders: Wanneer de inwerking van die planeet optreedt, zal hij op zijn eigen niveau en dus volgens zijn eigen wezen ge­makkelijker harmonieën kunnen bereiken. Hier is er geen bepalende, maar hoog­stens een in het eigen kader bevorderende invloed.
Als deze harmonieën kunnen bestaan met de sterren, met de werkingen uit de kosmos en wat al die dingen meer zouden zijn, dan moeten wij ook aannemen dat ze kunnen bestaan t.a.v. sferen. Maar dat betekent ook dat de uitdrukking van een hiernamaals niet voor iedereen gelijk kan worden weergegeven, om de doodeenvoudige reden dat men daarmee een zekere harmonie moet hebben, voordat men de werkelijkheid daarvan kan beleven en er krachten uit kan putten. Op deze wijze zijn alle dingen onderling verbonden. Die verbindingen gelden voor de mens hoofdzakelijk t.a.v. de eigen straal of kleur.
Voordat u nu pessimistisch wordt en zegt: “Kan ik nu met niemand van een andere kleur harmonisch zijn”, moet ik antwoorden: “Natuurlijk kunt u een oppervlakkige harmonie met iedereen bereiken. Maar een volledige harmonie, een volledige resonantie van wezen a.h.w. is alleen mogelijk binnen uw eigen groep van ontwikkeling.”
Dat zijn dus de verschijnselen en de achtergronden. De achtergronden van dit alles kan men misschien zo uitdrukken:

Als je ontstaat, treedt de differentiatie op door een afstemming. Het is dus de ontkenning van iets. Die ontwikkeling doet misschien wat negatief aan, maar je begint onderscheid te maken tussen niet‑’ik’ en ‘ik’ en van daaruit ga je verder met de differentiatie van het niet‑’ik’. Maar dat betekent voor het ‘ik’ gelijktijdig een ontkenning van waarden. Zo beperkt men zichzelf dus steeds meer; en door die beperking ontstaat het specialisme.
We hebben een groot complex samengestelde vibraties. We gaan daaruit steeds meer delen verwijderen. We zeggen: Die horen niet bij ons. Wat wij overhouden, gaan wij veel fijner verdelen dan tevoren. Wij hebben dus in onszelf een veel fijner afstemmingsmogelijkheid gekregen, maar op een veel beperkter gebied. Deze trillingen bestaan nu overal. Als ik nu een beperkte trilling heb, die harmonisch is met een grotere trilling waarin ze ook aanwezig is, dan zal voor mij het harmonisch verschijnsel denkbaar zijn als het herkennen van mijzelf in het andere. Wat er buiten het evenbeeld van mijzelf bestaat, erken ik dus niet of voel ik zelfs als iets, wat met het wezen van het andere niets te maken zal hebben. Maar op grond daarvan kan ik dus met elk meeromvattend wezen harmonisch zijn. En dat is maar gelukkig ook, want anders zou er maar één type mensen zijn dat b.v. goed aardappelen zou kunnen telen. Naarmate het leven dus bewuster wordt, is deze verenging van het bewustzijn en daarmee de verenging van harmonische mogelijkheid eveneens groter.
Een lagere levensvorm geeft voor u dus meer harmonische mogelijkheden dan een hogere levensvorm. Wanneer de vibraties elkaar genaderd zijn tot ongeveer 96% à 97% ‑ er kan een kleine afwijking zijn ‑ dan passen zij zich aan elkaar aan. Dat wil zeggen dat ‑ ongeacht die afwijking ‑ beide beginnen te zoeken naar de waarde van de ander. Wat er ontstaat, is een compromiswaarde, waarbij bei­de nog volledig zichzelf zijn en erkennen, maar op precies dezelfde golflengte zitten als de ander.
Dan hebben wij hiermee ook duidelijk gemaakt hoe de afstemming kan plaatsvin­den.
Ik zou nu graag even de grondwetten van de harmonische verschijnselen citeren. Dat maakt het voor u eenvoudiger. Al het voorgaande is te overdenken. We zeggen dan:

  1. Elke harmonie is een beperking t.a.v. de totaliteit van de kosmos, daar de enige harmonie, die voor allen mogelijk is, die is welke met deze totaliteit bestaat.
  2. Ik kan harmonisch zijn met al datgene, wat zich op mij kan richten en daarbij alle aspecten, die voor mij niet aanvaardbaar’ zijn, onge-uit kan laten.
  3. Ik kan vanuit mijzelf dus harmonisch worden met al datgene, waarmee ik mij één kan gevoelen, zodra ik in staat ben alle daarbuiten liggende verschijnselen en waarden van mijn wezen tijdelijk te negeren. Het vooromschrevene is beperkte harmonie. Totale harmonie komt alleen natuurlijk voor, nimmer kunstmatig.
  4. Elk contact met mogelijk harmonische wezens betekent voor mij begrip, samenwerking, uitwisseling van krachten. Dit geldt zowel op de eigen wereld als t.a.v. alle andere werelden. Mijn wezen zal reageren op kosmische waarden en krachten volgens zijn eigen wezen en daarbij worden gesteund door al datgene in deze krachten, wat harmonisch is met dit wezen en geremd kunnen worden door al hetgeen tegengesteld is aan dit wezen.
  5. Tegenstellingen kunnen een harmonie vormen, mits zij zichzelf beschouwen als de aanvulling van het andere. Zodra zij trachten gelijk of één te zijn met het andere, is harmonie niet mogelijk.

