Het beheerste leven

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ – (Hoofdstuk 7)   april 1961

Het beheerste leven

Het gehele leven van de mens bestaat uit een reeks onoverzichtelijke en voor hem vaak zeer moeilijk ontwarbare situaties. Daarbij blijkt hem dat hij in een voortdurende strijd met zichzelf is gewikkeld. De aspecten van deze strijd brengen hem voortdurend tot een emotionele reactie, waarbij zijn keuze niet wordt bepaald door een beheerste aanvaarding maar door een emotionele eis tot vervulling van ten slotte niet te verwezenlijken mogelijkheden of omstandigheden.
Reeds wanneer wij de mens in zijn kinderjaren zien, blijkt ons dat een gebrek aan beheersing zeer schadelijk kan zijn. Het driftige kind zal over het algemeen ofwel in voortdurend conflict met zijn omgeving zijn, dan wel te veel mogelijkheden krijgen om zijn zin door te drijven en zal hierdoor in zijn verder leven minder nuttig zijn. De beheersing zal aan het kind voornamelijk moeten worden geleerd door het te gewennen aan een vaste discipline en het daarnaast grote liefde en grote geborgenheid te schenken. Hierdoor zal het kind tot een beheerst wereldburger kunnen opgroeien en zelfs, als geen directe gedragsregels zijn gegeven, toch zeer snel leren zich aan de maatschappij aan te passen. Als het kind gelukkig is, blijkt dat zich in hem een aantal z.g. paranormale eigenschappen ontwikkelen, die meestal voor fantasie worden gehouden. Het kind blijkt in vele gevallen in staat te zijn de gedachten van de mensen in zijn omgeving op te vangen. Bovendien zal het tot op zekere hoogte in staat zijn contact op te nemen met zijn werkelijk ‘ik’ en daaraan zowel gegevens omtrent zijn vorige incarnatie als omtrent zijn toekomstige ontwikkelingen ontlenen. Hoe harmonischer het kind is en hoe beter het heeft geleerd zich redelijk te beheersen, hoe sterker het in het leven staat en hoe zuiverder de paranormale kwaliteiten zullen worden gebruikt.
Bij de opgroeiende mens worden die problemen enigszins anders. De strijd, die hier begint, is er één die bij velen tot het einde van hun leven voortduurt. Het is de strijd tussen de opgelegde moraal, de innerlijke moraal en de levensmogelijkheden. Deze drie factoren vragen alle een zekere beheersing. De opgelegde moraal eist weliswaar een uiterlijke beheersing, maar dwingt door al te straffe maatregelen gelijktijdig tot een ontduiking. Daardoor zien wij dan dat de mens zich in een schijnbeheersing achter een masker uitleeft. Dit is volledig onaanvaardbaar omdat de mens ook een innerlijke moraal heeft. Amoraliteit, zoals vaak wordt gesteld, bestaat slechts zelden. Wel is er sprake van een groepsmoraal en een persoonlijke moraal. Deze persoonlijke moraal blijft bestaan. In mijzelf heb ik een zeer zuiver gevoel omtrent wat voor mij aanvaardbaar of verwerpelijk is. Zolang ik deze maatstaven beheerst hanteer en ze alleen op mijzelf toepas, stellen ze mij in staat om althans de opgelegde moraal in zoverre te wijzigen dat ik, voor zover het de stoffelijke uiting betreft, harmonisch ben.
Nu heb ik echter innerlijk ook nog bepaalde noodzaken. Deze innerlijke noodzaken zijn vaak in strijd met de beide reeds genoemde waarden. Ik moet nl. in het leven leren. Tijdens dit leren speelt o.m. seksualiteit een grote rol en daarnaast ongetwijfeld ook de begeerte naar macht of de begeerte naar aanzien. Zolang er sprake is van een beheersing, zijn al deze punten volledig aanvaardbaar. Zodra de beheersing echter wegvalt, komen wij te staan voor een innerlijk conflict, dat grote geestelijke schade kan veroorzaken.
Voor de geest is de toestand dan ongeveer als volgt: In zichzelf heeft hij zijn doel vastgesteld. Om dit doel te bereiken, is hij geïncarneerd. Dit doel vraagt een reeks acties en reacties, die in verband staan met zijn vorige ervaringen, zijn vorig bestaan, hetzij in de stof of in de sfeer. Hij weet echter niet in hoeverre de compensaties, die hij zoekt, feitelijk aanvaardbaar zijn. Zo begint hij zijn innerlijke maatstaf op te leggen. Daaruit ontwikkelt zich een vorm van intuïtie; en deze intuïtie tezamen met onbeheerste emotie veroorzaken de mens telkens mislukkingen. Hij doet dat, wat hij niet wenst te doen en hij volbrengt het ondanks zichzelf. Hij veroordeelt zichzelf daarvoor en lijdt eronder. Voor de geest betekent dit ten slotte een afremming van zijn bewustwording. Want het vlak, waarop hij zich in de materie nog kán bewegen, wordt steeds kleiner. Voor de mens zelf betekent dit dat hij juist door de impulsiviteit van zijn handelingen telkens weer aan zijn innerlijk gevoel van goed en kwaad te kort doet. Wat ik echter innerlijk als kwaad ervaar, is voor mij te allen tijde schadelijk. Iemand, die deze intuïtie ontvangt en zich beheerst, kan anders handelen. Hij is in staat om deze opwellingen te toetsen aan zijn persoonlijke moraal en kan daardoor stellen: dit is voor mij aanvaardbaar, het is goed; dat is voor mij niet aanvaardbaar, het is kwaad. Aan deze beslissing moet hij zich te allen tijde houden. Omdat hij zich beheerst en innerlijk de beslissing neemt op grond van eigen en persoonlijke waarden, kan hij bovendien over het algemeen een wijze van handelen vinden, waardoor hij ‑ in overeenstemming ook met de hem opgelegde moraal ‑ toch tot een volledig uitleven van zijn persoonlijkheid komt, maar nu in de juiste zin.
