Heer der wereld

 20 april 1955

Er wordt daar in esoterische kringen ontzettend veel over verteld. Men vertelt dan over de samenkomsten in de Wessacvallei etc. Maar wat men over het hoofd ziet is dit: De Heer der Wereld heeft wel degelijk een stoffelijke vertegenwoordiger. Dit is iemand, die veel langer leeft, dan voor u in doorsnee mogelijk is. Deze Heer der Wereld heeft archieven, die, waar zij op uw aarde bestaan, voor het grootste gedeelte althans, door ons zouden kunnen worden gepubliceerd; indien dit noodzakelijk was. In de hoop u niet teleur te stellen, heb ik mijzelf de vrijheid veroorloofd om daaruit enkele der meest interessante gegevens te putten, die ik dan zal trachten te vervlechten tot een samenhangend geheel. U moet er zich goed van bewust zijn, dat al hetgeen, dat ik u hier mededeel, in de loop der tijden door de mensen is beleefd en door de mensen word neergeschreven. Er is hier geen sprake van openbaringen uit de geest, of iets dergelijks. Velen dier werken zijn wel ongetwijfeld geïnspireerd. Hetzelfde wat men zegt over uw Bijbel en over zoveel andere Heilige Geschriften. Hun waarde zult u zelf moeten beoordelen. Ik begin met te citeren, wij zullen dan nog wel zien hoe ver wij gaan.

De zee spoelt over de oude steden. De glorie, die eens was, is vergaan. Waar eens de heren in pronk en heerlijkheid schreden, dansen nu de dwaas lachende slaven hun primitieve dansen. Maar ik zeg u, ik, die gedragen werd door de stormwind en de vloed, dat deze wereld andere tijden gekend heeft en andere tijden zal kennen. Hoe groots en wonderlijk waren de gebouwen, hoe wonderlijk schoon waren onze steden en tuinen. Hoe groot was de macht en de kennis, die heerste in de tempels en de heuvels. Eens zal dit alles herleven. Ik geef dit, mijn geschrift, aan Thebec, opdat hij het bewaren zal en verbergen, op dat de herinnering aan Antmoos niet verloren gaat.

Dit is de inleiding. Maar deze schrijver houdt er van om spijkers met koppen te slaan:

Men heeft ons gezegd, dat de wetten, die wij schonden, slechts wetten dezer aarde waren. Men heeft ons gezegd, dat de magiër machtiger was, dan de vaste materie, die in zichzelf dood en zonder bewustzijn schijnt. De stem der aarde heeft echter gesproken en wij hebben de kracht der Goden gevonden in de straf, die op onze daden volgde. Gezondigd werd door de elementen te misbruiken. De elementen hebben de plaatsen der ergernis van de aarde gebannen. Elk element leeft. Men zegt u: de aarde leeft niet, zij is dood en baart ten hoogste leven. Geloof hen niet, die u dit zeggen, want zij zijn dwazen. De aarde leeft; de rots leeft en wacht. 

Kent zij ook geen bewustzijn, zoals het dier en de mens, wie aan kan voelen, gevoelt hoe achter de kou de kille rots; een vreemd en verborgen brein onbegrijpelijke gedachten zendt en uit schijnt te maken, wanneer de stenen regen neer zal slaan, wanneer de rots zich zal laten bewerken, of zich versplinterend de bewerker zal doden. Men heeft gezegd: de mens is meester van het vuur. Maar het vuur heeft de mensheid verdelgd. Het vuur leeft. De geleerden en priesters hebben ons verteld, dat het alleen een verschijnsel is, dat vuur. Als het een verschijnsel is, hoe breekt het dan uit, uit de ingewanden der aarde? Het moet meer zijn dan dat wie het vuur beschouwt en daarin de vele vreemde vormen ziet, moet erkennen, dat dit huiselijk geweld een flauwe schim is, een spelende schaduw van de grote krachten, die in de kern der aarde schuilen. De wateren, die verzwolgen hebben, wat de aarde verwierp en het vuur spaarde, zij zijn de heersers van het leven dezer aarde. Zonder hen is er geen bestaan.

Het is heel aardig hier reeds te kunnen opmerken, hoe de oude indeling der elementen ook hier wordt gehandhaafd. Ik vraag dan ook uw bijzondere opmerkzaamheid voor de laatste zinsnede van het laatste citaat:

De lucht echter, de wind en de storm, zij zijn wel bondgenoot geweest; zoals de lucht altijd bondgenoot is der andere elementen. Het leven in de wind en de lucht kunnen wij niet vatten, of begrijpen. Kunnen wij de gedachten van de rots nog flauw aanvoelen, merken wij het kenbaar geweld, dat schuilt in het vuur en voelen wij de grommende strijdvaardigheid van het water. De lucht zegt ons niets. Zij is onze toekomst en ons element. Eens zal zij ons dragen, zoals thans de wateren de laatste overblijfselen van de grote schepen, die eens de trots waren van een rijk zonder gelijken.

