Het bewustzijn

uit de cursus ‘Het aanvaarden van geestelijke leiding’ 1962

Het bewustzijn

Wanneer wij van ons eigen leven uitgaan, tenminste wanneer wij in de stof verkeren, dan ontdekken wij vele toevalligheden op onze weg, waarmee wij niet direct raad weten. Dit toeval is enerzijds te sterk en te opvallend om eenvoudig terzijde te worden gesteld, daarvoor heeft het een te ingrijpende werking in ons eigen bestaan. Aan de andere kant kunnen wij toch ook niet spreken van iets dat ons voor ons bewustzijn directe leiding geeft. Onze instelling zal voor een groot gedeelte zijn gebaseerd op geloof. Elke mens heeft zijn eigen manier van geloven en aanvaarden en eenieder zal op zijn wijze het toeval – althans zo noemt men het – rationaliseren.
Zo krijgen wij te maken met mensen, die in hun bewustzijn elk pogen uitschakelen het positieve te erkennen met het gezegde. “Wat God doet, dat is welgedaan.” Dit is een onaanvaardbare stelling voor iemand die verder wil doordringen in de waarheid van deze tijd, in de waarheid van zijn eigen leven en in de goddelijke werkelijkheid.

Wij moeten ons altijd bewust zijn van wat er met ons geschiedt. Wanneer wij iets in handen krijgen, wat toevallig juist slaat op een probleem dat ons bezighoudt, moeten wij niet aannemen dat dit een toevalligheid is; maar evenmin dat dit opzettelijk door het één of ander zo is beschikt. Wij moeten ons afvragen; Hoe komt dit? Welke waarschijnlijkheid bestaat er? Dat lijkt voor velen een beetje moeilijk, het is gemakkelijker te zeggen: “Dat heeft de geest op mijn pad gebracht.” Maar wanneer wij bewuste mensen zijn en willen nadenken over ons eigen leven en werken; wanneer wij ook in de stof een besef willen hebben van datgene, wat ons van buitenaf aan hulp wordt geboden en van dat, wat tot ons eigen leven behoort, dan dienen wij ons toch dergelijke vragen te stellen.

Verder zijn wij geneigd heel veel dingen als symbolen te beschouwen, terwijl ze het eigenlijk niet zijn. Dit kan betrekking hebben op dromen, op bepaalde handelingen en het kan zelfs voortkomen uit situaties, die wij ergens buiten ons zien ontstaan en waarmee wij zelfs niets te maken hebben. Wij zien daarin een symbool. Maar dit symbool komt uit onszelf voort. Wij geven daaraan een betekenis en het is lang niet zeker dat dit van buiten komt. Het kan evengoed uit het onderbewustzijn zijn voortgekomen. Degene die zegt dat alles van buitenaf komt, schakelt zijn eigen denken voor een groot gedeelte uit. Zijn bewustzijn wordt vernauwd. Hij laat alles, wat in zijn redelijk vermogen ligt, buiten beschouwing en stelt daarvoor in de plaats een klakkeloze aanvaarding van feiten of zelfs illusies.

Bewustwording echter vergt dat je je voortdurend realiseert wat er om, met en rond je gebeurt. Een herleiden dus van alles, wat er in je leven optreedt en wel zo dat het voor jou zin heeft en niet alleen maar op geloof berust, integendeel wel degelijk door de feiten ondersteund kan worden.

Daarom zou ik voor het menselijk bewustzijn in verband met het onder­werp de volgende punten willen stellen;

  1. De mens kent zijn eigen bewustzijn onvolledig. Door deze onvolledigheid kan het voorkomen dat uit zijn bewustzijn waarden ontstaan, die hijzelf niet als zodanig erkent. Als hij deze toeschrijft aan buiten het “ik” liggende groepen, omstandigheden, goden enz., zal dat in vele gevallen schadelijk kunnen zijn.
  2. Een bewustzijn is alleen werkelijk levend en belangrijk, wanneer het een voortdurende uitbreiding ondergaat. Deze uitbreiding moet voortkomen uit een realisatie van al wat rond je geschiedt. Zolang men weigert bepaalde mogelijkheden in ogenschouw te nemen, zal men eigen bewustwording belemmeren en eigen bewustzijn afsluiten. Hoe meer men het bewustzijn afsluit voor bepaalde mogelijkheden of feiten, hoe minder bewust men leeft.
  3. Alle waarden, die uit de geest, uit God, uit de eeuwigheid, uit het karma enz. in ons leven komen, zullen voor een gedeelte ratio­neel in onze eigen wereld passen. Het is niet mogelijk dat er iets geschiedt, dat wonderdadig en dus geheel buiten natuurlijke mo­gelijkheden ligt. Er is altijd ergens een relatie met de natuur of met het eigen wezen. Dit te ontkennen betekent het eigen bewustzijn buiten beschouwing te laten. Bewustwording is een belangrijke factor, maar kan alleen worden be­reikt, wanneer wij ook de natuurlijke mogelijkheden en omstandigheden steeds voor ogen houden. Met deze drie punten heb ik getracht allereerst iets te zeggen over het menselijk bewustzijn als een kort inleidend betoog over:

Geestelijke leiding

Geestelijke leiding kan worden geacht te zijn: een ingrijpen – hetzij inspiratief, hetzij op andere wijze ‑ uit sferen (althans werelden, die niet behoren tot de stofwereld van de mens), waarbij voor deze mens nieuwe mogelijkheden worden geschapen of hem een bepaalde weg wordt getoond. Een dergelijke geestelijke leiding kan steeds weer door de geest worden gegeven, wanneer een bepaalde harmonie bestaat. In de sferen is het alleen mogelijk leiding te geven aan iemand die bereid is

  1. Deze leiding te aanvaarden.
  2. Deze leiding te overdenken, te verwerken en om te zetten in de praktijk.
  3. In staat is deze leiding niet alleen te zien als een bevel van hogerhand, maar eerder als een inlichting, een voorlichting of een stimulans, waarover hij/zij zelf verder moet beslissen.

