Helderziendheid

image_pdf

1 november 1963

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden: Helderziendheid.

Hetgeen men helderziendheid pleegt te noemen, is in zeer vele gevallen beter te omschrijven als visuele hallucinatie. D.w.z. een beeld, dat niet werkelijk bestaat, maar vanuit eigen persoonlijkheid geprojecteerd wordt als deel van de bestaande werkelijkheid of super geponeerd wordt op de werkelijkheid.

Neem mij deze imposante woorden niet kwalijk. Ik zal zo dadelijk duidelijker worden. Wij moeten afgaan op het verschijnsel “mens” om het verschijnsel helderziendheid te kunnen begrijpen en enigszins te beseffen, welke reële waarden dit kan bezitten.

Daarom wil ik allereerst stellen, dat de doorsnee mens in het leven auditief bepaald is – dus op zijn gehoor afgaat bij overdracht van bepaalde begripswaarden – maar daarnaast visueel gedomineerd is. Dit betekent dan weer, dat hij een aanwezigheid voor zich nimmer zo reëel aan de hand van gehoorprikkels pleegt te beseffen, als aan de hand van visuele prikkels mogelijk is. In het laatste geval is zijn binding met de ervaring intenser en werkelijker voor hem. Voor de normale mens vallen dan ook de hoofdwaarden van het bewuste beleven in twee delen uiteen: Vooreerst het horen, dat hoofdzakelijk een overdracht van of een vormen van begrippen inhoudt.

Dit gaat zover, dat de normale mens zijn gedachten in klanken voor zich realiseert: Al denkende spreekt hij in wezen zonder geluid tot zichzelf. Daarnaast treedt dan als gelijkwaardig op: Het waarnemen met de ogen, waardoor een eigen waardering voor en zelf eigen relatie tot de omgeving op een in wezen meer instinctieve wijze bepaald pleegt te worden. En dit geldt heus niet alleen voor de jongelui. Overigens kan voor deze laatsten wel worden gezegd dat zij instinctief worden aangetrokken door het aardige figuurtje, dat zij zien, maar in afwijking van het voorgaande dan later door het lieve stemmetje worden gedomineerd. Men kan wel zeggen, dat binnen het gezin de vrouw altijd het meest volledige stemrecht pleegt te bezitten.

Wanneer de mens dus contact krijgt met andere werelden, of zelfs maar met andere personen op mentaal vlak, zullen dan ook deze twee zintuiglijke werkingen hierbij een rol spelen. Men zal iets “horen”, wanneer het een redelijke mededeling betreft, maar zal iets “zien” wanneer geen redelijke boodschap wordt gegeven of beseft, maar wel een erkennen van aanwezigheid moet worden uitgedrukt.

Daarmede hebben wij de helderziendheid aardig omschreven en tevens duidelijk gemaakt, dat de helderziendheid bij de meeste mensen bewust of onbewust wordt ondersteund door een vorm van helderhorendheid. De helderhorendheid zal dan ook bij velen worden teruggebracht tot een “begrijpen” van het beeld, waar het bewustzijn nu eenmaal wordt gedomineerd door het visuele aspect van de aanwezigheid.

Men kan dus iets “zien”, zonder dat in het geziene een boodschap gelegen is, of zelfs maar wordt bedoeld. Maar men zal niets kunnen zien en als boodschap kunnen begrijpen zonder dat naast de visuele erkenning nog een andere invloed werkzaam is.

In principe is elke mens enigszins helderziend. Wat niet wil zeggen, dat iedereen gelijkelijk helderziend is of zelfs maar, dat de wijze, waarop deze erkenningsmogelijkheid gebruikt wordt, altijd in hetzelfde vlak zal moeten liggen.

Wanneer wij bv. te maken krijgen met psychometrie, horen wij de psychometrist vaak zeggen: Ik zie. Toch weten wij, dat er van een werkelijk zien in feite geen sprake is. Hij of zij spreekt van zien, omdat er geen sprake is van een redelijke mededeling, die het ik bereikt, maar van een waarneming, waaraan men zelf een redelijke uitleg tracht te geven. Psychometrie is in wezen dus meestal een soort geïnduceerde helderziendheid.

Bij het zien in tijd – in de toekomst of het verleden – blijkt het redelijk element in de waarneming weg te vallen. Wij zien iets en interpreteren het. Omdat het beeld echter nimmer volledig is, zal een poging om concrete conclusies te trekken, gevaarlijk zijn en tot misleiding kunnen voeren.

Hebben wij te maken met helderziendheid in ruimte, dan kan een waarneming goed geschieden, zodra het waarden en dingen betreft, die men kent. Indien echter geen gelijkheid van waarden in handeling en begrip aanwezig is tussen waarnemer en het waargenomene, dreigt misinterpretatie opnieuw alle waarden van het waarnemen teniet te doen.

Een eenvoudig voorbeeld: Een kannibaal, die nog nooit van een operatie heeft gehoord, ziet “in ruimte” helderziend opeens een operatietafel. De helderziende liefhebber van mensenbout zegt nu tot zijn vrienden: Ik heb gezien, dat in het noorden fabrieken bestaan, waar men de mensen voor het eten geheel steriel fileert. Ik hoop met dit kleine beeld duidelijk te hebben gemaakt, dat de juistheid van interpretatie bij alle helderziendheid sterk afhankelijk is van de gelijkheid van waarden in de waarnemer en het waargenomene. Hier rijst dus een van de eerste gevaren, die bij helderziendheid optreden: In vele gevallen zal vooral de niet getrainde helderziende, die dus niet beheerst, maar incidenteel waarneemt, trachten de beelden niet aan de hand van hun eigen waarden te begrijpen en te interpreteren, maar trachten de waargenomen beelden te waarderen volgens – en in te passen in – zijn hedendaagse werkelijkheid, zoals die persoonlijk gekend en beleefd wordt.

Nu zal een feitelijke voorstelling, bv. een beeld van een geliefde, die op een afstand vertoeft, nog wel redelijk juiste reacties wekken, al zal de eerste gedachte wel zijn: Is hij ziek of is hij dood? Zodra echter symbolen worden waargenomen, zal men geneigd zijn deze geheel of gedeeltelijk weg te verklaren dan wel, het tegenovergestelde, het symbool voor alle waarden al bepalend te stellen.

Voorbeeld: Men ziet een lichtend kruis. Reactie: Men meent opeens een religieuze roeping te gevoelen in bepaalde richting, of men meent opeens ten koste van alles dit kruis over alle dingen te moeten doen zegevieren met alle middelen. Toch kan het kruis een eenvoudig symbool van bereikte bewustwording of ontvangen krachten betekenen, zonder dat genoemde betekenissen er ook maar een enkel ogenblik ingelegd werden, en interpreteert ook de symbolen zelden aan de hand van de betekenis, die zij wezenlijk bezitten en krachtens bijkomstigheden kennelijk uit moeten drukken, maar beperkt zich steeds weer tot de waarde, die men zelf aan “het symbool” wil toekennen.

Zoals ik reeds opmerkte, bezit elke mens een zekere mate van helderziendheid. Dit betekent, dat elke mens eveneens in zekere mate de gave van helderhorendheid bezitten zal. Wanneer u harmonisch bent met een bepaalde mens, zo kunnen visuele impressies van anderen, maar ook de door anderen op u gerichte gedachten u bereiken. Is deze inwerking sterk genoeg, om u bij waakbewustzijn te bereiken, dan zult u de ervaring waarschijnlijk helderziendheid noemen.

