Het behoud van trillingen

1 juni 1962

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden is: het behoud van trillingen der levende wezens in dode voorwerpen.

Dit is een verschijnsel, waar vele van de parapsychologische verschijnselen direct mee in verband staan. Wanneer u in een huis komt, waarin u een zekere sfeer bemerkt, zo blijkt soms, dat deze sfeer behouden blijft, al staat in het gehele huis geen enkel meubel. Zo zijn er voorwerpen, die u onaangenaam aan kunnen doen, zonder dat daarvoor een kenbare reden bestaat. Andere voorwerpen trekken u en doen u aangenaam aan, zelfs al de eerste maal, dat u deze ziet of aanraakt. Wij kennen het verschijnsel van de z.g. psychometrist, die toch werkelijk de psyche niet kan meten en daarom beter paragnost genoemd kan worden. Hij leest via de uitstraling van z.g. dode voorwerpen vele gebeurtenissen uit het verleden af. Natuurlijk zullen bij vele dergelijke prestaties een zekere mensenkennis en een zekere handigheid eveneens een rol spelen. Maar aan de andere kant blijkt toch, dat proefpersonen aan de hand van voorwerpen, die niet door de dragers of eigenaars werden overhandigd, vaak vele juiste feiten af konden lezen. Hieruit blijkt m.i. wel dat door de materie onder omstandigheden iets wordt geabsorbeerd van de dragers enz. Dit dienen wij nu nader te omschrijven. Elk menselijk denken en elke menselijke emotie verwekt in en rond deze mens een zekere beroering. Gedachten treden daardoor ook a.h.w. buiten het lichaam als werkzame krachten op.

Een emotie kan, blijkens proeven en onderzoek, onder omstandigheden over een zeer grote afstand op anderen worden overgedragen. Tijdens het denken en beleven van emoties verwekt de mens iets, dat wij – bij gebrek aan beter – een trilling zullen noemen. Ter wille van de nauwkeurigheid voeg ik hier aan toe, dat wij niet alleen maar met een trilling te maken hebben. Dit kan ten hoogste worden gezien als een frequentie-aanduiding. De eigenlijke werking komt overeen met de emissie van een veld door de mens met een onregelmatige en wisselende karakteristiek. Gemakshalve houden wij ons aan de omschrijving: trilling. Wanneer nu een trilling van redelijk hoge frequentie door een mens wordt uitgestraald, zal deze opgenomen worden door elk voorwerp, door alle materie. Wanneer een trilling hoog genoeg is – dus de golf kort genoeg, het veld fijn genoeg van lijn – zal deze door kunnen dringen in de intermoleculaire ruimten, de interatomaire ruimten en zelfs in de ruimten tussen de verschillende delen van een atoom.

Deze kleinste delen hangen samen door krachten, die eveneens met een veld vergeleken kunnen worden. Denk hierbij vergelijkend aan een zonnestelsel. De massa van de zon en de planeten, de baansnelheid van de planeten rond de zon, plus de eigen beweging van die zon, tezamen met de verschillen in baan rond de zon van de verschillende planeten tezamen, bepalen o.m. de zwaartekrachtverhoudingen en de binding van de planeten aan de ster. Is het evenwicht verstoord, zodat de krachten van de zon te groot worden, zo zal de planeet in de zon storten via een spiraal baan. Is de eigen snelheid en massa van een planeet te groot, zodat een verstoring van evenwicht plaats vindt, zal die planeet onvermijdelijk de ruimte ingeslingerd worden. Het is niet voldoende zich de band tussen sterren en planeten voor te stellen als bv. een reeks van touwtjes. De band dient te worden uitgedrukt als een vorm van energie, ontstaande uit elkaar kruisende zwaartekracht en magnetische velden, waarin parabolische lijnen ontstaan, die het geheel van planeet en ster omhullen, soms tot een gesloten veld met ovale karakteristiek wordende.

Om het eenvoudig te maken: de aarde heeft een eigen magnetisch veld. Stel u voor, dat een soortgelijk veld voortkomt uit planeten en zon, waardoor dus geheel het zonnestelsel een eigen magnetisch veld heeft. Wij kunnen aannemen, dat tot zover een redelijke gelijkenis aanwezig is tussen de werkingen binnen een zonnestelsel en een atoom. Nu is de kracht van een gedachte, in verhouding tot de krachten, die werken binnen een atoom, zo groot, dat zij vergeleken kan worden met bv. een lichaam van de grootte van de maan, dat binnendringt in het zonnestelsel en zich naar de zon stort. Wanneer massa en snelheid groot genoeg zijn, zal door een dergelijk indringend lichaam geheel de samenhang binnen het zonnestelsel verstoord kunnen worden, zodat baanveranderingen voor de planeten onvermijdelijk zijn. Indien de gedachte intens genoeg is, zal zij dus wijzigingen aan kunnen brengen in de kleinste delen van de materie. Indien de optredende kracht zo groot is, dat zij evenredig de bestaande verhoudingen kan wijzigen – wat zelden voor komt – zien wij verschijnselen, die bekend zijn geworden onder de namen “dematerialisatie” en “rematerialisatie”. De kleinere kracht zal naar buiten toe geen kenbare verschijnselen veroorzaken, maar toch in de binnen de kleinste delen bestaande verhoudingen een verstoring of verandering teweeg kunnen brengen.

In vele gevallen brengt de gedachte niet veel meer tot stand dan een geringe baanverschuiving, waardoor de omloop van een enkel elektron rond de kern gewijzigd wordt. Sterke emoties hebben de neiging om eerder de verhoudingen – of onderlinge afstanden – te wijzigen in de kern, waarbij een geringe verandering ontstaan kan tussen de neutronen, positronen e.a. delen van de kern. Indien dit evenwicht eenmaal verstoord is, zal naar buiten toe daarvan niets merkbaar zijn. Toch is het eigen evenwicht van een dergelijk deeltje gewijzigd. Iemand, die daarvoor gevoelig is, bemerkt deze afwijking. Dan kunnen wij stellen, dat de door een levend wezen uitgestraalde gedachtetrilling op deze wijze blijvend of tenminste redelijk duurzaam binnen de dode materie is vastgelegd. De dode materie op zich heeft met het verschijnsel verder niets te maken. Er is een vreemde kracht binnen gedrongen, waardoor een geringe verandering van het wezen der materie werd veroorzaakt. Basta! Deze verandering zal naar buiten toe niet kenbaar zijn. Alleen een helderziende, die voor de eigen uitstraling van materie gevoelig is, zal dergelijke afwijkingen wel eens waar kunnen nemen. Iemand dus, die zijn gevoeligheid voor dergelijke trillingen om pleegt te zetten in een visueel beeld. Iemand, die een voorwerp vast pakt, dat geladen is, zal binnen de eigen aura deze afwijking van het normale gemakkelijker opnemen en dus de “trilling” aanvoelen. Deze trillingen komen overeen met trillingen, die binnen de hersenen “gedachten” heten. De mogelijkheden zijn 10 x en lopen dus uiteen van honderden of duizenden wijzigingen, tot ongetelde miljoenen. Slechts enkele van deze wijzigingen hebben een groot aantal kleinste delen beïnvloed en zijn daardoor bijzonder sterk kenbaar. Hieruit volgt, dat vele kleine impulsen, tegengericht aan een z.g. sterke of grote impuls binnen de materie, deze kunnen verzwakken.

Omgekeerd zullen vele gelijksoortige impulsen gezamenlijk een zeer sterk kenbare trilling binnen de materie veroorzaken en daarmee een wel zeer duidelijk kenbaar en afleesbaar beeld doen ontstaan. Bij de z.g. psychometrie hebben wij dan ook te maken met impulsen binnen de materie, die overeenkomen met de gedachte-frequenties van de mens en zo sterk zijn, dat zij door een gevoelige mens kunnen worden afgelezen – dus weer tot gedachten binnen het Ik gemaakt kunnen worden. Dit “aflezen” kan op vele verschillende wijzen plaats vinden. U zult allen wel eens opgemerkt hebben, dat de ene psychometrist er de voorkeur aan geeft een voorwerp tegen het hoofd aan te drukken, wanneer het beeld niet duidelijk genoeg blijkt te zijn. Een ander zal het voor de borst houden, weer een ander zal het eerder voor de zonnevlecht houden. Elk van hen zoekt op die wijze het voorwerp in contact te brengen met dat deel van eigen wezen, of binnen dát deel van eigen aura te brengen, waarin de uitstraling het eenvoudigst en gemakkelijkst afleesbaar zullen zijn. Er ontstaat door de inwerking van het voorwerp een inductieve afwijking van eigen normale zenuwimpulsen. Door concentratie, die in feite een uitsluiten betekent van de rest van de wereld en het merendeel van eigen emoties en ervaringen, zal de op zich zwakke impuls van het voorwerp toch duidelijk binnen eigen wezen en denken kenbaar worden. Dan is er nog niet noodzakelijkerwijze een redelijk beeld. Ook is er nog geen sprake van een geheel herleven van hetgeen eens de impuls in het voorwerp legde. Eerder is er sprake van een wekken van reeds bestaande herinneringen en beelden, die binnen de hersenen van de ontvanger reeds aanwezig zijn. Dit betekent, dat de voorkeur van een psychometrist in zijn aflezen van voorwerpen sterk tot uiting pleegt te komen. Zo zijn er begaafden, die bij het aflezen van elk voorwerp trachten daarin enig oosters motief te vinden. Anderen geven de voorkeur aan Egyptische waarden en plegen Egyptische symbolen te noemen. Degenen, die innerlijk een grote aandacht en voorkeur hebben voor het heilige zullen in elk voorwerp in de eerste plaats een verbinding met iets heiligs zoeken. Dus: de aflezer zal steeds en in de eerste plaats zoeken naar een interpretatie, die met eigen wezen en denken zoveel mogelijk harmonisch is.

Wanneer bovendien in de buitenwereld door geluiden, gedrag van mensen, enige suggestie op de proefpersoon wordt uitgeoefend, blijken, de impulsen in geheel andere volgorde en interpretatie naar buiten te komen, dan zij eens in het voorwerp werden vastgelegd. Er zijn zeer vele mensen, die aannemen, dat het z.g. psychometreren altijd onzin is, terwijl anderen daarin altijd de volle waarheid willen zien. Indien van bedrog geen sprake is, zal altijd een werkelijk aflezen van invloeden, die binnen de dode materie worden vastgelegd, plaats vinden. Op de interpretatie en uitbeelding daarvan kunnen eigen voorkeur, denkwijze en neiging, evenals evt. suggesties van buiten af, een zeer grote invloed uitoefenen. De toestand van concentratie, die op een bepaald ogenblik bereikt kan worden, heeft eveneens zeer veel te maken met het al dan niet afleesbaar zijn van de invloeden, die in een voorwerp werden vastgelegd.

