Het begrip ‘beheersing’

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ (hoofdstuk 1)  – oktober 1960

Inleiding

Uit de reeksen van lezingen, die zijn gehouden over de ontwikkeling van het ‘ik’ op velerlei terrein, zal het u zijn gebleken dat de behandeling zelf van het ‘ik’ en de wijze waarop dit wordt gehanteerd, ook van beslissende invloed is voor zowel geestelijk als lichamelijk welzijn en daarnaast zeer zeker ook voor geestelijk bereiken en verdere bewustwording.
Bij elke inwijding wordt als eis gesteld dat de mens zichzelf leert kennen. Om echter jezelf te kennen, moet je weten wat je bent en zelfs in staat zijn jezelf – althans grotendeels ‑ te beheersen. In het komende jaar willen wij trachten de verschillende aspecten van het menselijk leven te behandelen, gezien uit de stof zowel als uit de geest, en daarbij de nadruk te leggen op de mogelijkheid van meesterschap over het ‘ik’ en de erkenning van de ware tendensen in het ‘ik’.
Daarbij zijn natuurlijk een aantal grondstellingen aan te halen.
Wij kunnen ons b.v. moeilijk op deze avonden gaan bezighouden met begrip­pen als ‘zonde’. Eenvoudig gezegd: de enige maar dan ook werkelijk grote zonde, die wij zien in de mensheid, is dat wat hij pleegt te noemen ‘het recht van de sterkste’.
Alles wat de harmonie in de wereld niet schaadt maar bevordert, wordt geacht goed te zijn, voor zover het in overeenstemming is met het innerlijk van de mens.
Daarnaast zullen wij begrippen krijgen als deugd, moraal. Ook hier zijn enkele beperkingen te maken. Over het algemeen zijn deze begrippen gegroeid uit de tijd. Voorbeelden kunt u te over vinden, als u zich wendt tot de klassieke literatuur. U kunt b.v. zien dat de opvattingen omtrent seksualiteit eerst werkelijk zijn gaan veranderen na de jaren 1650. Vóór die tijd werd dit probleem veel ronder en veel minder in benepenheid en schuldbesef beschouwd. Toch zijn de zeden van deze tijd en het begrip van moraliteit van de mens in deze jaren gebaseerd op een ten dele verbergen van seksualiteit, anderzijds een ietwat vreemd spel daarmee. U zult begrijpen dat wij ons daarmee niet kunnen bezighouden. Dit zijn modeverschijnselen, die niets te maken hebben met het ‘ik’ zelf.
Daarnaast zullen wij op onze weg door de verschillende waarheden van de kosmos en de geheimen van de mens voortdurend contact krijgen met de innerlijke mens. De indeling daarvan is in vorige cursussen meermalen besproken en kan kort nog worden herhaald: geest, invloed van bovenbewustzijn, onderbewustzijn en waakbewustzijn. Tussen deze factoren spelen zich voortdurend wisselwerkingen af. Hierop zal, voor zover nodig, nadruk worden gelegd. Belangrijk is voor ons op het ogenblik in de eerste plaats echter de beheersing van de uitingen, zoals die in de stof voorkomen, de beheersing van de gedachteprocessen, die in de stof meestal overheersend zijn en daarnaast een aanduiding van de verschillen, die kunnen bestaan tussen het geestelijk ‘ik’ en het stoffelijke ‘ik’.
Dit alles samengevat biedt ons reeds voldoende conflictstof om over te gaan tot vele verhitte debatten. Het is ons echter onmogelijk over elk punt van verschil te gaan debatteren. Dientengevolge zou voor deze reeks van lezingen het volgende moeten gelden: Zowel u, toehoorder, als u, lezer, zult zich de moeite moeten getroosten zelf te selecteren en uit de veelheid van gegevens voor uzelf te zoeken wat op uw eigen wezen en ogenblikkelijke toestand toepasselijk is.
Tracht niet alle dingen gelijktijdig in praktijk te brengen. Dit is onmo­gelijk. Tracht niet alle gedachteprocessen gelijktijdig te volgen en geheel te ontwikkelen. Dit leidt tot verwarring.
Begrijp dat in het streven naar beheersing van het ‘ik’ een zekere een­zijdigheid onvermijdelijk is, omdat wel een overwinning fase na fase kan plaatsvinden, maar een geheel domineren van het ‘ik’ alleen door een denkbeeld eenvoudig onmogelijk wordt gemaakt door de gewoonten, de maat­schappij, waarin de mens leeft, en misschien ook de remanenten van vroeger geloof, die nog in zijn innerlijk verborgen zijn.
Ik zou hiermee mijn inleiding willen besluiten en overgaan tot het eerste deel van onze lezingen.

Het begrip ‘beheersing’

