Hemel en hemelwereld

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 73

21 juli 1957

Mijn onderwerp voor vandaag heb ik gekozen uit zeer veel verschillende geloven en dus als gevolg ook uit zeer veel differente beschouwingen. Ik zou met U willen spreken over: hemel en hemelwereld. Het is opvallend, dat in de oudheid de hemel werd gezien als een verbeterde versie van Uw eigen wereld. Dit pleit enerzijds voor een kennen van de werkelijke toestand na de dood. Anderzijds echter – vooral in het begin – voor een sterke beperking van het bewustzijn der massa omtrent de mogelijkheden, die in het totaal van het leven bestaan.

De primitiefste denkers zijn degenen, die pas ontwaakt uit een zuiver fetisjisme voor het eerst aanvoelen, dat er een voortbestaan moet zijn, dat beantwoordt aan het leven op aarde. Aardig is daarom zeer vrij vertaald een van de vroegste leringen, die van ouder op ouder werd overgebracht. (Oudere van de stam). Daarin werd n.l. dit geleerd:

Wie op aarde zijn vijanden verslaat, verslaat ze ook in de hemelwereld. Wie edelmoedig is, zal die edelmoedigheid in de hemelwereld bevestigd vinden. Wie echter zelfzuchtig is, zal evenzeer de gevolgen daarvan ondergaan.

Men verbond daaraan de volgende beschouwing (zeer verkort): Als je laf bent in een hemelsheir, dan word je uit dat heir uitgestoten. Je hebt geen plaats meer in de hemelse stam. Als je door gierigheid jezelf vijanden maakt, gebeurt hetzelfde. Hemel werd dus in de eerste plaats gezien als een contact met anderen in een voortbestaan, waardoor een ideale toestand voor het “ik” kon worden geschapen.

Opvallend is, dat dergelijke versies steeds weer blijven opduiken. Ik zou hier willen herinneren aan de door velen letterlijk genomen omschrijving van het hemelland, dat de Egyptenaren kennen. Een land, waarin altijd het water komt, wanneer het nodig is. Een land, waarin het koren aren draagt, die tot aan de bodem reiken. Een land van overvloed, gevuld met grootse paleizen, voortdurende zang en dans.

Ook bij de Germanen vinden wij soortgelijke beschouwingen. Als we daar bv. het Walhalla gedenken, zien we ook daar een weerspiegeling van het aardse leven. We moeten echter weer naar Indië gaan om uit deze vroege periode begrippen te vinden, die ons de achtergrond van het menselijk beeld, het menselijk denken verklaren. Dan valt mij persoonlijk vooral de volgende lezing op:

“Wie op aarde leeft, leeft in een wereld van begoocheling.” Dat is niets bijzonders; maar men gaat verder. “Het is deze begoocheling, die te allen tijde het beeld zal bepalen, waarin wij leven. Zo zijn het onze eigen daden, die voor ons de wereld scheppen, waarin we voortbestaan.” Een opvatting, die niet alleen typisch is, maar die bovendien het grote voordeel heeft, dat zij de beschrijving van de hemelwereld als waan betitelt.

Ik geloof, dat ik hier een paar geestelijke beschouwingen mag inlassen: Alle leven in zichzelf is een werkelijkheid. Het leven en het daarmede gepaard gaande bewustzijn is niet te ontkennen. Evenzeer is de eindigheid daarvan niet aan te tonen. Wel kan de eindigheid van elke vorm, waarin het bewustzijn zich tijdelijk beweegt, worden aangetoond. Wij mogen dus voorop stellen, dat alle leven en alle ervaren in het leven een werkelijkheid is voor degene, die het ondergaat. Stellen wij echter, dat bij het vallen der voertuigen de werelden veranderen iets, wat we na de overgang aan den lijve ervaren dan rijst het volgende!

Wanneer onze eigen voorstelling van wereld en van persoonlijkheid van zo’n uitermate groot belang is, dat wijzelf onze hemelwerelden scheppen, ofwel bepalen in welke sfeer en hoe wij in een sfeer zullen leven, dan volgt hier onmiddellijk uit, dat elke beleving van wereld en sfeer een zuiver persoonlijke is. Ons wordt geleerd: Het “ik” is een begrenzing van de werkelijkheid, waardoor een deel van het ware geen begrip meer van het geheel heeft. Dit deel zal uit zichzelf kunnen voortgaan en in zichzelf een wereld scheppen, die harmonisch is. Toch is het niet in staat de gehele waarheid te begrijpen, zonder de begrenzing van het eigen wezen op te heffen. Eerst in het kennen van de totale waarheid kan ook de laatste fase van bereiken, de werkelijke hemelwereld, bereikt worden. Al het andere moet worden gezien als tussentrap, die leidt tot uiteindelijke volmaaktheid.