Deze toestand bestaat natuurlijk zeer sterk in de jaren, dat de mens zich onafhankelijk maakt. Het zijn de jaren, waarin de geestelijke vorming eigenlijk het meest noodzakelijk is. In het Westen verkeert men echter op het ogenblik niet in de mogelijkheid een juiste opvoeding en geestelijke vorming in dit opzicht geheel te geven. In oosterse landen is het gebruikelijk dat een jongeling, als hij ongeveer 10 jaren oud is, althans voor enkele jaren in een kloostergemeenschap wordt opgenomen. In deze gemeenschap krijgt hij zowel geestelijk onderricht als stoffelijke lessen. En hij leert bovenal zich binnen de gemeenschap te beheersen. Maar hij heeft grote vrijheden ten aanzien van meditatie en gedeeltelijk zelfs van de te kiezen leerstof. Daardoor is er een geborgenheid, waarbij de ervaren leraar, de ervaren geestelijke meester ook, het geheel van de persoonlijkheid samensmeedt tot een onverbrekelijk geheel. In het Westen bestaat er vaak een absolute tegenstrijdigheid tussen de verlangens van het kind, de behoeften van de ouderen, de mogelijkheden in de maatschappij en de eisen van zijn onderwijs.
In de puberteit, in de tijd dus van persoonlijk ontwaken, zijn deze factoren wel zeer sterk met elkaar in strijd en hierdoor ontstaat dan in zeer vele gevallen een volkomen onbeheerst wezen, dat eisen aan zijn maatschappij en omgeving stelt, die onredelijk zijn. Zo iemand heeft wel degelijk een innerlijke moraal. Hij weet van goed en kwaad. Maar hij verwerpt deze dingen omdat hij nu eenmaal in de maatschappij heeft geleerd dat hij zich alleen aan uiterlijkheden moet houden en dat degene, die niet gesnapt wordt, altijd schuld‑ en zondevrij is.
De periode, die daarop volgt, is er één waarbij de bezitslust een zeer grote rol speelt. Hierbij breidt de mens zijn behoeften tot bezit over zeer vele wezens uit. Ik denk hier niet alleen aan de verhouding tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, maar ook de verhouding tussen mens, dier en plant. Men meent een leven te kunnen bezitten. De vertekening, die hierdoor in het innerlijk leven ontstaat, brengt zowel voor de geest als voor de mens zelf vele ontstellende ontwikkelingen met zich mee. Hij zal in de eerste plaats voortdurend geconfronteerd worden met het feit dat hij geen feitelijk bezitsrecht heeft; dat hij slechts wat hij verlangt, als een gave kan ontvangen, maar dat zijn eisen op de duur altijd worden afgewezen. Dit tast de voorstellingen van het eigen wezen aan en brengt de mens ertoe een soort dubbele moraal te ontwikkelen. De onbeheerstheid, waarmee men tracht toch nog de bezitsrechten te doen gelden, heeft voor de geest een grote onevenwichtigheid ten gevolge, omdat men delen uit andermans leven in dat van zichzelf wil opnemen, ofschoon zij daarin niet passen. De waanwereld enz. wordt versterkt. Als echter afstand wordt gedaan van bezitsrecht en de mens volkomen beheerst leert aanvaarden ‑ zelfs ook selectief ‑ zal hij ongetwijfeld een sterke vooruitgang maken in innerlijke harmonie.
Het innerlijk harmonisch zijn is van het allergrootste belang, mijn leerlingen. Wanneer een mens in zichzelf overtuigd is goed te handelen, wanneer hij in zichzelf onbevreesd is omdat hij weet: Ik doe het enige, wat voor mij aanvaardbaar is en geen enkel gevolg kan daartegen opwegen, dan staat hij sterk in het leven. Niet alleen t.o.v. de materie en de maatschappij maar ook t.o.v. alle geestelijke problemen, die zich aan hem voordoen. Hij kan dan toch uit deze problemen lering putten. Hij zal volgens eigen inzicht volkomen juist handelen. Hij zal de intuïtie van de geest, die dan eveneens redelijk en bewust wordt aanvaard, in het geheel invoegen en zo een maximum aan ervaring opdoen in een minimum van tijd, waarbij elke ervaring op zichzelf noodzakelijk is en niet ‑ zoals bij zeer veel mensen het geval is ‑ een groot deel van het leven wordt verspild aan ervaringen, die op zichzelf niet waardevol zijn.
De ontwikkeling van de mens gaat verder. Wanneer wij eenmaal de jeugd en de jongelingsjaren of de periode van het vrouw‑worden achter ons hebben, dan zien wij in het menselijk leven een volgende fase optreden: De fase van de gewoontevorming.
Er zijn mensen, die menen dat zij geen gewoonten hebben, omdat zij alles zonder regels doen. Maar in feite is ook het leven zonder regels een gewoonte. Het wordt dan gewoonte voortdurend aan eigen impulsen toe te geven. En een dergelijke gewoonte brengt de mens weer voor conflicten. Hij is dan immers niet in staat op het juiste ogenblik beheerst in te grijpen. Ook de mens, die zich vastklampt aan een bepaalde indeling van zijn dagen en de mens, die voortdurend vasthoudt aan bepaalde gebruiken en gedachtegangen, zal steeds geketend zijn. Want ook deze weigert afstand te doen van hetgeen hij als zijn vrijheid beschouwt, nl. de gewoonte. Het gevolg is dat elke gewoontevorming, zelfs die van volledig gewoonteloos te zijn, in feite voor de mens schadelijk kan zijn. Hij moet altijd wéten wat hij doet. Een mens, die zijn dag op de juiste wijze indeelt en daarbij voortdurend in staat is het gewoonteproces zover te herzien als noodzakelijk is om tot een perfecte indeling van zijn dag te komen, zal op zo’n dag natuurlijk veel meer kunnen doen. Bovendien zal hij zich daardoor onnodige weerstanden en problemen besparen. Problemen en weerstanden, die de gewoontemens echter voortdurend zal ontmoeten. Door op de juiste wijze zijn eigen denken soepel te houden en niet plotseling afstand te doen van het ene principe voor het andere maar in zichzelf voortdurend groter begrip te doen groeien, zal hij aan zijn geest het meest belangrijke voedsel geven dat bestaat, nl. de wèloverlegde en door emotie ondersteunde ervaring.
Gaat hij nog verder, dan zal hij zelfs in staat zijn, door het verwerpen van alles wat niet noodzakelijk is en het aanvaarden ‑ maar dan met geheel zijn wezen ‑ van al wat hem noodzakelijk blijkt, tot een zodanig harmonisch leven te komen, dat binnen een enkele bestaansvorm alle geestelijke capaciteiten reeds kunnen worden gewekt en zelfs in de stof kunnen worden geuit. In de beheersing komt de openbaring van occulte gaven zeker ook sneller en beter tot stand dan bij een meer spontane ontwikkeling.
