Herboren dood

7 augustus 1964

Aan het begin van deze avond wil ik u er allereerst aan herinneren, dat u zelf dient na te denken over alles, wat wordt gebracht, omdat wij nu eenmaal niet alwetend of onfeilbaar zijn. De titel zelf bevat reeds een schijnbare tegenstrijdigheid: Hoe kan de dood herboren worden? Voor degene, die niet op de hoogte is van de werkingen van karma, de werkingen van verloop van energie en het feit, dat geen energie ooit geheel teloor gaat, zal dit alles wel kolder blijven. Voor ons echter, die enig inzicht in deze zaken hebben kan de titel – en ook het onderwerp zelf – eenvoudig en kort worden uitgelegd:

Sterven hoeft voor het ik geen dood te betekenen. Dood wil zeggen een gevoel van absolute afgeslotenheid, waarbij men eventueel later herboren wordt, of ontwaakt in een nieuwe wereld en daar, zonder werkelijk bewustzijn van eigen vroeger bestaan, opnieuw gaat leren zichzelf te zijn.

Er zijn voor de mensen mogelijkheden te over om, terwijl voor de stoffelijke wereld de “dood” intreedt? reeds een nieuwe wereld te beseffen en daarin zonder enige onderbreking van bewustzijn, over te gaan met algeheel en bewust behoud van eigen persoonlijkheid, kennis en eigenschappen. Zelfs eigen problemen blijven dan nog enige tijd bestaan als normaal.

Er is dan in het bewustzijn geen enkel hiaat. Ook bij het gaan van sfeer tot sfeer kennen wij hetzelfde effect: je kunt in een sfeer tot bewustzijn komen door het eigen bewustzijn zover te vergroten, dat het a.h.w. reeds een deel van de hogere sfeer bevat.

Naarmate het bewustzijn groeit zal men voor de lagere sfeer minder kenbaar worden – a.h.w. ophouden te bestaan – terwijl men de nieuwe wereld zonder onderbreking van bewustzijn erkent en daarin dan ook als een vol ontwikkeld wezen met alle mogelijkheden onmiddellijk verder gaat.

Hier is dus geen sprake van “dood”. Wanneer wij echter te maken krijgen met de onbewuste mens of geest, is de overgang voor hem een “dood”, een ogenblik van uitblussing. Al wat voor het ik belangrijk was, blijft achter. Daardoor is elk nieuw ontwaken voor zo iemand een geboren worden, terwijl zelfs een verhoging van sferen een afscheid nemen van een wereld betekent en zo in feite tot een “sterven” wordt.

Je zou dus de mensheid kunnen verdelen in twee klassen: zij die alleen maar herboren worden en zij, die alleen maar sterven. Het is op dit verschil, dat de titel voor dit onderwerp – overigens reeds lang geleden – werd gebaseerd.

Ik wil trachten in het kort een paar punten over de dood naar voren te brengen, die voor u van belang kunnen zijn en daarbij de vaak herhaalde waarheden omtrent overgang enz. aan uw eigen verbeelding over te laten.

In de eerste plaats:

Alle leven is een ontwikkeling. Een onderbreking in een ontwikkeling, waarin het “bewustzijn” stilstaat, en/of herinneringen, kennis omtrent het verleden, teloor gaan, is dood. Dit komt regelmatig voor en de dood op zich brengt zonder meer een herboren worden met zich – echter vaak zonder voorkennis omtrent vroeger bestaan – zodat een harmonische ontwikkeling en eenheid van streven over meerdere bestaansvormen of levens niet denkbaar is.

Verder moeten wij hierbij nog rekening houden met het feit, dat ons persoonlijk bewustzijn vaak niet in staat is een wereldconcept in de oorspronkelijke vorm te behouden. Het bewustzijn, dat over de dood wordt voortgezet en in voortdurend nieuwe omgevingen zichzelf kan blijven, is niet gebonden aan wereldvormen, aan bepaalde morele of godsdienstige opvattingen, maar blijft wel gebonden aan alle bestaande kosmische concepten. Alle leven kan als zodanig omschreven worden als een kosmisch bewustzijn, waarbinnen het ik actief blijft, zodat het bewustzijn zich ten minste wijzigt, maar in de meeste gevallen tevens zal uitbreiden.

Indien gezegd wordt – ik citeer hier woorden van Jezus – “Indien gij mij volgt, zo zult gij de de dood niet sterven”, gaat men uit van het standpunt, dat er op de aarde en ook elders een weg te vinden moet zijn, waarbij een teloorgaan der persoonlijkheid en een uitblussing van kennis omtrent eigen ik in het verleden, overbodig wordt.

De kern of sleutel hiervan ligt echter niet in begrippen als dood, overgang, geboorte, leven. Zij liggen in het persoonlijk bestaan. De kernwaarde is deze: Het ik bevat een kosmisch wezen – al is het daarmede niet altijd geheel identiek – omdat het ik-bewustzijn wel kan verschillen van deze kern. Dit kosmische wezen omvat evenzeer het tijdloze als het totaal van de voor het ik bestaanbare tijd in zich. Zolang dit wezen actief is, zal er geen mogelijkheid bestaan, dat het bewustzijn ergens faalt. Uit deze activiteit wordt namelijk de kosmische, of blijvende waarde van alle dingen voortdurend gezien en zal een eventueel combineren van dit bestaan met de vorm, waarin een bepaald kosmisch bewustzijn bereikt werd, een terugzien op vroegere levensvormen mogelijk maken.

Dit laatste is echter niet noodzakelijk, omdat het eigen bewustzijn geestelijk meer zal kunnen omvatten, dan bv. in een stoffelijk voertuig tot uiting gebracht kan worden. De innerlijke waarheid is ook niet gebonden aan de overgang.

Zij kan, onafhankelijk daarvan, bereikt worden in elke sfeer of wereld waar men vertoeft; zodra het gevoel van eenheid met het kosmische gevonden is, is voor het ik alle begrip van dood weggevaagd.

Nu zullen er vele mensen zijn, die een dergelijk bewustzijn voor een kort ogenblik kunnen bereiken. Er is bijna niemand, die in zijn leven helemaal geen contact vindt met wat hij pleegt te omschrijven als de kosmos, de Lichtende Geest, de hogere waarheid of God e.d Dit contact is een terugkeer tot de werkelijkheid. Wanneer men echter ontdekt, dat deze werkelijkheid niet past bij het eigen tijdelijke bestaan, tracht men deze waarheid om te vormen tot iets, wat nog wel aanvaardbaar blijft. Daarmede is het contact met deze werkelijkheid dan echter teloor gegaan.

