Heeft Atlantis bestaan?

1957

Dat is werkelijk een vraag. Want Atlantis zelf is een voorstelling, een naam die eigenlijk alleen bekend is uit de geschriften van Plato. Later zijn daarover vele werken geschreven, zowel van onze zijde als door studenten in de stof.

Nu zijn er natuurlijk altijd mensen die zeggen, Atlantis is alleen maar een legende. Dat is zeker niet waar: aan de andere kant kunnen wij nagaan dat het Atlantis dat door Plato werd beschreven, niet kan hebben bestaan op die plaats en in die vorm, zoals hij dat vertelde. De filosoof en denker heeft hier zijn eigen concept van een volmaakte staatsvorm verknoopt aan een beeld dat hij inderdaad via omwegen heeft leren kennen door een Egyptenaar, die dat ook weer uit overleveringen had verkregen.

Als wij de verschillende theorieën omtrent Atlantis onder de loep nemen, dan valt ons op dat men het over de plaats daarvan niet eens kan worden. Het zou moeten liggen buiten de Zuilen van Hercules. Dat is dus de Straat van Jabal al-Tariq nl. het huidige Gibraltar. Als wij daar rondkijken en de zee daar onderzoeken, dan blijkt toch wel dat zeker niet zo kort vóór Christus, als wordt voorgesteld, hier een uitgestrekt eilandenrijk kan hebben bestaan.

Het is dan ook begrijpelijk dat sommige patriottisch ingestelde mensen ons Atlantisch rijk verder in het noorden hebben gezocht. Men weet alleen dat tussen Engeland en Jutland een vast land heeft gelegen dat een groot gedeelte van Denemarken mee omvatte. Zelfs een deel van de Oostzee zal oorspronkelijk bij deze laagvlakte (dit landbekken dat verzonken is) hebben behoord. Dus ook daar heeft men Atlantis gezocht. Maar ook daar kan het niet hebben gelegen.

Anderen beweren: “Engeland zelf is Atlantis”. Hier is meer voor te zeggen. Want wij moeten niet vergeten dat de zeevaarders uit die dagen nog niet beschikten over een oriëntatie gebaseerd op de sterren die feilloos was, maar dat zij kustvaarders waren en bleven. Indien wij de vorm van het Iberische schiereiland bezien, kunnen wij ons voorstellen dat deze zeevaarders verder zeilend langs de kust aan de zuidelijke delen van Engeland zijn gekomen. Maar om enkele andere redenen kan ook Engeland niet beantwoorden aan de gestelde eisen.

Zou dat Atlantis dan alleen een legende zijn? Of moeten wij het misschien zoeken in het Nabije Oosten? Ook dat heeft men getracht te bewijzen en nogmaals stuiten wij op onoverkomelijke bezwaren.

Maar in elk van de genoemde gevallen kunnen wij bewijzen dat er in deze gebieden, met uitzondering van het gebied ten westen van Gibraltar, een beschaving heeft bestaan die betrekkelijk hoog was. Op de genoemde plaatsen hebben er handelssteden bestaan die in hun beschaving overeen lijken te komen met de beschrijving die Plato ons geeft van de hoofdstad van dit geheimzinnig rijk. Maar wanneer er zoveel mogelijkheden zijn, dan geloof ik dat onze eerste stelling voor deze avond behoort te luiden:

Wat wij Atlantis noemen is niet alleen een verloren rijk, het is een epos van beschaving, het is een periode van cultuur en ontwikkeling die onge­twijfeld verder over de aarde was verspreid dan men zich thans realiseert.

Als wij dan horen hoe er tijden worden genoemd (eerste ramp van Atlantis 80.000 jaar geleden, tweede ramp van Atlantis 8 à 9000 jaar geleden), dan wordt ons nog veel duidelijker dat hier wel moet worden gesproken over een bepaalde cultuur en beschaving eerder dan alleen over een rijk.

Atlantis heeft zeker ook als eilandenrijk bestaan. Ondanks het feit dat cataclys­men grote delen van het eerste Atlantische rijk, dat inderdaad in het gebied van de huidige Atlantische Oceaan lag, zo diep hebben doen verzinken dat men dit niet meer heeft kunnen vaststellen. Dit, gezien de verplaatsingen van neerslag, de se­dimentatie (o.a. kleine diertjes die sterven en als zachte modderregen op de bo­dem neerdalen).

De plaats op zichzelf is eigenlijk niet eens zo erg belangrijk. Want indien wij verdergaan met ons onderzoek blijkt dat in de periode, die ligt tussen de eerste en de tweede Atlantische ramp in bepaalde Afrikaanse gebieden grote en waarschijnlijk ook welvarende beschavingen hebben bestaan. Eveneens blijkt dat een tamelijk hoog cultuurpeil werd bereikt in gebieden die thans ontoegankelijk zijn geworden en behoren tot het Amazonebekken. Het is duidelijk dat in deze periode sprake moet zijn geweest van handelsverkeer over de Stille Oceaan. Dat houdt in dat Chinezen en indianen dus de zee konden oversteken. Eveneens blijkt dat in deze periode (ongeveer 40.000 jaar geleden) in het midden van Europa be­paalde centra bestonden met een, volgens voorstelling van die tijd, zeer hoge cultuur. Wij zouden dus verstandig doen om de vraag: “Heeft Atlantis bestaan?” Te beantwoorden met: er heeft zeker een beschaving, een cultuur bestaan die wij als Atlantische mogen aanduiden.

Overeenkomstige overleveringen.

Een mens is een mens en wat dat betreft is een geest een geest. U wilt natuurlijk ook graag weten of dat legendarische Atlanti­sche rijk er nu werkelijk was, want geschiedkundige gegevens zijn er niet. Er zijn hoogstens wat sagen en legenden terug te vinden.

Indien wij ons de moeite getroosten bepaalde Keltische meestal Ierse sagen te ontleden en verder enkele overleveringen uit het zuiden van Engeland na te gaan en deze te vergelijken met de legenden die nu nog in Portugal en in het zuiden van Spanje bestaan, dan valt ons toch wel op dat overal precies dezelfde figuren en strijdhandelingen voorkomen. Zeker, de symbolen variëren enigszins, maar de ten­dens, ja zelfs de omschrijvingen zijn vaak gelijk. In al deze overleveringen is er bijvoorbeeld sprake van elf vorsten.

Elf vorsten behoren eveneens tot de Atlantische legende. Als wij mogen vertrouwen op hetgeen daaromtrent door ons is ontdekt en wat ook door anderen reeds werd beschreven, dan regeerden inderdaad elf vorsten een tijdlang over een soort statenbond met een zeer bepaalde wet die door allen gezamenlijk was aangenomen. Het is logisch aan te nemen dat deze gebieden deel hebben uitgemaakt van dit vroegere Atlantis of in ieder geval in voortdurend contact daarmede hebben gestaan.

Het is echter niet voldoende dat wij dit vaststellen. Want aan de andere kant van de Oceaan vinden wij gelijke feiten. Tijdens de Tolteekse cultuur bestond eveneens dezelfde overlevering. Eigenaardig genoeg niet bij de Azteken. Dit betekent dus na de bloeiperiode van de Azteekse beschaving. Op zichzelf zou dit weer zeer vele vragen kunnen opwerpen. Maar de beschrijvingen herhalen hetzelfde: het rijk met zijn elf groten. Hier worden zij geen vorsten, maar groten genoemd. De wet op de gouden tafelen is er ook. Het gebied van de Tolteken zou er dus eveneens toebehoord moeten hebben.

Nu hoop ik dat ik deze gegevens, die voor u na te gaan zijn, geloofwaardiger kan maken aan de hand van hetgeen ik thans omtrent de ligging van Atlantis zal trachten te vertellen.

Nadere gegevens over Atlantis.

Wij gaan een periode van ongeveer 800.000 jaar terug. Dat is een tijd waarin de aarde er geheel anders uitzag en een totaal ander klimaat had. Wat het menselijke leven betreft kan in die periode van de homo sapiens zoals in zijn huidige vorm althans niet worden gesproken.

De Stille Oceaan was groter. Er bestond namelijk een vasteland dat later op de een of andere manier verdwenen is. De Atlantische Oceaan was kleiner en smal­ler. Weliswaar bestond er een scheiding tussen de vastelanden van Amerika en Afrika. Maar hier is wel een aanmerkelijke vermindering van de afstand te con­stateren. Verder is in dit warme klimaat opmerkelijk dat er in de Stille Oceaan koraaleilanden voorkomen en dat deze tot nu toe slechts in deze Oceaan worden gevonden. Atollen (ringvormige koraaleilanden) die op zichzelf onbelangrijk lijken, maar die mogelijk latere reizigers hebben geholpen deze reuzenbeek te kunnen oversteken.

Wij moeten wel bedenken dat het voor een reis over de oceaan niet noodzakelijk is dat er grote landen aan de overzijde liggen. Voor onze ideeën zijn kleine eilanden voldoende. Pas dan kan een zeevaarder enorme afstanden afleggen. Wie dit niet gelooft, moet kijken naar de Polynesische archipel. Daar kan men zien hoe met zeer eenvoudige, haast rudimentaire voertuigen afstanden worden afgelegd die voor blanken ondenkbaar zijn.

Daarnaast vinden wij in het noorden bepaalde gebieden waar eilanden kunnen hebben bestaan. In het gebied van de Azoren zouden ongetwijfeld meer eilanden kunnen hebben gelegen.

In die tijd waren er nog geen mensen, die kwamen later. Maar wij behoeven geen 150.000 jaar verder te gaan of wij vinden reeds oertypen van de mens. Natuurlijk hadden deze mensen een ander uiterlijk dan nu, inderdaad. Van die mensen kwam er nu een aantal op eilanden terecht.

Stellen wij ons nu verder voor dat op een eiland (dus in een door geografische omstandigheden afgesloten gemeenschap) de ontwikkeling een andere is dan op het vasteland omdat de bevolking is aangewezen op de zee. Dit afhankelijk zijn van de zee plus het lokkende beeld van land aan de horizon zal ongetwijfeld ertoe hebben bijgedragen dat men naar middelen zocht om de zee over te steken.