Beheersing als zodanig bestaat in het bewust en overlegd handelen waarbij elke handeling een doel moet hebben. Beheersing houdt niet in de ontkènning van een bepaald doel als b.v. zelfbevrediging. Dit is wel mo­gelijk maar niet noodzakelijk. Alle beheersing omvat verder dat ‑ ook wanneer geen volledig overzicht omtrent verdere ontwikkelingen en gevol­gen bestaat ‑ het ‘ik’ bewust deze consequenties aanvaardt en in deze consequenties zelf zoveel mogelijk buigt in de richting, die door het ‘ik’ wordt beheerst en begeerd.
De beheersing, waarover ik hier in verband met het ‘ik’ spreek, wordt geboren uit de wereldvoorstelling. Ieder van ons draagt in zich een wereldbeeld. Dit zal naar gelang van de grondreligie, die een bepaalde groepering of ras beheerst, kunnen verschillen. In al die gevallen zal het beeld zijn gebaseerd op een godheid, een relatie tussen godheid en mens, een doel van de schepping, een doel van het menselijk leven. Hierbij worden vaak feiten over het hoofd gezien. Toch is dit grondbeeld voor ons een noodzakelijk deel; want van hieruit alleen is een beheersen van het beleven mogelijk.
Dit is n.l. onze grondeigenschap, de basis waarop wij bouwen: slechts uitgaande van dat, wat wij innerlijk aan de hand van ras, religieuze voorscholing en maatschappelijke vorm bezitten, kunnen wij uitbouwen.
Elk verzet tegen deze grondvorm betekent een zo grote innerlijke strijd, een zo grote reeks van problemen en conflicten, dat wij daardoor voor onszelf de werkelijke beheersing van het ‘ik’ onmogelijk maken. Slechts de we­reld, die wij ons voorstellen, kunnen wij ook beheersen. Zelfbeheersing is alleen mogelijk in het kader van de voorstelling, die wij ons van een goede wereld maken.
De doorsnee‑mens is niet slechts onbeheerst in zijn stoffelijke uiting maar daarnaast in zijn gedachtewereld. In de stoffelijke uiting kunnen wij de onbeheerste factoren splitsen in instincten  (dus vaak uit erfelijke‑stoffelijke ervaring geboren), reacties, handelingen of ook onthoudingen. Wij zien daarnaast de door scholing verworven instincten, waarbij vele malen herhaalde ervaringen een vaste reflex hebben geschapen. Wij kunnen aan deze onbeheerste stoffelijke factoren niet zonder meer ontkomen. Het bestrijden daarvan heeft weinig zin. Zij zijn geboren uit de behoefte van de mensheid ‑ niet slechts van ons eigen wezen ‑ en helpen om het mense­lijk voertuig binnen een maatschappij of menselijke samenleving in stand te houden en ook in de wereld zoveel mogelijk te beschermen. De onbe­heerste en instinctieve handelingen, die dus direct uit het lichaam voortkomen, zullen wij over het algemeen slechts dan gaan beheersen, indien daarvoor een werkelijke reden bestaat en wij een zeer nauwkeurig omschreven doel hebben. Eenvoudige beheersing zonder meer is niet voldoende. Wel b.v. een beheersen omdat men lichamelijk iets wenst te be­reiken of door lichamelijke training tot een bepaalde geestelijke moge­lijkheid wil doordringen. Dit zal overigens in verdere lezingen worden behandeld.
Dan kennen wij de beheersing van de gedachten. De bewuste gedachte, die dus het regelmatige gedachteproces omvat, dat u zelf kent in de direct toegankelijke herinnering, bouwt een wereldvoorstelling.
Die wereldvoorstelling is niet alleen gebaseerd op eigen waarneming, maar verder op al hetgeen wordt geabsorbeerd. U absorbeert o.m. drama­tiseringen door anderen. Romanlectuur, dichtkunst zowel als andere werken kunnen een zeer grote invloed hebben op uw eigen denkwijze.
U absorbeert ook meningen. U wordt verder in hetgeen u absorbeert be­paald door uw eigen waarnemingsvermogen, terwijl uw eigen lichamelijke voorkeuren eveneens het denkvermogen aanmerkelijk kunnen beïnvloeden.
Zo staan wij met de onbeheerste gedachten voor de vraag: waar moeten wij beginnen?
In vele oosterse processen kent men het z.g. ‘blank maken’ van de gedachten. Maar een absolute uitschakeling van de gedachte kan eerst worden bereikt na zeer veel training. Het is een moeizaam proces en daarom zeker als beginfase niet zonder meer raadzaam. Wel lijkt het mij voor de beheersing van de gedachte belangrijk dat wij ons realiseren wat de drijfveer is voor de gedachte. Ik wil hier enkele voorbeelden geven.
Er is het begeren dat men een presentje zal ontvangen. Dit komt vaak voor. Later blijkt echter dat het present op zichzelf slechts een symbool is. Het is het symbool van een aanvaard worden, van een genegen­heid die anderen voor u koesteren of een respect dat zij tot uitdrukking brengen. Wanneer u deze begeerte dus ontleedt, zien wij daarachter een drijfveer. Deze drijfveer in het denken moet dan weer zijn gebaseerd op een gevoel van falen. Een mens, die zeker is van zijn eigenwaarde, verlangt slechts zelden daarvan een uitdrukkelijke bevestiging en zal over het al­gemeen weigeren langs een omweg (als b.v. het door mij geciteerde present) te komen tot een erkenning. Logisch is dus dat wij in onze gedachtenpro­cessen ‑ vóór wij kunnen overgaan tot het beheersen daarvan ‑ de motive­ringen zullen moeten bestuderen. Al deze motiveringen, die uit het di­recte en bewuste gedachteleven voortkomen, staan dus in relatie met het onderbewuste. En het onderbewuste is voor de mens niet beheersbaar uit de stoffelijke rede.
Verdergaande constateren wij dat dit onbeheersbare onderbewuste toch klaarblijkelijk kan worden beïnvloed. In stoffelijke vorm vinden wij een werkwijze voor de beheersing van het onderbewuste b.v. door middel van hypnose en de werking van suggestieve processen, die ook onderbewuste reacties blijken te kunnen veranderen. Daarnaast kennen wij in de verschillende therapieën, die daarvoor zijn ontwikkeld, de waarde van het in het bewustzijn brengen van delen van het onderbewuste. Door een afreageren kan het eveneens worden ontlast. Deze stoffelijke technieken kunnen echter nooit het gehele onderbewustzijn overheersen. Het is ook voor degene, die geestelijk zeer bewust is, in de praktijk niet of slechts zeer ten dele mogelijk een volledige beheersing over het onderbewustzijn te gewinnen. Wel kan een gedeeltelijke beheersing worden bereikt. In het onderbewustzijn n.l. worden ook zeer zwakke impulsen en impressies vastgelegd, die het directe denken van de mens niet kunnen bereiken. Soortgelijke impulsen en impressies geeft de geest over het algemeen af. Als de geest in staat is zijn eigen impressies vol­doende scherp in het onderbewustzijn neer te leggen, kan hij hierdoor de reactie van het onderbewustzijn wijzigen. Dit staat in verband met geestelijke beheersing; uit de stof zeer moeilijk bereikbaar en slechts door middel van innerlijke oefeningen ‑ waarop wij later ook terugkomen ‑ toch uit de geest te bewerkstelligen.
Het bovenbewustzijn is niet ‑ zoals men vaak graag voorstelt – een contact met hogere werelden alleen. Kort herhalende wat reeds in andere cursussen naar voren werd gebracht, herinner ik u eraan dat alle bovenbewustzijn is samengesteld uit het totaal der gedachte-invloeden, die rond een bepaalde wereld aanwezig zijn, waarbij de sterkte van de gedachte en de veelheid van de factoren, die dezelfde gedachten koesteren, aansprakelijk zullen zijn voor de invloed, die via het bovenbewustzijn door deze gedachten op u kan worden verworven. Nabijheid kan mee een factor zijn, die de sterkte bepaalt. De geest heeft in het bovenbewustzijn over het algemeen een ongeveer gelijk zeggenschap als een individu; de meest verlichte geest kan misschien een zeggenschap hebben in het bovenbewustzijn van 1000 individuen; t.o.v. het totaal bewustzijn van de wereld is dit dus niet veel. Wij kunnen nooit het bovenbewustzijn beheersen; wij zijn niet in staat de wereld te beheersen. Wel kunnen wij onze eigen ontvankelijkheid voor bepaalde delen in het bovenbewustzijn opvoeren en onze ongevoeligheid voor andere daarin aanwezige factoren aanmerkelijk vergroten. Op deze wijze kan ook hier een beheersing worden verkregen.
Ten laatste komen wij dan bij de geest. De geest in haar vele voertuigen onttrekt zich voor de mens aan een onmiddellijk kennen. De belevingen, die men met de geest of in de geest heeft, zijn over het algemeen zozeer gevoelsuitingen en zo zelden redelijk geheel vast te leggen of te verklaren, dat de doorsnee‑mens niet kan denken aan zelfs een erkennen van de factoren ‘geest’ in het ‘ik’ binnen de stoffelijke, redelijke vorm. Slechts het gevoel is hier belangrijk. Hieruit volgt dat een beheersing van de geest slechts kan worden verworven in geestelijke sferen en dat wij, zolang wij in een stoffelijk voertuig vertoeven, grotendeels voor de beheersing van de geest afhankelijk moeten zijn van hetgeen reeds vroeger werd bereikt.
In dit korte overzicht van het begrip beheersing vinden wij tevens een korte omschrijving van het ‘ik’ in verschillende factoren. Onthoud echter dat het ‘ik’ voor de doorsnee‑mens niet alléén bestaat uit de door mij genoemde factoren. Er bestaan identificaties met voorwerpen, met plaatsen, met bepaalde groepen of groeperingen, met bepaalde mensen, met bepaalde dieren. Heel vaak beseft men niet goed wat daar eigenlijk gebeurt en juist in verband met die beheersing zou ik u daarom graag ook het volgende willen voorleggen:
Er zijn mensen, die een dier hebben: een paard, een hond, een kat, een kanarievogel, een goudvis  waarvan zij buitengewoon veel houden. Deze liefde echter wordt vaak zo ver gedreven dat zo’n dier een extensie van het ‘ik’ wordt. Men tracht zich in te denken in het dier; men spreekt als het ware voor het dier ‑ ook tot zichzelf ‑ en antwoordt het dier vanuit zichzelf. Hierdoor wordt dus een deel van de persoonlijkheid als het ware ondergebracht in een ander wezen. Dit kan alleen voor het eigen voorstellingsvermogen volledig gelden.
