Het behoud van trillingen der levende wezens in dode voorwerpen

SVGZ – 1 juni 1962

Dit is een verschijnsel, waar vele van de parapsychologische verschijnselen direct mee in verband staan. Wanneer u in een huis komt, waarin u een zekere sfeer bemerkt, zo blijkt soms, dat deze sfeer behouden blijft, al staat in het gehele huis geen enkel meubel. Zo zijn er voorwerpen, die u onaangenaam aan kunnen doen, zonder dat daarvoor een kenbare reden bestaat. Andere voorwerpen trekken u en doen u aangenaam aan, zelfs al de eerste maal, dat u deze ziet of aanraakt. Wij kennen het verschijnsel van de z.g. psychometrist, die toch werkelijk de psyche niet kan meten en daarom beter paragnost genoemd kan worden. Hij leest via de uitstraling van z.g. dode voorwerpen vele gebeurtenissen uit het verleden af. Natuurlijk zullen bij vele dergelijke prestaties een zekere mensenkennis en een zekere handigheid even eens een rol spelen. Maar aan de andere kant blijkt toch, dat proefpersonen aan de hand van voorwerpen, die niet door de dragers of eigenaars werden overhandigd, vaak vele juiste feiten af konden lezen. Hieruit blijkt m.i. wel dat door de materie onder omstandigheden iets wordt geabsorbeerd van de dragers enz. Dit dienen wij nu nader te omschrijven. Elk menselijk denken en elke menselijke emotie verwekt in en rond deze mens een zekere beroering. Gedachten treden daardoor ook a.h.w. buiten het lichaam als werkzame krachten op.

Een emotie kan, blijkens proeven en onderzoek, onder omstandigheden over een zeer grote afstand op anderen worden overgedragen. Tijdens het denken en beleven van emoties verwekt de mens iets, dat wij – bij gebrek aan beter – een trilling zullen noemen. Ter wille van de nauwkeurigheid voeg ik hier aan toe, dat wij niet alleen maar met een trilling te maken hebben. Dit kan ten hoogste worden gezien als een frequentie-aanduiding. De eigenlijke werking komt overeen met de emissie van een veld door de mens met een onregelmatige en wisselende karakteristiek. Gemakshalve houden wij ons aan de omschrijving: trilling. Wanneer nu een trilling van redelijk hoge frequentie door een mens wordt uitgestraald, zal deze opgenomen worden door elk voorwerp, door alle materie. Wanneer een trilling hoog genoeg is – dus de golf kort genoeg, het veld fijn genoeg van lijn – zal deze door kunnen dringen in de intermoleculaire ruimten, de interatomaire ruimten en zelfs in de ruimten tussen de verschillende delen van een atoom.

Deze kleinste delen hangen samen door krachten, die eveneens met een veld vergeleken kunnen worden. Denk hierbij vergelijkend aan een zonnestelsel. De massa van de zon en de planeten, de baansnelheid van de planeten rond de zon, plus de eigen beweging van die zon, tezamen met de verschillen in baan rond de zon van de verschillende planeten tezamen, bepalen o.m. de zwaartekrachtverhoudingen en de binding van de planeten aan de ster. Is het evenwicht verstoord, zodat de krachten van de zon te groot worden, zo zal de planeet in de zon storten via een spiraal baan. Is de eigen snelheid en massa van een planeet te groot, zodat een verstoring van evenwicht plaats vindt, zal die planeet onvermijdelijk de ruimte ingeslingerd worden. Het is niet voldoende zich de band tussen sterren en planeten voor te stellen als bv. een reeks van touwtjes. De band dient te worden uitgedrukt als een vorm van energie, ontstaande uit elkaar kruisende zwaartekracht en magnetische velden, waarin parabolische lijnen ontstaan, die het geheel van planeet en ster omhullen, soms tot een gesloten veld met ovale karakteristiek wordende. Om het eenvoudig te maken: de aarde heeft een eigen magnetisch veld. Stel u voor, dat een soortgelijk veld voortkomt uit planeten en zon, waardoor dus geheel het zonnestelsel een eigen magnetisch veld heeft. Wij kunnen aannemen, dat tot zover een redelijke gelijkenis aanwezig is tussen de werkingen binnen een zonnestelsel en een atoom. Nu is de kracht van een gedachte, in verhouding tot de krachten, die werken binnen een atoom, zó groot, dat zij vergeleken kan worden met bv. een lichaam van de grootte van de maan, dat binnendringt in het zonnestelsel en zich naar de zon stort. Wanneer massa en snelheid groot genoeg zijn, zal door een dergelijk indringend lichaam geheel de samenhang binnen het zonnestelsel verstoord kunnen worden, zodat baansveranderingen voor de planeten onvermijdelijk zijn. Indien de gedachte intens genoeg is, zal zij dus wijzigingen aan kunnen brengen in de kleinste delen van de materie. Indien de optredende kracht zó groot is, dat zij evenredig de bestaande ver- houdingen kan wijzigen – wat zelden voor komt – zien wij verschijnselen, die bekend zijn geworden onder de namen “dematerialisatie” en “rematerialisatie”. De kleinere kracht zal naar buiten toe geen kenbare verschijnselen veroorzaken, maar toch in de binnen de kleinste delen bestaande verhoudingen een verstoring of verandering teweeg kunnen brengen.

