Het ademend Al

Om dit onderwerp op de juiste wijze tot zijn recht te doen komen zal ik eerst het een en ander moeten vertellen over het Al zoals dat wordt beschouwd door de mensen.

Men spreekt van een vliedend Al waarbij men meent te mogen veronderstellen dat de z.g. red shift (roodverschuiving,  dat is de verkleuring van de sterren naar rood) een aanwijzing is voor het tempo waarmee dit Al uiteengaat. Een uitdijend Al is deel van een explosietheorie waarbij wordt aangenomen dat in den beginne er niets was, zelfs geen ruimte, althans niet iets wat als zodanig kenbaar was. Er is toen een enorme explosie geweest. Deze heeft weer een aantal kleinere explosies veroorzaakt en op deze manier kwamen de Melkwegstelsels (sterrennevels) tot stand. Deze bewegen zich nu van het punt van de oorspronkelijke explosie af praktisch niet geremd door de ruimte die weinig of geen weerstand heeft.

Men meent te mogen aannemen dat dit vlieden verder zal gaan totdat er zoveel energie verloren gaat in de tussenliggende ruimten, dat er geen kenbaar Al meer is. Dat zou weer tot gevolg hebben dat er op den duur overal een gelijkheid van energie ontstaat (stasis) waardoor de uiting teniet zou worden gedaan. Een andere theorie stelt, dat op een bepaald ogenblik de spanningen zodanig zijn geworden, dat het hele Al weer terugschiet naar het punt van oorsprong en wel met een onvoorstelbare snelheid waardoor het dan herboren zou worden. Ik onderschrijf deze stellingen niet. Ik weet, dat ik ze zeer vereenvoudigd heb weergegeven.

Als we uitgaan van een heelal dat zich vanuit één bepaald punt ontplooit ‑ en dat lijkt mij wel aanvaardbaar ‑ dan blijft de vraag bestaan, of de wijze waarop het heelal zich uitzet met een constante snelheid – naar men aanneemt – wel reëel is. Degenen die deze waarnemingen doen, zijn daarmee een betrekkelijk korte tijd bezig. Hun waarnemingen geven aan dat over honderden jaren ‑ men kan zelfs aannemen een paar duizend jaar, o.a. uit de Chinese gegevens blijkt dit ‑ het Al uitdijt. Maar wat is een paar duizend jaar in het bestaan van een enkele ster? Sterren hebben een bestaansduur die in miljoenen jaren kan worden geteld en waarbij 50 á 100 miljoen jaren over het algemeen alleen maar zeer zwakke sterren kunnen aangeven, de andere leven langer. Maar zij zijn slechts een bijkomstig verschijnsel in het heelal. Dan kan t.a.v. de eigenschappen en kwaliteiten van dit Al op grond van een aantal waarnemingen, dat toch beperkt is gebleven over een bepaald aantal jaren, m.i. geen redelijk juiste conclusie worden getrokken. Anders gezegd: het dijend heelal is slechts een werkhypothese.

Indien we aannemen dat het Al echter reageert zoals bepaalde delen van het Al (we denken dan aan sterren, maar evengoed aan de op zich toch wel complexe atoomkernen), dan zien we dat de activiteit daarvan variabel is. Soms geeft een ster zeer veel straling af, soms zeer weinig. Als die fluctuaties tamelijk gering zijn, ontstaan er bij de planeten rond zo’n ster perioden die u kent als ijstijden. Zijn de fluctuaties nog geringer, dan krijgen we te maken met de z.g. koud- en warmteritmen, die u ook op uw wereld kent. We weten verder dat er ogenblikken zijn dat sterren en ook atoomkernen plotseling tot ontbindingen dreigen over te gaan. Wij weten dat deze explosie op zichzelf een hoeveelheid energie uitstraalt die elders in het Al wel degelijk invloed heeft. Dit alles veronderstellende kunnen we ook aannemen dat, wanneer een grote hoeveelheid energie is afgegeven, er een terugvallen tot de oorspronkelijke vorm mogelijk is. Is er teveel energie afgegeven (bv. bij een ster), dan valt ze terug tot zo’n kleine kern met een zodanig grote zwaartekracht dat de z.g. “zwarte gaten” ontstaan. Wat dat betreft doet het heelal een beetje denken aan bepaalde soorten kaas: er zitten gaten in. Als die ritmen overal voorkomen, kunnen we dergelijke processen niet alleen gadeslaan in de ruimte bij sterren. We kunnen ze ook terugvinden in bepaalde chemische reacties, in de gedragingen van atomen, in de versnelling en vertraging van de moleculaire rotatie in bepaalde gassen. In vele vaste stoffen zou het ook constateerbaar moeten zijn, maar dan zijn de chemische processen over het algemeen vertroebeld. Waarom zouden we dan niet aannemen dat we hier te maken hebben met een grondeigenschap van de natuur, zoals u die op aarde kent? Ik stel dan: Een ademend Al is wel degelijk denkbaar, omdat de energieverhoudingen tussen de sterren (dit zou aantoonbaar zijn o.m. aan de hand van de radio-telescopie van deze tijd) geen constante vertonen, maar een variabele zijn. Een variabele in de ruimte zou aanduiden dat ook het Al variabel is.