Wat gebeurde er toen op deze eilanden? De levenscondities waren er totaal anders. Ook de omgeving was anders. Een verkeer met het vasteland vond pas bijna 5.000 jaar later plaats toen er reeds een zeer hechte stamgemeenschap was gevormd.

Wat gebeurde daar verder? Wel, u heeft zelf ook wel eilanden, zelfs hier in de Zuiderzee is er één geweest waarop zich dat verschijnsel heeft voorgedaan. U ziet een soort in‑de‑stam‑huwen wat eigenlijk soms genetische afwijkingen tot gevolg heeft. Maar in dit geval betekende het dat een ras‑selectie plaatsvond en dat er een duidelijk kenbaar verschil ontstond tussen de eilandbewoners en de mensachtigen die zich op de vastelanden bewogen. Hier hebben wij dan de basis.

Ontwikkeling van de Atlantiërs.

De volgende stap is wanneer deze groepen groter werden en de drang naar de verovering van de horizon sterker werd, want toen wer­den werktuigen vervaardigd, vlotten en schepen gebouwd enz. Er was dus een sterkere drijfveer bij de eilandbewoners dan bij de mensen op het vasteland om een zekere primitieve techniek te ontwikkelen. Dat was dan het begin van de Atlantische beschaving.

O, zeker, ik zou u kunnen vertellen over vroegere volkeren, over geestelijke leiding, over vreemde altaren en hafmensen die knielen voor lichtende zuilen (Lemurië). Maar mij dunkt dat wij dit terzijde kunnen stellen want onze vraag is: heeft Atlantis bestaan? Het antwoord is bevestigend, maar wij moeten het aanvaardbaar maken.

Laten wij dan eens verder gaan denken. Als zo’n volk zo lang afgesloten heeft geleefd en betere wapens heeft weten te vervaardigen en betere vervoersmiddelen dan anderen zal dan een dergelijk ras niet aan een zeker “Herrenvolk‑denken” lijden? Het is begrijpelijk dat de Atlantiërs, hoe goed zij op zichzelf dan ook mogen geweest zijn, met enige minachting naar hun primitievere broeders van het vasteland hebben gekeken. Zo zagen zij er ook geen kwaad in om zich slaven te verschaffen, dus hun macht op te leggen aan de minder ontwikkelde vastelandbewoners.

Voor een op landbouw en visvangst gebaseerde cultuur is het bezit van sla­ven noodzakelijk om voor de enkeling betere levensmogelijkheden te scheppen. Slaven zijn er. Zij zijn er langs de kusten. Er werd een ander volk geronseld ter wille van de welstand en macht van de Atlantiërs. Zo begint het gebruikelijke werken op het land zoals dit gedurende eeuwen in de landbouw steeds weer naar voren komt.

In de beginperiode van Atlantis was er een soort democratie. Eenieder ging zijn eigen weg, maar toen de landbouwer kwam en er slaven werden geroofd, was de krijgsman nodig. Naast de krijgsman was er behoefte aan een priester die ener­zijds met zijn zegen, namens het Onkenbare, goedkeurde wat er zou geschieden.

Dit was een soort vrijbrief voor daden waar men misschien nog zelfs aarzelend tegenover had kunnen staan. Aan de andere kant kon een priester, zoals dit ook bij de primitieve stammen op het vasteland gebruikelijk was, vertellen waar de buit te halen viel. Deze priester wees dus aan waar en op welke tijd iets moest worden ondernomen.

Zo trad na de eerste ontwikkeling en de komst van de eerste slaven de krijgsmansstand op en daarnaast de stand van de magiërs (toen op dat ogenblik nog een soort Sjamanen). Hier hebben wij dan alles wat noodzakelijk is om een beschaving over het eerste aarzelende begin heen te helpen.

Waar behoefte was aan een legermacht, daar ontstond een industrie die de noodzaken van dat leger ‑ hoe primitief dit ook mocht zijn – heeft gediend. Aanvankelijk waren de werktuigen en wapens natuurlijk van steen. Atlantis was niet alleen het grote rijk van luchtwapens en wonderen, het is ook begonnen met steen, met stenen aksen en bijlen, met speerpunten en lansen.

Maar de industrie leidde ertoe verbeteringen te zoeken. Deze verbeteringen kwamen ongetwijfeld sterker naar voren toen goud, lood en tin werd ontdekt. Er ontstonden eigenaardige metaallegeringen. Wij zien bijvoorbeeld een pantsering optreden en wij zien zwaarden die weliswaar sterk verschillen van de eerste zwaarden uit het bronstijdperk ofschoon deze qua capaciteit en kwaliteit veel overeenkomst vertonen.

De wapens waren er, de superioriteit was er. Nu moest er een vloot worden gebouwd. Dit, omdat de heersers over de slaven weelde begeerden voor zichzelf. Gelijktijdig vond er een worsteling om de macht plaats tussen de priesters en de krijgslieden.

Ook dat is begrijpelijk. De boer was terzijde gesteld. De bezitter (de handelsman) had zich ook al als mindere moeten neerleggen bij de besluiten van de krijgsman, de beschermer. Maar de krijgsman op zijn beurt kwam tot de ontdekking dat hij zonder de priester niets waard was. Want de priester was in staat door zijn psychologische invloed en zijn bovennatuurlijke gaven vaak ook door zijn goochelkunsten, de ontwikkeling van de maatschappij te leiden.

Dit begin zou ik natuurlijk stap voor stap voor u kunnen ontvouwen, maar laten wij het vluchtig doen. Waar landgoederen ontstonden, waar veel slaven werk­ten en daar waar ook door de op het eiland geboren slaven visvangst en dergelij­ke werd bedreven, moesten ‘compounds’ dus slavenkwartieren komen. Deze slaven compounds moesten dan weer militair gezag naast zich hebben. Eveneens was er een kerk nodig. Waar soldaten zijn is er ook nog wat anders nodig; laten wij dat maar heel bescheiden een kroeg noemen. Dat klinkt misschien gek, maar zo is het nu eenmaal, zo is het altijd geweest.

Dan hebben wij hier alles genoemd wat nodig is om te komen tot een primitieve stadsvorming. Een onderlaag van de bevolking en een bovenlaag, soldaten en priesters dat betekent administratie en een kroeg die natuurlijk tenslotte werd aangevuld door andere handelsbedrijven. De behoeften van een gemeenschap die ook handwerkslieden aantrekt en dwingt zich daar te vestigen. Zo werden er dan verschillende kleinere steden gevormd.

U zult begrijpen dat deze Atlantiërs in het begin nogal oorlog tegen elkaar hebben gevoerd. Maar die oorlogen gaan voorbij. Kijk maar naar Europa: men zal begrijpen dat dit op een gegeven ogenblik een voortdurend elkaar beoorlogen betekent, ondergaan in de grotere machten die buiten deze gemeenschap bestaan.

Atlantis bestond dus uit een aantal verenigde rijken, een soort statenbond. In deze rijken viel het priesterschap in twee takken uiteen. Wij zouden kunnen spreken over de “wit‑magiërs” en de “zwart‑magiërs”, dat is ongeveer juist. De wit‑magiër is namelijk een esotericus. Hij zoekt naar kosmische geheimen. Hij helpt de mens maar doet dit met krachten die uit het denkvermogen en eventueel uit de geest stammen. De zwart‑magiër daarentegen werkt met een over-sensibiliteit, maar daarnaast is hij gericht op de materie en het voordeel daaruit. De zwart‑magiër van toen werd naast de priester van de steden tevens de wetenschapsmens van deze vroege periode.

Nu hebben wij alles wat wij nodig hebben. Een Atlantis dat zo is ontstaan, kunt u zich, geloof ik alleen voorstellen.

Atlantische luchtvoertuigen.

Er wordt gesproken over luchtwagens die men in Atlantis bezat. Daarbij moeten wij niet vergeten dat de aarde in de tijd van Atlantis meer vulkanisch was. Gassen waren er toen veel meer dan tegenwoordig. De bouw van zo’n luchtvoertuig was zeker toen mogelijk. Waar eilanden dicht bij elkaar liggen en het terrein bergachtig is, is verplaatsing door de lucht buitengewoon belangrijk voor oorlogshandelingen. Luchtvaart werd dus pas ontwikkeld als er oorlog ontstond tussen twee grotere gemeenschappen. De wetenschap dat een vogel kan vliegen, zal de mens ongetwijfeld zover brengen dat hij ook zelf tracht te vliegen.

Ons onderzoek heeft uitgewezen dat inderdaad de mensen van Atlantis over luchtvoertuigen beschikten. Deze waren van een andere soort dan de uwe. Zij werden door magiërs ontworpen en bestuurd. De magiërs waren dus de piloten. Dezen maakten voor heel veel dingen, waarvoor u tegenwoordig instrumenten heeft, gebruik van hun gevoeligheid, hun oordeel en van telepathische verbindingen.

Toch was het geheel niet zuiver magisch. Het berustte op het tot stand brengen van een evenwicht tussen de belasting, het gewicht van het van het voertuig en de omringende lucht waardoor het met een vinger a.h.w. zou kunnen worden verplaatst. Verder spelen bij de verplaatsingen de heersende winden een grote rol.

Als er luchtvervoer is, komt er ook vervoer te land. De voertuigen te land zouden getrokken moeten worden of men zou de landvoertuigen als een soort draagstoel moeten zien. Draagstoelen waren lange tijd in gebruik, daarna is de slede gekomen. Opvallend is dat men wel een rolwagen kende, iets wat op rollen liep, maar dat wielen zoals deze tegenwoordig bestaan in Atlantis niet werden gebruikt. Wel was het wiel een symbool. Men kende het wiel dus wel als een soort kosmische omschrijving. Men kon zich eenvoudig niet voorstellen dat het dient om een wagen voort te bewegen.

Godsdienst in Atlantis.