Bereikt het u echter, terwijl u ontspannen en even met gesloten ogen rust, dan noemt u het resultaat waarschijnlijk een droom. Wanneer iemand denkt, die met u harmonisch is, dan kan die gedachte u ook hij vol bewustzijn uwerzijds bereiken. U zult deze gedachte bij een meer bewust waarnemen “horen” als een stem. Helderhorendheid dus. In ontspannen toestand echter verwaast de werkelijkheid zozeer, dat er zich een dialoog, een tweegesprek, kan ontwikkelen, u zult dan stellen, dat u in droom of in gedachten met de ander hebt gesproken.

Er is nog een derde mogelijkheid: U hoort de gedachten van de ander wel, maar niet bewust. Men zet de ontvangen gedachten om in een daad en beschouwt het geheel als “intuïtie”. Een bekend voorbeeld hiervan is wel de huisvrouw, die nooit zeker weet, wanneer haar echtgenoot thuis zal komen, maar zet haast altijd haar aardappels op, op een ogenblik, waardoor zij net goed zijn, wanneer manlief binnen komt. De verklaring is eenvoudig: de vrouw vraagt zich af, wanneer de man thuis zal komen. Zij is dus hierop gericht. Zij ontvangt zo de gedachten en gevoelsimpulsen van de man, wanneer deze aan naar huis gaan denkt. Zij weet niet, dat zij dit hoort maar reageert: Nu zal hij wel dadelijk thuiskomen. Ik zal dus de aardappels vast maar op gaan zetten. Hierdoor brengt zij de voor haar belangrijke impuls over in de voor haar belangrijke daad, zonder zich het geheel als buitengewoon te realiseren.

Slechts weinigen maken geheel bewust gebruik van de door ons vandaag besproken paranormale begaafdheid. Toch behoren de helderziendheid en helderhorendheid, door mij beschreven, wel degelijk tot uw persoonlijkheid, zij vormen a.h.w. een extra zintuig, dat echter door de meesten zelden of niet bewust gebruikt wordt. Op het ogenblik, dat u in staat bent, dit zintuig in te schakelen volgens eigen wil en bewustzijn, zult u ontdekken, dat er lang niet altijd iets waar te nemen of te horen is. Wij nemen hier maar weer een der eenvoudigste aspecten: Het “delen” van een droom. U stelt zich in op een bepaalde persoon. Deze geeft eenvoudig geen antwoord, is niet te zien of te horen, is eenvoudig niet aanwezig. Op andere ogenblikken echter kan men onmiddellijk met de ander contact krijgen. Er is kennelijk een dubbele werking nodig om helderziendheid en alle daarmede verwante werkingen – horen, vormen van telepathie enz. – tot uiting te doen komen. Allereerst is natuurlijk de ontvangstmogelijkheid en daarbij passende instelling nood- zakelijk voor degene, die waarneemt. Maar daarnaast is instelling en het uitzenden van kracht noodzakelijk vanuit degene, die het beeld of de impressie origineert. Een gebruik van deze mogelijkheden vergt dus een zekere concentratie.

Wanneer u uw mogelijkheden en capaciteiten zou willen gebruiken om anderen te bereiken en de ander is in staat de indrukken op de vangen, zal bv. een zuiver contact moeilijk mogelijk zijn, tenzij men langzaam, maar scherp geformuleerd denkt, zich werkelijk bewust is van hetgeen men ziet, of zich bewust, en gedetailleerd een voorstelling schept. Juist door de traagheid en intensiteit van de uitgezonden impulsen is een juiste ontvangst en een juist begrip ervan mogelijk geworden. Alle vage, snelle, of verwarde impulsen voeren echter tot misverstanden, onjuiste en fragmentarische overbrenging enz.

Men heeft het bewijs geleverd, dat, ofschoon de ontvangers zich van de overdracht niet bewust waren, een overdragen van scherp gevormde gedachten mogelijk was tussen een onderwijzer en jonge kinderen. Bij zogenaamde telepathische kaartproeven, o.m. door Rhine gedaan, bleek het mogelijk telepathisch beelden over te brengen. Normaal deed men dit door de kinderen uit een reeks kaarten te laten kiezen, welke kaart de juf voor zich had. Het bleek echter ook mogelijk, kinderen en sommige gevoelige volwassenen een schets te laten maken, waarop de grond- vormen – dus niet de uitvoering – gelijk waren aan de beelden, die de “zender” voor zich had. Dit gold niet alleen voor eenvoudige symboolkaarten, maar zelfs voor meer complexe voorstellingen, opgebouwd uit eenvoudige grondvormen, mogelijk te zijn. Er is hier sprake van een overdracht van beeld. Dit is in wezen, maar niet in ervaring, dus gelijkwaardig aan de verschijnselen, die men helderziendheid pleegt te noemen.

Nu zijn er in het al onnoemelijk veel personen, die geen stoffelijk lichaam bezitten of meer bezitten. Vandaag is het Allerzielen. Men beseft dan weer eens, hoevelen heengingen, en vergeet daarbij dan nog allen, die reeds 100 of meer jaren van de wereld heen gingen. Maar ook dezen kunnen misschien nog contacten met de aarde hebben. Al deze entiteiten bezitten de mogelijkheid om een gedachte uit te zenden. Dit is deel van hun toestand. Voor iedereen geldt dat, zodra een zeker bewustzijn is bereikt, gedachtebeelden kunnen worden uitgezonden. Voor de geest geldt daarbij verder, dat het gehele wezen in de projectie op zal gaan, iets wat voor de stofmens moeilijk is en zeker dus minder snel het geval zal zijn.

Wij kunnen hieruit concluderen, dat een geest – iemand uit de sferen – dus een scherper en juister omschreven gedachten sterker kan projecteren dan de mensen, zeker veel beter dan niet geschoolde mensen. Degenen, die hiervoor gevoelig zijn, nemen dus deze uitgezonden gedachten waar. Het beeld, dat zij zien, is nooit een feitelijk beeld. Het is altijd een projectie, een soort spiegelbeeld, dat niet noodzakelijkerwijze aan een bestaande werkelijkheid hoeft te beantwoorden. Wanneer dit beeld vanuit een sfeer wordt uitgezonden, zal het over het algemeen geen elementen bevatten, die de waarnemer geheel niet kent, maar zal vaak samenstellingen bevatten, die voor de waarnemer tenminste ongewoon zijn. Want het is en blijft een visuele hallucinatie, zij het dan, dat deze van buiten het Ik door een scherp gerichte of zeer sterke gedachte werd gewekt.

Voorbeeld van de wijze van ontvangst: Een vrouw wordt door een helderziende beschreven met een zeer bijzondere beugeltas. Het motiefje op de tas wordt gezien als een papegaai. In de projectie was geen sprake van een papegaai, maar van een groene specht. Het begrip komt over als “groene vogel” maar is niet gedetailleerd genoeg. Vandaar de foute vertaling. Ook de beugel zelf van de tas wordt nauwkeurig beschreven. Maar ook hier blijkt de beschrijving niet geheel te beantwoorden aan de door zender bedoelde werkelijkheid: het beschrevene is n.l. een samenstelling uit beugels, die de waarnemer eens heeft gezien, waarvan hij platen zag, beschrijvingen hoorde enz. De stof, waarvan de tas is gemaakt, wordt wel benaderd, maar niet juist weergegeven. Stel dat het gegeven begrip was: oud handgeweven linnen, dan zijn vertalingen mogelijk als: Katoen, bombazijn of zelfs zeildoek. Op deze wijze ontstaan vertekeningen. Deze komen voort uit het eigen bewustzijn en zelfs de eigen denkwijze en zienswijze van de waarnemer. Het gezondene kan altijd worden beschouwd als een gedachte-projectie, ongeacht het feit of een werkelijk beeld, een beeld van vroeger of een fantasiebeeld, wordt gezonden.