In Engeland, zijn – zoals u weet – vele bekende spoken. Zelfs zoveel, dat men wel eens veronderstelt, dat daar reeds een vakbond van spoken gesticht zou zijn. Ofschoon deze spoken ook wel gezien worden door gewone mensen, blijkt toch, dat zij niet zichtbaar of kenbaar worden, wanneer niet ergens in de buurt een sensitief mens aanwezig is. Het paranormaal verschijnsel treedt alleen op, wanneer iemand van voldoende gevoeligheid in de omgeving aanwezig is. Aangenomen kan dan ook worden, dat de gevoelige mens vanuit zich de in de dode steen vastgelegde impulsen een – zij het tijdelijke – belichaming verstrekt. Eigenaardig is verder, dat, wanneer wij op de gegeven beschrijvingen af moeten gaan, de spoken niet altijd en in detail overeenstemmen met de gebeurtenis, die de oorzaak van hun ontstaan werd, terwijl soms details voorkomen, die kennelijk uit een veel latere tijd stammen, dan het spook zelf.

In de buurt van Dundee is een spook, dat eens in een kamer van minnesmart gestorven zou zijn. Nu gaat het – naar men zegt – elke avond met het eigen bloedig hart in de handen door de lege gangen en galmende slotzalen heen, krijtende om zijn geliefde. Nu zal de ridder in kwestie er heus nooit aan hebben gedacht zijn hart in de handen te nemen. In de eerste plaats is een dergelijk ingrijpen niet bevorderlijk voor de mogelijkheid bij leven, dit hart in de handen te nemen. In de tweede plaats blijkt uit enkele oude slotkronieken wel, dat de onfortuinlijke minnaar het leven te lief had, om een dergelijke zelfmoord als redelijk aan te nemen. Het feit blijft bestaan, dat deze ridder in het slot, compleet met bloedend hart in de handen, is waargenomen. Overigens verschijnt hij alleen in bepaalde omstandigheden. Volgens het geloof in de omgeving kondigt hij iets aan, maar zijn gestalte stamt niet overeen met hetgeen wij omtrent hem hadden kunnen verwachten op grond van de beschikbare gegevens en de beelden van hem – tekening en schilderij – die uit zijn tijd zijn overgeleverd. Het gezicht, dat gezien werd bij zijn verschijnen, bleek wel overeen te stemmen met deze afbeeldingen en een herkennen van de persoon van het spook mogelijk te maken voor mensen, die nog nooit bedoelde platen en schilderijen hadden gezien.

De gelijkenis is er dus wel. Men kan zich afvragen, of het de ongelukkige minnaar zelf misschien is, die hier spookt. Dit is echter niet het geval. Wij kunnen als zeker stellen, dat in de betreffende kamer door deze man een periode van grote emotionele spanningen doorgemaakt is. Deze emotionele storing, als gevolg hebbende een zeer intens en eentonig gedachtebeeld, was een bombardement, dat doordrong in alles in de omgeving, zeker ook in de oude muren. Een gevoelig mens zal een deel van deze uitstralingen en daarmee ook ongetwijfeld een deel van de in de Ik-realisatie van deze minnaar terug kunnen lezen. Er kan dus inderdaad een beeld ontstaan. De “aankondiging van onheil” is hiermee nog niet verklaard.

Nu blijkt, dat in dit oude kasteel – in feite een jachthuis – vele familiebijeenkomsten werden gehouden door de oorspronkelijke eigenaars. Deze familiebijeenkomsten, vaak druk bezocht, brachten vele malen geschillen omtrent bezit enz. met zich, die dan weer gevolgd werden door het ontijdig verscheiden van een van de familieleden. Vergeet niet, dat voor enkele eeuwen dergelijke betreurenswaardige voorvallen werden beschouwd als een redelijk middel om een erfenis en daarmee een redelijk inkomen te verwerven.

De overlevering omtrent de “aankondiging” is waarschijnlijk als volgt ontstaan: Een familiebijeenkomst bracht vele mensen, waaronder ongetwijfeld ook meer sensitieven, samen in het huis, waardoor een van hen in of nabij de bewuste kamer overnachtte. Deze droomde van de ridder, of – in enkele gevallen – maakte het verschijnen van het spook mogelijk. Dit verhaal deed onder het personeel de ronde. Wanneer men nu later hoorde van het “ongeluk”, of het “plotseling” overlijden, zo werd natuurlijk al snel gezegd, dat deze gebeurtenis door de verschijning was aangekondigd. Niet juist, maar in ieder geval begrijpelijk, vooral bij bijgelovige mensen. Deze gedachte, levende in geheel de omgeving, wordt op zich een suggestieve kracht, die bovendien – gezien de paniek bij het waarnemen van de verschijning – ook in de dode materie van het kasteel en omgeving vastgelegd zal zijn. Daarmee zal een voorgevoel van onheil, een weten omtrent de aanstaande dood enz. een versterking betekenen van de verschijning.

Vergeet niet, dat meerdere honderden jaren deze angsten en gedachten in en rond het slot worden uitgestraald. Dan mogen wij stellen, dat in het genoemde geval niet alleen oorspronkelijk de mogelijkheid tot verschijning van het spook via gedachte uitstralingen in de dode materie werd vastgelegd, maar verder, dat door vele en gedurende lange tijd steeds weer herhaalde gedachten van dienaren en bewoners dit beeld vervalst hebben en daaraan consequenties verbonden, die van het oorspronkelijk ingelegde beeld geen deel uitmaken.

Ik nam een onbekend spook als voorbeeld, maar wij kennen in Engeland andere soortgelijke spookverschijningen, als bv. de Witte Vrouw e.a. In al deze gevallen kunnen wij stellen, dat er geen sprake is van een werkelijke geest, die verschijnt, maar van een menselijke gedachte, die onder omstandigheden vanuit de stof, waarin zij werd vastgelegd, weer kenbaar kan worden.

Dan is er ook geen sprake van, dat deze beelden een feitelijke situatie weergeven en een werkelijke persoonlijkheid tonen, maar moet worden gesteld, dat het gedachten zijn, die kenbaar worden, gedachten, die vaak van de oorspronkelijke persoon en het oorspronkelijke gebeuren maar zeer weinig hebben overgelaten. Teruggebracht tot de eenvoudigste verkla- ring: Een woning neemt de gedachten, emoties enz. op van de mensen, die er regelmatig in vertoeven. Vandaar ook, dat zovele oude gebouwen een bijzondere en geheel eigen sfeer hebben, u kunt dit – indien u wenst – op vele wijzen vaststellen, maar de eenvoudigste is misschien wel: Wanneer u op vakantie gaat en u ziet ergens een oud kerkje staan – bv. in oud romaanse stijl, of oude Normandische bouw – dan moet u eens naar binnen gaan. U behoeft dan aan niets te geloven en u behoeft niets in het bijzonder te denken. Ga binnen en wandel rond. Dat kerkje heeft dan bijna zeker een eigenaardige sfeer. Het is, alsof de lucht er dichter is, of er rond u iets trilt, of ogen naar u zien. Ga daarna een moderne kerk in en stel vast, hoe groot het verschil in sfeer is. In het oude kerkje was meer sfeer; de nieuwe kerk kan de invloed van eeuwen niet weergeven, hoe vroom ook de gelovigen zijn, hoe schoon en goed alles ook is, wat er zich in bevindt. In de oude kerk bestaat een door eeuwen van menselijke vroomheid en gebeden gevormde spanning, waar niets tegenop kan. Plechtigheden, gebeden, emoties hebben het geheel van het oude bouwwerk verzadigd met trillingen van menselijke emoties, zodat een mens, die ook maar enigszins gevoelig is, zich aan de inwerking daarvan niet meer kan onttrekken en door de sfeer wordt meegesleept tot een beleving.

De doorsnee mens weet zelf niet, wat hem roert, wat hij eigenlijk ondergaat. Misschien denkt hij wel, dat het vroomheid is, of dat het kerkje zelf deze invloed uitoefent door zijn vorm en sfeer. Maar het kerkje is maar dode steen. Het is de uitstraling van levende wezens, door de dode materie zonder besef geabsorbeerd, die de werkelijke ontroering schept. Met de voorgaande beelden heb ik u reeds duidelijk gemaakt, wat ik bedoel in feite, wanneer ik spreek over uitstralingen van levende wezens, die door de dode stof worden opgenomen. Tot nu toe spraken wij alleen over voorwerpen en huizen, waarin zonder intentie bepaalde invloeden van het menselijk denken waren vastgelegd. Wanneer wij weten, wat deze werking inhoudt, kunnen wij ook bewust in de voorwerpen in onze omgeving, of zelfs in een bepaald voorwerp onze gedachten vastleggen. Wanneer ik een voorwerp heb, dat ik associeer met goedheid, met licht, met God, dan wordt op den duur dit voorwerp daardoor gewijzigd. Het reflecteert alles, wat wij er in hebben vastgelegd. Wanneer ik – of een ander – in de nabijheid van het voorwerp komt, zo zal mijn gehele wezen beïnvloed worden. Ik zal lichtender, vrijer en vreugdiger zijn. Een dergelijk voorwerp zal zelfs iemand in diepe wanhoop er toe kunnen brengen toch weer even te denken aan Goddelijke liefde en lichtende kracht.

Het tegengestelde is evenzeer mogelijk. Wanneer ik in een voorwerp steeds weer de meest duivelse gedachten, mijn haat, mijn frustratie neerleg, heb ik eveneens iets geschapen, dat deze invloeden naar de omgeving uitstralen kan. Een mens, die onbewust door de invloed van een dergelijk voorwerp besprongen wordt, zal zich meegetrokken voelen in een gedachterichting, die niet zijn eigene is. Een gevoelig mens kan hiervan snel het slachtoffer worden, tenzij hij zich realiseert, wat er gebeurt. In de magie, zelfs in de meest primitieve magie, zullen wij dergelijke – met gedachtekracht geladen – voorwerpen vaak ontmoeten. Wij krijgen te maken met afgodsbeelden, amuletten, heilige zegels enz., waarvan wel degelijk een invloed uitgaat. De leek zal zich afvragen, wat er nu eigenlijk wel als oorzaak van die invloed moet worden gezien en grijpt al snel naar duivels, engelen, geesten enz., om zijn beïnvloeding te rationaliseren.