Hiermede krijgt onze hemel een heel ander aanzien. Het is nu niet noodzakelijk, dat wij ons bv. tot de gnostici wenden om hun meningen en uitspraken te horen. Het is voldoende, wanneer wij nagaan hoe de meer moderne geloofssoorten, de meer moderne esoterische groepen zich een hemel voorstellen.

In de eerste plaats kennen wij de kringloopvoorstelling. In deze kringloop daalt de mens uit de hemel af bewust of onbewust tot de wereld. In deze wereldbeleving wordt hij mens, gaat van daaruit door de onderwereld en stijgt vandaar weer op. Hoe groter het bewustzijn, dat het “ik” zich verworven heeft, hoe verder de bewuste stijging tot in de hemelsferen voortduurt.

Hierbij valt ons op, dat de afdaling naar de onderwereld als een noodzakelijkheid wordt gezien. Niet een eenzijdig “van uit de hemel op aarde en van de aarde naar de hemel,” maar een volledige kringloop, waarbij het “ik” alle facetten doorschrijdt, die mogelijk zijn binnen de schepping. Het bewustzijn van de persoon bepaalt dan, in hoeverre deze facetten bewust worden beleefd, welke betekenis zij hebben voor de persoonlijkheid, welke waarderingen in de persoon voor die belevingen zullen bestaan.

Daarnaast kennen wij ook een tweede leer. Dat is de leer van het rad. Gebaseerd op boeddhistische en zelfs vroegere leerstellingen komt men hier tot een voorstelling van het leven als een continuïteit, die zich beweegt rond de kern van het leven. De mens is gebonden aan het rad; d.w.z. hij beweegt zich rond de waarheid door vele werelden, die alle schijn zijn. Eerst door met de schijn te breken verplaatst hij zich naar het middelpunt van het rad en is van af dat ogenblik volledig vrij van elke beleving, van elke bewustwording, terwijl voor hem gelijktijdig een realisatie van alle belevingsmogelijkheden van het rad bereikbaar is.

Dan kennen we verder de christelijke leer, door sommige andere leren zoals bv. de islam ongeveer gelijkelijk weergeven. Daarin bestaat n.l. een hemel, er bestaat een hel en een tussentrap, waarin men geestelijk boetende toch de hemel kan bereiken.

Nemen we deze drie hoofdrichtingen van denken, dan moet ik opmerken, dat van uit ons standpunt in de eerste plaats de gedachte der kringloop belangrijk is. Onverschillig of wij aanhangers zijn van de stelling: het rad, dan wel altijd weer de volledige rondgang door alle sferen bij elke levensfase, wij moeten toegeven, dat er iets meer gebeurt dan alleen een contact met de wereld, gevolgd door een nauw bepaald en omschreven voortbestaan in een vastliggende sfeer. Ik zou van uit mijzelf dit gaarne willen toelichten.

Wanneer wij leven, betekent dit, dat wij ons bewust zijn. Echter betekent leven meer dan dat. Want in al het levende is de kracht van de Schepper geopenbaard. De kern van alle leven is de wil van de Schepper. En dus zijn de kracht en de wil tezamen Zijn wezen.

Het is niet aan te nemen, dat zelfs het kleinste deel van de Schepper in zich onvolmaakt kan zijn. Dus moeten wij aannemen, dat een volmaaktheid kan worden bereikt. Ja, wat meer is, dat een volmaaktheid bestaat. En deze volmaaktheid zal zich moeten openbaren door een voortdurend contact hebben met alle mogelijke bestaansfasen binnen het Goddelijke. Dit houdt in, dat ons wezen evenzeer met de hoogste als met de laagste sfeer verwant is; en wel te allen tijde. Maar het is ons eigen bewustzijn, dat ons de interpretatie mogelijk maakt.