De gedachten van een mens t.o.v. zijn God en Zijn Werkelijkheid zijn natuurlijk moeilijker te omschrijven. Toch zou ik willen zeggen dat ook hier beheersing van grote waarde is. Op het ogenblik dat de mens zich alleen dan tot zijn God wendt, als hij in moeilijkheden is of Hem beschouwt als een uitlaat voor zijn emoties en gevoelens, krijgt die God een functie, die in feite een deel van het ‘ik’ zou moeten hebben. Men stelt een God ‑ en meestal geen werkelijke maar een imaginaire God ‑ in de plaats van een groot gedeelte van het eigen geestelijk leven. Daardoor wijst men een groot aantal voor de geest noodzakelijke bereikingen af en brengt zichzelf tot een voortdurend grotere slavernij. Want de God ‑ imaginair of reëel ‑ gaat de mens volledig beheersen. En wie door een ander wordt beheerst, is het slachtoffer van alle omstandigheden. Hij is niet meer vrij te kiezen, niet meer vrij verder te gaan.
Over dit Godservaren, mijn leerlingen, wil ik u nog enkele punten voorhouden.
De werkelijke Godheid is nimmer stoffelijk voorstelbaar. Zij kan niet redelijk worden omschreven of zelfs aangeduid en getoond worden. Al wat wij in materiële vorm van het Goddelijke kunnen ondergaan, is slechts een mani­festatie; een manifestatie, waarachter de werkelijkheid schuilgaat.
Indien wij beheerst zijn, zo zullen wij dit beseffen en vele schijnbaar te­genstrijdige manifestaties steeds meer tot een beeld van die ene God in ons doen samenvloeien. Onze reactie op God wordt dan een emotionele, waarbij de emotie juist door ons besef binnen de perken wordt gehouden.
Wij maken dan voor de geest het contact mogelijk met alles wat wij redelijk en gevoelsmatig van het Goddelijke bevatten. Zo kunnen in het ‘ik’ de reeks van krachten en de reeks van openbaringen aanmerkelijk groeien.
Stel u uw God altijd voor zoals uzelf wilt. Het punt van uitgang is on­belangrijk. Besef echter dat deze God, evenals uzelf, aan een voort­durende verandering onderhevig moet zijn omdat Hij een projectie is van uw eigen wezen. Beseft ge dit, dan zult ge u nimmer blijven vastklampen aan het verleden. U zult u nimmer blijven vasthouden aan een voorstelling, die eigenlijk niet meer beantwoordt aan uw behoeften. Slechts de kosmische Godheid beantwoordt aan het totáál van onze behoeften. Maar Hij leeft ach­ter de kosmische dag en de kosmische nacht. Hij is de werkelijke kracht en de openbaring.
Wij kunnen die kosmische God zeker ten dele beleven. Wij kunnen Hem voort­durend in onszelf activeren. Maar wij zullen nimmer in staat zijn Hem te begrijpen. Daarom is het onze plicht op een beheerste en overlegde wijze de krachten, die wij uit die God kunnen putten, voortdurend te richten op ons eigen geestelijk heil, op de ontwikkeling van vooral onze geestelijke vermogens en gaven en eerst daarna op de aanvulling van onze stoffelijke tekorten.
In het leven zijn er echter veel meer factoren, waarbij de beheersing een grote rol speelt. Zo vraag ik mij b.v. vaak af, geliefde leerlingen, waarom een mens zo voortdurend een strijd voert tussen zijn begeerten en zijn gedachten? Want is de mens niet geschapen met zijn bepaalde begeerten? Deze zijn natuurlijk. Zij zijn niet verwerpelijk. Zij zijn slechts ‑ omdat het lichaam met al zijn eigenschappen instrument moet zijn van de geest – een factor, die moet worden beheerst. Maar op zichzelf zijn zij natuurlijk. De gedachtewereld, die wij in de stof moeilijker zullen kunnen beheersen dan de materie zelf, maakt het ons mogelijk om een climax van voorstellin­gen op te bouwen, waarbij de eigen beheersing innerlijk en ten slotte ook stoffelijk ten onder gaat. Het opbouwen van deze reeks voorstellingen geschiedt echter door onszelf en geen macht buiten ons is in staat een dergelijke reeks uit te breiden of te verkleinen. Daarom is het noodzakelijk dat men zijn gedachteleven in zoverre weet te beheersen, dat elke te lang aanblijvende reeks voorstellingen wordt onderbroken. Wij toetsen daarbij de methode, die wij hiervoor gebruiken, aan ons persoonlijk zedelijk inzicht.
Wat betreft het contact met de omgeving ontdekken wij dat hierin bepaalde gewoonten bestaan. Eén van de meest schadelijke is wel deze, dat men van de wereld en de personen in de wereld een bevestiging van eigen persoonlijkheid wenst te ontvangen. Men wil aanvaard worden zoals men zichzelf geeft. Men wil de voorstellingen, die men pleegt voor te geven als werkelijk, ook als werkelijkheid aanvaard zien, terwijl men weet dat ze niet reëel zijn. Men verlangt eigen wijsheid erkend te zien en is doof voor de stemmen van anderen en zelfs voor de bewijzen, die ze zouden kunnen aanvoeren voor het tegendeel van uw eigen stelling. Daaruit vloeit voort dat het zeer belangrijk is onze behoefte om gelijk te hebben, te beheersen. De behoefte om zelf de maatstaf te zijn, waarmee de wereld wordt gemeten, is één van de meest verwarrende voor de geestelijke ontwikkeling en het geestelijke pad. Zolang ge meen, dat uw oordeel het juiste is, bent u reeds verkeerd. U kunt nl. niets in kosmische zin overzien. U kunt nimmer de werkelijke betekenissen en samenhangen van verschillende levens, verschillende tijden, ja, zelfs het doel van een incarnatie achterhalen in de stof. En als u dit niet mogelijk is, hoe wilt ge dan een definitief oordeel geven? Hoe wilt ge beweren dat uw stellingen en uw gedachten juist zijn? Er wordt vaak gestreden over onbelangrijke dingen. Is de aarde plat of is de aarde rond? Is zij hol of is zij bol? De mensheid strijdt hierover. Op zichzelf is het niet van belang, zolang men in die wereld kan leven. De mens echter zal heel dikwijls zijn leven vernietigen, alleen omdat hij b.v. zegt ‘hol’, terwijl een ander zegt ‘bol’.