In vele gevallen brengt de gedachte niet veel meer tot stand dan een geringe baanverschuiving, waardoor de omloop van een enkel elektron rond de kern gewijzigd wordt. Sterke emoties hebben de neiging om eerder de verhoudingen – of onderlinge afstanden – te wijzigen in de kern, waarbij een geringe verandering ontstaan kan tussen de neutronen, positronen e.a. delen van de kern. Indien dit evenwicht eenmaal verstoord is, zal naar buiten toe daarvan niets merkbaar zijn. Toch is het eigen evenwicht van een dergelijk deeltje gewijzigd. Iemand, die daarvoor gevoelig is, bemerkt deze afwijking. Dan kunnen wij stellen, dat de door een levend wezen uitgestraalde gedachtetrilling op deze wijze blijvend of tenminste redelijk duurzaam binnen de dode materie is vastgelegd. De dode materie op zich heeft met het verschijnsel verder niets te maken. Er is een vreemde kracht binnen gedrongen, waardoor een geringe verandering van het wezen der materie werd veroorzaakt. Basta! Deze verandering zal naar buiten toe niet kenbaar zijn. Alleen een helderziende, die voor de eigen uitstraling van materie gevoelig is, zal dergelijke afwijkingen wel eens waar kunnen nemen. Iemand dus, die zijn gevoeligheid voor dergelijke trillingen om pleegt te zetten in een visueel beeld. Iemand, die een voorwerp vast pakt, dat geladen is, zal binnen de eigen aura deze afwijking van het normale gemakkelijker opnemen en dus de “trilling” aanvoelen. Deze trillingen komen overeen met trillingen, die binnen de hersenen “gedachten” heten. De mogelijkheden zijn 10x en lopen dus uiteen van honderden of duizenden wijzigingen, tot ongetelde miljoenen. Slechts enkele van deze wijzigingen hebben een groot aantal kleinste delen beïnvloed en zijn daardoor bijzonder sterk kenbaar. Hieruit volgt, dat vele kleine impulsen, tegengericht aan een z.g. sterke of grote impuls binnen de materie, deze kunnen verzwakken.

Omgekeerd zullen vele gelijksoortige impulsen gezamenlijk een zeer sterk kenbare trilling binnen de materie veroorzaken en daarmee een wel zeer duidelijk kenbaar en afleesbaar beeld doen ontstaan. Bij de z.g. psychometrie hebben wij dan ook te maken met impulsen binnen de materie, die overeenkomen met de gedachtefrequenties van de mens en zo sterk zijn, dat zij door een gevoelige mens kunnen worden afgelezen – dus weer tot gedachten binnen het Ik gemaakt kunnen worden. Dit “aflezen” kan op vele verschillende wijzen plaats vinden. U zult allen wel eens opgemerkt hebben, dat de ene psychometrist er de voorkeur aan geeft een voorwerp tegen het hoofd aan te drukken, wanneer het beeld niet duidelijk genoeg blijkt te zijn. Een ander zal het voor de borst houden, weer een ander zal het eerder voor de zonnevlecht houden. Elk van hen zoekt op die wijze het voorwerp in contact te brengen met dat deel van eigen wezen, of binnen dát deel van eigen aura te brengen, waarin de uitstraling het eenvoudigst en gemakkelijkst afleesbaar zullen zijn. Er ontstaat door de inwerking van het voorwerp een inductieve afwijking van eigen normale zenuwimpulsen. Door concentratie, die in feite een uitsluiten betekent van de rest van de wereld en het merendeel van eigen emoties en ervaringen, zal de op zich zwakke impuls van het voorwerp toch duidelijk binnen eigen wezen en denken kenbaar worden. Dan is er nog niet noodzakelijkerwijze een redelijk beeld. Ook is er nog geen sprake van een geheel herleven van hetgeen eens de impuls in het voorwerp legde. Eerder is er sprake van een wekken van reeds bestaande herinneringen en beelden, die binnen de hersenen van de ontvanger reeds aanwezig zijn. Dit betekent, dat de voorkeur van een psychometrist in zijn aflezen van voorwerpen sterk tot uiting pleegt te komen. Zo zijn er begaafden, die bij het aflezen van elk voorwerp trachten daarin enig oosters motief te vinden. Anderen geven de voorkeur aan Egyptische waarden en plegen Egyptische symbolen te noemen. Degenen, die innerlijk een grote aandacht en voorkeur hebben voor het heilige zullen in elk voorwerp in de eerste plaats een verbinding met iets heiligs zoeken. Dus: de aflezer zal steeds en in de eerste plaats zoeken naar een interpretatie, die met eigen wezen en denken zoveel mogelijk harmonisch is.

Wanneer bovendien in de buitenwereld door geluiden, gedrag van mensen, enige suggestie op de proefpersoon wordt uitgeoefend, blijken, de impulsen in geheel andere volgorde en interpretatie naar buiten te komen, dan zij eens in het voorwerp werden vastgelegd. Er zijn zeer vele mensen, die aannemen, dat het z.g. psychometreren altijd onzin is, terwijl anderen daarin altijd de volle waarheid willen zien. Indien van bedrog geen sprake is, zal altijd een werkelijk aflezen van invloeden, die binnen de dode materie worden vastgelegd, plaats vinden. Op de interpretatie en uitbeelding daarvan kunnen eigen voorkeur, denkwijze en neiging, evenals evt. suggesties van buiten af, een zeer grote invloed uitoefenen. De toestand van concentratie, die op een bepaald ogenblik bereikt kan worden, heeft eveneens zeer veel te maken met het al dan niet afleesbaar zijn van de invloeden, die in een voorwerp werden vastgelegd.

