Het beleven van het leven

image_pdf

24 januari 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Het onderwerp is: Het beleven van het leven.

Het beleven van het leven betekent eigenlijk: zich van het leven bewust zijn. Je kunt natuurlijk het leven ondergaan zonder meer. Dan gaat het aan je voorbij, omdat je het niet begrijpt en niet probeert te begrijpen. Maar wanneer je werkelijk beleven wilt, dan moet je proberen om alles, wat rond je is te begrijpen om het samen te brengen in één patroon, dat je iets toont van de grote werkelijkheid, die rond je leeft, de grote werkelijkheid, die ook in je geopenbaard is.

Het onderwerp zelf is moeilijk te omschrijven. Hoe willen wij het woord “leven” verstaan? Men kan zeggen: leven is de opeenvolging van momenten, die voor ons het kennen van ons bestaan, van de eeuwigheid is. Ik geloof dat dat niet voldoende is. Ik meen, dat wij mogen stellen: leven is de kracht, die in ons bestaat, die ons voortdurend bewust doet zijn van alle krachten rond ons. Dan is leven ook niet meer een zuiver stoffelijke, of zuiver geestelijke kwestie. Dan is het leven zelf de onmiddellijke openbaring van God.

“In den beginne was het Woord en het Woord was God…”  Dat Woord is m.i. leven. Dan verandert misschien de tendens van het gestelde onderwerp een klein beetje, maar ik hoop, dat u mij dat niet kwalijk neemt.

Alles, wat er bestaat, alles wat rond ons is, wat wij zien en niet zien, alle krachten, die op ons in werken, of die demonisch zwart lijken, of de hoogste Lichtende Engelen, zij zijn uit God geboren. Het is Goddelijke Kracht. Het feit, dat zij voor ons kenbaar worden, betekent dat zij deel uitmaken van ons leven. Nu kunnen wij misschien bang worden en zeggen: “demon, verlaat mij”. Maar wij hebben een goed voorbeeld in Jezus Zelf. Er staat geschreven hoe Hij vastte in de woestijn en hoe Hij tijdens deze vasten bekoord werd door de duivel, tot drie maal toe. Zegt Jezus dan: “Ga heen!” Neen, Hij zegt: “Ga achter mij, satan.” Hij wil de demon niet uitschakelen uit Zijn bestaan. Hij gaat zijn weg, maar hij verlangt a.h.w. zelfs van deze demonische kracht, dat zij op deze weg met Hem zal gaan en zal steunen. Jezus vlucht niet voor een probleem, Hij overwint en bant het a.h.w. in Zijn eigen bestaan.

Wanneer wij leven, zoals u misschien op de wereld, of in een andere sfeer, dan overkomen ons vele dingen. Wij worden beroerd door vele krachten, die buiten ons liggen. Soms lijken onze krachten verschrikkelijk, soms ook verbazingwekkend van schoonheid, vol van vreugdige intensiteit. Wij vergeten heel vaak om deze belevingen op de juiste wijze te begrijpen.  Het leven beleven wil niet alleen zeggen de veranderingen registreren, die aan je voorbijgaan. Het wil zelfs niet alleen maar zeggen ingaan op al hetgeen wat het leven je biedt. Of een bewustzijn vormen uit al hetgeen, wat het leven je doet ervaren.

Het leven werkelijk beleven wil zeggen: tot een eenheid komen met uw leven. Het leven is God. Zo zou je voortdurend weer in alle dingen de Goddelijke Kracht moeten zien, de Goddelijke Liefde, het Goddelijke Licht. Dat Onvoorstelbare, dat toch de Bron, ja, het hele Wezen en Zijn uitmaakt van al wat rond ons bestaat, ja, alles wat in ons leeft. Kunnen wij God vinden in de eenvoudige dingen rond ons? Kunnen wij God vinden in het hoge als in het lage, dan komen wij tot een werkelijk beleven. Want dan wordt de intensiteit, de grootse alomvattende werking, die in elk kleinste gebeuren, in elk kleinste beleven schuilt, geopenbaard. Al staan wij dan niet alleen meer in een onbegrepen wereld, omringd door een leegte, waarin ergens misschien nog een ster fonkelt, of een planeet zijn baan beschrijft; dan zijn wij deel van een groots en wonderbaarlijk geheel. Het aanvoelen en kennen van dit deelgenootschap verdiept onze ervaringen, maakt ons begrip groter, maakt het ons mogelijk veel te aanvaarden, wat wij anders zouden hebben verworpen. Daarin vinden wij dan de kracht om te Zijn, werkelijk te Zijn.

Het leven beleven wil zeggen: God beleven. Nu is God een heel groot woord. Wie van ons is in staat om de werkelijke God, de grote God helemaal te beleven? Misschien dat wij het onbewust vaak doen, maar wij zijn er ons nog niet van bewust. Maar laten wij dan wel stellen, dat indien wij ons niet verzetten tegen het leven, maar trachten daarin de Goddelijke Wil te proeven, de Goddelijke Liefde toch weer geuit te zien, zo moeilijk als het valt, dan komen wij juist volgens ons eigen bewustzijn, tot een verheffing boven ons eigen “Ik”, tot een eenheid met het Al, een verbondenheid, die m.i. het ware beleven is.

Vragen

  • Het is moeilijk mij de krachten voor te stellen, die volgens sprekers van uw zijde, rond ons zijn, uitgezonderd de laatste Kracht, die u noemde. Ik ben een gewoon mens, zodat die krachten zich niet aan mij vertonen…

Mag ik corrigeren? U die “niet bewust beleeft”. Dat laatste is volledig op uw eigen leven van toepassing, wanneer u het na wilt gaan. Ik kan er hier niet verder op ingaan, maar dan zal u toch wel blijken, dat er ongeziene krachten zijn, die u soms op een heel vreemde wijze geleid en geholpen hebben.