Dit is, zoals u ongetwijfeld begrijpt, een geschrift, dat op een grote wereldbrand, waarschijnlijk op de grote ramp van Atlantis betrekking heeft. Ik zeg waarschijnlijk, omdat het werk niet nauwkeurig is te dateren. Maar waarschijnlijk is het een kopie, gemaakt nu ongeveer 2.000 jaar geleden van een werk, dat oneindig veel ouder moet zijn. Het was gegrift in metaal. De elementen, waar u elke dag mee heeft te maken, de aarde, die u draagt, de lucht, die u inademt, het water, dat het hoofdbestanddeel is van uw wezen en voeding, water, dat de vruchtbaarheid geeft aan de aarde en tot lastdier wordt om te vervoeren uw behoeften. Het vuur, zonder hetwelk uw maatschappij niet zou kunnen bestaan, zij zijn in de Oudheid tot de vijanden van de mens geworden. Dit, omdat de mens dacht meester te zijn van deze dingen.

Het vraagt van ons een beschouwing van de waarde, die deze elementen hebben voor alle bewustzijn in stoffelijke vorm en daarnaast ook, wat zij kunnen betekenen voor diegenen, die nog leven in de sferen, van waaruit de eerste incarnatie moet geschieden gaan, ofwel van hen, die leven in de sferen, waarin zij terug keerden uit het leven om te wachten op de volgende incarnatie, of het verder gaan langs de weg van het minder materiële, van de geest. Voor de mens moet het duidelijk zijn, dat, wat gezien wordt van de elementen slechts een uitingsvorm is van een wezen, dat in zichzelf onbekend blijft. Ook in de mens vindt een verbranding plaats.

Een chemische reactie, zoals men dat noemt. Daardoor alleen kunt u leven. Dat gebeurt overal. De aarde zelf brandt voortdurend. De wateren zelf branden, want steeds meer verbinden zich in hen elementen en ontstaat als resultaat daarvan warmte. Wij moeten dus niet alleen de elementen zien als verschijnselen rond ons, maar als bestanddelen van elk stoffelijk wezen. Dan moeten wij ons afvragen; Wat is voor de mens het belangrijkst?

Er is een tijd geweest, dat warmte betekende voor de mens de verheffing boven het dierlijk peil van de waterwereld. Voordien bestond het bewuste leven hoofdzakelijk uit wat gassen en zouten door een dunne huid afgescheiden van de wateren.

Nu bestaat de mens wederom grotendeels uit water, te midden van het vreemde element der lucht. Er schijnt een voortdurende wisselwerking te zijn, die vorm en bewustzijn bepaalt voor de mens. Wij behoeven niet te geloven in de machtige demon Vuur, in de machtige God der Lucht, of de wat joviale, maar driftige God van de Zee. Maar wij moeten wel geloven, dat die elementen voor de mens een noodzaak zijn in hun uitingsvorm. Wij moeten verder begrijpen, dat het menselijk bestaan door het samenvloeien van deze vier factoren mogelijk is. Er zijn er nog wel enkele meer, maar deze vier willen wij in overeenstemming met de oude geschriften dan speciaal noemen. Door deze factoren kan men leven. Zonder dit ware leven in deze vorm een onmogelijkheid. Dan is de mens een samenvloeien van deze elementen in een bepaalde verhouding. Naarmate de verhouding der elementen zal veranderen, zal ook het stoffelijke leven op aarde een verandering ondergaan. Zolang echter nog meerdere dezer elementen samen werken zal er van leven in enigerlei vorm sprake kunnen zijn. De geest kan zich niet vrij maken, zoals de stoffelijke vorm dit kan, van de gebondenheid aan een dier elementen.

Zeker, er zijn geesten, die leven in het vuur, of in het water, of in de aarde, of in de lucht. Sommigen noemen hen elementalen. Dat is lang niet altijd waar. De luchten en de wateren zijn verblijf voor vele aardgebondenen. In het vuur smacht menige hatende geest, wachtend op het moment, dat hij de wereld kan aanvallen. Dezen zijn geen deel der elementen. Maar wel zijn zij een bewustzijn, dat een deel der elementen tijdelijk kan richten op een bepaald doel. Zo zijn de elementen der aarde voor de geest een wereld, waarin zij kunnen leven. Een wereld, die geen volledige uitingsmogelijkheid biedt, omdat daar geen samenwerking mogelijk is. Ik hoop u hiermede tevens voorbereid te hebben op het tweede citaat uit dezelfde archieven. Het is van een heel andere geaardheid en strekking en zou eerder een wetenschappelijke verhandeling mogen heten, dan een geschiedschrijving of openbaring.

Waar twee dingen treffen, ontstaat een produkt. Dit produkt kan vele vormen aannemen, maar altijd weer zal een deel der geaardheid van beide originerende factoren beslissend zijn voor de geaardheid van het verschijnsel. De reacties, die wij verkrijgen, wanneer wij onze eigen wereld onderzoeken, hebben mij tot de overtuiging gebracht, dat al het zijnde een samentreffen is van verschillende krachten. Krachten, die in zichzelf onveranderlijk zijn, maar waarin de verhoudingen steeds kunnen wisselen.

Een heel aardig inzicht reeds in de kosmische werkelijkheid, vooral wanneer U zich herinnert, dat ook dit geschrift reeds ongeveer 6.000 jaar oud is. Het voorgaande nemende en van hieruit verder gaande, komen wij tot de conclusie, dat deze schrijver en denker er niet zo ver naast is geweest. wij gaan normalerwijze uit van de stelling, dat er maar twee krachten zijn: goed en kwaad, of ook wel Licht en Duister. Maar licht en duister komen ook weer tot uiting in een wereld. Het zou dus niet zo dwaas zijn om aan te nemen, dat er bepaalde, ook voor u kenbare krachten zijn, die in hun oer wezen vormend zijn voor deze wereld. Is dat het geval, dan heeft de schrijver zeker gelijk als hij filosofisch beweert, dat de aarde is geschapen door een spel, dat de Goden tezamen spelen. Ook dit werk is ongeveer 6.000 jaar oud.