Op dezelfde wijze zien wij soms ouders zich identificeren met hun kinderen. Opvallend is dat zij dan in de kinderen trachten de vervulling van hun eigen jeugdbehoeften, hun eigen jeugdverlangens te bereiken. Datgene wat zij heden als een tekort in eigen jeugd vinden, trachten zij de kinderen op te dringen, zonder daarbij te vragen of dat voor die kinderen wel aanvaardbaar is. Zij zien immers in het kind zichzelf en trachten door het­geen zij het kind geven al dan niet reële tekorten uit het verleden voor zichzelf te compenseren. Het zal u duidelijk zijn dat ook dit soort identi­ficatie niet geheel aanvaardbaar is. Dan kennen wij verder personen, die zich met een plaats sterk identificeren of met b.v. een huis of met bepaalde voorwerpen. Er zijn mensen, die meer lijden onder het breken van één bepaald vaasje dan onder de dood van 10 medemensen. Want met dit vaasje schijnt hun een deel van het eigen ‘ik’ te sterven. Ook dit is natuurlijk niet reëel, maar de feiten zijn er. En de praktijk wijst uit dat dit zich identificeren met andere delen van het bestaan, andere voorwerpen, groeperingen e.d. veel verbreid is. Hierdoor heeft het ‘ik’ a.h.w. een zekere aanwas gekregen.
Als vroeger een zeilschip een paar reizen over de oceaan had gemaakt, dan moest het in het dok of op zijn minst in zoet water worden gebracht. Daarin zouden n.l. de mosselen en wormen, die zich hadden afgezet op de scheepsromp, sterven. Het zou voor de mens noodzakelijk zijn zo nu en dan werkelijk de relatie met zijn omgeving te verbreken en een korte tijd in een geheel ander milieu te vertoeven. Eerst dan zou die mens dus deze toevoegingen aan het ‘ik’ weer wat objectiever gaan zien. Maar waar dit niet altijd mogelijk is, kunnen wij voor degenen, die beheersing van het ‘ik’ nastreven, slechts een onderzoek van eigen wezen aanbevelen. Vraag u eens af in hoeverre dingen in uw omgeving, bepaalde mensen misschien, de plaats zijn gaan innemen van een deel van uzelf. Besef dat deze identificatie bewust zin kan hebben, maar dat zij ‑ onbewust ervaren ‑ betekent dat het ‘ik’ steeds invloeden ondergaat, die niet de eigene zijn, die daardoor niet berekenbaar zijn en daardoor het onbeheerst zijn aanmerkelijk vergroten.
Dit deel van onze lezingen wil ik dan besluiten met de volgende opmerkingen:
Elk streven naar beheersing houdt een erkenning van onbeheerst­ zijn in. Het moeilijke hierbij is niet het streven naar de beheersing; dat is de meeste mensen aangeboren. Het moeilijke is het erkennen van die delen van het leven, waarin de beheersing noodzakelijk is. Het begrip tonen voor beheersing op juist die punten, die werkelijk ‑ en waarlijk voor stof en geest gelijkelijk ‑ van groot belang zijn. Daarnaast de moei­lijkheid voor menig mens zijn onbeheerstheid op andere terreinen wel te erkennen, maar niet te bestrijden voordat een redelijke beheersing op belangrijke punten is gewonnen. Misschien mag ik ook hier weer een klein voorbeeld geven.
Er is een schip op zee. Het stoot op de rotsen en het heeft een dertigtal lekken. Daarvan zijn er 27 onbelangrijk maar 3 ervan groot.
Aangenomen dat de bemanning groot genoeg is om gelijktijdig de pompen te bemannen en toch iemand in het ruim te sturen, zo zal duidelijk zijn dat het belangrijk is de hoofdlekken te stoppen. In vele gevallen zal men de andere lekken zelfs desnoods verwaarlozen om aan dek over meer mankracht te kunnen beschikken op de momenten, dat het weer het noodza­kelijk maakt.
Een mens, die tracht alle onbeheerstheden gelijktijdig te bestrijden, zal in vele gevallen zijn materiaal (zijn wilskracht en zijn inzicht dus) ver­spillen aan het onbelangrijke en kleine en daardoor niet in staat zijn de grote lekken in zijn beheersing te dichten, waardoor hij als mens faalt en veelal ook geestelijk daarvan de consequenties moet ondergaan.
Het streven naar beheersing dient te allen tijde overlegd en selectief te zijn; aandacht kan niet aan alle facetten worden besteed. Het beste­den van aandacht aan een bepaald soort beheersing wordt mee gedicteerd door eigen leven, eigen geestelijke en stoffelijke behoeften.
Hiermee wil ik overgaan tot het tweede deel van onze lezingen en hierin bespreken wij allereerst nogmaals het ‘ik’.
Het ‘ik’ is een variabele factor. Men zegt wel ‘ik’, maar het ‘ik’ van 20 jaar geleden en van heden is geheel verschillend. De tijd, de ontwik­keling, de rijping van gedachten, verandering van mogelijkheden dragen er­toe bij hetgeen wij met ‘ik’ in stoffelijke zin omschrijven, voortdurend te veranderen. Soms is het ‘ik’ van vroeger het tegendeel van het ‘ik’ van heden. Laat ons dus wel beseffen dat, als wij spreken over het ‘ik’ in een stoffelijke vorm, wij ons steeds moeten bezighouden met het ‘ik’, zo­als het nu bestaat, niet het ‘ik’ zoals wij ons dat zouden wensen in de toekomst of het ‘ik’ zoals het was in het verleden.
Degene, die met het ‘ik’ wil werken, tot nadere kennis daarvan wil ko­men, moet zich realiseren dat, wat hij heden is, uit het gebeuren van het verleden is geboren. Geen herinneringen ophalen, geen vergelijkingen met verleden tijd. Vergelijkingen alleen in het heden met hetgeen wat in u en buiten u bestaat. Alleen op die manier kunt u werkelijk beseffen wat u bent. Door de veranderingen, die het ‘ik’ ondergaat en het je voortdurend op het nieuwe ‘ik’ baseren, zal een juister beeld van de buitenwereld vanzelf ontstaan en zal de ontwikkeling die plaatsvindt niet alleen de beheersing van het ‘ik’ in de hand werken, maar daarnaast het erkennen van de kosmos, die daarbuiten ligt.
Zodra het ‘ik’ volmaakt zichzelf in waarheid heeft erkend en de onbelangrijke, variabele factoren terzijde heeft gelegd, erkent het de scheppende Kracht zelf. In die erkenning van de scheppende Kracht zien wij de eeuwigheid; hier is het ‘ik’ eeuwig, niet meer begrensd. Het vloeit over in deze grote Kracht en Werkelijkheid. Maar voor zichzelf is het een vaststaande waarde geworden en in het totaal van een gevormde schepping drukt het een vaste norm uit. Dit besef is noodzakelijk, indien wij met dat ‘ik’ iets willen gaan doen.
Nu weet ik dat vooral in het Westen de nadruk op het ‘ik’ wel eens verkeerd wordt gelegd. “Wat zegt men ervan”, blijkt voor de definitie van het ‘ik’ vaak belangrijker te zijn, dan “hoe ben ik daarin?” Dat is natuur­lijk een enorme fout. Al datgene wat buiten ons is, kan misschien vormen wijzigen, maar het kan nooit het ‘ik’ zelf wijzigen.
Wanneer men voor zichzelf de behoefte heeft vee1 te eten, dan kan de be­leefdheid eisen dat men weinig eet, maar de gulzigheid zal blijven bestaan; en, naar ik hoor, resulteert dat heel vaak in tochten naar een keuken in het nachtelijk uur ofwel het openen van een ijskast, die de meest belang­rijke bestanddelen voor het ontbijt plotseling verliest. Besef dus wel, vrienden, wij kunnen zeker niet stellen dat de uiterlijke norm beslissend is. Indien wij onze waardering van het ‘ik’ baseren op een uiterlijke norm, zo zullen wij daardoor een soort korset scheppen. De paar heren, hier aanwezig, zijn waarschijnlijk niet geheel op de hoogte van de werking die zo’n marteltuig kan hebben, als het te nauw wordt ingesnoerd. Maar ik kan u verzekeren dat, als men een bepaalde dwang te sterk oplegt aan het li­chaam, daaruit lichamelijk ongenoegen ontstaat en ten slotte zelfs een com­plete deformatie. Zo kan door het van buiten opgelegde ik‑begrip het werkelijke ‘ik’ vervormd en zelfs misvormd worden. Dit is voor ons niet be­geerlijk. Het is voor ons niet belangrijk dat het ‘ik’ beantwoordt aan wat de wereld eist dat het zal zijn; het moet beantwoorden aan hetgeen het werkelijk is in de eeuwigheid. Voorbijgaande waarde van stoffelijke waardering kunnen daarop weinig invloed uitoefenen. Ook wanneer u zich ‑ wat ongetwijfeld noodzakelijk is ‑ in de uiterlijke wereld moet aanpassen, zou ik u daarom de raad willen geven: probeer niet uw ‘ik’ om te vormen aan de hand van de maatstaven, die de wereld buiten u aanlegt.
Een groot gevaar, dat daaruit voortvloeit, wil ik u nog even noemen:
De mens, die zich teveel baseert op de uiterlijke maatstaven van de wereld, zal over het algemeen dit aanvullen door een droomwereld te scheppen. Misschien klinkt het hatelijk maar zij, die uiterlijk het vroomst zijn, zondigen het meest in gedachten. Dat is een stelregel, die helaas waar is.
Zij, die uiterlijk het minst worden beroerd door het materiële, zijn innerlijk het slachtoffer van dromen, die hen intenser daartoe dwingen dan een stoffelijke beleving ooit zou kunnen doen. Realiseer u dit. Het heeft geen zin om naast een normaal leven een wensdroom‑leven te lei­den. Dit wordt een tweeledige vervalsing van het ‘ik’. Aan de ene kant een geïdealiseerd ‘ik’, dat bereikt wat u zelf nooit kunt bereiken; dat durft wat u in feite nooit zult durven; dat wonderen volbrengt, waartoe u de kracht niet hebt; en een intellect bezit, dat ‑ hoezeer het mij ook spijt ‑ in feite uw deel niet is. Aan de andere kant een ‘ik’, dat volledig beantwoordt aan de stoffelijke normen, een automaat waaraan elke werkelijke zelfstandigheid is ontnomen.
Deze beelden bij elkaar gevoegd geven een zodanige vertekening dat van een beheersing van het ‘ik’ geen sprake kan zijn en daarnaast zelfs een erkenning van het werkelijke ‘ik’ onmogelijk is geworden.
Daarmee zijn de belangrijkste doeleinden – vanuit de geest gezien dan ‑ van het stoffelijk leven volledig gewraakt, onnuttig verklaard. Het leven zelf wordt daardoor dus ook grotendeels onnuttig en zal misschien herhaald moeten worden.