De geest zal over het algemeen trachten hulp en leiding te geven aan diegenen, die dicht bij het eigen “ik” staan. Wanneer er dus bv. familie‑ of vriendschapsbanden, liefdesbanden e.d. zijn, dan is het waarschijnlijk dat indien één van de partners is overgegaan, deze zal trach­ten degenen die op aarde leven, te helpen. Dit helpen kan alleen geschieden door hen het eigen leven beter en juister te doen leiden.

Naast deze zuiver persoonlijke leiding bestaat er echter ook nog een lotsgebondenheid, waardoor de geest ‑ als deel van de mensheid – t.o.v. de in de stof levende mensheid bepaalde verplichtingen voelt. Hierbij treedt het persoonlijk aspect niet zo scherp op de voorgrond, maar wordt ook wel degelijk ingegrepen, eveneens door gebruik te maken van alle middelen die de geest ten dienste staan, als manifestaties, inspiraties en door in de materie in beperkte zin in te grijpen voor zover de persoonlijke vrijheid voor het nemen van besluiten van de mens daardoor niet volledig wordt beïnvloed.

Deze beïnvloeding in het groot wordt op haar beurt weer overvleu­geld door de zgn. kosmische leiding die wij bv. kunnen vinden in het beeld van Aquarius, zoals deze in voorgaande lessen en lezingen is om­schreven

Er is dus allereerst een kosmisch patroon. Dit wordt bepaald door een kosmische en bewuste kracht die haar eigen wezen aan de wereld en een bepaald deel van het Al oplegt. Hier is geen sprake van een dwingende band met al het geschapene, maar van het scheppen van condities in het geschapene, waardoor bepaalde ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk worden. Daarnaast zal natuurlijk de kracht, die in zo’n kosmische entiteit aanwezig is, in het bijzonder uitgaan naar diegenen die met deze kracht har­monisch zijn. Op aarde en in de sferen komen dus bepaalde persoonlijkheden naar voren, die a.h.w. de kosmische kracht, de kosmische entiteit, mani­festeren op hun eigen niveau. Onder dezen vinden wij de leidinggevende groepen zoals bv. de Witte Broederschap, bepaalde grote Orden en groe­pen in de geest en ook bepaalde wijsgerige en ingewijde groepen op aarde. Deze groepen stellen zich ten doel het bewustzijn van de mensheid als geheel te verhogen en tegelijk die mensheid zoveel mogelijk de juiste weg te tonen om een zo hoog mogelijk bewustzijnsniveau te bereiken. Het lot van de eenling wordt door deze groepen weinig of niet in aanmer­king genomen, want het geheel is belangrijk. Maar datgene wat op aarde in een kleine groep gebeurt, kan soms bepalend zijn voor een grote groep. Daarom is het soms beter die kleine groep in de stof iets te laten lijden, opdat de grote groep beter wordt. De gedachte van het offer vinden wij in beide genoemde geestelijke groepen of entiteiten, die elk op hun wijze aan het stoffelijk bestaan geestelijke leiding geven.

Het is echter voor de doorsneemens belangrijker iets te weten omtrent de persoonlijke leiding, die hij kan ontvangen. De bestaande banden behoeven niet altijd banden te zijn die in de stof hebben bestaan. Het is heel goed mogelijk dat een geest op grond van dezelfde denkwijze en gelijk streven, zal trachten in uw leven bepaalde nieuwe mogelijkheden te scheppen. Zo is het ook heel goed denkbaar dat een absolute overeenstemming bv. van angst of van begeren eveneens een harmonie schept, waardoor een geest beïnvloedt. Geestelijke leiding wordt gegeven volgens de harmonische waarden en kan dus op persoonlijk terrein zowel goed als kwaad zijn al naar gelang men zelf in harmonie is met lichtende of meer duistere krachten.

Na deze omschrijving van geestelijke leiding komen wij tot het volgende punt nl. de aanvaarding ervan.

Het aanvaarden van geestelijke leiding

Wanneer wij voortdurend worden geconfronteerd met toevalligheden, waarvan wij aanvoelen, dat ze ons leven in een bepaalde richting voeren, dan is het voor ons noodzakelijk deze te onderzoeken. Het is niet voldoende te zeggen; “De geest heeft gesteld” en dan maar eenvoudig te beginnen. Toch doen velen dit wel. Als de geest iets zegt, dan is dat zonder meer juist. Wanneer door een reeks toevalligheden ingrijpende veranderingen in het eigen leven tot stand komen, stelt men zonder meer, dat dit de wil van God of van de geest is en dat men dit ook zo moet aanvaarden en geen recht heeft zich daartegen te verzetten of naar een eigen, meer redelijke weg te zoeken. Het is duidelijk, dat deze vorm van aanvaarden (klakkeloos dus en zonder voorbehoud) voor de mens zeer gevaarlijk is.

Want men moet zich wel degelijk bewust zijn van eigen wezen. Het aanvaarden van geestelijke leiding kan alleen dan nuttige resultaten hebben, indien wij tenminste uitgaan van de redelijke normen en mogelijkheden die wijzelf in de wereld, waarin wij op dat ogenblik bestaan, bezitten. Een realisatie van wat in ons leeft is nodig. Geen geestelijke leiding kan worden aanvaard, zonder dat een zekere zelfkennis bestaat.

