Hemelbestormers

29 oktober 1965

Zoals gebruikelijk is, wil ik u er allereerst aan herinneren, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Daarom moet ik u verzoeken, zelf na te denken – al is het uw zaak, of u dit nu doet of, niet. We gaan het heden praten over: Hemelbestormers.

Reeds, vanaf het eerste ogenblik, dat de mens zich bewust werd van zichzelf in verhouding tot de natuur, heeft hij getracht deze natuur in alle opzichten meester te worden. Hiervan getuigen de legenden over mensen, die konden vliegen. Maar evenzeer getuigt van deze wil tot beheersen, de verhalen, die gaan over tochten in het onbekende, de verovering van de onderwereld, het binnen treden van mensen in hel en hemel, klimpartijen of afdalingen naar andere werelden als bv. in het vertaal van Jack and the beanstalk. Een beschouwen van het verleden maakt reeds duidelijk, dat de mens altijd weer begeerde andere werelden te betreden en te bereiken. Iets, wat men hem overigens niet kwalijk mag nemen, daar het in ieder geval aantoont, dat de mens nog niet afgestompt genoeg is, om met zijn eigen wereld geheel tevreden te zijn.

Wat is van dit verlangen, op zo vele verschillende wijzen tot uitdrukking gebracht, wel de oorzaak? De mens is een tweebenig wezen met een behoorlijke dosis agressiviteit. Zolang deze neiging tot agressie in voldoende mate binnen eigen omgeving kan worden afgereageerd met voor het Ik aanvaardbare of zelfs begeerlijke gevolgen, taalt de mens niet naar de hemel, naar het andere. Binnen een stamgemeenschap, waar het recht van de sterkste nog geldt, is het de mens meer dan voldoende, in feite of in dromen, de sterke man van de stam te verslaan en zo zelf stamhoofd te worden. Naarmate een maatschappelijke band groeit, waarbij eigen kracht en mogelijkheden van minder beslissende betekenis worden voor de vervulling van eigen wensen, is het alsof de toestand van het wenselijke, die in het begrip “hemel” zo vaak wordt verbeeld, verder van eigen wereld en leven af komt te liggen. Let wel: Er is hierbij lang niet altijd sprake van een verschuiven van de bevrediging van eigen wensen naar een hiernamaals. Wel echter verschuift het beeld van de mogelijke bevrediging van eigen verlangens en grootheid uit de eigen wereld naar onbekende verten.

Wij zien, dat de mens het onbekende zoekt. Hij doet ontdekkingsreizen en betreedt hem vreemde werelden in de hoop, dat hij hier de vervulling van zijn wezen zal vinden. Zo gaat het de Phoeniciërs, wanneer zij reizen ondernemen tot aan Engeland, Alexander de Grote, die doordringt tot de dan nog geheimzinnige en onbekende gebieden van Azië, of Erik de Rode, die naar Amerika doordringt. Legenden getuigen van het “geheime rijk”, waarin deze mensen hun vervulling menen te mogen verwachten. Daar is de legende van Priester John, de priester koning Johannes, die een verborgen rijk in Azië sticht. Daar is het verhaal van het goudland El Dorado waar de Spanjaarden in Amerika lange tijd naar zoeken. Zoals een ander zoekt naar de bron van de eeuwige jeugd. Steeds weer ontmoeten wij de mens, die zoekt naar iets, wat er in wezen niet is en zelfs niet kan zijn, maar voor hem een bevrediging van zijn verlangens betekent. Daarbij zal hij vaak een deel van zijn doel echter wel bereiken, zij het op een geheel andere wijze, dan hij zich voorstelt. Zo komt de moderne tijd, waarin de mens bv. via ballonnen en de eerste vliegtuigen een nieuwe dimensie wil gaan veroveren. Ook aan deze eerste aeronauten geeft men wel de naam “hemelbestormers”.

Zoeken deze mensen daarom een werkelijke hemel? Neen. Zij zoeken een onbekende wereld, waarin mogelijk is of lijkt, wat de alledaagse werkelijkheid van het leven niet meer toelaat. De mensen, die eens als bv. de gebroeders Wright een vliegtuig bouwden en in hun vluchten een intense vreugde vinden, zouden in de hedendaagse luchtvaart voor zich geen plaats en vreugde meer kunnen vinden. Zij zouden niet meer het avontuur vinden, de nieuwe wereld, die je veroveren kunt, en daarom in de huidige ontwikkelingen van de luchtvaart niet meer passen. In deze dagen worden dergelijke mensen misschien kosmonauten of astronauten, die zich buiten de dampkring laten schieten, om daar een nieuwe wereld te vinden. Zouden zij eenmaal op de maan zijn geweest, dan zouden zij verder willen naar Mars, naar Venus, om, wanneer alle planeten eenmaal bezocht en verkend, zijn, met dezelfde vreemde hartstocht een greep te doen naar de sterren. Zodra de mensen alle sterren naar believen kunnen bezoeken en de legende van het verre wonder hier niet meer te vinden is, zullen er mensen zijn, die zoeken naar een weg, om een andere sterrennevel of zelfs een ander heelal te betreden. Want de mens wil altijd weer verder, altijd weer het nieuwe, in de hoop, dat zijn hemel, de wereld die al zijn verlangens kan vervullen, ergens in de verten te vinden zal zijn.

Wij mogen wel stellen als een van de oorzaken voor het zoeken, het streven naar verten of hemelen, de altijd durende ontevredenheid van de mens. Nu is dit niet alleen een ongunstige eigenschap; tevredenheid met alles, zoals het is, zou de mens als mens ten gronden doen gaan.

Wij zien steeds weer dat een mens, die alles heeft of hebben kan wat hij maar wenst, geen vreugde meer in het leven voelt. Het bestaan wordt hem dan een voortdurende spleen, een altijd gelijkblijvende verveling, waaraan hij nimmer meer geheel schijnt te kunnen  ontkomen.

Daarom handelt de mens zo vaak als een hemelbestormer. Maar wat hij onder “hemel” verstaat, blijkt steeds weer het exorbitante, het exotische, het haast ondenkbare te zijn. Dit geldt ook, wanneer de mens in plaats van in de materie, in zijn denken naar de hemel gaat zoeken.

Hij bouwt steeds weer denkbeelden, die in sterke mate verschillen van alles, wat hij in zijn eigen wereld kent. Die voorstellingen bevatten wel dingen, die hij uit zijn eigen wereld kent en in zijn eigen wereld begeerlijk of wenselijk acht, maar hij stelt deze voor in een onderlinge verhouding, die op aarde eenvoudig niet zou kunnen bestaan. Ook de mens, die innerlijk naar een “hemel” streeft, naar een ander bestaan, doet dit door als eerste punt van zijn denken en geloof, zijn eigen wereld tot een minderwaardige te verklaren. Ook hier tracht hij, uit de wereld die hij kent – en uit zichzelf als deel daarvan – een beeld te scheppen, dat het hem mogelijk maakt, alle fouten te elimineren en in de plaats daarvan zich een aan zijn eigen voorstelling en wezen beantwoordende perfectie in te denken. Wanneer je dit alles beziet, kom je er toe het woord hemelbestormer in de eerste plaats te interpreteren als: Iemand die, waar en hoe dan ook, naar een perfectie zoekt. Hij streeft steeds naar het schijnbaar of werkelijk onmogelijke, hij zoekt steeds weer het onbereikbare te bereiken.