Die interpretatie is wel heel belangrijk. Wanneer wij licht en schaduw naast elkaar zien, geven zij reliëf en schoonheid aan het landschap; geven zij betekenis, inhoud, dimensie aan al hetgeen wij beleven en zien. Maar zien wij alleen het licht of alleen de schaduw, dan vervlakken de beelden. De schaduw brengt met zich mee vaak een vermindering van mogelijkheid tot waarneming, een beperking van onze wereld. Het licht, tot uiterste felheid opgevoerd, verblindt ons evenzeer. Licht en schaduw behoren samen. Hemelwereld en hel, zijn deel van één volmaakte schepping. God is geopenbaard in de tegenstellingen, die nu eenmaal voor ons noodzakelijk zijn om iets waar te nemen en te begrijpen.

Dan is het ook duidelijk, dat in onze werelden waar dan ook steeds al deze fasen en tegenstellingen aanwezig moeten zijn. Maar om licht en schaduw te kennen, moet je je aandacht op licht en op schaduw richten. Zo is de gang van ons bestaan er één, die ons voert van het hoge licht misschien zo fel, dat we het nog niet kunnen verdragen en het ons verblindt door de steeds schemeriger gebieden van sferen en stoffelijk bestaan tot de duisternis van zelfnegatie, de duisternis van al ontkenning. Van hoogste vorming tot diepste chaos gaat onze weg.

In zo’n weg zullen wij ook het menszijn moeten beroeren. Echter uit het duister stijgen wij ook wederom naar het licht. Het is niet ons doel om alleen maar een hemel te veroveren. Want om in een hemel te verkeren en er het bewustzijn van te bezitten, in staat te zijn deze hemel intens te beleven niet als een ogenblikkelijke zelfbevrediging, maar als een werkelijk deel van de levende God daartoe zullen wij ongetwijfeld ook duisternis moeten kennen. Wij zullen ook in het diepste duister moeten gaan.

Van Jezus zegt men het is zelfs in sommige geloofsartikelen vastgelegd dat eer hij opging ten hemel en nederdaalde ter helle. Toch was Jezus’ leven een ongebroken leven. Zijn hoog bewustzijn deed zijn wezen niet verbleken, zelfs niet in een stoffelijke dood. Waarom dan deze gedachte in het christendom? Omdat men ook daar besefte (zij het misschien onbewust of slechts in bepaalde kringen), dat de volledigheid van Jezus, die één geworden met het Scheppend Principe voortaan de zoon Gods zou heten, vereiste, dat hij alle werelden en alle sferen moest kennen en in alle moest leven.

Men vertelt meer. Men vertelt, dat Jezus neerdaalde ter helle als een licht, dat het duister verdreef. Dit is een menselijke voorstelling. Jezus daalde neer als een begrip, dat het duister deed behouden en toch deed opstreven naar het licht. Een bevrijding uit de eenzijdigheid. Zo kon hij velen verlossen uit de zelfgeschapen duisternis, waarin ze vastzaten. Maar zo kan elke geest, die zich bewust is van het licht, tot in het duister gaan zonder daardoor zelf gebonden te zijn in het duister. Men ondergaat het wel, maar het is niet iets, dat U vasthoudt, dat U bindt, dat U belemmert. En juist om het feit, dat U in het duister vrijelijk en met een doel U verder beweegt, bewust van wat was, bewust van wat gaat komen, zult gij ook in het duister als geest licht kunnen geven aan anderen. Dat wil zeggen, het bewustzijn van licht en de drang naar het licht.

De hemelwereld, die in de oudheid zo menselijk werd omschreven, zo aards, is in feite iets anders. De hemelwereld is het bewustzijn, dat we in ons dragen. Het is de vervlechting van leed en vreugde. Het is Gods aanvaarding en levensstrijd. Het is het licht van een sfeer, waarin al vervuld is. Een klinkend licht, een gedachte, die tot vorm is geworden; maar ook bewustwording van het duister, waarin elke gedachte dof verklinkt zonder echo, waarin alle licht schijnt te sterven.

Hemel, hemelwereld betekent: eenheid met het totaal der schepping. Het klinkt misschien wat eigenaardig, wanneer ik dit voor U op dit ogenblik belangrijk vind. Maar bedenk nu zelf: Ge leeft hier op deze wereld, maar ge zijt deal van deze eeuwige cirkelgang. Gij zijt deel van God in Zijn geuite schepping. Gij zijt dus ook deel van alle sferen, waarin Uw bewustzijn ontwaakt is of ontwaken zal. Gij zijt op dit ogenblik onbewust deal van de hemel.