  • Wat zijn alle krachten?

Delen van God. Dus is het spreken over die andere krachten alleen a.h.w. het beschouwen van onderdelen, omdat het geheel nog aan ons bevattingsvermogen ontsnapt. Vergelijking? Wij zien een grote rekenmachine. Wij begrijpen daarin niets van de werkingen, maar wij kunnen wel zeggen, dat wanneer een bepaalde toets ingedrukt wordt, dan gebeurt er dat. Dan zeggen wij, dat hier één kracht is. Die kracht is dan een functie van het geheel. Deze krachten komen allen dus voort uit het Goddelijke Zijn en blijven, bewust of onbewust, deel ervan. Deze krachten nemen vaak de vorm aan van persoonlijkheden. En dat laatste is misschien voor u het moeilijkste punt.

Toch moet u zich realiseren, dat ook u uit God geschapen bent en toch uzelf beschouwt als een persoonlijkheid. Dat u zelfstandig leeft en streeft en studeert en zoekt, en dat u desalniettemin toch maar een deel bent van een volk, een deel van een nog groter geheel: de mensheid; een deel waarschijnlijk van een nog grotere bewustwordingscyclus te midden van het Al. Wanneer ik u als persoonlijkheid ga bezien, dan bent u dus mens, maar als ik u ga bezien als deel van de mensheid, dan bent u het onmiddellijk deel van een Goddelijke Openbaring, gepersonifieerd in de oermens, of Rode Adam. Maar de termen, die ik gebruik zijn niet uniek, er zijn ook andere voor. Ga ik echter dit weer bezien, dan zie ik hierin de Goddelijke Uiting te midden van materie, dus vorm, als tegengesteld aan de Goddelijke Uiting in het vormloze. Dan heb ik al zo’n grote persoonlijkheid gevonden.

Als u zich te midden van die mensheid bevindt, dan kan het niet anders zijn, of het totaal van het menselijke moet zich ook aan u openbaren, moet ook in u ontwaken. U realiseert zich dit niet, omdat het grote geheel aan uw aandacht ontsnapt is. Wanneer ik nu verder stel, dat de Goddelijke Uiting, dus in een bepaalde vorm – in dit geval de mens – gelijktijdig betekent, dat de Goddelijke Kracht, deze vorm, of uiting, voortdurend in stand moet houden, dan betekent dit niet alleen ín, maar ook buiten de mens die krachten zijn. Want, wat buiten ons ligt, is ofwel deel van de mensheid, deel van dezelfde Kracht, dan wel deel van een ander scheppend principe, dat evenzeer een Kracht is. Gezien het feit, dat de grondvorm van die krachten gelijk is, is het dus mogelijk de kracht van het een in het ander over te brengen, a.h.w. het wezen van het een in het ander zelfs te transformeren. Iets, wat dan ook – biologisch gezien – voortdurend gebeurt.

Nu zult u zich ongetwijfeld afvragen: waar blijf je nu met die persoonlijkheden, waar jullie zo vaak over spreken? Dienende geesten, leidende geesten, meesters, demonen, enz. Wanneer het stoffelijk voertuig ten gronde gaat: de essentie, de kracht, blijft ten allen tijde behouden. Dit zou mogelijk zijn op twee manieren en wel het terugvlieden naar de Bron, dan wel het gescheiden voortbestaan onder andere condities.

De ervaring heeft geleerd, dat dit laatste het geval is. Kunt u dit accepteren, dan vloeit hieruit onmiddellijk uit voort, dat u dus – zijnde mens – omringd bent niet alleen door de zichtbare, dus voor u onmiddellijk kenbare, maar ook door de onzichtbare, voor u niet onmiddellijk kenbare invloeden, die behoren tot het grote wezen van de mensheid. Dan is verder daaruit logisch af te leiden, dat een voortdurend verband moet bestaan, gezien de organische samenhang, die tussen deze verstoffelijkte en niet stoffelijke krachten voortdurend aanwezig moet zijn. Op deze wijze kunt u dan komen tot een voorstelling van een wereld, die uiteen valt in het zichtbare en het onzichtbare. Uw klacht is: ik ervaar en zie ze niet… Dat neem ik gaarne aan: u ervaart ze wel, alleen, u bent gewend deze dingen aan iets anders toe te schrijven.

Wanneer een mens zou Weten, hoe vaak een onverwacht vlugge reactie, of een juist op het goede ogenblik opzien, niet alleen zijn eigen wil of goede intuïtie betekent, maar wel degelijk een samenhang met die kracht en die mensheid betekenen, de daaruit geboren impuls, zal hij misschien minder spreken over: “ik merk er niets van.”

Maar nu ben ik er nog niet. Wanneer ik stel, dat de mens kan bestaan, dus de persoonlijkheid, die wij kennen als mens – in stoffelijke en onstoffelijke vorm – , dan impliceert dit tevens, dat zoals er op aarde grote verschillen in weten, in vermogen, in kunnen, in kracht en intellect kunnen bestaan, deze verschillen ongetwijfeld ook kunnen bestaan in de onzichtbare wereld. Zoals er hier op aarde sociaal voelende en a sociale mensen kunnen zijn, vrome mensen en atheïsten, zo moet dat ook weerspiegeld worden in de krachten aan de andere zijde. Neemt men ook deze conclusie aan, dan kan men haast niet anders dan aannemen, dat op enigerlei wijze deze aardse hiërarchie weerkaatst moet worden in de ongeziene wereld. Echter is er geen enkele reden om aan te nemen, dat met deze deling in twee factoren alleen, de geziene en de niet zichtbare, dus de gehele indeling compleet is.