Als wij nu de praktijk hiervan willen hebben, dan kunnen wij dus voorop­ stellen: Een beperkte harmonie kan ik bereiken, mits ik een deel van mijzelf zodanig kan uitschakelen dat ik dat in het contact met de ander a.h.w. niet ken; dat ik het vergeet. Deze specialisatie geeft mij de mogelijkheid om de ge­dachten van anderen te ontvangen. Ik kan gedachten van anderen ontvangen zolang mijn reactie op de ander of op de wereld niet sterk aanwezig is. Ik kan mijn gedachten naar een ander projecteren zolang slechts deze gedachten en het gevoel van eenheid met de ander, niet de bedoeling van de overdracht der gedachten zonder meer, domi­neert.
Ik kan kracht uit de kosmos ontvangen en zelfs vanuit andere mensen, zo­dra ik besef dat wij deze krachten delen en mijn behoefte aan kracht uitdruk. Ik kan echter alleen kracht geven, indien ik de behoefte in de ander erken en eveneens tot dit gevoel van verbondenheid kom. Op deze wijze zijn de praktische verschijnselen voor een groot gedeelte niet slechts van natuurlijke maar voor de mens van bovennatuurlijke, althans occulte, geaardheid. Uw persoonlijkheid omvat uiteraard vele waarden, die oc­cult mogen heten. U maakt daarvan gebruik volgens uw eigen harmonie. Als ik dus enkele praktische regels zou willen invlechten, dan meen ik hier te mogen opmerken:

  1. Harmonie wordt alleen bereikt, indien men eigen oordeel en eigen waarde uitschakelt voor zover het het begeerd harmonisch erkennen of contact betreft. Dat is heel belangrijk.
  2. Geen enkel harmonisch verschijnsel kan door mij worden beschouwd als eeuwig. Daarom zal ik elk harmonisch verschijnsel moeten activeren en realiseren op het ogenblik, dat het voor mij en mijn gevoel mogelijk is en ik een antwoord weet te verkrijgen.
  3. Op het ogenblik dat ik een harmonische waarde ga beschouwen als iets dat buiten mijn wereld ligt, sluit ik het ook af uit mijn besef. Ik kan elke harmonische kracht, zelfs uit de hoogste sfeer, activeren en gebruiken in elke wereld, mits ik daarbij het verschil, het onderscheid in wereld niet onderstreep, maar tijdelijk een gelijkwaardigheid aanneem. Daar, waar ik vanuit mijzelf een harmonische kracht wil gebruiken t.a.v. een harmonische waarde, zal ik eerst moeten domineren; mij dus als meerdere stellen t.a.v. die ander, opdat ik mijn projectie in het harmonische vlak tot stand breng. Daarna zal ik moeten reageren als gelijke, opdat een harmonische wisselwerking kan ontstaan.

Misschien vraagt u zich af wat dat praktisch betekent. Ik zal proberen u enkele voorbeelden te geven.

1e voorbeeld.
Er is iemand, waarmee u harmonisch bent, d.w.z. u voelt die mens. U kunt die mens eigenlijk wel begrijpen. Er is een goede samenwerking, als dat noodzakelijk is, maar er zijn bepaalde aspecten in die mens, welke zich aan uw begrip onttrekken. Op een gegeven ogenblik zegt u: Ik wil die begrijpen. U kunt ze nooit begrijpen door een beredenering. U moet beginnen met te trach­ten u voor te stellen hoe de ander is. Daarna laat u in uzelf (u denkt dus niet over het probleem na) als het ware een hiaat ontstaan. U bouwt voor uzelf de mens om het probleem heen. Als u het gevoel hebt: ja, dit is de ander, kijk dan naar het hiaat en u zult zien dat het vorm en gestalte heeft gekregen, dat het omschrijfbaar is geworden.

2e voorbeeld.
Als u een ziekte ziet en u wilt een diagnose stellen, dan moet u dit doen aan de hand van verschijnselen. U kunt dit echter ook ‑ en dat is voor iemand, die harmonisch is met een ander veel gemakkelijker ‑ aanvoelen op welk punt een verstoring van evenwicht of van orde ontstaat. Constateer de punten, waarin de maximale disharmonie tussen u en de ander bestaat. Realiseer u daarbij wel dege­lijk in hoeverre u zelf een ziekte hebt ‑ want ook daaruit kan die harmonie voortkomen ‑ en u zult constateren waar de kwaal van de ander zetelt, en u zult in de meeste gevallen ook haar oorzaak kunnen omschrijven.

3e voorbeeld.
Contact met de geest. U wilt contact hebben met een geest. Zodra u een bepaalde geest oproept, heeft u grote kans dat u tot zelfmisleiding komt of dat u wordt bedrogen, want u weet niet precies welke geest bij u past. Stel u daarom eens in op uw eigen wezen, zo eerlijk mogelijk, en tracht dan dit te zien als een deel van het goddelijk geheel. Het is iets wat in het begin enige oefe­ning vraagt, omdat men zichzelf moeilijk helemaal aanvaardt. Zodra u dit echter kunt, krijgt u ook het gevoel van verbondenheid met het onbekende. In dit gevoel van verbondenheid kunt u dan eenvoudig om hulp vragen. U zult ontdekken dat geestelijke waarden en krachten zich soms voor u gaan materialiseren, althans concretiseren, die u misschien niet kent, maar die volledig bij uw wezen passen en die u daarom alle hulp, eventueel zelfs inlichtingen kunnen geven, die u nodig hebt.

