Het beeld van het geloof als realisatie van het Goddelijke

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 51

3 februari 1957

Twee zijn alle dingen, ook in Jezus. Ook in zijn leer. De gast, die deze morgen tot U zal spreken, heeft deze tweeheid van het christendom misschien wel het best beleefd en het best begrepen van alle vroege christenen. Hij is doorgedrongen in die vreemde innerlijke wereld en hij heeft geleerd ook de tweeledige betekenis van Jezus woorden steeds sterker te beseffen.

Want het is zo gemakkelijk om in een gelijkenis te spreken. Te zeggen; het geloof is een mosterdzaad, dat opgroeit en wordt tot een volle boom, waarin de vogelen schaduw en beschutting vinden. Dat is een beeld, dat bij een ieder aanslaat, dat begrijpt een ieder in die tijden. Maar daarachter ligt een tweede beeld: Het beeld van het geloof als realisatie van het Goddelijke. Het ware onvervalste geloof, dat zich niet bindt aan uiterlijkheden of feiten maar in het “ik” leeft, is een verbinding met de totaal scheppende Kracht. En het licht, geboren in dit op zich onbelangrijke geloof, wordt tot een kracht, die aan allen beschutting kan bieden. Een kracht, die veelvoudig draagt datgene, waaruit ze geboren is.

Zo zijn er duizend en een van die voorbeelden. Jezus gelijkenis over de naaste. Men zou denken, dat de Samaritaan de enige naaste was. En uiterlijk lijkt het zo. Maar wat is de innerlijke betekenis van deze gelijkenis? U kent ze ongetwijfeld. Ik zal ze U dus niet verhalen.

Wanneer wij een band hebben met een ander mens, onverschillig hoe, dan zijn wij diens naaste. Vertaal dit in de termen van het innerlijk leven en zeg: Zodra ons wezen zich weerspiegeld vindt in een ander, dan is hij, dan is zij juist in dit opzicht niet slechts meer onze naaste, maar meer dan dat. Want wij hebben onze naaste lief gelijk onszelf, omdat wijzelf zijn gelijk onze naaste. Omdat wij een zijn in werkelijke betekenis, in werkelijke zin.

Och, de wereld heeft zo vele dingen misverstaan. Toen Jezus het brood brak heeft men gedacht aan het magistrale, aan het wonder, of aan het simpele herdenking maal. Hoeveel mensen hebben beseft in de loop der tijden, dat wat Jezus deed de eeuwige erkenning is, die alle stof in zijn bewustzijn brengt, wanneer de innerlijke wereld is opgebloeid tot volle rijpheid in het ik. Priesterlijk heeft men die handeling genoemd. Maar zij was niet priesterlijk. Zij was meer en minder dan dat. Zij was vereenzelviging van het ik met de wereld, ofwel uiting van het Koninkrijk Gods, de innerlijke kracht, die in alle dingen erkend wordt.

Zo leeft het christendom steeds in twee waarden. Wat er op Uw wereld is overgebleven daarvan, is veelal te uiterlijk, te veel gebonden aan dogmatische voorstellingen, aan schema’s, aan woorden ook, om de innerlijke betekenis te kunnen realiseren.

Wanneer wij in de loop der tijden zo vaak spreken over dit christendom als een belangrijk iets, dan gebeurt dat niet, omdat het het enig belangrijke is in de wereld, maar omdat dit juist voor U een weg is, die ge uiterlijk kent en die ge misschien innerlijk kunt leren benaderen.