Beheersing is noodzakelijk. U moet (en,mijn leerlingen, vergeet dit nimmer!) te allen tijde voor uzelf stellen: Een ander kan gelijk hebben, maar ook ik kan gelijk hebben. Zolang er geen bewijzen zijn voor mijn stelling of voor die van een ander, zal ik geen bewijzen zoeken. Indien ge nl. bewijzen zoekt, zoekt ge het bewijs voor uw eigen stelling en tracht ge in feite het ongelijk van de ander te bewijzen. Dit heeft ‑ behalve in enkele zuiver stoffelijke processen ‑ weinig zin. De feiten zullen aan het einde der tijden uitwijzen wie gelijk heeft. Nu is het belangrijk dat ge goed en harmonisch leeft; niet dat ge ondergaat door een verschil van mening.
Hoe ouder de mens wordt, hoe meer hij zijn aandacht gaat richten op de geestelijke krachten en de geestelijke materie. Hij zoekt hierin heel vaak een compensatie voor zijn stoffelijk leven of een vergoelijking van de fouten, die hij in zijn leven heeft gemaakt. Als hij dit op beheerste wijze doet, kan het dienstig zijn omdat de innerlijke harmonie erdoor wordt gesteund. Zodra men daarin echter fanatiek gaat worden, wanneer men zich daarin voortdurend gaat begeven, blijkt dat het tegendeel van het beoogde tot stand komt.
De kwestie van de beheerste dood is ook belangrijk. Wees altijd overtuigd van het feit dat ge kunt en zult sterven. Redelijk zult ge dit wel doen, maar uw gevoel zal het vaak ontkennen. Tracht ook aan te voelen dat uw vertoeven op aarde tijdelijk is. Eerst zó wordt het mogelijk het optreden van de dood te aanvaarden en daarmee de toestanden, die in de dood ontstaan, te beheersen. Gij zijt dan in staat om in de uren vóór de overgang zo nodig uw eigen wereld tijdelijk uit te schakelen en reeds kennis te nemen van hetgeen zich rond u bevindt. U bent in staat om al het noodzakelijke nog te volbrengen, daar u ook in staat bent uw volle aandacht en het restant van uw krachten geheel in eigen wereld te richten, te concentreren en alle bijkomstigheden, die in dergelijke gevallen vaak vele zijn, terzijde te stellen. Hier ontstaat een rationeel gebruik van eigen mogelijkheden. Verder ontstaat er door de be­heersing een geleidelijke en volkomen aanvaardbare overgang van de ene wereld naar de andere.
De geest heeft daarvan ongetwijfeld nut, daar juist door de beheerste ogenblikken (welke gemiddeld van ongeveer 6 à 7 minuten na de z.g. kli­nische dood tot ongeveer een 2 uur daarna liggen, waarna de werkelijke dood meestal intreedt) alles, wat in het ‘ik’ is bevat en geestelijk nog waarde heeft, bij de emotionele gerichtheid op de andere wereld wordt overgedragen. De geest kan zich gedurende deze periode aanmerkelijk ver­rijken met kennis, mits het leven zelf beheerst is.
Bovendien is het mogelijk ‑ door deze beheersing ‑ b.v. het eigen levens­lichaam en het eigen astraal lichaam zo te dirigeren dat gedurende de pe­riode, dat men hierover nog volledig gezag kan behouden, deze dan voor u belangrijke taken in of nabij de stof kunnen vervullen, terwijl uw eigen wezen en bewustzijn zich verder van de aarde kunnen verwijderen. Stofgebon­denheid wordt voorkomen, terwijl de uitvoering van eventueel resterende taken in de stof wordt vergemakkelijkt.
U ziet, er is in het leven zeer veel, dat voor beheersing spreekt. Maar het leven zelf rond u wordt ook beheerst. U staat niet in een volkomen vrije wereld, dat weet ge. Maar hebt ge u wel gerealiseerd, mijn vrienden, hoe groot het aantal geestelijke invloeden is, dat als heerser over een deel van uw mogelijkheden rond u optreedt? U zult rond u vinden, wat men in de termen der ouden noemt: een veelvoud van goden en demonen, ja, zelfs duivelen. Of deze wezens voor u reëel zijn of niet, maakt weinig uit. Zij hebben invloed op u. De mens, die zich beheerst, kan deze invloeden door eigen wezen en de daarin aanwezige krachten neutraliseren. Hij kan, wanneer de storm komt van emotie, van verleiding en van wanhoop, deze eenvoudig door zijn beheersing tot hun ware proporties terugbrengen en hen zo verwerken en overwinnen. De mens echter, die niet beheerst is, zal onder deze geestelijke heersers a.h.w. vallen. Hij kan de belasting niet dragen en wordt tot hun speelbal.
In al mijn betogen tot op heden heb ik u, mijn chela’s, zover mij dit mogelijk was, inzicht gegeven in de noodzaak en de behoeften van de be­heersing. Laat mij u dan nu spreken over datgene, wat uw beheersing bedreigt.
In alles wat ge beleeft, spelen geestelijke factoren een grote rol. De meeste mensen zijn toch wel zover geestelijk ontwikkeld, dat zij b.v. bepaalde natuurkrachten of zelfs krachten uit bepaalde niet te ver boven de stof liggende sferen voortdurend ondergaan en beleven. Zij zijn dus wat men noemt hiervoor ‘gevoelig’. Deze gevoeligheid wordt soms begrepen, maar heel vaak als een soort afwijking terzijde geschoven. Hoe het ook zij, door deze kwaliteiten ontstaat een wederkerige beïnvloeding van mensen en wezens uit andere sferen en dus ook van andere omstandigheden. Uw leven geeft u elk ogenblik een keuze uit vier of vijf mogelijkheden. Deze mogelijkheden echter zijn niet alle gelijk. Want sommige daarvan hebben een sterke geestelijke voorkeur en wel door de behoeften of wensen of de scheppingsdrang van de geesten, die u kunnen bereiken. Wanneer ge uzelf niet beheerst, dan zult ge dus nimmer kunnen leven volgens uw eigen levenspatroon, maar zult ge voortdurend worden gedwongen als een slachtoffer de weg te gaan, die een ander voor zijn doeleinden juist acht. In uw eigen wereld heeft een dergelijke gang de mensen naar de concentratiekampen gebracht, vrienden. Wilt ge uzelf daartoe lenen, dan zult ge de gevolgen moeten aanvaarden. En die zijn over het algemeen een betrekkelijk lange geestelijke gevangenschap, soms (volgens uw tijd gerekend) vele honderden jaren gebonden zijn aan een bepaalde geestelijke entiteit of groep van entiteiten.