Dan hebben we niet te maken met een heelal dat voortdurend dijt, maar met een heelal waarin condities veranderen en langzaam maar zeker een teruglopen van de massa’s naar het middelpunt (dat is naar het middelpunt van de sterrennevels) zal optreden. Is dit het geval, dan mogen we ook aannemen dat het regelmatig gebeurt, althans dat er vaste periodiciteiten vaststelbaar zijn, die met dit verschijnsel samenhangen. Dan ademt ons heelal, het zet uit en het trekt zich terug.

Ademen is echter meer dan dat. Want als u ademhaalt, dan zet de borstkas zich uit en u haalt een mengsel van lucht naar binnen. Uit die lucht haalt u bepaalde gassen. Sommige van deze gassen verbruikt u of vervangt ze door andere en een deel van uw afvalstoffen brengt u bovendien in de uitademing weer naar buiten. Ademhalen wil dus ook nog zeggen: het verwerken van iets. Om nu te begrijpen wat die verwerking zou kunnen zijn, moeten we weer kijken naar het Al, in feite naar alle materie waaruit het is opgebouwd. Het blijkt namelijk, dat er sprake is van z.g. energetische verhoudingen. Dit is een heel mooie term, wat alleen wil zeggen dat er verschillen van energie bestaan en dat tussen die verschillen een vaste relatie kan worden gelegd. Deze verschillen zijn overal afleesbaar.

We weten ook dat ze soms de baan van een ster kruisen waardoor niet alleen de activiteit van die ster wordt veranderd, maar gelijktijdig ook ‑ en dat is het typerende ‑ de kwaliteit van deze zeer fijne materie (dat zijn misschien 4 á 5 moleculen per kub. kilometer) eveneens verandert. Anders gezegd: een waterstofstroming kan worden omgezet in een andere stroming. De materie die verder gaat is grotendeels van aard veranderd. Dit laatste is overigens niet wetenschappelijk bewijsbaar op dit ogenblik. Het wordt wel als mogelijk beschouwd. Hier is het dus een omzettingsproces. Stel nu dat de energieën die in de sterren tot een kenbare uiting komen eigenlijk alleen maar brandpunten zijn. Zoals in uw lichaam in de bloedsomloop er allerlei verschillende cellen bezig zijn. De ene is bacteriofaag, de andere brengt zuurstof aan, zo heeft ieder zijn eigen functie. Stel nu, dat wij alleen het verschijnsel zien, maar dat de kracht die alles samenhoudt – net zoals in een menselijk lichaam ‑ levenskracht is, een energie die wij niet biologisch of biomechanisch kunnen definiëren, dan komen we tot de conclusie: de werkelijke kracht van het Al zal waarschijnlijk bestaan in de energieën die zich bevinden in en rond de Melkwegstelsels.

Een wijziging van die energieverhoudingen vindt voortdurend plaats. Op dit moment is die omzetting er voornamelijk een in lichtenergie. Er is dus een langzame stralingstoename zelfs tot het explosieve toe, vooral in de centra van de Melkwegstelsels. Wanneer die energie wordt omgezet in een uitstraling (een veldverandering) een groot gedeelte of het geheel van de Melkweg betreffende, dan zou het resultaat daarvan zijn dat dus de gehele structuur van de ruimte anders wordt. Maar als die structuur anders is geworden, dan kunnen we ons ook voorstellen dat hiermee alle condities, die op dit ogenblik het z.g. vlieden van de nevels van elkaar tot stand hebben gebracht, eveneens worden gewijzigd en een terugvallen is mogelijk. Dit is allemaal erg technisch. Maar een dergelijk onderwerp kun je niet benaderen zonder althans enige technische gegevens te verschaffen. Je kunt het natuurlijk ook filosofisch doen. Daar is het bekende verhaal van een mens, die een uitvinding deed waarmee hij zich in een niet‑ruimtelijke toestand buiten het bekende Al kon projecteren. Zo kon hij van zeer grote afstand het heelal zien. En wat bleek? Het was een amoebe, zwemmend in een onbekend medium dat waarschijnlijk een zee zou zijn: een pulserend wezen.

Het is een aardige gelijkenis. Maar als we bezig zijn met een gewone godsdienst, dan zeggen we: God heeft alles geschapen: niets kan zonder God bestaan. Indien dat waar is, dan is dus het heelal dat we kennen en eventueel dat wat voor ons in een bepaalde toestand niet kenbaar is tezamen niets anders dan de belichaming van God, de uiting. Dan zal die God ook bepaalde processen kennen. Zonder die processen zou er geen tijd zijn, dan zou er alleen maar een gefixeerd beeld zijn, stasis. Nu echter weten we dat er voortdurend verandering is.