De Atlantiërs hadden natuurlijk ook een godsdienst. Voor het volk moest die noodzakelijkerwijs primitief zijn, want het volk stond immers nog dicht bij de natuur. Het was nogal zeer chauvinistisch. De god was een stamgod en werd geassocieerd met de zon. Ook dat is begrijpelijk. Want de zon brengt het licht, brengt vruchtbaarheid. Daarnaast, tegemoetkomend aan de primitieve behoeften van de mens om ook in de goden het mannelijk en het vrouwelijk principe te erkennen, werden de Maan en de andere hemellichamen vereerd.

Dat was in die periode nog niet de Luna die u thans kent. Het was een kleinere maan. Maar goed, men zag dan in ieder geval in haar het vrouwelijke principe en in de zon het mannelijke. Dit geldt alleen voor de Atlantiërs en niet voor andere volkeren.

Deze godsdienst ging aanvankelijk gepaard met eenvoudige offers. Later werden het dierenoffers. Er was in zeer grote mate wreedheid. Er worden zelfs mensenoffers gebracht. Er werden schouwspelen opgevoerd van offerdiensten die in walgelijkheid vaak de taferelen van Nero’s circus overtroffen.

In dezelfde tijd werden de zuivere denkers, de magiërs en filosofen die zich niet op de materie richtten, steeds verder weggedreven van de steden en hun bevolking.

Dit is eveneens een begrijpelijk verschijnsel. Als het geloof primitief is bij de bevolking, zien wij dat de centra van hoger weten zich terugtrekken in de wildernis. Dat heeft u zelfs kunnen zien tijdens de kerstening van Europa. In de landen waar de bevolking nog weinig ontwikkeld en bijgelovig was, zien wij de kloosters op afgelegen plaatsen verrijzen omgeven door tuinen, hoven en dergelijke. Zij trokken bepaalde groepen van de bevolking aan, die horig werden aan het klooster. Zo was het ook in Atlantis.

Alleen de magiërs zagen in de zon oorspronkelijk het Goddelijke. Later werd de zon het symbool van de levende kracht. Men had het gevoel dat deze levende kracht van de aarde ver verwijderd lag, ergens boven de wereld. Daarom zocht men de hoogten op, de bergtoppen, die niet zo talrijk waren in Atlantis als men nu pleegt aan te nemen, want vele van deze eilanden waren zuiver heuvel­-landschappen en enkele zelfs zeer vlak.

Rampen en hun gevolgen.

De eerste ondergang van Atlantis (nadere gegevens zie brochure: de ondergang van Atlantis) bracht met zich mee het verzinken van een aantal eilanden die reeds door handelsverkeer verbon­den waren en van een ietwat grotere continent in de Stille Oceaan. Gelijktijdig trad een verandering van het klimaat opvallend snel op. Want tot op dat ogenblik was het magnetische veld van de aarde evenwichtig. Met die ramp kwam de verstoring. Deze was zo groot dat hierdoor praktisch alle gebieden werden geteisterd en vernietigd. Er bleven wel enkele gebieden onaangetast, maar dat waren er niet veel.

In de volgende periode behoorden de overlevenden van Atlantis tot betere kasten en waren de leiders van andere volkeren. Door hun gewoonte op een hoger gelegen terrein te leven, waren de wit-magiërs in de meerderheid tegenover de zwart‑magiërs. De Atlantiërs die de eerste ramp hadden overleefd behoorden niet meer tot een ras zoals wij dat in de eerste periode hebben gezien. Het was een vermenging van slavenvolkeren die globaal kon worden verdeeld in negroïde typen en blanken.

Dit eilandenrijk onderging in de eerste tijd allerlei calamiteiten. Er kwamen oorlogen. De mensen vielen terug in onvoorstelbare primitiviteit. Deze pri­mitiviteit kwam tot uiting bij de overgebleven Atlantiërs die gevlucht waren naar het vasteland.

Slechts op enkele punten kon men de gedachte aan Atlantis terugvinden. Iets noordelijk van Cadiz bv. lag een grote handelsstad die met haar dokken, dus de wijze waarop haar haven werd gebouwd, haar grachtensysteem en de verdeling van de wijken in ringen naar het middelpunt toe, heel sterk deed denken niet al­leen aan Plato’s beschrijving van de ideale stad, maar veel meer nog door de techniek, aan Atlantis zelf en de daar gebruikte methoden. Voor de bouw van ha­vens, verzonken dokken en verdeling van wijken. Hier is een overblijfsel van Atlantis geweest.

Gaan wij verder zoeken in dat land, dan vinden wij echter dat naast een kleine kern die iets van overlevering en beschaving had bewaard, de rest van de mensen diep waren gevallen. In de holen vond men ook weer getuigenis daar­van. Eerst waren er nog holtekeningen met werkelijk schone lijnen, wonderlijke weergaven op hoog artistiek peil. Daarna verviel dat langzaam maar zeker, naarmate de tekenaar dichter bij uw eigen tijd kwam te staan, werd de uitdruk­king lomper, de verbeelding schetsmatiger en minder juist.

Als wij nu stellen dat een artiest, soms geen erg praktisch mens, leider werd van een aantal overlevenden, dan zouden wij ons kunnen voorstellen dat zijn tekeningen in het begin een zuivere weergave waren van een schoonheidsbehoefte, maar door zijn steeds primitiever wordende omgeving worden omgevormd tot ri­tuele beelden.

Dit is niet zo onlogisch, omdat wij dergelijke tekeningen met weinig verschil ook kunnen vinden in zekere gebieden in de Sahara en in het noordelijke kustgebied van West‑Afrika. Soortgelijke tekeningen worden nu nog door primitieve stammen gemaakt. Dat neemt niet weg dat deze tekentechniek op zichzelf oud is. Zij heeft dezelfde magische betekenis die wij bij holbewoners in Spanje bv. vinden en eveneens in Zuid‑Frankrijk.

De conclusie ligt alweer niet ver: na een dergelijke grote wereldramp blijven hier en daar kleine centra met mensen over die nog voldoende van wetenschap en van handwerk verstonden om ‑ zij het dan ook zeer primitief ‑ de beschaving verder te dragen die eens hun oorspronkelijk moederland bezet.

In de Atlantische geschiedenis, zoals wij die hebben leren kennen door onze studie en ons onderzoek, zien wij dan na deze periode van verwildering weer een opkomst van rijken. Maar nu ging het sneller. Deze opbouw van rijken voltrok zich in ongeveer 2.000 jaar. Daarna bestond weer een handelsnet. Het waren pri­mitievere en ruwere volkeren dan voorheen, maar zij waren er. Wij zien dat de wit‑magiërs daar in het begin wel een grote rol speelden, maar toch langzamer­hand door de praktische eisen, o.a. op het gebied van verwerving, uitvindingen enerzijds en militair gezag anderzijds, weer op de achtergrond werden gedrongen. Wij zien zelfs dat sommige van hen zich vestigden buiten het bereik van de heer­sers en handelslieden van dit tweede Atlantis.

Nu komen wij ook tot het antwoord op de vraag: hoe kan er ergens een rijk hebben bestaan dat zo ineens is verzonken? Wat overbleef van Atlantis was maar een klein deel. Als wij naar dit deel gaan zoeken wetend dat er een stad was in de buurt van Cadiz en verder nagaan dat een soortgelijke nederzetting zich aan de voet van de Pyreneeën bevond en dat er een klein havenbekken werd gebruikt inde buurt van het huidige Santander en dat de Golf van Biskaje toen nog niet bestond in zijn huidige vorm, dat het Kanaal er ook nog niet was en dat in het zuiden schiereilanden lagen en eilanden zoals o.a. het huidige Wight en wij moeten vaststellen dat oorspronkelijk reeds delen van Ierland en Engeland hebben be­hoord tot Atlantis gebied, dan wordt ons duidelijk dat dit rijk niet helemaal in de golven onderging.

Zeker, ook een watersnood, een grote overstroming en een verzinken van een deel van het land kunnen een rol hebben gespeeld bij deze ondergang. Maar de on­dergang zelf moet hebben gelegen in geestelijke waarden

Iets minder dan 9.000 jaar geleden was er inderdaad een grote verwildering, namelijk een grote krijg. Deze krijg werd een principiële oorlog. Het was geen strijd om gewin, het was een strijd van zwart tegen wit. U zou kunnen zeggen tussen theocratische dictatuur en erfelijk vorstendom.

De twee partijen respecteerden elkaar, maar zij richtten elkaar voortdurend ten gronde. Zij stalen elkaars wetenschappelijke uitvindingen die overigens niet meer op zo’n hoog peil stonden als in het eerste Atlantis. Zij waren slechts een zwakke schaduw ervan. Daarom is het begrijpelijk dat gedurende deze strijd de beschaving van het volk langzamerhand verdween. Met het afzakken van het be­schavingspeil nam de roverij, de verruwing en de morele verzwakking hand over hand toe.

In deze periode trokken weer vele mensen weg o.a. een donkerharig volk dat zich had gevestigd in de Atlantische gebieden en ook aanwezig was in bepaalde Noord‑Afrikaanse gebieden. Dat was de grote trek van de Kelten.

Voor degene die de gegevens nauwkeurig nagaat, zou – aan de hand van woorden die in de taal voorkomen en aan de hand van symbolen en gebruiken – kunnen worden bewezen dat de Kelten in Noord-Afrika en ook in Egypte zijn geweest, dat een deel van hen tot ver achter Turkije en Perzië is gekomen en dat dit volk later is teruggetrokken in noordelijke richting over Griekenland waarbij de ene tak zich in Noord-Italië en Frankrijk vestigde en de andere in Hongarije en be­paalde Duitse gebieden.

Zo zou de ontwikkeling van Atlantis volkomen logisch aanvaardbaar kunnen worden gemaakt. De geestelijke werking en leiding die er zeker geweest is laten wij even buiten beschouwing. Wat meer is, als wij verder aannemen dat er bij de eerste en bij de tweede exodus groepen naar het Westen en niet alleen naar het Oosten zijn gevlucht, dan vinden wij hier een verklaring voor overeenkomst in geloof en in beschaving. Ik zal daarop zo dadelijk nog even terugkomen.

Geestelijke achtergronden van de Atlantische ontwikkeling.