De oude magiërs gingen van de volgende stelling uit: Wanneer ik voldoende gedachtekracht in een stuk dode materie door kan doen dringen, zo zal het door mijn gedachten bezield worden…. Nu is de bezieling van dode materie zeker binnen de magie niet onmogelijk, maar dit is afhankelijk van de amulet, waarop de materie eerst gehergroepeerd, wordt en beïnvloed wordt. Wanneer een heidense priester een altaar heeft, waarop een Godsbeeld staat, waaraan hij mens na mens offert, zo zal de wanhoop van de slachtoffers, zowel als de verwachting van Goddelijke gunsten – of eeuwige zaligheid – aan altaar en beeld een bijzondere geaardheid geven. Een gevoelig mens zal deze – vaak onderling zeer strijdige – impulsen kunnen aanvoelen. De altaartafel, het Godenbeeld, spreken tot hem. Voor de mens van heden is het resultaat meestal een gevoel van onbehagen, een vrees, dat de oude demonische krachten weer tot werkelijkheid zullen worden. Wanneer men in Stonehenge komt, zal menigeen gegrepen worden door een zonderlinge beklemming. Onbewust ondergaat men dan de invloed van de oude gedachten en herleeft in het eigen denken, zij het niet meer als een aanvaardbaar beeld, de oude druïden en hun offers. Eenzelfde beklemming gaat uit van de z.g. bijlringen, die men in Frankrijk aan kan treffen.

Wanneer men deze plaatsen bv. bij nacht bezoekt, onder ongeveer gelijke omstandigheden van sfeer en maanstand, als eens de offers werden gebracht, zal men afgestemd zijn en de inwerkingen met veel grotere intensiteit ondergaan. Nu is de waarde, die in de omgeving is vastgelegd, een gedachteweerkaatsing, die dus ook door de geest kan worden afgelezen. Het is dan ook mogelijk, dat minder goede geesten zich aan een dergelijke omgeving hechten. Zijn de waarden, die in de materie werden vastgelegd, dan wordt het zelfs mogelijk, dat een tempel, ring enz., tot een belichaming wordt van een boze geest, een demon, of een duivel, die in en vanuit deze – op zich dode – stof de mogelijkheid vindt bewuste wezens in de stof te beïnvloeden en zo zich ook meer materieel uit te leven.

Het inleggen van waarden in de materie door middel van gedachtekracht kan dan ook geschieden in de richting van het lichte, zowel als op basis van het duister. Een magiër zendt soms een z.g. vloek. Wanneer wij de procedure nagaan, zo blijkt ons, dat de kracht van de vloek schuil gaat in een bepaald voorwerp, in de materie en vandaar uit verder in de wereld tot uiting komt. Bij voodoo – de half godsdienstige magie – die vooral op Haïti zeer sterk vertegenwoordigd is, maar ook in Suriname macht heeft zendt de magiër iemand een geschenk, of verbergt, begraaft, plaatst, een magisch geladen voorwerp in de buurt van degene, die hij zijn vloek zendt. In Indonesië treffen wij de goena-goena aan. Ook daar blijken stoffelijke voorwerpen, – bv. als geschenk gegeven – als dragers van geestelijke krachten te fungeren. Bij de zwart-magische praktijken krijgen wij te maken met voorwerpen, die begraven worden. Deze voorwerpen hebben in zich reeds symbolische betekenis, maar worden bovendien door bepaalde rituelen en sterke concentratie op juiste trillingen afgestemd. Vaak begraaft men deze onder de drempel, of onder het terras van de woning van degene, die men wil treffen.

Hetgeen ik stel, maakt reeds lange tijd deel uit van de occulte kennis van de mens en zelfs primitieve magiërs weten reeds, dat zij voorwerpen kunnen “laden” met gedachten, zelfs indien de werkelijke betekenis van hun handelwijze, de wijziging, die in de materie tot stand wordt gebracht, hen ontgaat. De uitwerking van deze primitieve methoden is vaak zeer groot. Indien men niet weet, dat men beïnvloed wordt, maar voortdurend bloot is gesteld aan de inwerking, de reflex en vanuit een met gedachtekracht verzadigd voorwerp, zo kan het eigen denken monomaan worden. Beseft men nog niet, wat er gebeurt, dan zal men zich op den duur niet meer aan de eeuwige cirkelgang van de gedachten kunnen onttrekken. Deze gedachten hebben wederom hun invloed op het lichaam.

Wanneer u een huis heeft, voorwerpen, die u steeds in uw nabijheid wilt hebben, omdat zij u dierbaar zijn, draag er zorg voor, dat uw gedachten steeds zonnig en lichtend zijn. Denk regelmatig aan hogere lichtende krachten en waarden. Doe, wat u wilt, maar trek nimmer uw emoties of gedachten neer tot een laag peil. Op het ogenblik, dat u denkt en handelt, laadt u immers ook de materie in uw omgeving met een kracht op, een invloed, die wederkerig u zal beïnvloeden? Natuurlijk hebt u wel een vrije wil, maar sommige voorwerpen kunnen in de loop der tijden zó zwaar geladen zijn, dat men zich onbewust daardoor zal laten beïnvloeden en zich onbewust zal laten leiden door de gereflecteerde invloed. Eerst wanneer het te laat is, ontdekt men dan misschien, welke fout men eigenlijk heeft gemaakt. Vooral wanneer men vaak uitvluchten zoekt, zichzelf pleegt voor te houden, dat iets toch niet zo belangrijk, zo ernstig is, zal men zich, wanneer het er op aan komt, al te vaak door de weerkaatsing van invloed uit de omgeving in slaap laten wiegen. De mogelijkheid is zeer groot, dat men aan het einde van de beïnvloeding ontstelt ontdekt, wat men eigenlijk gedaan heeft, wat men eigenlijk tot stand heeft gebracht.

Vrienden, u behoeft geen magiër te zijn, u behoeft van de krachten, die ik u beschrijf, geen gebruik te maken, maar u bent wel aan uzelf verplicht er zorg voor te dragen, dat in uw omgeving zoveel mogelijk een sfeer van vreugde, aanvaarding, erkenning van het hogere heerst. Dan zal uw omgeving voor u en anderen steeds weer heilzaam werken.

Indien u dit niet doet, zult u steeds weer terugvallen in oude fouten, omdat u zelf de omgeving hebt beïnvloed en zo a.h.w. rond u een reeks van generatoren gebouwd hebt, die u steeds weer naar die fouten terug trachten te drijven. Houd hiermede rekening. Nu zult u wel begrijpen, dat alles, wat voor de mens mogelijk is, voor de geest eveneens mogelijk is, terwijl zeker ook alle mogelijkheden bestaan voor de Goddelijke kracht. Wij kunnen niet zeggen, dat het inleggen van gedachtekrachten in dode materie alleen een menselijke eigenschap is. Wij kunnen ten hoogste stellen, dat deze beïnvloeding alleen van een bewustzijn kan uitgaan. Hoe groter en sterker dit bewustzijn zal zijn, hoe groter en sterker de invloeden, die in een voorwerp of deel van de materie kunnen worden neergelegd.

Let wel: Wij hebben niet te maken met een werkelijk veranderen van een voorwerp, maar slechts met een structureel zeer geringe en voor de doorsnee mens niet kenbare wijziging in enkele onderdelen van het voorwerp, van de materie. Toch kunnen voor de sensitieve mens, die deze invloeden ondergaat, onvermoede en wonderlijk sterke krachtbronnen op deze wijze ontstaan. Wij zijn dus, wanneer wij in de stof leven, zeker niet de enigen, die deze werkingen tot stand brengen. Het feit, dat geestelijke krachten op gelijke wijze in de stof werkzaam zijn, verklaart tevens, hoe bepaalde voorwerpen zo vaak wonderen tot stand schijnen te kunnen brengen. Daarbij is het zelfs niet noodzakelijk, dat de kracht in het voorwerp zelf schuilt.

Hierbij denk ik aan bepaalde relieken. Dus het stukje van een kleed van een heilige, een stukje hout van Jezus’ kruis enz. Op zich zijn dit voddige en onbelangrijke stukjes normale materie, maar zij blijken onder omstandigheden heel wat tot stand te brengen. Hieraan wil ik onmiddellijk toevoegen, dat het nog niet eens noodzakelijk is, dat dit stukje hout werkelijk van het kruis is, of het stukje stof inderdaad stamt uit de mantel van een heilige. Wanneer voldoende mensen voldoende lange tijd daarin intens hebben geloofd, is zelfs willekeurig hout, willekeurige stof qua wezen, qua ingelegde reflex en straling aan het werkelijke deel van het kruis enz. bijna gelijk geworden. Een wonder, door een dergelijke reliek volbracht, is geen bewijs van echtheid, maar eerder een bewijs van de in het voorwerp opgetreden wijzigingen.

Nu geef ik een voorbeeld van een werkelijke reliek. Stel, dat wij uit de paar pond nagelen, die onder die naam in omloop zijn, een nagel vinden, die werkelijk gebruikt werd om Jezus aan het kruis te nagelen. Denk nu eens na over Jezus dood. Realiseer u niet alleen Zijn lijden, maar denk vooral na over Zijn innerlijke grootheid, Zijn geesteskracht, die Hem in staat stelt anderen te troosten, terwijl Hij zelf sterft, die Hem zelfs nog goede gedachten doet uitzenden en bidden voor Zijn beulen. Laat alle Goddelijke waarden nu buiten beschouwing en vraag u af, welke enorme emotionele- en gedachte invloeden op dit stukje materie wel in hebben gewerkt gedurende een periode, dat het met het wezen van Jezus praktisch één was. Wij mogen wel aannemen, dat dit stukje materie geheel op de trillingen, op de sfeer en gedachtewereld van Jezus is afgesteld. Neem verder aan, dat diezelfde Jezus een grote en lichtende kracht in de geest is. Dan zal dit stuk materie, dat immers op Hem afgestemd is, kunnen dienen als een middel om de mens a.h.w. af te stemmen op Jezus wezen. Het dient als een soort transformator. De mens ondergaat immers de uitstraling van dit voorwerp en wel sterker naarmate hij sensitiever is. Dan zullen eigen denken en instelling daardoor in een zeer bepaalde richting worden gedrongen. Eigen innerlijke gesteldheid wordt aangepast aan het wezen van Jezus. Hierdoor zal de mogelijkheid ontstaan een innerlijk contact met die hoge en lichtende kracht tot stand te brengen en de krachten, die daarin leven, ook binnen het eigen ik – zij het tijdelijk – te erkennen.