Indien u uzelf meester bent, zo zult ge ongetwijfeld beseffen dat er een bepaalde voorkeur of drang bestaat. Maar ge zult ook weten (en dit is voor u zeer belangrijk!), dat deze impulsen nimmer alleen van uzelf zijn.
De maatstaf, die wordt aangelegd door de beheerste, is dan ook in de eerste plaats: de innerlijke aanvaardbaarheid der prikkels en wel volgens de begrippen van goed en kwaad.
In de tweede plaats: de uiterlijke aanvaardbaarheid in overeenstemming met de geldende zeden en de geldende norm.
In de derde plaats: het nut, dat anderen kunnen hebben van een dergelijke keuze.
Ten vierde zult u zich afvragen: Indien enkele mogelijkheden ongeveer ge­lijkwaardig zijn, welke geeft mij zélf dan de grootste vreugde?
Maar déze vraag komt in de vierde plaats. En daarom zal dus slechts in de vierde plaats een eventuele geestelijke beïnvloeding van buitenaf mee­tellen.
Meester zijn over uw eigen lot is eenvoudiger dan u denkt. Het vraagt slechts een voortdurend nadenken over elke keuze, die in het leven belang­rijk lijkt. Het betekent altijd weer bereid te zijn om eventuele vroegere da­den, woorden of oordelen ongedaan te maken en voor zover het u mogelijk is, op uw schreden terug te keren. Want soms begint met een eenvoudig woord, dat onbelangrijk lijkt, een procedure, die u ten slotte zal voeren tot het vervullen van de wens van een geestelijke groepering, die voor u niet aan­vaardbaar is. Ontdekt ge dat, dan zult ge al die dingen terug moeten ne­men, alle contacten die gelegd zijn, eventueel moeten verbreken en ge zult uw eigen weg moeten gaan.
Ge ziet de eenvoud van deze dingen en ge ziet ongetwijfeld ook de moeilijkheid, die eraan is verbonden. Geen enkel ogenblik zal de bewuste mens zich laten gaan of zich laten drijven door omstandigheden. Hij zal steeds weer tot zichzelf zeggen: Ik moet en ik zal overlegd en beheerst handelen. Heb ik iets aanvaard, dan volbreng ik dit ‑ geestelijk of stoffelijk. Daarna echter zal ik hernieuwd overwegen en aan de hand van deze overwegingen besluiten, hoe ik verder zal handelen. Maar ik zal nimmer een reeks van opeenvolgende daden zonder verdere overdenking volbrengen. Dit is een grote eis.
Een vorige maal heb ik enkele uitspraken van inwijdingsscholen aangehaald en ze u opgegeven. Ik zal u ter voltooiing van dit eenvoudig betoog nog enkele zeer eenvoudige inwijdingsspreuken noemen.

‘Waar de geest gaat, moet de stof leren volgen.’
Uitleg: Uw geest zal heel vaak ver uitgaan boven uw stoffelijke mogelijkheden. Hij zal heel vaak, vooral in de gedachtewereld, door middel van symbolen en dromen maar ook door onbegrepen impulsen u voorspiegelen wat de wereld zou kunnen en misschien moeten zijn. Indien ge deze dingen zonder verweer aanvaardt, bent u gehouden deze hetzij nu in dit stoffelijk leven, hetzij in een geestelijke sfeer of een komend stoffelijk leven te vervullen. Wanneer ge ze aanvaard hebt, zult gij in deze zin aan uw droom niet kunnen ontkomen. Vandaar dat de bewuste mens zich altijd moet realiseren dat de beleving, die hij in de geest opdoet en zijn materiële omstandigheden altijd met elkaar in evenwicht moeten zijn; dat er geen verschuiving van belangrijkheid naar de geest of naar de stof mogelijk is. De tweede spreuk is ook al zeer eenvoudig:

‘Bedenk dat, wie met goden omgaat, goden waardig moet zijn.’ Heel vaak ligt het in het vermogen van de mens naar zeer hoge geesten te reiken en grote geestelijke ervaringen te ondergaan. Vooral als hij zich enigszins beheerst, kan hij dikwijls een herhaling van deze condities en contacten afdwingen. Maar vergeet niet dat het van boven spontaan met u opgenomen contact, dat beheerst wordt verwerkt, iets anders is dan het door u afgedwongen contact. Indien ge dit contact afdwingt, legt het u vele verantwoordelijkheden en verplichtingen op. Daaraan zult ge niet kunnen ontkomen. En al zoudt ge ook maar in één opzicht falen, dan wordt ge niet alleen door de hoge kracht, die ge meende te hebben bereikt, uitgestoten, maar u bent door deze mislukking tevens binnen het bereik gekomen van geestelijke krachten, die strijdig zijn met wat ge verlangt en bedoelt. De tegenwerking die ge op uw pad vindt en de tegenslagen nemen op ontstellende wijze toe.

‘Elk wezen, dat bewust is, dient zijn bewustzijn te maken tot de basis van zijn leven.’
Niet alleen u bent bewust, anderen zijn het ook. Een hond, een kat, een goudvis, een insect, zij alle hebben een bepaalde bewustzijnsvorm. Deze is voor hen de basis van hun bestaan. De rechtvaardigheid, die de beheerste mens kent, zegt hem dat hij hun moet toestaan hun eigen redelijke gedach­tegangen en instincten, ook wanneer zij voor hem niet aanvaardbaar zijn, te volgen. Ditzelfde geldt t.o.v. de onbewuste mens, wanneer de bewuste mens zich met hem bezighoudt. Iedereen heeft het recht om zijn bewustzijn tot basis van zijn leven te maken; en niemand heeft het recht in een der­gelijk geval in te grijpen en er een andere basis voor in de plaats te stel­len.

Ten slotte: ‘Het beheersen van alle krachten van de geest is mogelijk voor hem, die ‑ meester zijnde van zichzelf ‑ de kosmische wet als wapen hanteert.’
Indien u, mijn vrienden, innerlijk op een juiste wijze leeft, nú harmonisch zijnde, ongeacht wat was of wat komt, nú op dit moment harmonisch zijnde en indien u daarbij de grote goddelijke wetten realiseert, die wij meermalen met u hebben besproken, dan zult u reeds alleen op grond van deze wet­ten, van àlle geestelijke krachten van hoog tot laag al datgene kunnen krij­gen, wat voor u redelijk noodzakelijk is.