Wij moeten ons altijd dit realiseren: een mens heeft de God die hij verdient, net zoals een volk de regering heeft die het verdiend. Met andere woorden: het beeld dat de mens zich van God maakt, bepaalt de relatie die tussen God en mens mogelijk is. Indien God ons een vrije ontwikkeling laat, dan kan hij nooit méér doen dan ons in staat stellen ons tot Hem te wenden en Zich te openbaren, opdat wij ons tot Hem kunnen wenden.

Het ligt misschien iets buiten mijn betoog, maar ik moet het hier aanstippen. De eerste ontwikkeling moet automatisch zijn uitgegaan van de gemeenschapsgeest en groepsgeesten en groepsweten. Degene die dat niet op geestelijk peil zou willen aanvaarden, moet ik erop wijzen dat de gemeenschappelijk gedeelde gedachten bij bepaalde diersoorten voorkomen. Dit is een van de redenen waarom de trekmieren in staat zijn hun colonne te handhaven op een volkomen symmetrische wijze en hun verkenningstroepen en achterhoede regelmatig te vervangen en dit zonder hapering of kenbare mededeling. Op bepaalde ogenblikken worden de individuen in een grotere eenheid opgenomen en het bewustzijn van deze eenheid beïnvloedt op den duur alle individuen zodanig dat zij zich aan hun groep aanpassen.

0, zeker, als men zo’n mier zou kunnen vragen: “heb je een vrije wil?” dan zegt zij: “natuurlijk, want ik had ook in een andere richting kunnen lopen”. Zij realiseert zich namelijk niet dat haar voorkeur voor deze richting voortkomt uit haar eenheid met de groep.

Stel nu dat geestelijke krachten leiding geven aan een volk. Dan wordt hierdoor een bepaald patroon geschapen. Naar dit patroon zal de mens dan leven. Naarmate hij zich echter meer bewust wordt van zijn gemeenschap en zijn eigen plaats daarin nauwkeuriger definieert, zal hij inderdaad beter beantwoorden aan het opgelegde patroon en gelijktijdig door zijn inzicht en besef van zijn plaats daarin, grotere vrijheid krijgen.

Wij kunnen stellen dat in het begin van de eerste Atlantische periode, toen het mensdom zich begon te ontwikkelen (overigens in de Lemurische tijd) er inderdaad geestelijke leiding was die een vast patroon oplegde. De eigen voorkeur van de individuen heeft dit langzamerhand gewijzigd. De binding tussen geest en mens werd losser. Naarmate die losser werd, stond de mens op eigen benen en werd zijn relatie tot God niet meer een deelname aan een groter geheel, maar een benadering van het geheel vanuit zijn persoonlijk inzicht en de erkenning van de voor hem belangrijke aspecten.

Zo is de leiding van de geesten langzaam maar zeker verloren gegaan. Slechts de­genen die zich bewust instelden op deze leidende krachten en zich bewust daar­aan overgaven, konden nog met hen in contact staan. Vandaar de wit‑magiërs die in het begin leiding gaven (er bestond in feite een soort theocratie) en die zelfs in de tweede Atlantische periode nog voldoende invloed hadden om wetten vast te stellen die van de goden afkomstig heten te zijn.

Naarmate de mens zich verder ontwikkelde en zijn omgeving meer beheerste werd de inwerking van de geest minder. Het resultaat was dat na de eerste ondergang van Atlantis een korte herleving van het religieuze gevoel en daarmee een grotere geestelijke eenheid weer optrad. Maar dit gebeurde slechts daar waar bewuste mensen zochten naar dit geestelijke contact om daaruit leiding te putten. Zo was het mogelijk dat de beschaving van Atlantis herleefde.

Hoe was het mogelijk dat men afstanden aflegde die zelfs heden ten dage onvoorstelbaar groot zijn? Hoe was het mogelijk dat men herschreef wat verloren was gegaan? Hoe was het mogelijk dat men de oude wijsheid weer opnieuw wist vast te leggen in het toen geldende bloemenschrift, dat later geformaliseerd werd en ook op het Sanskriet nog wel een zekere invloed heeft gehad. U ziet dus hoe ver het van huis is gekomen.

Atlantis als zodanig moet worden beschouwd als een ontwikkelingsperiode en niet in de eerste plaats als een rijk. Als wij dit vaststellen, dan volgt daar­op onmiddellijk de vraag: is dan deze ontwikkelingsperiode van Atlantis soms symptomatisch voor latere ontwikkelingen? Dat is een punt dat u misschien van­avond niet had verwacht, maar dat ik toch nog wil aanstippen. Op het ogenblik dat de techniek een maximum aan productie bereikte voor de toenmalige tijd ‑ zij het dan ook eenvoudiger dan in het heden ‑ en gelijktijdig het geloof werd vervangen door een soort utiliteitsgeloof, d.w.z. dat de priester tegelijk ook wetenschapsmens was, toen kwam het grote conflict. Deze strijd kon tenslotte Atlantis vernietigen. Waren de Atlantiërs in staat geweest hun eigen techniek te beheersen dan hadden zij zich door deze techniek kunnen redden. Maar zij zijn juist door hun techniek ten onder gegaan.

Parallellen: Atlantisch tijdperk en heden.

Hoe staat de mensheid er op het ogenblik voor? Wij verkeren nu weer in een Atlantische periode. Via een tijd van eenvoudig geloof en Godsregeringen (denkt u maar aan de vroege en late Middeleeuwen waar eigenlijk elke vorst zijn gezag aan God ontleende en de meeste grote rijken inderdaad theocratieën waren, waarin de priester achter de troon het meest te beweren had) zijn wij gekomen tot een democratie. Dus een volksregering in gelimiteerde vorm waarin de techniek een overheersende invloed heeft. Het geloof is van minder belang geworden. Bij de doorsneemens gaat het meer om de sociale betekenis van het geloof en voor­al om de mogelijkheid de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven dan om een werkelijk beleven van Goddelijke waarden.

Mijne vrienden, u leeft heden ten dage eveneens in een Atlantische periode. Precies zoals Atlantis twee keer heeft geleefd. Wat meer is, de invloedssfeer waarin dit zich afspeelt is ongeveer dezelfde als waarin Atlantis is onderge­gaan. Zelfs de plaatsing in het zonnestelsel is verhoudingsgewijs ongeveer gelijk.

U zult begrijpen wat mijn conclusie daaromtrent moet zijn. Veel van hetgeen op het ogenblik bestaat, kan worden gezien als een schaduw van wat er eens was. Een verbeterde schaduw misschien. U leeft dus in een Atlantische periode die een vernietigingsgevaar met zich meebrengt, indien niet de geestelijke beheer­sing de overhand krijgt. Gebeurt dit niet, dan zullen de uitverkorenen door hun geestelijke macht wetenschappelijk zo ver zijn dat zij door hun vooruit­zien zich kunnen onttrekken aan het gebeuren en zij die geestelijk zo hoog staan dat zij in staat zijn zich te beveiligen om zo te overleven.

Dan zou precies hetzelfde gebeuren met uw beschaving als wat er met Atlantis is gebeurd. Dan zou men kunnen zeggen: “zeker, er zijn wat ruïnes in Amerika en in Europa die ongeveer gelijk zijn. Eigenaardig, maar wij kunnen toch niet aannemen dat dergelijke primitieve mensen in staat waren om die oceaan over te steken. De rassen hebben zich verschillend ontwikkeld. Neen, dat er een rijk is geweest dat dit alles bevatte, is niet aan te nemen.” Toch heeft u vandaag aan de dag een UNO zoals Atlantis zijn statenbond had. Een statenbond die de grens­gebieden van de oceaan in één belangengemeenschap onderbracht.

Enkele aspecten van Atlantis.

In de eerste plaats de wijze waarop de Atlantische steden waren gebouwd. Als ik zeg stad dan moet u denken aan een plaats die ‑ behalve aan het einde van de eerste periode ‑ een inwonertal had van niet meer dan 1200 tot 1500. Er is maar één stad geweest die groter was. Dat was in de eindperiode. Deze stad die bijna 20.000 inwoners telde is ondergegaan. Zij was heel wat kleiner dan uw stad.

In zo’n stad vond men dan aan de buitenkant slavenwijken. In de binnenstad was een gordel van handelshuizen veelal ook opslagplaatsen en pakhuizen. Tussen de slavenwijken en de handelshuizen bevond zich hetzij een muur hetzij een kanaal. Bij deze scheiding was altijd een groep militairen of bewakers aanwezig. Binnen deze ring bevond zich een tweede ring van woonwijken en woonhuizen van de heersers. Volgens de huidige opvattingen misschien niet glorieus genoeg. Maar er waren toch woningen met twee en drie verdiepingen. Wel is opvallend dat al de­ze woningen in verhouding betrekkelijk grote binnenhoven hadden en ook wel tuinen. Binnen de eerste ring waren de militairen, dus kazernebewoners. Deze ring lag al dicht bij het centrum van de stad. De militaire bezetting van zo’n stad bedroeg zoiets van 120 tot 150 man; dus ten opzichte van de bevolking vaak meer dan 10%. Daarbinnen vond men een soort citadel. In deze citadel waren dan ook meestal muren en kanalen ter afscheiding van de tempels of “de tempel”. Daar tegenover is het paleis van de gezaghebber. Dit had zijn reden, want een vorst of gezaghebber moest ten alle tijde zijn opleiding bij de priesters en priesterlijke wijdingen ontvangen waardoor hij als assistent van de hogepriester kon optreden. Later zien wij namelijk in sommige van de deelstaten van Atlantis de regeerder gelijktijdig als generaal en hogepriester optreden.

In de tempels der Atlantiërs kwamen de stemmen der goden via mediums. Zij werden gebruikt om orakels te verkrijgen en geven ook leringen. Zij toonden verder het volk en ook de slaven eigenaardige verschijnselen, zoals zwevende lichten, verplaatsing van voorwerpen zonder aanraking (dus telekinese en dergelijke).