Het is dwaas op deze wijze te leven. Een mens, die zich vermeit in wensdromen en stoffelijk in tegenstelling daartoe leeft, moet zich afvragen: “Wat ben ik werkelijk?” Vraag u af wat u werkelijk begeert, wat u werkelijk durft. Het zal u blijken, dat uw wensdromen een overdrijving zijn van wat u werkelijk ooit zou kunnen en durven verlangen. Anderzijds zal u blijken dat uw gedrag in feite zo onnatuurlijk is geworden, het pantser dat u zichzelf hebt aangemeten zo benauwend dat, wanneer u delen daarvan aflegt, u niet onaanvaardbaar wordt voor uw maatschappij of wereld, maar integendeel als mens daarin betekenis kunt gewinnen.
Dan is er natuurlijk ook nog dat grote Ego, het groot‑kosmische‑Ego, zou ik haast zeggen.
Ieder wezen dat bestaat, vormt een lijn van het begin der schepping tot het einde der schepping. We nemen aan dat deze lijn eigenlijk een cirkelvorm heeft, maar dit is theorie. Belangrijk voor ons is echter de continuïteit. Het werkelijke Ik is continu. Het wordt niet bepaald door fasen, maar wordt in zijn geheel opgebouwd uit alles, wat in alle verschillende fasen aan werkelijk blijvende waarden tot stand komt. Dit houdt in dat uw leven op zichzelf onbelangrijk is en dat de belangrijkheid, die het kan hebben voor het grote Ik, het werkelijke Ik, alleen kan voortkomen uit de wijze, waarop krachten, taken, mogelijkheden van dit werkelijke, grote Ik worden overgebracht in stoffelijke mentaliteit, in gevoelen, in daden. Slechts als uiting van het grote Ik krijgt het menselijk ‘ik’ zijn inhoud en betekenis in kosmische zin. Al wat niet behoort tot de lijn van het kosmische Ik, is ten slotte waardeloos en zal zelfs, als het wordt meegenomen naar andere sferen, teniet gaan, verloren geraken. Al datgene, wat in feitelijke overeenstemming is met het Ik (het grote Ik), is echter blijvend, betekent een nauwkeuriger kennen van dat Ik, een betere beschikking over de krachten en gaven van dit Ik en een beheersing van het ‘ik’, voor zover het in het ogenblik van leven tot uiting komt.
Dit zal voor menigeen wat moeilijke materie zijn. Het is echter noodzakelijk om tot een zo korte en zo redelijk mogelijke formulering te komen.
In mijn behandeling van het ‘ik’, heb ik allereerst getracht voor u uit te drukken wat het ‘ik’ is uit een persoonlijk standpunt en de relaties, die er persoonlijk mee bestaan. Ik moet nu overgaan tot de beschrijving van het ‘ik’ in kosmische zin.
De kosmos bestaat uit een aantal vaste wetten. Elke ik‑heid in kos­mische zin betekent een demonstratie van deze wetten in vele verschillen­de vormen. De wijze, waarop de wetten binnen het ‘ik’ worden gedemonstreerd, is vastgelegd. Er bestaat geen vrije wil in die zin, dat men een kosmische wet naar believen voor zichzelf werkzaam kan maken of uitschakelen.
Het is ook niet zo dat het grote Ik (het kosmische Ik) kan ontkomen aan ook maar één ervaring of ook maar één ervaring als vervulling van een kos­mische wet kan toevoegen aan zijn bestaan. Het is wel mogelijk de volgorde, waarin deze ervaringen optreden, te wijzigen en deze voor het Ik zo harmo­nisch mogelijk te groeperen. Het werkelijke Ik is nl. geschapen. Het vormt zich niet, het is. Door een zo juist en zo harmonisch mogelijk ontwikkelen echter van een bewustzijn omtrent dit Ik, wordt een voortdurend innerlijk evenwicht gewaarborgd. Wanneer alle ervaringen, die samenhan­gen met één wet, gelijktijdig tot uitdrukking komen, betekent dit een bevooroordeeld zijn, waardoor ervaringen met andere wetten pijnlijk worden. Men leert deze niet zo gauw en men zal dus niet zo snel deze er­varingen voor zichzelf kunnen interpreteren als een deel van het Ik.
Dit betekent ‑ kosmisch gezien ‑ niet veel, want de ervaring blijft. Het meer tijdelijke ‘ik’, waarin de bewustwording plaatsvindt (dat deel dus, dat voor te vergaren lering en kennis omtrent het geheel a.h.w. in de stof of lagere sfeer wordt gezonden), zal dit ondergaan als een voortdurende repetitie van hetzelfde probleem, tot het is opgelost.
Iemand, die in een stoffelijk leven daarom de ontwikkeling van het kos­mische Ik wil bevorderen, zal goed doen voor zichzelf allereerst na te gaan, waarop in dit leven de nadruk is gevallen. Deze nadruk kan als volgt worden ontleed:
Het kosmisch Ik in zijn uitdrukking van oorzaak en gevolg schept begin‑condities. Dit hangt samen met de atmosfeer, waarin u bent opge­groeid en verder met de lichamelijke vormen en eigenschappen, die u bezit. Oorzaak en gevolg dus vanuit de kosmos betekent het scheppen van een grondwaarde, waarmee je moet leven. Als deze buiten het normale ligt, kunt u er zeker van zijn dat uw leven juist voor het kosmische Ik als ervaring van oorzaak en gevolg een buitengewone betekenis heeft.
Dan kennen wij verder één van de kosmische wetten, die op aarde ook heel vaak wordt ervaren, de z.g. wet van gelijkblijvende velden, die wij liever uitdrukken als de eeuwige kosmische harmonie; althans in mijn afdeling van de geestelijke wereld. Ook hier kunt u voor uzelf vast­stellen, of deze wet in uw leven belangrijk is en zo ja, op welke wijze.
Wanneer deze wet dominerend is, zo blijkt dat u aan bepaalde proeven achtereenvolgens wordt onderworpen. Eigen activiteit, eigen wil worden in deze gevallen vaak beperkt en geremd, tot het ‘ik’ heeft geleerd deze harmonisch te uiten. Remming van bijzondere intensiteit van leven treedt snel op. Gebeurt dit in het eerste deel van het leven, dan wordt aange­nomen dat deze ervaring nog deel uitmaakt van een vorige bestaansfase.
Het is het overbrengen van een bepaalde beleving, die voor het kosmische Ik noodzakelijk is om harmonie te vinden, direct uitgedrukt in het begin van een stoffelijk leven. Het kan ook optreden op latere leeftijd.
Het kan b.v. zijn, dat u geen remmingen op deze wijze hebt gekend of erva­ren, niet de noodzaak tot rustig zijn, tot innerlijk evenwicht vinden vóór b.v. meer dan de helft van uw leven voorbij is volgens menselijke normen.
In een dergelijk geval wordt aangenomen dat in het stoffelijke leven een bepaalde fase voor het kosmische Ik reeds werd voltooid, zodat een nieu­we fase is ingetreden.
Ongeacht de onaangenaamheden, die men daarvan ervaart, zou ik zeggen dat het bewustzijn een schrede verder te komen, hiermee alweer een nieuw leven a.h.w. door te maken tijdens eenzelfde stoffelijke levensperiode, toch enigszins moedgevend is en ook inzicht geeft in de behoeften aan harmonie en eenheid, die iemand moet scheppen.
Nog een laatste wet wil ik bespreken en die noemen wij: de wet van vervloeiende krachten. Zij wordt niet vaak besproken, maar is in verband met het kosmische Ik zeer belangrijk. Het kosmische Ik wordt nl. ook beschouwd als een deel van het totaal der scheppingskracht. Het zal in zichzelf voortdurend gelijke kracht bezitten, ongeacht de uitingen van die kracht op een ander vlak of binnen andere wezens. (Dus vergelijkend: Stel, dat het Ik een maat is van 1 liter. Al schenk ik 100 liter uit, zij zal steeds 1 liter blijven bevatten. Dus in deze zin bedoeld.)
In uw leven zal soms blijken dat u de kracht hebt voor anderen zorgen te dragen; dat u een intensiteit van leven en van beheersing vindt, waardoor het schijnbaar heel normaal is dat u voor anderen zorgen draagt en problemen oplost, alsof het een dagelijks iets zou zijn. Hierbij wordt over het algemeen dus een inschakeling van deze kracht verondersteld.
Het zal niet altijd waar zijn in stoffelijke zin, maar laten we zeggen in 9 van de 10 gevallen zeker. Hieruit kunnen wij concluderen, dat het voor anderen dragen van lasten en zorgen, geen benadeling van het ‘ik’ kan inhouden. Het erkennen van het feit, dat het ‘ik’ juist in het deelgenootschap met anderen op dit ogenblik zijn juiste uiting vindt, toont ons aan dat het kosmische Ik zijn contact a.h.w. met het Goddelijke (dus met het omringende) aan het intensifiëren is om tot een nadere definitie van zijn werkelijke wezen te komen.
Een zeer belangrijke bewustwordingsfase, die wanneer zij optreedt, heel vaak in vlagen optreedt. Voor de mens wordt dit vaak uitgedrukt in fasen van 7 tot 8 jaren. U hebt 7 of 8 jaren, dat ineens iedereen zijn zorgen bij u brengt en dan krijgt u een periode van rust. U krijgt daar tus­sendoor misschien nog iets met een andere wet te maken en dan keert het weer terug. Dit optreden in fasen is een blijk, dat het ‘ik’ een zekere sta­biliteit vindt in de kosmos, als zodanig zeer belangrijk is voor de ont­wikkeling van het geestelijke Ik en ongetwijfeld zeer bevredigend zelfs voor het gevoelsleven van het stoffelijke ‘ik’.
Dit kosmische Ik is natuurlijk niet redelijk aan te tonen, te omschrijven of weer te geven. Wij kunnen echter wel stellen: Dit kosmische Ik kan zich voor ons het sterkst kenbaar maken in ons onvervalst gevoelsleven. Onvervalst gevoelsleven betekent: geen sentimenten, naar voren gebracht door irreële situaties en zelf‑dramatisering, maar eenvoudig het aanvoelen van andere krachten, waarvoor geen redelijke omschrijving op dit ogenblik bestaat. Dit houdt in dat ook het gevoelsleven voor de ontwikkeling van het ‘ik’ zeer belangrijk is en dat ‑ zoals later zal blijken ‑ het gevoelsleven een zeer belangrijke rol speelt bij problemen in het stoffelijke leven, als daar zijn: opvoeding, huwelijk, ouderdom etc. Daarnaast blijkt het van overweldigend belang te zijn voor een inwijding, waar mystiek beleven eigenlijk een bepaalde modulatie van het gevoelsleven betekent en mystiek in elke inwijdingsgang praktisch onvermijdelijk blijkt. Hiermee heb ik ook dit tweede deel besloten.