In Engeland, zijn – zoals u weet – vele bekende spoken. Zelfs zoveel, dat men wel eens veronderstelt, dat daar reeds een vakbond van spoken gesticht zou zijn. Ofschoon deze spoken ook wel gezien worden door gewone mensen, blijkt toch, dat zij niet zichtbaar of kenbaar worden, wanneer niet ergens in de buurt een sensitief mens aanwezig is. Het paranormaal verschijnsel treedt alleen op, wanneer iemand van voldoende gevoeligheid in de omgeving aanwezig is. Aangenomen kan dan ook worden, dat de gevoelige mens vanuit zich de in de dode steen vastgelegde impulsen een – zij het tijdelijke – belichaming verstrekt. Eigenaardig is verder, dat, wanneer wij op de gegeven beschrijvingen af moeten gaan, de spoken niet altijd en in detail overeenstemmen met de gebeurtenis, die de oorzaak van hun ontstaan werd, terwijl soms details voorkomen, die kennelijk uit een veel latere tijd stammen, dan het spook zelf.

In de buurt van Dundee is een spook, dat eens in een kamer van minnesmart gestorven zou zijn. Nu gaat het – naar men zegt – elke avond met het eigen bloedig hart in de handen door de lege gangen en galmende slotzalen heen, krijtende om zijn geliefde. Nu zal de ridder in kwestie er heus nooit aan hebben gedacht zijn hart in de handen te nemen. In de eerste plaats is een dergelijk ingrijpen niet bevorderlijk voor de mogelijkheid bij leven, dit hart in de handen te nemen. In de tweede plaats blijkt uit enkele oude slotkronieken wel, dat de onfortuinlijke minnaar het leven te lief had, om een dergelijke zelfmoord als redelijk aan te nemen. Het feit blijft bestaan, dat deze ridder in het slot, compleet met bloedend hart in de handen, is waargenomen. Overigens verschijnt hij alleen in bepaalde omstandigheden. Volgens het geloof in de omgeving kondigt hij iets aan, maar zijn gestalte stamt niet overeen met hetgeen wij omtrent hem hadden kunnen verwachten op grond van de beschikbare gegevens en de beelden van hem – tekening en schilderij – die uit zijn tijd zijn overgeleverd. Het gezicht, dat gezien werd bij zijn verschijnen, bleek wel overeen te stemmen met deze afbeeldingen en een herkennen van de persoon van het spook mogelijk te maken voor mensen, die nog nooit bedoelde platen en schilderijen hadden gezien.

De gelijkenis is er dus wel. Men kan zich afvragen, of het de ongelukkige minnaar zelf misschien is, die hier spookt. Dit is echter niet het geval. Wij kunnen als zeker stellen, dat in de betreffende kamer door deze man een periode van grote emotionele spanningen doorgemaakt is. Deze emotionele storing, als gevolg hebbende een zeer intens en eentonig gedachtebeeld, was een bombardement, dat doordrong in alles in de omgeving, zeker ook in de oude muren. Een gevoelig mens zal een deel van deze uitstralingen en daarmee ook ongetwijfeld een deel van de in de Ik-realisatie van deze minnaar terug kunnen lezen. Er kan dus inderdaad een beeld ontstaan. De “aankondiging van onheil” is hiermee nog niet verklaard.

Nu blijkt, dat in dit oude kasteel – in feite een jachthuis – vele familiebijeenkomsten werden gehouden door de oorspronkelijke eigenaars. Deze familiebijeenkomsten, vaak druk bezocht, brachten vele malen geschillen omtrent bezit enz. met zich, die dan weer gevolgd werden door het ontijdig verscheiden van een van de familieleden. Vergeet niet, dat voor enkele eeuwen dergelijke betreurenswaardige voorvallen werden beschouwd als een redelijk middel om een erfenis en daarmee een redelijk inkomen te verwerven.

De overlevering omtrent de “aankondiging” is waarschijnlijk als volgt ontstaan: Een familiebijeenkomst bracht vele mensen, waaronder ongetwijfeld ook meer sensitieven, samen in het huis, waardoor een van hen in of nabij de bewuste kamer overnachtte. Deze droomde van de ridder, of – in enkele gevallen – maakte het verschijnen van het spook mogelijk. Dit verhaal deed onder het personeel de ronde. Wanneer men nu later hoorde van het “ongeluk”, of het “plotseling” overlijden, zo werd natuurlijk al snel gezegd, dat deze gebeurtenis door de verschijning was aangekondigd. Niet juist, maar in ieder geval begrijpelijk, vooral bij bijgelovige mensen. Deze gedachte, levende in geheel de omgeving, wordt op zich een suggestieve kracht, die bovendien – gezien de paniek bij het waarnemen van de verschijning – ook in de dode materie van het kasteel en omgeving vastgelegd zal zijn. Daarmee zal een voorgevoel van onheil, een weten omtrent de aanstaande dood enz. een versterking betekenen van de verschijning.