In de eerste plaats weten wij, dat de stoffelijke mens is opgebouwd o.a. uit mineralen, dat de gehele geschiedenis van de ontwikkeling, vanaf de proteïnen, een voortdurend verschil van fase te zien heeft gegeven, een voortdurende verschuiving van waarden, die uiteindelijk de groei van de mens mogelijk maakten. Wij weten, dat deze mens door verschillende rassen en typen heen is gegaan en dat o.a. zijn denkvermogen en zijn gedrag wel heel sterk afhankelijk is geweest van de vorm, waarin hij leefde. Wij kunnen zelfs aannemen, dat dit geldt t.o.v. bewustzijn en intellect. De vondsten van de laatste honderd jaar uit de prehistorie tonen dit aan en bewijzen dit praktisch helemaal. Waarom zouden wij dan aannemen, wanneer er al een scheiding is, dat een dergelijke scheiding niet elders kan bestaan? In het gebied van het niet geziene.

Wanneer de ongezienen een product zijn van de gezienen, of de werkelijk vrije geest het product is van de menselijke ontwikkeling in de stof, zoals dit grotendeels vanuit menselijk standpunt zeker waar is, dan volgt hier wederom uit, dat een verdere ontwikkeling van de menselijke in die andere wereld, aanvaardbaar moet worden geacht. Dan komen wij vanzelf tot grotere persoonlijkheden en grotere krachten, of wezens, die een veel grotere invloed hebben, dan een mens kan hebben binnen het Goddelijke.

Dan zijn wij hier al gekomen aan die ongeziene krachten, die ons voortdurend omgeven. Ik heb het ook over Licht gehad, dat ons omgeeft. Het Licht, dat ons omgeeft, kan men stellen te zijn: God. Zelfs wanneer een vorm bestaat, moet er iets zijn, waartegen zij begrensd kan zijn. Nu ben ik zo vrij te impliceren, dat wat ons begrenst God kan zijn. Licht is onze uitdrukking voor een straling, die ons alles onthult. Ik ben zo vrij te impliceren, dat het Goddelijke bestaan rond ons het enige is, dat voor ons een kenbaar bestaan, een bewustwording mogelijk maakt. Ik ben dus m.i. volledig vrij te stellen, dat wij voortdurend omgeven zijn door een Kracht en een Licht, groter dan wijzelf. Deze kunnen ons voortdurend helpen, zij kunnen ons ook beperken in onze mogelijkheden, of steunen bij ons streven.

  • Worden wij geleefd door de ons omringende krachten? Zij wij afhankelijk van hun ingevingen, goed of kwaad? Bestaat er geen eigen verantwoordelijkheid? Doen wij ooit iets zonder hulp van andere krachten?

Om het laatste het eerst te beantwoorden: ik geloof, dat deze vraag werd gesteld zonder invloed, of drang van andere krachten. Hieruit volgt, dat het wel degelijk mogelijk is iets zonder de invloed van genoemde krachten te doen. Praktisch kan als volgt worden gesteld: De mens wordt door zijn omgeving – of hij dit wil of niet – beïnvloed. Hij wordt echter door deze omgeving niet geleefd, daar hij binnen de condities, die de omgeving stelt, een redelijke handelingsvrijheid behoudt. Dit geldt zowel geestelijk als stoffelijk. Er kan dus worden gezegd, dat door de gemeenschap, waarin men bestaat, geestelijk en stoffelijk het “Ik” wordt beperkt, de voorstellingen binnen het “Ik” althans ten dele worden gericht op door de gemeenschap bepaalde doelen; desalniettemin blijft binnen deze beperkingen een voldoende grote vrijheid van handelen bestaan, om de stelling dat men wordt geleefd, volkomen af te wijzen

Ik zou hieraan toe willen voegen, dat een zelf leven en dus niet geleefd worden inhoudt persoonlijke aansprakelijkheid voor alle daden, die uit eigen wil en niet slechts uit drift of drang van de gemeenschap als zodanig voortkomen. De beïnvloeding door geesten kan alleen dan geschieden, wanneer harmonie bestaat tussen de persoon op aarde en de geest, die inspirerend werkt. Dit laatste maakt ook weer duidelijk, dat dus door de geest op aarde niets stoffelijk verwerkelijkt kan worden door middel van een mens, tenzij dit in de mens aanwezig is. Wel moet ik toegeven, dat wanneer de mens in zich een zeker begeren, verlangen of gedachte vraagt en een geest – of geesten, of entiteiten in de omgeving – een gelijksoortige drang in zich kent, de versterking van de eigen impuls zodanig kan zijn, dat de grens van denken en daad juist hier door kan worden overschreden.

  • Wordt een oprecht gebed altijd verhoord?

Ja. Echter moet men zich niet voorstellen, dat een gebedsverhoring direct in verband staat met hetgeen in de bede wordt gevraagd. De formulering van de mens, zijn bewustzijn van het werkelijk noodzakelijke is te klein dit aan te nemen. Wanneer wij een harmonie bereiken in het oprechte gebed met Hogere of Goddelijke Krachten, dan zal de aangeslagen waarde slechts tot ons terug kunnen keren uit de volledigheid van de Hogere Kracht. Dit impliceert een beter over- en inzicht, zodat de beantwoording nooit zal zijn naar de wens van de mens, maar wel naar weten en impuls van de Hogere Kracht.

  • Waarin ontstonden de twee soorten demonen? De goede en kwade demonen.