Wanneer zij moe zijn, zal de aarde verblussen. De aarde is opgebouwd uit hun spel, hun lach en hun tranen, uit hun werk en hun vreugden. Wij, die leven in het door hen geschapene, zijn de slaven dier Goden, omdat onze wereld de hunne is. Maar ons wezen moet gelijk zijn aan het wezen dezer Goden, want wat kan ons ontsnappen, wat kan ons ontvlieden, dat het ons het ik ontneemt? Mijn zijn is een kracht, die niet uit de elementen is opgebouwd. Iets, dat misschien vorm, aanvaardbaarheid gewint door het spel der Goden. Maar het moet er geweest zijn voor die tijd. Dan zal het ook nadien bestaan. Indien de Goden mij niet kunnen vernietigen, hoe zal ik ze dan vrezen? 

Een zeer interessant betoog. Het is geen wonder, dat deze gedachtegang, hoe langer hoe verder ontwikkeld wordt. Ik haal in vervolg hierop, een paar werkjes aan, waarvan de juiste ouderdom ook weer niet te bepalen is. Zij zijn ettelijke malen gekopieerd, zij hebben een zekere belangrijkheid, ik zal mij in de citaten permitteren om namen weg te laten, of te vervangen door andere woorden. Een gaat hier n.l. om incantaties. De eerste is gericht tot de mens zelf. Haar vluchtig vertalende, klinkt zij als volgt:

O, mijn ziel, gij, die met sidderende vleugels rust op deze plaats, die wereld heet, verhef U en treedt uit. Ga in de naam – hier wordt een Goden naam in gevoegd – en breng mij de werkelijkheid van de uiterste einder. Toon mij de geest en de kracht, opdat mijn wezen verzadigd zij. 

Deze spreuk werd vaak gebruikt om een geest uit te zenden. Zij behoort nog tot het autosuggestieve deel der magie. Juist geïncanteerd krijgt zij, alleen reeds door de toon en de kracht, waarmee deze woorden gesproken worden, een betekenis, die zelfs in deze vertaling nog zacht door moet klinken. Iets verder gaat men reeds heel wat verder. De magiër begint eerst te verklaren en direct daarop aansluitend volgt dan weer een incantatie:

Ik ben onafhankelijk van de elementen. Ik besta en ik zal altijd bestaan. Maar de Goden en demonen, die rond mij zijn, zijn gebouwd uit elementen, zij hebben geen kracht, tenzij in het wezen, dat niet het hunne is. Zo ben ik machtiger dan zij, want ik heb kracht, ook wanneer ik mijzelf ben. Zal ik aarzelen hen te bevelen?

Er volgt dan in de bezwering eerst een reeks van acht namen.

Ik bezweer u in de naam van het offer, dat ik breng en het woord, dat ik spreek, ik bezweer u bij de slag van de trom en de klank van de fluit, opdat gij voor mij verschijne. Zo gij weigert, zal mijn wezen het uwe vernietigen, waar gij het mijne niet vernietigen kunt. In de strijd ben ik uw meerdere. In besef ben ik machtiger. In mij schuilt de macht, die gij niet kunt overwinnen. Zo zeg ik u….hier volgt dan de opdracht.

Deze bezwering is op zichzelf zeer interessant als voorbeeld van de gedachtegang der magie.

Maar boeiender zeker voor ons allen is een verschijnsel, dat het gebed al zeer nabij komt; het is een loflied. Ook dit lied heeft een bepaalde kracht en werd gebruikt in bepaalde tempels o.a. bij het inwijden van de leerlingen of novicen. Het is een gebed, waarvan wij eigenlijk niet goed kunnen zeggen, waar het tot gericht is. Het ene ogenblik spreekt het van de moeder, het andere ogenblik van licht, dan weer van kracht. Soms worden deze beelden zo tezamen gebruikt, dat wij aan zouden nemen, dat het beelden voor een bron zijn, het volgende deel van de incantatie brengt ons echter, vreemd genoeg, weer een scherpe scheiding tussen de waarde dier drie begrippen. Er moet dus schijnbaar ook daar een soort drie eenheid bestaan hebben. De vertaling is weer van mij en uit de aard der zaak niet geheel volledig.

Wees gezegend, gij licht, dat de aarde doorzeeft,

Gij, die onze ogen doet zien, wees gegroet,

Gij, die met het bloed uwer aderen de hemelen verft,

Wees gezegend, gij moeder aller dingen.

Gij, die voortbrengt in volheid en vreugde, weest gezegend,

Gij kracht, die ons allen beheerst,

Gij wezen, dat alles regeert,

Gij licht, voor u geef ik nederig mijn wezen als prijs.

Ik bied u mijzelf aan als een offer u waardiger,

Dan het offer, dat ik bracht.

Gij licht, dat mijne ogen doet zien, laat mijne ogen aan aanschouwen, dat, wat het uwe is.