Kunnen opgaan in het Koninkrijk Gods, d.w.z. een eenheid bereiken, die niet te beschrijven is met woord of pen. Dit opgaan nu in het Koninkrijk Gods is een lange tijd door Jezus behandeld met een kleine groep van zijn leerlingen. Deze groep van leerlingen heeft soms delen daarvan begrepen. Onder hen was de gast, die ik U thans introduceer. Wanneer een direct contact niet mogelijk blijkt, zullen wij trachten voort te zetten door tussenschakeling van een onzer eigen sprekers.

o-o-o-o-o

Het is voor mij een werkelijke vreugde te mogen spreken over dat, wat mijn leven heeft gevuld en voor mij de werkelijkheid betekent, ook nu nog, in mijn wereld. Misschien dat ik niet in staat ben om Uw eigen taal zo zuiver te gebruiken, als ik dit zou willen. Maar in ons leven alle talen en zo geeft ik de kracht, die in mij is, opdat zij in U wordt tot een taal, die zingt en klinkt als een lichtende werkelijkheid.

Het is voor U al lang geleden, dat de Meester op aarde ging en dat hij sprak in de avonduren met ons en haast fluisterend soms openbaarde de geheimen van zijn Vader, de geheimen van de krachten rond ons, de vreemde wereld, die ligt achter de sterren. Voor ons is die tijd nog heden. De wereld is verder gegaan, de mensen zijn verdergegaan, maar de waarheid …. o, die kostelijke waarheid, die is dezelfde gebleven.

Ik heb zo vaak stil en beschouwelijk gezeten naast de Meester, wanneer hij sprak. En ik heb zo vaak gedacht: “Hoe kun jij, dwaas, doordringen in de geheimen, die hij beroert?” En de geheimen zijn geopenbaard.

Kom, laat ik niet spreken van mij, maar van hem. Want hij was het, die ons allen een weg heeft getoond, een zo wonderlijke weg, dat wij konden uitgaan ver buiten ons eigen wezen, wanneer wij maar vergaten, wie wij waren.

Ik herinner mij nog de nacht, dat wij buiten het dorp gezeten waren onder een oude olijfboom. Wij praatten zo wat heen en weer en toen er een stilte viel, vroeg ik de Meester: “Heer, gij spreekt zo van het Koninkrijk Gods. Maar zeg ons dan, waar kunnen wij Uw Vader vinden?”

Toen lachte Jezus. Hij kon zo in goedig lachen. Het was of een ogenblik ergens een zon opging. Vol van milde melancholie ook soms. En hij zei tot mij: “Broeder, hoe kan men de Vader vinden dan door het wezen zelf ? Tot hen” en daarmede bedoelde hij de schare, die hem gevolgd had, ook die dag “zeg ik: Gij kunt niet komen tot de Vader dan door mij. Maar tot U zeg ik: Wees één met de krachten, die in mij zijn en gij zult de Vader gevonden hebben.”

Ik was zeker niet bescheiden in die dagen en als een van de jongere leerlingen voelde ik mij eigenlijk aan mijn eigen wezen verplicht zo nu en dan eens te laten voelen, dat ik toch heus wel iemand was. Maar op dat ogenblik moest ik toch toegeven: “Dat kan ik niet.” Daarom vroeg ik hem: “Meester, verklaar het mij dan. Want ik kan het niet begrijpen.”

Toen heeft hij die nacht veel gesproken. Misschien zijn het wel uren geweest. Ik weet het niet precies meer. Ik weet wel, dat de morgen kwam, voordat ik klaar was met het denken over deze enkele gedachte. Ik zal proberen U zijn woorden weer te geven en misschien ook iets weer te geven van zijn intense goedheid, die misschien nog meer zei dan zijn woorden zelf.

“Broeder,” zei hij, “wanneer wij uitgaan in de woestijn, zijn er duizenden, ja ongetelde korrels zand. En elke korrel zand denkt zichzelf een wereld. Wij, die over het zand weg schrijden, weten, dat dit dwaas is. Maar het zand zelf beseft dit niet.

Wanneer de korenhalmen ruisend wuiven en wij schrijden door het pad, dan denkt elke korenhalm voor zich geboren en geroepen te zijn om nieuwe velden van wuivend koren voort te brengen. Zij beseffen niet, dat zij daar zijn tot voeding van de mensen.