Laat ons nog even wat aandacht wijden aan de praktijk: Op een avond als deze zijn in honderden zaaltjes in Nederland groepen mensen bijeen. In haast al die zaaltjes staat vanavond iemand waar te nemen. U kent misschien de procedure wel. Bij u daar zie ik een oudere dame. Wit haar, kanten fichu, waarop een gesneden steen, een camee naar ik meen. Jurk lang met veel plooien; zij draagt, naar ik meen, hoge rijglaarzen en toont nu een familiebijbel. En bij u daar, ja, u, zie ik een jonge man staan van ongeveer twintig jaar. Hij is gekleed in een soort blauwe blazer, het lijkt mij de mode toe van rond 1928. Hij wil u een bloem geven enz. Dat is natuurlijk allemaal heel mooi. Wat meer is: Deze waarnemingen zijn heel vaak volgens hen, die de beschrijvingen horen, juist. De vraag is alleen maar, of nu iets wordt beschreven, dat vanuit de geest kenbaar wordt gemaakt, of beschrijft men vaak eerder iets, wat ter plaatse aanwezigen projecteren?

Wanneer u intens aan een bepaalde voorstelling, persoon, figuur denkt en geheel uw wezen op een mogelijk contact daarmede gespannen is, is de kans zeer groot, dat men zelf het beeld, dat beschreven wordt, voortbrengt. Wanneer emoties een rol spelen, is het zelfs mogelijk, dat men daarmede een werkelijk uit de geest stammend beeld, dat op gelijke wijze duidelijk gemaakt zou worden, eenvoudig verdrijft of overweldigt. Van dergelijke waarnemingen en masse, waarbij sentimenten een zeer grote rol spelen, mag dan ook wel worden gezegd, dat ten hoogste 1/10 van het waargenomene werkelijk uit de geest stamt, terwijl 9/10 ofwel een directe gedachteprojectie van de aanwezigen is, of een mengsel van gedachteprojectie van aanwezigen plus enkele – meestal zwakke – geestelijke impulsen.

Het is goed hierbij even stil te staan: Helderziendheid en helderhorendheid zijn een vorm van gedachte-overdracht. Het waarnemen van astrale vormen is geen zuivere helderziendheid, maar eenvoudig een meer dan normaal ontwikkeld stoffelijk waarnemingsvermogen dat onder bepaalde omstandigheden als aanwezigheid van infrarood licht of afwezigheid van ultraviolet, de lijnen en omtrekken ziet van vage gestalten.

De grondslagen van helderziendheid manen dus wel tot een grote voorzichtigheid aan bij het waarderen van de waarnemingen. In sterkere mate geldt dit voor helderhorendheid. Een woord, dat niet werd begrepen of verstaan wordt, vooral wanneer men belang hecht aan de boodschap, die al snel door het eigen bewustzijn aangevuld of vervangen wordt door binnen het ik levende begrippen, die op de ontvangen impulsen misschien wel wat zouden kunnen lijken. In alle gevallen mag worden gezegd: Gezien de grote invloed, die de gedachte, ook de menselijke gedachte, heeft op alle waarnemingen, plus de moeilijkheden die bij interpretatie kunnen ontstaan, zal men er goed aan doen niet zonder meer en onmiddellijk uit te gaan van de algehele juistheid van waarneming of boodschap, tenzij deze meerdere malen en zonder dat eigen bewust zijn of verlangen er mee gemoeid zijn, kenbaar worden.

Men vraagt wel wat moet ik doen om helderziende te worden? Het antwoord zal dan luiden:  U dient zich in de eerste plaats te realiseren, dat helderziendheid niet het waarnemen van een werkelijk zichtbaar iets in pleegt te houden. Het is het ervaren van iets, waarbij de vaststelling van de waarneming wordt gelegd in het vlak van de visuele waarneming. Vooral bij een gewoon begin van helderziende realisaties zal men dan ook menen beelden terzijde van de ogen, aan de grens van het blikveld dus, te zien. Elke poging om direct naar het waargenomene te kijken vernietigt het beeld. Dit resultaat van een met de ogen goed willen zien van de ontvangen impressie is in het kader van het voorgaande nu wel duidelijk. Om helderder waar te kunnen nemen, zou men eerder de ogen moeten sluiten en zich geheel moeten ontspannen. Op het ogenblik, dat men intens geboeid met eigen ogen tracht te zien, geeft men sterke visuele impulsen aan zenuwstelsel en denkvermogen, die de suggestieve, maar zwakkere gedachte-invloeden overstemmen en het beeld dus doen verdwijnen.

Wanneer men te maken heeft met auditieve effecten – helderhorendheid – geldt ongeveer hetzelfde. Vooral in het begin uit zich de ontvangen impuls als een soort gefluister. Men voelt vaak aan, dat het niet slechts een ruisen, maar wel degelijk een zinrijke mededeling moet zijn. Op het ogenblik echter, dat men zich concentreert om beter te horen en zo de boodschap beter te kunnen volgen, valt het verschijnsel weg of – nog erger – neemt eigen denken over. Ook hier geldt alweer: Wanneer de nadruk op de oren komt te liggen en men luistert, worden alle geluiden zo veel sterker en duidelijker ontvangen, dat de oorspronkelijke indruk daardoor eenvoudig wordt weggevaagd. Tracht men de onduidelijke elementen aan te vullen uit eigen begrip, dan neemt eigen denken en vaak ook eigen fantasie over, zonder dat men dit meestal beseft. Maar zelfs al begrijpt men dit wel, zo komt men met deze wijze van luisteren niet verder.

Helderhorendheid ontwikkelen betekent, dat men, wanneer men meent iets waar te nemen, in ontspannen toestand zonder pogingen tot luisteren of zelfs maar begrijpen, eenvoudig leert af te wachten. De misschien wat onsamenhangende woorden, die men misschien meent te horen, kan men eventueel later neerschrijven. Vaak blijkt dan, dat na drie of vier zittingen uit de verschillen- de ontvangen woorden en aangeduide hiaten een aanvullen mogelijk wordt, zodat een complete boodschap is ontstaan. Een zich zo goed mogelijk ontspannen is noodzakelijk voor een zo juist mogelijk waarnemen.

Dan de vraag: Hoe kan men ons iets vanuit de sferen laten zien? Het antwoord luidt: Vanuit elke sfeer, waarin een bewustzijn omtrent uw wereld bestaat, is het mogelijk een vorm of voorstelling te projecteren, die voor uw wereld aanvaardbaar is. Dit geldt zowel voor de duistere als voor de Lichtende werelden. Zolang men een gestalte alleen maar helderziend waarneemt – of desnoods de geest grijpt naar een astrale vormgeving en zo een wezen in een meer stoffelijk kenbare vorm voor een ogenblik doet bestaan – zijn wij er toch nimmer zeker van, dat de waargenomen vorm ook het wezen der originerende krachten uitdrukt. Als de duvel er zin in heeft zich als een engel voor te stellen en hij slaagt er in een beeld van een engel te projecteren met een uitsluiten van zijn eigen persoonlijke eigenschappen en vorm, ziet u een engel. Ook al is achter deze vorm dus de duivel verborgen.