In dit geval is het begrip demon gebruikt dus als: niet in stoffelijke, of menselijke vorm, geleefd hebbende of levende geest. Er kan worden gesteld, dat er in het Al voortdurend de neiging is tot het scheppen van tegenstelling, die noodzakelijk is om tot uiting te kunnen komen. Openbaring impliceert dus scheiding. Deze scheiding heeft plaats gevonden op elk voorstelbaar vlak, zodat voor elke z.g. Lichtsfeer, een z.g. duistere sfeer ontstaan is. Het is begrijpelijk, dat de ontwikkeling van deze tegendelen, vanuit elkaars standpunt gezien, tegengesteld is, ofschoon beide naar het midden, het punt van neutralisatie, streven. Er kan dus worden gezegd, dat het verschil tussen de demonen is ontstaan op het ogenblik van de Schepping, waarin ook deze soort van entiteiten tot aanzijn kwam, terwijl de verschillen tussen deze beide sterker tot uiting zijn gekomen, naarmate zij zelf streefden om het middelpunt, het Goddelijke, te bereiken, vanuit hun eigen zijde.

U moet zich het beeld voorstellen: grafische middellijn van het vlak “scheppen”. In het vlak Schepping: demon duister, demon licht. Beiden gericht van de buitenzijde naar de middellijn, die de volmaakte uiting, dus ook het volmaakte evenwicht betekent. Het resultaat in tegengesteld streven, waar, door een beroering van elkaars gebieden een strijd ontstaat, waarbij elk voor zich strijdt om het goede te bereiken. Deze tegenstellingen in streven is dus het aanzijn gegeven van goed en kwaad, aan goede en kwade demonen en wat dies meer zij. Zij zijn niet van elkaar te scheiden, wel te onderscheiden. Licht en duister zijn van elkaar te onderscheiden, maar zijn onscheidbaar. Waar Licht is, ligt de potentie duister. Waar duisternis is, ligt de potentie Licht geborgen. Beiden zijn uit God ontstaan, omdat niets buiten God kan bestaan, indien wij stellen, dat God het Enige, het Al wezen is, het eerste Begin van de Al kracht. Deze laatste stelling hangen wij aan. Dit impliceert dus, dat de Schepping in Zijn openbaring van God, niet in de ruimte, maar in het Goddelijke.

Het is moeilijk voorstelbaar, maar nemen wij aan dat buiten God ruimte ontstaat, dan moet er ook iets bestaan, dat groter is dan God. Dat is ons onvoorstelbaar. De logische conclusie is dus, dat de Schepping omvattende ook de beide soorten van demonen en verder al het geschapene in geest en stof, slechts een uiting is van datgene, wat in God bestaat, nu echter gesplitst in tegendelen, zodat alle aspecten ervan kenbaar kunnen worden. U kunt niet komen tot een Al god, waar u stelt een verpersoonlijking van de tegenstellingen. Dan hebben wij dus niet te maken met één God, maar met twee Goden, nl. de Gods des goeds en de God des kwaads. Gezien de praktisch gelijke sterkte van Hun uitingen, moet verder gesteld werden, dat zij gelijkwaardig zijn en elkaars spiegelbeeld. Deze stelling is voor ons en onze wereld niet aanvaardbaar. Stelt u het zodanig, dan moet u aannemen, dat waar een tweeheid is, een eenheid moet bestaan, waarin deze beide hun bestaansmogelijkheden en bestaansrecht vinden. De eenheid, die boven deze scheiding staat, is voor ons God. De beide verschijnselen ervan, door u als God gezien: God met 100% goed, daarnaast de duivel met zijn 100% kwaad, zijn dus voor ons slechts functies van het werkelijk Goddelijke. Als zodanig kunnen wij dan ook niet aannemen, dat er kwaad of goed uit God voort kan komen.

Dit laatste is voor velen dan ook weer ketters, maar ik zal trachten dit te rechtvaardigen. Goed betekent verbetering, kwaad verslechtering. Wanneer deze beide elkaar ontmoeten, ontstaat er strijd, waarbij verandering kan ontstaan. Indien God eeuwig is en volmaakt, kan in God geen verandering ontstaan. Dientengevolge zouden goed en kwaad slechts voort kunnen komen uit een onvolmaakt beleven van het Goddelijke. Als zodanig meen ik, dat dergelijke stellingen afgewezen moeten worden als uit God komende slechts dat, wat 100% goed is. Het impliceert, dat uw eigen oordeel omtrent de verschijnselen van het Goddelijke u brengt tot het vergoddelijken van een deel van de werkelijke scheppende kracht, terwijl u een ander deel daarentegen verwerpt als niet passende bij uw ogenblikkelijke ontwikkeling en uw huidige toestand.

  • Uitleg gaarne over de wet van het fatalisme.

Ik wist helaas niet, dat fatalisme een wet was. Ik dacht, dat het een geestestoestand was. De fatalist stelt, dat alle dingen vast zijn gelegd door de wil van de Schepper, dat het dus verstandig is om alles te aanvaarden, wat men doormaakt en dit alles goed te noemen als komende van de Schepper. Het impliceert echter, dat het eigen streven afneemt en een poging om eigen verantwoording te dragen evenzeer kleiner wordt. Fatalisme is een zonder oordeel aanvaarden van het zijnde. Het impliceert een vermindering van bewustwording, daar men zich de dingen niet realiseert, dan alleen als een uiting van een grotere Kracht, waaraan men volledig onderdanig is. Persoonlijk meen ik hier tegenover te mogen stellen dat zelfs indien dit waar zou zijn – volgens mij is het niet waar, – toch voor ons een fatalisme niet past, omdat een onderwerping aan de invloeden van buiten af impliceert: een niet erkennen van onze eigen krachten en als zodanig een niet bewust worden van eigen wezen. Wij menen, dat dit laatste een noodzaak is tot werkelijke bewustwording.