Hier is het niet de reliek, die iets tot stand brengt, maar de hogere kracht. De reliek dient in feite hoofdzakelijk als inductor, waardoor het mogelijk werd uw eigen gedachten en gevoelswereld tijdelijk te transformeren tot een aanvaarden, erkennen en beleven, waarin ook de hoogste krachten werkzaam geuit kunnen worden. Zo zullen er op aarde ongetwijfeld vele plaatsen en voorwerpen zijn, die vanuit zich het goede uitstralen, zo de mens a.h.w. kracht gevende door het contact met het hogere, dat de mens hierdoor kan beleven. Omgekeerd zullen er vele plaatsen en voorwerpen bestaan, waaraan invloeden kleven, die voor een mens minder prettig zijn. Stel u de inwerking van een oorlogsreliek voor, dat geteisterd is door onbeheerste uitstromingen van menselijke haat, menselijke angsten en zelfzucht, dat deel had aan een beleven, waarin alle waarlijk menselijke waarden op de achtergrond werden geschoven en men – bewust zelfs – het beest in de mens op de voorgrond schoof. De gevoelige mens zal dan ook deze invloed ondergaan, zal ook deze sfeer in zich opnemen.

Is het vreemd, dat mensen door dergelijke relieken kunnen worden opgezweept tot een haat en een onredelijkheid, die vaak onbegrensd is. Het is geen wonder, dat dergelijke relieken krachtens hun geaardheid ook minder lichtende entiteiten de mogelijkheid verschaffen met u in verbinding te komen en hun krachten en wil via uw wezen te doen werken. Daarom is het vooral voor meer sensitieve mensen noodzakelijk na te denken en zich wel te beraden over mogelijke gevolgen, voor zij zich aan een bepaalde sfeer blootstellen.

Indien u rond u een sfeer erkent, die helder en lichtend is, zo zult u wel zeggen: Hier heerst een zuivere invloed, waarbij zelfs de dode materie mij het lichtende weerkaatst en mij tot het hogere kan brengen. Hier kan ik haast wonderlijke krachten ontvangen… Soms is de sfeer onrustig en duister. Realiseer u dan, dat hier alle voorwerpen, alle dode materie rond u, een nadelige invloed zal hebben op u, indien u dit niet tijdig erkent. Vermijd zo mogelijk een dergelijke omgeving. Is het niet mogelijk de sfeer te vermijden, wees dan blijvend op uw hoede, opdat uw eigen bewuste gedachten een tegenwicht kunnen vormen voor de kracht, die de omgeving naar u doet uitgaan. Het is beter een onjuiste sfeer te vermijden, tenzij men daar zelf bewust eigen krachten t.o. kan stellen, een bewust denken in Godsaanvaarding, werelderkenning en liefde, want dergelijke invloeden zijn juist voor de zwakken een niet te onderschatten, ja, misschien dodelijk gevaar. Misschien heeft u gemeend, dat ik mij bij dit onderwerp gedurende inleiding zou beperkingen tot het omschrijven van de in de parapsychologie bekende verschijnselen en werkingen. Ik meen, dat dit reeds voldoende geschiedt, zodat het belangrijker is op andere aspecten van de zaak de nadruk te leggen. Alles, wat u bent, wat u denkt, dringt door in de materie. Dit zal geschieden, of u dit nu wenst of niet. U kunt de inwerking van de gedachten op de materie weliswaar enorm versterken, maar u kunt deze werkingen nimmer geheel op doen houden. U kunt alle krachten, die er bestaan, opwekken, oproepen en bannen in een stukje hout of steen.

Veronderstel niet, dat nu deze krachten en/of geesten inderdaad in steen of hout leven. De materie is alleen een middel geworden, waardoor de kracht tot uiting komt en zijn invloed op het bewustzijn in de omgeving uit kan oefenen. U leeft nu eenmaal in een wereld, waarin het goede en het kwade vaak onmiddellijk naast elkaar gelegen zijn, of zelfs niet geheel van elkaar gescheiden kunnen worden. Niemand onder u zal in staat zijn precies alles te scheiden in het goede en het kwade. Werkelijk zwart en werkelijk wit zijn maar weinige dingen op uw wereld. Het merendeel is grijs. Grijs in alle mogelijk schakeringen weliswaar, maar toch een meng- kleur, grijs.

Juist omdat het volledig juiste oordeel zo moeilijk is, lijkt het mij dan ook beter, dat u niet naar absolute waarden zoekt, maar steeds afgaat op uw innerlijke reactie, uw eigen oordeel. Dit geldt vooral t.o.v. invloeden, die u waarneemt, de sfeer, waarin u zich begeeft. Zoek steeds naar alle krachten, sfeercontacten, die voor u harmonisch zijn. Tracht steeds waarden, plaatsen en krachten te vinden, die voor u goed zijn. Wanneer een huis, een plaats, een voor u niet aanvaardbare sfeer ademen, wanneer u voelt, dat deze voor u niet past en deze niet kunt overwinnen, doet u er beter aan om heen te gaan, voor u zelf door de omgeving wordt aangetast; want de trillingen van levende wezens worden vastgelegd in de dode materie, die de in haar gelegde invloed naar alle bewustzijn reflecteert, zonder ophouden, zonder enige wijziging.

Met deze raad zou ik mijn inleiding gevoegelijk kunnen besluiten. Ik maak echter van de gelegenheid gebruik u er op te wijzen, dat sommige mensen voorwerpen gemakkelijk aanvoelen, terwijl anderen daarentegen dit niet bewust kunnen doen, of hiermee de grootste moeite hebben. Er zijn zelfs mensen, die geheel niet voor sfeer e.d. gevoelig menen te zijn. Zij zeggen: Dit komt door mijn gebrek aan gevoeligheid… Nu zal uw intensitiviteit inderdaad be- palend zijn voor de wijze, waarop u invloeden waarneemt en ondergaat. Voorbeeld: Iemand met een scherp gehoor zal zonder moeite waarnemen, wat ’n dove slechts met moeite kan verstaan. Een doofstomme voelt weliswaar de trillingen, maar deze zijn voor hem te zwak om daaruit een redelijk beeld te vormen. Elke mens, die leeft en denkt, ondergaat wel degelijk de invloeden, die wij heden bespreken. Indien u meent niet gevoelig te zijn, of – wat ook voorkomt – meent, dat dit alles dwaasheid is, raad ik u niet alles onmiddellijk te verwerpen, maar eerst eens enkele proeven te nemen. Laat eens voorwerpen op u inwerken, zonder aan uw gedachten beperkingen op te leggen, Onderga bij voorkeur enige malen de invloed van oudere voorwerpen. Verwacht geen beelden te zien, of voorspellingen te kunnen doen, maar aanvaard een mogelijke inwerking. U zult dan ontdekken, dat vele voorwerpen meer te zeggen hebben dan mensen, ook al kunt u hun taal niet omzetten in menselijk redelijke termen. Geen: ik zie..,.ik zie ….. dus. Dat kan wel eens voorkomen, maar wanneer men zegt iets te “zien”, is dit slechts een uitdrukking, een poging, het gestelde aanvaardbaar te maken, een versiering van de feiten. Na enige oefening zal ieder mens in staat zijn om te stellen, dat een voorwerp voor hem rustig of onrustig aanvoelt, terwijl zeer velen zullen bemerken, dat zij bij het opnemen van een bepaald voorwerp, of het vertoeven in een bepaalde ruimte, opeens aan sommige waarden, gebeurtenissen en mogelijkheden moeten denken, waaraan zij allang niet meer hebben gedacht, of waaraan zij eigenlijk nooit werkelijk aandacht aan hebben besteed. Het optreden van bepaalde associaties zal in vele gevallen veroorzaakt worden door de uitstraling van “geladen” voorwerpen. Daardoor zult u op den duur leren beseffen, wat voor u goed en wat voor u niet goed is. Wanneer u voorwerpen aankoopt, vooral wanneer dit via een vendu is, is deze gevoeligheid soms zelfs zeer waardevol. Dan kunt u uzelf voor veel ellende beschermen, wanneer u eerst eens nagaat, of een voorwerp u misschien “iets zegt”.

Juist bij verkopingen zien wij vaak mensen iets kopen, dat hen onaangenaam aandoet, maar anderzijds begerenswaardig voorkomt. Zij negeren hun gevoelens dan onder het motto: het is natuurlijk heel anders, wanneer het eenmaal in mijn eigen omgeving staat; maar op die wijze kun je onbewust een vreemde invloed in huis halen. Een ieder, die ook maar enigszins gevoelig is, doet er goed aan deze gevoeligheid steeds weer te gebruiken. Wanneer u meent helemaal niet gevoelig te zijn, zal uw onderbewustzijn de beïnvloeding waarnemen, die aan uw bewuste vermogens ontgaat. Wanneer u rekening houdt met impulsen van niet redelijke aard en tracht na te gaan, welke voorwerpen, of welke omgeving deze naar voren deden komen, zult u zelfs dan in staat zijn van de aan elke bewustzijn eigen gevoeligheid, gebruik te maken.

Op den duur zult u dan ook leren meer bewust aan te voelen. Want waar gevoeligheid een wezenseigenschap van alle mensen is, zal men deze kunnen versterken en het gebruiken daarvan aan kunnen leren, zoals ook iedereen kan leren schrijven en iedereen met enige moeite en oefening het gebruik van een pendel zal kunnen aanleren. Bij dit laatste speelt overigens het onderbewustzijn een even grote, of nog grotere, rol als bij de interpretatie van invloeden door iemand, die meent niet gevoelig te zijn.

Het ontwikkelen van geestelijke gaven lijkt mij van minder belang, zodra het gaat om het voorspellen van de toekomst enz. Maar naar ik meen, is het voor ieder van u belangrijk te leren in eigen omgeving:

1.Voortdurend de juiste invloed en sfeer te scheppen.

2.Aan te voelen, waarvan in de omgeving een nadelige invloed uitgaat en deze zo mogelijk te verwijderen.

3.Terwijl men, beseffend dat al, wat men zelf uitstraalt, ergens door materie kan worden vast- gehouden, vastgelegd.

Tracht zo weinig mogelijk gevaarlijke vallen van denken enz. voor zichzelf en de medemensen in de materie vast te leggen. Dit bereikt men door, wanneer het maar even kan, zijn gedachten op de zonnige en meer lichtende aspecten van het leven te richten, terwijl men alle haat en duistere gevoelens en gedachten zoveel mogelijk mijdt.

  • Wat is het verschil tussen een talisman en een amulet?

Een talisman is een geluksbrenger. Wanneer u geluk hebt gehad, terwijl u bv. een bepaalde munt, of een verdroogde kastanje, bij u droeg, kunt u deze als geluksbrenger gaan beschouwen en deze steeds bij u gaan dragen. Dit is dan voor u een talisman.

Een amulet wordt opzettelijk en volgens bepaalde magische wetten vervaardigd. Het bestaat meestal uit met een bepaald doel neergeschreven woorden, tekens enz. Soms is het geheel op metaal gegraveerd. De vervaardiging is aan bepaalde wetten gehouden en het product van de arbeid wordt aan bepaalde magische handelingen onderworpen.