Omgekeerd geldt, dat, zo u een kracht uit het hoogste iets benadert, maar u dit vreest als demonisch, deze kracht voor u een demonische gestalte aan zal nemen. Ga daarom nimmer op het verschijnsel als zodanig af. Wanneer u vormen beschrijft, ga na, in hoeverre dit juist is. Laat u niet afleiden door kleine verschillen, wanneer meerderen gezamenlijk waarnemen. Wanneer 4 à 5 helderzienden gezamenlijk dezelfde gestalte waarnemen en deze beschrijven, zonder elkanders beschrijving eerst te hebben kunnen horen, mag u wel aannemen, dat er een gedachtebeeld aanwezig was van deze vorm. Meer echter niet.

Symbolen. Vooral bij helderziendheid is overdracht van symbolen nogal sterk. Ga zelf na: hoe vaak hoort men niet: ik heb een licht gezien, ik zag een kruis, een lichtende bol, een acht enz.

Onthoudt nu als waarnemer steeds, dat een symbool uw reactie betekent op iets, wat u niet feitelijk kunt herkennen, dan wel niet wilt herkennen. Wanneer de man, waarvan u aanneemt, dat hij in het diepst van de hel rusten moet, u verschijnt als een lichtende gestalte om u een boodschap te geven en de ware Lichtende kracht duidelijk is, zult u niet de man, maar een lichtende bol zien: u kunt niet aanvaarden, dat deze mens een Lichtdrager zou zijn. De boodschap wordt dan niet een persoonlijke uitdrukking, maar is vol symboliek en bestaat misschien zelfs uit een reeks symbolen, die u niet kunt – wilt – begrijpen. Iedereen in een sfeer of wereld, die zijn denkvermogen weet te beheersen en te richten, kan helderzienden en helderhorenden bereiken en verschijnselen van deze aard bij allen, die maar even sensitief zijn, wekken. Maar hij kan hen dus niet dwingen deze beelden zonder meer juist te ontvangen, de boodschappen juist te verstaan en te aanvaarden. Iedereen interpreteert steeds het ontvangene volgens eigen instelling.

De werking op zich is betrekkelijk eenvoudig: Op het, ogenblik dat ik een bepaalde zenuwcel kan bereiken en daarop een impuls enten, die in het lichaam zelf dus niet bestaat, zal het lichaam daarop reageren, alsof deze impuls wel geheel lichamelijk zou zijn en binnen eigen wereld en werkelijkheid zou bestaan. Ook het omgekeerde is mogelijk. Wij vinden een voorbeeld hiervan bij hypnose: De hypnotiseur is in staat de normale gevoelswerkingen en reacties bij een patiënt te onderbreken, zodat deze zich normaal gevoelt en geen pijn kent, ofschoon tijdens de hypnose bv. een blindedarm of iets dergelijks operatief verwijderd kan worden. Ergens wordt eenvoudig het betreffende zenuwkanaal onderbroken. Dat het juiste kanaal onderbroken wordt, zal door de onbewuste kennis van eigen lichaam bevorderd worden. In een geval als het genoemde, zullen vaak 5 à 600 zenuwverbindingen gelijktijdig onderbroken worden – het gehele aantal zenuw- kanalen bedraagt meer dan 100.000. Daar, waar de onderbreking plaats vond, kan men een gedachte enten – zij het een van buitenaf komende impuls dan bv. een gewoonte reflex uit eigen lichaam – die dan als werkelijkheid door het lichaam zal worden aanvaard en zelfs sturend zal zijn voor eventuele motorische reflexen.

Doet men iets dergelijks vanuit de sferen – zo bv. visuele hallucinaties wekkende – zo doet men dit bij voorkeur niet ergens in het zenuwstelsel, maar in de directe verbindingswegen van de hersenen. Daarin immers vinden wij centrale punten, waarin visuele, auditieve herinneringen enz. zijn vastgelegd. Door het geven van impulsen aan een dergelijk deel van de hersenen kan men een selectie van alle herinneringen binnen dit punt uit de hersenen verkrijgen. Er ontstaat meestal een composiet – samengesteld beeld, verschillende herinneringen combinerende – dat zoveel mogelijk overeenstemming zal tonen met de gegeven impuls, zonder daarmede geheel identiek te zijn. Het geheel zal door de mens gerealiseerd worden als gedachte, als visueel beeld, als gehoorprikkel. Men kan de invloed, zoals wij reeds opmerkten, zelfs ondergaan als een droomtoestand.

Hoe test ik deze dingen? Wanneer het een uitwisseling op aarde betreft, is het antwoord eenvoudig genoeg: Neem vastgestelde regels en punten, maak afspraken, controleer beloften en neem dezen bijzonder onder de loep. U maakt bv. in een droom een afspraak voor op vijf uur. Vijf minuten voor of na dit uur is volledig aanvaardbaar. Maar komt uw vriend eerst om zes uur, dan is de test negatief te beschouwen, zelfs indien er omstandigheden kunnen zijn, die de vertraging misschien rechtvaardigen. Alleen wanneer de ander uit eigen beweging opmerkt, dat hij eigenlijk om vijf uur aanwezig had willen zijn, kan nog van een twijfelachtige bevestiging en juistheid worden gesproken. Verder dient men rekening te houden met waarschijnlijkheid: wanneer u afspreekt, dat uw meisje een rood truitje zal dragen – langs deze weg dus – dan kan een dragen van een rood truitje alleen bewijskracht hebben, wanneer zij dit niet gewoonlijk doet. Het bewijs is pas geheel positief, wanneer zij tot op dat ogenblik nooit een rood truitje gedragen heeft. Bij meer materiële contacten kan men dus de juistheid wel controleren en een onderscheid maken tussen fantasie en werkelijke verbindingen. Bij een contact met een geest wordt, dit moeilijker: Je kunt moeilijk verwachten, dat een geest zich voor allen kenbaar zal tonen of manifesteren op een afgesproken plaats en tijd. Maar wanneer je alleen zelf de geest zou waarnemen, is er geen bewijs geleverd, omdat het geheel zelfsuggestie kan zijn.

Daarom stellen wij dit: Elke impuls uit de geest, die belangrijk is voor die geest, zal bij herhaling worden gegeven. Een eenmalig ontvangen beeld, een eenmalig ontvangen boodschap is niet voldoende betrouwbaar, om daar onmiddellijk op af te gaan. Eerst na 3-malige herhaling zullen wij aannemen, dat van een werkelijk belangrijk contact, een reëel contact met de geest sprake kan zijn. Als geheel aanvaardbaar zullen wij dergelijke boodschappen echter wel beschouwen, wanneer gedane voorspellingen enz. waar worden, zonder dat het onszelf mogelijk was dit vanuit onszelf te voorzien of tot stand te brengen. Een zekere voorzichtigheid en controle is dus ook bij contacten met de geest wel degelijk noodzakelijk.

Maar misschien meent u, dat dit alles van weinig belang is. U meent, dat het alleen voor u van belang is, wanneer u deze gaven zelf kunt ontwikkelen. Dan zult u u moeten oefenen om op de omschreven wijze ontspannen enz., eventuele verschijnselen te ondergaan. Zelfs dan zult u uit moeten gaan van het standpunt, dat u niet in de eerste plaats contact zoekt met de geest, maar u alleen in het ontvangen van gedachte-impulsen wilt oefenen, ongeacht hun waarde en oorsprong. Leer echter gelijktijdig u af te sluiten voor dergelijke invloeden op elk gewenst ogenblik.