En niet slechts, dat, wat het mijne is.

Gij moeder, die baart,

Gij, die mij gebaard hebt en de wereld baart,

Laat mij terug keren tot uw wezen,

Opdat in mij ontspruitte de vruchtbaarheid, die voortbrengt.

Gij kracht, die mij in stand houdt,

Kracht, die mijn adem en mijn leven en werkelijkheid betekent,

Neem mij op in u, opdat ik kracht moge zijn.

Daarmede gaat dan de incantatie over in een lied, waarin echter de zelfde elementen weer steeds op de voorgrond treden. Het is begrijpelijk, dat hier een bepaalde gedachtegang achter schuilt. Het is juist deze gedachtegang, die ook heden nog de Heer der Aarde in stand houdt. Zij is nog zo sterk dan, heden ongeveer 110 jaar geleden de toenmalige Heer der Aarde – sedert is er een andere gekomen – het volgende in een van zijn dagboeken deed indragen.

Ik heb een rode zee gezien. Zij verzwolg Azië en het vaste land der blanken. Zij beroerde de kusten van Amerika. Ik heb gezien, hoe het vuur Amerika verteerde, terwijl de rode vloed haar grenzen en kusten beëngde. Maar ik weet, dat er een teken is gesteld. Nu begint de strijd. Maar de strijd wordt beheerst door de grote krachten, die alles op aarde bepalen.

Ter verduidelijking en beter begrip: Hier wordt gedoeld op het equivalent als gezien in de voorgaande citaten.

Ik heb gezien, hoe de lucht perk stelde aan de rode vloed en haar terug joeg, totdat zij verdwenen was, daar van waar zij gekomen was. Ik heb gezien, hoe het water het vuur overwon. Ik heb gezien, hoe de aarde nieuwe en vreemde vormen droeg. Dat alles staat geschreven in het lot. Maar ik weet, dat deze krachten niet alleen de aarde beheersen. Ik heb mij gewend tot mijn Meester. Hij heeft mij gezegd; Dit zijn de stemmen der stof. Maar ik toon U de stemmen der geest. Er was nood en honger en ziekte. Maar daaruit werd geboren Broederschap, Vreugde en Licht. Zo weet ik, dat de moeder haar kinderen niet verwerpt en de kracht op bouwt het rijk, waarin eens de Vorst der Wereld, de Heer der Wereld de troon wederom zal bestijgen. En slechts drie geslachten is Hij van mij verwijderd.

Die drie geslachten moeten natuurlijk niet gezien worden als een zuivere aardse term. Met deze drie geslachten wordt gedoeld op de drie levens, die normalerwijze de Vorst der Wereld op aarde door kan maken. Hiermede wordt dus in het bijzonder geduid op een vroegere Heerser der Wereld, die dan als Vorst der Wereld naar voren zal treden. Die drie geslachten van mij verwijderd, kunnen wij in jaren waarschijnlijk dan uitdrukken als 200 á 300 jaar. Ik wijs u op deze aanduiding, opdat u dit niet als een profetie zonder meer neemt. Dat hebben de monniken van sommige kloosters wel gedaan. Maar ter zake. Dezelfde gedachtegang, die doorklinkt in alle oude wijsheid klinkt door in de woorden van deze Heer der Wereld. D.w.z. een ingewijde van een der hoogste graden, die nog met een zeer bijzondere taak op aarde vertoeft. Mij dunkt, dat de archieven hun recente waarde juist hierdoor nog kunnen bewijzen.

Zeker, de woorden zijn veranderd en de gedachtegang is verrijkt met vele nieuwe gedachten en begrippen, maar de kern der dingen is gelijk gebleven. Het zal u dus niet verwonderen, wanneer ik nu teruggrijp naar een van de meer beschrijvende werken, en hiermede het geheel af te ronden.

De zee heeft de rode aarde gevreten. Slag na slag heeft zij het land weggesleurd. Waar de bodem langzaam onder de wateren verzonk, leek het of vele fonteinen van vuur uit de zee omhoog barsten.

Die beschrijving is geen onzin. Wij mogen gerust aannemen, dat degene, die dit op schrift heeft gesteld, persoonlijk dergelijke verschijnselen heeft waargenomen, of ze althans uit de mond van degenen, die dit persoonlijk hebben doorgemaakt, heeft gehoord.

Een nieuwe aarde is geboren. De dood van een oude wereld heeft het zaad gelegd voor een nieuwe. Een mens kan sterven en een wereld kan sterven, maar het leven der werelden en der mensen kan nooit sterven. Dit weet men het is mij tot troost geworden. De schone tuinen, die verzonken, zullen herrijzen. Maar ik weet niet, waar. De mensen, die eens de aarde betraden, zullen wederom de aarde betreden. Maar ik weet niet, wanneer. Want men denkt, dat de wereld eindig is en dat de mens eindig is. Maar zij hernieuwen zichzelf steeds, zoals uit het vuur verjongd de draak opstijgt, die, zich verjongd hebbende, leeft, tot hij moet sterven voor de ogen der mensen, maar van zijn lijkenvuur opstaat, gelouterd door het vuur. Loutering is de weg der aarde. Loutering is de les der werkelijkheid. Zo laat mijn nederig mijn hoofd buigen, opdat ik gelouterd worde.