  • Wilt u iets zeggen over de wet van karman?

Carmen? Met een é? Het wekt bij mij associaties aan de schone Spaanse hoofdfiguur in een opera door de heer Bizet geschreven. De Wet van karma is in feite de Wet van oorzaak en gevolg. Zij stelt datgene, wat gedurende een leven aan eigenschappen, plus bewustzijn bereikt wordt, bepalend zal zijn voor elke volgende vorm, zodat ten allen tijde een voortdurende ontwikkeling van al hetgeen in het “Ik” ligt, noodzakelijk blijft, zijnde een voortzetting van de goede ontwikkeling en een delging voor een voor het wezen passende ontwikkeling.

Hierdoor zal een ieder voortdurend bij een reïncarnatie op aarde met zich dragen alle waarden uit vroegere levens en vervullen alle condities, die hij zelf, door vroegere levens, voor zich heeft geschapen.

In feite, komt het dus hier op neer, dat u niet, wanneer u de aarde verlaat, plotseling verandert, maar dat u uzelf blijft. Dat de dingen, die voor u op aarde belangrijk waren, zij het misschien in een minder stoffelijke zin, belangrijk blijven voor u, evenzeer als uw overtuigingen en meningen u bij blijven. Dit houdt tevens weer in, dat bij een hernieuwde incarnatie, deze eigenschappen en inzichten bepalend zullen zijn voor de wijze, voor het milieu waarin men incarneert; hiermee heeft men dus de condities geschapen voor bepaalde belevingen in een volgend bestaan. Ik mag hierbij voegen, dat de Wet van karma meestal alleen wordt toegepast op een stoffelijk bestaan. Dit is niet redelijk. Ook het geestelijke kent een streven en werken.

Als zodanig is het mogelijk om onjuiste voorstellingen op aarde opgedaan, te corrigeren tijdens een geestelijk bestaan. Evenzeer is het mogelijk te streven in een geestelijke wereld, en bepaalde gevolgen van stoffelijke handelingen teniet te doen. Dit houdt dus in, dat karma een Wet van oorzaak en gevolg is, waarvan bij hernieuwde incarnatie dus gezamenlijke resultaten van vroegere stoffelijke en geestelijke levens in een nieuw leven worden geprojecteerd als noodlot.

  • Het “Evangelie der Heilige Twaalven” vóór de oorlog (1940; Red.)verschenen, zou zijn samengesteld uit Oud Tibetaanse geschriften, los van de bestaande evangeliën. Is dit zo?

Dit is niet volledig waar. Tibet is gedurende langere tijd de vergaarbak geweest van alle producten van de beschaving en vooral van de occulte ontwikkeling. Als zodanig zijn enkele van deze evangeliën inderdaad in Tibet terechtgekomen, maar hoofdzakelijk in Nepal, waar deze leer nl. werd opgevat en later aanmerkelijk gewijzigd door een kleine Griekse nederzetting, die over is gebleven van het grote avontuur van Alexander. In deze nederzetting heeft men verschillende evangeliën samengevoegd tot één geheel.

De invloed van de boeddhisten en ook van het Tibetaans Boeddhisme heeft daar ook wel degelijk in mee gespeeld. Als zodanig mag m.i. worden gezegd, dat het z.g. “Evangelie der heilige twaalven” een samentrekking is van enkele van de vele evangeliën, die verschenen zijn in de eerste 200 jaren na Christus’ dood en hun werkelijke samenvoeging een impuls heeft ondergaan in verband met de boeddhistische beïnvloeding van de omgeving. Zij zijn van daaruit weer naar het westen gegaan, maar waren bv. reeds bekend rond het jaar 400 in Constantinopel, het huidige Istanbul. Dergelijke evangeliën hebben ook op de leer van verschillende godsdiensten, broeders en leraren in Rusland invloed uitgeoefend. In Rusland zelf bestaan ook enkele evangeliën die sterk afwijken van de vier aanvaarde, maar worden daar gezien als een aanvulling van de bestaande evangeliën, tevens het doordringen in Jezus’ geheime en esoterische leer.

  • Wat is de werkelijke waarde van de edelstenen?

De werkelijke waarde van edelstenen hangt meestal af, wat een gek ervoor geeft… Edelstenen zijn kristallen. Omtrent alle kristallen, dus ook edelstenen, kan dus worden gezegd, dat zij eigen innerlijke spanningen, ook innerlijke vaste verhoudingen hebben. Door deze verhouding bestaat een zekere mogelijkheid tot harmonie en samenklank met zekere trillingen en uitstralingen. Hierdoor zal de waarde van de edelsteen bepaald worden, niet alleen door haar grondstof, maar evenzeer door haar grootte en wijze, waarop zij geslepen is. Dit alles tezamen betekent, dat zij kan worden tot een brandpunt, waarin zekere krachten tezamen komen, zoals de wijze, waarop zonnestralen in een brandglas gevangen kunnen worden.

  • Kind en ouders zijn gewoonlijk gereïncarneerden. Vroegtijdige overgang van het kind beperkt de mogelijkheid tot stoffelijke ervaring. Indien een dergelijke overgang voortkomt uit het karma van de ouders, lijkt dit onrechtvaardig.

De vraag is verkeerd gesteld. Bij ouders zowel als kind is de oorzaak karma. Juist hierdoor treffen zij elkaar op de wereld. Het karma van de ouders kan beslissen, dat zij een kind vroegtijdig verliezen. Het karma voor het kind, onverschillig of het een jonge of oude ziel is, zal door bewustzijn bepalen, welk lot op aarde noodzakelijk is. Men vergeet niet, dat de stoffelijke ervaring slechts tot doel heeft verdere geestelijke bewustwording mogelijk te maken.