Geestelijke leiding kan op vele manieren tot uiting komen. Zij zal zich aan de meer gevoeligen vaak manifesteren in bepaalde symbolische dromen, in bepaalde stemmen, die ze horen en soms in het toevallig zien of ondervinden van bepaalde dingen. Die leiding is voor de sensitieven gemakkelijk te verwerken. Hij/zij voelt in feite aan, dat hier ook een an­dere kracht mee gemoeid is. Er bestaat daarvoor een soort innerlijke goed­keuring. Nu moet deze mens volgens zijn eigen inzichten, mogelijkheden en regels daarvan gebruik maken. Degene die op deze leiding leert vertrou­wen, zal ‑ als hij sensitief is ‑ ontdekken, dat de behoefte heel vaak on­middellijk wordt beantwoord door een nieuwe mogelijkheid; dat de behoefte aan een bepaalde kennis wordt beantwoord door een plotseling en schijnbaar zonder enige samenhang in uw leven of bereik verschijnen van bepaalde boek­jes, bepaalde gezegden, inlichtingen, desnoods afkomstig van wildvreemden. Het is goed deze dingen te nemen voor wat ze zijn. Zij kunnen een te­ken zijn, aan de hand waarvan wij onze eigen mening moeten herzien en onze wijze van handelen zullen kunnen wijzigen. Doen we dit, dan zullen de re­sultaten daarvan over het algemeen goed en harmonisch zijn. De vraag is alleen of wij in staat zijn ons volledig te realiseren wat er gebeurt. Hierop kom ik zo dadelijk terug.

Bij het aanvaarden van geestelijke leiding word je verder geconfronteerd met de minder sensitieve mens, die dus niet in staat is tot innerlijk aanvoelen; hier is direct sprake van een ingrijpen. Toch zal ook deze de voornoemde toevalligheden regelmatig op zijn weg en moeten en hij gaat er a.h.w. op rekenen.

Maar kan men op een blijvende geestelijke leiding zonder meer rekenen? Het is mogelijk dat de geest zich vergist, dat de geest tekortschiet. Daarom moet ook deze leiding slechts binnen de mogelijkheden en het voor het “ik” aanvaardbare in werkelijkheid worden omgezet, Nooit op andere wijze.

De realiteit waarin de mens leeft, is ‑ zoals u wel bekend zal zijn ‑ in feite begoocheling. Het is Maya. In deze wereld van begooche­ling zijn er bepaalde bakens. Dat zijn de directe contacten, die u hebt met een kosmische werkelijkheid. Deze contacten stammen niet uit de geest van een ander. Zij stammen uit uw eigen ziel, geest en stof, uit uw eigen bewustzijn. Datgene wat door u erkend is als kosmische werkelijkheid, moet altijd de omlijsting vormen van uw mogelijkheden. Daarbinnen kan de raad van de geest worden aanvaard, maar daarbuiten, het onverantwoor­delijk op geestelijk gezag af te gaan.

Het aanvaarden van geestelijke leiding is dus beperkt en wel door de normen van ons denken, voelen, willen en weten, ons begrip van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Wanneer onze zienswijze niet juist zou zijn en dat, wat wij “kosmisch” noemen in feite deel is van de begoocheling, is het nog beter dat wij de geestelijke leiding aanvaarden binnen het kader van onze wereld, dan dat wij ons laten verleiden tot experimenten in een wereld, die ons geheel vreemd is, waarin wij absoluut geen normen meer kennen, waarin wij geen mogelijkheid hebben onze eigen richting te bepalen en waar oorzaak en gevolg voor ons niet meer overzienbare waarden zijn.

U zult begrijpen, dat de aanvaarding van de geestelijke leiding dus in zeer grote mate moet afhangen van de wijze, waarop men zelf leeft. De moeilijkheid is hierbij dat wij ons voortdurend afvragen, of het nu wel de geest is, die leiding geeft. Is hier werkelijk wel sprake van die innerlijke stem, van die innerlijke kracht, die naar wij menen ons instigeert en stimuleert? Deze vraag te beantwoorden zal vaak zeer moeilijk zijn. Toch mogen wij alleen geestelijke leiding aanvaarden, wanneer zij volgens ons innerlijk en beste weten juist is. Daarop kan ik niet genoeg de nadruk leggen.

Nu zou ik u graag een beeld willen geven van al datgene, wat voor u een geestelijke leiding kan zijn.

Wanneer u in moeilijke omstandigheden bent en u weet niet precies welke beslissing u zult moeten treffen, dan zult u zich vaak concentreren of bidden of mediteren. In deze periode schept u innerlijk een zeke­re rust en een zekere ontvankelijkheid. Het is begrijpelijk dat de geest en de krachten rond u juist van een dergelijk moment van ontvankelijkheid gebruik zullen maken om u innerlijk leiding te geven. U ziet dan dat uw eigen visie op de wereld, op uw probleem, verandert. Dit houdt de op­lossing daarvan wel niet in maar wel de benadering ervan op een manier, die u tot nu toe niet hebt gebruikt. In dit geval mogen wij praktisch al­tijd stellen, dat hier geestelijke leiding aan het woord is, dan wel waar­den van het onderbewuste, die in dit geval even waardevol zijn. Het is niet altijd mogelijk daartussen een verschil te maken. De mens die een verdere ontwikkeling nog niet heeft doorgemaakt en dus geestelijk nog niet zo gevoelig is, noch een voldoend scherp doorzicht heeft verworven dat hij begrijpt waarom het gaat, mag, geloof mij leiding zo aanvaarden.

Als u op een gegeven ogenblik mensen ontmoet die u kunnen helpen, of als een gegeven ogenblik voor u juist een belemmering vormt tot het uitvoeren van uw voornemens, dan wel daartoe een stimulans inhoudt, verkeert u in dezelfde omstandigheden. Wanneer dit een verschijnsel is dat bij herhaling optreedt, moogt u aannemen dat hier een zekere leiding aanwezig is. Vraag u niet af vanwaar zij komt, zolang de resultaten aanvaardbaar en voor uw innerlijk gevoel goed zijn. Zeg echter in een dergelijk geval nooit dat een bepaalde geest u heeft geleid, wat dit is gevaarlijk. Stel slechts dat er een zekere leiding in uw leven kenbaar is en dat ge door het aanvaarden en volgen daarvan uw eigen leven juister en harmonischer kunt maken.