Hier houdt het manuscript op. Er is veel te zeggen voor deze gedachte. Want wanneer eenmaal de elementen op aarde verstild zijn, dan zijn er nog honderden en duizenden werelden, waarop dan leven zal zijn. Waar wederom de Goden, om de woorden van de filosoof te gebruiken, samen spelen en als resultaat van hun spel een mensheid geboren wordt. Maar daarin leven dan altijd weer de zielen, die geleefd hebben. Wie faalt op deze wereld, zal terug keren op deze wereld en wanneer deze wereld verbleekt, zal de ziel verder gaan en leven bij een andere wereld en een andere mensheid, altijd voort. Tot de ziel zich bevrijd en gelouterd heeft, een nieuw en ander zijn kan aanvaarden. Een dichter zong eens:

Wanneer ik sterf, heb ik mij een woning gebouwd op de sterren. Ik ken er het land en ik wacht en ben bang. Niet voor de dood, die kan ik wel temmen. Maar voor de tijd, die verstrijkt, want de tijd duurt zo lang. 

Ik kan met die dichter meevoelen. Menige ziel is nog niet vrij genoeg voor een zuiver geestelijke opgang door de sferen. Zij moet telkenmale terug keren in de stof, maar de aarde biedt haar niets meer. Wel aan, er zijn sterren, waar ronde planeten zweven met schoner mensen. Al zou gij ze misschien niet schoon noemen. Er zijn plaatsen, waar het spel der elementen wonderlijke vormen heeft geschapen. Vormen, die gij niet eens meer als leven zou erkennen. Die toch in het zuivere klinken der gedachten een beschaving vormen, zo groot, dat de Uwe daarbij het beginnend aarzelend leven is van een mosplant onder de kille poolzon. Al dit ligt klaar voor elke geest, die het bewustzijn der stof behoeft en toch de wereld reeds ontgroeide. Een Heer der Wereld is er niet alleen op de aarde, de kernkracht en het grote bewustzijn zijn overal. Overal speelt zich dezelfde, altijd weer voortdurende cirkelgang van opbouw en ondergang af. Overal wordt in strijd de loutering gevonden en overal worden zielen bevrijd, opdat zij, ontvloden aan de strijd, die schijnbaar tussen stof en geest nu eenmaal gevoerd moet worden, kunnen komen tot het besef van de grote liefdekracht, die de Eenheid vormt in alle dingen en alle dingen één maakt.

Mat deze klank wil ik dit betoog gaan beëindigen. Misschien, wanneer uw belangstelling daarvoor althans groot genoeg is, zullen wij ook eens op een van de normale avonden kunnen terugkeren met soortgelijke besprekingen. Er liggen schatten van weten en denken begraven, overal op uw wereld. Soms bedolven onder vulkaanas, soms geborgen in de levende rots, soms getekend op een rotswand in de eeuwige nacht, die heerst in de ingewanden der aarde.

Soms verzameld in vreemde bibliotheken, soms verborgen in de armoedige behuizingen van kluizenaars, of in de gewijde hallen der oude kloosters. Het denken, dat U tot mens, tot mensheid maakt, leeft op deze wereld al heel lang. Het zal nog menige eeuw verder kunnen gaan, voordat de mensheid, ontgroeit aan haar huidig stadium. Maar de gedachten uit een ver verleden dragen reeds in zich de profetie van een toekomst, die beter is. Van een geestelijk bewustzijn, dat dat van de stof overtreft en een harmonie, die ook vrij, bevrijdt van de stof, toch ook met sidderende vreugde verwachten.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Na het betoog van mijn voorganger voel ik er wel wat voor om een klein beetje moderner te worden. Dat moet u mij niet euvel duiden. Per slot van rekening zijn er in deze gedachten dingen, die eeuwig zijn. Zoals de Oudheid reeds de beloften van de toekomst droeg, zo spiegelt het heden het verleden en de toekomst tegelijk. In de beschouwing van heden kunnen wij ongetwijfeld evenveel leren over stof en geest, als wij kunnen leren uit de Oudheid. Alleen de Oudheid geeft het eerbiedwaardige van een lang verleden, terwijl de toekomst nog altijd de schemerig gouden droomgloed heeft van iets, dat voor u geen werkelijkheid is. Het heden daarentegen kan alleen maar koud en nuchter zijn. De wereld streeft naar het materialisme.