Daarmede heb ik de inhoud van mijn onderwerp reeds gekarakteriseerd. Wat de mens in wezen bereikt, zij het in de geest of in de stof, dankt hij maar al te vaak aan een zoeken naar het onmogelijke, het onbereikbare. Hoe vaak immers zien wij niet, dat men iets van belang verwezenlijkt of bereikt, terwijl men naar iets geheel anders zocht. Denk maar eens aan de Spanjaarden, die EL Dorado zochten; zij vonden niet het land, waarvan zij droomden, maar vonden wel rijke goud en zilvermijnen. Columbus zoekt Indië en vindt Amerika, een ander zoekt de noordwestelijke doorvaart en vindt Groenland. Men zoekt goud en vindt het buskruit uit enz.

In deze en vele andere gevallen kan men stellen: De mens vindt niet, dat wat hij denkt te zoeken, maar ontdekt juist daardoor iets, wat in wezen even belangrijk voor hem – of de mensheid – is.

Zelf is hij daarmede wel of niet tevreden; maar juist hierdoor wordt de mensheid groot. Voor ons allen is dit misschien wel het meest belangrijke feit. Of wij onszelf nu filosoof, esotericus noemen, uit willen treden, naar andere werelden en sferen, of alleen maar trachten een systeem te vinden en op te bouwen, dat perfectie in de eigen wereld mogelijk maakt, wij grijpen steeds weer naar het onmogelijke. Wij allen zoeken steeds weer naar een wereld, die geheel anders is, een wereld, waarin wij waarschijnlijk niet eens gelukkig zouden kunnen leven, al bestond zij en zouden wij dit willen proberen.

Wij zoeken steeds weer naar beelden, die voor ons onbereikbaar zullen blijven, ook al zouden wij over alle eigenschappen en middelen kunnen beschikken, die o.i. voor het bereiken van een gestelde toestand of doel noodzakelijk zouden zijn. Wij zoeken de eeuwigheid in de tijd. Je kunt niet zeggen, dat een mens lust heeft om waarlijk eeuwig te leven. Hij houdt te veel van de ontwikkelingen, die hij kent, van hetgeen hij bezit of bezitten kan in de tijd. Hij zal zich altijd baseren op hetgeen er nu voor hem bestaat. Daar hij echter beseft, dat dit alles toch niet waarlijk voldoende is, zoekt hij naar wegen om het voldoende te doen zijn.

Wij scheppen eerst het onvolmaakte en bestormen dan de hemel in de hoop, dat het door ons geschapen onvolmaakte als door een wonder zal veranderen en worden tot een alles omvattende en volmaakte waarde, die in alles gelijkwaardig en onveranderlijker zal moeten worden. Wij trachten van ons eigen vermogen en verlangen iets te maken, dat even belangrijk, alomvattend en blijvend is als een goddelijke wet. En daarom falen wij steeds weer, wanneer wij een dergelijk waanbeeld, een dergelijke “hemel” bestormen. Want dit is nu eenmaal niet mogelijk.

Denk niet, dat er maar een enkele soort van hemelbestormers bestaat. Wanneer ik bv. de nieuwe filosofen zie, met hun denkbeelden omtrent God en wereld, zo valt het mij op, dat de vormen en vaste normen in hun denkbeelden meer en meer gaan verwazen. Zij zien bv. niet meer een nauw omgrensd persoonlijk bestaan, een geheel kenbare ik-heid, zoals in de hedendaagse dieptepsychologie – Jung bv. -. In wezen zoekt men niet meer naar de persoon zelf, maar houdt men zich bezig met het onbekende, het nooit geheel kenbare, de onbekende en nooit geheel te omschrijven eigenschappen, die deel van het ego uitmaken. Zelfs wanneer wij in meer religieuze zin dromen van een “andere wereld”, een “hemel”, zo blijkt, dat de voorstelling steeds abstracter wordt. Zoals ook de kunst, die eens haar vreugde vond in het weergeven van het karakter en de vorm van al wat leefde, nu grijpt naar een abstracte vlekken kladderij of de – nog moeizamere – constructie van beelden, die in de natuur niet passen en toch daarmee ergens verwant lijken te zijn. De mens zou een nieuwe abstracte wereld willen scheppen en doet dit, omdat zijn eigen wereld hem kennelijk niet meer voldoet.

De mogelijkheden van die eigen wereld zijn onvoldoende, omdat er niets meer te bestormen valt, geen land meer te veroveren is, omdat alles reeds gedaan lijkt te zijn – en beter dan men het zelf meent te kunnen. Er zijn zelfs geen arme, vertrouwende heidenen meer om gemakkelijk te bekeren. In de wereld van vandaag is er hoofdzakelijk sprake van slagzinnen, en met een slogan kun je geen hemel bereiken, voor jezelf niet dat gevoel van verwerving, van bereiking vinden, waarnaar de mens steeds weer hongert. Daarin kun je niet met sidderende verwachting streven als in de een of andere werkelijkheid, omdat je zelf maar half kunt geloven in de waarde van dergelijke zinsneden. Daarom wordt het streven en denken van de mensen steeds meer abstract, steeds minder reëel, minder gebaseerd op persoonlijke ervaring en bereikingen. Waar het mogelijk is breekt men eenvoudig de banden tussen de werkelijkheid en de droom.

Velen trachten, tegen geheel de wereld en zichzelf in, hun dromen waar te maken; niet omdat de droom zo mooi is, maar omdat zij de werkelijkheid, waarin zij leven, zo zeer haten. Een bekend citaat luidt: “De wereld is de boden van de hemel”. Voor sommigen is dit mogelijkerwijze ook nu nog waar. Maar het is wel zeker, dat in de ogen van steeds meer mensen de wereld een soort hel wordt. Zelfs van een voortleven later, in een andere wereld, is men vaak niet geheel of zelfs helemaal niet overtuigd. Daarom tracht men de banden tussen droom en werkelijkheid te verbreken en bouwt zich dromen van de toekomst, omdat men met het heden geen raad weet.

Men bouwt in gedachten de wereld van morgen, waarin bv. een ieder voldoende te eten, te drinken, werk en amusement zal vinden. Kortom: een wereld, waarin een ieder tevreden en gelukkig zal kunnen zijn. Maar dat is een wereld, die in de werkelijkheid niet kan bestaan, zolang er mensen zijn.

Men beseft overigens zeer wel, dat deze beloften voor morgen, dit beeld van een wereld, waarin alles in orde is, niet mogelijk zal zijn. Maar men streeft er toch naar, omdat er vandaag niets is om zich aan te wijden, om naar te streven. Men kiest liever de droom over morgen, dan eigen onvermogen in het heden toe te geven.

De hemelbestormer van heden is meestal de machteloze. Hij is een mens, die niet passen kan in de werkelijkheid van het heden, iemand die wegvlucht voor alles, wat nu aansprakelijkheid en verplichting in het heden zal betekenen, om daarvoor een willekeurige reeks van waarden en wetten voor zich te scheppen, waaraan men dan wel kan beantwoorden.