4e voorbeeld.
Er is een bepaalde kosmische golf. Zeg dat dit een invloed is van rood licht. Nu weet u: ik behoor tot de blauwe straal. Dan zal rood licht voor mij dus onrustwekkend zijn. Dan kan ik zeggen: De harmonie is alleen denkbaar op die aspecten, waarin blauw en rood gelijk zouden kunnen voorkomen. Mijn instelling zou dus moeten zijn in de richting groen.
Stel, dat groen geloof, blauw weten en rood emotie is, dan kan ik dus uit mijn weten een geloofsvorm produceren, die voor mij nog aanvaardbaar is, maar waardoor eveneens een zekere beheersing van de emotionaliteit van rood mogelijk is geworden. Zolang ik mij vasthoud aan mijn eigen denkwaarde, mijn waardering, mijn straal en harmonieën zonder meer, zal ik een dergelijke kosmische invloed slechts ondergaan; ik zal haar nooit beheersen. Op het ogenblik echter, dat ik in staat ben een deel van mijzelf a.h.w. uit te schakelen en daarmee een menging met een andere kracht toe te staan, zal ik ‑ zij het onvolledig – toch voldoende harmonie ontwikkelen om uit een dergelijke, in feite voor mij disharmonische werking een maximum aan harmonisch resultaat te verwerven.

Met deze kleine praktische aanwijzingen ben ik bijna aan het einde van mijn betoog gekomen. Maar er zijn toch nog wel een paar aspecten waar wij even over moeten nadenken.
Wanneer wordt een harmonie beheersbaar? Een harmonie wordt beheersbaar op het ogenblik, dat ik in mij kan teruggaan tot het oertype, waaruit ik ben voortgekomen. Hoe verder ik kan teruggaan op het pad van differentiatie (het maken van onderscheid), des te groter mijn harmonische mogelijkheid wordt.
Denkt u maar aan wat ik u heb gezegd t.a.v. de afstand tussen sfeer en wereld. Als je die meetbaar zou voorstellen, dan kunnen we zeggen: Dat is een as, die staat zo. Die klap ik hier neer en klap ik daar neer. Ik heb nu twee punten gekregen. Dan krijg ik een driehoek, die hoger reikt dan mijn eigen sfeer, die ik maximaal heb bereikt en die een veel groter gedeelte van de wereld omvat dan ik eigenlijk kan overzien.
De beheersing is dus voor mij altijd in de eerste plaats een geestelijke kwestie. Ik heb een geestelijk, in mijzelf teruggaan tot het hogere nodig, omdat ik slechts van daaruit tot een omgrenzing kan komen van mijn eigen harmonisch gebied. Beperk ik mij met mijn handelen en denken tot hetgeen tot mijn gebied behoort en laat ik mij niet door andere gebieden storen, dan heb ik een maximum aan beheersing en bereiking. Ik kan die beheersing altijd blijven handhaven, indien ik besef dat elke in mijn wezen en sfeer binnendringende invloed deels met mij harmonisch moet zijn. Weet ik dit harmonisch element te vinden, dan heb ik wederom een beheersbare factor gevonden en ben ik meester van de harmonische verschijnselen.
Dit meesterschap lijkt misschien heel erg moeilijk, maar wat ik u in woorden zeg, is veel moeilijker dan wat u beleeft en wat u gevoelt. Een koude formu­lering is iets anders dan belevingen. Wat u beleeft, ligt dichter bij de waar­heid. Maar u kunt uw beleven alleen richten op grond van deze moeilijke om­schrijving. Laat u daardoor niet te veel afschrikken. U zult begrip krijgen voor de innerlijke waarden, die in u berusten en die in feite gelijktijdig de verho­ging zijn in de richting van uw oertype. U zult meer verstand krijgen van uw mo­gelijkheden in uw eigen wereld. U ziet ze beter en zult uiteraard ook meer geneigd zijn daar op harmonische wijze gebruik van te maken.
Een disharmonie is alleen dan mogelijk, indien er geringe verschillen bestaan. Dat moogt u niet vergeten. De grootste ellende krijgt u nooit over werkelijk grote meningsverschillen. Er is zelden een oorlog gevoerd omdat mensen niet met elkaar konden leven; wel, omdat ze toevallig hetzelfde stukje grond wilden hebben of misschien omdat Paris de appel aan de verkeerde vrouw had gegeven. Onthoudt u dat goed. Dat is in uw eigen leven waar. Disharmonieën komen het snelst tot stand daar, waar in wezen kleine verschillen optreden. Negeer dus de kleine verschillen, en waar grote verschillen optreden, is ofwel een absolute vervreemding het geval ‑ en dan kunt u alleen optreden als observator ‑ dan wel er blijkt een aanvulling mogelijk. In dit geval kan wederom een harmonie worden bereikt.
Ik hoop, dat ik u met dit alles heb geholpen om iets meer te begrijpen van de achterliggende wetten; niet alleen van de magie en het geloof, maar evenzeer van het dagelijks leven, van systemen als de kabbala, de astrologie enz. Ik hoop dat u niet slechts zult aanhoren en nalezen, maar zult overdenken en voor uzelf opnieuw formuleren volgens uw eigen per­soonlijkheid en daarmee harmonisch met uzelf. U zult ontdekken dat dit u vele vruchten zal opleveren.