Wat is voor u een redelijke noodzaak? Indien u, om in uw eigen leven har­monisch te blijven of om te beantwoorden aan uw innerlijke drang tot hande­len, gebaseerd op uw zedelijke overtuiging, handelt op grond van een er­kende geestelijke noodzaak, dan handelt u redelijk, ook als de stoffelijke rede daarbij niet wordt betrokken. Krachtens deze redelijkheid hebt u het recht de bijstand van alle geesten te eisen, zolang ge deze kunt baseren op een kosmische wet.
Eén van de meest bruikbare wetten daartoe is die van evenwicht. Indien ik een evenwicht verstoor, niet in mijzelf maar buiten mijzelf, dan zal er buiten mijzelf een compensatie moeten plaatsvinden. Indien ik mijzelf daartoe leen, zal ikzelf voor deze compensatie gebruikt worden. Op deze wijze zal de beheerste mens door wéloverlegd een evenwichtsverstoring te veroorzaken, zijn eigen belangrijkheid en taak in de kosmos naar eigen inzicht kunnen wijzigen.
Beheersing is belangrijk. Zij is voor u het wapen, waarmee u de gehele wereld van stof en geest kunt overwinnen, uitgezonderd die Ene, die onbegrepen en grote Kracht, die men wel Schepper noemt, maar die in werkelijkheid achter de schepping en de Schepper schuilgaat.
De kosmische werkelijkheid zelf kan nog worden veranderd, want de schepping van een dag (een kosmische dag) kan tijdens een nieuwe kosmische dag worden gewijzigd. Maar de verhouding van uw eigen wezen t.o.v. de grote Kracht, die dit Al draagt, is nimmer te wijzigen.
Er blijft voor mij niet veel meer te zeggen. Ongetwijfeld hebt ge lust om vele vragen over de voorgaande lessen te stellen en misschien hebt ge ook behoefte aan een nadere belichting van sommige problemen. Ik verzoek u dit met mijn opvolger te regelen en mijzelf, mijn leerlingen, voor deze avond verder te verontschuldigen. Ge weet dat, wanneer uwerzijds daartoe behoefte bestaat ‑ ik ben uw leraar, uw goeroe ‑ u op mij een beroep kunt doen. Want het is het recht van de leerling zich op zijn meester te be­roepen. Maar bedenk wel, dat het beroep beheerst moet zijn. Want het on­beheerste beroep kan geen antwoord vinden in een geest, die naar vervol­making streeft.
Ik wens u daarom allen veel innerlijke sterkte, kracht en inzicht.

De werking van harmonische aspecten bij incarnatie

Wanneer een mens incarneert, dan is dit als gevolg van een zekere keus, die hij in de geest heeft gemaakt. Het totaal van zijn leven, dus van alle fasen van zijn stoffelijk en geestelijk bestaan, is echter in zijn geest gegrift. Voor de mens heeft een en ander weinig invloed op zijn bewustzijn. Daar het echter zijn voorkeuren, zijn huidige bewustwordingsmogelijkheden enz. bepaalt, kunnen wij toch stellen dat het totaal van voorgaande levenservaringen in elk leven hernieuwd tot uiting komt. Wanneer wij dit voorstellen volgens de norm ‘de tijd is een vaste waarde’, dan kan worden gezegd: de afmeting tijd vertegenwoordigt in het leven het totaal der mogelijkheden. Elke afwijking, die ergens in de afmeting tijd wordt geconstateerd, kan vanuit elk hoger gelegen punt worden gecompenseerd. (Wij stellen hierbij de tijd voor als een stijgende lijn.) Die compensatie kan echter slechts dan plaatsvinden, als er tussen deze beide punten harmonie bestaat.
Nu zouden wij theoretisch dus het totaal van ons eigen leven (heden, verleden en toekomst) als één geheel moeten kunnen ervaren. Dit doet nl. de bewuste en harmonische geest, die één wordt met het Goddelijke. De door­snee‑mens en ook de doorsnee‑geest is echter nog niet zo ver. Vandaar dat men zijn levensweg voorstelt als een spiraal. Deze spiraal vormt in zich­zelf een gesloten cirkel, zoals u weet, omdat er een voortdurende cirkel­gang is. Alleen wanneer wij tot absolute harmonie met het Goddelijke komen, is ontsnapping uit dit rad van beleving mogelijk en wel door het overzicht van het totaal der belevingen, die als mogelijkheid in de spiraal (in het rad) liggen.
Nu zullen wij ontdekken dat onze persoonlijke tijdsfactor (d.w.z. de wijze, waarop wijzelf bewust worden en het aantal bewustwordingen, dat wij per tijdseenheid kunnen ervaren) mee van belang is voor deze spiraal. Want al­le windingen zijn bij wijze van spreken gelijk, maar wij bewegen ons met een afwisselende snelheid langs deze windingen. Daarbij ontmoeten wij steeds weer een punt, dat precies ligt boven de voorgaande winding en de daarin vastgelegde beleving.
Dan kan worden gesteld dat, wanneer wij ons op het overeenkomstige punt van de spiraal bevinden als dat van een voorgaand of een toekomstig bele­ven, hierin de mogelijkheid zal kunnen bestaan om het voorgaande of het toekomstige beleven aan te voelen, te ervaren en te erkennen. Nu is dit punt dus in de onmiddellijke nabijheid. Maar er is nog meer.
Wanneer u zich aan de binnenkant van de spiraal bevindt en u zou omhoog kijken, dan zou u een ander punt van die spiraal zien, nl. dat wat tegenover u ligt. U zoudt dus door het middelpunt van de cirkel een lijn kunnen trekken, die haar in tweeën verdeelt. Deze lijn noemen wij dan wel: een lijn van harmonie. Wanneer ik mij nl. op dat punt bevind en door mijn instelling harmonisch ben met een voorgaande fase in mijn leven, dan kan ik ook dáár (nl. in het diametraal gelegen punt van de spiraal) een correctie aanbrengen. Omgekeerd zal die harmonie ook in mijn huidig bestaan bewuster en sterker alle waarden projecteren, die uit dit verleden (dus een ander bestaan, een ander leven, een andere sfeer) tot het heden komen. Het gevolg is dat wij dus regelmatig in staat zullen zijn zowel het verleden te herzien als onze eigen mogelijkheden in de toekomst te wijzigen. Dit alles ongeacht het feit dat de weg, die wij afleggen (de spiraal), altijd dezelfde blijft. Wij kunnen echter de harmonische beïnvloeding uit het verleden of de toekomst wijzigen. Wij kunnen gelijktijdig zorgen dat wij in het heden zo weinig mogelijk onopgeloste problemen achterlaten, zo weinig mogelijk onevenwichtigheden in het leven roepen. Het gevolg daarvan zal zijn dat wij ‑ misschien in een toekomstig leven ‑ harmonie zullen kennen met de huidige fase, daardoor rust en vrede krijgen en ook evenwichtig zullen zijn. Het vorige is afgedaan. Zo kan dan elke evenwichtige fase in de plaats treden van het middelpunt.