Stel zo mogelijk vaste perioden van ontspanning en bereidheid tot ontvangst. Wanneer u stelt: Vandaag zal ik van acht uur tot kwart voor negen trachten waar te nemen, stel dan niet, dat u werkelijk iets moet zien of zult zien, maar volsta met een zo volledig mogelijk ontspannen gedurende deze periode na het uitschakelen van alle storingen van buitenaf. Indien een verschijnsel optreedt en uw wekker zegt, dat de gestelde tijd voorbij is, dient u zo sterk mogelijk de gedachte uit te zenden: Het spijt mij, maar mijn tijd is om. Een volgende maal zal ik dan en dan, van zo laat tot zo laat, mij weer openstellen. Verbreek daarna alle verbindingen zelfs in het meest belangrijke contact. Alleen door van het begin af zelf uw regels en wetten te stellen aan u zelf en daarvan niet af te wijken, zult u kunnen komen tot een werkelijk beheersen van de kwaliteiten die u bezit en ontwikkelt. Alleen dan zult u werkelijk nut hebben van uw bereiking.

Ten opzichte wat u aan de hand van helderziende ervaringen of mededeling omtrent dergelijke ervaringen door anderen verneemt – wat dus ook geldt voor helderhorendheid enz. – dient men er steeds vanuit te gaan, dat de feiten ergens misschien wel een schijn van juistheid kunnen bevatten, maar dat een controleren ervan, aan de hand van gegevens die werden verstrekt, noodzakelijk is. Bent u van de redelijke betrouwbaarheid van de mededeling overtuigd, zo dient men na te gaan, op welke wijze daarvan een redelijk gebruik kan worden gemaakt op dit ogenblik, in onder de nu heersende omstandigheden. Wanneer u innerlijk het geheel eens bent met mededeling en raadgevingen, blijft zelfs dan nog de mogelijkheid bestaan, dat eigen onderbewustzijn of gedachte-projectie deel hebben daarin. Toch wil ik u in dit geval aanraden, op de impuls in te gaan, wanneer dit redelijk mogelijk is. Onderbewust weet u n.l. meer omtrent uw mogelijkheden en noodzaken, dan in bewuste toestand denkbaar is.

Ten laatste de vraag, of de geest ook “helderziende” is en u kan waarnemen en verstaan. In de praktijk bent u gemakkelijker voor de geest waarneembaar dan de geest dit voor u is. De geest kan haar milieu geheel uitsluiten. Zij bestaat dan in een ledig niet en kan, door haar concentratie, een zeer juist beeld krijgen van hetgeen op aarde geschiedt. Daarbij kan zij vele dingen waarnemen op een wijze, die u haast ongelofelijk voor zal komen. Zij kan uw courant lezen, wanneer u leest. Zij kan de radio horen, wanneer u de radio hoort enz. Zij neemt echter niet onmiddellijk waar, tenzij door haar daarvoor een afzonderlijk voertuig werd gemaakt.

Via uw eigen gedachte-uitstraling, waarmede zij zich harmonisch heeft gemaakt, kan zij al het voor u waarneembare a.h.w. door uw ogen waarnemen. Zij kan dus ook in haast alles, wat er op aarde geschiedt, u raad geven. Deze raad komt echter niet voort uit een soort alwetendheid of zelfs onfeilbaarheid, evenmin als onze lezingen. Toch heeft de geest bij haar raadgevingen een voordeel, dat u niet in die mate bezit: Zij kan geheel afstand nemen van het probleem. De raadgevingen, die u ontvangt, de stimulansen, die u uit de geest ervaart, moeten dan ook wel degelijk ernstig worden opgenomen en t.m. gelijkwaardig worden geacht aan uw eigen oordeel en inschatten van een situatie. Alle handelen aan de hand van dergelijke inwerkingen uit de geest dient men echter steeds te bezien vanuit eigen mogelijkheden, gevoel voor verantwoordelijkheid, inzichten. Slechts indien meermalen door bewijzen duidelijk wordt gemaakt, dat de inwerking uit de geest oprecht en zuiver is, mag u afgaan op beloften en verzekeringen, die men u langs deze weg geeft. Wanneer een ander tot u spreekt, zal uw eigen gedachtespel steeds mede van invloed zijn op hetgeen hij of zij u zeggen zal. Alleen hierom reeds is het goed, nimmer geheel af te gaan op de gegevens, die u langs deze weg verstrekt worden.

Ten laatste: velen zullen, wanneer zij zich bezig houden met hogere gedachten, dingen waar kunnen nemen als lichten enz., die verder geen betekenis hebben. Beschouw dit dus nimmer als een bewijs van uitverkoren zijn, maar ten hoogste als een bewijs, dat u op een bepaald ogenblik met een bepaalde sfeer een zekere harmonie bereikt hebt. Wanneer u een bepaald licht, een lichtende gestalte enz. belangrijk en fraai vindt, vraag u dan eerst eens af, onder welke omstandigheden deze werd waargenomen. Probeer deze stemming weer te wekken, deze situatie opnieuw te beleven. Indien dezelfde verschijnselen of gestalten weer geheel op dezelfde wijze optreden, is dit onderbewustzijn. Indien echter zo nu en dan soortgelijke verschijnselen optreden, daarbij steeds weer enigszins andere waarden tonende, is er echter met zeer grote waarschijnlijkheid inderdaad sprake van een contact met een andere wereld of sfeer. Schenk echter niet teveel aandacht aan deze dingen. Zij het dan, dat zij zich aan u opdringen dan wel een direct deel uit zijn gaan maken van uw innerlijk beleven en ontwikkeling. Leef uw leven als mens. Besef dat de levende geest van hen die op aarde dood heten, in vele gevallen zal willen en kunnen helpen op aarde, maar alleen wanneer zij een normaal deel van uw leven is geworden en niet iets heiligs, uitzonderlijks, bijzonders blijft, en de mogelijkheid tot werkelijke raad en hulp werkelijk nuttig en werkzaam gegeven zal kunnen worden. Realiseer u, dat alle waarnemingen op gebied van helderziendheid, helderhorendheid enz. uw eigen leven niet teniet doen en uw eigen waarden niet waarlijk kunnen veranderen, terwijl ook geschapen oorzaak en gevolgwerkingen daardoor niet werkelijk beïnvloed kunnen worden.

Ten laatste geef ik u nog de volgende raad:

Wat u ook ziet of hoort, wees nooit bang. Vrees nooit datgene wat u helderziend of helderhorend waarneemt. Laat u zelfs niet tot een afschuw of afkeer ervan bewegen: Dit houdt erkenning in. Stel tegenover alle onaanvaardbare waarden uit de geest zonder meer uw geloof in het Licht en in de Lichtende Krachten – ook wanneer de gestalten zelf aangenaam en Lichtend is, zal een zich aanbevelen aan de krachten des Lichts nimmer overbodig zijn. Wanneer uw eigen denken op deze wijze een harmonie met de geest wekt, zal hieruit slechts goeds voortkomen. Indien men echter bevreesd is of begerig is naar een bijzondere openbaring, zal men hierdoor zowel eigen onderbewustzijn als andere – niet zo prettige krachten – inschakelen, zodat niet van een werkelijk en blijvend goed resultaat van het contact gesproken zal kunnen worden.