U zit hier voor enkele uren bij elkaar. Stel nu eens, dat u in staat zou zijn elke regel, elke opvatting, elke eis van het leven en alle eigenschappen van mens en geest naar eigen inzichten te wijzigen? Denkt u, dat er dan een hemel op aarde mogelijk zou zijn? Ach. U droomt er wel eens van, maar innerlijk beseft u zeer wel, dat het leven dan voor u en alle anderen uiteindelijk tot een hel zou worden. Daarom zou u waarschijnlijk met al die mogelijkheden weinig of niets van belang verrichten. Toch zien wij steeds weer mensen, die voor zich blijven wensen, dat zij de wereld naar hun eigen inzichten in zouden kunnen kleden. Gezien het innerlijk besef, dat hiermede in wezen niets van de werkelijke waarden van het bestaan veranderen zou, vraag je je wel eens af, waarom zij deze dromen eigenlijk blijven koesteren. Laat mij u een paar voorbeelden geven uit deze tijd, waarin duidelijk wordt gemaakt, wat dit in uw werkelijkheid betekent.

Daar is de man, die zegt: “de mens denkt veel te veel aan zichzelf; laat ons meer aan God denken en Gods wetten – zoals hij die ziet dan – aan de mens met dwang opleggen.”

Die mens is een hemelbestormer van de verkeerde soort; hij weet immers heel goed dat alles, wat hij Gods’ wetten noemt, door hemzelf niet eens gehouden en gerespecteerd wordt, dat hij de waarheid omtrent de goddelijke wetten niet eens kent. Maar hij verkiest de droom van uitverkiezing en roeping boven een droge werkelijkheid, waarin hij weinig of niets te betekenen heeft. Hij streeft daarom uiterlijk naar de verwezenlijking van deze droom, daarvoor vele middelen gebruikende, terwijl hij wel degelijk beseft, dat de wereld bij een handhaven van de wetten, waarover hij steeds weer spreekt als “goddelijk”, de wereld van nu niet meer zou kunnen bestaan en de huidige beschaving, waarop hij toch zijn streven baseert, juist daardoor ten gronde zou gaan. Maar hij kan de werkelijkheden van het leven eenvoudigweg niet verwerken en blijft daarom, ondanks alles wat hij in zich weet en beseft, met grote felheid streven naar de verwerkelijking van zijn droom: Zijn eigen Godsrijk op aarde.

Dan is er de mens die zegt: “Over 20 jaren zullen wij alle nood gelenigd hebben. Ik maak nu plannen, die deze nood over 20 jaren uit zullen bannen.” Maar in het heden doet hij weinig of niets wat aan de bestaande noden kan verhelpen. Waarom stelt hij bij al zijn dromen en beloften, dat dit over enige jaren, over 5, 10 of 20 jaar pas merkbaar zal zijn? Omdat hij weet, dat het nu niet mogelijk is, iets waar te maken. Hij grijpt naar de toekomst niet in een zekerheid van wat hij bereiken kan, maar in de hoop op een wonder. Hij bestormt de hemel vanuit zijn wezen, en wel door beelden te creëren van een maatschappij, die in wezen zo nooit zal kunnen bestaan, omdat – wat hij maar al te goed weet – mensen altijd mensen zullen blijven.

Weer anderen zeggen: “geestelijke bewustwording is noodzakelijk; wij moeten daarom een algemene westelijke bewustwording nastreven, opdat over een aantal jaren de mensheid zijn geestelijke waarden zal kunnen begrijpen en waar zal kunnen maken.”

Zoals de anderen gelijk hadden volgens hun stellingen, heeft ook deze wel gelijk. Maar ook hij baseert zijn stellingen niet op de feiten. Hij gaat bv. uit van het standpunt, dat over enkele jaren de wereld van de geest inderdaad een voor allen werkelijke en toegankelijke wereld zal zijn, dat men daardoor gelukkig zal kunnen zijn. Maar zonder een zien in de toekomst kan men dergelijke dingen niet zeggen en zelfs nu kan men beseffen, dat geluk, vrede voor geheel de wereld, op deze basis niet gewonnen zullen kunnen worden. Zolang het denken en streven van het merendeel van de mensheid nog op eigen ik en eigen stoffelijke genietingen of voordelen gebaseerd zal zijn, zal zelfs een toegankelijk worden der werelden van de geest aan de feitelijke ontwikkelingen weinig kunnen veranderen.

Om deze en soortgelijke beelden, die wij in deze dagen overal aantreffen, te schetsen, zou ik zeggen: De mens schept zich de illusie van een convergerend streven op allerhande gebied, om zijn desillusie over het in feite divergeren van de bestrevingen en belangen in het heden te kunnen ontkennen.

In de maatschappelijke en religieuze bestrevingen zal men de onwerkelijkheid van eigen streven natuurlijk blijven ontkennen, maar in wezen is ook dit streven maar al te vaak een verwerpen van de wereld beneden om voortaan in de reine luchten boven te kunnen leven, zoals de ballonvaarder en piloot eens deden. De pogingen, die men doet om de wereld te verbeteren, zijn in wezen vaak niet veel anders dan de vlucht naar de wildernissen van bv. Afrika, de vlucht voor de wereld in een reis naar de maan of de sterren, werkelijk dan wel in verbeelding. Want de kern van dit alles is steeds weer: De behoefte om het heden en de werkelijke hedendaagse mens, de wereld, waarin men leeft, voor een ogenblik achter te kunnen laten.

Dit confronteert ons met de menselijke problematiek die wij de eeuwen door zich voor de mens hebben zien ontwikkelen. Wij kunnen als mensen – of als geest, wat dat betreft – de werkelijkheid niet in wezen achter ons laten. Onze dromen hebben alleen zin, onze avonturen zijn alleen belangrijk voor ons, wanneer wij daarmee terug kunnen keren tot de werkelijke wereld en ze daarin ter vergelijking uit kunnen stallen. Dit is begrijpelijk: de wereld bestaat niet alleen rond ons, maar is ook werkelijk deel van ons. Wij nemen die wereld mee met ons en zullen alleen in een communicatie op grond van deze wereld waartoe wij behoren, vreugde en aanvaarding in het leven kennen.

De blanke, die naar de zwartjes gaat om hen te bekeren, schept hierdoor al te vaak in een negermaatschappij een nieuwe maatschappelijke vorm, waarin de slechtste eigenschappen van de blanke maatschappij allereerst tot gelding komen, terwijl hij er toch niet in slaagt de eigen wereld en maatschappij van de neger geheel te niet te doen. De man, die de vrijheid van de vlucht naar de zuivere en reine atmosfeer ver boven het menselijke gevoel zoekt en mogelijk maakt in de werkelijkheid, schept daarmede alleen maar voor anderen de middelen, de atmosfeer met een steeds toenemend luchtverkeer zo te verpesten, dat men niet eens meer van luchtverontreiniging kan spreken, omdat er geen echte lucht meer is, maar alleen een walgelijk mengel van koolmonoxide en resten van de voor ademhaling noodzakelijke gassen. Uiteindelijk wordt zijn droom van een vrij en ver boven de wereld leven – zij het voor kortere perioden – tot een gaswolk vol razende vliegtuigen en zwevende verkeersagenten. De man, die vandaag naar de maan gaat, omdat het zo goed is het weten der mensheid uit te breiden met kennis omtrent haar naaste buur in de ruimte, zal daartoe de grenzen van menselijk weten en kunnen tot het uiterste beproeven. Maar morgen schept hij als gevolg van zijn zoeken naar nieuwe gebieden van kennis, een atoombommenbasis op de maan, waar vandaan men de gehele wereld zal kunnen ontvolken met een enkele druk op de knop.