Zo gaat het ons, zo gaat het U. Wij zijn niet voorbestemd om te worden tot die grote goddelijk lichtende Krachten, die naast God zetelend, naast de Vader staande, leven in Zijn bestaan en wereld. Er is niet een weg en toch is er wel een weg.”

Dat laatste verblufte mij een beetje. Eén weg, die niet een weg en toch één weg is. Ik denk, dat hij het op mijn gezicht heeft gezien. Want hij glimlachte weer even zo goedmoedig, als een moeder misschien tegen een baby kan glimlachen een ogenblik. En hij zei tot mij:

“Kijk, ik heb U reeds gezegd: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen.” Toen wees hij omhoog en zei mij: “Kijk, vele woningen zijn nabij en andere ver af. De mens, die leeft op deze wereld, is vrij. Vrijer dan de meeste werelden zijn. Maar indien ge hier Uzelf hebt voorbereid op het leven des Vaders, op het leven in Zijn kracht, dan neemt Hij U op in een van Zijn woningen. Woningen daar in de hemel.”

Eerst meende ik, dat hij bedoelde: achter de sterren. Later begreep ik: ergens op de sterren. “Daar zult ge leven en werken,” zo zei hij mij. “Werken onder een strengere wet, met een grotere kracht, gekoesterd door een zuiverder licht. Zo zult gij gaan van woning tot woning en de Vader zal steeds met U zijn. Altijd in wetten, altijd in Zijn licht en de Kracht en het bewustzijn, die Hij U geeft.”

“Maar er komt toch een ogenblik,” merkte ik op, “dat er geen woningen meer zijn? “ Toen …. ik geloof, dat hij eigenlijk had willen lachen, lachen misschien om de simpelheid van mijn vraag, om mijn onbegrip voor de werkelijkheid. Want het kwam er haast ja, het was niet spottend, maar toch haast spottend uit:

“Wanneer Mijn Vader U geen woningen meer biedt, zo neemt Hij U op in Zijn wezen. En zult gij daar niet beter behoed zijn dan in alle velden der hemelen?”

Toen stond ik geslagen. Maar gelukkig was ik niet alleen. Want de Meester was gewoon om meerderen van ons te verzamelen voor deze intiemere besprekingen. En een van de anderen zei: “Maar Heer, indien ik opga in God, opga in de Vader, hoe kan Hij mij bevatten, terwijl ik mijzelf ben en Hij Zichzelf is?”

Toen kwam er een antwoord, dat ik nooit vergeten heb en dat meer en meer werkelijkheid voor mij geworden is door alle tijden heen. “O, dwaas. Meent gij gescheiden te kunnen bestaan van de Vader? Eén zijt ge met Hem in alle tijd, in alle leven. Ook nu zijt ge deel van Hem en leeft ge in Hem, maar ge beseft het niet. Echter, indien in Zijn woningen alle wijsheid de Uwe geworden en gij alle schatten van Zijn Schepping hebt vergaard, dan zult ge één zijn met Hem, in Hem zoals thans, maar gelukkig als nooit te voren.

En wanneer ik U zeg: Vraagt. Vraagt, opdat U gegeven worde, zo zeg ik U: Elke vraag, die gij richt, is de kreet van het wezen. Het wezen, dat in God is, en God is, en spreekt tot God, en in God verwerkelijkt, zodat alles uit God is, wat voortkomt uit de vraag. Wie vraagt aan de Vader, schept, indien de vraag niet de vraag eens mensen maar een vraag van de strevende geest is.”

Ja, hoe kan ik U duidelijk maken, wat een betovering er kan uitgaan van deze dingen, hoe ze je gedachten kunnen meesleuren. Meesleuren over alle tijd heen. O, ik weet het, thans ben ik weer jong voor U, misschien wel erg jong; en toch ben ik oud geweest, heel oud. Maar jong of oud, het is mij de enige waarheid gebleven.