Een volgend verschijnsel vinden wij vaak in de droom. Een mens droomt in symbolen. Hij droomt dat hij vliegt met vleugels als een vogel. Hij droomt, dat hij ergens in een grote machinehal is. Hij droomt, kortom duizend‑en‑één dingen, die alle een bepaalde betekenis zouden kunnen hebben. Gaat u die uitleggen aan de hand van een droomboek, dan komt u nooit verder. Een uitlegging van dergelijke dingen moet gebaseerd worden in de eerste plaats op uw eigen reacties, voordat u ging slapen. Misschien hebt u op die dag een fabriek bezocht en dan is het helemaal niet vreemd, dat u ervan droomt. Maar blijkt, dat een droom, ‑ bij voorkeur bij herhaling terugkerende ‑ zich steeds weer van hetzelfde of ongeveer hetzelfde symbool bedient, dan geeft zij een aanwijzing omtrent uw eigen leven. En dan is dit nimmer een bepaling van een toestand, maar altijd een aanduiding van een noodzaak, een begeerlijk iets, ofwel van een mogelijkheid. Denk dus niet, dat een geestelijke leiding, die in de droomwereld wordt gegeven, ooit een bepaling kan zijn van een bereikte toestand. Zij is een aanduiding van een mogelijkheid, van iets wat komen kan, wat u tot werkelijkheid kunt maken.

Hierop bestaat slechts één uitzondering. En deze is, wanneer u in verband met voor u belangrijke belevingen of misschien banden gewaarschuwd wordt omtrent toestanden, die reeds in het verleden liggen en anderen, met u verbonden, betreffen. Is dit nl, het geval, dan zal de droom niet zo symbolisch zijn, doch over het algemeen zelfs begrijpelijk worden.

Bij dergelijke droom‑instigaties heeft de mens de neiging uit te gaan van bekende begrippen. Wanneer iets op eigen lichamelijke omstandigheden, condities en mogelijkheden betrekking heeft, dan zal hij ‑ wanneer hij gewend is over een voertuig te spreken ‑ van een voertuig dromen. Beschouwt hij daarentegen zijn lichaam bv. als de kathedraal, waarin God moet kunnen binnentreden, dan zal hij van een kerkgebouw dromen. De betekenis blijft gelijk, maar ze wordt direct aangepast aan het eigen denken. Dit moet men goed begrijpen. Het is uw eigen terminologie, die  heel vaak beeldend  wordt aangeduid.

Woorden, die in de droom zijn gesproken, zult u zich zeer zelden goed herinneren. Doet u dit wel, dan is de kans heel groot, dat u ze zich verkeerd herinnert. Woorden, die in een bepaalde droom zijn uitgesproken, dienen daarom niet met bijzondere aandacht te worden beschouwd. Hier kan een grote zelfmisleiding optreden. Geef er de voorkeur aan te wachten, of door herhaling van de beelden (bij voorkeur tenminste driemaal) dezelfde woorden – zonder uw poging u deze te herinneren ‑ zodanig in uw denken zijn gegrift, dat u ze bij wijze van spreken al wakende kunt dromen. Dan alleen heeft het zin u af te vragen, heeft dit een achtergrond, een inhoud, een betekenis? En zelfs dan nog: Is dit volledig? Hebt u misschien niet slechts een enkele uitroep onthouden, terwijl het belangrijkste u is ontgaan? Voor leiding zijn echter alleen afgeronde zinnen, meermalen herhaald, volledig en zonder aarzeling in het geheugen gegrift, van enige hulp.

Wij gaan bij voorkeur af op de beelden en symbolen, die in de droom zijn ontstaan. Voor degene, die niet voldoende sensitief zijn, heeft het weinig zin zich bezig te houden met de vraag, hoe ze tot stand kwamen. De leiding, die wij voelen te krijgen en die wij weten te ontvangen, behoeft in haar oorzaken niet te worden ontleed. Zij moet echter redelijk en van ons persoonlijk standpunt uit, daarbij in aanmerking nemend onze persoonlijke verantwoordelijkheid en mogelijkheden, worden bezien en zo mogelijk verwerkelijkt.

Dan vinden wij bij de geestelijke leiding nog het eigenaardige verschijnsel, dat wij soms zeer sterke impulsen ervaren. Soms beheersen die impulsen ons. Vooral wanneer wij in de stof zijn kan dat gebeuren. Een impuls die ons beheerst en daardoor a.h.w. meester is van ons denken, kan nooit deel zijn van een werkelijke geestelijke leiding. Een derge­lijke impuls te verklaren is dwaasheid, voert tot schromelijke zelfmislei­ding en zeer vaak tot handelingen, die men later betreurt.

Indien wij echter niet een overheersende impuls ervaren, maar een drang voelen om een bepaalde mogelijkheid te beschouwen, dan is het anders. De aandacht, die op mogelijkheden wordt gericht, welke wij tot nu toe over het hoofd hebben gezien ‑ en dit bij herhaling ‑ geeft ons te denken. Hier is waarschijnlijk iemand werkzaam die ons attent wil maken op een weg, die wij zelf nog niet hebben gezien en die wij misschien niet eens zouden willen gaan. Laat ons dan overwegen, weer uit een persoonlijk standpunt: wat zijn de mogelijkheden? Hoe zit dit alles in elkaar volgens mijn denken en míjn begrip van verantwoordelijkheid en al wat erbij hoort? Zo bezien kan ook deze vorm van geestelijke leiding veel bijdragen tot een juister en harmonischer leven.

Een laatste vorm, waarin de geestelijke leiding zich nog wel eens wil openbaren, is één van de gevaarlijkste.

U wordt door middel van anderen ‑ hetzij media, helderzienden, waarzeggers, wichelaars ‑ erop gewezen, vaak als boodschap van een bepaalde geest, dat u dit of dat moet worden gezegd. Er worden u opdrachten gegeven.