Een mohammedaanse amulet zal vaak bestaan uit een kokertje of zakje, waarin zich perkament bevindt, waarop bepaalde engelennamen en een of meer soera’s uit de Koran zijn geschreven. Een negeramulet daarentegen kan een zakje of busje zijn, waarin zich bepaalde voorwerpen, delen van dieren enz. bevinden, waaraan magische krachten worden toegekend, terwijl het geheel bovendien nog eens magisch behandeld werd, zodat een bijzondere kracht daarin werd vastgelegd – dat denkt men tenminste.

Een talisman is zonder meer een geluksbrenger, die men heeft ontdekt, gevonden enz. Het voorwerp is niet ontworpen, samengesteld, of vervaardigd met de bedoeling er een geluksbrenger met bijzondere krachten van te maken. In de praktijk zal een talisman dan ook geen magische krachten bevatten, maar ten hoogste een band met natuurkrachten, natuurwezens e.d. kunnen betekenen, terwijl alle eigenschappen in ieder geval een natuurlijk deel van de talisman vormen.

Een amulet is een voorwerp – of reeks van voorwerpen – met een zeer bepaald doel vervaardigd of samengesteld, waaraan bijzondere eigenschappen worden toegekend, verkregen langs magische weg. Deze krachten kunnen inderdaad in het amulet schuilen, maar zeker is dit niet.

M.a.w.: Wanneer u morgen een amulet koopt, dat u onsterfelijk heet te maken, lijkt het mij toch verstandiger niet onmiddellijk het begrafenisfonds op te zeggen.

  • Sterke emoties en gedachten brengen een wijziging in de spanningen of verhoudingen binnen het atoom. Tracht de oorspronkelijke zich dan niet te herstellen, waardoor de ingebrachte kracht teloor gaat?

Dat kan inderdaad het geval zijn, wanneer de ingebrachte invloed of gedachte te zwak is. Ik gaf een vergelijking om duidelijker te zijn.

Wanneer ik een stroomgeleider neem en daardoor een elektrische stroom doe gaan, zal rond die geleider een magnetisch veld ontstaan. Op het ogenblik, dat ik de stroom voor het eerst doe doorgaan, is er een aanvangsweerstand, die hoger is dan de normale weerstand van de geleider. Pas wanneer het magnetische veld rond de geleider eenmaal is ontstaan, zal het normaal opgegeven geleidingsvermogen van de geleider werkelijk optreden.

Bij het afsluiten van de stroom zal het magnetische veld op de geleider terugvallen en daarbij een – qua spanning vaak hoger gewaardeerde – stroom in de geleider doen ontstaan in een poging wederom de bestaande toestaand te handhaven. Wanneer een wijziging sterk genoeg is om de aanvangsweerstand te overwinnen, ontstaat een nieuw evenwicht, dat zich eveneens tegen alles, wat verandering betekent – ook dus een herstellen van de oorspronkelijke toestand – verweert. Dit geldt op ongeveer dezelfde wijze voor het aanbrengen van wijzigingen door gedachtekracht in de grondstructuur der materie, de baan der verhoudingen van de kleinste deeltjes. Een goed voorbeeld kunt u vinden in de moeite, die het kost om z.g. gevloekte plaatsen te reinigen.

U kunt van mij aannemen, dat nergens ter wereld een plaats of stukje materie bestaat, dat vanuit zichzelf en zonder meer op het denken van de mens etc. een nadelige invloed heeft. Wanneer eenmaal een dergelijke invloed tot stand is gebracht en – soms door eeuwen van geloof aan de vloek, versterkingen van de vloek enz. – overheerst, kost het onnoemelijk veel werk en kracht om die invloed geheel te verdrijven. Wanneer een emotionele spanning, of geconcentreerde gedachte, maar sterk genoeg is, kan zij een wijziging tot stand brengen, die zozeer een nieuw evenwicht betekent, dat de materie zich met alle krachten zal verzetten tegen elke kracht, die de invloed ongedaan wil maken.

  •  Geldt dit ook voor aardstralen?

 Aardstralen zijn van geheel andere geaardheid als gedachtestralingen, die in de materie werden vastgelegd. De aardkern, waarin o.m. nikkel, ijzer en enkele andere elementen onder zeer hoge pressie op elkaar inwerken, emitteert stralingen. Een soort radioactiviteit. Door de omliggende schillen of lagen der aarde, zowel vloeibaar als vast, wordt de geëmitteerde straling gediffuseerd, zodat aan de aardoppervlakte een gelijkmatige straling ontstaat. Aan de oppervlakte vormt deze straling dan het z.g. aardpotentiaal, terwijl haar uittreding in de atmosfeer tevens dragend is voor het eigen stralingsveld van de aarde.

Wanneer in een der schillen of lagen der aarde een fout optreedt, zal daar deze zuiver materiële straling in sterkere mate naar buiten kunnen treden. Het verschil van deze dichtere straling t.a.v. de omgeving doet dan de zenuwstoornissen, groeibelemmeringen enz. ontstaan.

Men tracht wel eens – door eigen, wel magnetisch genaamde, krachten – nu de aardstralen te verdrijven, maar in feite kan niet niets anders doen dan een deel der materie eigen levenskrachten in te loggen op zodanige wijze, dat deze materie op de aardstraling diffusierend gaat werken. Een enkele maal zal men daarin misschien wel slagen.

Denk vooral niet, dat u aardstralen door concentratie en gedachtekracht eenvoudig kunt elimineren. Bovendien: aardstralen liggen in een andere frequentie en intensiteit dan de menselijke gedachten en komen daardoor veel dichter bij de z.g. astrale trillingen.

  • U sprak van dode stof. Alle stof is uit God, de Bron van alle bewustzijn, voortgekomen, en zal dus m.i. ook enig bewustzijn moeten dragen, moeten leven.

Het totaal der Schepping is uit God en bestaat in God. Wij moeten dus aannemen, dat God Zich van het totaal der Schepping bewust is. Als zodanig heeft dus het totaal van alle materie leven, zeker bewustzijn, en een bestemming binnen het Goddelijke. In deze zin heeft de steller gelijk, toch is er hier sprake van een denkfout.   Met evenveel recht kan ik stellen, dat de hersencel, die in de nagel zit, evenveel of tenminste een vergelijkbaar bewustzijn heeft t.o.v. de hersenen. U weet zelf wel, dat dit verschil zo groot is, dat wij praktisch mogen stellen, dat de eenvoudige cel vanuit ons standpunt geen werkelijk bewustzijn bezit.

Geheel de kosmos leeft, maar in vergelijk met ons eigen leven – en alles, wat dit voor ons betekent – mogen wij stellen, dat de niet kenbaar bewuste en bezielde materie dood is. Misschien relativeren wij hier de termen bewustzijn en leven, waar wij dezen afhankelijk stellen van het gemiddeld menselijke idee van leven en bewustzijn.

Wanneer wij stellen, dat alles in God leeft en bewust is, maken wij dan ook de fout onze wereld vanuit een Goddelijk standpunt te willen beschouwen. Vanuit ons denken is het beter te zeggen, dat God in alles leeft en zich in alles bewust is.

Nu weten wij, dat ook de z.g, dode materie in vele gevallen bezield kan worden door z.g. natuurgeesten. Dit is een vorm van leven en bewustzijn, die bestaan kan naast – maar niet geheel in en gebonden aan – een rivier, een bergmassief enz. Kortom: een der oude elementen. Deze wezens zijn niet aan de materie geheel gebonden en uiten zich op een ander dan zuiver materieel vlak, zelfs indien een dergelijk bewustzijn zich binnen een steen kan uiten en daarin leven.

Vanuit ons standpunt is daardoor de steen nog niet tot levenswezen gebonden. Het is misschien de geaardheid van de steen, dat zij tot woning van de natuurgeest kan dienen, maar daardoor leeft zijzelf nog niet en is zij nog niet bezield, zoals bv. een mens of ander levend wezen. Vandaar de aanduiding “dode materie”. Ik weet wel, dat alles in feite leven en be- weging is, op microkosmisch vlak. Vanuit het menselijke standpunt kan men deze waarden beter verwaarlozen, waar zij voor de mens geen kenbaar geheel zijn. Het zal u nu duidelijk zijn, waarom ik de uitdrukking “dode materie” gebruikte.

Nog een opmerking: Wanneer dit de wil Gods is en het wezen Gods Zich openbaart, kan alles, dan kan ook hetgeen wij dode materie noemen levend en bewust zijn. Dan kan een tafel spreken en een steen de cha-cha-cha dansen. Het kan, maar God is geen Wezen vol willekeur. God is voor ons kenbaar als een Wetmatigheid, Zijn wezen is voor ons in de eerste plaats kenbaar door de kosmische wetten, die Hij stelt. Daaronder ook de wet der gelijkblijvende velden en de wetten van evenwicht, die de basis vormen van alles, wat ik zo-even gezegd heb, over het vastleggen van gedachtetrillingen van levende onbewuste wezens in de dode stof.

Het is zeker mogelijk, dat God in alle dingen iets legt, dat er voor ons bewustzijn tot op heden niet in aanwezig is, evenals God kan verbieden, dat de menselijke gedachtekracht, of inwerkingen van de geest binnen bepaalde voorwerpen, of op bepaalde plaatsen worden gefixeerd.

Gezien de gemiddelde reeks van verschijnselen en de voor ons kenbare wetten, moeten wij een dergelijke toestand tot op heden onwaarschijnlijk achten en mogen wij er niet mee rekenen, dat een dergelijke toestand in de toekomst wel op zal treden.

Vergeet niet, dat God – krachtens de vanuit Zijn Wezen geuite en binnen geheel de Schepping vastgelegde regels – ook dit vastleggen van gedachten, krachten enz. in de niet levende materie toelaat, terwijl zelfs de weerkaatsing van het vastgelegde voortvloeit uit Zijn wetten en indirect m.i. uit Zijn wil en wezen.

Laat mij nogmaals duidelijk stellen: Ik neem aan, dat God elke uiting of oplegging van menselijke gedachtekracht, door middel van of in de dode materie kan voorkomen, zoals Hij in alle delen der materie en van de geest bewustzijn, wil en wezen kan leggen, volgens Zijn wil en besluiten. Daarnaast stel ik, dat Hij dit niet doet en Zich houdende aan door Hem Zelf geschapen wetten, die door mij beschreven, verschijnselen heeft toegelaten, zodat zowel de omschreven toestanden als aanduidingen vanuit ons standpunt als normaal kunnen worden beschouwd .

  • Ik spreek u niet tegen, maar stel – zoals vele filosofen reeds deden – dat God Zich uit als een tweeledigheid, n.l. energie en bewustzijn. Dit houdt volgens mij in, dat materie bewustzijn heeft, zij het van een andere orde dan een niet vergelijkbaar met het bewustzijn van een mens of een cel. Bewustzijn impliceert leven.