Of ik nu de gladde knaap ben, wiens baard nauw ontspruit, of de oude witgebaarde, wiens haren reeds vallen, in mij is alles hetzelfde. Misschien dat ik er goed aan doe U dat duidelijk te maken door nog een paar woorden van de Meester mee te delen, hopend, dat U begrijpt, welke zin er in ligt. Ik zei eens tot de Meester, toen wij tezamen gingen temidden van de anderen: “Heer, wanneer wij oud en moede zijn, wie zal dan het woord dragen en de leer?”

Toen zei Jezus mij wijzende op een boom: “Ziet gij deze boom? Vruchten draagt hij in zijn leven en in elke vrucht hernieuwt de boom zichzelf. Wat zoudt gij dan treuren om mogelijke ouderdom? Ik zeg U: Er bestaat geen ouderdom en geen dood. Er bestaat geen scheiding en geen vereniging. Er is alleen het zijnde. En dat, wat gij wilt zijn in het Zijnde, zult gij zijn.”

Het heeft een tijd geduurd, voor ik begreep, wat dit betekende. Dat, wat je van binnen bent, wat je innerlijke wereld is, intens en volledig, vrienden, dat is de werkelijkheid. En al het andere telt niet. Maar als je het niet beseft, dan word je net als ik oud en misschien een klein beetje knorrig. Pas wanneer je ontdekt, hoezeer dit alles eigenlijk een onnodigheid is, een veruiterlijking, terwijl van binnen Gods wereld en Gods rijk leeft in je als een intensiteit, waarin elke vraag beantwoord wordt, waarin nooit een verzoek geweigerd wordt, dan blijf je jong als ik.

Ik was een van de jongsten, die Jezus volgde en dat wil ik blijven, jonger misschien dan alle christenen op de wereld omdat het goed is van binnen jong te zijn. Als je jong bent, kun je geloven. En kun je geloven, dan kun je begrijpen. Wie oud is en gewichtig, die belaadt zich met de lasten der wereld en gaat daaronder in zijn overpeinzingen zo zwaar gebukt, dat hij niet in staat is het offer te brengen, dat de wereld vraagt.

Uiteindelijk, wereld is meer dan alleen maar wat kleine hemelbollen, die ergens in de ruimte zweven met een bewustzijn er op; meer dan Uw ongeziene wereld, gevuld met geesten van allerlei soort. Leven is zo’n intensiteit, dat zij alles vult, alle ruimte, alle stof, alles.

Wanneer je in dat leven dan de jeugd en de veerkracht vindt, het geloof, dan vraag je niet: “Moet ik de lasten van dat leven dragen? Of moet ik dit bittere aanvaarden?” Je zegt tegen jezelf: “Dit zijn bijkomstigheden. In mij draag ik een kostelijke schat.” Zoals Jezus eens zegde: “Wanneer een bode met een blijde tijding tot zijn meester gaat, dan telt hij niet de schreden van de weg. Wanneer hij rusten moet voor de Sabbat, dan nog snelt zijn geest zijn voeten vooruit om te zeggen tot zijn meester: “Ziet, ik kom en ik breng U blijde tijding.”

En zo zijn wij. Wij willen een blijde tijding brengen aan God. Wij willen, al weet Hij het ook duizend keer, Hem zeggen: “Vader, Uw schepping is groots en goed. Uw kracht hebben wij erkend. Wij zijn ingegaan in Uw rijk.” Dat zou je niet een keer, maar wel duizend keer willen zeggen, steeds weer tegen het Licht, tegen de Kracht, tegen de werkelijkheid.

Begrijpt U, vrienden, hoezeer deze dingen je kunnen beroeren? Daarom moet je jong van hart blijven. Jong, ook wanneer je ledematen misschien wat ouder worden. Daarom moet je de intense kracht in je weten te dragen van Gods Licht met de zekerheid, dat niets, maar dan ook niets, dat een werkelijke bede is, onverhoord blijft. Je moet weten, dat God door jou schept, zoals Hij door alle dingen schept. Dat de Vader met ons is. Elke schrede, elk ogenblik.