Op het ogenblik, dat een bewustzijn van het eeuwige in het ik wordt omgevormd tot iets, wat alledaags en bruikbaar is, volgt hieruit, dat het kosmische bewustzijn, de continuïteit van het ik weer teloor gaat en zo de dood binnen de mens herboren wordt. Door de verwerping van de blijvende waarden zal de mens het tijdelijke, omdat hij dit verlaten moet en toch als maatstaf blijft hanteren voor zich en de wereld, waarin hij leeft, boven de werkelijkheid stellen en zo een hiaat van bewustzijn ondergaan op het ogenblik, dat hij de wereld, waarin deze maatstaven gelden, verlaten moet.

Wij gaan over het algemeen uit – althans de mens – van een soort groei; je gaat uit van een onbewust wezen. Via vele trappen wordt je uiteindelijk mens en vanuit het menselijke ga je dan nog weer veel verder. Bij deze voorstelling van de groei zijn rassen, subrassen enz. betrokken. Er worden door de mens hele kosmische gangen door alle sferen uitgestippeld. Deze dingen zijn op zich misschien wel heel mooi en aardig. De vraag is echter: zijn zij ook juist? Wanneer wij de werkelijkheid willen weten, moeten wij niet uitgaan van wat zal zijn, van wat is geweest, zelfs niet van het ras, waartoe wij behoren, of van de tijd, waarin wij leven. Wij zullen alleen uit moeten gaan van het innerlijk zelf en de daarin gelegen kracht.

Nu bestaat er een methode om de mens vroegere levens te doen herbeleven. Hier in het westen wordt zij praktisch niet gebruikt. Tot voor kort werd zij bij de hogere Hindoekasten echter veel gebruikt, terwijl ook de lamaïstische boeddhisten hiervan nogal iets af wisten. Over het algemeen is deze methode echter langzaamaan teloor gegaan en algemeen wordt zij alleen bij bepaalde negerstammen nog gebruikt. Binnen het kader van dit systeem werd dus gezocht naar de vroegere incarnaties, de vorige levens. Dat was heel aardig. Maar wat was eigenlijk het doel van deze methode?

Zij trachtte de mens geheel los te maken van alle dingen. Daarom is eenzaamheid een belangrijk deel ervan. Bij de lama’s werd dit een retraite, soms zelfs door ingemetseld zijn, met daarnaast het offer van het tijdelijk ik aan de geesten. Bij de hindoe’s was er eveneens een zeer teruggetrokken leven voor noodzakelijk, terwijl bovendien voor het lichaam alleen het aller- noodzakelijkste aan voeding en drank wordt genoten. Bij negerstammen is dit nu nog een inwijdingsperiode, waarin een vasten is opgenomen, die rond 40 dagen pleegt te duren.

Met deze methoden krijgt het menselijk bewustzijn wel toegang tot het verleden, maar het verwerven van deze kennis heeft weinig of geen zin, tenzij wij weigeren haar te beschouwen als een bepaling van ons huidig punt van bereiking.

De grootste fout is namelijk, dat men aan de hand van zijn weten omtrent vorige bestaanswaarden stelt: nu ben ik dus zo en zo, mijn lot zal zo zijn en mijn relaties met andere mensen zijn dus door dit verleden reeds bepaald. Hierdoor geeft men de “dood” weer toegang tot eigen bewustzijn, want men stelt een toestand als vast, welke door relaties gebonden is, niet door eigen innerlijk, maar die door omstandigheden uit het verleden wordt bepaald en zo de mogelijkheden gaat ontkennen, die uit het werkelijke ik, het kosmische wezen, voortvloeien.

Kunt u mij nog volgen? Ik bemerk, dat sommigen dit wel erg moeilijk vinden. Maar ik moet nu eenmaal proberen zo kort en volledig mogelijk te zijn.

Verder moet u eens rekening houden met het feit, dat dit kosmische deel van het ik ook krachten bezit, waarover dus de mens moeilijk kan oordelen en meestal niet kan beschikken.

Er zijn daaronder scheppende krachten. Kosmische kracht kan zich in elke vorm kristalliseren, zonder haar wezen daarbij te verliezen. Bij een teloor gaan van de vorm kan deze kracht tot haar bron terugkeren, zonder enigerlei wijziging te hebben ondergaan. Vanuit het ik kan dus worden geschapen en elke persoonlijke schepping kan zonder meer tot het ik worden terug genomen.

Ten tweede: – en dit is weer van belang – kan men door de kosmische kracht elke structuur beïnvloeden of veranderen, zolang zij in haar uiting onvolledig is en dus niet aan de aan haar inherente kosmische normen beantwoordt.  Bij elke afwijking van de kosmische normen kan een ego zijn energie daarin storten en zal deze energie weer tot zich terug kunnen nemen, mits de wijzigingen, die tot stand gebracht worden, mede tot het eigen ik gerekend worden. Dus, voor datgene, wat ik doe, ben ik altijd geheel aansprakelijk. Daarbij kan men dus zowel mensen genezen als buiten de menselijke werkelijkheid treden en daar werken.

Tijd is een flux van energie, die vanuit het kosmisch bestaan meetbaar, bepaalbaar is en – in de onbeperktheid van eigen verloop – voor het ik gelijktijdig geheel overzichtelijk blijft.

Deze laatste formulering doet u waarschijnlijk duizelen. U kunt daarover nog wel eens nadenken wanneer u daarvoor tijd hebt. Het betekent niets meer of minder dan het volgende: De tijd kan worden beschouwd als een cirkel, waarbij je, buiten de tijd staande – het middelpunt van de cirkel – alle delen van de tijd gelijkelijk zult kunnen overzien, alleen maar door de eigen aandacht van het ene deel van de cirkel op een ander deel te richten. Daarop komt deze uitspraak wel neer. Het ik is dus meester van de tijd, zodra het zich kosmisch  bewust is. Zolang men de slavernij van de tijd, het gebonden zijn aan vaste normen van progressie en flux van buitenaf, aanvaardt, zal dood op kunnen treden. Waar het ik zich hiervan bewust vrij maakt, treedt niet alleen een vrij-zijn van de dood op – kosmisch blijft het bewustzijn een continuïteit in elke vorm van leven, zoals de taakvervulling eveneens van het kosmische uit door alle vormen van Zijn gestipuleerd wordt – maar bovendien is een overzicht van die tijd mogelijk tijdens een werkzaam zijn op een bepaald moment van de tijd en omvat dan elk denkbaar moment.

Elk deel van het leven kan dus worden aangevuld met kennis omtrent de toekomst en het verleden. Dit veroorzaakt geen veranderingen in motiveringen of de vormen, waarin men leeft, maar betekent wel een diepgaande verandering in de beleving van dit alles.