Bedenk dat op dagen als deze, waar geheel de wereld zich bezighoudt met de overgeganen en dit voornamelijk in een bepaalde zin doet, een sfeer van gedachten over de wereld trekt, waardoor openbaringen voor de geest weliswaar eenvoudiger worden, maar ook de menselijke gedachten sneller en feller vorm aan zullen nemen, zodat de onbetrouwbaarheid groter is dan normaal.

Bedenk dat een contact, dat u met de levenden in de geest hebt, steeds een contact is, dat vanuit de geest bepaald zal worden, zolang deze geest bewust en Lichtend is. Besef, dat u niet de kennis en middelen bezit, om de omstandigheden van een sfeer te kennen of zelfs  Beschouw uzelf dus steeds als de aanvaardende partij, tenzij wezens op uw eigen wereld deel uitmaken van het contact. Dit erkennende is het echter goed, tijdens contact en waarneming met de geest, zonder zelf initiatieven te nemen, toch een gelijkwaardigheid als basis van het contact te nemen, zelfs wanneer u meent, dat deze niet bestaat. Alleen in de uitwisseling van auditieve en visuele impulsen tussen mens en geest kan op deze wijze een werkelijk contact ontstaan, waardoor de nu gevoelde scheidingen – die aanleiding zijn tot zoveel bloemen en kaarslicht – niet meer als scheiding worden ervaren, maar een vrij contact tussen geest en mens blijvend mogelijk maken.

Vragen.

  • Hoe kan men uit zijn dromen de elementen van helderziendheid herkennen? Hoe kan men die helderziendheid bevorderen?

In het begin is het zeer moeilijk dit te doen. U kunt echter uitgaan van het volgende: Alle helderziendheid – dit geldt tevens voor helderhorendheid e.d. – is gebaseerd op harmonie en dus afhankelijk van een wederkerig juiste instelling. Wanneer u in uw dromen elementen ontmoet, waarvan u meent, dat zij helderziende waarden bevatten, moet u zich eerst eens afvragen, met welke instelling en gedachten u bent gaan slapen. Tracht een volgende maal een zelfde instelling te bereiken en soortgelijke gedachten voor het inslapen te kennen. Zie of deze waarde in de droom nu weer optreden. Door dit meerdere malen te doen wint men de mogelijkheid, zich op bepaalde waarden in de droom in te stellen. Daarmede is nog geen bewijs geleverd voor de zuiver geestelijke waarden.

Nu speelt men in dergelijke dromen zelf ook een zekere rol. Ongeacht de visuele dan wel meer auditieve waarde van de droom zal men dan ook wel een vraag kunnen stellen, waarvan het antwoord in de stof controleerbaar is, zonder dat dit antwoord u reeds bekend is. Neem u voor dit te doen. U zult nu zien, als u inderdaad dergelijke vragen gaat stellen, en de gegeven antwoorden inderdaad steeds redelijk juist blijken te zijn, zo kan worden gesteld dat een juiste instelling is gevonden, een werkelijk contact met een sfeer tot stand kwam. Ofschoon dit alles niet zo eenvoudig is, zal het toch wel de eenvoudigste weg blijken om een controleerbaar contact met de sferen in de droom tot werkelijkheid te leren maken. Tevens zult u op deze wijze kunnen leren contacten op te nemen, in de droom zowel als in andere vormen, met geesten in verschillende sferen en mensen op aarde. Voor het verdere verwijs ik u naar hetgeen reeds omtrent passiviteit, ontspanning dus, en een zich openstellen, werd gezegd.

  • Zijn ongeloof, beredenering en twijfel een beletsel voor de ontwikkeling van occulte gaven in de mens?

In ieder geval een belemmering. De besefte occulte gave is voor ontwikkeling en gebruik afhankelijk van en innerlijke gesteldheid.

Al wat wij beredeneren, uitleggen of niet kunnen geloven, hangt samen met redelijke processen, die echter lang niet altijd met het werkelijke innerlijk wezen overeenstemmen. Daarom is het mogelijk om, ondanks de gestelde waarden, toch een contact met de geest, een waarneming, of openbaring te verkrijgen. Maar elke mens die uitgaat van het standpunt, dat het occulte verschijnsel in de eerste plaats gecontroleerd, ontleed moet worden, maar weigert het eerst zonder kritiek of het stellen van enige voorwaarde te ondergaan, zal ontdekken, dat de verschijnselen verre blijven, of niet aan de verwachtingen beantwoorden en dus verworpen worden.

Overigens is dit begrijpelijk: Hoe kan men een onbekende gast ontvangen, wanneer men voor controle eerst de deur afsluit en om storingen te voorkomen vervolgens de bel afzet? Dit geldt voor de geest, maar evenzeer voor bv. het gebruik van telepathische mogelijkheden.

Wij mogen stellen, dat passiviteit van de mens en aanvaarding van alle mogelijkheden zonder enig voorbehoud na het doel gesteld te hebben, de meest juiste houding is om elk occult verschijnsel mogelijk te maken, waarin men zelf niet de originerende rol zal spelen. Wie zelf deel wil hebben aan het werk, zelf occulte werkingen tot stand wil brengen, zal uit moeten gaan van de juistheid van de daarvoor gestelde voorwaarden en waarden – geloof dus – en zonder voorbehoud moeten geloven in de redelijkheid van hetgeen hij volbrengt, zelfs, indien dit strijdig is met zijn eigen rede. Alleen dan zal men resultaat kunnen boeken. Ontleding nadien is natuurlijk mogelijk, aanvaardbaar en nuttig, ofschoon men hier wel voorzichtig moet zijn, niet teveel te willen beredeneren en zo eigen geloof te ontwaarden.

  • T.a.v. het door u gestelde omtrent het stellen van een vaste tijd en het afbreken van zelfs een belangrijke mededeling, wanneer de gestelde tijd voorbij is: Is dat niet onbeleefd? Stoort dat niet ergens?

Wanneer een geneesheer een spreekuur heeft, wanneer u open huis geeft op een bepaalde dag en bepaalde uren, is het zeer onbeleefd van anderen op andere uren te komen of langer te blijven, tenzij in hoogste noodzaak. Wat betreft het blijven: dit natuurlijk alleen, indien u hen niet expressievelijk uitnodigt tot een langer verblijf. Wanneer u zich openstelt voor dergelijke contacten en dezen ontstaan inderdaad, dan kunt u misschien te maken krijgen met iemand, die zich de door u gestelde beperkingen in tijd niet gerealiseerd hebben. U voldoet dan aan alle eisen der beleefdheid – en vermijdt alle ergernis – wanneer u eenvoudig zegt: Het is nu tijd om af te breken. Maar komt u indien mogelijk de volgende keer wat vroeger. Maak desnoods een afspraak. Indien u echter uitgaat van het standpunt, dat u iedereen de tijd moet laten en altijd ieder, die komt, ook moet ontvangen, gaat het u als de huisvrouw, die iedereen zegt: Je komt maar, wanneer je wilt, met als gevolg dat het huiswerk blijft liggen, het eten aanbrandt enz. Men is dan geen baas meer in eigen huis. Vooral bij het contact met de geest is het noodzakelijk, orde op zaken te stellen en orde te houden. Daardoor voorkomt men, dat misschien minder beleefde of minder goedwillende geesten blijvend misbruik van u maken.