Er is tijd, er is ontwikkeling en ondergang. Waarom zouden we dan niet denken aan God als aan een levend wezen? Maar dit levende wezen zal zichzelf openbaren in een functionaliteit. Het heeft dus een bepaalde taak, het heeft een bepaalde zin en het heeft daarvoor bepaalde processen nodig. Daarom zouden die processen dan in een dergelijke gelijkenis niet eveneens ademhaling genoemd mogen worden? Ik weet, dat het voor sommige mensen wat moeilijk is om dat allemaal te begrijpen. Maar het onderwerp is door uzelf gesteld en het zou dwaas zijn om alleen maar de meest eenvoudige en meest filosofische gedachten naar voren te brengen.

U weet waarschijnlijk dat er een leer bestaat, uit het hindoeïsme voortgekomen, waarin men spreekt over de “Dagen en Nachten van Brahman”. Brahman is de levende kracht zelf, de verborgen Godheid. Brahma is de manifestatie ervan. Men zegt dat het heelal na een bepaalde tijd (de tijdsduur is zelfs berekend) ophoudt te bestaan. Alles wordt duister, alle leven verdwijnt, alles keert terug naar de bron, naar het onkenbare dat niet in de ruimte bestaat, naar Brahman. Behalve degene die zijn besef kan behouden. Want hij, die zijn besef behoudt, kan de krachten van Brahman richten. En zo zal hij, die het laatst overblijft en vol‑bewust van zichzelf weigert onder te gaan, de Brahma (de Schepper) zijn van een nieuwe era. Dit is een erg filosofisch beeld. Maar ook hier – en dat is toch wel vreemd ‑ hebben we te maken met een pulsatieverschijnsel. Er is een ritmisch verdwijnen en verschijnen. U zult begrijpen, dat de mensen die dat geloofden dachten aan de aarde als het centrum van het heelal. Het is duidelijk, dat zij hun filosofie niet hebben nagedacht met de wetenschap omtrent het wezen van de sterrennevels. Zij hebben waarschijnlijk nooit iets van Quasars gehoord en dat soort dingen. Maar als zij ‑ op welke wijze dan ook ‑ komen tot deze ritmische veranderingen, dan moet daar toch wel een grondslag voor zijn.

Altijd weer worden wij in een primitief geloof geconfronteerd met de gedachte aan een ondergang. Neem bv. het Ragnarök van de Vikingers en de Germanen, de ondergang van de wereld wanneer de Asen strijden tegen de goden van de onderwereld, de Reuzen. Ook hier zit weer de gedachten er komt een einde aan de tijd. Toch stellen bepaalde verhalen dat de tijd daarna voortgaat, maar dat het oude nooit kan terugkeren. Alweer, een idee van periodiciteit dat wordt aangegeven.

Er is een nogal oude Chinese filosofie, die nu een kleine 6000 jaar oud is. Het is door overlevering in de Han‑dynastie terecht gekomen waar ze nu, verminkt, als een deel van het filosofisch denken uit die periode wordt beschouwd. Deze stelling is: Wanneer de Hemelse Keizer al heeft gezien, dan roept hij de goden die op aarde werkzaam zijn terug. Zij, die antwoorden, komen in de Hemelse Stad (waarschijnlijk langzaam maar zeker een beeld van de Verboden Stad geworden). Zij, die weigeren echter, worden door hem in de ruimte geslingerd en hij ontsteekt hun vuur. Ze zijn dan kometen, sterren en de heel kleine onder hen misschien zelfs meteoren.

Ook deze mensen dachten, vergeet dat niet, geocentrisch, de aarde was het middelpunt. Ook deze mensen namen aan, dat dit regelmatig terugkomt. Er zijn zelfs plechtigheden geweest die tot de laatste periode toe en dat wil wat zeggen, want het waren eigenlijk de Mantsjoes die het hebben overgenomen van de oorspronkelijke keizer werden gehouden in de Hemelse Stad en wel bij het paleis van de Hemelse Vreugde. Hier werd een offer gebracht, er werd wierook gebrand, er werden orakels gegeven en daarna wierp de keizer of de keizerin, dus de regerende persoonlijkheid, een aantal staafjes en de val daarvan gaf aan of de tijd gekomen was om terug te treden. Niet voor de keizer, wat u misschien zoudt denken, maar of de aarde zou gaan veranderen. Dit werd niet beschouwd als de terugkeer van de hemelse goden, maar dan zou er een nieuwe era aanbreken. Hierbij ging men kennelijk uit van het standpunt, dat de era alleen zou aanbreken op het ogenblik dat keizers langzaam maar zeker hun macht verloren. Ze hebben misschien nog een beetje gelijk gekregen ook. In de praktijk komt het weer neer op het denken aan periodiciteiten.