Wanneer je zo jong kunt zijn van binnen, dan kun je de lasten van alle werelden dragen en toch gelukkig zijn, wanneer je in je voelt, hoe werkelijk het leven is. Wanneer je met God leeft, dan ben je als de bode, waarover mijn Meester sprak en ga je al ben je misschien nog zo vermoeid, en overdekt met stof, al is je last nog zo zwaar met snelle schreden naar je Meester toe. Dan wordt je gedreven tot God, tot de Vader in Zijn eigen woning, in Zijn eigen rijk. En je wilt Hem zeggen: “Vader, wij hebben voor U een blijde tijding.” En de beste tijding, die wij kunnen brengen geloof mij, ik heb het geleerd van mijn Meester de beste tijding, die je God kunt brengen, is: “Ziet, Vader, alle grenzen zijn gevallen. Uw rijk is mij een werkelijkheid, Uw wil is mijn wezen en Uw wet is mijn vreugde.”

Die woorden heeft Jezus eens gesproken. Die zal ik nooit vergeten. Het was na zijn kruisiging. Na zijn terugkeer in ons midden. Toen hij ons dat zei, toen kon ik hem begrijpen. Want wat kan er beter zijn dan tegen God te zeggen in feite: “Vader, eindelijk is het ons gelukt U geheel te aanvaarden.”

En nu, vrienden, ga ik terug naar mijn wereld, een wereld, waarin geen tijd is. Een wereld, die een geluk en een vrede kent, die ik U graag zou laten al is het alleen maar om de intense vreugde en het licht maar die ge voor Uzelf moet vinden. Het wordt tijd, dat ik de last van de vele voertuigen afwerp en weer terugkeer in mijn vrijheid. Maar zoals onze Meester ons heeft geleerd toch zijn wij met U door alle tijden en altijd weer. Want Gods liefde, de kracht van de Vader is het, die ons in staat stelt tot U te gaan in alle vormen, die nodig zijn. Maar die ons ook in staat stelt U te helpen, wanneer Uw eigen geloof en vertrouwen in God een ogenblik wankelt. Opdat ge een zult kunnen zijn met Zijn wezen, met Zijn rijk.

En dan mag ik misschien nog een laatste woord van de Meester lenen: “Dat de vrede des Vaders in U zij en de vreugden der wereld U een staf op Uw weg tot Hem.”

o-o-o-o-o

Het is niet erg gemakkelijk om hier nog iets aan toe te voegen. Onze vriend brengt ons de sublimatie van het geloof. Geloof, dat een zekerheid wordt, tot deel van je leven wordt. Ik geloof, dat dat wel de oplossing is voor alle problemen.

Maar ja, om dat te krijgen moet je eigenlijk toch nog doormaken, wat hij op zijn manier heeft doorgemaakt. Met Jezus spreken, misschien dat wij dat niet zo feitelijk behoeven te doen als hij, maar er komt toch een ogenblik, dat je behoefte hebt aan een bevestiging.

Ik geloof, dat wanneer ik al die woorden zo naga, er een bevestiging voor ons moet liggen. En dat is dit: Wanneer wij bidden om datgene, wat wij werkelijk wensen – niet iets wat wij zo zouden willen hebben, wanneer het in het verleden terug kon gaan, maar iets wat we op het ogenblik begeren in een zuiver omschreven vorm – dan geloof ik, dat we die bevestiging krijgen, die kracht krijgen, wanneer je je daaraan kunt overgeven. En ik denk zo, dat degene, die zijn eigen geloof voortdurend op de proef stelt door te vragen naar een verwerkelijking, een antwoord van God, maar dat dan intens en redelijk doet niet alleen vanuit zijn eigen begeren, zijn verlangen, niet alleen uit louter hebzucht, maar werkelijk zo van binnenuit ik geloof, dat hij het antwoord krijgt. En soms een antwoord, dat heel wat duidelijker is dan de gewone mensen zich voorstellen. Per slot van rekening, God kan spreken door zoveel stemmen, waarom zou Hij geen stem gebruiken om ook U te antwoorden, wanneer het nodig is? Wanneer U maar in Uw geloof, in Uw streven intens genoeg bidt.