Voertuigen uit de hemel…

Wij worden in vele gevallen geconfronteerd met de legenden van mannen uit de ruimte, die met vreemde voertuigen de aarde beroeren om daar dan onmiddellijk de menselijke beschaving in orde te gaan brengen. Nu weten wij allen dat dit ongetwijfeld deels sprookjes zijn. Maar aan de andere kant kunnen wij in verschillende geschriften toch wel aanwijzingen vinden, die doen denken aan het ingrijpen van iets wat uit de hemel komt. Want in de bijbel vinden wij enkele beschrijvingen ‑ sommige visioen genoemd, andere meer feitelijk beschreven ‑ waarin vreemde voertuigen een rol speelden.
Ezechiël ziet een visioen, waarbij hij engelen ziet, althans wezens met vleugels, misschien ook wel met wieken of een helikopterstelsel, die verdwijnen op iets, wat hij een zwevende of vliegende troon noemt. Een schoolvoorbeeld van iets, wat je toch wel zou kunnen beschouwen als een verkenningsvoertuig van een andere, meer technische beschaving.
Wij horen dat een profeet ten hemel wordt opgenomen in een vurige wagen. In de geschriften van de Hindoes (o.a. in een uitwerking en verklaring van de Mahabharata) vinden wij de beschrijving van een voertuig, dat als een stralende ster op aarde kwam. Het wordt dan vergeleken met het ei van een eeuwige vogel. Dat is zo gek nog niet voor een ruimtevaartuig, waaruit koningen en krijgslieden komen (mensen, die kennelijk dus gewapend zijn en die ook wat statig, althans prachtig gekleed zijn) en die raad geven aan een van de helden en bovendien ook zeggen wat zijn lot zal zijn.
We vinden vreemd genoeg zelfs soortgelijke verhalen in b.v. de Ijslandse Edda. Hier wordt beschreven hoe twee families ruzie krijgen en na een bijeenkomst, na een Ting, verschijnt er opeens een vurige (alweer vurig) bode der goden. Deze valt hen met zijn zwaard aan, dat gemaakt is van licht. Tegenwoordig denken ze aan een straalkanon e.d., maar een straal licht, die als een zwaard gehanteerd kan worden, dat zou ongetwijfeld een wapen kunnen zijn.
Een ander voorbeeld vinden wij bij Indianen. Er bestaat bij de Ugawana (?) een legende dat vreemde strijders uit de hemel kwamen, omringd door vuur (alweer het vuur) en dat zij werden aangevallen door strijders, die hen zagen als demonen. Daarop donderde het en degenen, die hen hadden aangevallen, vielen neer.
Ik zou mij kunnen voorstellen dat een wilde, die met een geweer of kanon te maken krijgt, het geluid daarvan als een donder beschrijft, die dodelijk is. Van kogels zal hij wel weinig verstand hebben.
Hier noemde ik u enkele voorbeelden van die voertuigen uit de hemel. Ik heb opzettelijk voorbeelden gekozen uit het verleden, omdat wij al te zeer geneigd zijn om daar in deze tijd een soort vliegende schotel-verhaal van te ma­ken. Maar er zijn dus aanwijzingen dat er voertuigen uit de hemel zijn gekomen op aarde. Wij horen daarbij dan ook steeds weer van de resultaten, die dat heeft. Men beweert b.v. ‑ het is niet zeker dat het waar is ‑ dat het tekenen (het af­beelden van beelden en voorwerpen) het resultaat zou zijn geweest van een bezoek van vreemde gasten uit de hemel, die de mensen de dieren hadden beschreven, die zij zochten en ze vervolgens met een stift getekend hadden. Zeer primitieve mensen, die te maken krijgen met de afbeeldingskunst van de een of andere tekenaar en proberen duidelijk te maken wat zij bedoelen. Ik geloof, dat wij al die verschijnselen kunnen samenvatten en zeggen:
De mens is geneigd om het onverklaarbare onmiddellijk bovennatuurlijk te noemen. Hij zal dus voor alles een verklaring zoeken, waarin zijn wereld van het bovennatuurlijke een rol speelt. Maar dit betekent tevens dat hij reageert op dergelijke verschijnselen op een totaal andere manier dan logischer wijze verwacht zou kunnen worden. En als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat b.v. voor het paradijs een engel met een vlammend zwaard staat, dan is de natuurlijke verklaring: een brandende oliebron of iets dergelijks. Maar het zou ook een explosie van grote omvang kunnen zijn, b.v. van atomaire aard. Dat die mensen daardoor worden beïnvloed, is zeker; en nog zekerder is, dat wijzelf ‑ waar wij ook leven ‑ door het onbekende op een soortgelijke manier worden beïnvloed.
Iemand wil een bepaalde daad stellen en op het kritieke ogenblik hoort hij ineens een stem – hij ziet niemand – die hem zegt: “Laat dat.” Eventueel met de aanvulling van “stommeling” of iets dergelijks. Dat is een schok. Die mens kan dat niet verklaren. Hij kan dat ook niet verklaren door een telepathische reactie want daarin gelooft hij niet erg. Dan moet er dus een geest of een God in de buurt zijn. In die zin is de invloed van z.g. paranormale verschijnselen, zodra je ze persoonlijk beleeft, bijna gelijk aan de verschijnselen, die de voertuigen uit de hemel tot stand hebben gebracht. Wat is de werkelijkheid?
In de eerste plaats moet men wel aannemen dat er ‑ ik zeg dat maar vooruit ‑ voertuigen uit de hemel zijn, die de aarde hebben beroerd en misschien nog steeds kunnen beroeren. U zult binnenkort misschien wel heel eigenaardige sprookjes horen o.a. over Spanje, waar een nederzetting van buitenaardse wezens zou zijn. (Ik vrees dat die wezens niet zozeer buitenaards als wel gevlucht zijn en dat hun Nordisch uiterlijk waarschijnlijk niet de uitdrukking is van een buitenaardse cultuur maar van een type dat voor de Nordische volkscultuur van een tijdje geleden bijzonder vatbaar was.)
Wij zoeken voor onszelf het hogere te vinden. En als het onbekende komt, zijn wij altijd weer geneigd om het tot het hogere te maken of het te zien als onze absolute vijand. Geestelijk gezien is dat verklaarbaar. Je weet dat je onvolmaakt bent, dat je tekort schiet in je erkenning en je mogelijkheden. Als je te maken krijgt met een openbaring van bovenaf (ik denk b.v. aan de visioenen ‑ niet algemeen bekend ‑ van Roger Bacon, de man die ook veel aan magie heeft gedaan), dan moet daar dus iets zitten, waardoor je jezelf a.h.w. met het andere, het betere identificeert. Die identificatie neemt dan, omdat het niet dagelijks bekend is, de vorm aan van verering. Tegen die verering is natuurlijk niets te zeggen want het is een emotionele toestand. Maar zo emotioneel is die toestand nu ook weer niet, dat wij niet kunnen proberen om toch wat reëler te denken. Nu stel ik:
Als Ezechiël vreemde wezens waarneemt, die zich verwijderen nadat ze hem kennelijk een tijdlang hebben geobserveerd, dan is hier toch niet sprake van een cultuur, die zich op aarde manifesteert en die daar bijzonder graag wil ingrijpen. Integendeel, men neemt kennelijk afstand. Van een bewuste beïnvloeding van de mensen door die cultuur zou zeker niet kunnen worden gesproken. Ze zijn technisch begaafder. Over de werkelijke morele en mentale achtergronden van die wezens horen we niets. Ze worden engelen in het visioen, omdat het het hogere moet zijn, en een bevestiging van de grootheid van de profeet zelf.