Dit wat zware deel van mijn betoog moet u maar op de koop toenemen, omdat de herboren dood nu eenmaal iets is, waarmede wij allen nog te maken krijgen. De dood is niet alleen maar het sterven zonder meer: in vele gevallen is de bron van de dood, de staking van bewust leven gedurende een periode – het product van angst. Op het ogenblik, dat u iets vreest, sterft in u het vermogen om andere waarden in waarheid geheel in uzelf te beleven, juist te overzien en juist te verwerken. Angst doet dus een groot deel van het wezen in feite sterven. Dit geldt zelfs, wanneer er sprake is van angst om anderen, die dus geen angst is voor het eigen ik in de eerste aanleg.

Elke negatieve factor in het leven doet binnen ons de “dood” actief worden. Deze “dood” is, een uitblussing van een deel van ons eigen bestaan, een uitblussing van een deel van onze werkelijke contacten met de wereld, de kosmos, anderen, een uitblussen van onze bewuste deelname in een deel van het leven of in een wereld.

Wanneer wij die dood niet meer willen kennen, de angst terzijde zetten, waardoor wij de tijd en niet de kosmische waarden van ons ik in het geding plegen te brengen, wanneer wij daarnaast de gedachte van bezit, recht, ja, zelfs de gedachte aan wat morgen kan zijn, terzijde kunnen stellen wanneer dit nuttig of noodzakelijk is, leven wij eeuwig.

Wij zijn dan niet slechts wezens, die herboren worden in de geest of reïncarneren in de stof, maar zijn voor onszelf steeds waar en beseffen zonder enige onderbreking ons leven, ons werkelijk ik en onze taak binnen de eeuwigheid.

Ons werkelijk ik, ons innerlijk wezen, is nu eenmaal niet geschapen om te vrezen, hetzij voor een mogelijke wereldoorlog of voor andere dingen als armoede, verlies enz. Ons wezen is niet gemaakt om onzekerheid te kennen in de meer kosmische zin van het woord. Wij zijn kosmische wezens en als zodanig eist onze structuur, het wezen dat wij in de Goddelijke Werkelijkheid zijn, een voortdurend waarnemen van het bestaan. Maar dan ook alleen op het ogenblik, dat dit voor ons ook beleven wordt, dus niet gisteren of morgen, maar alleen het heden.

Het vergt van ons verder een zo volledig mogelijk uitdrukken van dit ik. Wanneer wij daarbij de toekomst moeten betrekken, zo zal dit niet in de vorm van vrees of begeerte mogen gaan, maar zal het een uitbreiding van eigen taak of een vaststelling van eigen nu bestaande noodzaken en verplichtingen in kunnen houden.

In deze dagen is dit onderwerp dus wel belangrijk, naar ik meen, omdat velen in hun leven angsten een zeer grote rol laten spelen.

Angst moet vermeden worden. In deze tijd treden grote krachten op. In de komende maanden zult u waarschijnlijk zelf en aan den lijve het bestaan van de krachten scherp ervaren. Wanneer u die krachten op de juiste wijze weet te aanvaarden en te ervaren, betekenen zij voor u onder meer een uitbreiding van uw vermogens. Zij betekenen voor u vooral een meer intens leven, hierbij doet het er niet toe, of je al oud bent, of eerst pas bent komen kijken. Het doet er dan ook niet aan toe, of je veel gehad hebt of meent, nog veel meer dan dit eens te kunnen verwerven.

Het gaat er alleen maar om, dat men deze krachten zonder angst of begeren weet te aanvaarden en in zich weet te erkennen als een kosmische waarde. Door niet bang te zijn en je niet af te vragen, hoe het morgen wel zal zijn, of gisteren ook weer geweest is, doch steeds jezelf af te vragen: wat is dit, wat betekent deze kracht nu, vandaag voor mij, zal men daarmede veel kunnen bereiken. Dan wordt het ik in zekere zin herboren, maar zonder dat er een dood aan vooraf gaat: er is geen merkbaar verschil of een merkbare overgang tussen de oude toestand en de nieuwe, alleen eigen mogelijkheden blijken beter en groter te zijn.

Geleidelijkheid speelt dus ook hier een rol. Begrijpelijk, want zonder die geleidelijkheid zou men moeten beginnen, geheel opnieuw te leven en dat kan nu eenmaal niet. Neen, er is eenvoudig een geleidelijke, haast niet merkbare overgang, waarbij je komt van het krachteloze, het gebonden zijn, tot grotere vrijheid en grotere beheersing, terwijl je gelijktijdig van onwetendheid komt tot een steeds zekerder en juister begrip omtrent eigen mogelijkheden en vermogens, wat voert tot het actief en bewust gebruiken van eigen kosmische krachten.

Let wel: dit zijn feiten van de nabije toekomst. Zij zullen voor u alleen een rol kunnen spelen, wanneer u niet bang bent, wanneer u geen onrust en onzekerheden kent voor uzelf of voor anderen. Wanneer de mens de onrust, die op het ogenblik bij zovelen reeds potentieel of gedeeltelijk gerealiseerd bestaat, geheel in het ik actief laat worden, sterft er iets in je, dan gaat de mogelijkheid van een deel van je wezen in je teloor, dan zul je je mogelijkheden niet meer weten te gebruiken. Dan wordt de dood keer op keer in je herboren. Dan sterft niet alleen maar, zoals u nu misschien denkt, een deel van uw huidige mogelijkheden, uw huidig leven en bewustzijn, maar gaat ook méér teloor. Men schept dan in dit leven, of, wat waarschijnlijker is, na de overgang, een periode van duister, van ongerichtheid en verminderd bewustzijn, waarin een nieuwe oriëntatie gevonden moet worden.

Dolen in het duister wordt door de mensen op aarde maar al te vaak alleen beschouwd als een straf, die men zal moeten ondergaan, wanneer men op aarde verkeerd heeft geleefd. Het is in hun begrip alleen een kwestie van boeten. Laat men dan wel beseffen, dat dat niet altijd waar is. Het mag in sommige gevallen gelden: wie handelt tegen eigen wezen en ingaat tegen eigen geloof aan God, vindt het duister, dat is waar. Maar in de meeste gevallen vloeit het vertoeven in schaduwland grotendeels voort uit het feit, dat men door onzekerheid, angst, begeerten tijdens zijn stoffelijk leven voortdurend delen van het werkelijke ik heeft uitgeschakeld en zo kosmisch bewustzijn in zichzelf heeft doen sterven.

De hel is niets anders dan een erkennen van de fouten, die men heeft gemaakt, zonder in staat te zijn de dingen te aanvaarden, zodat het tijdelijk bewustzijn van kosmische waarden steeds opnieuw delen van het ik doet sterven. Daar komt het diepe duister vandaan, waarin dit proces zich voort kan zetten, tot zelfs de herinnering zo gevreesd wordt, dat zij niet meer optreedt en het ik, qua bewustzijn dood, zijn gangen zonder vruchten van vroegere bereikingen voort moet zetten, tot wederom het kosmische ik gerealiseerd wordt binnen alle vormen waarin het bestaan zich afspeelt. Hier komt het duister vandaan. Nergens anders vindt het voor ons zijn bron.