Vergeet niet, dat meerdere honderden jaren deze angsten en gedachten in en rond het slot worden uitgestraald. Dan mogen wij stellen, dat in het genoemde geval niet alleen oorspronkelijk de mogelijkheid tot verschijning van het spook via gedachte uitstralingen in de dode materie werd vastgelegd, maar verder, dat door vele en gedurende lange tijd steeds weer herhaalde gedachten van dienaren en bewoners dit beeld vervalst hebben en daaraan consequenties verbonden, die van het oorspronkelijk ingelegde beeld geen deel uitmaken.

Ik nam een onbekend spook als voorbeeld, maar wij kennen in Engeland andere soortgelijke spookverschijningen, als bv. de Witte Vrouw e.a. In al deze gevallen kunnen wij stellen, dat er geen sprake is van een werkelijke geest, die verschijnt, maar van een menselijke gedachte, die onder omstandigheden vanuit de stof, waarin zij werd vastgelegd, weer kenbaar kan worden.

Dan is er ook geen sprake van, dat deze beelden een feitelijke situatie weergeven en een werkelijke persoonlijkheid tonen, maar moet worden gesteld, dat het gedachten zijn, die ken- baar worden, gedachten, die vaak van de oorspronkelijke persoon en het oorspronkelijke gebeuren maar zeer weinig hebben overgelaten. Teruggebracht tot de eenvoudigste verklaring: Een woning neemt de gedachten, emoties enz. op van de mensen, die er regelmatig in vertoeven. Vandaar ook, dat zovele oude gebouwen een bijzondere en geheel eigen sfeer hebben, u kunt dit – indien u wenst – op vele wijzen vaststellen, maar de eenvoudigste is misschien wel: Wanneer u op vakantie gaat en u ziet ergens een oud kerkje staan – bv. in oud romaanse stijl, of oude Normandische bouw – dan moet u eens naar binnen gaan. U behoeft dan aan niets te geloven en u behoeft niets in het bijzonder te denken. Ga binnen en wandel rond. Dat kerkje heeft dan bijna zeker een eigenaardige sfeer. Het is, alsof de lucht er dichter is, of er rond u iets trilt, of ogen naar u zien. Ga daarna een moderne kerk in en stel vast, hoe groot het verschil in sfeer is. In het oude kerkje was meer sfeer; de nieuwe kerk kan de invloed van eeuwen niet weergeven, hoe vroom ook de gelovigen zijn, hoe schoon en goed alles ook is, wat er zich in bevindt. In de oude kerk bestaat een door eeuwen van menselijke vroomheid en gebeden gevormde spanning, waar niets tegenop kan. Plechtigheden, gebeden, emoties hebben het geheel van het oude bouwwerk verzadigd met trillingen van menselijke emoties, zodat een mens, die ook maar enigszins gevoelig is, zich aan de inwerking daarvan niet meer kan onttrekken en door de sfeer wordt meegesleept tot een beleving.

De doorsnee mens weet zelf niet, wat hem roert, wat hij eigenlijk ondergaat. Misschien denkt hij wel, dat het vroomheid is, of dat het kerkje zelf deze invloed uitoefent door zijn vorm en sfeer. Maar het kerkje is maar dode steen. Het is de uitstraling van levende wezens, door de dode materie zonder besef geabsorbeerd, die de werkelijke ontroering schept. Met de voorgaande beelden heb ik u reeds duidelijk gemaakt, wat ik bedoel in feite, wanneer ik spreek over uitstralingen van levende wezens, die door de dode stof worden opgenomen. Tot nu toe spraken wij alleen over voorwerpen en huizen, waarin zonder intentie bepaalde invloeden van het menselijk denken waren vastgelegd. Wanneer wij weten, wat deze werking inhoudt, kunnen wij ook bewust in de voorwerpen in onze omgeving, of zelfs in een bepaald voorwerp onze gedachten vastleggen. Wanneer ik een voorwerp heb, dat ik associeer met goedheid, met licht, met God, dan wordt op den duur dit voorwerp daardoor gewijzigd. Het reflecteert alles, wat wij er in hebben vastgelegd. Wanneer ik – of een ander – in de nabijheid van het voorwerp komt, zo zal mijn gehele wezen beïnvloed worden. Ik zal lichtender, vrijer en vreugdiger zijn. Een dergelijk voorwerp zal zelfs iemand in diepe wanhoop er toe kunnen brengen toch weer even te denken aan Goddelijke liefde en lichtende kracht.

Het tegengestelde is evenzeer mogelijk. Wanneer ik in een voorwerp steeds weer de meest duivelse gedachten, mijn haat, mijn frustratie neerleg, heb ik eveneens iets geschapen, dat deze invloeden naar de omgeving uitstralen kan. Een mens, die onbewust door de invloed van een dergelijk voorwerp besprongen wordt, zal zich meegetrokken voelen in een gedachte- richting, die niet zijn eigene is. Een gevoelig mens kan hiervan snel het slachtoffer worden, tenzij hij zich realiseert, wat er gebeurt. In de magie, zelfs in de meest primitieve magie, zullen wij dergelijke – met gedachtekracht geladen – voorwerpen vaak ontmoeten. Wij krijgen te maken met afgodsbeelden, amuletten, heilige zegels enz., waarvan wel degelijk een invloed uitgaat. De leek zal zich afvragen, wat er nu eigenlijk wel als oorzaak van die invloed moet worden gezien en grijpt al snel naar duivels, engelen, geesten enz., om zijn beïnvloeding te rationaliseren.