Dit is de realiteit van al deze vluchtpogingen. Niet zonder tragiek misschien voor hen, die zo eerlijk en oprecht denken te zoeken naar de betere wereld van morgen, maar het is en blijft de werkelijkheid. Wij kunnen nooit met zekerheid iets gaan doen, dat over vele jaren eerst vrucht moet dragen. Wij kunnen immers niet zeggen, of het werk voor morgen inderdaad vrucht zal dragen. Wij kunnen alleen vandaag en met de mogelijkheden en middelen van vandaag werken.

Daarbij komt, dat bestrevingen voor de toekomst vaak een andere achtergrond krijgen toegemeten, dan zij in feite bezitten. Ik kan zeggen, dat ik appelbomen plant voor mijn kleinkinderen. Dat is ergens wel waar. Maar in feite gaat het mij dan toch niet om het feit, dat er later voor die kleinkinderen een overvloedige oogst zal zijn, die hen misschien een zekere welvaart geeft. Het gaat er voor de planter alleen maar om, iets te doen, waarmede hij de wereld van vandaag, waarmede hij niet tevreden is, denkt te kunnen veranderen.

Een hemelbestormer, die meer praktisch denkt, is in deze wereld van nu dan ook haast altijd een revolutionair. Hij probeert in de meeste gevallen niet iets elders te vinden of op een geheel nieuw terrein te doen, iets nieuws open te leggen of voor een toekomstige ontwikkeling zorg te dragen, maar zal tegen elk gebruik en elke wens van anderen in, proberen op zijn wijze, met alle nu beschikbare middelen, het probleem vandaag op te lossen.

Nu heeft een besluiten voor het heden en niet voor een toekomst vaak grote moeilijkheden. Wat moet je bv. zeggen als prelaat van een grote kerk, wanneer je voor de keuze staat of je het geloof in zijn praktijken wel of niet aan de heersende denkwijzen zult gaan aanpassen? Je kunt natuurlijk stellen, dat je in de eerste plaats rekening moet houden met de toekomst, met wat over vele jaren misschien zal ontstaan of komen. Ik kan mij voorstellen, dat dit voor velen zwaar zal wegen.

Er zijn dan ook concilies en andere bijeenkomsten van geleerde theologen – Godkenners, zo noemen dezen zich in feite, ofschoon zij meestal niet eens zichzelf waarlijk kennen, laat staan God – waarop steeds weer gezegd wordt: Wij moeten rekening houden met de toekomst van de mens, met de onaantastbaarheid van het geloof en dus iets besluiten en opbouwen, dat over 100 jaren aanvaardbaar zal zijn. Zij vergeten daarbij, dat vaak, zelfs indien wij de toekomst juist hebben ingezien, het geloof in hun formulering nog 99 jaren onaanvaardbaar zal blijven voor zo velen, dat er geen gelovigen over zullen blijven. En wat is dan de zin van hun besluiten met een oog op de toekomst gericht.

De ware hemelbestormer is in deze tijd een realist. Hij zoekt inderdaad de hemel op aarde tot werkelijkheid te maken, maar wordt als zodanig niet erkend en zal ook zichzelf nooit zo noemen, omdat hij zijn idealen laat zwijgen, terwijl hij de mogelijkheden van het heden voor alles uitbuit.

Ik kan u namen noemen van mensen, die inderdaad praktische hemelbestormers genoemd mogen worden. Indien ik u enkele namen noem, mag wel gezegd worden: ils sont bien étonnés de se trouver ensemble. Daar vinden wij Paracelsus naast Napoleon, de comte de St. Germain naast Nero, eenvoudige boeren naast vorsten, die in hun dagen steeds bij de dag van heden leefden, maar grote paleizen en kerken wisten te bouwen, omdat zij vandaag begonnen te doen, wat volgens hen mogelijk en wenselijk was.

In deze wijze van denken en handelen ligt volgens mij de kans, om eens werkelijk de hemel te bereiken, de toestand, waarin alles goed en volmaakt schijnt. Want de hemel ligt in jezelf. De vrede komt voort uit je eigen wijze van leven en werken. Waarom dan steeds beelden bouwen, die nog niet kunnen bestaan, waarom steeds bouwen aan illusies en niet uitgaan van de feiten?

In deze dagen hoor je al te vaak de klacht, dat er geen rust meer te vinden is op aarde, dat er niets nieuws meer te beleven of te ontdekken valt. Denk maar eens aan de jager op groot wild, die, in zijn Engelse club met melancholieke snor en whisky verklaart, dat je zelfs in het hart van Afrika tegenwoordig geen rust hebt, omdat je zelfs daar nog portable radio’s hoort schetteren.

Een collega ontdekkingsreiziger klaagt er over, dat alle mystiek en romantiek de wereld uitgaat. Laats nog zag hij een medicijnman van de Jivaro’s, die beroemd was om zijn genezingen. Bij nader beschouwen bleek hem echter, dat de man zijn successen dankte aan het rijkelijk gebruiken van penicilline.

Op vele gebieden horen wij mensen klagen over het heden en beweren, dat het vroeger anders en beter was. Maar wij kunnen nu wel naar het verleden kijken, werken moeten wij toch met de toekomst. Zelfs nationaal Nederland praat nog steeds over de dagen van Piet Hein. Men spreekt met trots over de helden van eens en vergeet er bij te zeggen, dat er geen grotere rovers waren dan de Nederlanders in die tijd.

Misschien dat, zo men dezelfde neiging tot piraterij in deze dagen ten koste van alles door zou kunnen zetten, ook het Nederland van heden nog groot zou zijn onder de naties. Want het over en weer bedrijven van roof, zij het langs diplomatieke kanalen, blijkt in de wereld van heden nog steeds mode te zijn.

Rond u is er voortdurend sprake van het probleem van de ontkerkelijking van de hedendaagse mens. Natuurlijk wil men daaraan iets doen door het bouwen van nieuwe kerken en scholen, door het vertonen van christelijk films e.d. Ik vraag mij echter af, of het niet beter zou zijn, wat minder kerken en scholen te bouwen, maar het de mens mogelijk te maken in zijn kerken weer in de plaats van dominee of pastoor eindelijk weer eens God te ontmoeten, om zijn naastenliefde in zich te voelen opwellen in plaats van zich te ergeren aan collectes en aanmoedigingen om vooral dit of dat te steunen?