Als wij horen van een profeet, die in een vurige wagen wordt opgenomen, dan zijn wij geneigd daarover eens na te denken. Hoe kan dat? Zou hij mensen, wezens hebben ontmoet en met hen zijn opgestegen? Die kans is zeer groot. Maar waarom is hij met hen meegegaan en niet teruggekeerd? Heeft men hem uitverkoren of heeft een of ander ras, dat van zijn eigen grootheid uitermate overtuigd was, eenvoudig een specimen van het menselijk ras genomen en daarbij toevallig een bedaagde profeet getroffen? Als er een stem is, die op het ogenblik dat wij een dwaasheid dreigen te begaan, waarschuwend spreekt, dan zou dat een geest kunnen zijn; maar moet dat noodzakelijkerwijze een goede geest zijn? Dat is niet met zekerheid te zeggen. Misschien dat wij met die dwaasheid anderen veel leed zouden besparen. Je kun het nooit weten. En daarom zeg ik:
Al die geschiedenissen van voertuigen uit de hemel, de tekenen aan de hemel en al dergelijke dingen meer, mogen niet zonder meer worden beschouwd als goed of kwaad. We kunnen ze alleen beoordelen naar het effect, dat ze op ons hebben. En als dat effect niet rationeel is, als het gebaseerd is op allerhande voorstellingen van het hogere, dan zullen wij nooit iets bereiken. Om u een voorbeeld te geven:
Er zijn mensen, die aannemen dat er op Venus op het ogenblik zeer wijze mannen zitten, die gedachten naar de aarde sturen; die a.h.w. preken houden via media; die voortdurend hun bezoek­ beloven en steeds worden tegengehouden door andere vijandige krachten uit de sterrenwereld. Logisch is dit niet. We kunnen niet aannemen dat die betere wezens zo maar op Venus zouden zitten. Dat is niet redelijk aanvaardbaar. Maar moeten die wezens op Venus zijn? Er is hier misschien sprake van een andere beïnvloeding, die helemaal niet stoffelijk is, maar die alleen via die stoffelijke vorm aanvaardbaar wordt gemaakt.
Er zijn mensen, die kruisen en lichtende figuren aan de hemel zien of zelfs de hemelse voertuigen van grote geesten als de H. Maagd zien verschijnen in grotten, op bergtoppen etc. Maar is dat reëel? Zijn dat werkelijke verschijningen of is het wederom de gevoelsmatige interpretatie? Laten we een voorbeeld geven:
In Zuid‑Amerika is er een plaatsje waar een aantal jonge meisjes ‑ ik meen dat het er vier waren ‑ een verschijning van de H. Maagd hebben geconstateerd. Men heeft daar verscheidene keren waarnemingen gedaan, ook terwijl die kinderen in verrukking verkeerden, maar niemand heeft de H. Maagd gezien. Wel is een priester van emotie overleden nadat hij die toestand van verrukking had bijgewoond.
Hoe zit dat precies? Kunnen wij hier iets zeggen? Is hier een H. Maagd verschenen? Waarschijnlijk niet. Waarom spreken die kinderen dan van de H. Maagd? Het kan een methode zijn om zich interessant te maken. Maar dan spreekt daar iets tegen. De meisjes in kwestie blijven niet alleen volhouden dat zij de H. Maagd hebben gezien, maar ze gedragen zich ernaar. Eén van hen heeft toegegeven dat ze de verrukkingstoestand wel heeft gesimuleerd, maar zelfs dit kind blijft in gedrag en ook in een zekere kennis afwijken van wat het voor die tijd is geweest. Dat is dus niet redelijk te verklaren.
Er moet dus iets anders zijn. Iets. Meer niet. Iets, dat de kinderen de H. Maagd hebben genoemd. Waarom? Waarschijnlijk omdat die kinderen ergens op een bidplaatje de Maagd hebben gezien; omdat voor hen het onbegrijpelijke, het hogere een openbaring moest worden. De beschrijvingen, die wij van de H. Maagd horen, zijn helemaal aangepast aan het katholieke denken. Maar het gedrag van de kinderen in de tijd, dat zij zijn waargenomen, is vaak in strijd met hetgeen zij later over hun toestand van verrukking vertellen. Hier heb ik dan een geval uitgewerkt als voorbeeld.
Ik stel: Indien hier sprake was van een zuiver stoffelijke beïnvloeding, dan zou het voor eenieder kenbaar moeten zijn geweest. Dat is niet het geval. Indien er sprake was van een geestelijke beïnvloeding, dan kan Maria, de moeder van Jezus, verschijnen. En zo ja, waarom deed ze dat dan in overeenstemming met bidplaatjes? Het antwoord is: Indien Maria een hoogstaande geest is ‑ en dat moeten wij aannemen ‑ zou zij kunnen verschijnen. Maar dat zij dit doet in de vorm, die aan bidplaatjes is gebonden, is weer onwaarschijnlijk. Elke geest die lichtend is, zou echter door de kinderen onder een bepaalde invloed kunnen worden waargenomen. Het schijnt dat zij, voordat de eerste waarneming werd gedaan, gezamenlijk zaten te rusten en met de rozenkrans speelden. Dit zou de aanleiding kunnen zijn geweest voor de vorm, die zij aan de verschijning hebben gegeven.
En nu gaan we terug naar die voertuigen uit de hemel. Ik heb u een aantal voorbeelden geciteerd van dergelijke wezens, die verschenen zijn. Nu stel ik:
De mens ziet niet wat er werkelijk is, maar hij ziet datgene, wat in zijn verklaring past. De mens probeert dit hogere a.h.w. de vorm en de gestalte te geven, die past bij zijn willen en zijn weten. Hij gebruikt dit contact met het andere gelijktijdig als een reden om zich boven anderen te plaatsen. De meisjes, waarover ik u sprak, genoten door hun visioenen een verering. En als ze, zoals een enkele keer, kunstjes hebben vertoond in plaats van dat ze werkelijk iets hebben gezien, en dat neem ik heus wel aan, dan zal het ongetwijfeld zijn omdat ze daardoor die verering wisten te behouden.
Als een profeet iets waarneemt, dan beschrijft hij het niet alleen, maar hij probeert het gelijktijdig te maken tot een boodschap van God aan hem; hierdoor staat hij boven anderen. Hij is de drager van de boodschap Gods geworden. Zoals er mensen zijn, die met de bewoners van vliegende schotels gesproken willen hebben en misschien zelfs met een vliegende schotel rond de maan gereisd zouden hebben. Is dat waar? Het is heel waarschijnlijk dat het niet waar is. Maar we zien weer hetzelfde verschijnsel: men heeft de neiging om zichzelf apart te zetten van anderen, tot iets meer te maken dan anderen. En het is dit, wat mij het sterkst opvalt, als ik al die verhalen over voertuigen, die uit de hemel komen, naga. Het is een verschijnsel dat ik voortdurend weer ontmoet bij mensen, die visioenen hebben. Het is steeds weer hetzelfde verschijnsel, dat mij opvalt als mensen, die buitengewoon sensitief zijn, waarnemingen doen; dan nemen zij datgene waar waardoor zij meer kunnen zijn dan een ander.
Nu moet ik van dit onderwerp wat afwijken om daaruit de belangrijks te conclusies te trekken.