De oude magiërs gingen van de volgende stelling uit: Wanneer ik voldoende gedachtekracht in een stuk dode materie door kan doen dringen, zo zal het door mijn gedachten bezield worden…. Nu is de bezieling van dode materie zeker binnen de magie niet onmogelijk, maar dit is afhankelijk van de amulet, waarop de materie eerst gehergroepeerd, wordt en beïnvloed wordt. Wanneer een heidense priester een altaar heeft, waarop een Godsbeeld staat, waaraan hij mens na mens offert, zo zal de wanhoop van de slachtoffers, zowel als de verwachting van Goddelijke gunsten – of eeuwige zaligheid – aan altaar en beeld een bijzondere geaardheid geven. Een gevoelig mens zal deze – vaak onderling zeer strijdige – impulsen kunnen aan- voelen. De altaartafel, het Godenbeeld, spreken tot hem. Voor de mens van heden is het resultaat meestal een gevoel van onbehagen, een vrees, dat de oude demonische krachten weer tot werkelijkheid zullen worden. Wanneer men in Stonehenge komt, zal menigeen gegrepen worden door een zonderlinge beklemming. Onbewust ondergaat men dan de invloed van de oude gedachten en herleeft in het eigen denken, zij het niet meer als een aanvaardbaar beeld, de oude druïden en hun offers. Eenzelfde beklemming gaat uit van de z.g. bijlringen, die men in Frankrijk aan kan treffen.

Wanneer men deze plaatsen bv. bij nacht bezoekt, onder ongeveer gelijke omstandigheden van sfeer en maanstand, als eens de offers werden gebracht, zal men afgestemd zijn en de inwerkingen met veel grotere intensiteit ondergaan. Nu is de waarde, die in de omgeving is vastgelegd, een gedachteweerkaatsing, die dus ook door de geest kan worden afgelezen. Het is dan ook mogelijk, dat minder goede geesten zich aan een dergelijke omgeving hechten. Zijn de waarden, die in de materie werden vastgelegd, dan wordt het zelfs mogelijk, dat een tempel, ring enz., tot een belichaming wordt van een boze geest, een demon, of een duivel, die in en vanuit deze – op zich dode – stof de mogelijkheid vindt bewuste wezens in de stof te beïnvloeden en zo zich ook meer materieel uit te leven.

Het inleggen van waarden in de materie door middel van gedachtekracht kan dan ook geschieden in de richting van het lichte, zowel als op basis van het duister. Een magiër zendt soms een z.g. vloek. Wanneer wij de procedure nagaan, zo blijkt ons, dat de kracht van de vloek schuil gaat in een bepaald voorwerp, in de materie en vandaar uit verder in de wereld tot uiting komt. Bij voodoo – de halfgodsdienstige magie – die vooral op Haïti zeer sterk vertegenwoordigd is, maar ook in Suriname macht heeft zendt de magiër iemand een geschenk, of verbergt, begraaft, plaatst, een magisch geladen voorwerp in de buurt van degene, die hij zijn vloek zendt. In Indonesië treffen wij de goena-goena aan. Ook daar blijken stoffelijke voorwerpen, – bv. als geschenk gegeven – als dragers van geestelijke krachten te fungeren. Bij de zwart-magische praktijken krijgen wij te maken met voorwerpen, die begraven worden. Deze voorwerpen hebben in zich reeds symbolische betekenis, maar worden bovendien door bepaalde rituelen en sterke concentratie op juiste trillingen afgestemd. Vaak begraaft men deze onder de drempel, of onder het terras van de woning van degene, die men wil treffen.

Hetgeen ik stel, maakt reeds lange tijd deel uit van de occulte kennis van de mens en zelfs primitieve magiërs weten reeds, dat zij voorwerpen kunnen “laden” met gedachten, zelfs indien de werkelijke betekenis van hun handelwijze, de wijziging, die in de materie tot stand wordt gebracht, hen ontgaat. De uitwerking van deze primitieve methoden is vaak zeer groot. Indien men niet weet, dat men beïnvloed wordt, maar voortdurend bloot is gesteld aan de inwerking, de reflex en vanuit een met gedachtekracht verzadigd voorwerp, zo kan het eigen denken monomaan worden. Beseft men nog niet, wat er gebeurt, dan zal men zich op den duur niet meer aan de eeuwige cirkelgang van de gedachten kunnen onttrekken. Deze gedachten hebben wederom hun invloed op het lichaam.

Wanneer u een huis heeft, voorwerpen, die u steeds in uw nabijheid wilt hebben, omdat zij u dierbaar zijn, draag er zorg voor, dat uw gedachten steeds zonnig en lichtend zijn. Denk regelmatig aan hogere lichtende krachten en waarden. Doe, wat u wilt, maar trek nimmer uw emoties of gedachten neer tot een laag peil. Op het ogenblik, dat u denkt en handelt, laadt u immers ook de materie in uw omgeving met een kracht op, een invloed, die wederkerig u zal beïnvloeden? Natuurlijk hebt u wel een vrije wil, maar sommige voorwerpen kunnen in de loop der tijden zó zwaar geladen zijn, dat men zich onbewust daardoor zal laten beïnvloeden en zich onbewust zal laten leiden door de gereflecteerde invloed. Eerst wanneer het te laat is, ontdekt men dan misschien, welke fout men eigenlijk heeft gemaakt. Vooral wanneer men vaak uitvluchten zoekt, zichzelf pleegt voor te houden, dat iets toch niet zo belangrijk, zo ernstig is, zal men zich, wanneer het er op aan komt, al te vaak door de weerkaatsing van invloed uit de omgeving in slaap laten wiegen. De mogelijkheid is zeer groot, dat men aan het einde van de beïnvloeding ontstelt ontdekt, wat men eigenlijk gedaan heeft, wat men eigenlijk tot stand heeft gebracht.