Wanneer we bezig zijn met alle levensverschijnselen, dan zijn we geneigd dit te zien als periodiciteit. Denken we aan een leer als die van de reïn­carnatie, dan denken we aan een wisselend bestaan in verschillende werel­den. Wat dat betreft, wil ik opmerken dat bv. de Tibetanen in hun Doden­boek soortgelijke zaken aangeven evenals een groot aantal filosofen en dat dit denken zelfs was doorgedrongen tot de vroege christenen. Het is dus niet iets wat zomaar bestaat. Hoe komt dat overal te bestaan? Dan is mijn oordeel hierover, u moogt het nemen voor wat het waard is, dat men weet dat, het Al ademt. Want wanneer de zaken terugkeren, veranderen natuurlijk de condities, dan zullen de levensvormen veranderen, dan zullen bepaalde vormen die er nu zijn niet meer kunnen voortbestaan en andere vormen zul­len plotseling de mogelijkheid krijgen om zich boven de andere te verheffen. Dus snelle, plotselinge veranderingen. Ze zijn denkbaar.

Maar waarom zouden we dan ontkennen dat het Al kan ademen? Waarom zouden we dan blijven vasthouden aan ons denkbeeld dat iets tot in het oneindige kan voortgaan? Dat is net zo’n waanbeeld als dat van de groeiende economie. U hebt gezien wat daarvan terecht komt. Op het ogenblik is ze al bijna dichtgegroeid. En als dat steeds verder zou gaan, zou het in wezen zichzelf vernietigen: het zou ophouden te bestaan. Er zijn vele verschijnselen, die er juist op wijzen dat er iets heel anders aan de gang is.

In dit verband zou ik u willen wijzen op een verschijnsel dat bij de transformatie van energie wordt geconstateerd. Je kunt berekenen wat er gebeurt. En met de moderne instrumenten kom je al een heel eind, maar er is een heel klein promillage (een paar duizendste, soms zelfs tienduizendste) van energie waarvoor je geen verklaring vindt: die verdwijnt kennelijk in het niet bij het omzettingsproces. Nu weten wij wel hoe dat gaat. Die energie wordt bij het omzettingsproces overgebracht in een ruimte, die niet gelijk is aan uw eigen dimensies: dus een wereld waarin voor u de verschijnselen niet kenbaar zijn. Voortdurend vloeit uit dit heelal een beetje energie daarheen. Wanneer er voldoende energie daarheen is weggevloeid, dan kan daar weer een centrum ontstaan en kan van daaruit weer een scheppingsproces beginnen. Maar tegen die tijd zijn energieveranderingen op aarde en in de bestaande kosmos praktisch niet meer mogelijk. Dan is er nog naar één ding: de spanningen, die nu in de ruimte bestaan en die worden gemanifesteerd o.a. als beweging in ruimte, veldinvloeden in ruimte, moeten geabsorbeerd worden door dit Al, anders is er geen functie mogelijk. Dan moet het wel terugvallen op zichzelf.

Er zullen mensen zijn die zeggen: Dit is wel een aardige theorie, maar hoe verklaar je dan dat we er nooit iets van vinden? Ze zijn mensen, ze willen altijd weten waarom wel en waarom niet. Ook daarop is een antwoord denkbaar: Men heeft geconstateerd dat een ster die volledig ineenstort een zwart gat wordt, omdat ze alle straling die daar naartoe gaat in zich opneemt. Er kan geen licht terugkeren. Er kan ook geen enkele vorm van energie daaruit terugkeren. Het wordt allemaal opgenomen en gebonden door die enorm zware en kleine kern van die ineengestorte ster. Waarom zouden we dat wel voor een ster kunnen aannemen en niet voor een deel van de kosmos of misschien zelfs voor een zeer groot deel daarvan voor zover het de ons bekende kosmos betreft? Waarom zouden niet bepaalde krachten wegvallen in wat je een gat in de ruimte kunt noemen en worden gebonden in een andere verhouding? Dan heb je daar het z.g. parallelle Al!

Als je goed kijkt naar het functioneren van het menselijk hart, dan zie je daar 4 hartkamers. Die 4 kamers bedienen op een bepaalde manier de bloedsomloop, maar niet dezelfde circuits. Het is dus niet zo, dat één alleen zorgt voor dit en een ander alleen voor dat. Er is een deel dat voornamelijk de verversing van het bloed bewerkstelligt. Er is een deel dat niet dit ververste bloed de rest van het lichaam van energie voorziet. Als ik nu aanneem, dat iets dergelijks in het Al bestaat (de parallelle Allen die ik zo-even als hypothese heb genoemd, ik meen dat er vele zaken voor spreken), dan kan ik het volgende stellen: Wanneer het Al zich bevindt in een ademende periode waarin energie wordt opgenomen, dan zullen de verschijnselen zich langs dit circuit af­spelen, dus in dit deel van de werkelijkheid. Gezien de verschijnselen van uw heelal moet worden aangenomen dat u zich op dit moment bevindt in een ademende periode. Dit manifesteert zich in het vlieden van het voor u ken­bare deel van het Al. Maar er komt een ogenblik dat het bij u afgelopen is. De volgende hartslag breekt aan. Dan wordt een ander circuit voorzien van alle energie die in de uitwisseling, die u kent, is opgedaan. Deze krach­ten (energieën) komen in een nieuwe wereld tot uiting. En dan hebben we niet alleen een ademend Al, we hebben zelfs een Al met een soort harteklop. Als u weet wat die harteklop betekent, dan kunt u ook wel nagaan dat die ademhalingen nog een hele tijd zullen duren. Daarom mogen we ook zo blij zijn dat de manifeste kosmos niet aan politiek doet. Iemand met zo’n lange adem zou wel 5 era’s achtereen kunnen spreken over hetzelfde onderwerp.