De meeste problemen van heden liggen in wezen anders, dan de mens wil denken. Daarom is zijn vertoon van een hemelbestormer in wezen een slag in de ruimte geworden. Een werkelijke hemelbestormer kan in deze dagen niet anders zijn dan een heel eenvoudig mens. Hij is iemand, die niet al te veel filosofeert, al heeft hij zijn eigen denkbeelden en geloof. Hij maakt fouten en heeft zijn goede kanten, zo goed als alle anderen. Hij verschilt van de andere gewone mensen slechts op een enkel punt: Hij heeft de gewoonte alles, wat nu gedaan kan worden, zonder veel praten, ook nu te doen. Zo iemand vindt het niet noodzakelijk, er uren of maanden over te redetwisten, of zoiets op een andere manier misschien toch beter gedaan kan worden, want, zo beseft hij, dan is de kans om iets tijdig waar te maken misschien al weer voorbij. Daarom moet ik nu handelen. Zo iemand heeft geheel geen behoefte aan een subsidie. Wanneer het niet met subsidie kan, zo zegt hij, dan doen wij het eenvoudig zonder. Wanneer de gemeenschap er niet van overtuigd is, dat dit nu noodzakelijk is, dan zal ik het zelf waarmaken, voor zover het mij mogelijk is. Desnoods werken wij dan maar iets eenvoudiger.

Zo iemand is een werkelijke hemelbestormer. Want wat is de hemel? Een vorige maal heeft u daarover reeds veel gehoord met als hoofdthema: De hemel draag je in je. Nu dan: De hemel voor een mens is het besef, dat hij werkelijk iets doet, dat hij werkelijk iets betekent. De hemel is niet iets, wat later komt. De hemel is wat je nu en zelf bent door je eigen daden, je eigen leven. De hemel is een droom, die je steeds weer waar maakt en beleeft, ook al is het misschien maar voor een kort ogenblik; niet een droom, die je na blijft jagen, maar gelijktijdig steeds weer verplaatst naar een steeds verder wijkende toekomst.

Je ziet op het ogenblik op aarde vele vreemde dingen, waarbij je je toch wel gaat afvragen, of de mensen, die zo voorgeven – en misschien zelf ook geloven – dat zij voor “het grote” bestemd zijn en het grootste ook allen bereiken, nog wel helemaal normaal zijn.

Wat te denken bv. van een staatsman die, op dit ogenblik, grote last heeft met een paar generaals, en zijn volk niet werkelijk meer beheerst, maar nog steeds meent, dat een samenleven in vrede voor de verschillende belangengroepen in zijn land mogelijk is. Omdat hij, hij persoonlijk, zijn volk zegt – al kan hij dit niet waar maken – dat dit zo moet. Wat te denken van groepen van mensen, die voortdurend vergaderen over het handhaven van de vrede op de wereld, maar niet eens in staat zijn er voor te zorgen, dat er ook maar een enkele atoombom minder wordt vervaardigd? Wat te denken van instanties, die de wereld welvaart willen geven, maar kennelijk niet in staat zijn de mensheid bij te brengen, dat men de gaven, onderrichtingen enz., die zij geven, om moet zetten in een verstandig streven in plaats van een omzetten van alle nieuwe mogelijkheden in een steeds rijker wordend nageslacht.

In wezen zijn de problemen en fouten overal hetzelfde. Indien wij deze problemen op willen lossen, zullen wij daarbij zeker niet kunnen volstaan met een ingrijpen alleen maar in  de materie: De oplossing is zelfs niet gelegen in het alleen maar doen, wat je hand te doen vindt.

Indien wij een werkelijke hemel willen bereiken, zullen wij aan dit begrip zowel als aan alle daden, die o.i. daartoe moeten voeren, ook een geestelijke waarde moeten verbinden. Daarbij komt dan ook de geest in het geding. Maar de geest blijkt onder mensen nogal eens vreemd opgevat te worden. Ik vraag mij af, waarom men met alle geweld voor de gehele wereld b.v. de bijbel hoger wil stellen dan bv. de koran. Waarom alles afhankelijk stellen van de aanvaarding van deze opvatting – of de omgekeerde denkbeelden? Is het belangrijke van zo een boek gelegen in het feit, dat het meer waarde heeft dan alle andere boeken? Of ligt de werkelijke belangrijkheid ervan in het feit, dat het de mensen, die daarin geloven, een weg tot een juister leven toont?

Er zijn mensen, die zozeer vechten over de juiste interpretatie van wat zij de wetten Gods noemen, dat zij alle wetten van God en de natuur met de voeten treden in hun strijd, om te bewijzen, dat hun interpretatie de enig ware is. Geestelijk zal men moeten beseffen, dat er naast de uiterlijkheden van het leven een werkelijkheid van leven bestaat, waarin geen katholieken of moslims bestaan, geen christenen en niet-christenen, geen gelovigen en arme heidenen, maar alleen zielen, mensen, die moeten leven met dat, wat zij van zichzelf hebben gemaakt.

Dat is niet alleen in het hiernamaals, al speelt dit latere bestaan hier een rol, omdat daarin alles voor een ieder kenbaar en zonder mogelijkheden tot verder zelfbedrog tot uiting pleegt te komen. Maar ook in de stoffelijke wereld moet men elke dag leven met datgene, wat men van zichzelf geestelijk heeft gemaakt. Indien je de hemel wilt bestormen, moet je eerst in jezelf de vrede vinden, de erkenning van waarden, die nu voor het Ik bestaan – of deze nu God heten, het Licht of mijnentwege het perfecte systeem. In zich moet men deze waarden als juist en verantwoord kunnen aanvaarden, terwijl men daarnaast, om de vrede in het ik te kunnen bereiken en handhaven, deze innerlijke erkenning ook onmiddellijk moet worden omgezet in de praktijk.

U meent misschien, dat ik met de wijze, waarop ik dit onderwerp aansnijd, vooral aan de negatieve kant blijf. Ik heb een dergelijk verwijt al eerder moeten horen, maar is een communistische staat op te bouwen uit mensen, die alleen maar communist blijven, omdat zij menen, dat het henzelf daardoor beter zal gaan? Kan een socialisme waarlijk bestaan, wanneer het niet is gebouwd op een behoefte aan een absoluut dienstbaar zijn van het ik aan de gemeenschap, maar slechts een uiting is van de behoefte, om van de gemeenschap zoveel mogelijk nut te trekken? Kan er een christendom bestaan, wanneer het zich verhovaardigt en neerziet op anderen, in plaats van juist om de innerlijke bereikingen de anderen te dienen in nederigheid? Dienen, juist omdat zij misschien de minderen zijn? Ik meen, dat de gestelde vragen met “een onmogelijk” beantwoord moeten worden. De hemeltjes, waarvan men pleegt te spreken – of dit nu de hemel is waarvan Chroetsjew sprak, toen hij beweerde: Binnen enkele jaren zullen wij de economie van de USA voorbij streven, of de hemel die men volgens anderen kan betreden, wanneer men maar voldoende nalaat aan de kerk – zijn illusies. De wijze, waarop men meent die hemeltjes waar te maken voor zich of anderen, berust niet op feiten, maar is een blijk van waanzin, of gewetenloosheid.