Dit houdt in, dat voor sommige zielen, zelfs de tijdelijke binding met de moeder, zonder volledige geboorte, voldoende kan zijn. Alle incarnatie is resultaat van een onvermogen om in geestelijke sferen verder te gaan. Bij het genoemde geval kan worden gesteld, dat, indien het kind al geestelijk ouder of rijper is dan de ouders, het zo ook in zeer korte tijd meer noodzakelijke ervaring kan opdoen, dan de ouders in een geheel leven.

De levensduur en de voor u kenbare reeksen van gebeurtenissen staan in geen enkel verband met de gevoelsbelevingen en ervaringen van het kind. De wereld van het kind is overigens voor de meeste ouderen een gesloten boek. Verder kan gezegd worden, dat de ouders door hun eigen instelling en karma zich deze situatie op de hals hebben gehaald met als gevolg de ervaring, waarbij dan eigen reactie bepalend is voor de verdere invloed ervan op geestelijk en stoffelijk leven.

  • Wanneer de geest zich met de vrucht verbindt, verliest zij dan gelijktijdig haar  geestelijk bewustzijn?

Vóór de volledige inbezitname van de vrucht zijn ongeveer 5 maanden van geleidelijke vereenzelviging met de vrucht vooraf gegaan. Van een zich in de stof inleven is meestal eerst na de derde maand sprake. De volledige eenwording wordt voltooid aan het einde van de 6de, gedurende de 7de of zelfs aan het begin van de 8ste maand van de zwangerschap. De geest, die zich met de vrucht verbindt, krijgt dan ook in het begin, vanuit geestelijk standpunt, enig deel aan het beleven van de moeder om langzaam meer en meer de stoffelijke sentimenten te ondergaan. Voor de vrucht zijn gevoelservaringen alleen belangrijk. Op de duur wordt eigen geestelijk leed in geestelijke wereld steeds minder. Aan het einde van de eenwording bestaat de gehele wereld slechts uit deze gevoelens en kan de geboorte plaats vinden.

  • Vertoeven vroeg gestorven kinderen in een kinderhemel, krijgen zij hulp om het oude ego te herwinnen?

Kinderhemel klinkt, alsof het Zomerland als annex een crèche exploiteert. Dit is niet juist. Een geest, uit het kinderlichaam bevrijd, keert tot de sferen. Soms wil dit wezen daar een stoffelijke beleving hernieuwd opbouwen. Het kan dan de stoffelijke gestalte een tijdlang behouden, soms zelfs stoffelijke groei simuleren. Dit is een fase van gedeeltelijk onbewustzijn. Men tracht tot groter bewustzijn te komen door stoffelijke gestalten en beleven langzaam met de nieuwe wereld te assimileren. Voor een als kind overgegane kan dit betekenen dat het wezen naar eigen wil, op elk ogenblik, naar elke sfeer of toestand, die binnen het bereik ligt van eigen bewustzijn, kan overgaan. Het kind kan dus zich op aarde bv. aan helderzienden tonen in de gestalte op het ogenblik van overgang, doch ook alsof een menselijke ontwikkeling had plaatsgevonden. Dit wordt door eigen wil bepaald. (Verkort).

  • Waar verblijft de kindergeest tijdens de slaap?

Vaak in bed, soms in een fantasiewereld, waarin kinderlijke fantasie gemengd kan zijn met geestelijke werkelijkheid, onder omstandigheden, vooral bij zeer kleine kinderen, een intreden in de geestelijke wereld, waarin men vóór de incarnatie heeft bestaan.

  • Is er gevaar verbonden aan het wegwerpen van radio-actieve as in zee?

Bij uitstrooien van de as is het gevaarlijk, ook voor vissen. Dit gebeurt echter niet. Bedoelde as is in lood gevoerde ketels geborgen, die worden ingegoten in grote blokken beton. De dan optredende werkelijke uitstraling is zeer klein. Gezien de voortdurende wisseling van het omringende water werd praktisch geen invloed op de omgeving uitgeoefend. Uitzondering voor gewassen en schelpdieren, die zich op de blokken zouden vastzetten. Hierbij kunnen mutatievormen ontstaan in een verloop van vier à vijf geslachten.

  • Christus zal de doden opwekken op de dag des oordeels. Welke uitleg geeft u daaraan?

Deze uitspraak stamt niet van Jezus zelf, maar van de ziener Johannes in de Openbaring. Hierbij gebruikt hij figuren en symbolen, stammend uit de Talmoed, de Kabbala, uit Babylonische, Perzische en Assyrische filosofie. Het symbolisch beeld van doden, die gewekt worden, kan worden verstaan als: de onbewusten zullen tot bewustzijn komen. In de termen van onze wereld betekent dit, dat op zeker ogenblik de Kracht van Jezus en Diens invloed zo sterk zijn, dat geen enkele geest in het duister zich nog langer kan afsluiten van de werkelijkheid. Zo worden zij dus tot leven, tot bewustzijn gewekt, maar tevens door eigen toestand veroordeeld. Dit laatste oordeel betekent een splitsing in bewusten, die voortaan geestelijk zullen bestaan en onbewusten, die nu niet meer op aarde, doch op andere werelden zullen moeten reïncarneren, om zo hun wordingsgang voort te zetten.

  • Het christendom leert: “Heb uw naaste lief.” Het 7de gebod stelt: “Gij zult niet doden.” Waarom zegenen geestelijken dan de wapenen?