Binnen bepaalde filosofische stellingen hebt u gelijk met deze tweeledigheid, maar zodra het gaat over ons besef van leven, spreken wij altijd weer over drie-eenheid, want er is nog een derde factor.

Leven is: bewustzijn, plus kracht, of bewustzijn plus beweging, en andere vorm van kracht, die beperkt is. Energie kan zich uiten als beweging in gesloten band, waardoor de tegenstelling aanwezig kan zijn, zonder daaruit de noodzaak van bewustzijn te scheppen. Zolang er geen bewustzijn plus beweging optreedt, zal er geen sprake zijn van een voor de mens kenbare uiting.

Energie en bewustzijn vormen samen mogelijk wel een vorm van leven, maar geen vorm, die voor de mens en de uit de mens voortkomende geest als zodanig kenbaar is. Alleen wanneer energie, bewustzijn en beweging – hier gelijk ook aan tijd – optreden, kan er iets zijn, wat voor het menselijk bewustzijn – en desnoods in stoffelijke vorm bewust – kan leven.

  • Wanneer een voorwerp door een bewuste intelligentie wordt ingestraald, bv. op Steravond, wordt de trilling dan opgenomen in het stoffelijke voorwerp, of in de geestelijke wederhelft daarvan?

 In de inleiding heb ik getracht dit duidelijk te maken, dat dit gehele onderwerp handelt over trillingen, door gedachten enz. van de geest en stof, die in de materie worden vastgelegd. De inwerking van gedachten enz., door de geest en stof kan een baanverdringingsverschijnsel betekenen voor bv. een elektron in een atoom. De gedachtekracht van de geest en de gedachtekracht van de mens zijn in wezen gelijke krachten qua aard. Het verschil komt voort uit het feit, dat in de geest bepaalde beperkingen niet meer bestaan, terwijl een intenser samengaan van denken en beleven mogelijk wordt. De trillingen, die van de geest uitgaan, zullen dan ook hoger liggen en in verhouding intenser zijn.

Wanneer een lichtende intelligentie op Steravond materiële emblemen instraalt, wordt daarin inderdaad iets veranderd. Gezien de hogere trillingen van de geest zal de uitwerking ervan iets verfijnder zijn, dan die van de doorsnee menselijke gedachte uitstraling. Indien een mens zijn stoffelijke beperkingen zou kunnen vergeten en zo vanuit zijn innerlijk wezen de kracht in de stof leggen, zo zou hij precies hetzelfde kunnen bereiken. De mensen maken altijd een zeer grote en abrupte scheiding tussen stof en geest, maar het verschil is niet zo groot, als men meent te moeten stellen. De bron, waaruit mens en geest stammen is immers hetzelfde, de kracht, waaruit beiden bestaan is dezelfde? Alleen de wijze, waarop het bestaan ervaren wordt, is voor beiden een anderen, waardoor ook de functie van beiden in het geheel der Schepping tijdelijk andere aspecten vertonen kan.

Wij kunnen wel zeggen, dat de beperkingen, waaraan het bewustzijn in de stof onderworpen pleegt te zijn, het voor de mens moeilijker maken om precies dezelfde krachten in de materie vast te leggen, dan voor de geest, terwijl de geest meer moeite zal hebben, met het in de stof vastleggen van de lagere trillingen, die voor het menselijke denken normaal zijn.

De structuur van de materie, die gebruikt wordt, is eveneens belangrijk. Sommige stoffen als bv. gekristalliseerde koolstof, of diamant, maar ook goud en zilver, behouden bepaalde trillingen gemakkelijker, dan andere stoffen. Dit is afhankelijk van de onderlinge samenhang en opbouw van atomen.

  • Kan men een voorwerp, dat slechte trillingen uitstraalt, door eigen denken zo beïnvloeden, dat het op den duur goede krachten uitstraalt?  

 Ja. Elk voorwerp, ongeacht de uitstraling daarvan, kan worden gereinigd en aangepast aan eigen denken en uitstralingen. U kunt dus ook het voorwerp met goede krachten “laden”. Zolang deze taak niet voltooid is, zal men zich van de eigenschappen en uitstraling van het voorwerp bewust moeten blijven. Men zal de beïnvloeding, die men van het voorwerp ondervindt, voortdurend moeten erkennen en negatieveren. Wanneer het sterk met duistere krachten geladen voorwerpen betreft, is dit wel eens heel moeilijk. Daarvoor kan men natuurlijk gebruik maken van bepaalde rituele proceduren, waardoor het mogelijk wordt zeer intense spanningen op te wekken. Deze spanningen zijn veel groter, dan de invloed van de menselijke gedachten, zonder dit ooit te kunnen zijn.

Hetzelfde kan ook bereikt worden door concentratie en contemplatie. Maar altijd geldt, dat voor het reinigen van het voorwerp tenminste dezelfde kracht moeten worden opgebracht, die eens de wijziging, de slechte uitstraling, tot stand bracht. Soms is dit mogelijk langs progressieve weg, dus door meerdere malen achtereen kleinere krachten te gebruiken. Zelfs dan zal de kracht groot genoeg moeten zijn om een terugval in het oude evenwicht te voorkomen.

Bij elke poging moet een zekere inertie overwonnen worden, terwijl bovendien met een kleine terugval na elke behandeling gerekend moet worden. In dit geval is het totaal der noodzakelijke krachten dan ook het 3 – 4 voudige van de oorspronkelijke – slechte – impuls. Zou u de laatste procedure toe willen passen, dan dient u er verder voor te zorgen, dat het voorwerp in kwestie zich niet voortdurend in uw omgeving bevindt, waardoor u dan onbewust de nog bestaande niet aanvaardbare tendensen en uitstralingen weer zou gaan voeden.

  •  Hebben Egyptische priesters hiervan gebruik gemaakt om piramiden af te schermen?

 De koningsgraven wel. Niet alle piramiden waren daartoe bestemd. Tenminste 2 piramiden en een z.g. rotsgraf waren niet bestemd als graf, maar worden gebruikt om zekere inwijdingsprocedures te voltrekken. Dit was de z.g. inwijding van Re, waarbij de mens door het erkennen van het doodselement werd tot “Herrezen Osiris”. In deze inwijdingstempels maakt men alleen gebruik van sterke lichtende werkingen, die door onbewusten moeilijk te verdragen zijn. Voor graven gebruikte men de z.g. kleitafels, die werden aangebracht op elke afsluiting in het graf. Zij bevatten een vloekformule, waarbij een beroep werd gedaan op een bepaalde demon. De zegels waren op die demon afgestemd. De invloed werd magisch aan de demon gebonden. Wordt het zegel verbroken, dan komen de krachten van de demon vrij en zullen – volgens de bestemming van het zegel – zich ontladen over degene, die het zegel verbreekt. De z.g. grafpriesters kenden een bepaalde methode, waarmede zij die zegels konden verwijderen en vernieuwen.

Daarnaast vinden wij de in rand en lintei versieringen, ingebouwde of gegrifte, beschermende Godssymbolen. Dezen stellen niet in de eerste plaats een God of demon voor, doch dienen hoofdzakelijk om aan de “Ba” van de begraven vorst enz., zekere Goddelijke krachten te verlenen, waardoor het hem mogelijk wordt indringers aan te vallen en te verdrijven. Tussen het huisraad en de schat, die de dode mee kreeg, placht men eveneens bepaalde voorwerpen te bergen, die op magische wijze waren geladen met krachten, die elke dief zouden aanvallen of doden. Dit deed men natuurlijk om dieven af te schrikken. Daarmee heeft men niet veel succes gehad, een mens mag zeer gelovig en zelfs zeer bijgelovig zijn, maar wanneer het om zijn eigen voordeel gaat, is hij bereid om over vele waarden van zijn geloof heen te stappen.

  • Gedachten vol heerszucht en machtsverlangen worden door velen uitgezonden. Dit beïnvloedt dus anderen. 1. Wat gebeurt er met die anderen dan? 2. Hoe slaat dit op de uitzender der gedachten terug?

Meestal zal dit machtsverlangen worden vastgelegd in bv. een gebouw, in bepaalde voorwerpen e.d. Anderen, die hiervoor vatbaar zijn, zullen geneigd zijn onder deze invloed het machtsstreven van degene, die de gedachte uitzond, te bevorderen, maar zullen tevens voor zich wensen, deze macht uiteindelijk zelf te verwerven, zodat zij degene, die zij schijnen te helpen, uiteindelijk benadelen.

Stel, dat een leider zelf voor deze impulsen niet vatbaar zou zijn, terwijl de gedachten door een ondergeschikte uitgezonden worden; dan zal hij de machtsdrift – door de uitstraling ontstaan – opheffen, waar hij aanwezig is. Wanneer een leider zelf eveneens door dit machtsverlangen wordt gedragen, dan ontstaat een eigenaardige werking.

Voorbeeld: Ieder weet, dat er een ogenblik kwam, waarop Hitler in feite waanzinnig was. Zijn machtswaan en machtswellust beletten hem nog redelijk te reageren en te denken. Dit ontwikkelde zich snel en sterk vanaf het ogenblik, dat hij met staf en hoofdkwartier zich vestigde in een speciaal voor hem gebouwde bunkerstad, de z.g. Wolfsschanze. Allen, die daar aanwezig waren, streefden op een of andere wijze naar macht. Ieder wilde ten koste van alles verder komen. Niet alleen dat zij zo de gedachte uitstralingen versterkten, die door hun leider reeds werden uitgezonden, maar bovendien vonden deze krachten – ook de uitstralingen vanuit de beïnvloedde materie – hun brandpunt in de leider zelf. Het gevolg was niet alleen de ondergang van Hitler, maar tevens de ondergang van een groot deel van het land, dat zijn machtswellust had aanvaard en versterkt.

Wij kunnen wel stellen, dat het met Duitsland niet zover gekomen zou zijn, indien deze zelfgeschapen beïnvloeding niet alle werkelijkheidszin bij de leiders had onderdrukt.

Wanneer een machtsdrift ergens niet geremd wordt, slaat hij terug op de originator. Deze zal daardoor zijn machtshonger boven alle werkelijke mogelijkheid versterkt zien en ondergaan aan een voortdurende frustratie daarvan. Frustratie van machtshonger wordt tot haat. Uiteindelijk voert dit tot zelfvernietiging. Bij erkenning en aanvaarding van de machtsdrift zal eveneens een ondergang waarschijnlijk zijn, omdat de machtshonger op den duur zozeer versterkt wordt, dat geen redelijke beperkingen meer erkend kunnen worden.