Ik zou zeggen, laten wij dan in de stof en in de geest dit laatste voor een heel stel van onze vrienden en ook wat voorbijgangers, die heden onze hoge gast mede welkom wilden heten ik zou zeggen, laten wij dan in onze eigen wereld proberen op basis van het geloof, op de beproeving ook van ons eigen geloof, te komen tot een verwerkelijking van hetgeen wij nou zo intens verlangen.

Laten we dat verlangen vooral niet plaatsen in onze eigen wereld zonder meer. Laten we dat plaatsen in die innerlijke wereld, die innerlijke beleving, waarover wordt gesproken. Ik ben er van overtuigd, dat wij dan de bevestiging vinden van ons geloven, ons vertrouwen. En dat wij dan onverschillig wat voor een vorm wij eraan geven, hoe we het nomen of hoe wij het uitdrukken iets van het Koninkrijk Gods in ons zullen gaan ervaren.

Het is erg wonderlijk iemand te zien, die zo volledig in dat Licht opgaat, als de spreker van zo-even. Maar hij heeft alleen maar bereikt, wat wij bereiken kunnen. Hij heeft alleen maar een erfdeel reeds aanvaard, wat voor ons nog ligt te wachten. Laten wij dan op onze manier proberen met of zonder wat men christendom noemt, maar vooral met de kracht van die intense liefde, het intense geloof, dat Jezus ons heeft voorgeleefd met vele anderen, laten wij dan met deze kracht proberen voor onszelf ook deel te worden van het innerlijke rijk. Dan zullen we waarschijnlijk wel het beste gedaan hebben, wat we doen kunnen.

En wanneer we dat doen, dan krijgen we ons antwoord van de andere kant. Want als een mens of een geest het beste doet, wat hij kan, denkt U dan werkelijk, dat het Volmaakte in ons geen antwoord daarop zou geven? Elk streven naar volmaaktheid baart volmaaktheid. Elk streven naar waar geluk, baart waar geluk. Maar elk streven naar een schijngeluk, laat ons alleen maar de schijn.

Vrienden, ik hoop, dat ik met mijn commentaar niet vervelend ben. Maar het is nodig, dat wij even begrijpen, dat er voor ons een praktische waarde in zit. Je kunt het nu wel allemaal horen en erg mooi vinden, maar aan de mooiheid alleen heb je niets, helemaal niets. Wat je nodig hebt is het vertrouwen in God en in de wereld, het vertrouwen ook in jezelf, om zo te streven naar iets, wat je de moeite waard vindt. Zo volledig te streven, dat je er een mee wordt. En als je een wordt met iets goeds, dat je nastreeft, geloof me, dan ben je heel wat dichter bij het Goddelijke gekomen. Dan sta je misschien al, voor je het weet, midden in die lichtende werelden, waar we nu een ogenblik met stil ontzag nog naar opkijken.

o-o-o-o-o

KERNKRACHT

Er ligt een kracht in al verborgen, geboren uit het goddelijk Licht, die al ons streven, onze daden, beleven en ook leven richt.

O Kracht, verborgen in het kleine, een Kracht toch zelf onmetelijk groot die meer is dan alle kracht van leven, dan alle schijn van ondergang en dood.

Die Kracht is ons door God gegeven. Ze is voor ons een werkelijkheid, die – indien we haar maar eens aanvaarden – ons tot de voleinding leidt.

Een kracht der ziel, een kracht van geest, een kracht van menszijn zonder grens. Dat is de werkelijkheid van het leven.