Korte artikelen in verband met beheersing.

Artikel 1. Een mens, die streeft naar beheersing van het ‘ik’, dient eerst te bepalen wat het meest moet worden beheerst. Belangrijk in beheersing zijn in volgorde:

  • Eigenschappen, die het ‘ik’ voortdurend in strijd brengen met de omgeving zonder feitelijke reden. Feitelijke reden te verstaan als: onrecht aan anderen begaan, dan wel het handhaven van bepaalde noodzakelijke rechten voor anderen.
  • Al de eigenschappen, die ‑ op zichzelf voor het ‘ik’ niet belangrijk en eerder tot gewoonte geworden ‑ anderen zouden kunnen ergeren of afstoten, dan wel de aandacht te veel op het ‘ik’ zouden richten.
  • De eigenschappen, die er ons toe brengen voortdurend met onszelf bezig te zijn, anderen niet aan te horen en niet te trachten anderen te begrijpend
  • Het bestrijden van alle eenzijdigheid van denken. Zodra wij in onszelf een te dogmatische benadering van pro­blemen waarnemen ‑ ongeacht of zij van stoffelijke dan wel geestelijke geaardheid zijn ‑ zullen wij moeten trachten te ontdekken, waarom wij dogmatisch zijn; en alleen al door deze erkenning zullen wij een al te sterk dogmatisch optreden reeds kunnen vermijden.
  • Beroep op bijgeloof dient te worden bestreden. Zolang een bij­geloof als zodanig wordt gehanteerd, is het een onschul­dige gewoonte. Zodra men voor zichzelf daar leiding in zoekt, is het een ‘te veel het onderbewustzijn aan het woord laten’, waarbij een te weinig aan redelijke controle optreedt. Dus geen onderbewustzijn te sterk de leiding in eigen leven laten nemen en beheersing van bijgelovige tendensen, waarbij men tekens zonder meer volgt. Wel kunnen tekens en symbolen worden gebruikt als punt van overweging, maar nimmer als definitieve aanduiding.

Artikel 2. Leert ons de juiste wijze van ons te gedragen.

Om voor onszelf harmonisch te zijn, zullen wij rekening moeten houden met het feit, dat aan onze stoffelijke behoeften op een redelijk wijze tegemoet moet worden gekomen. Wij mogen echter deze nooit overdrijven. Het is volkomen foutief sen­timentswaarden of mentale associaties met zuiver stoffelijke behoeften te verbinden. Geschiedt dit toch, dan treedt daaruit onmatigheid en onbeheerstheid sterker op de voorgrond. Het erkennen van stoffelijke behoeften op zichzelf echter is noodzakelijk; het daaraan tegemoet komen, voor zover dit lichamelijk inderdaad noodzakelijk blijkt, een plicht.

Artikel 3. Het is onmogelijk anderen te begrijpen en te bezien in hun werkelijke wezen en hun ware verhouding. Dit geldt zelfs voor degenen, die u het naast schijnen te staan. Wees daarom altijd mild in uw oordeel over anderen. Tracht uzelf voortdurend te overtuigen van het feit dat elke veroordeling, die u uit­spreekt, een veroordeling is van eigen denken, eigen wezen. Tracht te voorkomen, dat ge uzelf te sterk veroordeelt.

Artikel 4. Waar alle beheersing gelijkelijk belangrijk is, geldt voor de doorsnee‑mens:

  • Het is belangrijk regelmatig lichaamsbeweging te nemen.
  • Het is belangrijk daarbij het bewegingstempo regelmatig te variëren en wel naar eigen wil.
  • Training, zodat men lichamelijke functies op voor het eigen ‘ik’ gewenste tempo en tijden kan volvoeren, is belangrijk.
  • Beheers zoveel mogelijk uw ademhaling. Gebruik regelmatig uw ademhaling ‑ vooral de diepe ademhaling ‑ daar, waar u een omgeving hebt met behoorlijk zuurstof om uw bloed te verrijken. Dit vergroot uw innerlijke evenwichtigheid en zal verdere beheersing ‑ ook mentale ‑ aanmerkelijk vergemakkelijken.
  • Onthoudt u zoveel mogelijk van onnodige chemicaliën in het lichaam. Alle chemische stoffen, ook alle uit dierlichamen gewonnen vreemde stoffen, die u in het eigen lichaam brengt en die niet slechts een zuiver voedende functie hebben, betekenen een verandering van innerlijke evenwichten. Normalerwijze is dit eerder gevaarlijk en schadelijk dan gunstig. Tracht in de plaats van geneesmiddelen de kracht van wil en gedachte te stellen. Bent u b.v. gewend aan veel slaapmiddelen, tracht de dosis te verminderen en ze voor de vermindering van dosis in de plaats een ogenblik van intense concentratie en meditatie over punten, die niets met slaap gemeen hebben. Het zal u blijken, dat u hierdoor een meesterschap over uzelf herwint en dat uw lichaam het uitvallen van een teveel aan vreemde stoffen dankbaar met een grotere gezondheid en grotere veerkracht zal belonen. Ook geestelijk is dit zeer belangrijk.
  • Wees zo weinig mogelijk afhankelijk van kunstmiddelen. Tracht alle hulpmiddelen te vermijden, die niet direct natuurlijk zijn. Leef zo natuurlijk mogelijk. Schaam u niet voor uw natuurlijke functies. Begrijp, dat gij in deze vorm stoffelijk op de wereld zijt, omdat ge juist in deze vorm de juiste openbaring van het ‘IK’ kunt zijn. En dat slechts in de eerlijke aanvaarding van wat ge nu op dit moment zijt, de mogelijkheid is gelegen tot voldoende beheersing, verdere bewustwording en ontwikkeling.

Dit is het einde van deze eerste reeks van raadgevingen.

NOOT: Blank maken van de gedachten:
Het totaal afwezig doen zijn van elke reflex van uiterlijke of innerlijke waarden in het gedachteleven, zodat het ‑ op zichzelf een gespannen vlak vormend dat indrukken ven buiten kan ontvangen – niet vanuit het ‘ik’ wordt geactiveerd.