Ook Uw wereld is hemelwereld. Maar in U moet het bewustzijn daaromtrent ontstaan. En dat bewustzijn wordt geboren uit de tegenstellingen van het leven, uit Uw ervaringen en behoeften, uit Uw ontkenningen en negaties. De wijze waarop gij beleeft, maakt uit of Uw wereld een innerlijke harmonie en een groot geluk brengt, dan wel een verstoring van het “ik”, die een eeuwig jagen naar licht met zich meebrengt of een eeuwig zoeken naar een schaduw om je te verbergen.

Gij zijt het zelf, die de wereld begrenst en het maakt tot een nauw afgesloten leven zonder voortgang. In U leeft de eeuwigheid. Gij zijt verbonden met al wat bestaat in alle wereld en sfeer, want gij zijt verbonden met God. Realiseer U dit, en Uw wereld wordt een fase van een groots geheel, waarin ge bewust meewerkt aan de schoonheid van een volmaakte schepping, een openbaring van een God, zo vol van wonderen, dat Hij ons voortdurend een vreugde, een verwondering en een ervaring blijft.

Te leven wil zeggen: hemeling zijn. Te leven wil zeggen, dat je altijd en overal het volmaakte geluk kunt realiseren. Daarvoor bent U niet afhankelijk van een overgang. Daarvoor bent U ook niet afhankelijk van beperkingen of leerstellingen of dogma’s. Alle leer, die wordt gegeven, alle voorstelling van eeuwigheid, van wereld en sfeer, is een hulpmiddel. De waarheid sluimert in Uzelf. Realiseer U dit, En beleef Uzelf; niet als deel van één wereld, naar van alle wereld. Ge zult zien, hoe de grenzen van Uw eigen bestaan beginnen te vervagen. Maar daarvoor in de plaats treedt een grotere volheid. Een volheid van vreugde, van leven. Een verdieping niet alleen van de lach, van de vreugde, maar ook van de tranenvloed, van de klacht en het diepe leed. En in dit intensifiëren van de tegenstellingen in Uw wezen omvaamt ge meer de oneindigheid. Wanneer ge leert, hoezeer leed en vreugde verwant zijn, wanneer gij erkent, dat licht en duister verschijnselen zijn van een kracht, dan is Uw bewustzijn ver genoeg gevorderd om U terug te trekken uit de uiterlijkheden der wereld en onverschillig hoe en waar ge leeft, wat Uw bestemming of doel lijkt voor anderen in Uzelf te leven, in de hemelwereld, die ons wettig bezit is door het feit, dat God in ons leeft en in Zijn openbaring ons dit heeft gegeven.

Veel van de gedachten, die ik hier heb uitgesproken, zijn vroeger al door anderen naar voren gebracht, vrienden. Ik heb getracht samen te vatten wat de beste denkers der mensheid, de grote leraren van het geestelijk leven, naar voren hebben gebracht. Maar dat het waarheid is, wat er gezegd is, dat ik persoonlijk erkennen en U betuigen. Want ik ken de hemel onvolmaakt als ik ben; vreemd als de wegen zijn, die me door de sferen voeren omdat ik in mij vrede en geluk heb. Een vrede en een geluk, die niet door uiterlijkheden worden verstoord, maar die innerlijk steeds weer aangroeien tot een overstelpend beleven van het licht, dat ook mij draagt en ook mijn wezen uitmaakt.

Hiermede geef ik het woord over aan een tweede spreker en dank ik U voor Uw aandacht.

o-o-o-o-o

Daar is nu over hemel gesproken en als je dat woord hoort, stel je je zo ontzettend veel verschillende dingen voor. Want hemel, dat is voor ons eigenlijk een doel, dat altijd ver weg ligt, waar je altijd achteraan jaagt en wat je nooit bereikt. Alle leven en alle bestaan is een jacht naar het geluk, en naar de hemel. En dat blijkt misschien wel het beste uit het feit, dat we ons voortdurend kleine anekdoten veroorloven, waarin de hemel meespreekt. Waarin het binnengaan of het afgewezen worden van de hemelpoort eigenlijk de clou is. En dan denk ik onwillekeurig aan een anekdote, die illustreert hoe een mens en ook een geest tegenover dat begrip staat.

Er was een klein meisje. Dat kleine meisje ging over, kwam bij de hemelpoort en werd binnengelaten. Ze kwam kort daarop terug, want op aarde waren er mensen, die erg veel verdriet over haar hadden. Ze openbaarde zich daar, manifesteerde zich en vertelde, dat ze het heel erg goed had, want ze was de hele dag in een heel grote speeltuin.