Zo’n stad werd verdedigd door de slavenkwartieren prijs te geven. Dus de pakhuizen worden wel verdedigd, de slavenkwartieren niet. Rond de slavenkwartieren vinden wij over het algemeen slechts een zeer geringe of helemaal geen afscheiding van de omgeving. Dat is weer begrijpelijk: de gedachte aan een slavenopstand kende men namelijk in die dagen niet. Pas in de tweede Atlantische periode kregen wij te maken met een grote slavenopstand Daarvoor is er praktisch geen sprake van.

De verhouding van de regeerder van een stad ten opzichte van de inwoners was patriarchisch. Hij trad als vorst en vader op en had dan ook de plicht de armen te voeden uit zijn pakhuizen. Omgekeerd had hij het recht op de bezittin­gen van allen, ook al maakte hij er niet altijd gebruik van. Er was slechts één bezit dat hij niet mocht aanraken, dat was het bezit dat bij de goden hoorde bij de tempel. Maar als hij zelf hogepriester was, kon hij ook daar nog de hand op leggen. Ik wil niet zeggen dat dit veel gebeurde, maar het is toch wel voor­gekomen.

Wat de godsdienst betreft krijgt u, als er nog tijd is, door een van mijn vrienden, een beschrijving van een religieuze bijeenkomst waar een orakel werd gevraagd en verkregen. De beschrijving wordt zo veel mogelijk in overeenstemming gebracht met de feiten. Maar natuurlijk is de taal hier en daar een belemmering om een volledig juiste uitdrukking te vinden.

Wat betreft de militaire indeling het volgende: men kende daar vroeger een afdeling van een soort artillerie, werkend met slingers, later ook wel met samen­geperste gassen en veren. Een veer werd ingetrokken zo ongeveer als een boog, waardoor iets werd weggeslingerd. Deze artillerie afdelingen bestonden uit 150 man. Er waren nooit meer dan 5 of 6 van deze eenheden. Zij waren speciallisten en hadden een eigen officier. Voor de andere militaire eenheden waren zij onderofficieren vanwege hun specialisatie.

De rest der militairen werd verdeeld in twee groepen: de aanvallers en de verdedigers Beide hadden een soort infanterie‑uitrusting waarbij het verschil was dat de aanvaller betrekkelijk weinig pantsering droeg, terwijl de verdedi­ger door middel van dierenhuiden hier en daar met hout versterkt, schilden e.d. zich gemakkelijker kon verweren. In de beginperiode werd vooral gebruik gemaakt van werpspiesen, later zien wij ook slingers, bogen en op den duur zelfs een soort vlammenwerpers optreden.

Elk garnizoen was in de eerste plaats gehoorzaamheid verschuldigd aan de priester van de plaats. Het gezag van de priester heette te worden uitgedrukt door de stoffelijke regeerder van de stad. Als de hogepriester een besluit nam waarmee de bezetting het niet eens was, kon zij in de tempel van dezelfde stad of van de statenbond het orakel raadplegen. Hier werd dan de politiek bepaald.

Handelsverkeer in Atlantis.

Wat de handel betreft: in het begin werden voor het handelsverkeer slechts kleine schepen, een soort korjalen gebruikt, die zeer kleine ladingen vervoerden. Later werden schepen gebouwd die het meest leken op vlotten ‑ dus plat geboomd ‑ voorzien van opstaande wanden, waarbij alles goed was gebreeuwd en waar dan ook over het algemeen afschermingen aan de voor‑ en achtersteven waren aangebracht. Deze schepen konden zelfs 25 ton vervoeren. Zij waren dus betrekkelijk groot.

Kielschepen worden alleen in de tweede periode ven Atlantis gebruikt en zelfs dan was de kiel slechts een kunstmatige verzwaring, die werd aangebracht en die geen bepaalde vorm had. Wel waren er uitleggerboten met een en twee uitleggers die deden denken aan grote prauwen.

Over het algemeen hadden de schepen een zeer verhoogde boeg en een betrekke­lijk lage achterspiegel. Er werd gebruik gemaakt van riemen en zeilen. Het zeil­tuig doet het meest denken aan het Levantijnse tuig. Alleen was het zeil vierhoe­kig en niet geweven. In de beginperiode van Atlantis werd het gemaakt van ge­bonden riet, dus een soort rietmatten. Pas later kwamen grof geweven stoffen daarvoor in de plaats. Ze doen denken aan een soort jute die met kleefstof (een soort gom) werd verstevigd. Vele van deze schepen waren niet in staat om hun zeilen helemaal te strijken of te reven. Men moest altijd een bepaald gedeelte daarvan laten uitstaan. De besturing was over het algemeen met dubbele, lange riemen aan de achtersteven. In enkele gevallen was er nog een derde stuurriem die op de boeg was geplaatst.

Er werd gehandeld in metalen, voedingsmiddelen, houtsoorten die op de eilanden niet zoveel voorkwamen, daarnaast slaven, primitieve werktuigen, specerijen. Ook vlees werd gedurende de tweede Atlantische periode nog weleens aangevoerd. In de eerste Atlantische periode was vleesvoeding bij deze eilandbewoners niet gebruikelijk. Wel visvoeding en daarbij ook verschillende dieren zoals potvis, walvis en robben bv., dus ook warmbloedige zeedieren.

Aangaande de luchtvaart: deze bestond doorgaans in de beginperiode uit schaal­vormige voertuigen overdekt met een grotere schaal. Het aantal inzittenden was vier. Geen motorische aandrijving. Later werden voertuigen gemaakt die op reac­tie werkten. Dat was in de meer technische periode. Het was een soort raketsysteem waarbij vanuit een centraal punt brandstof in verschillende branders werd ge­bracht en deze met explosieve ontbranding, naar buiten toe in lange steekvlammen een opheffing van de zwaartekracht veroorzaakten, terwijl door kanteling van de straalbuizen een voorwaarts gaande beweging bereikt kon worden. Maar deze voertui­gen hebben niet lang bestaan. Ze werden gebruikt in oorlogstijd en hadden een capaciteit voor zestien personen.

De reikwijdte van deze luchtvoertuigen was doorgaans niet groot. De actie­radius van het grote laatstgenoemde voertuig was niet meer dan 70 km. De kleine­re voertuigen die ook via magische weg werden aangedreven konden soms in één ruk afstanden van 120 tot 150 km maken. De voertuigen die op minder gespeciali­seerde brandstof waren aangewezen, konden gemakkelijker tot hun basis terugkeren.

Conclusie:

Ik hoop u in de eerste plaats aannemelijk gemaakt te hebben dat Atlantis heeft bestaan. Dat was mijn hoofddoel. In de tweede plaats wilde ik u enig inzicht ver­schaffen in de ontwikkeling, opdat u in het vervolg u niet blind staart op een Atlantis van geestelijk hoogontwikkelde mensen. Iets wat op een wonderlijk hoog peil kwam door magische manipulatie en alleen ten onder ging aan zijn eigen slechtheid.

Ik hoop dat u zult begrijpen dat Atlantis een land was met mensen net zoals gij mensen zijt. Een land dat geestelijke leiding ontving zoals ook zelfs in deze dagen geestelijke leiding wordt gegeven, waar dit maar mogelijk is. Een land waar­in de menselijke hebzucht, de menselijke begeerte en de menselijke vrees tenslotte beslist hebben over het lot van een beschaving die ‑ moge zij niet geheel vergelijkbaar zijn met de huidige ‑ toch zeker zeer waardevol was.

Vragen

  • Ergens heb ik gelezen dat de verwarming van de huizen in Atlantis reeds berustte op het principe van atoomsplitsing. Is dit juist?

Neen, dat is niet juist. Er is zeker een periode geweest dat in zeer kleine kring de geheimen van atoom‑ en moleculaire structuren waren bekend. Maar men is niet zo ver gekomen dat men atoomenergie had en dus atoomsplitsing o.a. voor verwarming gebruikte.

  • Zijn er ook namen van steden bekend?

Er zijn inderdaad wel enige namen van steden bekend. Men had bijvoorbeeld Isjemaa. Dat was een kleine kuststad, die was gelegen op wat men tegenwoordig de Azoren noemt. Men had ook Atasji, een stad die lag in het huidige zuiden van Afrika en hoofdzakelijk een negerbevolking had. Van daaruit zijn de technieken ontwikkeld die o.a. bij de bouw van Zimbabwe zijn gebruikt. Ik zou u er nog vele kunnen noemen, maar die namen bestaan nu praktisch niet meer.

  • Hoe uitgestrekt was nu dit verzonken Atlantis?

Het laatste rijk omvatte 13 grotere en naar ik meen 47 kleinere eilanden. Dus geen vasteland, maar een aantal eilanden die door veelal smalle zee-engten van elkander gescheiden waren. Vergelijk: Denemarken in deze dagen. De totale landoppervlakte was rond 2 1/2 x Nederland. Het eerste of oudere Atlantische rijk omvatte nog een aantal grotere en vele kleine eilanden. De totale oppervlakte was ongeveer 7 x Nederland.

  • Uit welke bronnen put U Uw kennis omtrent Atlantis? Zijn er intelligenties aanwezig die zich het een en ander persoonlijk herinneren? Of komt Uw weten voort uit het kosmisch bewustzijn?

De bronnen kort opgesomd zijn: in de eerste plaats de richtlijnen verkregen door het menselijk denken en de menselijke belangstelling. Ten tweede: het on­derzoek van die bronnen, welke niet voor alle mensen, maar slechts enkelen toe­gankelijk zijn. Ten derde: op grond van de uit genoemde bronnen verkregen gegevens voortkomend uit een onderzoek in het verleden. Want in feite blijven de in het verleden vastgestelde waarden voortbestaan in de kosmos en zijn – zij het niet altijd volledig ‑ toch ten dele realiseerbaar. Verder beschikken wij over aanvullingen van onze oudere en jongere broeders die in staat zijn ook gegevens te verstrekken. De beschrijving die u zo dadelijk krijgt, is ge­maakt aan de hand van een verslag door ooggetuigen die dus deze gebeurtenis zelf hebben meegemaakt.