De mens, die in de stof leeft, heeft immers ook stoffelijke verplichtingen, behoeften en noodzaken, waaraan hij tegemoet moet komen. Hij kan daarvan tijd afnemen voor contacten met de geest, het ontwikkelen van paranormale gaven enz., maar mag zich door deze dingen niet laten regeren. Doet men dit niet, dan bestaat het gevaar, dat men lichamelijk in zaken een geestelijk schade oploopt. Eigen wilsvermogen zal voortdurend worden aangetast door het steeds weer aanvaarden van beslissingen van anderen, die eigenlijk strijdig zijn met eigen belang en wil. Men kan dan op den duur een soort marionet worden van degenen, die zich wensen te tonen, te doen horen enz. Dit schaadt de bewustwording. Voor geestelijke veiligheid is men dan geheel van anderen afhankelijk, omdat men niet in staat zal zijn geestelijke uitingen, die niet gewenst zijn te weren. Deze gevaren maken het werden met occulte krachten gevaarlijk en niet gewenst, tenzij men zich heeft aangewend zelf meester te blijven en contacten zo nodig af te breken, wanneer men dit noodzakelijk acht. Daarvoor is de voorgestelde oefening dienstig.

Een beheerst gebruik van gaven – als helderziendheid en helderhorendheid – kan niet alleen voor het ik, maar voor die mensen soms van groot belang zijn. Een onbeheerst gebruik vormt m.i. voor het ik en voor anderen een groot gevaar. Vandaar de nadruk, die door mij werd gelegd op het zich binden aan een vaste tijd van openstelling.

Elke geest, die het goed met de mensen meent, zal dit begrijpen en onderschrijven. De goedwillende geest zal het daarom niet als krenkend ervaren, wanneer hij midden in betoog of manifestatie wordt afgebroken, maar eerder met grotere vreugde u een volgende keer bijstaan of contact met u opnemen in het besef, dat u niet de slaaf van de geest bent, of van alle krachten die op deze wijze over u zouden wensen te beschikken wilt zijn. De geest, die het Licht dient en de waarheid zoekt, begrijpt heel goed, dat de mens noodzakelijkerwijze eigen bestaan moet leven en moet leren werken uit eigen innerlijk bewustzijn en eigen krachten. Daarom zal men het niet als belemmerend, storend, vervelend zien, maar eerder met vreugde constateren, dat hier iemand is, met wie men waarlijk tot een verantwoorde samenwerking kan komen.

  • Volgens mij, als men er naar leeft: Bepaald dieet, geen vlees, geen alcohol, seksueel beheerst enz. komt helderziendheid en het verband hiermede vanzelf.

Dat zou gemakkelijk zijn. Maar het is een stelling, die helaas lang niet altijd opgaat. Het is namelijk niet de voeding of de lichamelijke gesteldheid, die voor deze ontwikkeling van gaven aansprakelijk is, het is de innerlijke gesteldheid. Ik geef onmiddellijk toe, dat een bepaalde wijze van voeding – vaak offers vergende – tot uiting kan worden van een innerlijke gesteldheid, die men zo a.h.w. praktisch beleeft, zodat men daardoor grotere mogelijkheden tot juiste integratie van eigen persoonlijkheid schept. Maar dat wil dus niet zeggen, dat het nu het alleen gebruiken van plantaardig voedsel is, waar het hierop aan komt. Het zelfde geldt voor de andere punten.

Dat seksuele beheersing bijdraagt tot een ontwikkeling van gaven kan voor iemand wel waar zijn. Maar het is geen algemene regel. Wij kennen in verschillende scholen het transmuteren en sublimeren van seksuele gevoelens en krachten als middel, om iets te bereiken. Maar voor wij stellen, dat dit de enige juiste weg is, die vanzelf tot resultaten moet voeren, moeten wij ons toch even realiseren, dat dergelijke gaven en mogelijkheden ook door een heel ander gebruik van deze mogelijkheden, n.l. orgiastisch, werden bereikt. Men bereikte – en bereikt in sommige streken nog – even grote resultaten door een weloverwogen seksuele onbeheerstheid. Het is dus hier ook weer kennelijk niet de beheersing, het vermijden van alcohol, het veranderen van de waarden der seksualiteit, die hier een rol spelen bij het verwerven van deze gaven, maar wederom innerlijke gesteldheid en overgave, die een uitdrukking vinden in de praktijk. Dus het veruiterlijken van een innerlijk erkende noodzaak of waarheid, waardoor een innerlijke harmonie met de erkende waarden sneller zal kunnen ontstaan.

Let wel: Ik stel dus niet, dat men nu maar een heel speenvarken per dag moet eten, orgiën vieren enz., omdat de gaven dan vanzelf zullen komen. Dat is evenmin waar, als het door u gestelde. Ik stel alleen: het leven naar innerlijke waarden is niet gebonden aan een bepaalde vorm. De leefwijze is niet de modaliteit, waardoor de gave tot uitdrukking komt, automatisch en zonder moeite. Het is ook bij deze gaven het innerlijk bewustzijn en innerlijke gesteldheid – mede metterdaad uitgedrukt – waardoor de mens zich kan richten en de harmonie bereiken, waardoor het verschijnsel of de gave voor hem kenbaar en beheersbaar zullen worden.

Ik meende dit uitdrukkelijk te moeten stellen, omdat men al te vaak uitgaat van bepaalde middelen of leringen zonder te beseffen, dat eigen innerlijk bestaan, eigen geestelijke waarde, bovenal noodzakelijk zijn om tot bereiking of zelfs maar bewustwording te komen. Al het andere is bijkomstig en variabel aan de hand van de innerlijke waarden en gesteldheid van hen, die streven.

Ik hoop nu maar, dat ik met dit eerlijke antwoord niemand in zijn overtuiging gekwetst heb. Ik wil hier nog aan toevoegen, dat menige discipline in esoterische en andere scholen niet bestaat om het nut, dat zij zelf heeft, maar omdat de onderwerping aan de discipline een voortdurende herinnering aan het gestelde doel en de daarin erkende gezagsverhoudingen betekent, als zodanig een steeds sterkere binding mogelijk makende met de kracht, die men zoekt in de discipline.

  • Dus is het door de uiterlijke leefwijze, de discipline, dat de innerlijke waarde naar voren komt.

Ik stel juist het omgekeerde: De discipline is een uitdrukking van iets, wat innerlijk bestaat, maar voert in zich niet tot nieuwe innerlijke waarden. Daarom zijn wij het niet met elkaar eens. Ik kan mij een mens voorstellen, die vegetariër is, seksueel beheerst, blauwe knoop, vroom in woord en daad, uiterlijk harmonisch in alle dingen, die toch innerlijk niet in staat is de innerlijke harmonie te bereiken, die noodzakelijk is om te komen tot werkelijke contacten met de Lichtende geest. Ik kan mij ook een mens voorstellen, die dit contact innerlijk kent en zich met de Lichtende geest voortdurend verbonden weet, zonder hiervan uiting te geven door vroomheid enz. Wel zal zo iemand een voor hem met de innerlijke waarden harmonische leefwijze zoeken. Het verschil is dit: Wanneer men stelt, dat men door een bepaalde voeding en leefwijze een bepaalde occulte mogelijkheid bereikt, zo stelt men, dat een mechanisme, of gewoonte zonder werkelijk geestelijke inhoud, bepalend is voor contacten met sferen en krachten, terwijl men buiten beschouwing laat, dat men als mens uiteindelijk maar een betrekkelijk korte periode van zijn bestaan in de stof leeft, zodat het innerlijke, het werkelijke ego in zijn afstemming en gerichtheid bepalend is voor de mogelijkheid, contacten te bereiken met bepaalde kosmische krachten enz.  Ik ontken niet, dat de genoemde praktijken voor velen nuttig kunnen zijn, maar ontken nogmaals en uitdrukkelijk, dat zij op zichzelf tot enigerlei bereiking zouden voeren.