Ik heb geprobeerd aanvaardbaar te maken dat het heelal ademt. Dat het niet slechts uitzet, maar in bepaalde perioden ook begint tot zichzelf terug te vallen. Ik wil hierbij stipuleren dat ik niet geloof dat elk terugvallen volledig is. Dat wil zeggen, dat er perioden zijn van terugval waardoor nieuwe energieverhoudingen ontstaan en een hernieuwde uitdijing daarvan het gevolg zal zijn. Eens echter zal zoveel van de energieën, die hierbij voortdurend worden opgewekt en verbruikt, zijn overgebracht naar een parallel universum, zodat daar de functie van de schepping begint, terwijl in het door u nu gekende deel van de kosmos stasis optreedt, dus een wegvallen van energieverschillen en daarmee van verschijnselen. Ik heb getracht dit zo stoffelijk en zo reëel mogelijk te benaderen. Er is echter nog een ander aspect waarmee we rekening moeten houden, namelijk be­wustzijn.

Bewustzijn in stoffelijke vorm zal ongetwijfeld door alle processen worden beïnvloed die ik heb beschreven. Zelfs stoffelijke bestaansvormen zijn onderworpen aan de energieverhoudingen en de mogelijkheden die daaruit voortvloeien. Maar bewustzijn blijkt verder te kunnen bestaan en anders te kunnen bestaan dan in een zuiver stoffelijke binding.

Nu weten we dat leven en besef van een geest energie is. In die energie zijn verschillen (potentiaal‑ en velddichtheidsverschillen) mogelijk. Hierin spelen zich processen af die vergelijkbaar zijn met de processen van de hersens. Alleen het aantal mogelijke functies is oneindig hetgeen bij de hersenen niet het geval is. De mens gebruikt doorgaans niet meer dan een derde van zijn werkelijke hersencapaciteit bewust. In ieder geval is de energie van de geest gelijk aan de energie van het heelal. Op astraal terrein is dit zeker het geval. Een astraal bestaan is alleen denkbaar zolang er een heelal bestaat zoals u dit kent. Wat betreft Zomerland, dit is een droomwereld. Maar vele energieën worden toch deels ontleend aan krachtbronnen (sterren en eventueel de bezielers daarvan) die in uw eigen heelal bestaan. Zomerland zal niet kunnen bestaan, wanneer het geheel van een kosmos ineenstort en verdwijnt.

Er zijn sferen waarin de verschijnselen langzamerhand niet meer worden gezocht, maar waarin men in plaats daarvan z.g. harmonieën beleeft. Dat wil zeggen: zonder uiterlijke kentekenen in zich veranderingen ondergaat welke echter op grond van het bewustzijn kunnen worden geprojecteerd in beel­den behorend tot verschillende lagere sferen. Dit nu blijken geen energieën te zijn gelijk aan of vergelijkbaar met de energieën die in uw kosmos optreden. Het is zelfs niet meer uit te drukken in frequenties, in structuren. Het kan alleen worden uitgedrukt in bewustzijn plus een harmonie. Het schijnt dat de kracht waardoor deze harmonie bestaat datgene is wat buiten alle tijd en daarmee buiten alle veranderingen ligt. Wij noemen dat vaak God. Het be­wustzijn dat hier bestaat, kan niet worden uitgedoofd en vernietigd, ook niet wanneer het gehele bekende Al ineenstort. Slechts indien de kracht­bron zelf gedoofd zou worden (niet als ze zich wijzigt, maar alleen als ze wordt gedooft) zal dit bestaan en daarmee het daarin bevatte bewustzijn te­ niet worden gedaan. Zover wij weten zal dat nooit gebeuren. Maar wij zijn tenslotte wezens die ook het bewustzijn aan de tijd ontlenen en we kunnen niets uitdrukken wat niet in contrasten kan worden uitgedrukt. Dus we zitten wat dat betreft ook met moeilijkheden. Wij kunnen alleen zeggen: wij veronderstel­len dit.