Vrienden, u behoeft geen magiër te zijn, u behoeft van de krachten, die ik u beschrijf, geen gebruik te maken, maar u bent wel aan uzelf verplicht er zorg voor te dragen, dat in uw omgeving zoveel mogelijk een sfeer van vreugde, aanvaarding, erkenning van het hogere heerst. Dan zal uw omgeving voor u en anderen steeds weer heilzaam werken.

Indien u dit niet doet, zult u steeds weer terugvallen in oude fouten, omdat u zelf de omgeving hebt beïnvloed en zo a.h.w. rond u een reeks van generatoren gebouwd hebt, die u steeds weer naar die fouten terug trachten te drijven. Houd hiermede rekening. Nu zult u wel begrijpen, dat alles, wat voor de mens mogelijk is, voor de geest eveneens mogelijk is, terwijl zeker ook alle mogelijkheden bestaan voor de Goddelijke kracht. Wij kunnen niet zeggen, dat het inleggen van gedachtekrachten in dode materie alleen een menselijke eigenschap is. Wij kunnen ten hoogste stellen, dat deze beïnvloeding alleen van een bewustzijn kan uitgaan. Hoe groter en sterker dit bewustzijn zal zijn, hoe groter en sterker de invloeden, die in een voorwerp of deel van de materie kunnen worden neergelegd.

Let wel: Wij hebben niet te maken met een werkelijk veranderen van een voorwerp, maar slechts met een structureel zeer geringe en voor de doorsnee mens niet kenbare wijziging in enkele onderdelen van het voorwerp, van de materie. Toch kunnen voor de sensitieve mens, die deze invloeden ondergaat , onvermoede en wonderlijk sterke krachtbronnen op deze wijze ontstaan. Wij zijn dus, wanneer wij in de stof leven, zeker niet de enigen, die deze werkingen tot stand brengen. Het feit, dat geestelijke krachten op gelijke wijze in de stof werkzaam zijn, verklaart tevens, hoe bepaalde voorwerpen zo vaak wonderen tot stand schijnen te kunnen brengen. Daarbij is het zelfs niet noodzakelijk, dat de kracht in het voorwerp zelf schuilt.

Hierbij denk ik aan bepaalde relieken. Dus het stukje van een kleed van een heilige, een stukje hout van Jezus’ kruis enz. Op zich zijn dit voddige en onbelangrijke stukjes normale materie, maar zij blijken onder omstandigheden heel wat tot stand te brengen. Hieraan wil ik onmiddellijk toevoegen, dat het nog niet eens noodzakelijk is, dat dit stukje hout werkelijk van het kruis is, of het stukje stof inderdaad stamt uit de mantel van een heilige. Wanneer voldoende mensen voldoende lange tijd daarin intens hebben geloofd, is zelfs willekeurig hout, willekeurige stof qua wezen, qua ingelegde reflex en straling aan het werkelijke deel van het kruis enz. bijna gelijk geworden. Een wonder, door een dergelijke reliek volbracht, is geen bewijs van echtheid, maar eerder een bewijs van de in het voorwerp opgetreden wijzigingen.

Nu geef ik een voorbeeld van een werkelijke reliek. Stel, dat wij uit de paar pond nagelen, die onder die naam in omloop zijn, een nagel vinden, die werkelijk gebruikt werd om Jezus aan het kruis te nagelen. Denk nu eens na over Jezus’ dood. Realiseer u niet alleen Zijn lijden, maar denk vooral na over Zijn innerlijke grootheid, Zijn geesteskracht, die Hem in staat stelt anderen te troosten, terwijl Hij zelf sterft, die Hem zelfs nog goede gedachten doet uitzenden en bidden voor Zijn beulen. Laat alle Goddelijke waarden nu buiten beschouwing en vraag u af, welke enorme emotionele- en gedachte invloeden op dit stukje materie wel in hebben gewerkt gedurende een periode, dat het met het wezen van Jezus praktisch één was. Wij mogen wel aannemen, dat dit stukje materie geheel op de trillingen, op de sfeer en gedachtewereld van Jezus is afgesteld. Neem verder aan, dat diezelfde Jezus een grote en lichtende kracht in de geest is. Dan zal dit stuk materie, dat immers op Hem afgestemd is, kunnen dienen als een middel om de mens a.h.w. af te stemmen op Jezus’ wezen. Het dient als een soort transformator. De mens ondergaat immers de uitstraling van dit voorwerp en wel sterker naarmate hij sensitiever is. Dan zullen eigen denken en instelling daardoor in een zeer bepaalde richting worden gedrongen. Eigen innerlijke gesteldheid wordt aangepast aan het wezen van Jezus. Hierdoor zal de mogelijkheid ontstaan een innerlijk contact met die hoge en lichtende kracht tot stand te brengen en de krachten, die daarin leven, ook binnen het eigen Ik – zij het tijdelijk – te erkennen.