Dat mogen wij de wereld niet kwalijk nemen, want die wereld zoekt ook naar een weg om voor zichzelf het geluk te vinden. Maar op het ogenblik doet zij dat op een tamelijk dwaze manier. Zij denken n.l. dat bezit werkelijk iets betekent. Maar dat is maar dwaasheid. Bezit betekent niets, gebruik betekent alles. Zij denkt, dat alle normen van het stoffelijke en het materiële kunnen worden toegepast voor elke sfeer en wereld van hoog tot laag. Ook dwaas. Hoe is zij daartoe gekomen? Wel, de waarden van de geest zijn zo langzamerhand zo verward, dat de dichterlijke uiting, de werkelijkheid, de fantasie en de geest drijverij door elkaar beginnen te lopen. Wij zouden kunnen zeggen, dat de mensen met hun geestelijke bewustwording zwaar zijn geschift, waardoor de mensheid desgelijks werd. Er was geen houvast meer. Het Capitool in Rome was een soort hotel voor vreemde Goden. Wie er zin in had, kon er Isis gaan bezoeken, dan kon hij er Wodan en Thor vinden of Jupiter. Waarom ook niet. Dionysius en Bacchus waren er al evenzeer aanwezig als alle anderen. Alle bekende Goden waren er bij. Of het nu een phoenisische God was, of een Indische, elke God was welkom. Maar wat moet je met zoveel Goden doen? Toen kwam het christendom. Het christendom, dat een bepaalde richtlijn probeerde te geven en al die Goden met één slag verbrijzelde. Dat konden de mensen natuurlijk niet zo zonder meer accepteren. Vandaar dat de Goden op het ogenblik een stralenkransje dragen en zich Sinte zus of zo noemen, zoals uw Sinterklaas. Er is een tijd geweest, dat Thor, de Dondergod, voor de Germanen ook Sinterklaas speelde. Toen werden er geschenken aan de kinderen gegeven als een herinnering aan het feit, dat deze goede God eens zijn bokken heeft geslacht om een arm gezin te eten te geven en vervolgens de beenderen weer in de huid wierp, waarop hij al spoedig weer met zijn herschapen bokken verder draafde. Op een dergelijke wijze was Sinterklaas al lang geboren, voordat er ergens een Bisschop van Madrid of Myra in Spanje was en al lang voor dat Nederland de muzikale waarde van de “Appeltjes van Oranje”, had ontdekt. In die oude tijden heetten die machten: Goden. Tegenwoordig hebben zij andere vorm, maar zij bestaan nog net zo goed. Vroeger kende men de magie. Tegenwoordig heet het bijgeloof. Het getal 13 brengt geluk of ongeluk.

En denkt u er vooral om, een gemest varken ontmoeten is geluk, maar onder een ladder doorlopen betekent ongeluk. Een zwarte kat op je pad, betekent dat je terug moet keren.

Twee keer het krassen van een raaf aan de linkerkant betekent, dat je vooruit kunt gaan. Twee keer aan de rechterkant daarentegen, dat je een ongeluk zal overkomen, wanneer je niet heel erg voorzichtig bent. Zelfs heeft de moderne techniek het offer aan de wateren in stand weten te houden. Degene; die vroeger het water over ging offerde een goudstuk.

Tegenwoordig offert men een in vele gevallen kostbare maaltijd. Het blijft altijd weer gelijk.

Wij zien een beetje ander aspect naar voren komen, wat normaler en natuurlijker. De voorname Goden zijn vandaag aan de dag een soort van papieren Goden geworden. Het gaat er niet meer om, dat die en die daar en daar leeft en dat en dat doet, het gaat er meer om, wat hij heeft geschreven en wat staat ervan op het papier. Wat zijn de wetsartikelen, die wij eruit kunnen halen? Hoe kunnen wij het menselijk leven er me regelen? Wat dat betreft is Karel Marx net zo’n grote God als Churchill. Zij hebben allebei hun ideeën ruimschoots op papier gezet. Het zal zelfs wel zover komen, dat de duivel van het ogenblik. Hitler, zijn Mein Kampf tot en waarlijk esoterisch werk der materialisten verheven zal kunnen zien. Dat zijn nu eenmaal zo de dingen van deze dag. Deze wereld heeft getracht de materie zover te beheersen, dat de materie tot absolute meester van de mens is gemaakt, zoals vroeger het bijgeloof de Goden tot meesters over de mensen maakte. Zo heerst vandaag aan de dag de materie. Je kunt niets verkrijgen, of je moet het Goddelijke papiertje hebben, waarop staat; waarde zo en zoveel, of Bank betaalt aan toonder. U kunt geen enkele daad meer stellen, of u moet het magisch beschermformulier hebben, waarop staat: Diploma. Uitgereikt de zo en zoveelste. U kunt zich niet meer permitteren zelf te denken en te handelen, want er is een ander, die voor denkt. Art. zo en zoveel van het Wetboek van etc. etc. Langzaam maar zeker heeft al dit materiele gedoe de mensheid in een zo nauw keurslijf gedrongen, dat zij uiteindelijk over atoombommen denkt om het te verbreken. Een zeer materialistische opvatting overigens, die in sommige gevallen bv. een Eisenhower op gelijke hoogte zou kunnen stellen met een Alexander. Alexander, die hakte de Gordiaanse knoop door en wie weet, zal onze goeie Ike de atoombom nog eens doorhakken. Het zou in ieder geval een zegen zijn voor de wereld, wanneer dat gebeurde. Iets, wat niet wegneemt, dat er tot het einde van 1956 nog wel een 100 experimentele explosies te wachten zijn, hoor. U zult begrijpen, dat al die dingen bij elkaar iets moeten betekenen. Hoe kan het zijn, dat dit heden gegroeid is? Wel, het verleden heeft zich meer bezig gehouden met droombeelden dan met de werkelijkheid. Het heeft symbolen langzaam aan zo verstoffelijkt, dat het niet meer in staat was te begrijpen, waarvan deze beelden een symbool waren. Men dacht, dat de Steen der Wijzen een edelsteen was en dat het Levenselixer ergens in een bron te vinden was van een geheimzinnig gebergte.