Er zat daar een oude – laten we zeggen ietwat verzuurde – mens met zijn eigen beeld over hemel en die vond dat belachelijk. Toen hij dan aan de hemelpoort kwam, nadat hij zelf was overgegaan, werd hij afgewezen. Hij moest naar een lagere sfeer. Aarzelend ging hij de lage, donkere deur door en stond middenin een grote speeltuin, vol van gegier en vol van lawaai. Iets verschrikkelijks voor die man. En wie zag hij daar spelen? Het kleine meisje. Hij ging naar haar toe en zei: “Meisje, je zei, dat je in de hemel was, maar je bent in de hel.” Toen lachte dat kleine meisje en zei: “Dat is wat U denkt.” En daarin ligt eigenlijk de hele zijn van de hemel en voor al, wat er bij te pas komt.

Hemel is niet datgene, wat je nou werkelijk denkt, dat een hemel moet zijn. Hemel is datgene, wat je gelukkig maakt, wat je tevreden maakt. En dan kun je natuurlijk allerhande beschrijvingen gaan plegen omtrent sferen, die voor sommigen een hemel zijn. Maar dan weet je van te voren, dat anderen er een beetje om lachen, dat ze wat schokschouderend naar je opkijken en zo iets zeggen van: “Nou, ja” Zoals de Brabander zegt; “En gij geleufde dat? Dat zoudt ge wel willen.”

Maar het feit blijft bestaan. Waar we ook gaan, hoe we ook zoeken, we vinden allemaal onze eigen hemel, omdat dat onze realisatie is van geluk. En die blijven we behouden, totdat we een groter geluk leren kennen. En zo gaan we verder.

Wanneer ik dan op het ogenblik als aanvulling van het betoog van de vorige spreker probeer iets te zeggen over het werken en over de vreugde van de mens, nou ja, wat voor ons een hemel is….(ik zie er misschien niet erg engelachtig uit zeker niet met het geval, dat ik op het ogenblik aan heb maar toch) ….. er zit iets in hemel, dat persoonlijk is en waardoor je je voelt als een engel. En ik geloof, dat dat het belangrijkste is.

Weet U, wanneer je zo ontwaakt uit de dood, is het voor sommigen een grote angst. Voor anderen is het een echte bevrijding. Ik heb misschien erg veel geluk gehad. Want toen ik mijn lichaam achterliet, had ik het gevoel, alsof ik uit een te nauwe kist kroop en mijzelf eens flink kon uitrekken. Van een torenende hoogte keek ik naar op het lichaam, op de stad en op alles. En ik voelde me toen al tevreden.

Maar aan de andere kant….ik had te veel vergeten. U heeft zelf ook wel eens zo’n ogenblik, dat U ineens iets wat U. ….. U wist het zo-even nog, het lag op de tong en U kunt het niet meer zeggen. Zo’n gevoel had ik. Ik moest zoeken naar werkelijkheid. En dan vormen zich duizenden werelden:

Daar was de plas, waar ik als kind had gezeild met een klein zeilbootje. En daar was die winkel, waar we altijd een snoepje toe kregen. Daar waren de huizen, waar ik hinkelde en waar ik speelde. En niet te vergeten ….. dat laantje van het park, waar ik m’n meisje altijd ontmoette.. Ze waren er allemaal. Herinneringen. Een hele wereld vol van herinneringen, vol van gelukkige herinneringen.

Maar ja, toen ik daar uitgekeken was, werd mijn wereld voller. Toen kwam het leed erbij. Ik zag, hoe ik van school werd gestuurd. De kamer was er met de hoofdonderwijzer en zijn gestrengheid. Daar was mijn vader om het pak slaag. Daar was mijn moeder. Daar was het sterfbed van mijn ouders. De ziekte van mijn vrouw. De dood van mijn kleine jongen. Allemaal. Een hele wereld vol van herinneringen.

Maar het vreemde is, ik leerde die dingen begrijpen. Het sterfbed van mijn vader werd zo langzamerhand één met de dag, dat ik doodgelukkig met hem samen mocht uitgaan. En het sterfbed van mijn moeder werd één met een avond, dat ze mij stilletjes een verhaaltje vertelde. Het groeide naar elkaar toe.

Dan kunt U zeggen: “Is dat nu een hemel?” Ja, voor mij was dat hemel. Want mijn hele leven word daar eigenlijk in opgebouwd. Dat werd daar pas werkelijk aan mij geopenbaard. En toen ging ik begrijpen, vat de betekenis was van deze dingen voor mijzelf. Niet alleen meer het beleven, niet alleen meer het zien, hoe vele schijnbaar tegengestelde dingen een waren daarmee in je bestaan. Maar meer ….een begrip, dat er iets achter lag.