Nu zeg ik: Als bewustzijn niet kan worden vernietigd, zal het bewustzijn overdraagbaar zijn naar heelal, ongeacht de dimensies, dus de ver­houdingen waaronder het ontstaat en waarin materie aanwezig is. Dan kan het bewustzijn voortgaan met zijn ontwikkeling en zijn manifestatie, ook wan­neer een heelal verdwijnt. De ademing van het ik kan invloed hebben op bepaalde lagere sferen en zeker op de astrale mogelijkheden. Het kan geen invloed hebben op het werkelijk geestelijke bewustzijn en – dat vergeten de mensen wel eens ‑ daarmee ook niet op de hoogste bron van uw eigen innerlijk beseffen, want dat is uw hoogste geestelijke voertuig. Dit drukt zich dan uit in vormbegrippen en in tijdsbegrippen, maar staat zelf in feite daarboven.

Dan is mijn conclusie, dat het bewustzijn dat wordt gecreëerd of ontstaat in een heelal onverwoestbaar is. En dat zou volgens mij betekenen, dat je in elke volgende fase hetzelfde bewustzijn onder nieuwe omstandigheden actief ziet. Dat betekent dat er dus ook incarnatiemogelijkheden zijn, terwijl er tussen de eerste en de volgende incarnatie de z.g. “Nacht van Brahman” ligt. Het betekent, dat niet alles wordt uitgeblust, maar alleen datgene wat in zijn besef en bewustzijn nog niet de mogelijkheid heeft zich gelijktijdig verbonden te voelen met de oerkracht waaruit het is voortgekomen. Dan is een ademend Al in dit opzicht misschien een verrijking van de levensmogelijkheden van de geest. Hieruit zullen nieuwe ervaringen, nieuwe vormen en ‑ dit is ook erg belangrijk ‑ nieuwe noodzaken tot zelferkenning voortkomen. De verschillen tussen in‑ en uitademing zullen voeren tot een vervollediging van het besef. En dit besef zal zelfs aan het einde der tijden niet teniet worden gedaan: het zal blijven voortbestaan. Ook dit is een aspect van het ademend Al.

We kunnen nu wel denken dat het stoffelijk is afgedaan. Er zijn heel veel mensen, die bewust of onbewust schijnen te hopen op het ein­de der tijden. Dat zijn vooral mensen, die bang zijn dat ze van anderen geen gelijk zullen krijgen. Zij prediken dan: “Let maar eens op, binnen­kort komt het einde van de wereld en dan worden alleen wij gespaard.” Nu ja, als God dergelijke dingen alleen spaart, dan heeft hij geen goede spaarrekening. De mensen zijn dus wel geneigd om het einde der tijden en de verandering te verkondigen, maar het wonderlijke is, dat zij voor zich­ zelf altijd een uitweg van bestaan openlaten. Wij zullen worden gered. Of wij zullen in de hemel voortleven. Wij zullen …. enz. Spreekt hier misschien het oerbesef van het werkelijke “ik” dat zegt: er is geen einde? Is alle praten over de eeuwigheid eigenlijk niet een poging om te ontvluch­ten aan het besef van oneindigheid? Een oneindigheid die niet meer in tijd is uit te drukken, maar alleen in een proces waar in het besef van een “ik” op den duur identiek kan worden met het besef van de totaliteit? Het is maar een vraag.

Ik weet wel, hoe ze mij vroeger hebben verteld wat de eeuwigheid is: Stel je nu voor, dat de aarde een grote ijzeren bol is. Elke honderd jaar komt er een heel klein vogeltje en dat gaat er heel even op zitten. Kijk, zeiden ze, de eindigheid is dan voorbij als er van de aarde niets meer over is, omdat ze is weg gesleten. Dat is natuurlijk heel mooi, maar t.a.v. eeuwigheid is er dan nog geen seconde voorbijgegaan. Wat meer is, eeuwigheid is niet meetbaar. Als ze zouden zeggen: Wanneer alles wat er gebeurt naast elkaar ligt en een kring vormt waarvan begin en einde elkaar beroeren, dan hebben ze in die verschijnselen uitgedrukt het begrip, eeuwigheid. Want eeuwigheid is de gelijktijdigheid van alle dingen. Maar ja, wat heb je aan een mens, wanneer hij geen tijd heeft. Daarom worden de mensen onmenselijker naarmate ze minder de tijd nemen om tijd te hebben voor een ander.

Het denkbeeld van een dijend Al is in feite het gelijk blijven der dingen. Anders gezegd: de basis van mijn bestaan is duurzaam, zelfs als ik het zelf misschien niet geloof of zeg te geloven, want de meesten denken dat er toch wel iets is, al zeggen ze maar: ik leef voort in mijn kinderen of in mijn daden. De mensen willen gewoon dat er niets verandert. Ze beseffen niet dat verandering de enig juiste manifestatie is van leven en tevens je enig juiste mogelijkheid voor ontwikkeling. Als u dit wat filosofisch‑religieus betoogje wilt onderschrijven, dan zult u het met mij eens moeten zijn dat een ademend Al logisch is, redelijker is dan al het andere. Dan zult u mij moeten toegeven dat het denkbeeld van het parallelle Al waarin de energie, die uit dit Al is weggesijpeld, daar een hernieuwde schepping vormt een veel juister concept van tijdloosheid geeft waarin toch verandering en gebeuren bestaan, dan welke andere voorstelling ook.