Nu weet ik wel, dat de meesten onder u het voorgaande plegen te doen. Maar er zal altijd nog wel een stukje van uw wezen overblijven, dat toch zonder meer nog het Licht kan aanvaarden. De vraag is alleen maar, hoe groot dit is. Want hoe minder je in dit leven het Licht actief in jezelf doet werken, hoe minder je actief werkt, dus ook met de krachten in je wezen, die eeuwig zijn, hoe kleiner ook het deel van het ik zal zijn, dat een overgang naar een andere sfeer of wereld kan aanvaarden, zonder een tijdelijke uitblussing, zonder een moeilijk zoeken naar de waarden van het nieuwe bestaan, waardoor je bent als een kind, dat onder pijnen geboren wordt en dan eerst lange tijd nodig heeft om zijn wereld te leren kennen. Je kunt als ‘volwassene’ overgaan, je kunt echter ook overgaan als een embryonaal wezen, dat vanuit een onbegrepen duisternis steeds weer opnieuw in een grote wereld wordt gestort, waarin het zal moeten leren leven.

De keuze is altijd weer aan ons: er is een tijd geweest op aarde, dat er in deze zin geen dood was. Een tijd, waarin het ik eenvoudig in de stof leefde tot het wist: hier heb ik geen taak meer. Om zich dan neer te zetten en langzaam, zonder dat dit voor iemand iets opvallends of droevigs had, zich terug te trekken uit deze wereld naar een andere wereld, waarin zonder onderbreking in bewustzijn of bestaansbeleving het Zijn werd voortgezet. Toen echter kwamen steeds meer de angsten en begeerten van de mens op de voorgrond. Men ging de beperkingen van eigen leven uitdragen en de dood kwam steeds dichterbij en betekende steeds meer een werkelijk duister, een sluimering, waaruit men zonder te weten waar men is, in een nieuwere wereld ontwaakte.

Nu sterven de meeste mensen. De dood werd herboren op het ogenblik, dat de wereld voor de mens beter beheersbaar werd, op het ogenblik dat de mens zijn geestelijke middelen steeds meer door andere, meer stoffelijke wilde vervangen. Daaraan was niets te doen. Het was a.h.w. noodzakelijk en vormde deel van een ontwikkeling, die elk ras door zal moeten maken. Maar het is niet noodzakelijk, dat de mensen, die binnen dit ras, op dit ogenblik bestaan, steeds weer terugkeren tot deze “dood”, dat zij steeds weer terugkeren tot een algehele of gedeeltelijke uitblussing, terwijl zij krachtens hun wezen zouden kunnen voortleven zonder enige gekende grens of beperking.

De krachten van deze dagen zullen hierbij voor degenen, die nu leven, ongetwijfeld, grote mogelijkheden openen. De gebeurtenissen van deze tijd zullen voor vele mensen – al beseffen zij dit niet – een soort vuurproef zijn waarmede bepaald wordt of zij levenden zijn dan wel de dood in zichzelf voeden en oproepen.

Daarom hebben wij dit onderwerp reeds enige tijd geleden op het programma gezet, daarom ook heb ik getracht dit vandaag juist op deze wijze voor u uit te werken. U mag zowel over de inleiding als over deze uitwerking van het gegeven thema na de pauze zoveel vragen stellen, als het u maar belieft. Alleen moet u daarbij wel één ding onthouden: niemand kan u uw onzekerheid ontnemen dan uzelf. Niemand kan u zoveel kracht geven als u in uzelf kunt ontdekken.

Niemand kan zoveel duisternis wegnemen in en rond uw wezen en bestaan, als u zelf kunt doen door de erkenning van de Lichtende waarden in uw wezen.

Daarom hoop ik ook, dat u hij uw vraagstelling niet alleen uit zult gaan van de Witte Broederschap en haar optreden van de kosmische golven en invloeden, maar ook van uzelf. Want het menselijk Ik krijgt in de komende tijd, maar enigszins ook reeds nu, ongedacht grote mogelijkheden, om zonder uitblussing of smartelijk scheiden zijn plaats in te nemen in een andere meer geestelijke en volgens de mens ook wel hogere gemeenschap.

  • Dus de mens, die bewust is, gaat niet door de mist bij het verlaten van de stof?

Dat is inderdaad juist gesteld. De mens, die volledig bewust is, verlaat zijn stoffelijk lichaam, zonder dat daarbij voor zijn persoonlijk bewustzijn ook maar sprake is van een enkele onderbreking van het bestaan, of dat een begrip van scheiding en achterlaten een rol speelt.

De dood – in dit geval het verlaten van het stoffelijke lichaam – is voor dergelijke entiteiten dus meer het binnen treden in een grotere en ruimere wereld. Hij voelt dit ongeveer als een mens het voelt, die vanuit een kleine kamer of vestibule een feestzaal kan binnen gaan. Men voelt dit niet als iets, dat blijvend is; men betreurt ook het feit niet, dat men “zijn jas” in de garderobe moet laten hangen. Men is alleen maar tevreden, dat men in de feestelijke ruimte de vrienden en bekenden ziet, die reeds eerder naar binnen zijn gegaan, dat het buffet al open is en al dergelijke prettige dingen meer.

Ik hoop dus, dat het u duidelijk werd, dat het hier dus niet gaat om het leven in deze stoffelijke wereld. Voor deze wereld gaat zo iemand natuurlijk dood, maar hij leeft voort in een andere wereld, waarvan men zich in de stof normalerwijze nu eenmaal niet bewust is. Misschien zal binnen niet al te lange tijd het ogenblik komen, dat men ook op aarde blijvend contact op kan nemen met deze andere wereld, maar nu is dit voor de meeste mensen nog niet het geval. Ik hoop, dat de vraag – of beter de opmerking – hiermede op voldoende wijze van commentaar voorzien werd.

  • Is het van groot belang, wanneer wij wat weten van onze vorige levens? Is het niet beter te weten, wat wij nu zijn?

Ja. Dat is een kwestie van persoonlijke opvattingen onder de mensen. Er zijn mensen die zeggen: omdat ik het verleden ken, begrijp ik beter, wat ik nu ben; ik begrijp mijzelf beter. Men gebruikt dan dus de kennis van vorige incarnaties en fouten, om nu te komen tot een betere kennis van en beter inzicht in eigen huidig wezen. Vanuit een menselijk standpunt vind ik dit alles zover nog wel aanvaardbaar. Maar de praktijk is toch wel enigszins anders!