De werkelijke vraag is: Hoe leert de mens met zich en anderen in ware vrede leven, zonder daarbij alle initiatief te verliezen? Want leven op die wijze is de werkelijke hemel. Wie de hemel wil veroveren, zal in de eerste plaats alle onrust en strijdigheid in zichzelf moeten bestormen, tot hij in zich een harmonie heeft geschapen, die niet de zuiver menselijke eigenschappen als zoeken en streven terzijde stelt, maar daarvan een voortdurende bevestiging van een en dezelfde waarde maakt: De innerlijke verbondenheid met alle Zijn. Zoals een kosmische hemel in werkelijkheid niets anders zal zijn dan een voortdurend erkennen van alle details van een overweldigende schepping, die voor allen eenzelfde zijn, eenzelfde contact met God bevatten, in allen dit contact met God opnieuw duidelijk maakt.

Dit brengt mij tot enkele eenvoudige – en volgens sommigen misschien zelfs domme –conclusies. Ik zou zeggen, dat iemand, die in deze dagen de hemel wil bestormen, voor alles aan één eis zal moeten beantwoorden: hij moet de moed en de kracht bezitten, om gelukkig te zijn.

Hij moet bereid zijn, datgene te zoeken, wat hijzelf als het goede en juiste ziet, maar dan voor zichzelf en daarvoor alles over te hebben. Zo iemand zal niet af moeten gaan bij zijn handelingen en verwachtingen op wat hij voor later verwacht of hoopt, maar alleen op datgene, wat steeds weer op dit ogenblik voor hem die vrede kan scheppen, zonder daardoor zijn vrede later te verstoren.

In de derde plaats zal zo iemand zijn relaties tot de mensheid – en tot God wat dat betreft – niet mogen bepalen op grond van stellingen, maar alleen op de grond van die mensheid, die God, zoals hij deze beleeft en erkent.

Ik vind naastenliefde een schitterend iets. Maar indien die naastenliefde het masker is, waarachter men zijn onverschilligheid voor anderen voor zich pleegt te verbergen, omdat men meent, dat je alleen met naastenliefde een goed en voor ieder aanvaardbaar mens kunt zijn, ben je geen hemelbestormer, maar een komediant, die zichzelf staat te bedriegen. De naaste lief hebben wil iets anders zeggen, dan steeds weer een aardig gezicht trekken en hoera roepen tegen de mensen. Werkelijke naastenliefde is ergens de hemel: Het is een vanuit jezelf in de ander voortdurend het goede van God zien en in die ander de mogelijkheid erkennen om – voor jezelf zowel als die ander – meer vrijheid, vreugde, geluk, kortom alles wat noodzakelijk is, te scheppen. De hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, gevangenen bevrijden, treurende troosten, zieken bezoeken enz., zijn allen omvat in het woord naastenliefde.

Maar wanneer je dit alleen maar doet omdat het zo mooi is om het te doen, en de ander alleen gebruikt als middel, om tot zelfverheerlijking te komen, dan zoek je alleen jezelf en zal je hierin God niet vinden. Dan doe je goede werken op de wijze van de freule van het kasteel, die toch niet beters te doen heeft en daarom een pannetje soep, dat eigenlijk niet zo noodzakelijk is, brengt naar de arme vrouw van de landarbeider, die eigenlijk alleen maar behoefte heeft aan stook in de kachel en warme dekens, aan een waterdicht dak en wat rust. Want vaak deed zo iemand dit alleen, omdat zij zichzelf daarbij zo goed gevoelde en verwachtte in dit gevoel van hoogheid en goedheid, dat men voor haar op de knieën zou vallen om te zeggen: Hoe goed, edel en hoogstaand is toch deze vrouw, zo zullen wij nooit kunnen worden.

U bent het met mij eens, dat dit geen ware naastenliefde is. Maar hoeveel mensen doen goed op deze wijze en om soortgelijke redenen? De hemel is de vrede? Goed. Maar als je die vrede werkelijk wilt bereiken, dan zul je die vrede voor jezelf eerst in de werkelijkheid tot stand moeten brengen en mag je geen genoegen nemen met een illusie, hoe mooi die ook schijnen moge. De kasteelvrouw van eens, beklaagde zich over de ondankbaarheid van de lagere standen en verloor daarin de vrede, die zij in een daad van naastenliefde zonder meer zeker voor zich had kunnen gewinnen. Zoals bepaalde liefdadigheidsverenigingen, die met feesten voor de armen fl.10,000 bij elkaar brachten, waarvan na aftrek van kosten fl. 500.- netto overbleef, ook altijd weer hebben geroepen: Men begrijpt ons niet, wij willen toch werkelijk goed doen. Wie erkenning voor zijn daden zoekt, zal op aarde en in de sferen geen werkelijke hemel kunnen vinden. Bedenk hier even, dat er op aarde veel mensen zijn, die zich de benen uit het achterste lopen om anderen ongevraagde diensten te bewijzen en dan klagen, dat zij alleen maar stank voor dank krijgen. Laat ons reëel blijven. Wat wij allereerst nodig hebben, is de innerlijke rust, waardoor wij God in ons kunnen erkennen. Daarnaast hebben wij dan een relatie met de wereld nodig, waardoor de hemel voor ons iets wordt, wat zich zowel in onszelf als in de wereld voor ons voortdurend bevestigt. Ik zou haast zeggen: De wereld is niet de bodem van de hemel, maar een zeer groot deel van de hemel – temeer voor hen, die die hemel voor zich weten te vinden.

En een hemel bestormen betekent eigenlijk niets anders dan een zoeken naar de zin van je leven en van je wereld. Anders niets. Als je daar bang voor bent, droom dan maar weg in vreemde idealen en voorstellingen. Schep jezelf dan maar de ideale wereld van het jaar 2000 of de jubelende entree, die je eens in de hemel zult maken, omstuwd door palmtakken zwaaiende engelen, met een Heer, die je goedkeurend op de rug zal kloppen, alsof je een braaf paard bent met de woorden: “Trouwe dienaar, gij hebt goed gedaan.”

Als je werkelijk geen vrede in jezelf kunt vinden en alles moet projecteren in dergelijke irrealiteiten, doe het dan desnoods. Maar denk dan niet, dat je goed bent, of dat je waarlijk de hemel bestormt. Wie naar de maan reist, zal in de eerste plaats het avontuur, de prikkel van het gevaar kennen. Wanneer hij daar, tussen stof en tufsteenklippen, op de maan iets vindt, dat hem nader brengt tot een begrip van zichzelf en zijn wereld, haar ontstaan en zin, heeft hij waarlijk met zijn daad de hemel bestormd. Maar wanneer hij alleen maar terugkeert tot de aarde met aanwijzingen, hoe men een depot van bommen daar kan neerzetten, heeft hij voor zich en de anderen eerder de hel bestormd en gevonden.

De werkelijke hemelbestormer is altijd weer de mens, die de wereld van heden durft aan te pakken, daarbij niet uitgaande van wat morgen kan zijn, maar van alles, wat nu bestaat. Hij is iemand, die de tekorten en moeilijkheden van vandaag durft erkennen voor wat zij zijn, en de nu nodige maatregelen durft te nemen, ongeacht wat er verder over hem wordt gedacht, of zelfs met hem gebeurt. Zo iemand staat dichter bij de hemel dan alle plannenmakers en allen, die in de ogen van hun medemensen heiligen zijn.