Het middelpunt is voor ons echter God. Het punt, waarin wij ons met God één kunnen denken. Op deze wijze kun je door deze harmonie dus stellen: Daar ik harmonisch ben met fasen uit het mij bekénde leven (b.v. door een herhaling van gelijke toestanden of feiten), ben ik een slag van de spiraal verder gekomen. Als ik echter word beïnvloed door waarden, die weliswaar harmonisch met mij zijn, maar die ik in dit leven nog niet op deze wijze heb leren kennen, mag ik stellen dat ik in harmonie ben met een an­der, mij thans niet bekend deel van mijn leven of met een incarnatie uit het verleden, als u dat liever zegt.
De onevenwichtigheden, die in deze vorige incarnaties ontstonden, kan ik nu compenseren, want zij vormen thans een evenwichtsverstoring. Wanneer ik hier echter mijn evenwicht hervind, heb ik daardoor de storende invloed opgeheven en tevens door de herwonnen harmonie de storing in het vorige bestaan terug gedwongen tot evenwichtigheid.
Ten slotte kan worden opgemerkt dat het dus zeer belangrijk is deze harmonische aspecten in het eigen leven voortdurend te benutten. Het is moeilijk ze precies te herkennen. U zult niet altijd weten waarom deze invloeden nu precies optreden en uit welk leven zij eventueel afkomstig zijn. Wel weet u dat het voortdurend van belang is in dit leven alle invloeden te harmoniseren, zowel wanneer zij uit uw onmiddellijk kenbaar verleden zijn ontstaan dan wel door een vreemde invloed van buiten. Want in alle gevallen zult u ‑ dank zij de harmonische aspecten ‑ in staat zijn het verleden zo te corrigeren, dat voor uzelf volkomen evenwichtigheid bestaat.
Indien wij stellen dat alle windingen van de spiraal op zichzelf volledig evenwichtig zijn, dan is daarbinnen geen uiting en geen beleving meer, wat betekent dat zelfs wanneer wij voordien door een bijzondere weg of inwijding niet in staat zijn geweest rechtstreeks in harmonie met het Goddelijke te komen, wij toch door het volledig evenwichtig maken van alle fasen van ons bestaan in de daadloosheid het Goddelijke zullen beseffen en uit de grote spiraal van gebeurtenissen zullen kunnen terugkeren tot het tijdloze, waarin het geheel kan worden overzien.

Tweelingzielen

Wanneer wij het woord tweelingziel gebruiken, stelt men zich over het algemeen iets voor als twee helften, b.v. van een bol, die elkaar volkomen aanvullen. Men denkt dus: wij zijn een feitelijke eenheid en zijn b.v. alleen in de stof tijdelijk gescheiden. Dit nu is een volkomen onjuiste opvatting. Een dergelijke tweelingziel bestaat niet. Er bestaat voor niemand een ziel, die speciaal hem/haar volledig en geheel aanvult. Wel is het zo dat, wanneer ons eigen bewustzijn een bepaald peil heeft bereikt, wij in een andere mens een aanvulling van dat bewustzijn kunnen vinden.
Wanneer twee wezens met een ongeveer gelijk bewustzijn beginnen elkaar aan te vullen, dan krijgen zij daardoor tezamen een vermogen, dat groter is dan dat, wat elk van hen bezat en soms zelfs een capaciteit, die groter is dan beiden tezamen zonder deze harmonie zouden bezitten. Er ontstaat dan zo een soort twee‑eenheid, welke men ‘tweelingziel’ pleegt te noemen.
Ik wil er met nadruk op wijzen dat er voor elke mens op een bepaald ogenblik misschien 100 of zelfs 1000 tweelingzielen op de aarde en in de na aan de aarde verwante sferen te vinden zijn. Er kan echter ook worden gezegd dat, als een dergelijke eenheid eenmaal met goed gevolg is gevormd, zij niet meer wordt verbroken. Dan blijft men elkaar dus aanvullen, ongeacht het feit of één van de partners in de sferen is en de ander in de stof, beiden in verschillende sferen zijn of beiden b.v. door afstand en misschien zelfs ook wel door tijd in de stof levend van elkaar zijn gescheiden. Dit contact blijft voortbestaan.
Nu komt er een ogenblik dat deze twee‑eenheid geestelijk tegenover de buitenwereld als eenheid kan optreden. Van dit ogenblik af is het mogelijk dat zij een andere soortgelijke eenheid aantrekt, waardoor wederom een vergroting van totale vermogen wordt verkregen en ook weer ‑ zoals zo-even reeds werd gesteld ‑ misschien een capaciteit tot begrip, bereiking, ontwikkeling en bewustwording, welke groter is dan die, welke elk van de partners of elk der tweeling‑eenheden afzonderlijk bezit. Dan kunnen ook dezen zich weer samenvoegen.
Wanneer wij nu een groot aantal van die tweelingzielen zien samenwerken (ik gebruik die term nu maar), dan ontstaat heel vaak wat wij noemen: een geestelijke bond of orde. Hierin werken nl. een groot aantal entiteiten samen, die dank zij deze samenwerking ‑ ongeacht de beperkingen, die deze ongetwijfeld meebrengt ‑ naar buiten meer kunnen presteren, sneller bewust kunnen worden, groter hulp aan anderen kunnen geven en ook van anderen kunnen ontvangen, dan zonder deze band mogelijk zou zijn. Opvallend is dat bij een dergelijke eenheid elk van de partners de eigen persoonlijkheid volledig behoudt; dat die persoonlijkheid binnen het verband volledig geuit blijft, maar dat zij naar buiten toe niet meer bestaat en alleen wordt gebruikt als een aspect van de totale persoonlijkheid.