Dus: tenminste ontstaat een uitputting van de uitzender der gedachten, maar in de meeste gevallen gaat men daaraan op den duur – en naar ik vrees niet alleen lichamelijk – ten gronde.

  • Is een dodencultus, bv. het hebben van een urn met as, of het veelvuldig bezoeken van een graf, i.v.m. gedachtebeïnvloedingen van de mens en de geest, niet af te raden?

Inderdaad. Wanneer iemand overgaat, leeft hij verder in een sfeer, maar hij is niet werkelijk dood. De restanten, die op aarde overblijven, zouden alleen nog waarde hebben, indien zij een middel zouden vormen om elkaar te kunnen ontmoeten of begrijpen. Op zich is het dode materie. Wanneer men eigen honger en verlangens in deze resten gaat projecteren, zal men een mogelijkheid tot contact met de overgegane steeds meer schaden en op den duur onmogelijk maken.

Wanneer de overgegane een contact op zou willen nemen, zullen vanuit deze resten voor hem/haar in feite weerstanden ontstaan, die moeizaam overwonnen moeten worden. Bovendien zullen alle verdrietige gedachten enz. voor degene in de sferen een remming in eigen bewustwording kunnen betekenen, wanneer een sterke band met de persoon op aarde bestaat, terwijl de een, die op aarde zich aan een dergelijke cultus van verlies te buiten gaat, voor zich een aanvaarding van het werkelijke leven en alle mogelijkheden daarvan eveneens bemoeilijkt en op den duur zelfs geheel onmogelijk zal maken.

Het bewaren van as in een urn, het bezoeken en versieren van graven als gebaar van genegenheid, zonder dat hiermede gedachten van onvrede, zelfbeklag enz. gepaard gaan, is voor mij wel aanvaardbaar. Zelfs lijkt mij dit alles niet bezwaarlijk, wanneer men daarmee alleen de nadruk wil leggen op de band, die nog steeds bestaat tussen eigen wezen en degene, die overging.

Toch dient een ieder te beseffen: Wat overblijft is niet meer het werkelijke wezen, of zelfs maar een deel ervan. Het Ik leeft voort in een andere wereld. Om deze redenen acht ik een treurige dodencultus, een aanhankelijkheid aan graven, urnen enz. gevaarlijk. Want men komt er immers zo snel toe het verleden steeds meer te idealiseren en het heden steeds sterker te ontkennen.

  • Heeft niet elke materie een eigen karakter, waardoor de ene stof bepaalde trillingen gemakkelijker vast zal houden dan de andere?  

Het is zeker, dat elk element van de bekende lijst – plus een reeks elementen, waarvan men op aarde het bestaan nog niet ontdekt heeft – een eigen kwaliteit heeft, waardoor elke soort stof dus bepaalde trillingen gemakkelijker voortplant, uitstraalt, of vasthoudt, dan alle andere elementen.

In de magie wordt dit erkend. Wanneer u zich bezig houdt met de materie, die gebruikt wordt bij bezweringen, het vervaardigen van amuletten en zegels, aangepast aan de kracht, waarop men zich baseert. Voor de zon bv. stelt men goud als meest bruikbaar metaal, omdat dit in staat is hoge en lichtende trillingen langere tijd vast te houden. Aan de maan wordt zilver toegekend als hoofdmetaal. Mars, ijzer. Mercurius heeft als eigen element het kwik, terwijl bv. Saturnus een voorkeur schijnt te hebben voor lood.

Dus: bepaalde stoffen zijn bijzonder geschikt voor het vastleggen van zeer bepaalde krachten. De magiërs stellen verder: Wanneer ik een en dezelfde trilling in verschillende materialen inleg, zal de uitwerking daarvan verschillend zijn.

Voorbeeld: Bepaalde, onder de kracht van Venus samengestelde amuletten en zegels, evenals Isiszegels en Ishtar-amuletten, werden zoveel mogelijk op zilver gegraveerd, waar dit de meest positieve werking gaf.

Wilde men met dezelfde krachten iemand schaden, dan gebruikte men dezelfde formules en procedures, maar bracht de tekeningen en symbolen aan op koper, vooral op rood koper. Dit betekende een ommekeer van werking. Wat op zilver werkte, was op koper negatief.

Voorbeeld: Een amulet in zilver gegraveerd brengt welvaart, maar op koper neemt het de welvaart weg. Dit is gebaseerd op het feit, dat bepaalde metalen een trilling geheel in zich vast kunnen leggen en deze dus onvervormd kunnen reflecteren en uitstralen. Zij stimuleren dus. Neemt men daarentegen metaal, dat weliswaar de trilling in zich opneemt, maar niet geheel, dan kan een toestand ontstaan, waarbij het metaal – zoekende naar evenwicht – alle krachten van gelijke geaardheid uit de omgeving tracht te absorberen. Zo wordt dus initiatief e.d. weggenomen. Waar verzadiging in deze metalen bijna onmogelijk is, valt de ingelegde trilling op den duur geheel weg. Vandaar, dat men aannam, dat in het ene geval de waarde van een zilveren amulet blijvend was, terwijl een dergelijke amulet op koper maar een beperkte werkingsduur bezat.

De door mij geciteerde magische stellingen stammen uit rond 500 v. Chr. Reeds toen wisten de mensen dit. Laat mij het volgende hieraan nog toevoegen:

Ongeacht het gebruikte materiaal en de gebruikte vorm zal de hoogste geest – dus de hogere en allerhoogste trillingen – in alle materie en zelfs in beperkte vormen van leven als bv. planten vastgelegd kunnen worden.

Wanneer men met menselijke krachten werkt, zal men steeds de nadruk leggen op materiaal en vorm, waar dezen van groot belang kunnen zijn voor de werking van een amulet, zegel enz. Men zal dus niet alleen bv. goud kiezen, maar daarbij bovendien de juiste vormen moeten kiezen. In het ene geval kiest men een bol, in het andere geval een schijf, een ovaal, een vierkant, een vaasvorm. In de praktische magie erkent men, dat bepaalde materialen, vormen en symbolen voor bepaalde krachten beter geschikt zijn dan anderen.

  •  Wat gaat er van iconen uit? Hoe komt het er in?

Iconen worden meestal nog volgens de oude Byzantijnse methode gemaakt. Het beeld wordt meestal zo ontworpen, dat een deel ervan uitgevoerd wordt in bladgoud, soms wordt het geheel uitgevoerd in email en bladgoud.

Bij schilderingen wordt bladgoud verwerkt als achtergrond Soms zijn in de eigenlijke schilderingen – altijd op paneel – uitsparingen, waardoor een achtergrond van bladgoud zichtbaar is. Daardoor zal een icoon zuiverder dan een normale olieschildering, geloof, vroomheid enz. op kunnen vangen. Toch bestaan er grote verschillen. Men heeft in Rusland een tijdlang iconen in een serie vervaardigd op ongeveer dezelfde wijze, waarop men nu Italiaanse landschapjes fabriceert. Deze iconen werden altijd op hout uitgevoerd en hebben betrekkelijk weinig werkelijke waarde. De uitstraling is beperkt en alleen afhankelijk van de omgeving, waarin zij een tijdlang bewaard werden. U weet, dat de Russen aan iconen voortdurend aandacht besteden en eer bewezen. Er brandt altijd een lampje voor, terwijl men groette voor de icoon, bij het betreden of verlaten van het huis. Daardoor kunnen zelfs deze heiligenbeelden enige lading verwerven. De goede iconen werden vaak vervaardigd in kloosters, soms op metaal, vaak op eiken panelen, uitgevoerd werden deze voorstellingen van begin tot einde omringd met vroomheid.

Dit begon reeds met het uitzoeken van het paneel. Elke penseelstreek, elk beleggen van het paneel ging vergezeld met gebeden, geladen met gedachten aan de heilige, aan God, aan lichtende krachten. Reeds tijdens het scheppend proces werd in dergelijke voorstellingen dan ook een grote lading gedachtekracht gelegd. Daarbij komt de symbolische lijnvoering, waarbij de voorstelling soms een grote symbolische waarde meekrijgt.

Het vervaardigen van dergelijke iconen was een haast magisch werk. Belangrijke iconen vonden vaak hun plaats op het scherm, dat tussen altaar en ruimte van de gelovigen staat. Zij werden er vereerd. Wanneer zij meerdere eeuwen een dergelijke plaats ingenomen hadden, vergaarden zij zeer bijzondere krachten en hadden een zeer heilzame werking op de gelovigen. Er zijn meerdere kerken en kathedralen geweest, waarin iconen met erkend wonderdadige werking op een eigen altaar, of in een eigen schrijn werden tentoongesteld.

  •  Waarom mogen wij op Steravond alleen goud, zilver en platina in leveren?

Omdat deze metalen de uitgestraalde trillingen het beste kunnen aanvaarden en bewaren. Bovendien zullen niet alle metalen even gunstig reageren op de krachten, die worden ingestraald. Bij lood en zink bv. zou zelfs een voor de mens nadelige inwerking verwacht kunnen worden.

  • Hebben menselijke gedachten enz. ook invloeden op werelddelen enz.?  

 Ja, een voldoende verstoring van het menselijke denken kan ten gevolge hebben, dat de aarde zelf in die omgeving niet meer harmonisch is met de rest van de aarde, zodat een herstellen van evenwicht noodzakelijk is. Dit geschiedt dan o.m. door verschuiving van aard- schollen, waardoor aardbevingen en vulkanische werkingen kunnen ontstaan. Het klimaat kan – zij het slechts tijdelijk – beïnvloed worden door een afstoten van hoge of lage drukgebieden en een wijziging van de verdeling van stralingswarmte door onmatig veel bewolking of geheel geen bewolking enz. Materialen kunnen – vooral wanneer zij steeds verplaatst worden uit de ene gedachtesfeer naar de andere en terug – vaak voortijdige vermoeidheidsverschijnselen vertonen, tot overmatig snelle kristallisatie komen, onreinheden in zich doen kristalliseren enz.

Hierbij denk ik aan treinen, vliegtuigen en schepen. De kans op kristallisatie in staal, aluminium, koper en koperbronsvermoeidheid en breuk en trillingsschades in nikkelijzerlegering, is rond 40, hoger in dit geval, dan bij metalen, die niet voortdurend van de ene werkingssfeer naar de andere gaan. Reeksen van ongelukken komen hierdoor vaak voor. Ook bij het wegvervoer zien wij dit verschijnsel wel optreden. Daarbij blijkt een gebied van hoge spanning in verhouding minder schade kenbaar te doen worden, dan een meer ontspannen gebied.