O, ik kan het U moeilijk beschrijven. Laten we zeggen….er zijn kinderen, die maken van karton een kerkje. Met rode raampjes. Wit, met kunstsneeuw misschien bepoederd of zo iets. Met gestampt glas en krijt. En zo’n kerkje ziet er wel aardig uit. Maar wanneer het donker begint te worden in de kamer en binnen het lichtje brandt, dan leeft zo’n kerkje pas. Dan is het net, of zo’n werkje een andere betekenis krijgt.

Zo gaat het met je leven. Het is, of alles van binnen uit begint te lichten. Het licht wordt sterker en je gaat begrijpen, hoe al die dingen samen zo’n perfecte harmonie hebben gevormd. Dan komt het ogenblik, dat je zegt: “Nu is er niets in mijn leven, dat ik anders had willen hebben.” Dat je zegt: “Dat leven van mij met al zijn onvolmaaktheden, voor mij was het tóch volmaakt; omdat het juist zó en niet anders past in die grote wereld, in dat grote bestaan.”

Zo ga je verder. Je droomt wat en je denkt wat en het licht wordt sterker en sterker. En het is net, of je al die fasen van je eigen leven herhaald ziet, overal weer. Een ietsje anders misschien in beleving, een ietsje anders in omstandigheden, maar toch dezelfde betekenis. Die betekenissen worden zo sterk, dat het is of je duizend, ja, miljoen malen leeft. Dat je leeft in alle tijden. Dat je leeft in alle werelden. Er is geen grens meer. Waar je gedachten en je bewustzijn uitgaan, daar vind je een volledig leven. Een leven, dat in zich diezelfde verzadiging van schoonheid draagt. Dit weten: het is goed. Het ondergaan van de vreugdige verrassing, dat deze schoonheid blijft voortbestaan en nieuw wordt, elke keer weer.

Ja, dan ga je zo langzamerhand beseffen, dat in die andere levens, die andere werelden, andere mensen, andere bewuste wezens schuilen. En dan ga je met die wezens a.h.w. contact opnemen. Je herleeft jezelf. Je beleeft jezelf in een duistere wereld. Tegelijk leef je in miljoenen lichte werelden. En je herlevende in die duistere wereld, begrijp je, wat er bestaat. Het is net alsof je één bent met al die mensen, al die geesten, die daar geboeid en gebonden zijn in hun eigen zelfzuchtige gedachten. Je weet wat het is. En in dat opnieuw beleven van jezelf ga je dan proberen om het licht ook daar te scheppen. In je draag je die miljoenen werelden. Maar je zou ze verder willen geven. Je zou die éne duistere wereld ook nog bewust erin opgenomen willen zien. Dan ga je streven naar eenheid.

O, het is maar een beeld, ik weet het wel. Het is gewoon maar een poging om iets duidelijk te maken, wat je eigenlijk met, geen woorden kunt zeggen. Maar toch….dan leef je in het duister en je kent het licht. En in de hoogste lichte wereld weet je, hoe delen van je eigen leven en bestaan, van je eigen persoonlijkheid en ervaring, in allerhande verschillende staten van duister en van lijden zijn.

En weet U, wanneer het dan een tijd heeft geduurd, dan ga je langzamerhand zien, dat er een kracht is, die in al die dingen schuilt. O, ik kan niet zeggen licht. Licht is zo’n mooie uitdrukking. Maar per slot van rekening, een kaarsje is licht en de zon is ook licht. Hoe kun je dan geestelijk licht alleen met dat woord eigenlijk omschrijven? Laten we zeggen: een overweldigend bad van kracht, waarin je steeds groeit, je sterker voelt worden, waarin je gelukkig bent en dat toch gelijktijdig ook al die belevingen van al die werelden scherper, intenser maakt. Het licht is eigenlijk iets, dat je innerlijk beleven, je ervaren scherper maakt.

Zo ga je dan langzamerhand proberen om op verschillende manieren wat te zeggen, wat te vertellen. Je gaat werken in de duistere sferen, natuurlijk. Je gaat mensen helpen om over te gaan, zeker, want je bent zelf ook overgegaan. Je spreekt tot mensen, omdat je zelf mens bent geweest en misschien zo’n enkel woord voor jou een sneller één worden met al die levens zou kunnen betekenen.