Ik geloof, dat de mens teveel heeft geprobeerd een heelal te bouwen dat beantwoordt aan zijn diepste dromen en dat zijn diepste angsten ergens toch wat overbodig doen schijnen. En dan…. ja, vlieden, vluchten van het onbekende middelpunt, zoals veel mensen vluchten van het onbekende middelpunt van hun eigen wezen. En dan je op de borst slaan omdat je gedurende een paar honderd jaar waarnemingen hebt gedaan en op grond daarvan eens even gaat bepalen wat eeuwigheid, wat tijdloosheid, wat de levensduur van het heelal is. Me dunkt, dat gaat nogal ver!

Degenen die deze dingen juist achten, zullen wel zeggen dat ik met dit onderwerp veel te ver ben gegaan, dat ik veel onbewezen feiten heb aangevoerd. Ik heb in ieder geval getracht aan te tonen dat ze mogelijk zijn. En als zij zelf zien hoeveel van hun theorieën in feite ook alleen maar mogelijkheden zijn, dan zullen ze misschien iets meer goedertieren nadenken over datgene wat ik in deze inleiding heb gesteld.

Wat u betreft, als u werkelijk wilt nadenken over de vraag, of het Al nu dijend is of ademend, het is mij wel. Maar als u zegt: Eigenlijk interesseert het mij niet zo erg, wat mij interesseert is mijn eigen conti­nuïteit, een bewustzijn dat niet teloor kan gaan, dan vindt u hierin mis­schien toch nog iets. Let wel, ik kan u geen hemelse zaligheid beloven, geen eeuwig paradijs compleet eventueel met gouden steden, diamanten straten of al die andere verrukkingen die toch een walging worden, als je ze een eeuwigheid zult moeten ondergaan. Het enige dat ik u kan zeggen is dit: Een besef, dat weet samen te vloeien met de oerbron die in krachtvorm niet meetbaar is, maar in een ego wel als kracht beleefbaar, kan niet teniet gaan. Daarvoor is geen uitblussing, daarvoor bestaat geen tijd. Misschien dat dit dan voor u belangrijk is, dat het u een klein beetje aanmoedigt om ook even na te denken over dat diepste “ik” van uzelf waarin de veranderlijke verschijnselen van leven eigenlijk maar een bijrol spelen, als u even dieper durft schouwen in datgene wat u zelf bent.

Indien u mij toestaat hieraan nog enkele slotbeschouwingen te wijden, dan zou ik er graag op willen wijzen dat een mens, die niet weet hoe hij het knopje van het licht moet omdraaien, een dwaas is als hij zich gaat verdiepen in de structuur van een elektrische centrale. Je bent vaak niet eens in staat ‑ zeker wanneer je op aarde bent is dat vaak het geval ‑ om de schakelaar om te draaien waardoor het innerlijk contact met een hogere kracht of werkelijkheid realiseerbaar wordt. Moet je dan, juist omdat dat niet gaat, je bezighouden met de vraag waar het vandaan komt?

Er zijn hier op aarde heel wat verschijnselen waarvoor men weten­schappelijke hypothesen heeft gevonden die echter, gezien de verschijnse­len, nooit reële verklaringen kunnen zijn. Men heeft u bv. verteld: elektriciteit is een stroming van elektronen. Dat is op zichzelf al onjuist. Het is een versnellingsbeweging van een omloopbaan van elektronen waarbij de impuls – door vrije elektronen gegeven – een voortdurende fluctuatie in eigen samenhang tussen de verschillende atomen (meestal moleculen) tot stand brengt. Dit veroorzaakt een effect dat ‑ overgebracht op bepaalde materialen ‑ een magnetisch veld kan schep­pen of in andere gevallen een gloeiing tot gevolg heeft waardoor het ma­teriaal zelfs verteerd zou worden, indien het niet in een luchtledige ruim­te besloten was. Dat zijn de feiten. Dan kun je die hypothese verder uitbreiden, maar dan weet je nog niet waar het vandaan komt. Want niemand weet wat een elektron is. Men weet, dat het er is. Men weet, dat het een bepaalde functie schijnt te hebben, dat het bepaalde mogelijkheden in zich bevat, maar niemand weet wát het is.