Het vormen van een wereldbeeld

Men neemt over het algemeen aan dat de mens zijn wereldbeeld vormt aan de hand van alles, wat hij ziet en hoort. Maar dat is eigenlijk niet waar. Reeds vóór de geboorte ondergaat het wordende kind in de verschillende fasen een sterke invloed van het moederlichaam. Er is dus reeds sprake van een emotionele scholing vóór de feitelijke geboorte. Die emoties hebben op de vorming van het lichaam zowel als op de denkwijze van het latere kind reeds invloed.
Als een kind opgroeit, staat het een beetje vreemd in de wereld.
U moet niet vergeten dat een kind niet onmiddellijk ziet. Het went zich pas langzaam aan zien en meestal is het pas tegen de drie‑ à vierjarige leeftijd zover gekomen dat het alles scherp in een brandpunt kan stel­len. Dan ziet het niet alleen dichtbij maar ook veraf en realiseert het zich vormen.
In die tijd zijn er rond het kind beschermende eenheden, t.w.: de vader, de moeder, soms tantes of verzorgsters en dezen hebben allen een eigen wereldbeeld, een eigen visie. Die visie wordt t.o.v. het kind over het algemeen sterk bepaald, in de eerste plaats door emoties, dus hun ge­voelsverhouding tot het kind; in de tweede plaats door hun religieuze instelling.
Dit klinkt misschien een beetje vreemd maar meer dan u denkt, wordt ‑ vooral t.o.v. het kind ‑ de gedachtegang van de mens door zijn eigen voorstelling van God en Diens wetten geregeerd. Het gevolg is dat het kind, reeds voordat het redelijk kan zien en met zijn gehoor ook redelijk gaat waarnemen en onderscheiden, a.h.w. een stempel krijgt opgedrongen, waar het praktisch zijn gehele verdere leven niet vanaf komt. Het wereldbeeld van het kind heeft dus reeds een zekere eenzijdigheid gekregen in die periode.
Verder spelen natuurlijk de eigen gevoelsreacties van het kind in de jeugd een grote rol. Ook deze scheppen een zeker vooroordeel.
De grondwaarden zijn erfelijk. Voor de mens was b.v. vroeger het duister gevaarlijk; vandaar dat het doorsnee‑kind bang is voor het donker. De doorsnee‑mens was vroeger niet bang voor water. Het doorsnee‑kind heeft dan ook geen vrees voor water. Dikwijls wel weer voor grote ruimten. Ook die ruimtevrees is te verklaren uit de oermens, die altijd iets in de buurt moest hebben waar hij zich kon verbergen, als er toevallig een ichthyosaurus, een mammoet of een ander lieflijk diertje voorbij kwam wandelen, dat gewoonlijk zo’n kleine menselijke versnapering niet wenste te ontgaan. Het kind heeft dus ook de oerangsten, die in de begintijd in het menselijk ras zijn ingegroeid. De wijze, waarop het kind over die angsten wordt heen geholpen, is ook weer sterk bepalend. Het kind, waarvan je weet dat het bang is in het donker en dat voor straf telkens in het donker wordt gezet, dat regelmatig op het duister wordt gewezen, omdat het moet tonen in het donker te durven gaan enz., zal in 9 van de 10 gevallen ongunstig reageren. Alles wat ook maar met donker wordt geassocieerd, zal dan in het leven worden verworpen. Het gevolg is dus, dat er een selectief wereldbeeld ontstaat.
Nu kan men verder opmerken dat de doorsnee‑mens bepaalde dingen bijzonder snel en scherp hoort, maar dat hij andere dingen eigenlijk nooit schijnt te horen. Voorts dat hij bepaalde dingen altijd ziet en andere nooit.
Er zijn b.v. mannen, die één verandering in een gereedschapsetalage met één oogopslag zien; maar als hun vrouw helemaal in het nieuw is gestoken, zien zij dat niet, totdat de rekening komt.
De belangstelling van de mens bepaalt voor een groot gedeelte wat hij uit zijn omgeving opneemt; en dat wil ook weer zeggen dat hij eenzijdig is in zijn wereldbeeld. Die eenzijdigheid dankt hij heel vaak aan zijn opvoeding, daarnaast aan die impressies van de eerste jeugd en zelfs aan die van de prenatale periode.
Hiermede hebben we dan de mens zo ongeveer op een rijpe leeftijd geschetst.
En dan gaan we ons afvragen: hoe komt hij aan dit wereldbeeld? Alles, waarvoor een mens bang is, tracht hij te verdringen. Hij wei­gert meestal gevaren te zien; of hij wordt door die gevaren beheerst en ziet ze overal. Hij ziet dus niet reëel, maar ziet datgene, wat zijn ge­dachten beheerst.
Hetzelfde geldt voor de begeerten van een mens. Een mens, die door be­geerte wordt beheerst, ziet ofwel het begeerde overal, of ziet overal dat het begeerde hem of haar wordt onthouden. Zo ziet de mens niet de werke­lijkheid maar slechts die delen daarvan, welke door zijn belangstelling en denken worden beheerst. Het gevolg is dat hij die wereld gaat beoordelen krachtens een eenzijdig beeld, dat hij door zijn eigen manier van denken, zien en horen heeft verkregen.
Verder vult hij dit heel vaak aan met allerhande stellingen. Deze kun­nen filosofisch of religieus zijn of in sommige gevallen z.g. wetenschap­pelijk. Werkelijk wetenschappelijk zijn ze nooit. Al deze stellingen dienen om die mens een zeker gevoel van superioriteit te geven, hem te rechtvaar­digen of hem de meerdere te maken.
Anderzijds heeft de mens er behoefte aan afhankelijk te zijn. Hij voelt dat hij alléén het leven niet aan kan en associeert zich daarom met een bepaal­de groep, met een bepaalde God, met een bepaalde beschermgeest e.d. Of die nu echt zijn of niet, doet verder niets ter zake. Hij heeft het ge­voel: hier heb ik iets, waar ik bij hoor en dat voor mij mee aansprakelijk is. Bovendien heeft hij de behoefte om méér te zijn dan zijn omgeving.
En dat is ook logisch. Want in de begintijd van de mensheid was het recht van de sterkste de enige wet. Degene, die het slimst, het sterkst en het handigst was, had het voor het zeggen. En elke mens wil het graag voor het zeggen hebben.
Zo tracht hij in die stellingen ook weer een soort meerwaardigheid uit te drukken. Wij vinden dat b.v. in uitverkiezingsleren. Leerstellin­gen als: “Wij zijn Gods uitverkorenen.” Maar ook: “Wij zijn het superras.” Of “Onze klasse (b.v. de klasse van academici heeft een tijd gehad, dat ze dit meende) is geroepen om de wereld te regeren en al die anderen niet.” Door deze stellingen begint die mens dus zijn wereld verkeerd te zien.
Er zijn soms mensen, die in het geheel niet meer in staat zijn de waarden van een menselijk leven te begrijpen. Zij zien alleen de waarden van een vaststelling of van iets, dat volgens hun leer of hun idee moet worden bereikt. Ze offeren er alles aan op. Duidelijk is dus dat het wereldbeeld, dat in de mens ontstaat, a priori de waarden van harmonie ontkent.
Een mens ontkent ‑ tenzij hij heel lang geleerd en gestudeerd heeft de eeuwige samenhang, de harmonie en de evenwichtigheid, die het leven beheersen.. Hij gaat de verschijnselen, die hij rond zich ziet, uitleggen om die onevenwichtigheid voor zichzelf weg te praten. Dus weer het verdringingsverschijnsel, waarover ik het zo-even had. Het gevolg zal u heel duidelijk zijn. Laten we een eenvoudig voorbeeld nemen:
We staan aan een tramhalte met z’n tienen op een rijtje. Mijnheer A is zich van eigen meerwaardigheid bewust; en ervan overtuigd dat de anderen (het vulgus vulgarum enz.) altijd parasiteren en niet capabel zijn. Hij staat 3 minuten op de tram te wachten. Deze komt precies op tijd aan de halte, maar deze heer zegt. “De conducteur en de bestuurder hebben vast weer hier of daar zitten praten; want anders was de tram er eerder geweest. Als ik er ben, moet die tram er komen.” Hij stapt binnen, kijkt verder niet naar de anderen, klaagt hoogstens over het tarief en brengt de rest van zijn tijd door met mopperen over het feit, dat deze tram zich niet naar zijn voorstelling juist en vlug naar zijn halte beweegt.
Deze mens is een eenzijdige, die alles naar zich toetrekt. Het gevolg is dat hij de waarde van alles, wat buiten hem ligt, ontkent of slechts noodgedwongen erkent, maar ‑ àls het erkend is ‑ zoveel mogelijk tracht er zich één mee te verklaren. Zulke mensen zijn geneigd tot dictatoriaal optreden en tot het verkondigen van allerhande vaak idiote stellingen, terwijl ze verwachten dat iedereen ze als waarheid zal aannemen. Zij kunnen geen weerwoord verdragen, hebben meestal een beperkt gevoel voor humor en een reuze mening van zichzelf. Hun ervaringen in het leven zijn meestal erg pijnlijk, want zij stoten overal voortdurend hun hoofd. Zij zien de hele wereld als een onrecht, waarmee God hen beproeft om hen in staat te stellen te bewijzen, hoeveel ze wel waard zijn.
Naast mijnheer A staat nr. 2. Nr.2 heeft meer haast dan nr. 1, maar hij weet dat je nu eenmaal alle dingen op zijn tijd moet hebben. Hij staat met de handen in de zakken rustig een deuntje te fluiten of te wachten; desnoods neemt hij een ‘keesje’ achter zijn kiezen of sabbelt aan een sigaar; hij voelt zich tamelijk goed. Het verkeer dat langs hem gaat, interesseert hem maar hij kijkt bij voorkeur naar bepaalde aspecten ervan, wat aan zijn belangstelling ligt. (Er zijn er die van elke auto het merk en het jaartal trachten vast te stellen, terwijl anderen met meer belangstelling de passerende dames bekijken. Ik spreek nu van de heren.)
Op deze manier doodt nr. 2 de tijd. Als de tram komt, is dit voor hem eigenlijk een verrassing. Zoiets van: nu, daar is ze al. Hij stapt in, heeft voor een ieder een praatje en een zekere bonhomie, maar heeft geen vaste eigen mening. Het gevolg is dat deze mens, als hij b.v. twee kran­ten leest, voortdurend in tweestrijd komt, omdat hij niet weet welke hoofd­redacteur nu het juiste hoofdartikel heeft geschreven. Vandaag is hij pro Chroetsjef, morgen pro Loemoemba, overmorgen pro Eisenhower. De voortdu­rende wisseling van standpunt brengt hem in moeilijkheden, want anderen verwachten van hem dat hij inzicht heeft en niet alleen maar herkauwt. Deze man kàn inderdaad bereiken. Hij zal heel vaak op eigen vakterrein buitengewoon kundig zijn. Maar voor de rest is hij oppervlakkig. Daardoor komt hij dikwijls niet tot de juiste menselijke relaties en verdringt zijn behoefte aan begrip bij anderen in wat men noemt: vrolijkheid zonder zin. U weet wel, die hela‑hola‑mond. Deze mens zal over het algemeen na de overgang constateren dat de wereld in het geheel niet zo onredelijk is als hij heeft gedacht. Want ook hij heeft daarin geen redelijkheid kunnen erkennen; hij heeft de vaste wet niet achter de tegenstrijdigheden kunnen aanvoelen.
De derde persoon is een dame. Zij is tamelijk met zichzelf bezig en denkt meer aan haar afspraakje en aan dat ene ding, dat ze nog moet kopen dan aan de tram. Als zij binnenstapt, doet ze dat wat onbehouwen; zij kijkt niet uit, botst tegen een ander aan en noemt hem een boerenkinkel. Zij beseft niet dat er behalve haar gedachten en eigen belangen anderen zijn, die even belangrijk zijn. Zij beperkt zich tot een kleine kring. In die kleine kring heeft ze een goed inzicht. Intuïtief voelt ze aan wat daarin belangrijk is. In die kring heeft ze een rijk leven. Maar de invloeden, die van buiten op die kring inwerken, beseft ze niet en be­schouwt ze meestal als een soort Nornen, schikgodinnen, die in het leven ingrijpen.
Gevolg: Wanneer ze overgaat zal ze enerzijds door haar harmonie met een klein deel van de wereld wel bewustzijn hebben opgedaan, maar anderzijds door haar onbegrip voor de grote tendensen, die voor haar onbelangrijk waren, tekort schieten.
U ziet, het wereldbeeld van alle drie verschilt zeer. Bij de le lag het gecentreerd in eigen opinie, eerder dan in de feiten. Bij de 2e lag het in verklaringen, dus in woorden en alweer niet in feiten.
Bij de 3e lag het in eigen kleine kring; was dààr feitelijk, maar zonder besef voor de waarden er buiten.
Nr. 4 is een oude dame. Ze is op bezoek geweest bij haar kleinkinderen. Zij heeft een grote tas, want ze heeft voor haar kinderen wat mee­genomen. U weet hoe dat gaat. Voor haar schoondochter heeft ze een bon­bonnetje gekocht, want het is toch wel een aardig meisje. In het begin had ze er bezwaar tegen, dat zij met haar zoon ging trouwen, maar dat is aardig bijgetrokken.
Zij staat daar zo te kijken en ondanks het feit, dat ze eigenlijk wat onbe­holpen is, heeft ze geleerd ‑ vaak door schade en schande ‑ dan anderen belangrijk zijn, zodat ze onwillekeurig ondanks haar eigen betrekkelijke gebrekkigheid anderen toch vóór laat gaan en probeer te helpen.
Ze heeft een vriendelijk woord voor de conducteur en als er wordt gespro­ken over politiek, dan haalt ze haar schouders eens op, want, zegt ze, daarvan heeft ze geen verstand; maar van mensen wel. Ze is zó oud gewor­den, dat ze ‑ althans voor het grootste gedeelte ‑ langzamerhand los is gekomen van die werelden van angst en begeerte. Zij heeft de zaak een beetje aanvaard, er zich bij neergelegd. Zij heeft veel verloren en veel gewonnen. Daar staat ze. Ménsen zijn belangrijk. Zij blijkt aan het einde van haar leven een heel goed begrip te hebben voor harmonie. Wat zij nog niet heeft beseft, is dat zij deze harmonieën alleen van haar eigen stand­punt heeft beoordeeld, zodat zij niet de werkelijke relaties in de wereld maar slechts die van de wereld tot haarzelf heeft vastgesteld.
Naast haar staat een kind. Hij ziet de wereld vol van wonderen. Dat die tram rijdt, is op zichzelf een wonder. En hij zou niets beters kunnen bedenken dan om als de bestuurder daar aan de knoppen te staan draaien en te bellen en tingelen. En hij zou haast willen schelden op al die voetgangers, automobilisten en fietsers, die het verkeer in gevaar schijnen te brengen. Hij identificeert zich met de wagen en droomt. Een ogenblik later komt hij misschien voorbij een poppenkastvoorstelling of voorbij een paar jongelui met grote bromfietsen en onmiddellijk is hij dààrmee één. Hij probeert met alle dingen één te zijn. Het is een jong kind. Laten we eens aannemen dat dit kind niet rijper wordt en overgaat. Door zijn gewoonte zich te identificeren, neemt hij onmiddellijk en gemakkelijk alle geestelijke waarden aan. Maar hij heeft één ding nog niet geleerd, nl. dat het niet voldoende is je één te voelen met de dingen, maar dat je hen en hun behoeften ook moet beschouwen en dienen, zonder daarbij alleen van je eigen standpunt uit te gaan.
Zo ziet elke mens de wereld anders. Er staan er nog vijf. Laten we hen even laten wachten; misschien dat de volgende tram hen meeneemt.
Want we zouden eeuwig kunnen doorgaan. Elke mens heeft zijn eigen gedachten; elke mens heeft zijn eigen wereld. En ik geloof niet dat er één mens is, wiens wereldbeeld werkelijk wáár is. Slechts degenen, die zich geheel losmaken van de wereld, zullen op de duur die wereld wél goed kunnen bezien. Maar ook zij hebben geen voldoende overzicht.
Er kan worden gezegd dat het wereldbeeld van de mens in 9 van de 10 gevallen grotendeels wordt bepaald door het woord. Het woord maakt een veel scherpere en diepere indruk, wat het wereldbeeld betreft, dan de visuele waarneming. Deze is wel vaak voor het waarnemen van feiten belangrijk maar niet voor het opnemen van meningen. Het wereldbeeld, verder beïnvloed dus door voornoemde factoren, zal over het algemeen eenzijdig zijn en dit is voor de ontwikkeling, die de geest in de stof zoekt, meestal ook noodzakelijk. Bovendien zal juist door de groei van het begrip voor de wereld wel een intenser begrip ontstaan voor alles, wat leeft en is.
Maar het beeld van de wereld blijft beperkt tot het menselijk voorstellingsvermogen en dat wil weer zeggen dat de beperking blijkt te bestaan uit hetgeen men heeft gezien en gehoord. Deze dingen kunnen in de gedachtewereld worden samengevoegd. Maar een beeld van God, zoals de doorsnee mens zich dit stoffelijk voorstelt, is over het algemeen een samenstel van een goedige grootvader, een gewaardeerde priester, een geëerde onderwijzer, een staatsman of geleerde die buitengewoon belangrijk leek plus enkele schilderijen, die hij heeft gezien en dan nog wat omschrijvingen, die hij hier of daar heeft gehoord.
Ik geloof dat ik hiermee althans enigszins het ontstaan van het menselijk wereldbeeld en de mogelijke inhoud daarvan heb omschreven. Ik kan hierbij niet exact zijn. Exactheid zou betekenen dat ik voor elke mens op de wereld een afzonderlijke ontwikkeling zou moeten schetsen. De genoemde factoren zijn echter praktisch gemeenschappelijk en gelden dus haast voor iedereen.
Onthoudt u één ding: het is niet belangrijk dat uw wereldbeeld aan de waarheid beantwoordt, mits u leert de wereld zuiver aan te voelen voor zover zij met u in contact komt. Want het aanvoelen van de wereld is voor u belangrijk omdat daarin de werkelijke en geestelijk geldende contacten worden gelegd. Al het andere is een voorstelling, die achterblijft en verbleekt zodra u overgaat naar een andere wereld.