  1. Een mens zal hetgeen hij waarneemt, vertalen in menselijke vorm.
  2. Een mens zal het onbegrijpelijke ofwel afwijzen en verwerpen, dan wel zien als een uitverkiezing; kortom, een middel waardoor hij boven de massa wordt verheven. Het laatste komt het meest voor.
  3. De mens, die deze waarnemingen doet, beseft de werkelijke betekenis daarvan zelden of nooit. In vele gevallen kan die betekenis pas veel later worden begrepen en dan kan zij misschien redelijk worden geïnterpre­teerd, tenzij men te zeer geloof heeft gehecht aan de beweringen van de eerste waarnemer. In dat geval nl. zal de persoonlijke vervalsing van feiten het onmogelijk maken de werkelijke feiten te achterhalen.
  4. Op grond van het voorgaande zullen wij elke waarneming en beleving van het onbekende moeten beschouwen als een niet‑definieerbare factor. De werkelijke invloed gaat niet uit van hetgeen wij waarnemen, beleven of zien, maar van de wijze waarop wij persoonlijk daarop reageren.

Ik heb nu een aantal regels gesteld. Uit die regels zouden wij dus iets voor onszelf moeten leren.
Niets is onmogelijk, maar hetgeen ons onmogelijk toeschijnt, kan door ons nooit juist worden verklaard. Om iets te kunnen begrijpen en te kunnen verklaren, moeten wij eerst accepteren dat het mogelijk is. Indien dit geldt voor voertuigen, die uit de hemel komen, voor allerhande verschijningen, materialisaties e.d., dan moet dit ook gelden voor de verschijnselen in onszelf.
Als ik in mijzelf bepaalde ontdekkingen doe, dan betekent dat niet dat ik daardoor gelijk of ongelijk heb, dat ik daardoor meer of minder ben dan een ander. Dan betekent dit alleen dat ik moet proberen eerst te begrijpen wat ik werkelijk vind. Pas als ik het begrijp, kan ik het waarderen en kan ik ermee werken.
Men heeft u waarschijnlijk honderden keren voorgehouden (althans als ik regelmatig hier les zou geven, dan zoudt u dat honderden keren hebben gehoord), dat esoterie en magie de keerzijden zijn van een en dezelfde medaille; en welke van de twee de keerzijde en welke de beeldenaar is, weten wij niet. Dat is begrijpelijk. Esoterie is de ontdekking van hogere waarden in het eigen innerlijk. Het is het besef van nieuwe krachten en nieuwe waarden. Maar als ik die krachten en waarden besef en ik geef daaraan een bepaalde tendens mee, ik gebruik ze om mijzelf reliëf te geven, zoals ik nu denk te bestaan op aarde, dan zal ik nooit in staat zijn de wezenlijke kracht, de werkelijke waarde van de verschijnselen na te gaan. Pas als ik dat doe en niet zeg: Wat ik in mij besef, maakt mij tot dit of maakt mij tot dat, maar zeg: Dit dwingt ml om de relatie te begrijpen, die er tussen mij en dit verschijnsel kan bestaan. Wat betekent het voor mij? Maar ook: wat zou het kunnen zijn? Dan zal ik ook begrijpen wat voor krachten er meespelen. Begrijp ik wat voor krachten er meespelen, dan heb ik een beheersing gekregen over bepaalde delen van mijzelf of van andere waarden, die niet door de doorsnee‑mens worden beseft. De werkingen, daaruit voortkomende, heten dan magie. Het is helemaal niet zo wonderlijk als u denkt.
Nu ga ik de stelling omdraaien: De mens, die aan magie doet, zal een begrip moeten ontwikkelen – of dat nu theoretisch is of niet ‑ van de waarden, die in hem bestaan. Want alleen door te begrijpen wat er in hemzelf is gelegen, kan hij zijn magische prestatie tot stand brengen. De magiër wordt esotericus; de esotericus wordt magiër. De keerzijden van de medaille zijn in feite de beginpunten. Het gaat ons echter niet om de uiterlijkheid ervan, maar om het geestelijk goud, waaruit de munt is geslagen.
Nu kunnen wij dus zeggen: In mijzelf ken ik ook voertuigen, die van de hemel komen. Ik word innerlijk geconfronteerd met allerhande wonderlijke verschijnselen. Soms heb ik grote magische vermogens en kan ik mijn wil a.h.w. op afstand aan anderen opleggen. Soms ben ik absoluut machteloos. Soms spreek ik in gedachten over talloze mijlen heen met anderen en het blijkt dat ze mij hebben verstaan. Soms ben ik stom; ik hoor, ik zie niets, ik ben afgesloten. Waar ligt dat aan?
Wel, als ik natuurlijk reageer en niet probeer iets in te passen in mijn wereldje, in mijn denken, dan kan ik het hanteren. De kracht, waarmee ik een ander mijn wil opleg, is niet mijn willen zonder meer, het is mijn instelling op de ander. Het is het feit dat er tussen de ander en mij een relatie bestaat, die een rol speelt. Niet het feit dat ik iets wil.
Als ik met een ander over een grote afstand spreek, dan gaat het er niet om of er een afstand is, maar het gaat erom of er een juiste afstemming is tussen mij en die ander op dat moment. Ben ik te zeer aan mezelf gekluisterd, dan kan ik alle gedachten uitzenden, die ik wil, zonder dat ik ooit een antwoord krijg.