Men dacht, dat de duivel stoffelijk in de kroeg kwam om met je te dobbelen en dat je, wanneer je een zieltje wilde verkopen, alleen maar naar de naaste wegkruising te gaan had en daar meteen Satan zich te zien materialiseren, gelijk met de rijkste beloning. Het is begrijpelijk, dat een verwarren van werkelijkheidswaarden en dromen op de duur de mens irreëel tot en met moest maken. Hij moest vluchten voor zijn eigen denkbeelden, voor al datgene, wat hij met zijn eigen gedachten geschapen had. De enige weg, die hem open was gebleven, was de vlucht in de rede. Er is een tijd geweest, dat in Frankrijk de Godin van de Rede regeerde en de goede God zelf vakantie had. Die dagen zijn voorbij, tegenwoordig moet God weer overuren maken. Maar Hij mag het alleen doen onder de supervisie van de rede. Bijgeloof en de z.g. rede zijn de wapenen, waarmee de wereld van het heden het meeste schermt. Zij heeft die te danken aan het verleden. Hoe meer zij echter tracht om de God, die zij zich nog droomt als in de oude tijden en het beeld van de rede, dat zij zich ontwikkeld heeft om aan die God en de consequenties van Zijn Goddelijke Wil te ontvluchten gezamenlijk tracht te verwerken, hoe meer zij een strijdigheid in zichzelf naar voren brengt. Er zijn maar twee mogelijkheden.

Ofwel zij gaat te gronde aan deze strijd tussen het ik en de begrippen, die zij zichzelf heeft geschapen, ofwel ook een mogelijkheid, die zeker niet uitgesloten is; zij zal materiële zowel als erkende geloofswaarden, gaan verwerpen. Wanneer ik dan de facetten van de toekomst ga bekijken, dan vind ik daarin zelfs een plaatsje voor onze Orde. Ik vind er in een plaats voor alle nieuwe pogingen tot geestelijke bewustwording. Dat deze niet in overeenstemming zijn met wat de wereld nog op het ogenblik denkt, is begrijpelijk. Er zal geen plaats meer zijn in de wereld voor een groep, die een geloof dicteert. Er zal ook geen plaats meer zijn in de wereld voor een groep, die met financiële belangen werkt. Dit zijn de grote vijanden, die de mensheid op het ogenblik steeds verder naar de waanzin drijven. Degenen, die het verstand behouden en niet ondergaan, zullen dus in de eerste plaats deze dingen moeten verwerpen. Dan blijft de vraag, hoe groot het doel van de mensheid zal zijn, dat wij voor de waanzin kunnen behoeden.

Het criterium hiervoor is betrekkelijk simpel. Naarmate de mens minder gaat hechten aan bezit, meer leeft in de normale stoffelijke vreugden van deze dag en gelijktijdig zijn streng gevormd, gedogmatiseerd geloof plaats doet maken voor het innerlijk aanvaarden van een God, onverschillig welke of hoe, dan is die mens klaar om uitverkoren of gered te worden. Dat is nu o.a. het werk van de Orde. Het werk, dat bouwen wil in geestelijke zin, maar gelijktijdig breken wil in de fout en der stof. Het kan niet een dragen zijn van een organisatie. De vorm, zover die al bestaat moet die betrekkelijk los blijven. Wij moeten vooral niet proberen om de bandjes te strak aan te halen. Want dan zouden wij ook weer dogmatisch worden. Dan zouden wij in de plaats van goed, kwaad doen. Wij moeten de mensheid leren – ik spreek nog maar even over die rede – door om vooral aan zichzelf te werken. Om van een ander praktisch alles te tolereren, wat voor het eigen ik niet vernietigend is en zelfs dit te begrijpen, wanneer wij er ons ook te en zullen moeten verdedigen. Het begrip en aanvoelen van de wereld is van een heel groot belang. Op het moment, dat twee mensen elkaar aan kunnen voelen en begrijpen, zullen zij ook in staat zijn om elkaar te helpen, elkaar aan te vullen en gezamenlijk tekenen tot daden, die verre boven het vermogen van de eenling ligt.

Dit laatste is een bewezen feit. Stelt u zich voor, dat de mensheid dit langzaam maar zeker gaat bereiken. Dat meer en meer mensen elkaar gaan aanvoelen en het als plicht en taak voelen om elkaar bij te staan. Dan kan die hele wereld in puin liggen, dan bouwen de huizen zich als van zelf op, wanneer dat nodig is. Wanneer er geen voedsel meer is op het land, dan zal men het desnoods uit de lucht maken, maar het komt er. Er zal dan geen materiele nood meer bestaan, zoals die op het ogenblik in nog zo vele gebieden bestaat. Gelijktijdig echter zal de geestelijke band tussen de mensen een uitwisseling van gedachten, een vrije uitwisseling van eerlijke gedachten komen, zonder dat men tot een te direct verwerpen komt. Zo zal de gedachtegang, die bij de mens leeft, en hiermede ook zijn geestelijk bewustzijn en leven, meer en meer de vorm krijgen van een synthese van het beste denken der mensheid. Niet dogmatisch door een ieder op zijn eigen wijze geïnterpreteerd. Maar desalniettemin zeer waardevol. Een veel belovend beeld.