Hemel is een heel raar ding. Mensen, die aan de hemel denken en zich dat voorstellen als een soort van rijstebrijberg, bekroond met een kristallen stad, waar engelen paarlemoeren hoorns en bazuinen gebruiken en een eeuwig koor voortdurend “halleluja” zingt mij dunkt, dat dit op de duur wel zou gaan vervelen maar ja, die hebben het eigenlijk mis.

Weet U, hemel zien als iets, wat van het leven wegstaat, is zo dom. De hemel is de intensiteit van alle leven. En nu weet ik wel, ik ben nog lang niet ver genoeg gekomen om daar helemaal oprecht en eerlijk uit eigen ervaring over te gaan praten, maar ik heb toch zo’n klein beetje een voorsmaakje. Laten we zeggen, ik ben misschien net aan het tweede entremets van de maaltijd des levens toe. Als ik het volledig genoten heb, weet ik wat de hemel is. Dus ik heb nog heel wat te goed, en misschien zelfs de beste gerechten. Zoals vleesgerechten, de vissen….en niet te vergeten het dessert. Ja, echt, ik sta nog aan het begin. Maar wanneer ik in de voorgerechten al die intensiteit van leven door de hele wereld kan voelen, wanneer ik daarin al het geluk kan vinden van alle vreugden, die ik gekend heb, weerkaatst in alle, wereld, wanneer ik de eenheid zie van vreugde en smart, wel, vrienden, wat moet het dan niet zijn om werkelijk eens helemaal alles te bereiken.

Je kunt natuurlijk een hele hoop praatjes daarover verder gaan houden, maar ik ben altijd bang, dat je zo’n onderwerp doodpraat. Ik herinner me, dat ik vroeger een oude onderwijzeres had. Nou was dat een heel goed mens, hoor. Maar als ze op haar zedelijk stokpaardje kwam en als ze ons begon te vertellen, hoe een brave jongen moest zijn, dan waren de eerste vijf zinnen iets, dat ons werkelijk raakte; de volgende vijf maakten ons doof en de rest van de tijd zaten we ons te vervelen. Dat betekende meestal, dat tien zinnen misschien iets betekenden en dat er ongeveer 140.000 aan ons voorbij gingen. Tenminste zo leek het ons in die tijd. Zo gaat het met geestelijke leringen ook. Een groot gedeelte gaat aan je voorbij. Dat is begrijpelijk. Je leeft er nog niet in. Natuurlijk, alles wat gezegd wordt, heeft zijn zin, heeft zijn betekenis, elk woord, elke pauze. Maar ja, beleef het nu maar als mens. Ik kon het toch ook niet. U kunt het ook niet. Maar het lijkt me eigenlijk toch wel interessant, als je dan zo ondanks al dat onbegrip een beetje houvast kunt vinden aan het idee, dat die hemel op het ogenblik al bestaat. En dat wat vandaag misschien leed is, morgen gelijktijdig een bron wordt van vreugde en van begrijpen. Dat je begrijpt, dat je vreugde van vandaag morgen ook een bron wordt van begrip….. en misschien zelfs van een beetje leed. Dan laat je je niet meer zo binden door die wereld, weet U.

Eén van de ergste dingen, die een mens kan overkomen, wanneer je eenmaal geestelijk verder moet gaan, dat is, wanneer hij te sterk aan zo’n wereld gebonden is. En die binding is niet alleen een positieve; je zit niet zo maar vast aan de begrippen van “dat is goed en dat is goed.” Neen, je zit nog veel meer vast aan de dingen: “dat mag je niet en dat mag je niet.” Weet U, al datgene, wat je niet moogt of denkt niet te mogen, betekent een verwerping van een groot gedeelte van wat je gedaan hebt, van je beleving en dus van jezelf. Je maakt het jezelf juist daardoor onmogelijk. En daarom, wanneer ik dan op deze zondag ook een goede raad mag geven… (U mag rustig zeggen; Nou klets maar door, ik luister beleefdheidshalve wel. Ik zal het U helemaal niet kwalijk nemen. Per slot van rekening, wie ben ik eigenlijk om U raad te gaan geven?) Maar ik zou deze raad willen geven;

Doe nooit iets, waarvan je overtuigd bent, dat je het niet moogt doen. Maar zou U het gedaan hebben, denk er niet over na. Beschouw alles wat je doorleefd hebt, wat achter je ligt, als een onvermijdelijk, onverbrekelijk deel, niet alleen van jouw wezen, maar ook van de hemel. Want daar hoort het ook thuis. En beschouw het dan zo, dat je in het heden probeert om niets te doen, wat je verwerpen moet, opdat je niet een deel van je eigen hemelwereld afbreekt. Dat je niet a.h.w. jezelf en je bewustwording verloochent.