Hier is het niet de reliek, die iets tot stand brengt, maar de hogere kracht. De reliek dient in feite hoofdzakelijk als inductor, waardoor het mogelijk werd uw eigen gedachten en gevoelswereld tijdelijk te transformeren tot een aanvaarden, erkennen en beleven, waarin ook de hoogste krachten werkzaam geuit kunnen worden. Zo zullen er op aarde ongetwijfeld vele plaatsen en voorwerpen zijn, die vanuit zich het goede uitstralen, zo de mens a.h.w. kracht gevende door het contact met het hogere, dat de mens hierdoor kan beleven. Omgekeerd zullen er vele plaatsen en voorwerpen bestaan, waaraan invloeden kleven, die voor een mens minder prettig zijn. Stel u de inwerking van een oorlogsreliek voor, dat geteisterd is door onbeheerste uitstromingen van menselijke haat, menselijke angsten en zelfzucht, dat deel had aan een beleven, waarin alle waarlijk menselijke waarden op de achtergrond werden geschoven en men – bewust zelfs – het beest in de mens op de voorgrond schoof. De gevoelige mens zal dan ook deze invloed ondergaan, zal ook deze sfeer in zich opnemen.

Is het vreemd, dat mensen door dergelijke relieken kunnen worden opgezweept tot een haat en een onredelijkheid, die vaak onbegrensd is. Het is geen wonder, dat dergelijke relieken krachtens hun geaardheid ook minder lichtende entiteiten de mogelijkheid verschaffen met u in verbinding te komen en hun krachten en wil via uw wezen te doen werken. Daarom is het vooral voor meer sensitieve mensen noodzakelijk na te denken en zich wel te beraden over mogelijke gevolgen, voor zij zich aan een bepaalde sfeer blootstellen.

Indien u rond u een sfeer erkent, die helder en lichtend is, zo zult u wel zeggen: Hier heerst een zuivere invloed, waarbij zelfs de dode materie mij het lichtende weerkaatst en mij tot het hogere kan brengen. Hier kan ik haast wonderlijke krachten ontvangen… Soms is de sfeer onrustig en duister. Realiseer u dan, dat hier alle voorwerpen, alle dode materie rond u, een nadelige invloed zal hebben op u, indien u dit niet tijdig erkent. Vermijd zo mogelijk een dergelijke omgeving. Is het niet mogelijk de sfeer te vermijden, wees dan blijvend op uw hoede, opdat uw eigen bewuste gedachten een tegenwicht kunnen vormen voor de kracht, die de omgeving naar u doet uitgaan. Het is beter een onjuiste sfeer te vermijden, tenzij men daar zelf bewust eigen krachten t.o. kan stellen, een bewust denken in Godsaanvaarding, werelderkenning en liefde, want dergelijke invloeden zijn juist voor de zwakken een niet te onderschatten, ja, misschien dodelijk gevaar. Misschien heeft u gemeend, dat ik mij bij dit onderwerp gedurende inleiding zou beperkingen tot het omschrijven van de in de parapsychologie bekende verschijnselen en werkingen. Ik meen, dat dit reeds voldoende geschiedt, zodat het belangrijker is op andere aspecten van de zaak de nadruk te leggen. Alles, wat u bent, wat u denkt, dringt door in de materie. Dit zal geschieden, of u dit nu wenst of niet. U kunt de inwerking van de gedachten op de materie weliswaar enorm versterken, maar u kunt deze werkingen nimmer geheel op doen houden. U kunt alle krachten, die er bestaan, opwekken, oproepen en bannen in een stukje hout of steen.

Veronderstel niet, dat nu deze krachten en/of geesten inderdaad in steen of hout leven. De materie is alleen een middel geworden, waardoor de kracht tot uiting komt en zijn invloed op het bewustzijn in de omgeving uit kan oefenen. U leeft nu eenmaal in een wereld, waarin het goede en het kwade vaak onmiddellijk naast elkaar gelegen zijn, of zelfs niet geheel van elkaar gescheiden kunnen worden. Niemand onder u zal in staat zijn precies alles te scheiden in het goede en het kwade. Werkelijk zwart en werkelijk wit zijn maar weinige dingen op uw wereld. Het merendeel is grijs. Grijs in alle mogelijk schakeringen weliswaar, maar toch een meng- kleur, grijs.

Juist omdat het volledig juiste oordeel zo moeilijk is, lijkt het mij dan ook beter, dat u niet naar absolute waarden zoekt, maar steeds afgaat op uw innerlijke reactie, uw eigen oordeel. Dit geldt vooral t.o.v. invloeden, die u waarneemt, de sfeer, waarin u zich begeeft. Zoek steeds naar alle krachten, sfeercontacten, die voor u harmonisch zijn. Tracht steeds waarden, plaatsen en krachten te vinden, die voor u goed zijn. Wanneer een huis, een plaats, een voor u niet aanvaardbare sfeer ademen, wanneer u voelt, dat deze voor u niet past en deze niet kunt overwinnen, doet u er beter aan om heen te gaan, voor u zelf door de omgeving wordt aangetast; want de trillingen van levende wezens worden vastgelegd in de dode materie, die de in haar gelegde invloed naar alle bewustzijn reflecteert, zonder ophouden, zonder enige wijziging.