De reden, waarom wij de verdraagzaamheid prediken is o.a., dat wij hopen de mensen zo ver te kunnen krijgen, dat zij het begrip voor de medemensen krijgen. Om verdraagzaam te kunnen zijn, moet je n.l. veel begrijpen. Om veel te begrijpen, moet je veel over de dingen na denken. Om veel over de dingen na te kunnen denken, moet je veel weten en zien. Hoe meer je weet, ziet en begrijpt, hoe meer je ook een reële houding tegenover de wereld in kunt nemen, zonder jezelf of iemand anders daarbij te kort te doen. Men zal, gedragen door de liefde voor de gemeenschap, meer en meer kunnen presteren, juist daar waar het nodig is. Maar dan zal het zeker niet meer komen, om een voorbeeld te geven tot het organiseren van ijdele liefdadigheden. Liefdadigheid gaat in de toekomst de wereld uit. Evenzeer als de sociale zorgen. Deze dingen zijn dan niet meer nodig. De mensen begrijpen elkaar en elkaars noden.

En wanneer je de nood van een ander begrijpt en volledig kunt doorvoelen, dan is het ook voor jou een lijden, tot je de nood hebt op geheven. Men zou kunnen zeggen: de wereld van dit ogenblik leeft in zijn vlegeljaren. Wij zijn in het verleden gegaan door de sprookjesperiode van de vroegere kindsheid. Eerst zelfs misschien nog door een tijd van primitieve belangstelling van het zuiver materiele, zo van: Boom een knots, sla het beest dood en eet.

Wanneer een steentje je in die tijd liet struikelen, dan zijn het niet de voeten, die je niet ver genoeg hebt opgelicht, of je ogen, die je niet hebt gebruikt, maar dan is het een geest of een God die in dat steentje schuilt en je doet vallen. Een demon, waar je een offer aan moet brengen. Later het bluffen en fantaseren, dat de jeugd zo eigen is. Waarbij zij zichzelf in grootheidswaan steeds meer weer voorpraat, dat er niets beters bestaat dan juist de jeugd. In de stijl van: Nu ben ik een beroemd vliegenier. Er bestaat geen betere vliegenier dan ik en ik zal je wel laten zien, dat ik een beroemd vliegenier ben. Of: de wereld is een pannenkoek. Al zeg je honderdmaal, dat zij rond is, ik weet het beter. Het is een pannenkoek. Hoepel op met je stellingen en anders sla ik je op je gezicht.

Dan de tijd van het te hulp roepen van Goden: Als je mij nu blijft pesten, dan zal ik moeder er bij halen. Ik zal God vragen om het onrecht te verdelgen, Heer, zegen onze wapens. Scheelt niet veel, hé? Kinderjaren. Op het ogenblik de mensheid, die reeds onbewust de wondere mogelijkheden aanvoelt van een vol bewust contact tussen geest en stof. Een wereld, die zover begint te komen, dat zij stoffelijk de geest kan gaan benaderen. Omgekeerd ook geestelijk zover gekomen is, dat zij de stof geestelijk kan gaan begrijpen en beheersen in haar werkelijke aspecten. Dat laatste vooral is een ontzagwekkend iets. Dat kan zij nog niet ineens aan. Wat zien wij verder in de vlegeljaren? Would be geestigheden. Strijdlust. Koppigheid. Onverstand. Eigenwaan. Ik geloof, dat daarvan op de wereld meer dan voldoende te vinden is.

Maar wat is het einde van deze periode? De mooiste tijd van het leven. De tijd, dat je zelfstandig wordt. Dat je desnoods jezelf een bruid of een bruidegom neemt. De tijd, dat de wereld voor je open ligt, dat je je tanden in de problemen zet en werkelijk wat gaat presteren.

De wereld heeft op het ogenblik alweer lange tijd gevlegeld. Al zijn de vlegels de wereld nog niet uit, het is toch aan te nemen, dat zij langzaam, zullen moeten gaan verdwijnen. De wereld bevindt zich dichtbij het stadium van het jeugdig enthousiasme, maar gelijk ook in een periode van neerslachtigheid, omdat zij nog niet geaccepteerd kan worden door de volwassenen. Ik geloof, dat de toekomst noodzakelijkerwijze een verdere ontwikkeling moet gaan brengen. Ik geloof ondanks alles niet, dat de mensheid dezer aarde een demonisch of criminele inslag heeft. De mensheid zal opgroeien en volwassen worden. Wanneer zij dat is, zijn wij klaar met ons werk. Wij verwachten geen wereld, waarin een ieder overloopt van siroopzoete naastenliefde. Wij verwachten geen wereld, waarin een ieder knipmessend staat te buigen tegen ieder ander, maar wij verwachten wel een wereld, waarin niemand een ander zal laten lijden, wanneer hij er ook maar iets aan kan doen. Een wereld, waarin men de naaste gaat zien als iets dat gelijkwaardig is aan het eigen ik. Zo kun je zelfs in het heden komen tot heel wijze citaten. Nu wil ik er u maar een geven. Aangezien het van een van uw tijdgenoten is, kunt u nog gaan uitzoeken, van wie het is ook, als u wilt:

Hoe meer wij de raadselen der natuur ontsluieren, hoe groter het wonder van het zijn voor ons wordt. Juist door de wonderen te ontleden en te bewijzen, dat zij deel zijn van wetten, begrijpen wij, dat het wonder een werkelijkheid is. In ons ongeloof leren wij geloven, doordat wij daarnaast waarden vinden, die, zich kenbaar maken en zich toch aan ons begrip onttrekken. 

Dat is de geest van de moderne tijd.