Dit alles kan inderdaad deel zijn van een geestelijke leiding, want de geest maakt van elke mogelijkheid, die haar om u te helpen wordt geboden, natuurlijk gebruik. Maar hier is een mens ingeschakeld met een totaal ander denken, een totaal andere visie en met eigen vaak sterk vooropgezette meningen en vooroordelen. Alles, wat als boodschap wordt aangegeven, zal en naarmate bewuster wordt gewerkt, waarschijnlijk sterker daardoor vervormd zijn. We mogen nu wel zeggen dat van een bepaalde persoon kan worden aangenomen dat hij inderdaad zuiver is, maar weten we dat zeker? We kunnen hier geen maatstaf aanleggen, waarmee wij bv. de ene waarneming tegenover de andere op betrouwbaarheid kunnen nagaan. Want er is geen maatstaf, waarmee men deze op aarde kan meten. Wanneer wij een dergelijke boodschap of mededeling krijgen, zullen wij trachten die geestelijke leiding ertoe te brengen haar aan ons te bevestigen. En dan langs een totaal andere weg. Is de bevestiging gekomen dan zullen wij verdergaan en zullen wij in overeenstemming met de ontvangen mededeling, boodschap of opdracht overwegen in hoeverre ze past in het kader van ons eigen bestaan.

Kort gezegd: Het aanvaarden van geestelijke leiding wil niet zeg­gen, dat men nu maar klakkeloos doet wat de geest wil, of dat men zich zonder beraad overgeeft aan datgene wat hogerhand besluit. Elke mens leeft zelf, draagt zelf verantwoordelijkheid voor zijn leven en voor al datgene, wat hij anderen zou aandoen of zou kunnen schenken. Men moet voor zichzelf beslissen. Men moet deze beslissing nimmer tref­fen met de gedachte dat de geest het wel weet. Want al weet de geest het duizend keer goed en wij weten voor onszelf niet of het goed is, dan hebben wij een grote kans dat wij verkeerd handelen. Op onze overtuiging, op onze daad komt het aan, de aansprakelijkheid blijft bij ons. Dit moet worden vooropgesteld.

Ik zou hierna willen overgaan tot het laatste deel van mijn les van vanavond nl.

Het bewust aanvaarden van geestelijke leiding

In het voorgaande hebben wij aangenomen, dat de mens dus niet in staat is de geest en de krachten van wie hij leiding ontvangt, te controleren. Dat er geen sprake is van een zo direct en persoonlijk contact met degenen die leiding geven, de krachten die ons leiden en voeren, dat wij door het herkennen van deze krachten a.h.w. w. kunnen vaststellen: dit is wel juist.

Hoe meer wij ons bewust kunnen zijn van degenen die ons leiding en lering geven, hoe meer zij voor ons reële persoonlijkheden zijn, waarop wij a.h.w. een zekere controle uitoefenen en ook waarmee wij contact hebben, dat zelfs onzerzijds zo nu en dan kan worden opgenomen en niet alleen afhankelijk is van een ingrijpen van de geest, des te meer zullen wij ook in staat zijn de gegeven leiding in een juistere samenhang te overzien.

Dit is een van de meest belangrijke punten, die op dit terrein – en zeker in deze tijd ‑ naar voren kunnen worden gebracht. Want wanneer ik wéét wat de geest ermee bedoelt, wanneer ze mij iets zegt, wanneer ik kan beseffen waarom mij een bepaalde aanwijzing, een bepaalde richtlijn wordt gegeven, ja, beter nog, wanneer ik in staat ben het karakter en de instelling van degene, die mij tracht te helpen, enigszins te omschrijven, dan weet ik ook wat deze leiding voor mij in feite betekent. Dan zal ik al deze factoren kunnen gebruiken om te komen niet tot het volgen van de geest of het gebruik maken van een aansporing, zover deze in mijn eigen wereld past, maar tot een directe samenwerking met de geest in volledige harmonie.

Ik zou hier graag een klein voorbeeld willen inlassen. Het aanvaarden van geestelijke leiding kan als volgt worden voorgesteld;

Een mens is in de eenzaamheid. Een stem zegt hem: “Ga naar deze of gene plaats en bouw mij een kerk” De mens gaat en bouwt een kerk. Dit is aanvaarden van geestelijke leiding. Maar nu. Een mens is op een eenzame plaats. Hij hoort een stem, die hem zegt: “Ga en bouw mij een kerk.” En hij stelt zich in op deze stem en beseft, dat hier wordt gesproken van de eenheid of de harmonie onder de mensen. Hij beseft verder, welke lichtende kracht hem deze opdracht geeft. Hij beseft dus ook, uit welke bron hij kan putten voor de vervulling van zijn taak. Dan zal deze mens voor zichzelf overwegen, Waar kan ik het best beginnen? Wat is voor mij de beste mogelijkheid? En zo ‑ in een bewuste aanvaarding van de geestelijke leiding, tezamen met degene die tracht hem de juiste weg te tonen ‑ in samenwerking (dat is een belangrijk woord!) datgene volbrengen, wat noodzakelijk is. Iemand, die contact krijgt met de geest, die leiding probeert te geven op aarde, die inzicht krijgt in de werking van de kosmische lei­ders, die een geheel deel van het Al regeren en de grotere groepen, die hun eigen kracht bv. op uw aarde doen gelden, zal heel gauw begrijpen, dat er op een bepaald ogenblik een samenwerking mogelijk is, een samenwerking die zeer positieve resultaten afwerpt, zonder dat men zichzelf daardoor minder behoeft te achten. Je kunt rustig jezelf blij­ven. Alleen … je weet, dat je een instrument bent in dienst van het Hogere. Terwijl anderen, die niet zo bewust zijn, vaak blindelings worden voortgestuwd door een stroom, die ze maar ten dele beseffen.