Weet U, ze zeggen altijd: het leven is zo mooi. Het leven is mooi, wanneer je de betekenis ervan begrijpt. Het leven is waardevol, wanneer je je niet alleen maar verlaat op al die voorstellingen van: “ergens later een eigen huis,” nietwaar, “met vlak erbij als buurman,” zo gezegd, “God de Vader in Zijn eigen woning.” Verlaat je daar niet op. Dan word je teleurgesteld. Zie het leven als een eenheid. Als een eenheid met die hemel van morgen. De hemel van morgen, die vandaag al bestaat, maar die je alleen nog niet begrijpt.

Zie al je herinneringen niet alleen als iets sombers of als iets, dat is geweest. Zie het als iets levends. Geloof me, die prettige dag, waarover U nu nog wel eens een keertje namijmert, die komt terug. Al die dingen, onverschillig of ze nu goed heten of niet. Evengoed die vlaag van edelmoedigheid als die vlaag van hartstocht, ze komen allemaal terug. Maar als ze terugkomen en je kunt hun ware betekenis beseffen, je kunt zien, hoe ze deel uitmaken van dat grote geheel, waardoor je leeft in alle dingen….. dan zijn ze de hemel geworden.

Nu, vrienden, ik hoop dat ik U niet verveeld heb. Niets wat minder in mijn bedoeling lag. Maar ik vind, dat het zo langzamerhand tijd wordt om het woord over te gaan geven aan een volgende spreker, die dan de bijeenkomst voor U gaat sluiten. En dan hoop ik ook, dat U niet denkt, dat we te lang hebben gepraat. Als U zegt: “Ze hadden nog wat door kunnen gaan,” dan mogen wij eigenlijk pas tevreden. Want dat betekent, dat wat wij nu gezegd hebben, zo leeft in Uw hart, dat U het zelf zult afmaken. Dat is de hoofdzaak. Want wat U zelf doet, dat is de hemel.

0-0-0-0-0
DE KLEINE MENS

Kleine mens, je zit te dromen en denkt aan de oneindigheid, maar wordt gewekt en moet met schromen teruggaan in de jacht der tijd.

Kleine mens, je bent aan ’t bidden en smeekt tot de Oneindigheid om je te geven ander leven, een ander streven, zaligheid.

Maar, kleine mens, wat grote krachten leven in je mensenhart. Wat is de kracht toch van het leven, die dood en duister steeds weer tart?

Kleine mens, wat is het wonder, dat je hier nu doet bestaan? Wat is de kracht, die langs de wegen zoekend naar licht je steeds doet gaan?

Kleine mens, wat is de zegen, die soms daalt in je gemoed, als sprak een verre stem je: “Wat je deed, was goed, was goed.”

Kleine mens in eigen ogen je bent groot boven alle tijd; want, kleine mens, je bent geboren als deel van de Oneindigheid.

Kleine mens, die baadt in tranen; kleine mens, die vreugdig lacht; kleine mens, die juicht of aarzelend stamelt nog een laatste klacht, jij bent een deel van ’t grote Wezen, Dat al voortdurend schept en leidt. ’t Is God, Die leeft in heel je wezen, terwijl je onbewust nog krijt, bedreigd door duizend vrezen.

Kleine mens wordt grote mens. En grote mens verbreekt de grenzen. Zo ontwaakt ten laatste ’t ik. En ’t bewustzijn als een reeks van mensen projecteert d’Oneindigheid.

En ziet, daaruit wordt dan geboren de cirkelgang van zijn en tijd. En grote mens wordt één met God en schept het leven als te voren.

Dat, kleine mens, is werkelijkheid. Kun je nu de stem niet horen, die in je leeft? Kun je nu nog niet begrijpen de vreemde kracht, waardoor je streeft? Eens word je één met alle dingen. Dan is je leven niet ten eind. Het is met alle leven samen tot scheppend koord van God getwijnd.

Kleine mens is onbewust. Grote mens heeft leren dromen. Ware mens durft zonder schromen tot zijn Schepper in te gaan. Dan is het geen mens meer. Mens is dan geworden: bewuste kracht van het bestaan.