Omdat geestelijken mensen zijn. Ik geef gaarne toe, dat deze praktijk in strijd is met al wat Jezus geleerd heeft. Een waar christen zal nooit het kwetsen of doden van een medemens kunnen goed keuren, noch tot zijn Schepper mogen of kunnen bidden, dat zoiets een feit  moge worden. Geestelijken echter, onverschillig tot welke religie of kerk zij ook behoren, zijn en blijven mensen. Zij worden te midden van de mensheid, evenals anderen, door nationalistische invloeden beroerd. Hun eigen denken zal dus nimmer, zoals Jezus dit wilde, wereldomvattend zijn, maar groepsomvattend blijven. Een kerk, die zich tegen het nationalisme zou verzetten, zou bovendien in deze wereld snel uitgeroeid zijn.

Het is dus wel noodzakelijk, dat geestelijken nationale groeperingen, de besluiten en denkwijzen ervan erkennen. Misschien hoeft dit niet zover te gaan, dat men ook wapens zegent. Geestelijken hebben echter ook in zich het verlangen, dat een zekere zijde zal overwinnen. Men mag hen dan ook niet kwalijk nemen, dat zij als mensen handelen en als mensen de wapens zegenen. Daarbij zullen zij ongetwijfeld voor zich beseffen, dat de kracht hiertoe niet geput kan worden uit een wijding, of opleiding hen gegeven, opdat zij Jezus’ taak op aarde voort kunnen zetten. Hier mag bij worden gevoegd – dat in sommige gevallen – de angst voor de gevolgen van een weigering hiertoe kan leiden. In andere gevallen is de innige gebondenheid met en bezorgdheid voor de soldaten aansprakelijk, met wie men bv. als aalmoezenier of veldprediker optrekt. Ofschoon menselijk gezien te rechtvaardigen, acht ik deze praktijk echter strijdig met een waar christendom. Hieraan zou ik toe willen voegen, dat dit slechts een van de vele christelijke gebruiken is, die voorkomen in een maatschappij die zich erop beroemt christelijk te zijn.

  • Zou die zegen enige werkelijke invloed hebben?

Ongetwijfeld, al is het alleen maar door het vertrouwen dat daarmede wordt gegeven aan degenen die de wapens hanteren. Ik meen echter, dat geen bovennatuurlijke werking of invloed uit een dergelijke zegening voort kan komen.

  • Dus het is een kracht ten kwade?

Als wij aan een feitelijke duivel zouden geloven als een naast God staande en tegen God gerichte macht, zou een dergelijke zegening slechts krachten kunnen wekken die van de duivel komen. Wij kunnen echter een dergelijke duivel niet accepteren. Wij geloven gaarne dat geestelijke richtingen of groeperingen zich aan de zijde van een van de belligerenten kunnen scharen, maar geloven niet, dat zegeningen van wapens en beden om overwinning Goddelijke Waarden zouden kunnen wekken, of bovennatuurlijke krachten doen uitvloeien. Ik mag erbij voegen, dat dit reeds blijkt uit het feit, dat de Christenen reeds jaren onder elkaar oorlog voeren, zonder dat de Schepper door een uitdrukkelijke zegen een van de groepen als de juiste heeft aangewezen, of uitverkoren.

  • Maar vroeger heeft de vertegenwoordiger van God op aarde toch ook de wapens gezegend?

Ach, u bedoelt de paus? U brengt het nu op een speciaal terrein, op dat van de rooms katholieke kerk. Ik heb dit uitdrukkelijk vermeden, omdat de beden om de wapens te zegenen ook zijn gesproken door andere priesters bv. dominees, maar ook de rabbijnen hebben dergelijke beden uitgesproken. Ik wil er op wijzen, dat dit ook is gebeurd door Hindoe priesters en zelfs in één uitzonderlijk geval door een boeddhistische abt. Ik zou hier niet gaarne terugverwijzen naar de paus. Wanneer ook de paus dit doet, doet hij dit ongetwijfeld ook, omdat hij mens is en dus menselijkerwijze tracht tegemoet te komen aan hetgeen zijn gelovigen van hem vragen en daardoor hen een zekerheid geven, die zij anders niet zouden bezitten, tevens uitdrukkende hun eigen voorkeur misschien voor een van de partijen. Ik geloof niet, dat enige paus een dergelijke praktijk in feite zou kunnen verbieden, daar elk van de landen dan onmiddellijk het gezag van de paus zou ontkennen, een plaatselijke bisschop zou overhalen in diens plaats te treden binnen de nationale gemeenschap om met extra werk en invloed de wapens nog beter te zegenen, Dus zowel politieke als menselijke invloed verzetten zich tegen een, zelfs door een allerhoogste vertegenwoordiger van een geloof, afschaffen of afwijzen van dergelijke gebruiken.

  •  Acht u het noodzakelijk dat er wapens zijn?

Ongetwijfeld, want de mens is het meest verscheurende dier dat de aarde kent. Met andere woorden, zolang een mens nog gedreven wordt door angst en begeren, zolang als een mens eigendom stelt boven geluk, boven vrede en rechtvaardigheid, zullen er wapens op deze wereld nodig zijn. Het zegenen van wapens, het stellen van heiligbeelden in de strijd en dergelijke is zo oud als de Homo en ouder. De beruchte adelaars van de Romeinse legioenen waren ook gezegend, dus heiligenbeelden, die niet alleen als kenteken van een bepaalde groep strijders, maar ook als kenteken van de Goden meegingen.
Vandaar, dat zij zo vurig werden verdedigd en dat men zich zo grote moeite getroostte, vaak zeer vele offers getroostte, om ze terug te winnen wanneer er een verloren was gegaan. U ziet dus, dat dit in alle geschiedenis waar blijft. Dit bevestigt eens te meer, naar ik meen, mijn stelling, dat dit gebruik gelegen is in de menselijke aard, die zich gaarne, ter handhaving van eigen zaak, gesteund wil zien door God. Laten wij niet vergeten, dat ook in de Bijbel de Joden worden vooraf gegaan door het teken van hun God, een rookwolk en een vurige zuil met een direct ingrijpen van die God Zelf ten bate van de Joden. Dit hoort in de tijd van de stamgodsdiensten thuis, waaraan de wereld qua leer zou kunnen ontgroeien, maar qua instelling zeker nog niet ontgroeid is.