Het is altijd beter met de kosmische stromingen en leiding, voor zover wij die innerlijk kunnen bevestigen, mee te gaan dan er geen rekening mee te houden, natuurlijk. Maar eerst wanneer er van een redelijk bewuste aanvaarding sprake is, van een inzicht in hetgeen zich afspeelt zowel in die geest als in mij, zodat ik kan begrijpen wat het werkelijke doel is in mijn wereld en wat de werkelijke mogelijkheid is en het werkelijke inzicht, bereik ik bewust en steeds bewuster wordende een maximaal resultaat op een zo beheerst mogelijke wijze.

Het zal u duidelijk zijn dat dit bewust aanvaarden van geestelijke leiding niet voor eenieder is weggelegd. Er zijn nu eenmaal mensen, die nooit een werkelijk contact met de geest kunnen krijgen, ook niet langs de esoterische of innerlijke weg; en dezen moeten er vrede mee hebben, dat voor hen de leiding altijd enigszins een raadsel blijft, tot zij de werelden betreden, waarin de belemmeringen van de stof zijn weggevallen.

Als u dit alles goed overdenkt en u zich dus realiseert, dat het voor u misschien niet is weggelegd een bewuste leiding te hebben, dan kunt u uit alle geestelijke leiding, die u wordt gegeven, toch een maximum aan resultaat behalen. Een begrip hebben van het eigen wezen, de eigen werkelijkheid en de eigen mogelijkheden, is één van de meest belangrijke dingen.

Wanneer wij deze leiding in onszelf in een zuivere vorm erkennen, dan is er een mogelijkheid geschapen om te komen tot het overschrijden van de grenzen van tijd en de beperkingen van ruimte. Het is dit punt dat ik u vanavond nog verder zal toelichten.

Wanneer een bewuste persoonlijke leiding door de geest wordt gegeven en de leidende geest zich bewust is van een kosmisch samenspel van mogelijkheden en krachten, die ver buiten uw eigen wereld ligt en misschien vele eeuwen overspant, dan kan die geestelijke leider binnen het kader van tijd en ruimte, waarin u leeft, u helpen datgene te doen, wat misschien over 1000 jaren het gewenste resultaat zal hebben. Hij zal u leren die harmonie te scheppen, die misschien buiten de aarde in een geheel andere sfeer de juiste gevolgen kan hebben, de juiste erkenning van de goddelijke werkelijkheid tot stand kan brengen.

Wanneer u met een geestelijke leider een bewust contact hebt, kan hij u ‑ wanneer u tenminste zelfstandig met hem samenwerkt en u niet slechts onderwerpt ‑ op den duur een inzicht geven in datgene wat hem beweegt. U wordt niet slechts als een kind, dat niet weet waarheen het gaat, bij de hand genomen, maar wordt a.h.w., rondgeleid in kosmische mogelijkheden, in delen van een werkelijkheid, die u op aarde niet kunt beseffen. En daaruit leert u steeds juister zelfstandig handelen.

Het bewust aanvaarden van geestelijke leiding is niet slechts het vinden van het beste pad, terwijl wij degene kennen, die ons die leiding geeft. Het is een scholing, waardoor de mens zelfstandig de juiste weg kan gaan. De scholing, waardoor hij ook aan anderen leiding kan en mag geven. Dat is buitengewoon belangrijk.

Wanneer hier op aarde in het begin van de schepping, één steen anders was geplaatst, zou een stad er nu misschien anders uitzien of op een andere plaats liggen. Het klinkt een beetje vreemd, maar het is waar. Het kan bewezen worden. Wanneer in deze tijd één enkele daad van harmonie wordt gesteld, kan daardoor over 1000 jaar een 00rlog worden voorkomen. Ik zeg niet dat het altijd zo is, maar het is een mogelijkheid.

Door te begrijpen, dat elke handeling, die in deze dagen verricht, ook wanneer ze nu schijnbaar nutteloos is, een betekenis kán hebben, die na ongetelde jaren plotseling belangrijk is (alsof ze op interest is gezet), zult u ook begrijpen, waarom juist door en in het bewuste contact met de geestelijke leiding zoveel tot stand kan worden gebracht voor het totaal van de mensheid; en de kosmische lijnen, lang welke ons bewustzijn in de kosmische werkelijkheid moet gaan, juister en scherper kunnen worden gedefinieerd.

En dan de kwestie van de plaats.

Er is één mens ergens op aarde ‑ laten we zeggen in de Andes of in Tibet ‑ die op een bepaald ogenblik voelt; ik moet mij nu concentreren; of: nu moet ik een bepaalde daad stellen; of: nu is het voor mij tijd om af te rekenen met iets ouds, dat mij tot nu toe heeft beheerst. Dan kan het zijn, dat die gedachte uitgaat en dat er ergens in Nederland een mens zit, die ‑ op dat ogenblik ontvankelijk ‑ meeleeft in dat gedachtenbeeld en zo zonder een bewuste leiding te kunnen aanvaarden of ondergaan a.h.w. wordt gegrepen door de daad elders gesteld, de gedachte elders geconcipieerd en die daardoor op zijn eigen pad eveneens harmonische gevolgen als mogelijkheden schept, zowel voor het heden al voor de toekomst.

Alles van het leven grijpt in elkaar. Het is bijzonder ingewikkeld, wanneer je dat alles zou willen overzien, ongetelde kleine en onbelangrijke feiten stapelen zich op en plotseling is er een nieuw koninkrijk geboren of… een nieuwe kerk gesticht. Plotseling wordt er over verdoemenis of bewustwording van een groot aantal mensen beslist … door kleinigheden.

De geestelijke leiding, die wij aanvaarden onder de bron te kennen, moet uit de aard der zaak beperkt blijven door ons eigen redelijk ervaren. Dat kan niet anders, want u draagt er de verantwoordelijkheid voor. Maar een mens, die ‑ als het even kan door bewijzen, doordat hem steeds weer iets wordt gezegd wat juist is, wat waar is, wat uitkomt ‑ wéét met welke geestelijke krachten hij te maken heeft, welke hun invloed is, die innerlijk aanvoelt dat deze krachten lichtend en goed zijn, hij kan dus door schijnbaar onbelangrijke en kleine dingen, die eigenlijk niet plegen te tellen, soms zeer veel doen voor het dichter bijeen brengen van de waan der mensheid en de werkelijkheid van Gods schepping.