Indien wij de hemel willen bereiken, die in en rond ons is, zullen wij eerst de rust in onszelf moeten vinden, de aanvaarding van de risico’s van het heden en de mogelijkheden van de werkelijkheid moeten beseffen. Dan wordt de hemel duidelijker en duidelijker kenbaar, en wereld en leven breiden zich uit. Zij veranderen niet, maar worden rijker van inhoud. De man, die de hemel op aarde vindt ziet evengoed de begroting van Vondeling als iemand, die alleen maar de ellende van dit tranendal wil zien. Hij ziet ze echter op een andere wijze, in een andere relatie.

Het is de relatie tot het leven, die andere werelden, het kosmische zijn, de eeuwigheid voor ons gaat omvatten en zo de werkelijke zin vormt van alle hemelbestormende actie. Of degene, die dit doet daarvan nu besef heeft of niet. Probeer steeds zelf en voor jezelf de hemel te bestormen, al lijkt het gemakkelijker de generaal te zijn van hen, die de hemel gaan bestormen.

Want dan zoek je wel goede verbindingen met het slagveld, maar zorg je vooral voor een snel vervoermiddel om je daarvan te kunnen verwijderen wanneer het toevallig toch verkeerd zou gaan. En daarmede heb je de hemel reeds verloren.

Besef dat een mens, die juist leeft, daarmede zijn wereld nog niet verandert, door in zichzelf een waarheid te ontdekken. Wat hij zeker zal veranderen, is zijn eigen houding tegenover die wereld, zijn relatie met alles in de wereld en zijn besef voor de in de wereld essentiële waarden.

Wie in zich de eeuwigheid vindt, zal deze automatisch ook in anderen erkennen en deze eeuwigheid helpen verwerkelijken, zonder daarbij de ander ooit ook maar even geweld aan te doen in zijn eigen denken, geloof en leefwijze. Hij zal het Licht erkennen en dit voor zich gebruiken als een enorme kracht, niet echter om bv. een ander te genezen, maar om die ander in staat te stellen, zichzelf te genezen. Hij zal ook de wijsheid van de eeuwigheid, die hij dan steeds meer bewust in zich draagt, ook niet gebruiken om anderen te tonen hoe wijs hij wel is, maar alleen om ieder voor zich en schijnbaar vanuit zich alleen een beetje wijsheid te laten vinden.

Ik meen mijn onderwerp te mogen besluiten met de opmerking: Hemelbestormers, zijn degenen, die thuis durven blijven en daar vrede weten te vinden, en niet degenen, die voortdurend vluchten voor de werkelijkheid, die hen toch steeds zal blijven achtervolgen. Zij bestormen de hemel niet alleen met hun ziel, hun gedachten, of hun innerlijke krachten, maar met geheel hun wezen, omdat stof en geest voor hen een eenheid vormen, omdat wereld en hemel voor hen één en hetzelfde leven zijn en zelfs tussen stof en sferen voor hen geen grenzen bestaan. Zij leven in het eeuwige heden, waarin God zich steeds weer openbaart en men zelf de hemel aan zich waar kan maken. Zij, die leren de hemel te zien en steeds weer waar te maken in en aan zichzelf zijn de ware hemelbestormers.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

De innerlijke mens.

(door “Het Pastoortje”)

Ik heb lange tijd geen gelegenheid gevonden u eens te bezoeken. Nu deze gelegenheid weer bestaat, wil ik graag van mijn kant weer eens iets zeggen over de innerlijke mens.

Ik heb in mijn tijd nogal veel uren doorgebracht in de biechtstoel – en dan eigenlijk nog aan de verkeerde kant van het rooster. Daar ontdekte ik iets eigenaardigs: De mensen beschuldigen zichzelf meestal van de fouten, die zij het minste bezitten. Ik heb mij dan ook wel eens afgevraagd, hoe dit kwam; waarom een kwezelke zich juist van zinnelijke dromen beschuldigt, terwijl een, wier zinnelijkheid mij bekend was, zich slechts beschuldigde van onoplettendheid tijdens het gebed. Ik geloof, dat dit eigenlijk ons allen ergens eigen is; de fouten, die wij maar half bezitten, gebruiken wij graag om er mede te koketteren en de fouten, die wij werkelijk bezitten, willen of kunnen wij bij onszelf niet eens zien.

Hoe kun je als mens eigenlijk innerlijk tevreden zijn, hoe kun je je één gevoelen met het hogere, terwijl je jezelf zo bedriegt? Gelukkig hebben wij een God, die zich voor ons wel erg heeft ingespannen; wanneer wij onze fouten zelf niet zien, dan is het vreemde, dat God er ook niet over praat. Daarom geloof ik, dat de ervaring, die ik opdeed met mijn schapen – al had ik hen niet op het droge, maar probeerde ik hen alleen in de schaapskooi te houden – mij veel heeft leren begrijpen omtrent de werkelijkheid van de innerlijke mens.

God is liefde, maar niet de liefde, die wij daarvan zouden willen zien, geen bemoeizucht. Hij staat ons toe, om onze eigen waarden te bepalen. Wanneer je als mens probeert eerlijk een oprecht de fouten, die je van jezelf kent, te overwinnen, zo geeft Hij ons de kans, om onszelf te leren kennen. Ik heb vroeger altijd gedacht, dat de weg naar de hemel een heel moeilijke weg moest zijn. Bij elk mea culpa heb ik gedacht; voor jou duurt het nog een lange tijd, voor je dat niet meer hoeft te zeggen. Maar ik behoefde het eigenlijk niet te zeggen; dat is het leuke. De waarheid is, dat, wanneer je eerlijk bent tegen jezelf zo goed als je kunt, de goddelijke liefde er is en het je mogelijk maakt om jezelf a.h.w. in God te zien. God heeft ons zozeer lief, dat hij ons niet wijst op onze fouten, maar ons steeds weer helpt om de goede kanten van ons wezen te ontwikkelen.

De grote moeilijkheid, die er voor mij op het ogenblik in uw wereld bestaat, is dan ook vooral, dat de mensen voortdurend zo druk bezig zijn elkander op hun fouten te wijzen. Werkelijk de innerlijke kracht kennen is een kwestie van geloof. Misschien zijn mijn voorbeelden te veel uit mijn eigen verleden genomen, maar ik ben nu eenmaal zo. Voor mij was het als volgt. Wanneer ik een mis had opgedragen, zo kon ik bij de consecratie God beleven. O, ik weet wel, dat het anders is, als ik toen geloofde. Maar ik had daarin een waar contact met God. Toen heeft er iemand eens tegen mij gezegd, dat mijn latijn maar slecht was. Het gekke is, dat het weken heeft geduurd, voor ik in die mis weer God vond in plaats van mijn slechte latijn. Als je werkelijk in jezelf het goede wilt vinden, God wilt vinden, wanneer je een fout erkent, verbetert, dan geldt: Zoek niet naar je fouten. Zoek altijd maar naar het gevoel, zo verbonden te zijn met alle dingen.

Esoterie is een mooi woord. Wij noemen het ook wel eens geloof of de mystiek van het goddelijke. Maar het komt maar op één ding neer: Dat, wat ik geloof, dat wat ik beleef, is mijn waarheid. In die waarheid ontmoet ik het Hoogste. Ik ontmoet God niet, doordat ik worstel tegen mijzelf, maar doordat ik Hem in mijzelf erken en vind.