De relaties en verhoudingen, die uit vroegere levens ontstaan zijn, zijn ofwel tijdelijk – van voorbijgaande aard – dan wel kosmisch, deel van de eeuwigheid. Wat deel is van de eeuwigheid, bestond reeds vóór dit vroegere leven en bestaat ook vandaag in mij. Wanneer ik mij daarvan bewust ben, hoef ik mij niet af te gaan vragen in welke vormen en op welke wijze dit zich ooit gemanifesteerd heeft: ik weet, dat het bestaat. Zelfkennis in het heden is volgens mij dan ook veel meer een begrip van de eeuwige waarden, die je in je draagt, van de beperkingen misschien ook, die nu in dit opzicht nog voor je bestaan, maar vooral een erkennen van vele zogezegde belemmeringen, die in wezen niet voor je bestaan, dan een kennen van vroegere incarnaties.

Degenen, die zich teveel aan dit verleden, aan dat wat zij vroeger geweest zijn, plegen te wijden, zullen vaak de fout maken dat zij uiterlijke banden of bindingen, hetzij met mensen of landen, gaan zien als beheersend voor het heden. En dit is zeker niet het geval. Per slot van rekening: dames, wanneer u een winterjapon gaat kopen, kijkt u dan allereerst naar de zomerjapon, dat u dit jaar gedragen hebt? Neen. U kijkt naar datgene, wat u past en bovendien wat de mode is, wat u het beste staat. ik geloof, dat je zo ook moet handelen in het werkelijke leven en dus het verleden ten hoogste kunt zien als een referentie, waarvan men in bescheiden mate gebruik kan maken. Zoals u rekening zult houden bij uw aankopen, dames, met de maten van de zomerjapon, tenzij u in de afgelopen tijd de welvaart te veel in de breedte hebt gevoeld. Deze maten bepalen de vormen, de behoeften van het ik. Meer zijn zij niet. Zij bepalen de snit niet, het patroon niet, maar alleen de eisen van de pasvorm.

Voor mij lijkt het daarom beter dat men zich houdt bij het kennen van eigen wezen en behoeften van het heden. Kent men die, dan zal eventuele kennis van het verleden en de belangrijke fasen van een vroeger bestaan wel vanzelf tot uiting komen, wanneer zij van belang zijn voor het huidige bestaan. En wanneer deze dingen voor uw werkelijke ik, voor uw bewustwording ook, onbelangrijk zijn, waarom zou u zich er dan over bekommeren?

  • Mag ik eens iets vragen over de wijze, waarop men omtrent vroegere incarnaties  te weten komt, zoals door een medium enz.? Deze zijn toch vaak onbetrouwbaar, nietwaar?

Deze onbetrouwbaarheid heb ik maar buiten beschouwing gelaten, dat hebben wij bij de ongeveer 250 leringen over reïncarnatie die wij gegeven hebben, elke keer weer behandeld. Je weet nu eenmaal nooit zeker, of je vroeger nu werkelijk Marcus Antonius bent geweest, of Cleopatra, dan wel iets eenvoudiger dan je graag zou willen horen. Het is wel heel opvallend, dat de meeste mensen, die iets omtrent vroegere incarnaties zeggen te weten, toch wel van heel goede familie schijnen te zijn geweest in hun vorig bestaan. Ik geef dus graag toe, dat er in de meeste gevallen in het zoeken naar vorige incarnaties ook nog wel iets van een persoonlijkheidsprojectie zit: men projecteert daarin persoonlijke wensen, en daarnaast vinden wij in de aangaven daaromtrent vaak onbetrouwbare factoren. Je zou kunnen zeggen: esoterische stroopsmeerderij e.d. Laat ons dit echter verder buiten beschouwing laten. Zelfs wanneer je de beschikking hebt over alle werkelijke feiten, blijft nog steeds de vraag, wat je daaraan zult hebben. Dan blijkt steeds weer, dat je veel meer hebt aan een begrip der Goddelijke Waarheid, zoals die in jezelf bestaat, dan je ooit zult kunnen hebben aan alle gegevens omtrent vroegere stand, familieverhoudingen, woonplaats en wat dies meer zij.

  • Na uw rede begrijp ik pas, dat het voor de ingewijde nodig is om de dood niet te  vrezen, om in het hiernamaals met de goden te kunnen leven, zoals de Egyptenaren stelden.

Dat is niet helemaal juist; men sprak niet over “met de goden leven” maar over “tot goden worden”. Vandaar dat men bv. de farao als godheid aansprak, wanneer hij begraven moest worden. De nacht, voor zijn lichaam aan de balsemers wordt overgegeven, spreekt men hem toe als: “Gij, Osiris, gij herborene, gij, die rijst in het Licht, gij die gaat door de zeven hallen, gij die gaat voorbij de zuilen, gij die intreedt en in de hof van Maat zegt: hier ben ik, mijn broeders.” Dergelijke teksten voor vorsten en voorname doden vindt men wel terug, zij zijn dan ook bekend geworden door de egyptologie.

De gedachten, dat je tot God kunt worden, is in zekere zin waar: wanneer je eeuwige wezens van hoger bewustzijn, deel van een nu hogere kosmische ordening, wilt zien als goden, dan is de ingewijde die de dood niet meer vreest en dus niet meer ondergaat, hierdoor hun gelijke, dus een god.

Hieraan kunnen we nog toevoegen, dat geen van de grote ingewijden op aarde, in welke tijd zij ook hebben geleefd, de dood ooit vreesden, of werkelijk bv. pijn hebben gevreesd of de consequenties van hun daden. Zij wisten, dat deze dingen van voorbijgaande aard zijn, terwijl hun werkelijk wezen daar boven staat. Ook wij moeten allen, of wij in de stof leven dan wel in de geest, een gelijksoortige instelling vinden.

Inwijding is het sterven voor de wereld, zoals je die tot nu toe hebt gezien, met je bezittingen, met je idee omtrent rechten en verplichtingen, vaste verhoudingen. Daarvoor in de plaats stel je dit ene: de goddelijke waarheid in je wezen, de verbondenheid binnen een kosmische, een oneindige werkelijkheid, zoals deze geldt voor jou en voor alle dingen. Daarbij geldt ook een besef van de onbelangrijkheid van een wisseling van scène, de onbelangrijkheid vooral van de omgeving en het belang, de belangrijkheid van de spelers van het stuk en vooral wel van de auteur, als beslissend.

  • Als je dat bereikt hebt, is het dan zeker, dat je niet meer terugkomt op aarde? Ik bedoel om je verder te ontwikkelen?
    Dat is de vraag. Wanneer je terugkeert om aan anderen diensten te bewijzen, ontwikkel je dan ook niet iets in jezelf?