De relatie van mens tot mens

Als je als mens tegenover mens staat, is het alsof twee brandkasten elkaar ontmoeten. Je kunt zien dat er een cijfercombinatie op zit maar welke het is, weet je niet precies. Bovenal weet je niet, of er wat in zit, want die protserige brandkast kan wel alleen schuldbekentenissen bergen en dat onaanzienlijke kastje kan vol zitten met diamanten. Dat weet je niet. Vandaar dat het contact tussen mens en mens aanvankelijk een soort spel wordt. Je weet niet precies wat je aan elkaar hebt. Zelfs als je elkaar beter leert kennen in vriendschap, in liefde, in sociale samengang, desnoods in het spelen of samenwerken in een vereniging, moet je ook wel be­grijpen dat je een soort ontginnings‑ en ontdekkingstocht begint in terra incognita. Het is de onbekende wereld van het individu, waarin je binnendringt.
Begrip vinden voor je medemens is heel erg moeilijk, als je van te voren begint met iets vast te stellen. Columbus heeft nooit precies Ameri­ka kunnen begrijpen en het gevolg was dat een ander de naamgever werd: mijnheer Vespucci. Deze laatste was een beschrijver; hij kwam met open oog en constateerde. Columbus ging met een vooropgezet doel zijn tocht ondernemen en daarom meende hij ook Indië te hebben ontdekt. Dit ligt nòg in de naam West‑Indië en zelfs in de naamgeving van vele eilanden.
Een mens, die je ontmoet, kun je pas werkelijk leren kennen, als je je geen doel stelt bij de ontmoeting. Mens tegenover mens, die elkaar met een bepaald doel ontmoeten, zullen elkaar zelden of nooit verstaan. Het contact met je medemens moet, als het even kan, eerder het dolen zijn in een tuin. Een soort doolhof, waarin je nu eens voor een standbeeld komt te staan en dan weer tegenover een lachspiegel. Iets wat je accepteert. Je moet een ander kunnen ondergaan. Op het ogenblik dat je voorwaarden gaat stellen, gaat de brandkast dicht, dan valt er een hek en is er niets te zeggen.
Ik weet dat er mensen zijn, die menen dat ze een ander b.v. aan zijn oogopslag kunnen kennen. Misschien stelt het u teleur, als ik u zeg dat u in het oog meestal alleen uzelf terugvindt, als u er dicht genoeg bij komt. Verder vindt u in het oog heel weinig. Gelaatsuitdrukkingen zijn bedrieglijk. Zó bedrieglijk dat in de meeste gevallen het uiterlijk een van de meest misleidende factoren kan worden genoemd in de menselijke maatschappij. De man, die eruit ziet als een beroepsinbreker, blijkt een zeer respectabele bankdirecteur te zijn. Die vent met het gezicht van een oplichter blijkt een heel geziene prediker te zijn. En de man, die eruit ziet als een heilige, blijkt door Interpol in alle landen ter wereld te worden gezocht. Vergeet dat niet. Ga niet af op uiterlijk en zelfs niet op de direct kenbare reacties.
Wanneer u contact hebt met mensen, probeer dan hen niet te kennen aan de manier, waarop zij zich voordoen. Laat u eerder leiden door uw gevoelsreactie; die is meestal zuiverder. Want terwijl u officieel erop let, of die blik nu wel open is en of de bouw van het voorhoofd edel is, of de gebaren van de handen misschien juist zijn, zult u in werkelijkheid ook waarnemen de kleine tekenen van spieren, die de gedachten verraden. Spieren reageren op gedachten. Je zou het een soort micro‑reactie kunnen noemen, want ze is klein en haast onopvallend. Toch is het u mogelijk om ‑ indien u zich daarop instelt en de mens dus niet met een vooroordeel of een poging tot beoordeling ondergaat ‑ aan te voelen wat er in die mens leeft. Verwerp die mens niet, omdat er iets  n hem leeft dat niet helemaal bij u past. Probeer het anders te doen. Probeer die mens te ondergaan, hem te aanvaarden zoals hij is. Zoek in hem het lichte en het goede, dan komt de schaduw vanzelf naar voren. Aanvaard elke mens. Laat u ook nooit verleiden een bepaalde mens volkomen af te wijzen. Dat is dwaas. Er zijn omstandigheden, waarin men moet zeggen: “Ja, deze of gene vriend móet ik afwijzen. (Dat kan zelfs in de Orde voorkomen.) Maar dan is dat niet een veroordeling van die mens. Het is alleen de vaststelling: op dit ogenblik kan het niet. Per slot van rekening een baby, die meekomt naar een trouwplechtigheid, verstoort de plechtige illusie. Dit bestaat overal. Op zichzelf mag dat geen.veroordeling zijn. Tracht, zodra ge kunt, een mens aan te voelen voor wat hij is, voor wat hij zoekt en voor wat hij wil. Dan zul je door je gevoelsreactie en je aanvaarding, die buiten het redelijke blijven, meer van die mens begrijpen. Je zult hem beter leren kennen. En dan zul je later, met de rede een oordeel sprekend (wat nu eenmaal noodzakelijk is voor mensen onder elkaar), nimmer de vergissing maken de ander verkeerd te be­oordelen. Leer eerst mensen aanvoelen, voordat je hen beoordeelt, ook als het gaat om zaken, ook als het gaat om vertrouwen schenken enz. Ga af op de indruk, die ze maken op uw gevoel. Reageer daarop. En ga dan met deze vaststelling ‑ misschien van een soort sympathie, althans van een begrip ‑ de stoffelijke feiten na en beoordeel deze. Beoordeel redelijk; uw hou­ding wordt dan bepaald door aanvoelen.
,Op die manier zult u als mensen onder elkaar, elkander beter begrijpen. U zult elkaar minder onderschatten. U zult vooral elkaar minder onrecht aandoen. Want geloof me, de grote afstanden tussen de mensen worden meestal niet geboren uit handelingen en daden, maar uit een misverstand omtrent bedoelingen. Als u de mens de sympathie kunt geven, die hij nodig heeft, als u de mens kunt laten begrijpen dat u innerlijk weet hoe hij is, dan kunt u verder nuchter, zakelijk redeneren, zonder dat het iets uitmaakt. Want de banden tussen mensen liggen niet alleen op het sociale of op het zakelijke vlak. Ze liggen hoofdzakelijk in het elkaar aanvoelen, in het elkaar op de een of andere haast onmerkbare wijze harmonisch begrijpen.
Indien de maatschappij op deze basis wordt opgebouwd, zal zij een uitdrukking zijn van die harmonie en zal zelfs in de optredende geschil­len, fouten en misstanden nimmer haat kweken, maar eerder een zekere aanvaarding en daardoor een langzame rechtvaardiging en egalisatie ook in de uiterlijke verschijnselen veroorzaken.