  • Is het mogelijk om na een klinische dood weer tot leven te komen?

Na een klinische dood kan men weer tot leven komen. Om de reden dat de zg. klinische dood betekent: een vaststellen van ophouden van de functies, die voor het leven noodzakelijk worden geacht. Het betekent niet een vaststellen van verval en bederf op een zodanige wijze, dat geen verdere activiteit en werking van deze cellen mogelijk is.

Normalerwijze wordt dan ook aangenomen, dat de werkelijke dood uren na de klinische dood plaats vindt. U kunt dit bevestigd vinden in de eerste plaats in de medische praktijk van de laatste tijden, in de tweede plaats – dit is al betrekkelijk oud – in een instelling van de rooms-katholieke kerk, die aanneemt, dat een bediening van doden na het overlijden nog enkele uren nadien kan gebeuren, zonder dat de dood dan nog feitelijk hoeft te worden aangenomen. Wanneer u zich daarvoor interesseert zou ik u aanraden de beslissingen t.a.v. het Heilig Oliesel door te zien, waarin u argumenten voor dit voortbestaan op religieuze basis kunt vinden.

De ervaringen van de medische wetenschap heeft dit in de laatste tijd bevestigd. In de praktijk kan gezegd worden, dat biologisch de dood optreedt op het ogenblik, dat een zodanig groot gedeelte van de leidende en impulsen gevende cellen vernietigd is, dat het niet mogelijk is het lichaam nog tot een normaal functioneren terug te brengen. Dit houdt in, dat een zeker percentage bv. van de hersencellen en zenuwcellen dus onontbeerlijk is en er desondanks nog leven bestaat, ook wanneer generlei functie daarvan kenbaar is. Een opwekken van deze functie door stimulansen, massage, e.d. impliceert dan dus ook een terugkeer van het leven, waar nog geen feitelijke scheiding tussen geest en stof heeft plaats gevonden.

  •  Wat voor waarde hecht u aan de mythe van Lucifer?

Lucifer is een heel eigenaardige naam en betekent: Zoon van de Morgen, of Prins van Licht. Deze naam geeft dus aan, dat Lucifer een Goddelijk principe is. Op het ogenblik, dat het Goddelijke in perfecte harmonie bestaat, zou volgens het Bijbelverhaal gezegd kunnen worden, dat dus nog geen werkelijke scheiding of Schepping bestaat. Wanneer God echter wil komen tot de Schepping, – Hij wil de mens scheppen, dus de bewuste wereld a.h.w. buiten Zijn Wezen doen bestaan, buiten Zijn Wezen in die zin, dat niet Zijn Wil in het bewustzijn, of door een volledig onbewustzijn van de wezens volledig wordt uitgevoerd, – dan is het noodzakelijk, dat de tegenstelling ontstaat. Vandaar dat nu de tweeledigheid tot uiting komt: het Licht der Duisternis – dat Lucifer is geworden, of het Duistere Licht – staat op tegen het Lichtende Licht en wil de troon Gods als het ware innemen. Dat is natuurlijk een onmogelijkheid, tenzij wij stellen, dat hier een splitsing in de heerschappij van een eerste en harmonische uiting binnen het Goddelijke plaats vindt. In een dergelijke veronderstelling zou Lucifer dus staan voor de groepering, die de chaos terugwenst vóór een volledige harmonie mogelijk is, terwijl daarentegen de God, Die hem neerwerpt, de Bevorderaar is van vorming en bewustwording.

  • Ziet u dit laatste ook zo, is dit de zienswijze van de groep?

Dit is inderdaad de zienswijze van de groep.

  • Er wordt de laatste tijd veel gesproken over dierenpsychologie, die alleen eigenlijk maar wordt waargenomen in dierentuinen. Dat is toch niet maatgevend voor de dierenpsychologie in het geheel.

Ongeveer even veel als een studie van de psychische toestand van gevangenen een weerkaatsing kan zijn van de toestand in een vrije maatschappij. Dit houdt dus in, dat het niet mogelijk is de onmiddellijke impulsen van de dieren in het geheel te zien, daar zij in een kunstmatige omgeving verkeren. Anderzijds is het wel degelijk mogelijk o.a. inzicht te verwerven in hun wijze van reageren, hun methode van mededeling, hun methode van onderlinge beïnvloeding, hun intellect, hun geheugen, e.d. Een inzicht hierin zou zeer zeker bij kunnen dragen om de dieren in een vrijere maatschappij beter te verstaan, ook wanneer men dan weet, dat de kunstmatige condities niet aanwezig zijnde, de uiting ongetwijfeld rijker en meer gevarieerd zou kunnen zijn.

Ik heb hier nog liggen de occulte uitleg van het Onze Vader. Gezien de tijd kan ik hier niet meer op antwoorden; men kan dit eventueel een volgende maal naar voren brengen. Wij zullen het dan voor u willen behandelen. Ik zou er op willen wijzen, dat het reeds enkele malen behandeld is.

image_pdf