U zou het misschien beter anders kunnen zeggen: wanneer je dit bewustzijn bereikt hebt, dan mag je nooit vergeten dat zelfs de goden nog wandelen op aarde, omdat de verbondenheid voor de ingewijde nimmer alleen het Grotere en Hogere zal gelden, maar voortkomt uit besef van de waarheid: een verbondenheid, die wel degelijk ook de wereld geldt, waaruit je bent gekomen en zelfs met alle lageren. Want het ik bestaat kosmisch en omvat als zodanig, in zich niet een deel van het zijnde, maar al het zijnde in al zijn facetten, met al zijn uitingen en alle werkingen, waarvan het Ik deel is, of waaraan het maar deel kan hebben. Heeft het ik van de ingewijde deel in werkingen, die zich op aarde afspelen, zal dit ik als gevolg van zijn eigen bestaan – u wilt dit misschien nog liever zien als ontwikkeling of bewustwording, omdat dit het meest kenbare facet hiervan is vanuit menselijk standpunt – tot de aarde terugkeren, ook wanneer er dus vanuit een menselijk standpunt geen noodzaak voor aanwezig is.

  • U zei, dat iedereen in het leven wel in aanraking komt met “de andere zijde”. Wilt u daarvan wat meer uitleg geven?

Ik meen, dat mij hier woorden in de mond worden gelegd, die ik zo niet heb gesproken. Ik heb niet gezegd “de andere zijde”. Dan zou ik immers aannemen, dat uw zijde verschilt van deze andere zijde binnen de kosmische werkelijkheid. Beiden zijn deel van deze werkelijkheid, ook al ziet u dit op het ogenblik misschien nog niet in.  Wel heb ik gezegd, dat elke mens ten minste éénmaal in zijn leven in contact pleegt te komen met de kosmische kern van eigen wezen, met het Goddelijke, met de innerlijke waarheid, met de onbeperktheid van eigen wezen. Dit is ook volledig juist. Alleen zal de mens zich dit vaak niet geheel realiseren.

Voor de een is dit een ogenblik van verrukking, iets waar je naar terug hunkert, maar waarvan de betekenis alweer vergeten schijnt. Men vergeet echter de werkelijke betekenis van dit contact, omdat men deze niet kan behouden, zonder zichzelf, eigen leven en al wat daarbij behoort zo te veranderen, omdat dit voor de menselijke zwakheid nog niet aanvaardbaar, draagbaar is.

Dan zien wij de mens, die een roeping heeft: hij weet in zo een beleving werkelijk wel, dat hij een doel heeft, dat er iets van hem gevraagd wordt. Maar wat er werkelijk van hem gevraagd wordt, kan hij niet aanvaarden, zoals het is: algemeen en zonder beperkingen. Hij wil het zien binnen bv. het kader van zijn eigen godsdienst of binnen eigen wijze van leven en optreden tegenover de mensen. Het gevolg is, dat hij het contact kwijtraakt hierdoor.

Elke mens beleeft dus wel een ogenblik, dat hij zichzelf kwijtraakt, opgaat in iets groters, iets, waaraan hij geen verdere definitie of omschrijving kan geven.   De ingewijde leert dit bewust te zien, het te beheersen en op den duur te maken tot de dragen- de factor van zijn eigen bestaan. Hij leeft vanuit die grote waarheid of verrukkingstoestand – hoe u het ook noemen wilt – naar de wereld toe. Zijn uitingen in de wereld vloeien uiteindelijk alleen nog maar voort uit die innerlijke ervaring, uit die grotere waarheid.

Bij de normale mens zien wij echter, dat hij een dergelijke ervaring tot zijn heiligdom wil maken, iets wat hij op een altaar zet om het geheel zijn verdere leven a.h.w. te aanbidden. Hij begrijpt niet, dat hij er een beeld van heeft gemaakt, zodat het niet meer spreken kan. Het is geen levende werkelijkheid meer.

Dit heb ik dus willen zeggen. Daarbij heb ik niets gezegd over contact met “de andere zijde”, want zoals u weet betekent het begrip “gene zijde” voor velen zoiets als: de jongens uit de geest. Hier echter ging het over iets, dat heel wat groter en belangrijker is dan alle sferen bij elkaar: het ging om de Goddelijke Werkelijkheid in de mens.

We gaan het onderwerp nu afronden met na te denken over:  de kosmische waarheid

U heeft nu alleen gevraagd over de kwestie van leven en dood. Maar de meesten van u hebben daarbij – mogelijk onbewust – iets geschuwd: de samenhang, die ligt tussen dit onderwerp en de tijd, die u nu beleeft. Kortom, u hebt niets gevraagd over de mogelijkheden, die schuilen in het kosmische ritme. Omdat u het niet gevraagd hebt en ik daarover toch graag iets wil zeggen, maak ik nu van de gelegenheid gebruik.

Wanneer wij namelijk spreken over de kosmische waarheid, de eeuwige werkelijkheid, zijn er vele mensen, die denken aan een doorwassen beeldenspel, waarin alle volmaakte beelden naast elkander zijn opgesteld en God er zo nu en dan langs heen wandelt, vergezeld van een aartsengel als suppoost, die alle mogelijke onreinheden heeft op te rapen.

Zoiets is natuurlijk kolder. God is een levende kracht. De kosmos zelf is daarvan een soort afbeelding, een spiegelbeeld, zo zou men kunnen zeggen.

God, in zichzelf, geeft Zijn kracht vanuit zichzelf tot aan wat men de periferie van Zijn Wezen zou kunnen noemen als een golf. Daar, waar Hij erkenning niet meer noodzakelijk acht, keert de golving om. Zij gaat in tegengestelde richting, komt aan haar bron, wordt erkend en als een licht gewijzigde golving, weer uitgezonden.

Ik weet wel, dat dit erg ingewikkeld klinkt. Maar vereenvoudig het nog meer en denk aan een fontein, die het ene ogenblik spuit en het volgende ogenblik eerst weer het water tot zich neemt en oppompt, om dan weer te spuiten. Dit beeld geeft enigszins weer, wat er gebeurt. Er gaat dus kracht uit van het centrum, er keert ook weer kracht terug naar de bron. Het is een spiegeling hiervan, die ons beroert, wanneer wij leven in het Al, in de werelden van stof en onvolmaakte geest.

Omdat wij het levende bewegen zelf niet zien, is het voor ons moeilijk het centrale punt te beseffen. Wanneer je God ziet, in de werkelijkheid bent ingetreden, zo is er niets anders meer dan deze beweging. Dit is de enige erkenning, verder is er geen vorm meer, geen ander bestaan. Er blijft slechts de erkenning en het terugvloeien tot de bron, als een soort ademhaling van een ongekend groot bewustzijn. Op het ogenblik, dat je alleen de weerkaatsing van deze beweging ziet, is de bron zelf niet meer zo belangrijk. Zelfs de begrenzing telt niet meer.

Het enig belangrijke voor ons is dan de reflexwaarde, die ons bereikt en die wij als een pulseren van krachten ondergaan. Deze is voor ons een onmetelijk grote invloed, maar gelijktijdig een mogelijkheid, om iets van de Goddelijke Werkelijkheid te erkennen.