De pelgrimstocht naar de waarheid

Het leven is een pelgrimstocht, waarvan wij menen het doel niet te kennen. Toch, als wij doordringen in onszelf, beseffen wij dat wij naar één ding waarlijk verlangen: wij verlangen de waarheid te zien: het vaste, het onveranderlijke, het blijvende, dat ons niet kan teleurstellen, omdat wij het kennen.
Ons hele leven met al zijn zoeken is niets anders dan een poging voor onszelf en voor de wereld die vaste waarde te vinden, welke geborgenheid betekent, maar ook voortdurend een vaste taak te hebben.
Degenen, die een pelgrimstocht beginnen langs geestelijke weg, zoekend naar de esoterische kennis van het ‘ik’ en naar het begrip voor oneindigheid en Godheid, zij voelen zich steeds weer te staan voor het onbegrijpelijke.
Ook het ‘ik’ is onbegrijpelijk. Ook het ‘ik’ is een raadsel, een sfinx, die voortdurend raadselen opgeeft. En soms meen je het gebeente te zien liggen van al je streven en denken naast dit monsterlijke wezen, dat met zijn raadselen steeds weer ons de doortocht verspert naar een beter en groter land.
Denk niet, dat ge daarin alleen zijt. Wij allen, stof en geest, zijn op een pelgrimstocht naar de waarheid, naar het eeuwige en onveranderlijke, het enig zekere, het enig evenwichtige en lichte. Ook wij vinden op ons pad de sfinx, zoals gij. Alleen de vragen, die zij stelt, zijn misschien anders.
Besef echter één ding: Ons pad naar de waarheid kunnen wij slechts dàn gaan, als wij trachten de eenvoud te vinden. Niet in het zoeken naar torenhoge begrippen, opstapelingen van filosofieën, kunnen wij waarheid vinden. Onze verlossing ligt niet in de theorie, in de vergelijking met de vele onbekenden. Ze ligt voor ons in de vereenvoudiging van ons leven totdat wij de waarden daarvan althans enigszins kunnen beseffen.
De waarheid openbaart zich aan ons allen. En steeds weer geeft zij ons het antwoord voor die wrede sfinx, die als een wachter op de drempel ons de toegang tot betere werelden schijnt te versperren.
Het antwoord op het raadsel is steeds eenvoudig. Voor u in uw leven is haar vraag meestal: “Mens, durft gij te zeggen dat gij rechtvaardig zijt?” En zegt ge “neen”, zo verwerpt zij u en verspert u de toegang. Zegt ge “ja”, dan openbaart gij in uzelf een leugen en zal zij u terugwijzen. Maar zegt ge: “Ik tracht recht te vinden in mijzelf” en hebt ge dat inderdaad in handelen en denken zoveel ge kunt, gedaan, dan zal de sfinx u de toegang niet weigeren en de weg naar een volgende wereld is voor u vrij.
De pelgrimstocht naar de waarheid bestaat hoofdzakelijk in de er­kenning van onze beperkingen en van ons vermogen en van onze vrijheid.
Denk niet, dat ons geestelijk pad kan worden geremd door de stoffelijke daad, tenzij deze daad voortkomt uit valse en verkeerde illusies.
Denk niet, dat onze geestelijke voortgang kan worden geremd door een ge­dachte alleen, tenzij die gedachte tevens een daadwerkelijk ingrijpen betekent in een andere wereld en misschien ook een ingrijpen in onze eigen wereld en ons eigen ‘ik’. In die eenheid van daad en denken moeten wij trachten te beseffen, hoe wij staan t.o.v. het ware, dat wij niet kennen.
Roem uzelf nooit; dat heeft geen zin. Maar verneder u ook nooit, want dat is evenzeer zinloos.
Wanneer gij waarlijk wilt bidden tot uw God of waarlijk de eenvoud wilt vinden, zeg dan niet te veel woorden als zij, die menen kosmisch te bidden, als zij zeggen: “U, Eerste Oorzaak, zoek ik. Kom nader tot mij”; maar erken de eenvoud van de voorstelling. Indien ge uw God ziet als iets, wat dicht bij u staat, dan past u beter het Onze Vader. Indien ge beseft dat uw God in u leeft, zo zeg dit in uw gebed, zeg dit met uw wezen en met uw daden.
Voor mij lijkt uit een menselijk standpunt het wachtwoord voor de drempelwachter in deze pelgrimstocht te zijn:

Gij God, Gij Licht in mij.
ik wil Uw Wezen ‑ onbegrepen nog ‑ aanvaarden.
Gij God, Gij Licht in mij,
geef mij de vrijheid om te zijn
en leer mij toch Uw Wezen te erkennen.
Gij God, Gij Licht in mij,
gééf mij niet wat ‘k begeer
doch dat, wat ik behoef.
En laat m’ erkennen dat dit voldoende en genoeg is.
Gij Licht in mij,
Gij kunt mij niet de zin van dit mijn leven thans openbaren,
want daarvoor ben ik niet rijp.
Maar laat mij
althans het zinvolle van mijn leven aanvaarden.

Dat lijkt mij het gebed en de sleutel.
Voor een pelgrim, die de tocht maakt naar de uiteindelijke waarheid is, mijne vrienden, één sleutel en één erkennen: Het licht is in ons en rónd ons; De kracht is in en rond ons. Niet aan óns is het te oordelen.
Aan ons is het te aanvaarden. Maar bovenal te weten: niets kan zinloos zijn, want één zinloze daad en één zinloos bestaan zou de schepping ver­nietigen en zinloos maken. Zeg: Alles heeft zin, betekenis. Alles is voor mij licht en kracht; en aanvaard dit. Dan kunt ge misschien zeggen met hen, die eens het lied zongen aan de machtige Aton:

“Hoe verre zijt Gij van mij, o machtige Aton, machtige kracht en licht.
Gij wandelt langs de hemel en mijn oog kan u niet aanschouwen.
Uw stralen beroeren de aarde.
Zij zijn als zegenende handen op mijn voorhoofd.
Zij geleiden mij op mijn gang, die in het graf en de Hal der Rechteren
wordt tot openbaring van uw wezen.”

Dit is de zin van ons leven. Dit is de sleutel van stof tot geest. Aanvaard uw God zo Hij ver is en onkenbaar. Aanvaard Zijn daden, Zijn kenbare kracht in u als Zijn teken. En weet in uzelf dat Hij zin geeft aan al het gebeuren en u voort geleidt tot een nieuwe stap en een nieuwe fase.
En zo ge dan staat voor de drempel en geen ander woord meer weet; wanneer alle begrip en woorden u zijn ontvallen, zo zeg dan dit ene, dat de kern moet zijn van uw geloof: “Er is een liefdevolle God.” Al het andere zal u geworden.