Met deze raad zou ik mijn inleiding gevoegelijk kunnen besluiten. Ik maak echter van de gelegenheid gebruik u er op te wijzen, dat sommige mensen voorwerpen gemakkelijk aan- voelen, terwijl anderen daarentegen dit niet bewust kunnen doen, of hiermee de grootste moeite hebben. Er zijn zelfs mensen, die geheel niet voor sfeer e.d. gevoelig menen te zijn. Zij zeggen: Dit komt door mijn gebrek aan gevoeligheid… Nu zal uw intensitiviteit inderdaad bepalend zijn voor de wijze, waarop u invloeden waarneemt en ondergaat. Voorbeeld: Iemand met een scherp gehoor zal zonder moeite waarnemen, wat ’n dove slechts met moeite kan verstaan. Een doofstomme voelt weliswaar de trillingen, maar deze zijn voor hem te zwak om daaruit een redelijk beeld te vormen. Elke mens, die leeft en denkt, ondergaat wel degelijk de invloeden, die wij heden bespreken. Indien u meent niet gevoelig te zijn, of – wat ook voorkomt – meent, dat dit alles dwaasheid is, raad ik u niet alles onmiddellijk te verwerpen, maar eerst eens enkele proeven te nemen. Laat eens voorwerpen op u inwerken, zonder aan uw gedachten beperkingen op te leggen, Onderga bij voorkeur enige malen de invloed van oudere voorwerpen. Verwacht geen beelden te zien, of voorspellingen te kunnen doen, maar aanvaard een mogelijke inwerking. U zult dan ontdekken, dat vele voorwerpen meer te zeggen hebben dan mensen, ook al kunt u hun taal niet omzetten in menselijk redelijke termen. Geen: ik zie..,.ik zie ….. dus. Dat kan wel eens voorkomen, maar wanneer men zegt iets te “zien”, is dit slechts een uitdrukking, een poging, het gestelde aanvaardbaar te maken, een versiering van de feiten. Na enige oefening zal ieder mens in staat zijn om te stellen, dat een voorwerp voor hem rustig of onrustig aanvoelt, terwijl zeer velen zullen bemerken, dat zij bij het opnemen van een bepaald voorwerp, of het vertoeven in een bepaalde ruimte, opeens aan sommige waarden, gebeurtenissen en mogelijkheden moeten denken, waaraan zij allang niet meer hebben gedacht, of waaraan zij eigenlijk nooit werkelijk aandacht aan hebben besteed. Het optreden van bepaalde associaties zal in vele gevallen veroorzaakt worden door de uitstraling van “geladen” voorwerpen. Daardoor zult u op den duur leren beseffen, wat voor u goed en wat voor u niet goed is. Wanneer u voorwerpen aankoopt, vooral wanneer dit via een vendu is, is deze gevoeligheid soms zelfs zeer waardevol. Dan kunt u uzelf voor veel ellende beschermen, wanneer u eerst eens nagaat, of een voorwerp u misschien “iets zegt”.

Juist bij verkopingen zien wij vaak mensen iets kopen, dat hen onaangenaam aandoet, maar anderzijds begerenswaardig voorkomt. Zij negeren hun gevoelens dan onder het motto: het is natuurlijk heel anders, wanneer het eenmaal in mijn eigen omgeving staat; maar op die wijze kun je onbewust een vreemde invloed in huis halen. Een ieder, die ook maar enigszins gevoelig is, doet er goed aan deze gevoeligheid steeds weer te gebruiken. Wanneer u meent helemaal niet gevoelig te zijn, zal uw onderbewustzijn de beïnvloeding waarnemen, die aan uw bewuste vermogens ontgaat. Wanneer u rekening houdt met impulsen van niet redelijke aard en tracht na te gaan, welke voorwerpen, of welke omgeving deze naar voren deden komen, zult u zelfs dan in staat zijn van de aan elke bewustzijn eigen gevoeligheid, gebruik te maken.

Op den duur zult u dan ook leren meer bewust aan te voelen. Want waar gevoeligheid een wezenseigenschap van alle mensen is, zal men deze kunnen versterken en het gebruiken daarvan aan kunnen leren, zoals ook iedereen kan leren schrijven en iedereen met enige moeite en oefening het gebruik van een pendel zal kunnen aanleren. Bij dit laatste speelt overigens het onderbewustzijn een even grote, of nog grotere, rol als bij de interpretatie van invloeden door iemand, die meent niet gevoelig te zijn.

Het ontwikkelen van geestelijke gaven lijkt mij van minder belang, zodra het gaat om het voorspellen van de toekomst enz. Maar naar ik meen, is het voor ieder van u belangrijk te leren in eigen omgeving:

  1. Voortdurend de juiste invloed en sfeer te scheppen.
  2. Aan te voelen, waarvan in de omgeving een nadelige invloed uitgaat en deze zo mogelijk te verwijderen.
  3. Terwijl men, beseffend dat al, wat men zelf uitstraalt, ergens door materie kan worden vastgehouden, vastgelegd.

Tracht zo weinig mogelijk gevaarlijke vallen van denken enz. voor zichzelf en de medemensen in de materie vast te leggen. Dit bereikt men door, wanneer het maar even kan, zijn gedachten op de zonnige en meer lichtende aspecten van het leven te richten, terwijl men alle haat en duistere gevoelens en gedachten zoveel mogelijk mijdt.