  • Mag ik er op wijzen, dat er een weg van transmutatie bestaat? Het bewust richten van innerlijke krachten ter ontwikkeling van de geest.

Inderdaad. Ik wijdde in mijn antwoord hieraan reeds aandacht. Deze transmutatie en haar mogelijkheden worden echter wederom bepaald door innerlijke gesteldheid en mogelijkheid – waarbij ik het woord innerlijk dus in de zin van geestelijk gebruik – zodat ook hier de praktische mogelijkheden en wegen voortvloeien uit het innerlijk, terwijl ontwikkeling en bewustwording van de geest alleen bevorderd kan worden door een verwerkelijken van innerlijk bestaande waarden in de praktijk.

Het is dus niet de praktijk, die de innerlijke gesteldheid veroorzaakt, maar omgekeerd. Misschien druk ik het zo nog het eenvoudigste uit: Ik kan mijn innerlijk wezen nooit realiseren op harmonische wijze, indien ik niet bereid ben al het daarin ervarene binnen mijn wereld – voor u de materie – tot uitdrukking te brengen en zo te leven naar hetgeen ik in mijzelf erken. Elke wijze van leven en streven echter, die mij innerlijk vreemd is, zal mijn ware persoonlijkheid, mijn werkelijk ego niet beroeren en dus geen feitelijke verandering van mogelijkheden, ontwikkelingen enz. tot gevolg kunnen hebben. Het schijnt dat wij in goed gezelschap zijn, wanneer wij hierop steeds weer hameren. Ook de grote Meesters hebben steeds weer herhaald dat er geen mogelijkheid is om alleen maar door het volgen van een regeltje, het tot een geestelijke bereiking te brengen. Het is eigen innerlijk besef van het bestaan van hogere krachten en het gevoel van verbondenheid met deze hogere krachten, waardoor de mens moet komen tot een leefwijze, die de hogere kracht en eigen wezen geheel waardig is en zo elk ogenblik van de dag de verbondenheid met het hogere uitdrukkende, de band op een steeds bewuster en daardoor hoger niveau brengende, een taakvervulling mogelijk maakt. De taak vloeit steeds voor de mens voort uit de innerlijk bereikte kennis en harmonie plus de kosmische krachten, waarmede hij zich verbonden weet, doch vergt een uitdrukking in elke wereld, waarin men bewust bestaat. Daarom moeten wij ook hier stellen, dat het materiële het uitvloeisel is van de werkelijke taak, niet het begin of de hoofdwaarde.

  • Kan telepathie gebruikt worden bij onderzoek, bv. voor contact met mensen die op de maan geland zijn? Dit werd beweerd op het congres van geleerden te Parijs door de Russen.

Dit is een theoretische mogelijkheid, waaraan ik echter weinig praktische betekenis meen te moeten toekennen.

  1. Het telepathisch vermogen van de doorsnee mens wordt beperkt door zijn besef van afstand. Slechts indien de mens op de maan zich gelijktijdig in contact met de aarde zou kunnen gevoelen, zou hij over deze afstand impulsen kunnen overbrengen zonder dat daarvoor apparatuur noodzakelijk is. Het is echter de apparatuur, die eerst het gevoel met verbondenheid geeft aan de hedendaagse mens.
  2. De telepaat zou een voldoende beheersing van zijn gaven moeten bezitten, om uit de veelheid van impulsen de bedoelde boodschap te selecteren. In de praktijk zal het geheel der indrukken en emoties worden uitgezonden, wat verwarrend is.
  3. Tussen ontvanger en zender zou een volledige harmonie benaderd moeten worden, terwijl beiden over gelijksoortige kennis en ongeveer gelijke reeksen van indrukken in het verleden zouden moeten beschikken, om juiste interpretatie van meer ingewikkelde mededelingen mogelijk te maken. Is aan een van deze waarden niet voldaan, dan zal de ontstane verwarring en onregelmatigheid, de foutieve overdracht, alle gegevens wetenschappelijk waardeloos maken.

Verder wil ik nog opmerken, dat telepathie altijd een onbetrouwbaar middel van berichtgeving zal zijn, omdat de mens nu eenmaal niet altijd volledig en gelijkelijk meester is over zich en zijn gedachten, ongeacht de toestand waarin hij verkeert. Zou men ondanks dit alles toch astronauten willen scholen in telepathie, dan zou het aanbeveling verdienen hen van jongsaf te scholen in de verschillende praktijken van yoga en, aannemende, dat zij desondanks nog naar de maan willen gaan, hen vanuit deze training in voortdurend contact te houden met een persoon, die dezelfde training op dezelfde plaats en bij dezelfde leermeester heeft doorgemaakt, doch zich op een zeer rustige plaats bevindt. Vaste tijden en een zich uitdrukken in steeds dezelfde symbolen zou dan het gestelde verwerkelijkbaar maken. Verder blijft dit denkbeeld volgens mij de volgende 4 à 5 eeuwen nog theorie.

  • Is schrijven met een planchette een vorm van gedachten overdracht? Uit welke bron komen deze mededelingen, in hoeverre heeft ons eigen onderbewustzijn daarmede te maken?

Naarmate men meer meeleest met hetgeen door de planchette wordt geschreven – of wat dat betreft gespeld wordt door het kruis op het bord, door het glas op het ouija-bord enz – hoe groter de kans is, dat onderbewustzijn een overheersende rol speelt. Wordt de planchette door een werkelijk goed medium gehanteerd, dan valt het volgende op:

  1. Men leest het geschrevene niet mee, het schrijven geschiedt zeer vlug, vaak blijkt dat geschreven werd in een kenbaar of zelfs herkenbaar handschrift, waarvan de schrijver zelf geen weet had.
  2. De inhoud berust op gegevens en feiten, waarvan de aanwezigen geen of geen volledige kennis hadden. De bron kan dan een entiteit zijn, die deze mededelingen aan de stof wenste doen. In enkele gevallen, waarin het schrift dan meestal onregelmatig is, kan een weergave van gedachten uit de omgeving langs deze weg plaats vinden. In gevallen, waarin een voortdurend regelmatig ritme bestaat, terwijl de schrijvende of hanterende geheel op het geschrevene is geconcentreerd zien wij vaak ook een uiting van eigen onderbewust weten en denken, waarbij de vorm wordt aangepast aan de behoefte die men kent om “geleid” te worden, zodat men vergissingen, mislukkingen enz. aan anderen zal kunnen wijten enz.
  • Kunnen wij dus de betrouwbaarheid voorop stellen?

Dit kunt u alleen dan doen, wanneer het geschrevene geen betrekking heeft op punten, die u uit het dagelijks leven bekend zijn, gewoonten, gebruiken, die u na liggen, terwijl de mededelingen vervat zijn in een schrift, dat niet het uwe is en t.m. een deel van het geschrevene een controle mogelijkheid biedt.

  • Is het mogelijk, dat een entiteit zich voor een ander uitgeeft?

Ja. Dit gebeurt zelfs vaak. Wanneer iemand aardgebonden is en uw aandacht wil hebben, terwijl u hem die aandacht niet geeft als de Peerke Jansens, die hij is, zal hij bv. zeggen: Ik ben Marcus Aurelius of Napoleon. U vindt het dan zeer interessant en geeft hem de aandacht die hij verlangt. Meestal verraadt zo iemand zich echter door de onzin, die hij vertelt.

image_pdf