Nu heb ik iets verteld over de dood, hoe deze dood in het ik geboren wordt en hoe zij ook weer binnen dit ik te niet kan gaan. Zolang ik de kosmische pulsatie kan zien en ervaren als deel van mijn wezen en in overeenstemming daarmede dus ook leef, bestaat er voor mij geen dood. Dan word ik gedreven door de golven van de goddelijke kracht als een kurk, die wel met de golvingen rijst en daalt, maar steeds blijft drijven.

Over het algemeen willen wij, met ons huidig bewustzijn, deze pulsatie, die een voortdurende variatie van standpunt en waarden voor ons betekent, niet aanvaarden. Wij zien in ons leven over het algemeen de goddelijke waarden als een voor ons kenbaar vaste weg, een vast streven, een vaste richting, een gelijkblijvend systeem. Wanneer wij ons daar nu maar aan houden, zo menen wij dan, hebben wij de zaak gewonnen. In wezen betekent dit voor ons echter, dat wij met onze innerlijke eisen, onze regels, ver uitgaan boven de kracht, de voor ons werkelijk aanwezig is en stellen eisen aan onszelf en aan de wereld, die uiteindelijk niet te verwerkelijken zijn. Een volgende keer blijven wij onder de mogelijkheden. Wij kunnen ons inderdaad wel houden aan ons geloof en onze stellingen, en de gevolgen daarvan vallen ons mee. Maar wij zouden veel meer kunnen bereiken.

Waarom ik hierover wil spreken? Mij gaat het om het volgende:  Alles wat er op het ogenblik gebeurt, wordt uitgedrukt als een uitstorting van kosmische krachten, als een bijna explosief inwerken van goddelijke krachten, die voor ons ergens uit de kosmos komen. In wezen is dit alles niets anders dan het terugkeren van een golf binnen de werkelijkheid. Daarbij spreken wij over de komst van een nieuwe Heerser. Stel u nu voor, dat God van zijn heelal een soort roulette heeft gemaakt met 12 vakken. Zijn golvingen bereiken wel het geheel van de schijf, maar zijn aandacht is gericht op één bepaald vak ervan. Wij noemen dan het vak, waarop de goddelijke aandacht de nadruk legt, de Heerser. Wanneer wij dus zeggen, dat Aquarius optreedt als Heerser, bedoelen wij daarmede eigenlijk, dat een bepaald aspect van de schepping de aandacht heeft. Daarin zit meer leven, dan in de andere aspecten. Het domineert dus enigszins. Door deze aandacht zal God, zowel in Zijn werkelijkheid als in de weerkaatsing daarvan, waarbinnen wij leven, meer kenbaar zijn. Aquarius zal dus op eigenschappen, maar ook op begripsmogelijkheden en bereikingsmogelijkheden een beroep doen, die ook voordien wel bestaan hebben, maar toen niet zo belangrijk waren.

Elke keer wanneer de goddelijke golf keert, is er voor ons een soort golftrog, een hiaat. De gerichte kracht valt even voor ons weg. Nemen wij dit verschijnsel nu gelijkmoedig, dan gebeurt ons niets. Indien wij echter eisen stellen, die niet dezelfde flexibiliteit bezitten die de beweging van de kracht heeft, zullen wij op het onjuiste ogenblik aan onszelf de dan verkeerde eisen gaan stellen. Waarmee wij onszelf zo ongeveer aan de beul overleveren. Want door, zoals dan onvermijdelijk wordt, die ene keer te kort te schieten, maar de andere keer niet onze mogelijkheden uit te buiten, waardoor anderen, die wij onze minderen achten ons vaak boven het hoofd kunnen groeien, zullen wij met onszelf niet meer tevreden kunnen zijn. Wij zullen niet gelukkig kunnen zijn. De dood wordt dan een gemakkelijke uitvlucht. Wij laten de belangrijkste delen van ons werkelijke wezen soms terugvallen in duisternis onder de uitroep: “Maar dit kan ik heus niet meer. Dat gaat mij boven het hoofd. Dat is te overdreven. Dat kan toch wel anders enz. enz.” Hierdoor wordt het noodzakelijk voor eigen wezen te vluchten, vergetelheid te vinden, opdat wij dan in deze waan tenminste iets van ons werkelijke ik terug kunnen vinden.

En nu moet u weer eens kijken naar deze tijd. U zult zien, hoe zuiver dit alles past bij deze dagen. Er zijn bijvoorbeeld mensen die buitengewoon sociaal denken. Zij zijn met hun stellingen iets te ver gegaan. Door de eisen, die zij aan zich en anderen stelden in een tijd, dat er geen mogelijkheden zijn, konden zij niet tot resultaten komen, toen de kracht en mogelijkheid daarvoor aanwezig waren. Het gevolg is vermoeidheid, compromis, verlies van waarde. Dit wil niet betekenen, dat bv. het socialisme aan waarde heeft ingeboet, maar wel, dat het aan betekenis begint te verliezen, doordat het zijn eisen nimmer tijdig wist aan te passen aan zijn mogelijkheden.

Dit betekent, dat andere groepen in verhouding belangrijker en sterker worden. Het systeem krijgt daardoor steeds meer een behoudzuchtige tendens, waarbij het behouden van het bereikte als belangrijker geldt, dan het vinden van nieuwe wegen om vooruit te komen. Andere systemen, die steeds weer moesten zoeken naar invloed en macht, die steeds weer ook hun uiterste krachten moesten inzetten en alle middelen gebruiken, blijken beter aan de gang van de tijd aangepast en dreigen allerwegen de invloed van het socialisme te overvleugelen.

Veel van hetgeen u nu in de wereld ziet, kunt u tot deze strijd of een dergelijke strijd terugvoeren. Ik bedoel hier niet alleen de strijd tussen Johnson en Goldwater, maar evengoed aan de wrijving die ontstond tussen Rusland en Rood China. Ik denk ook aan problemen als die rond Thailand en Cyprus. Overal is daar een tijd geweest, waarin men meer had kunnen bereiken. Men voelde zich tevreden, dat men het bereikte kon behouden en gaf niet het uiterste, om meer te bereiken. Nu loopt de zaak vast. In plaats van te beseffen, dat het nu zaaks is zo vredig en snel mogelijk, wat bereikt werd, te consolideren, gaat men zijn te kort schieten in het verleden eerst nu werkelijk beseffen en zegt nu: “Ik zal het beter doen”.