Voorbeeld: een groot aantal materiaalschaden als veerbreuk, asbreuk e.d. pleegt voor te komen bij mensen, die de weg Berlijn – West-Duitsland – gereden hebben. Op de weg zelf komen in verhouding weinig ernstige schaden voor, maar tot rond 60 km van de west-duitse grens is het aantal van de gelijke schaden groter dan elders, juist door deze transporten van en naar Berlijn. De overgang in sfeer en spanning is hier klaarblijkelijk zo groot, dat materialen onder invloed daarvan hun – meestal reeds enige tijd voordien enigszins aanwezige – fouten gaan openbaren.

Gaarne zou ik nu willen sluiten met enkele opmerkingen:

Indien een mens onmiddellijk zijn God zou ontmoeten, zou hij daardoor in zijn bestanddelen ontbonden worden; want er zijn krachten en trillingen, die te hoog zijn voor de mens en door hem niet verdragen kunnen worden.

Wanneer wij in onszelf een zekere hoogte bereikt hebben, zullen wij alle gedachten, die niet daarbij passen, moeten leren vermijden. Want ook een te snel afdalen van een hoger peil naar het als kwaad ervarene toe, zou in zekere mate een vernietigende uitwerking op de mens kunnen uitoefenen. Dit betekent, dat hetgeen ik u vertelde over de dode materie ook voor de mens zelf niet zonder enig belang is. Want ook u zamelt in uzelf een groot deel van gedachten, denkgewoonten en lichamelijke gewoonten op. Wanneer u op een bepaald ogenblik die gewoonten kunt verlaten, zult u gemakkelijker in staat zijn hogere krachten te aanvaarden. Maar vergeet niet, dat dit dan ook voor alle lagere krachten geldt. U kunt dan boven en ook onder de voor de mensheid normaal geldende normen u bewegen, zonder dat uw stoffelijk wezen daardoor wordt aangetast.

Wij zijn, zoals wij in de geest leven, zoals wij in de materie bestaan, wel degelijk ook in grote mate afhankelijk van alles, wat wij in ons eigen wezen leggen. Deze waarden zijn geen werkelijk doel van ons eigen wezen, maar beperken de mogelijkheden daarvan wel degelijk. Bovendien zullen wij deze werkingen en eigenschappen ook buiten onszelf uitdragen, zodat wij het denken en leven van anderen daardoor zeer sterk kunnen beïnvloeden, alsof het een soort besmetting zou zijn.

Vrienden, voorkomt alles, dat uw wezen star, vastgeroest in een bepaalde denk- en leefwijze, zich voortsleept. Indien dit het geval zou zijn, mag u niet trachten onmiddellijk een grote tegenstelling te zoeken en voor de erkende gebondenheid opeens nu een grote vrijheid aan- vaarden. Want dit kunt gij evenmin volbrengen. Tracht te voorkomen, dat gij onverzettelijk vast blijft houden aan een bepaalde leef- en denkwijze, vooral wanneer deze niet uit uzelf stamt, maar in feite aan u wordt opgelegd door anderen. Veracht de stof niet om de geest, verlaat de geest ter wille van de stof. Wees werkelijk vrij in de goede zin des woords. Wees vrij door in uzelf alle goede krachten te aanvaarden en alle lasten daarvan zo nodig vrijwillig te aanvaarden en te dragen. Dit is de weg van zelfwerkzaam zijn, waarop gij de hoogste krachten kunt ontmoeten.

Plooibaar en flexibel zult u ook minder in gevaar verkeren, indien weerkaatsingen van in de stof vastgelegde gedachten en krachten u zouden beroeren. De mens, die zich een te vaste levenssfeer, een te vaste gewoonte van handelen en denken opbouwt, maakt het zichzelf onmogelijk het Goddelijke te ontmoeten. Hij schept rond zich bovendien – door beïnvloeding van voorwerpen, waarin zijn gedachten en emoties worden vastgelegd – een soort vesting, die hem omsluit, hen verdedigend tegen alles, wat niet past in zijn gewoonten, maar hem ook afhouden van alle hogere kracht en bewustwording.

De mens, die bereid is in zich licht en leven te aanvaarden, niet stellende, dat zijn waarheid de enige is, of zijn gedachte de enig juiste is, maar voor zich steeds stellende:

“De God, die in mij leeft, is mij de werkelijkheid; er is voor mij geen goed en geen kwaad, maar slechts de wil Gods, zoals ik deze in en rond mij erken”, volgt de juiste weg.

Deze mens schept rond zich een steeds groeiende harmonie, waarin de grote krachten zich openbaren. Zo iemand brengt geheel de wereld zegen. Zijn voorbijgaan is soms reeds voldoende om ergens een mens gelukkiger te maken, ergens een voorwerp te beïnvloeden, dat voortaan een lichtbaken is voor hen, die in eigen gedachten haast verdoold waren. Het is mogelijk als drager van Licht door de wereld te gaan, zonder dit zelf te beseffen.

Alles is afhankelijk van dit ene punt: Bent u vrij genoeg? Vrij om u aan te passen aan het hoogste, wanneer het tot u spreekt? Bent u in uzelf één genoeg om zonder tegen uzelf verdeeld te zijn, de taak, die de hoogste kracht u geeft, te volvoeren, de kracht van de Hoogste te dragen? Hoe sterker uw God in u leeft, hoe sterker het licht als een bewustzijn, een ervaren in u bestaat, hoe meer gij – zelfs al beseft en wilt gij dit niet – van de Goddelijke waarden en krachten zult vastleggen in de dode materie rond u, die dan uw licht blijft weerkaatsen naar anderen, zo een blijvend goed scheppende, waar gij slechts meende een ogenblik vluchtig voorbij te gaan.

Ik zal nog één vraag beantwoorden, die ik zo-even had uitgesteld:

  • Wat is er nodig om in een kerk een exorcisme uit te voeren?

Een exorcisme is het uitdrijven van een boze geest; dit behoeft niet altijd een werkelijke demon, een bezit nemende geest of duivel te zijn. Vaak is de uitgedreven demon niets anders dan een deel van de mens zelf, die tezeer tegen zichzelf verdoold is. Hetgeen uitgedreven wordt, kan zowel van bovennatuurlijke geaardheid als een zuiver psychisch effect zijn… De exorcist zal altijd beginnen met zich voor te bereiden door oefeningen, zo zich te wapenen met het Licht Gods. In zich draagt hij het licht en de kracht. Hij moet dit als een zekerheid ervaren en mag gedurende de procedure geen enkel ogenblik daaraan twijfelen. Slechts hij, die leeft in het licht, kan de perfecte uitdrijver van een disharmonisch aspect zijn, onverschillig of dit nu uit de geest stamt, of uit de persoonlijkheid zelf. Het ritueel is opgebouwd op vaste gebruiken, waarin vele waarden van het geloof verwerkt zijn.

Wij zien als ritueel dan ook het leggen van zout op de lippen van de bezetene, sprenkelen van gewijd water, terwijl de exorcist tevens gewijde voorwerpen gebruikt, een kruis, of ook gewijde hostie. Toch zal hij de geest niet onmiddellijk uit kunnen drijven. Daarom moet die geest tot antwoorden worden gebracht. Men moet trachten de in bezit nemende geest ertoe te brengen zichzelf te definiëren. Indien deze kracht zichzelf omschrijft, zal zij voor een ogenblik verstarren in haar aanvaarde of werkelijke vorm. Op het ogenblik, dat zij zich definieert, wordt de disharmonie geheel en duidelijk geuit. Dit geldt zelfs, wanneer een dergelijke geest een direct antwoord vermijdt door te zeggen, dat haar naam “legio” is, want dat er velen zijn. Op het ogenblik, dat de disharmonie, zichzelf definiërende als zelfstandige waarde, voor een ogenblik bestaat en de exorcist in volheid dit geloof, erkenning van het licht en aanvaarding van de krachten, in dit licht zich tot deze disharmonische waarde kan wenden, is het voldoende, wanneer hij, zijn macht daarbij uitbeeldende door een symbool van het voor hem hoogste, de geest zegt: “Ik gebied u uit te gaan van deze mens”.

Na enige worsteling, belaagd door de lichtende krachten der harmonie, zal de geest inderdaad zijn slachtoffer verlaten, terwijl, indien er sprake is van een verdeeldheid in het Ik, onder invloed van de harmonische werkingen, uitgaande van de bezweerder, eveneens het Ik, zijn eenheid grotendeels herwinnen en redelijk harmonisch kan zijn. Men heeft aan de noodzakelijke handelingen vele gebeden en rituele handelingen toegevoegd, die bestemd zijn om de goede sfeer te wekken en om een zekere indruk te maken.

Zo is het in een bepaalde plaats in Italië gebruikelijk, dat degenen, die geholpen moeten worden, in een soort gevankelijkheid in een kapel in te voeren. Zij worden daar opgesteld, waarop de exorcist met zijn helpers als in processie door het gehele gebouw trekt om daarna, tezamen met de aanwezigen, waaronder vele leden der curie, te bidden en bepaalde vast- staande spreuken en litanieën luidop te zingen. Daarna begint de uitdrijving, waarbij gebruikt gemaakt wordt van z.g. formulieren, door gewoonte en kerkelijke autoriteit vastgestelde Latijnse gebeden en spreuken.

Het is begrijpelijk, dat men uit de geboden, spreuken, oproepingen enz., die de kerk het meest juiste acht, een soort magisch ritueel heeft gevlochten. In dit magische geheel werken de klanken, woordcadans, de inhoud en het geloof, op gunstige wijze samen, om de disharmonische aspecten te overvleugelen en daarvoor in de plaats meer harmonische werkingen te stellen, die noodzakelijk zijn.

Hiermede heb ik uw vraag over exorcisme beantwoord, die tevens – zij het zijdelings – een licht werpt op bepaalde delen van ons onderwerp van hedenavond.

Ik eindig nu, vrienden. Wanneer een mens in God gelooft, wanneer hij het licht in zich draagt en daarin niet voor zichzelf zoekt, zal hij – zelfs zonder enig ritueel, alleen door middel van de naam en de kracht, die in hem leeft – elke demon uit kunnen drijven en elke disharmonie kunnen herstellen, die niet door de eigen wil der mensen in stand wordt gehouden.

Maar altijd weer zal ook zo iemand voorzichtig moeten zijn, want het felle licht, waarin je innerlijk kunt leven, kan voor anderen soms verblindend, verdovend en vernietigend zijn. Geef daarom vrijelijk van de kracht, die in u leeft, maar geef met begrip voor de onvolmaaktheid van anderen. Geef steeds, maar alleen zover als anderen u kunnen aanvaarden, want alleen op deze wijze kunt gij ook de in u levende Goddelijke en geestelijke krachten aan uw medemensen mededelen en daarmee – volgens mijn bescheiden mening – een goede en verheven taak als mens volbrengen op uw eigen wereld en als deel van de kosmos binnen het geheel der Schepping.