Maar als dat waar is, dan zouden er misschien toch wijzen op Venus zijn; alleen niet de wijzen, die men hier op aarde veronderstelt en waarvan men de woorden zo ijverig pleegt aan te halen. Venus is dan maar een aanduiding voor elke willekeurige wereld of sfeer, waarin die krachten kunnen zetelen. De gedachten, die ze geven, zijn op zichzelf waardevol op het ogenblik dat ik ze niet beschouw als de bevestiging van het bestaan van een hoger wezen elders, maar als een feit dat in mijn eigen wereld kan gelden.
Vliegende schotels en de bewoners uit de ruimte, die ergens op aarde zouden ronddwalen, zijn ineens geen spookverschijnselen meer; dingen die je óf absoluut moet ontkennen en hoonlachend verwerpen of ijverig en bijna godsdienstig moet aanvaarden als het bewijs dat er in de kosmos hogere krachten zijn, ook in de materie, die zich met de mensheid bezighouden. Dan zijn het doodgewone verschijnselen. Verschijnselen van mensen, natuurlijk. Maar daarnaast toch ook wel verschijnselen van het onverklaarbare. Kan ik komen tot een erkennen van die relatie, dan is het misschien bijgeloof wat ik zeg.
Maar dan heb ik er iets aan.
Als er vroeger een komeet aan de hemel verscheen, nam men aan dat er pestilentiën zouden uitbreken. Dat was bijgeloof. Maar niet helemaal. Want de pestilentiën kwamen heel vaak. We zouden kunnen zeggen dat de erkenning van het buitengewone aan de hemel de mensen bewust maakte van een gevaar in hun eigen omgeving.
Als wij vliegende schotels zien, dan is ook niet zo belangrijk of dat vliegende schotels nu werkelijk voertuigen uit een andere wereld zijn. Het gaat erom: wat nemen wij waar en hoe reageren we erop? En als de reactie van de mens is: “dit is kwaad”, dan betekent dit dat hij bang is voor iets. Als ik bang ben voor iets, dan zal ik het ook verwerpen. Zeg ik: Neen, het is zeker dat dit hemelse gasten zijn, die op aarde even een kijkje komen nemen, dan probeer ik de verantwoordelijkheid voor het leven en voor de wereld van mij af te wentelen.
Ook dat kan niet juist zijn. Maar stel ik: Er zijn vele onbekende waarden in het leven en zij confronteren mij met mijzelf, dan is het een andere zaak. Dan blijkt plotseling dat het voertuig uit de hemel een lering is. Niet omdat het verschijnt, niet omdat er wezens worden waargenomen misschien, maar omdat de mens daardoor met zijn eigen probleem wordt geconfronteerd. De held uit de Mahabharata, die door deze vreemdelingen zou zijn geïnstrueerd, heeft misschien nooit zo’n vreemdeling werkelijk ontmoet. Dat is legende. Maar het buitengewone bracht hem ertoe zijn normale wereld opnieuw te bezien en daarin bepaalde verplichtingen en problemen te erkennen. En dat is dan de les die wij voor ons daaraan kunnen verbinden:
Het buitengewone, het extra‑sensorische, verschijnselen aan de hemel, andere wonderen, visioenen zijn niet in de eerste plaats iets, waarmee wij ons moeten bezighouden. Het zijn de dingen, die ons ongewild doen nadenken over ons leven, onze eigen wereld. En als wij dat doen, dan zal elk buitengewoon verschijnsel ons ertoe brengen onze problemen in een nieuw licht te zien en daarmee ook nieuwe oplossingen te vinden en nieuwe noodzaken te erkennen.
Dit nu is volgens mij het meest belangrijke. Als ik al die voorbeelden van voertuigen uit de hemel en van eigenaardige wezens, die op aarde zouden zijn, naga, dan zie ik steeds weer dat de mensen daardoor anders zijn gaan reageren. Of dat reageren beter of slechter is geweest dan zonder dat het geval zou zijn geweest, kun je nooit precies zeggen; je kunt het hoogstens extrapoleren. Maar je kunt wel degelijk ‑ en dat is volgens mij het belangrijkst, zeggen: Er is iets veranderd.
Laten wij dan bereid zijn in de eerste plaats om te veranderen. Laten wij de verschijnselen in ons en buiten ons niet terzijde stellen. Laten we niet proberen er iets beters of iets slechters van te maken dan een feit. Maar elk feit kan ons helpen onszelf in een nieuw daglicht te zien en daarmee onszelf beter te leren kennen, onze wereld beter te leren beseffen en onze verhouding tot die wereld opnieuw en juister uit te drukken.
Ik meen dat dit de grootste les is, die voertuigen uit de ruimte de mens ooit zouden kunnen geven. Want slechts de mens, die uit zichzelf tot een steeds groter bewustzijn omtrent zichzelf en zijn wereld geraakt, zal waarlijk steeds meer mens worden. En een mens is nu eenmaal niet op deze aarde gekomen om iets anders te worden dan een goed mens.