Het resultaat is, dat op het ogenblik haast overal iedereen verder grijpt, dan hij in feite kan. Iedereen, inclusief de staten als de USA en de communisten, grijpt op het ogenblik verder, dan men eigenlijk wel kan. Schijnbaar kan men dit nog wel doorzetten. Schijnbaar, de trog van energie ligt namelijk nog niet in het heden, maar treedt eerst werkzaam op aan het einde van dit jaar. Vandaar ook, dat volgens ons dan de conflict mogelijkheden, weer veel groter en gevaarlijker zijn dan op dit ogenblik. Nu zal alles nog wel afzakken en mogelijk een tijdelijke regeling vinden. Aan het einde van het jaar bevindt men zich echter in een werkelijk absoluut dieptepunt, zover het dit soort betrekkingen en bestrevingen betreft. Het gevaar ligt dan niet in het gebrek aan contact, inzicht en vermogen maar in het feit, dat men een tijdelijk afnemen van eigen mogelijkheden wil verbergen door eerder grotere eisen aan zich te stellen – en aan anderen – dan de werkelijkheid toe te geven.

Degene, die hierin betrokken raakt, zal enerzijds wel eisen stellen en trachten met alle kracht zijn wil door te zetten, maar aan de andere kant beseft hij wel degelijk eigen onvermogen! Hij is bang. Dit voert vaak tot het gebruiken van middelen, die in wezen een algeheel verlies, een soort sterven inhouden.

Degene, die zich van dit alles echter bewust is, reageert anders. Hij stelt: ik bevind mij in een dalende tendens, maar dit is niet ernstig. Uiteindelijk is er de Goddelijke Werkelijkheid, waarin ik besta. Al het andere is bijkomstig. Ik hoef mijn eigen beelden niet op deze tendens te projecteren, om mijn begrip van eigenwaarde te kunnen behouden. Laat alles nog somberder worden, toch weet ik, dat dit alles alleen maar het begin is van een volgende stijging, een volgende reeks mogelijkheden, waarin ik mijzelf eens te meer en volledig zal kunnen uiten.

Daarbij komt, dat de golf, die op het ogenblik tot uiting komt in dit deel van het Al, eigenlijk een kerende golf is, een golf die naar het middelpunt toegaat. Daarmede is het de eerste golf binnen Aquarius, waarin in het geheel vijf perioden of grote golven optreden.

Als je weet, dat je naar het goddelijke toegaat en dat zelfs in de huidige verwarring men alleen maar hoeft te wachten op een volgende golf, die het ik weer dichter naar de Goddelijke bron draagt, weet je ook, dat het weinig zin heeft je druk te maken. Je weet, dat het geen zin heeft geestelijk te sterven door zijn angsten, alleen omdat er een kosmische golf is die dalend is en invloeden naar voren brengt, die voor mensen vaak negatief lijken. Men zal zichzelf zeggen: ik moet de invloeden en mogelijkheden, die nu bestaan, zo goed gebruiken als ik maar kan. Desnoods leg ik mij bij dit afzakken, dit dalen, tijdelijk neer, want ik heb geen kracht genoeg om zelf alles nu te doen en te vormen volgens mijn beste begrippen. Deze golf voert ons dus, zelfs terwijl zij dalend is, tot meer geestelijke waarden en brengt ons verder van het onjuiste materialisme af. Er is echter naast de kerende golf ook altijd een invloed van een uitgaande golf, die ons bereikt.

Deze tweede golf is sterker en zuiverder dan de eerste, die ons echter op meer kenbare wijze pleegt te beïnvloeden.

Een uitgaande golf is voor ons eigenlijk meer de zuivere Goddelijke Kracht, die vooral in ons eigen wezen veranderingen, reinigingen e.d. tot stand brengt. Ook hieruit kunnen wij echter, wanneer wij juist zijn ingesteld, krachten putten. Deze sterkte ligt echter op een ander vlak dan het voor ons normale, zodat wij deze niet altijd geheel weten te verwerken. Het resultaat is een tegenstrijdigheid, waarbij wij ons het ene ogenblik sterker voelen als nooit tevoren en het ogenblik daarop zwak, moe en uitgeput. Dit vloeit voort uit het feit, dat wij onszelf eisen stellen, waaraan wij niet kunnen beantwoorden, dan wel onze geestelijke kracht stoffelijk willen gebruiken, zonder in staat te zijn, binnen onszelf bewust de noodzakelijke omzettingen teweeg te brengen.

Om kort te gaan, wij beantwoorden vaak niet aan de kracht, die ons gegeven, wordt, omdat wij nog niet geleerd hebben, dat onze werkelijke kracht ligt in de aanpassing van ons wezen aan de fluctuaties, die de golvingen van goddelijke kracht in onze spiegelwereld tot aanzijn brengt. Daarom geldt ook hier: grijp niet verder dan je op een gegeven ogenblik kunt. Wanneer je een dieptepunt hebt, zal alle geestelijke waarde misschien alleen – en dan nog onvolledig – materieel tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Erg is dit niet, want door dit te aanvaarden, bereiken wij als vanzelf een punt, waarop wij voor alles, zelfs voor de materie, een algehele geestelijke uitdrukking en zelfs beheersing kunnen verkrijgen. Wat men nu verwerft, zal bij een volgende daling niet teloor gaan, maar steeds meer mogelijkheden geven om, ook wanneer de krachten van buitenaf disharmonisch schijnen, nog veel op de juiste wijze te leren en te bereiken.

Twee golven ontmoeten elkander in deze dagen. Het probleem is voor de meesten van ons dus niet: wat gebeurt er, maar: wat onderga ik, hoe aanvaard ik het. Het is een persoonlijke relatie tot de kracht waaruit je leeft, waarvan je een spiegeling bent, die nu belangrijk is en bepalen zal wat je qua leven, taak en geestelijke inhoud nu betekenen zult.

Ik besluit nu met enkele tips, die met het voorgaande in verband staan:

1. Maak u om het materiële alleen dan zorgen, wanneer dit onmiddellijk in verband staat met eigen plichten en eigen vermogen tot ingrijpen. Dan ligt het namelijk op een vlak, waarin u werken kunt. Leg zover u dit mogelijk is, verder alle materiële gebeuren en ontwikkeling naast u neer.

2. Tracht nooit uw geestelijke waarden en krachten alleen maar op een “hoog” of een “laag” niveau te zien. Begrijp, dat uw eigen wezen afwisselend de behoefte zal kennen om zijn waarde op het hoogste geestelijke niveau binnen de gedachtewereld, en op een laag vlak te uiten. Besef dat er voor niemand een levenstaak kan zijn, waarbij slechts een enkel vlak van kracht of levensuiting geldt. Elke taak en ontwikkeling omvat steeds de gehele scala.

3. Op het ogenblik dat in de materie geen tendensen negatief schijnen te worden, zal het voor de mens mogelijk zijn een stijgende geestelijke tendens te ervaren en daaruit kracht te putten. Het ik kan zich steeds handhaven, door een afwisselend erkennen van geestelijke en materiële tendensen.

4. Ten laatste, zoek nooit in materiële of geestelijke waarden iets wat groter is dan uzelf. Zoek daarin uzelf, opdat u zich waardig mag tonen aan dat, wat u in kosmische zin reeds bent.