Met deze les wil ik heden volstaan en ik zou een volgende maal graarg willen verdergaan met het behandelen van bepaalde aspecten als de techniek bv., die de geest heeft ontwikkeld en de mogelijkheden van de mens om ontvankelijkheid te ontwikkelen.

Voor heden echter zou ik u willen verzoeken dit alles te bestuderen en daarbij u te realiseren, dat ‑ zolang u niet volledig bewust en wetend uw geestelijke leider kent en deze zijn bestaan en werken door daad en door feiten niet steeds weer bevestigt ‑ u verplicht bent, ongeacht alles wat de geest zegt, uw eigen erkenning van goed en kwaad, uw eigen gevoel van verantwoordelijkheid als enige maatstaven oor uw eigen handelen en besluiten in verband met deze leiding te gebruiken.

Innerlijke tegenstellingen

In elke mens bestaan tegenstellingen. Het lijkt misschien een beetje vreemd om dit a priori te stellen als hoofdvoorwaarde van het leven. Maar mens‑zijn impliceert dat je geest bent en stof. En wat voor de geest belangrijk is, is voor de stof niet aanvaardbaar, terwijl dat, wat voor de stof niet aanvaardbaar is, de geest buitengewoon interessant vindt. Het resultaat is dus, dat de doorsneemens ‑ erkend of niet‑erkend – altijd in een soort worsteling met zichzelf is gewikkeld. De belangrijkste factoren daarbij zijn aan de ene kant de menselijke instincten, het ‑ laat ons zeggen ‑ lichamelijk temperament dat daarbij een rol speelt; en anderzijds de lichamelijke opvoeding en het geloof, waar dan tegenover komt te staan wat geestelijk wordt nagestreefd, het geestelijk deel van het bestaan, datgene wat de geest wil bereiken.

Door deze tegenstrijdigheid denk je dikwijls dat je het niet meer weet en vraag je je af: Wat heeft er nu nog zin? Moet ik nu a of b zeggen.

In de praktijk ligt de beste weg altijd in het midden. Wij moeten nl. niet vergeten dat de geest alleen kan leven in de stof, zolang ze hier op aarde werkzaam moet zijn. En omgekeerd dat die stof niet kan bestaan zonder de leiding, de levenskracht en de impulsen van haar geest. Wij moeten dus proberen zowel a als b te zeggen. En dat op zo’n manier dat we nog juist met onszelf tevreden kunnen zijn.

Natuurlijk wordt het nog lastiger, wanneer we ‑ gezien ook het onderwerp dat vanavond is behandeld – te doen krijgen met geestelijke leiding en inspiraties. Want dan ga je je helemaal afvragen: Wat is nu eigenlijk mijn persoonlijke, misschien stoffelijke impuls, wat is mijn geestelijke impuls en wat komt er van buitenaf? Maar zo ingewikkeld als het lijkt, is het nooit. Want alles wat u als geestelijke impuls bereikt (dus bv. de geestelijke leiding die u krijgt), is afgestemd op de harmonie die in uzelf bestaat. Dus op het innerlijk evenwicht tussen de stoffelijke en de geestelijke waarden.

En zo kunnen wij zeggen dat een geestelijke leiding, een geestelijke inspiratie, nooit de tegenstelling in onszelf zal vergroten. Ze zal wel problemen doen rijzen, daar ben ik het direct mee eens. Maar die problemen zijn ‑ scherp gesteld ‑ alleen maar problemen, die in ons reeds vaag en half beseft bestonden. Een geestelijke leiding kan u niet iets geven, wat niet in uzelf leeft, begrijp dat wel! En dus moeten wij, wanneer wij het probleem van innerlijke tegenstellingen proberen te ontleden, de geestelijke leiding eigenlijk beschouwen als iets wat voor ons de zaak helderder en duidelijker omschrijft, maar nooit als iets wat ons zou dwingen tot iets wat geestelijk of lichamelijk of op beide terreinen niet voor ons zou passen.

Na dan met die geestelijke leiding in dit opzicht te hebben afgerekend, zou ik graag de tegenstellingen willen preciseren.

De mens heeft in zich een groot aantal stoffelijke behoeften en tendensen. Voor zijn leven en zijn welzijn zijn deze zeer belangrijk. Er zijn zelfs mensen, die ‑ wanneer hun bepaalde mogelijkheden in de stof worden ontnomen ‑ niet meer tot rationeel handelen in staat zijn.  Zij worden waanzinnig. Zij worden zelfs al waanzinnig, wanneer ze bv. altijd vrolijk zouden willen zijn en gedwongen worden voortdurend met een plechtstatig en waardig gezicht door de wereld te wandelen. Datzelfde conflict zien wij, wanneer iemand de behoefte heeft om enerzijds God te zien als de leidende factor in zijn leven en anderzijds voortdurend gedwongen is zuiver materialistisch te denken. Komen die problemen die met elkaar in strijd zijn, dan ontstaat vaak ook een verlaten van de werkelijkheid.

Dan wordt zo iemand dus krankzinnig. Krank van zinnen. De tegenstelling is altijd weer de geestelijke, de werkelijke waarheid, zo­als deze geprojecteerd zou kunnen worden in een zuiver persoonlijk leven en een van alle waarden en wetten onafhankelijk stoffelijk lichaam tegenover een stoffelijk lichaam, dat deel uitmaakt van een organisch geheel, als een maatschappij, desnoods een kerk enz. en dat wordt gedwongen zich daarin aan wetten en regels te onderwerpen.