  • Wij leven thans ook weer in een periode die veel overeenkomst vertoont met die van Atlantis voor de ondergang. Verwacht U die ondergang nu ook weer of zal de wereld ten goede veranderen?

De berekening van de kansen voor het voortbestaan of ondergaan van het laat­ste Atlantische rijk gaf ongeveer 50/50. De ondergang zelf was het resultaat van menselijke angst en begeerte die sterker waren dan de rede. Indien dit in de huidige periode eveneens gebeurt dan zou dit logischerwijs de ondergang van de huidige beschaving tot gevolg hebben. Maar gezien overal steeds meer optredende goodwill t.a.v. anderen, de poging om vrede te bevorderen en de offers die velen geneigd zijn te brengen ter wille van de vrede, doen mij vermoeden dat deze wereld niet zal ondergaan en ook de Westerse bescha­ving niet verloren zal gaan, maar dat wel kleinere oorlogen grote veranderin­gen zullen betekenen o.a. in het sociaal bestel zoals dat thans bestaat. Dus ik neem niet aan dat de Atlantische ramp zich zal herhalen. Wel neem ik aan dat zowel natuurverschijnselen als kleine oorlogen, opstanden en relletjes in verschillende staten een verandering van de huidige structuur nodig zullen maken en zowel de goede wil van een groot gedeelte van de wereld­bewoners als de grote angst voor de oorlog zullen een rem zijn op al te grote gewelddadigheden. Daarom neem ik aan dat de huidige beschaving een volgende trap zal betreden en als zodanig een van de grondslagen zal kunnen zijn waar­op de beschaving van de Aquariusperiode zal worden opgebouwd.

  • Welke soorten brandstof kende men in Atlantis? Dit in het bijzonder voor wat betreft de voortbeweging van de vliegende Voorwerpen en het gebruik van vlammenwerpers?

Voor vlammenwerpers werd over het algemeen gebruik gemaakt van bepaalde aardoliën en aardpek. Aardpek werd echter ook gebruikt om zgn. brandende projectielen te werpen en eventueel als basis voor een vuur. Dit vuur werd meestal aangevuld met wat men tegenwoordig bruinkool noemt, dus versteende producten uit oudere tijden. Daarnaast werd voor verwarming heel veel gebruik gemaakt van de warmte van de aarde bv. geisers en vulkanische bronnen van hogere temperatuur. De vliegtuigen werden voortbewogen door een samenstelling die niet veel verschilt van het huidige pyriet, maar toch vloeibaar zijnde een verdeling mogelijk maakt, een continue explosie, zoals dit bij sommige straaljagers gebeurt op basis van zuren. Wat betreft de vlammenwerpers dus: aardoliën in hoofdzaak.

  • Zijn er in deze eeuw nog materiële resten van en bewijzen voor het bestaan van Atlantis te vinden?

Het lijkt mij niet zo moeilijk dergelijke resten te vinden, wel echter zeer moeilijk deze te definiëren als behorende tot de Atlantische beschaving. Want wat van dit rijk na de eerste grote ramp is overgebleven, viel immers deels terug tot barbarisme, deels ook ging het op in andere culturen en beschavingen en schijnt nu ‑ vanuit het huidige standpunt ‑ eerder daarvan deel uit te maken dan een afzonderlijke cultuur te zijn. Daar waar men terugviel, bleven bepaalde verhalen en legenden bestaan zoals bv. in Ierland en Wales. Zelfstandig geworden koloniën als bv. handelssteden in het zuiden van Spanje hebben wel grote invloed op de ontwikkeling van de omliggende gebieden in casu de ontwikkeling rond het Middellandse Zeegebied. Wat van die cultuur nog overbleef uit meer kenbare tijden kan echter moeilijk als zuiver Atlantisch worden beschouwd, daar de bewoners van dergelijke koloniën na de wegval van een moederland een vermenging ondergingen van bloed en cultuur met omliggende gebieden.

Kort en goed, restanten van de Atlantische beschaving voor zover materieel zijn grotendeels opgegaan in andere grote culturen en worden vaak als opvallen­de overblijfselen daarvan beschouwd. Ik denk hierbij aan een oud schrift in India ‑ cuneiform ‑ waarvan men de oorspong niet kan achterhalen.

Als bewijzen zijn er enkele aan te geven, maar ook hier is het de vraag of deze als zodanig zullen worden aangenomen. Bijvoorbeeld: Een ongeveer gelijksoortige voorstelling van een zonnegod of hemelgod met weliswaar verschillende attributen maar gelijke grondvormen en symbolen op zeer verschillende plaatsen van de aarde.

De gelijke bouwwijze ven tempeltorens in praktisch alle oude beschavingen die men in de wereld kende, ongeacht het feit dat deze ‑ volgens de voorstelling die men van die wereld heeft – geen onderling contact hadden.

Het optreden van het kruis dat ook in de Atlantische beschaving een rol heeft gespeeld vooral in de godsdienst gedurende de eerste periode en dat overal voorkwam zelfs in de burchten van andere geloofsrichtingen.

Ik zou hier bv. willen wijzen op de kruisen in de citadel van Jemen. Het kruis, eigenaardigerwijs, komt voor in de meeste beschavingen o.a. ook bij de Azteken, bij de Hindoes (zij het dan in gewijzigde vorm).

Als wij verder de leringen en beschavingen nagaan – voor zover deze thans nog te vinden zijn –  valt ons bovendien op dat de duiding van bepaalde symbolen overal praktisch gelijk was. Hieruit zou men reeds een wereldomvattende cultuur kunnen destilleren, omdat het in feite onmogelijk is dat over de gehele wereld met zoveel verschillende rassen, levensbeschouwingen en cultuurpatronen, dezelfde symbolen op gelijke wijze werden geïnterpreteerd.

Verder zou er nog hier en daar beeldhouwwerk te vinden zijn. Graag zou ik dan nog enkele geschriften aanhalen die werden bewaard in de Potala in Lhasa en in geheime bibliotheken waarvan u toch nooit zult horen, tenzij de tijd er rijp voor is. Trouwens bestaat de mogelijkheid dat bij opgravingen die thans in Egypte en in Syrië plaatsvinden waarschijnlijk stenen tevoorschijn zullen komen met een onbekend schrift dat aan het vroeg Koptisch beeldschrift is verwant.

Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat een overeenstemming bestaat tussen bepaalde vroege beeldschriftvormen, zoals die gebruikt werden in verschillen­de gebieden in Zuid‑Amerika en in het zuidelijk gedeelte van Noord‑Amerika. Ook zouden wij nog kunnen spreken over het voorkomen van sommige diersoor­ten op schijnbaar afgezonderde gebieden, die pleiten voor het bestaan van het­zij transport tussen deze gebieden dan wel landbruggen die er thans niet meer zijn.

  • Zijn symbolen als swastika, kruis, gevleugelde bol, ankh‑kruis e.d. oorspronkelijk van Atlantis afkomstig?

Ankh‑kruis en kruis wel, swastika niet.

  • Hoelang is de cyclus van de Atlantische periode?

De ontwikkeling van Atlantis als zodanig omvat ongeveer 10 perioden, die elk 4 kleine perioden inhouden. Elke kleine periode kan worden gerekend op +/- 22.000 jaar. Op deze wijze vatten wij dan de gehele ontwikkeling van Atlantis tezamen van het begin tot het einde toe. De beschavingen waarop u doelt, hadden een werkingsbereik. De eerste beschaving, van opkomst tot voltooiing en ondergang, duurde 21.273 jaar. De tweede beschaving van Atlantis besloeg een periode van 6.500 jaar.

  • Wat werd er in Atlantis eerder ontdekt het vliegtuig of het schip?

Het schip is bijna zo oud als de mens van Atlantis. Dat is oorspronkelijk een kwestie geweest van een paar boomstammen die gepeddeld werden, dus vlot­ten. Kleine vlotten. Vandaaruit heeft het zich ontwikkeld. Maar op het ogen­blik dat men een aandrijving nodig had, moet u zich wel realiseren dat men niet in staat was metalen schepen te bouwen, zodat de aandrijving die voor militai­re vliegtuigen gebruikt werd op schepen niet goed kon worden toegepast met het oog op het grote brand‑ en explosiegevaar. Een paar soldaten blootstel­len aan dat risico vond men toen niet zo erg. Het was dus net als in deze dagen. Maar de handelswaren moesten veilig overkomen. Het schip was er dus eerder. Het vliegtuig is pas één van de latere ontwikkelingen geweest.

  • Mag ik hieruit afleiden dat het tijdperk van de techniek erg kort was?

Dat is over het algemeen zo. Het tijdperk van de techniek stel ik in At­lantis op maximaal 800 jaar. Dan moet u rekening ermee houden dat gezien de geheel andere verdeling van de sociale lagen en het totaal andere behoeftepatroon e.d. de industrie daar een andere betekenis had dan thans. De huidige industrie zal zich veel verder kunnen ontwikkelen en ook langer blijven bestaan, gezien het feit dat zij tegemoetkomt aan de behoeften van de massa. Maar in de tijd van Atlantis kwam de industrie alleen tegemoet aan de behoeften van de leiders. Vergelijk bv. de wijze waarop productie plaatsvindt. In het Westen grotendeels bepaald door de vraag van de consument. In sommi­ge staten in het Verre Oosten werkt de industrie niet ten bate van de consu­ment maar om de wensen van de leiders ten uitvoer te brengen. Dit betekent eveneens een verschil van ontwikkeling. Het betekent een specialisatie van industrieën waarbij weinig of geen rekening wordt gehouden met de behoefte van het volk.

  • Is Stonehenge een Atlantische bouw?

Neen. Dit is een latere structuur, wel oorspronkelijk gebaseerd op Atlantische gebruiken. De eerste eredienst is de erkenning van de Wet en daarmee het bestaansrecht van de stammen. Al snel werden echter goden erbij betrokken. Nog later is het een plaats waar men bloedoffers brengt en geesten en vreemde krach­ten oproept. Dan is het bouwsel een kerk geworden, wordt hernieuwd opgetrokken en uitgebreid. Daarna brengt men ook een gracht en wel om deze tempel aan, die opvallend genoeg, de verdedigingswerken niet aan de binnenzijde maar aan de buitenzijde en naar binnen toe gericht draagt.