Wanneer wij in ons onbewustzijn gaand nog worstelen en strijden, streven naar volmaaktheid en naar waarden, onbegrepen, half beseft, dan vinden we in ons reeds de kernkracht, die ons wezen toch verheft bovenal wat stof vermag, boven wat de geest ons geeft, omdat in ons een goddelijk Licht, een bron van de volmaaktheid ligt.

Kernkracht, woord, zo vaak misbruikt voor het menselijk geweld, een wereldondergang door mensen voorgesteld als zijnde recht van strijden en zijnde vage dood. De werkelijke kernkracht is leven, groter dan wat de mens ook kent. Ja, zo groot, dat ze al omvat, wat aan bewustzijn ooit gegeven worden zal aan geest en mens.

De kernkracht, kern van ‘t eigen wezen, is voor de kosmos tevens ons de grens; en het is ons alles, zonder grenzen. Een wereld, waarin leven mensen en het begeren zelf zich vervult en ontgaat weer de vervulling. Een geestenwereld vol van licht of duisternis, vol van smarten. Een aanvaarden van het lot, of een God en noodlot tarten, het ligt alles in de kernkracht opgesloten.

God is onze kernkracht. Misschien dat ik daar nog even over mag mediteren. Want als wij het woord kernkracht horen, dan denkt de mens aan het atoom, aan de ontketening van geweld. Hij denkt ook aan een geheimzinnige kracht, die energie geeft, onmetelijk veel energie, wanneer ze juist wordt aangewend. En er zit toch wel een vergelijking in.

De kernkracht van ons wezen is goddelijk Licht, is Volmaaktheid. De kernkracht van alles wat leeft, is God in de zuiverste, volmaaktste, de minst stoffelijke vorm. Kracht zonder meer. En zoals de kernkracht, verkeerd ontketend, vernietigen kan, zo kan juist de volmaaktheid van het Goddelijke het halfbewust streven naar onvolmaaktheid in ons wezen soms vernietigen met een geweld, dat onze wereld doet instorten.

Je kunt niet ontkomen aan de kracht, die in je leeft. En die kracht is vervulling van alle dingen, maar vooral volmaking. En wanneer wij volgens ons eigen begrip en wezen naar volmaking streven, dan zal die Kracht ons bevestigen en dienen, dan zal ze ons dragen en opvoeren.

Kernkracht, kracht Gods, bevestigt alle positieve streven in ons, maar vernietigt ook ons en onze hele wereld zo nodig, wanneer het streven negatief is. Wat ons overblijft is dan de kern. De kern gaat nooit onder.

Wanneer U mij dan als besluit van deze bijeenkomst het woord kernkracht geeft, dan kan ik daarmede niet anders zeggen dan:

Het is de kracht in ons, die zo het bij mensen heet het goede loont en ook het kwade straft. Niet met stoffelijke waarden en door werelden te bouwen en ineen te doen storten. Want het levend licht, in ons verscholen, is de enige werkelijkheid, die ons voert over wereld, over ruimte, over tijd, tot begrip van juiste waarden, die werkelijk zijn in heel het Al. Het is het licht, dat in ons leeft nu, dat eens bewustzijn wezen zal, waardoor wij opgaan tot het Licht, aanvaardend God als werkelijkheid. Terwijl het ik beeld, dat nu leeft nog, als onbelangrijk dan verglijdt in zee van vormen, zee van krachten, ons gegeven door de kracht, die in ons leeft. Zodat wij scheppen in ons wezen, als God eens ons geschapen heeft.

Ik geloof, dat ik hier mijn gedachten toch wel heb kunnen vastleggen. De kernkracht van al het zijnde is Gods kracht. Gods kracht, die vernietigt datgene, dat het Goddelijke ontkent volgens ons bewustzijn. Gods kracht, die bevestigt wat volgens ons inzicht God is.

Alle dingen zijn God en uit God. Maar ons bewustzijn leidt voor ons de kracht, die in ons schuilt. Daarom zoals de kernkracht der mensen vernietigend kan zijn.