Dan is er altijd weer de eeuwige strijd van: Heb ik nu gelijk of niet. Ik heb dat in mijn dagen meegemaakt en weet, dat er van die heerlijke amateur-theologen waren, die mij gingen vertellen, wat bv. een sacrament eigenlijk was. En ik dacht, dat ik het veel beter wist. Weet u, wat het resultaat was? Dat wij de tijd, die wij hadden kunnen wijden aan het enige werkelijke sacrament, de communicatie tussen jezelf en God, wegpraatten in onze eigen pogingen om vooral belangrijk te zijn en gelijk te hebben.

Nu wil ik niet ondeugend zijn en zeggen, dat u dat ook wel eens doet. En wanneer u het doet, wil ik het u niet verwijten. Maar, wanneer je in jezelf altijd het goede laat leven, zijn er geen belangrijke strijdvragen. Dan zijn er geen werkelijke problemen. Of ik nu gelijk heb of niet, deert mij niet meer. Want God heeft toch altijd gelijk en tegenover Hem heb ik toch altijd ongelijk. Wanneer ik nu wat meer ongelijk krijg of wat minder, wat hindert dat dus eigenlijk?

Maar God is de vruchtbaarheid van mijn wezen. Wat er in mij ontstaat, wat zich in mij kan ontplooien, dat is uit God. Natuurlijk, God is ook maar een woord, een beeld. Maar het omschrijft iets wat bestaat, wat in je leeft.

Daarom wil ik nu vanavond heus eens nadrukkelijk zeggen:  Lieve mensen, jullie kunnen alleen aan esoterie doen, door in jezelf volledig te leven. Ik sprak kort geleden een collega – je blijft zo nu en dan nu eenmaal in het oude vak. Hij was overigens dominee geweest en ook hij heeft sedertdien veel geleerd. Hij zei mij toen: “Broeder, zij vragen mij altijd maar weer “Hoe kan ik helderziende worden? Hoe kan ik helderhorend worden? Hoe kan ik uittreden?” En ik kan het hen eenvoudigweg niet duidelijk maken, dat dit eigenlijk maar bijkomstigheden zijn. Hoe moet ik hen dat nu duidelijk maken? Ik heb hem toen een voorbeeld gegeven, dat hij nooit heeft durven gebruiken. Daarom gebruik in het nu. Ik heb gezegd: Al de gaven die je zoekt, zijn als de bulten, die je krijgt, wanneer de vlooien je steken. Maar om de bulten te krijgen, moet je eerst de vlo hebben. De vlo, waarvan ik spreek, wat vreemd aan het menselijke wezen en toch symbiotisch daarmee verbonden, is de liefde voor het leven, de liefde voor God.

Mijn beelden zijn soms wat ongelukkig misschien. En ik ben mij daarvan bewust. Maar een ieder zingt nu eenmaal, zoals hij gebekt is. Voor mij was de zang, naast het Gregoriaans, de taal van mijn land. Zonder het te weten heb ik de waarheid, die ik u probeer te vertellen, al eens een keer neergeschreven:

Wanneer het kabbelende water

in den avond lied’ren zingt

is het, of uit’ stille dromen

de stemme Gods mij in ’t herte klinkt.

Dat is nu de waarheid; de aanleiding doet er niet toe. Als God in je hart klinkt, dan ben je esoterisch bewust. En ik weet heel wel, dat het oneerbieding is, dit contact met God te beschouwen als een soort vlo. Maar wanneer God ons beroert, wanneer dit onbekende ons beroert, krijgen wij gaven als bulten. En in het begin krabben wij er alleen maar aan, want wij weten niet, wat er mede te doen. Op de duur echter zijn wij daardoor juist vernieuwd.

Ik heb in de laatste tijd geprobeerd de mensheid te helpen bij een vernieuwing. Ik zie altijd weer zoveel van mijzelf in de mensen, dat ik niet anders kan. Ik houd van de mensen. Ik hou van God, ik hou van de mensen. En de vernieuwing kan volgens mij alleen maar komen uit de innerlijke erkenning, de innerlijke aanvaarding eerst van het leven: Aanvaarding van dat, wat God ons geeft – of indien u daaraan de voorkeur geeft: van dat, wat het noodlot ons heeft toebedeeld. Dit is natuurlijk geen grote wijsheid. Maar het heeft een voordeel: Het is waar. Er zijn altijd vele mensen – ik kan er van houden als van kinderen, die ondeugend zijn – die steeds maar proberen iets meer waar te maken, en dat lukt nooit; iets is waar voor je, of het is voor jou niet waar. Daar, waar je de waarheid vindt en beleeft, vind je meteen God. En daar, waar iets niet geheel waar schijnt, waar het voor jou niet waar is, vind je alleen maar niets. Daar is dan helemaal niets.

Ik heb nooit te veel over de duivel gesakkerd van de preekstoel. Ik had altijd het gevoel, dat hij daar niet thuis hoorde. Maar nu begrijp ik pas, dat je, wanneer je daarover praat, je eigenlijk spreekt van het niets, over het negatieve zijn. En als je je als esotericus, bezig gaat houden met de chaos dan praat je ook over niets, over iets, dat niet werkelijk voor je bestaat. Indien je spreekt over je schuld en daarin zelf eigenlijk niet gelooft, dan spreek je over niets, dan betekent het niets.

Wanneer je spreekt over de liefde voor de naaste, maar je gelooft er niet in, spreek je alweer over een “niets”. Waarom zouden wij dan zoveel spreken over dingen, die voor ons “niets” zijn?

Een van de collega’s staat nu neen te schudden en zegt: Je moet ook op de gevaren wijzen. Maar laat ons nu eens spreken over datgene wat er voor ons is: Er is zon. Buiten mag het misschien koud zijn, maar het licht van de zon koestert, het leeft en maakt je licht van binnen.

En als je licht van binnen bent, waarom zou je dan niet zeggen: Dank je God; God, wat is je wereld goed. Als het regent en je zit droog – ik deed dit vaak en vond het leuk anderen door de regen te zien gaan – moet je eens tegen jezelf zeggen: wat zit ik goed! En waarom zou je dan ook niet zeggen: Wat is het leven nu voor mij goed! Of je leest een boek en er staat iets in, wat weerklank vindt in je innerlijk. Zeg dan: Dit is ook voor mij geschreven of gesproken, en wees er blij mee.

Leer om blij te zijn. Ook al gaat niet alles goed. Er is zoveel goeds. Leef in dit goede, begrijp dat er zoveel moois en goeds is, dat je vaak kunt zeggen: God, wat is je wereld mooi. God, wat is het leven goed. God, ik voel mij nu met u verbonden.

Wees maar niet bang, dat je dan te vroom bent. Wees ook niet bang om het woord “God” te zeggen – omdat Hij zo hoog is. God moet vlak bij je zijn, het leven moet steeds bij je zijn, in je wonen. Wanneer je dit bereikt hebt, dit bevestigen van de schepping, dan draag je in je, wat men het Licht noemt. Dan zie je de schoonheid, zie je de wijsheid en vind je in jezelf het belangrijkste, wat er is: De liefde, niet voor een enkele mens of dingen, maar voor het bestaan.

Print Friendly, PDF & Email