Niemand weet wat de kern van de materie is. En zolang je niet in staat bent om de materie goed te hanteren, lijkt het mij nogal dwaas je af te vragen wat de essentie daarvan is. Wanneer we ons bezighouden met een ademend Al, dan kan dat hoogstens dienstig zijn o.m te begrijpen dat wij leven in een soort vast organisch re­agerend geheel. We zijn deel van een totaliteit. We kunnen ons niet los denken van een Melkwegstelsel of van sterren. We kunnen dit alles ook niet los denken van een aantal natuurwetten die zich overal en vergelijkbaar of gelijkelijk manifesteren. Maar dan hebben we nog geen antwoord gegeven op. Wat is de oorsprong van het Al? Dat antwoord is niet te geven, omdat het behoort tot iets wat buiten onze kenbare werelden valt. Ik heb u uit de aard der zaak nogal wat filosofieën voorgelegd: wat hypothesen, wat denkbeelden die wetenschappelijk niet bewijsbaar zijn. Een deel van het door mij gestelde berust op de waarnemingen die wij vanuit de geest doen. Niet materieel zijnde hebben we een andere visie op de materie en de acties van de materie dan u en wij kunnen ‑ ook al omdat tijd en ruimte voor ons een andere betekenis hebben ‑ daarin bepaalde samenhangen gemakkelijker overzien. Maar er zijn ook voor ons beperkingen en problemen zo goed als voor u. Daarom heb ik in het tweede deel van mijn inleiding u willen confronteren met de innerlijke kracht en voor zover ons weten gaat met de onvernietigbaarheid van bewustzijn, wanneer een ego eenmaal een contact met de bron bereikt. Het is echter geen absolute zekerheid. Misschien is wat voor ons een God is, alleen maar een stofje dat danst in de stralen van een zon die we niet kunnen beseffen. Maar voor ons is het eeuwig en tijdloosheid.

Alles kan betrekkelijk zijn. Maar in deze betrekkelijkheid zijn er voor ons vaste waarden. Die waarden zullen we eerst moeten beleven en vastleggen vanuit onze wereld en ons bestaan voordat we verder kunnen gaan en ons misschien kunnen gaan bemoeien met de kosmische raadselen. Als je mens bent, moet je leven als een mens. Een mens, die probeert te leven als een verlichte geest zonder aan de stoffelijke aspecten enige aandacht meer te geven, zal daar misschien in slagen, maar hij zal nooit werkelijk nut trekken uit deze incarnatie in de materie. Een mens, die voortdurend bezig is met God en vergeet daarbij medemens te zijn, schiet als mens zodanig tekort, dat ook zijn gebondenheid aan God daarin geen verschil kan maken. Wij leven op een bepaald niveau van bewustzijn. Wij hebben bepaalde krachten en mogelijkheden. De omschrijving doet niet ter zake. De een doet een wonder door te zeggen: Nou, ik hoop dat het gebeurt. De ander stottert daarbij een onvoorstelbaar aantal onbegrepen woorden in oude vergeten talen. Als het effect wordt bereikt, is er voor beiden hetzelfde gebeurd. Niet de procedure maar het resultaat is bepalend. Wie vanuit de geest ziet wat menselijk leven betekent, kan zeggen: Al wat je bent en wat je doet, komt er minder op aan. Het lijkt misschien zo. Het belangrijke is, dat je in de eerste plaats trouw blijft aan je innerlijk begrip van juistheid. En in de tweede plaats, dat je het contact met je wereld nooit werkelijk verliest. Dat zijn de belangrijke dingen. Dan mag je, als je nog tijd daarvoor overhoudt, natuurlijk nadenken over het wezen van God, de origine van de kosmos of de indeling van het hiernamaals, maar dat is secundair. Alles wat zich met het onbekende en het verre bezighoudt, komt op de tweede plaats. Op de eerste plaats komt datgene wat je bent, de waarheid, die je vormt uit je besef in jezelf en buiten jezelf door je daden.

Eeuwigheid is onvoorstelbaar voor een mens. Maar hij moet in ieder geval leren zo te leven in de tijd dat hij zichzelf getrouw kan blijven en dat hij gelijktijdig zijn innerlijk begrip van juistheid zo goed mogelijk dient door dit t.a.v. anderen tot uiting te brengen. Nu denkt u waarschijnlijk: dat is een mooie preek aan het eind. Er is verschil tussen een religieuze bijeenkomst en bijeenkomsten als deze. In een religieuze bijeenkomst komt de preek halverwege, omdat men daarna gemakkelijker de collecte kan houden. Ik heb zeker niet willen preken, begrijpt u mij wel. Ik heb u helemaal geen dwingende voorschriften willen opleggen: het zou dwaasheid zijn. Mijn waarheid behoeft niet de uwe te zijn en omgekeerd. Maar laten we elkaar waarderen voor wat we zijn: zoekers, die eerst in zichzelf moeten zoeken en dan het gevondene in de wereld buiten zich waarmaken. Dat is onze werkelijkheid. En als ik dit dan zeer kort mag afsluiten:

Het Al ademt, misschien.

En God droomt, misschien.

En wij zijn misschien alleen maar uit gedachten voortgekomen schimmen.

Maar je leeft je eigen werkelijkheid.

Je zult je eigen strijd strijden.

Je zult je eigen kracht ontwikkelen.

En je zult uit je eigen harmonie langzamerhand dichter moeten komen bij een waarheid die niet door feiten kan worden gelogenstraft.