  • Zijn de Etrusken verwant aan of beïnvloed door de Atlantiërs?

Via de Kelten. Vandaar dat wij ook in hun graftekens, hun grafschilderingen en ook in vele van hun vazen en aparte vaatwerken bepaalde zes­ elementen terugvinden. Wel speciaal slang‑ en viselementen; die komen daar nog weleens in voor, naast mensafbeeldingen. Dat ligt weer in de lijn van de Keltische ontwikkeling. Want ook bij de Kelten hebben wij de gedachte aan de slang. De noordelijke tak brengt het zelfs weer terug, tot de Midgardslang die de we­reld omspant. Zo zit er wel enige verwantschap in. Maar de Etrusken zijn een afzonderlijke stam. Zij zijn alleen daardoor zo belangrijk geworden in de hui­dige periode omdat zij in de tijd van Rome’s groei een volk waren met een zelfstandige beschaving. Het feit dat Rome zich militair ontwikkelde, betekende dat deze afzonderlijke beschaving in eigen land niet werd gewaardeerd.

Men zou het ook zo kunnen zeggen: “Wil men een staat militair grootmaken dan moet men kitsch verkopen en geen kunst. Zo was het vroeger ook al.

Atlantische tempeldienst.

Ik moet u iets beschrijven uit de tijd toen in Atlantis de magiërs werkten in de steden. De Atlantische steden waren niet groot en ongetwijfeld zijn uw huidige kathedralen mooier dan de tempels die de Atlantiërs bouwden. Toch wil ik trachten u zo’n tempel te beschrijven.

Wij komen door een straat die geplaveid is met onregelmatige blokken steen die uit de bergen komen en hier enigszins op goed geluk zijn neergelegd. Aan weerszijden verrijzen woningen van meestal één soms zelfs twee verdiepingen. De façaden zijn lang met weinig vensters aan de straat. Is er een venster, dan zien wij dat het meestal nog door een houten rooster is beschermd. Wij lopen de straat door en zien, nadat wij een wacht hebben gepasseerd en over een houten brug zijn gekomen dat voor ons plotseling een geheel nieuwe wereld opengaat. Voor ons rijst een gebouw op dat hier en daar zelfs drie soms zelfs vier verdiepingen telt. Daarnaast staat een toren. Dit is het paleis. Rondom liggen tuinen, maar de muur die er omheen is, voorkomt dat men het leven van de bewoners kan gadeslaan.

Aan de andere kant waar wij ons thans heen wenden, staat een rij pilaren die betrekkelijk grove beelden dragen. Het is alsof men hier symbolen heeft weergegeven die ietwat op een griffioen lijken. Dit fabeldier en een krij­ger met zeer demonisch gelaat wisselen elkaar af op de pilaren. Dit is een weg die wij moeten inslaan, want het gebied hier opzij mogen wij niet betreden. Dat behoort aan de priester en priesteressen van deze tempel.

Voor ons gaat een gezelschap dat grotendeels gekleed is in lendenschorten, waarbij men een soort kraag draagt die rijkelijk versierd is met daarop aangebrachte pennen en kralen. Vooraan gaat iemand die ook nog een mantel draagt van een weefsel dat doet denken aan boombast. Hierop zijn in kleuren van felrood, oker en geel een aantal figuren aangebracht.

De haren zijn meestal afgeschoren behalve een enkele lok. Deze mensen zien er wat Indiaans uit. De huidskleur van het ras is rood, roder dan de In­dianen. Hun teint doet denken aan rode aarde.

Voor hen opent zich een poort overwelfd door twee zware balken. Maar het is geen werkelijke poort waardoor men in een huis komt, het is een portico Wij zien nu wit‑gewade figuren komen die zo dadelijk dit gezelschap zullen binnenleiden. Als wij goed luisteren, merken wij dat hier sprake is van een handelsman met zijn gezelschap die een orakel vraagt over de wijze waarop zijn schapen moeten worden vervoerd.

Nu gaan wij even de tempelruimte in. Opvallend is dat geen groot open vlak zich voor ons uitstrekt. Het zijn allemaal galerijen omgeven door ranke pi­laren. Aan het einde zien wij een aantal zware pilaren alsof hier een soort stenen scherm is neergezet waarin enkele openingen zijn. Als wij hier zo dadelijk zullen komen, dan zult u zien dat het gezelschap achterblijft en alleen de koopman met de priester meegaat. Dat is dan de ruimte waar het orakel wordt gegeven.

In deze ruimte rondschouwend zien wij een zetel, die tamelijk primitief is gemaakt maar toch wel mooi versierd. Als u goed kijkt, zult u zien dat er een goudbeslag op ligt en dat de zetel zelf van hout is. Wel valt op dat in de rugleuning parelmoer zit van grote schelpen en dat dit inderdaad mooi is geslepen. Het lijkt een beetje barbaars maar het is toch wel een wonderlijk mooi gezicht. Hier opzij hangen ook verschillende tapijten die zo te zien uit een soort wol bestaan en uit boombast. Het dessin van deze tapijten is betrekkelijk pri­mitief en schematisch. Als u goed kijkt, dan kunt u wel zien dat op dit tapijt bv. een mens is uitgebeeld die een demon in bedwang houdt. Dat is dat donkere ding daarboven. Maar wij mogen toch niet zeggen dat het een groot kunstwerk is, want er zit geen diepte in en de mens is wat stokkerig weergegeven. Maar het spreekt wel aan.

Dat andere tapijt aan de andere kant waar de vogels op staan, leeft veel meer. Het zijn grote vogels waarvan men zich kan voorstellen dat deze soms mensen komen halen voor de goden. Als u meer kijkt naar de vorm, dan ziet u hier een snavel met tanden. Deze vogels lijken op iets wat wij kennen, een soort supergrote reiger.

Maar goed, daar komt onze priester al binnen. Hij komt melden dat de koop­man er is. Wij moeten onze aandacht geven aan het medium. Daar ziet u twee jonge vrouwen die door sluiers zijn verhuld en verder ziet u nog een man met een wat donker uiterlijk. Hij doet denken aan een Polynesiër. Het is een kof­fiekleur, niet de rode tint van de anderen. Hij heeft donker haar en stekende ogen en draagt een lendengordel die met franje is versierd en ook uit een soort goud schijnt te bestaan. Het zijn allemaal ringetjes die erop zijn gezet. Deze man komt nu aanschrijden. Hij zal zo dadelijk in de zetel gaan zitten. De twee meisjes brengen op het ogenblik aarden bakken (deze zijn plat en niet helemaal regelmatig van vorm) met houtskool erin. Nu gaat dus de plechtigheid beginnen.

Het is een beetje eigenaardig voor ons, want wij zijn er niet aan gewend. Op het moment hoort u hoornstoten en dat betekent dat de koopman met de hem be­geleidende priester nu zal binnenkomen om zijn vraag zo dadelijk te stellen. Uit de bekkens stijgt walm op. Het is alsof een sterke geur door de galerij trekt. En toch, als u naar boven kijkt, ziet u de open hemel.

Nu komt er iemand die een hoopje aarde neerlegt. Daar wordt een luik weg­gehaald waaronder zich water bevindt. Even verderop is weer een holte met le­vend vuur, dus vlammen. Het zijn de elementen die worden samengebracht. Hier gebeurt dus een magische handeling. Ik zal proberen te vertalen wat er wordt gezegd.

De beide meisjes werpen hun kleed af en beginnen een soort ritmische gebarendans. Het doet iets denken aan de wijze waarop men ook in Bali danst. Er worden meer standen aangenomen dan bij een werkelijke dans gebruikelijk is.

Het medium is nu gaan zitten. Men gooit hem van achter een kleurige mantel om waarschijnlijk ook van wol. Hoort u daar de hoorns? Het klinkt een beetje barbaars, net alsof zij op schelpen blazen. Het zijn stoten en het gaat regelmatig. Nu klinkt aan de andere kant een gedreun dat van een primitieve trom afkomstig zou kunnen zijn en daartussen een gerinkel alsof iemand een aantal metalen voorwerpen door elkaar schudt.

De koopman wordt nu zo geplaatst dat hij precies op de grens staat tussen de brede en de ranke pilaren. Hij mag dus niet binnenkomen in de orakelruimte. De priesters staan naast hem. Er is er één priester die de betaling in ontvangst neemt en ook vragen zal stellen. Er wordt betaald met ringen. De koopman heeft om zijn pols een soort ring van metaal zitten en daarvan wordt nu een stuk gegeven. Een beetje “boter‑bij‑de‑vis-achtig” het past eigenlijk niet bij de plechtigheid.

Ondertussen gaan de priesteressen door met dansen. In de bekkens heeft men waarschijnlijk kruiden gedaan, want u ziet dat de rook hier steeds dikker wordt. Het is net alsof de achtergrond wegvaagt. U ziet namelijk tussen twee rookzuilen in de zetel met zijn glinsterend beslag. U ziet daar nog vaag de vlammen, het water ziet u haast niet meer en hier ligt de hoop aarde.

Let u nu op het gezicht van het medium. Dat gaat vertrekken. Het is net alsof de snijtanden langer worden en het lijkt een demonisch gezicht. U kunt dan ook wel aannemen dat hier niet wordt gewerkt met direct lichtende krach­ten. Nu fluistert de koopman iets en de priester komt naar voren. “Machtig, is Toewie de heerser. Wij erkennen uw almacht en buigen ons voor u”. Dat is de aanhef van de formule. “Wij, uw dienaren, smeken u: geef ons inzicht en uw wijsheid. Verhef uw stem en wendt u tot ons:” Het is nog steeds de inleidende formule.