Zo is dus een tweelingziel het begin van een geestelijke samengestelde eenheid, die wij in een andere vorm vinden, b.v. bij de gedachte aan de bouw van een geestelijke tempel of van een geestelijke zuil of levensboom. Ook hier geldt hetzelfde: uit de vele bestanddelen, op de juiste wijze elkaar aanvullend en ondersteunend, komt iets tot stand, wat elk voor zich nooit had kunnen zijn of worden, maar waarvan hij de vruchten plukt door zijn deelgenootschap van de gemeenschap.
En ik mag er misschien nog aan toevoegen dat het juist dit is, wat Jezus bedoelt met het Koninkrijk Gods en ook de aanleiding is tot zijn frasering in het Onze Vader: ‘dat Uw Koninkrijk werkelijkheid worde’ of ‘kome in de hemelen zowel als op aarde’. Overal dus eenheid. Eenheid tussen de hoogste geest en de laagste stof. Een perfecte eenheid, waarbij de volmaaktheid zich in elk deel daarvan kan uiten.

Consequentie

Consequentie is een noodzakelijk gevolg. Het is iets, wat je leven altijd weer beheerst. Want al wat je doet, heeft zijn consequenties, zijn gevolgen; ook dat, wat je nalaat.
Voor ons worden de consequenties pas belangrijk, als wij uitgaan van de gedachte: Ik leef en streef bewust. Want door bewust te handelen zal ik een aantal gevolgen veroorzaken, die ik niet geheel kan overzien. Maar dit onoverzienbare is het logische deel van mijn daad.
Wanneer ik zeg: “Ik streef naar God boven alle dingen”, dan is daarvan een logische consequentie dat ik al wat niet op God betrekking heeft, terzijde stel, of dit nu aangenaam is of pijnlijk. Dan zal ik alles, wat daaruit voortkomt, moeten aanvaarden, moeten ondergaan en zonder protest.
De consequentie is iets, wat je in zekere zin zelf kunt veroorzaken, want alleen in die zin is het woord voor ons belangrijk.
Je kiest in het leven. Als mens, als geest kies je een bepaalde weg.
Het is je behoefte, je angst, misschien je dwaasheid, die je een bepaalde keuze oplegt. Je neemt zelf een besluit. Indien dit eenmaal is genomen, moet je ten koste van alles de gevolgen ervan aanvaarden. Wie zich tegen de consequentie van een bepaalde daad, instelling of gedachte verzet, dient te begrijpen dat hij daarmee ook de oorspronkelijke daad en gedachte teniet doet.
Er zijn in het leven heel wat meer consequenties te trekken dan de mens gaarne ziet. Want, vrienden, in stof en in geest, in leven en in dood, zijn alle dingen met elkaar verbonden. Een keuze van de weg op één punt bepaalt voor een groot gedeelte de verdere weg. Wij kunnen op deze weg nimmer terugkeren. Wel kunnen wij ‑ beseffend welke de consequenties van onze handelingen zijn ‑ trachten om de betekenis voor anderen te wijzigen, maar verder kunnen wij niet gaan. Wij moeten voortgaan op het pad, dat wij inslaan.
Wie de consequenties aanvaardt van het leven in God, het innerlijk beheerste streven naar waarheid, die zal zich natuurlijk in de eerste plaats voornemen dat hij ten koste van alles zal voorkomen, dat één van zijn handelingen of daden een medemens of een levende geest zou kunnen schaden. Door dit te stellen, is men gehouden in zichzelf en in eigen leven en denken al datgene achterwege te laten, wat men als schadelijk voor een ander erkent.
Consequent zijn betekent: wanneer je eenmaal de eerste daad hebt gesteld, niet aarzelen om verder te gaan, zolang het slagen en het te bereiken doel aanvaardbaar blijven.
Consequent zijn wil ook zeggen: zonder je af te vragen wat het je kost of wat het voor je betekent, datgene doen, wat volgens je eigen beste weten in overeenstemming is met het hoogste bewustzijn, dat je in je draagt.
U hebt mij als onderwerp ‘consequentie’ gesteld. Ik geloof in God. De consequentie daarvan is dat ik God aanwezig acht en stel bij al mijn daden. Ik geloof in een liefdevolle God. De consequentie is dat ik met vol vertrouwen een beroep op die God zal doen, wanneer het noodzakelijk is, zonder ooit te menen dat het noodzakelijke mij geweigerd zal worden. Ik geloof in een liefdevolle God en Schepper, die de volmaaktheid reeds heeft geschapen. De consequentie daarvan is dat, wanneer er in mijn leven iets onvolmaakt is, de onvolmaaktheid uit mij en niet uit de schepping of de Schepper voortvloeit. Dat de fout, die gemaakt wordt, de mijne is en nimmer die van een ander. Mijn instelling, juist gekozen en mijn leven, juist gevoerd en geleid, betekent harmonie. Onjuist zijn betekent disharmonie. En dit is de consequentie.
Maar ge kunt meer stellen. En dan wil ik weer van een geloofsstelling uitgaan.
Ik geloof in een almachtige God, Schepper van volmaaktheid, Vader vol van liefde, in stand houdende het totaal van het Zijnde. En in Zijn kracht, als geopenbaard door Zijn engelen en alle geesten, die Hij in Zijn licht tot bewustzijn van Zijn wezen brengt.
Ik geloof dat deze krachten te allen tijde, in welke wereld of sfeer en in welke omstandigheden ik mij ook zal bevinden, mij zullen antwoorden, wanneer ik mij beroep op die God. Dan is de consequentie dat ik leef in vol vertrouwen, zonder mij af te vragen: Wat is redelijk, aanvaardbaar of niet aanvaardbaar? Maar wel mij afvragende: Is wat ik doe juist of niet? En handelende in overeenstemming met wat ik juist acht te zeggen: “Zie, mijn God, ik handel naar mijn beste weten. Het verdere is Uw zaak. Ik zal aanvaarden, wat Uw besluit is.”
Wie zo consequent durft zijn en zo eerlijk tegenover zichzelf, zijn God en de wereld, zal daaruit niet alleen een rechtlijnigheid van denken en leven verwerven maar ongetwijfeld ook een steeds sterkere band met de werkelijke Godheid verkrijgen. Want de consequentie van zulk een leven, denken en streven is onveranderlijk dat, door de veelvuldige openbaring van de goddelijke Kracht Zelf en de vrijwillige aanvaarding van die Kracht door ons wezen, God Zich in ons wezen sterker en meer kenbaar openbaart en ons steeds beter in staat zal stellen om juist te leven.