Sleutel

Een sleutelwoord: een begrip, een gedachte, een gevoel, dat nieuwe werelden kan ontsluiten. Dat het je mogelijk maakt buiten jezelf en je eigen beperktheid te treden en het heden groter, juister en meer lichtend te zien dan voorheen. Maar al heb ik duizend sleutels, indien ik geen slot te vinden weet, zijn de sleutels nutteloos. Zelfs als ik ze ken voor wat ze zijn: sleutels. Daarom is een sleutel op zichzelf niet voldoende; ik moet ook weten waartoe de sleutel dient.
Uit de oneindigheid komen golven van gedachten en krachten, die steeds weer in verschillende vormen gestalten aannemen in en voor de mens. En telkenmale vormen zij een sleutel, een begrip. Maar de mens kan alleen met die sleutel, met dat begrip iets bereiken, indien hij beseft hoe deze dingen toe te passen.
Een sleutel kan alleen voor uzelf gelden. Ze kan nimmer passen op de wereld; ze kan alleen passen op uw eigen denken, uw eigen leven, uw materieel en geestelijk bestaan. Zij kan mogelijkheden weergeven van uw wereld of van uw geestelijk ‘ik’, maar alleen voor u en van uzelf. Want een sleutel is alleen een sleutel, indien hij past in uw eigen wezen; indien hij u duidelijk maakt hoe u staat tegenover het leven; indien hij u een uitdrukkingsmogelijkheid geeft in uw eigen wereld of in een geestelijke wereld. En u kunt alleen maar denken vanuit uzelf.
Zo kan geen sleutel universeel zijn. Zelfs als dat woord voor eenieder hetzelfde is, zal het voor eenieder een andere betekenis hebben. Ik geloof dat dit iets is, dat niemand mag vergeten. Want de grootste sleutel van alle is deze: Gij zijt uzelf. Doch zo ge uzelf beseft, zoals ge zijt, zijt ge meer. Zoals de waarheid ook luid: Ziet, God is alle dingen. Zo zijn alle dingen gezamenlijk een beeld van God én God. En toch zijn zij niet God, omdat zij niet beseffen de eenheid, die hen met alle anderen verbindt.
Wie uit deze wijsheid kan putten, zal zijn sleutels vinden en daarmee zich nieuwe mogelijkheden ‑ innerlijk en in zijn wereld ‑ ontsluiten, tot een vergroting van eigen levensbesef, intensifiëren van eigen levensvreugde en vergroting tot in het onmetelijke haast van de beschikbare geestelijke en levenskracht, waardoor men zichzelf waarmaakt door alle tijden heen, tot men deel is van het Ene, waaruit al is voortgekomen.

Wijsbegeerte

Verlangen naar wijsheid. Dooltocht door het onbegrepene om tot begrip te komen. Uit vele stellingen zoeken naar datgene, wat waar kan worden.
Wijsbegeerte is niet slechts een spel van argumenten en gedachten. Het is een procedure, waardoor men zichzelf richt. En naarmate men de gerichtheid beter weet te kiezen, zal men grotere en meeromvattende werelden in zich gaan beseffen.
Ik behoef God niet te omschrijven, zolang ik weet dat Hij met mij is. De emotie kan in de plaats treden van het begrip. Daarom is het zoeken niet alleen maar begrip; het is werken. Werken, omdat iedere mens met alle middelen, die hem of haar ten dienste staan, moet werken om hierdoor waar te maken wat hij of zij is.
Wie zichzelf waarmaakt, wie met eigen krachten en wezen voortdurend de grote Kracht in zich beleeft, hij vindt een wijsbegeerte, die tot wijsheid wordt. Een wijsheid, die tot inzicht én beheersing voert.
En inzicht en beheersing zijn het einddoel van de mens. Want heeft hij deze verworven, zo kan hij in grotere werelden op meer lichtende en sterkere wijze de Oneindige in zich zoeken en erkennen, en de eenheid met de Godheid beleven.