Hé, nu begint er iets te werken. Nu moet u goed opletten. Het is net alsof de tong van het medium dik wordt en naar buiten komt. Het lijkt wel alsof die man een paarse vrucht in zijn mond heeft. En nu het orakel. Hij zal spreken. U kunt het duidelijk horen. “Ik … zal … spreken.” Maar daar achteraan komt: “maar … ik … vraag … mijn loon.” Met andere woorden, er moet een offer worden gebracht. Dat offer is een mensenoffer, want wij zijn hier in een periode dat in Atlantis de zwarte magie hoogtij viert. Goed, dat mensenoffer zal dadelijk worden gebracht. Hier wordt het beloofd en ons gaat het verder niet aan.

Nu de vraag. Het probleem mag gesteld worden. O, de koopman mag het zelf doen. Kijk maar, hij valt op zijn knieën. Hij strekt zich languit ‑ maar dan ook werkelijk helemaal languit ‑ hij ligt plat op de grond met zijn gezicht er tegenaan gedrukt. Kijk, nu stoot de priester, die naast hem geknield ligt, hem even aan. Hij moet het hoofd opheffen en spreken.

“Grootmachtige geest, ik zend mijn schepen uit voor rijkdommen en de rijkdommen zullen ook aan uw tempel toekomen. Ik vraag u om een gunstige wind,” (het zijn dus zeilschepen). “Ik vraag u harsen en ertsen”. “Waarheen moet ik mijn schepen zenden? Geef mij uw wijsheid”. Ja, hij spreekt hier weer een paar formules achteraan, maar wij weten nu waar het om gaat. Deze koopman wil weten hoe en wat. En nu krijgt u het meest eigenaardige. Dit is juist de reden waarom wij dit hebben uitgekozen.

Let op, de meisjes zijn hier in de rook weer aan het dansen gegaan. Er wordt een offer gebracht. Het bloed wordt op de aarde gegoten, een deel in het water en een deel in het vuur. En een van de priesters kijkt de ingewanden na. Het is waarschijnlijk om daar nog verdere voor­spellingen uit te lezen. Nu wordt de rest weggebracht en dan zal het orakel weer beginnen. Want, ja die stem, die … mond … die tong komt weer naar buiten. Het is haast niet te begrijpen hoe de stem komt. En toch die man kan geen buikspreker zijn. Zo’n diepe zware stem kan hij niet voortbrengen.

Het is net of het een beetje donkerder wordt, ziet u dat? De rook begint te wervelen. Het is nu net of de rook langzaam maar zeker als een soort gor­dijn voor de zetel van het medium schuift. Alleen de ogen zien wij er nog achter en dat verwrongen gezicht. Nu moet u opletten: wij kunnen dat niet werkelijk zien, want het is slechts vaag in de rook. Die rook beweegt wel maar meer zien wij niet. Maar kijkt u nu naar de koopman. Ziet u dat hij op één knie zich heeft opgericht. Hij zit vol aandacht te kijken. Als u daar op­zij kijkt, dat ziet u iemand in de aarde tekens zetten. Die zit daar op een plat­ gemaakte plaat van leem een schets te maken. Zij zien op het ogenblik het ver­loop van de reis.

De koopman schrikt. 0, er gebeurt zeker een ongeluk. Wij zullen even proberen om met zijn gedachten mee te gaan en het idee te krijgen van wat deze man beleeft. Hij heeft zijn schip zien uitvaren, hij ziet het enkele eilan­den passeren. Dan komt er een kust met een dicht woud. Het begint direct aan de kust, misschien zelfs in het water. En daar vaart het schip nu op af.

Plotseling is er een man over boord geslagen. Het schijnt iemand te zijn die de koopman nauw aan het hart ligt. Maar ik weet – dat weet u natuurlijk nog niet ‑ hij zal het niet aandurven om die mens thuis te houden, want het beeld heeft gezegd dat hij sterven moet. Zou hij niet sterven, dan laat hij hem in het water gooien. Want zo zegt de god het en zo moet het zijn.

Nu ziet hij dat schip verder varen. Ja, let op, hij begint erg verheugd te kijken. Hij ziet natuurlijk een goede lading en dat zijn schapen thuiskomen. 0, hij is heel erg enthousiast. Hij werpt zich weer languit heer en stamelt zijn dank. De priesters beginnen zeer monotoon iets te dreunen dat ook een dankgebed is. De machtige wordt hier bedankt voor al wat hij heeft volbracht en zij smeken dat hij bij hen zal zijn en dat alles naar waarheid verwezenlijkt zal worden.

De koopman is zo verheugd dat hij toont nog een ring bij zich te hebben. U dacht misschien dat hij maar één ring bij zich had. Maar nu slaat hij zijn mantel op en hij heeft nog een ring om zijn dijbeen ook. Die geeft hij aan de priester. Zo goed is het orakel geweest, zo blij is hij.

Hij wordt nu weggeleid tussen de twee zware pilaren door. Hij mag natuurlijk niet zien wat er verder gebeurt. Wij willen dat nog wel even aanschouwen.

Let u op, deze donkere man ligt op het ogenblik gewoon in zwijm. Het gezicht verandert weer heel langzaam, het krijgt weer dezelfde trekken terug van zo-even, de ogen worden dof en troebel. Als u goed kijkt, is het net alsof er staar in zit, of er een witte vlek op de pupil ligt. Nu komen de tempel­dienaren aan. Zij bewieroken hem en iemand begint hem met kruiden te masse­ren. 0, nu worden de rookbekkens weggebracht. Het vuur wordt ook weggedragen en daar gaat het luik dat het water afdekt, weer dicht. De voorstelling is zo’n beetje afgelopen.

Maar nu gaan wij ons afvragen. Wat heeft deze man werkelijk gedaan? Dan is het heel simpele antwoord, mijne vrienden, deze man heeft een demon, dat wil zeggen, een van de beelden, die door de mensen zijn opgebouwd van geesten die door andere krachten bezield worden, in zich laten doorkomen.

Hij is volkomen uitgeput.

Kijk, dat is ook weer eigenaardig. Hij wordt nu weer voorzien van een keten. Dat had hij zo-even niet. Het is een gouden keten. Men slaat die hier weer vast en steekt er een pen door. Het medium is een tempelslaaf, meer niet. En gelijk­tijdig de stem waardoor de goden spreken.

Als wij nu terugkijken naar deze tempel, dan zien wij hier een betrekkelijk log gebouw wat licht van kleur. Wij lopen even om (waar wij eigenlijk niet mogen zijn) en zien daarachter tuinen. Wij zien stallen… ja, dat dacht u. Deze stallen zijn de woonplaatsen van de slaven. Daar opzij, dat kleine gebouwtje dat er apart staat, dat is voor het medium. Dat wordt bijzonder be­waakt. Aan de andere kant ziet u deze grote open gaanderij? Daar leven de priesters.

En kijkt u nu een ogenblik uit. Dan ziet u beneden u al deze onregelmatige platte daken, sommige schijnbaar bedekt met stro of met gras en zoden, anders werkelijk voorzien van een stenen dak. Daarachter zien wij nog net de haven. Dat is hetgeen hier in Atlantis alles bepaalt: de haven.

De god spreekt en de mensen handelen. Als de mensen gehandeld hebben, blijft er niets meer over. De god vraagt veel zelfs het leven van de mensen. En toch, als de god zo dadelijk zal zeggen: “Vernietig dit alles”, dan zullen zij het vernietigen.

Dat is Atlantis, mijne vrienden. Atlantis dat in de ban is gekomen van een duistere angst. Dat weet dat het zijn eigen ondergang soms tegemoet gaat en al dankbaar is als het normale zwoegen wordt beloond, terwijl er niet eens ze­kerheid is. Zo demonisch kan een mens soms worden onder de invloed van de dingen die hij vreest.

Orakels spreken ook in deze dagen. Als de orakels spreken zoals dit in At­lantis is gebeurd, zult u dan ook offeren en luisteren? Of zult u uw eigen weg zoeken? Dat is een grote vraag.

Ik wil u nog een beeld tonen, het beeld van enkele maanden later. Daar zien wij weer mensen gaan. Zij dragen een kind. Dit kind is ziek, dit kind moet hier worden genezen. Weer dezelfde scène, weer het demonische gezicht. Dan gebaart dit medium … let u op, het is net alsof er zich een klauw uitstrekt … naar dit kind toe. De god vraagt het kind voor zich. En het kind is het zijne. Het wordt geofferd, zoals zo-even die andere werd geofferd. Het kind wordt niet genezen maar gedood.

Terwijl dit alles zich afspeelt in de steden, is er ergens ver weg in de bergen een stille plaats met een paar hutten. Daar leven mensen, die net als de eenvoudige slaven alleen maar een lendendoek dragen. Mensen, die er niet dik en welgedaan uitzien. Mensen, die samenzitten, gewoon maar in een kring. Mensen die denken. Die in deze kring geen stem horen en geen gezicht zien, maar weten wat er gebeurt in de steden. Mensen die de komende waarschuwing, reeds eerder hebben aangevoeld: “Gaat heen voordat de mensheid met de demonen tezamen vernietigen het werk dat Ik op deze wereld heb gesteld.” De vertaling is natuurlijk niet volledig, want hoe kan ik een beeld ver­talen dat in mijn gedachten leeft, terwijl ik mediteer. Maar zo werd het gezegd.

Toen later de demonen de oorlog hadden bevolen, toen de gehele stad niets meer was dan een puinhoop, terwijl de aarde sidderde, terwijl de angstkreten nog het enige gebed waren dat gesproken werd, toen waren deze mensen in de bergen de enige overlevenden. Zij hebben hun erfenis gelaten voor alle tijden. Niet in een wonderlijk geheim, maar in een esoterische gedachtegang die alle werelden samenvoegt en zo over alle eeuwen heen duidelijk maakt dat er een band bestaat tussen de mens en zijn God. Een band die geen orakels geeft, maar die de eenheid bevestigt door alle tijd en alle wereld.

Ik heb getracht u zo goed als in mijn vermogen lag een beeld te geven van iets, dat in Atlantis  gebeurde. De beschrijving is ontdaan ven enke­le elementen ‑ dat zeg ik er bij ‑ die voor u misschien zeer onplezierig zouden kunnen zijn. Ik hoop dat u vooral de conclusie die ik daaruit heb ge­trokken, niet zult vergeten.