Het is duidelijk dat de geest zo volledig mogelijk uitdrukking wil geven aan alles wat zij voelt. Wanneer zij voelt, dat iets niet goed is, dan wil ze dit verdrijven of vernietigen. Wanneer de geest aanvoelt, dat iets harmonisch is, wil zij die harmonie op elke mogelijke manier tot uitdrukking brengen. Maar stoffelijk gaat dat niet altijd.

Dan rijst in de mens de vraag; Wat moet ik doen? Moet ik mij nu houden aan alles, wat er aan stoffelijke wetten en begrippen in mij leeft? Of moet ik mij alleen wenden tot datgene wat geestelijk voor mij het hoofddoel is?

Ik heb al getracht de oplossing enigszins aan te geven, nl. van beide iets. Wij gaan dan uit van het volgende: Ik zal alles wat geestelijk in mij bestaat, zo goed mogelijk in de stof uitdrukken, zolang dit voor mij niet geheel (zowel volgens mijn stoffelijk bewustzijn als stoffelijk lichamelijke mogelijkheden enz.) is te verwerkelijken. Want ik kan mijn stoffelijk leven toch niet eenvoudig wegwerpen om de geest één ding te laten verwerkelijken, tenzij dat van al‑overheersend belang is. En omgekeerd zou het ook dwaas zijn om de verwerkelijking van iets dat geestelijk in mij leeft als onbelangrijk eenvoudig terzijde te stellen, omdat het stoffelijk nu eenmaal niet aanvaardbaar is.

Om het nu heel eenvoudig te zeggen: Wanneer de geest u zegt dat u met alle mensen samen moet werken en de stof zegt u, dat u ‑ wanneer u juist tegen iedereen in werkt ‑ er beter aan toe bent, dan is het logisch dat u tracht zoveel mogelijk met anderen samen te werken. Zoveel mogelijk!

Iemand die begrijpt wat zich in hem afspeelt, zal dan ook van die innerlijke tegenstrijdigheden niet zoveel last hebben. Hij beseft heel wel dat er aan de ene kant de geestelijke drang is, vaak uitgebeeld door allerhande idealen en stoffelijk verklaard met allerhande mooie en vaak zeer vage of zelfs zinledige woorden; en aan de andere kant de realiteit, waarmee je toch ook rekening moet houden. Want hij zegt eenvoudig tot zichzelf: Wanneer ik voel “dit is aanvaardbaar, dit is goed, dit is voor mij in overeenstemming met mijn denken en mijn idealen,” dan stelt hij eenvoudig: Kan ik dat nu werkelijk doen zonder daardoor voor mijzelf of voor anderen consequenties te scheppen, die idealistisch niet meer aanvaardbaar zijn of ‑ stoffelijk gezien ‑ voor mij ondraaglijk worden. Wanneer hij daarop een antwoord vindt, dan heeft hij meteen het antwoord op: Wat moet ik doen? En dat is eigenlijk heel eenvoudig.

Het is jammer dat zoveel mensen zich blijven vastklemmen aan begrippen, die ze zelf eigenlijk niet meer erkennen. Wanneer ze hebben geleerd dat 2 en 2, 5 is (dat zal dan wel een soort handelsschool zijn geweest), dan weten ze innerlijk wel dat 2 en 2 altijd 4 is, maar blijven aan de 5 vasthouden. Want ze hebben het zo geleerd en kunnen dat niet opzijzetten. Dan is de enig redelijke oplossing dat we ‑ zolang het aanvaardbaar is ‑ blijven rekenen: 2 en 2 is 5. En alleen wanneer ons innerlijk leven daarmee werkelijk in de knoei komt, zullen we de grotere waarheid van toe­passing verklaren.

Innerlijke tegenstrijdigheid komt ook vaak voort uit zelfverwijt.

Dat zelfverwijt is heel dikwijls gebaseerd op iets dat helemaal niet waar is. Bijvoorbeeld op de vraag: Wat mag ik wel en wat mag ik niet doen? Daarbij beschouwt men dan uitsluitend stoffelijke, of zuiver geestelijke nor­men. Maar men realiseert zich in het geheel niet dat de persoonlijke aan­sprakelijkheid in de stof en de evenzeer persoonlijke aansprakelijkheid in de geest ‑ mits men de consequenties daarvan kan aanvaarden ‑ altijd mo­gelijk maken om, tot een voor het “ik” juiste beslissing te komen. Maar men weigert echter heel vaak de consequenties te zien of te aanvaarden.

Er zijn mensen, die ‑ wanneer ze een gelofte hebben afgelegd dat ze niet zullen snoepen ‑ in zielennood komen over die ene slagroompunt, die ze niet konden weerstaan. Dat is dwaas. Want wanneer de gelofte zin had en men heeft een keer een fout gemaakt, dan gaat men eenvoudig verder met het houden van die gelofte zo goed men kan en zal zo het ogenblik kunnen bereiken, waarop geen enkele soes of taartpunt of wat dan ook het “ik” in verleiding kan brengen.

Maar het kan ook anders zijn. Het kan wel eens zijn dat men zich een voorstelling heeft gemaakt en een gelofte heeft afgelegd die hele­maal niet bij dat “ik” passen. Dan blijkt dat wij juist dankzij die ene slagroompunt eens een beetje meer veerkracht, een beetje meer scherpte van denken hebben gekregen of een zuiverder innerlijke harmonie, een gro­ter gevoel van eenheid met de wereld of met de kosmos. En dan moeten we ook nadenken en zeggen: Het is toch dwaas ons aan die ene gelofte of voorstelling te houden. Dan moeten we zeggen: Het blijkt door de feiten, dat ik klaarblijkelijk behoor tot die gelukkigen, die zich als een soort “Wirtschaftswunder” voortdurend met slagroomgebak moeten voeden om daar­uit een maximum aan prestaties te krijgen. En als men zich dat zo reali­seert, dan valt vaak dit innerlijk conflict terug tot iets onbelangrijks.

We moeten beseffen dat we nooit het uiterste kunnen bereiken, noch geestelijk noch stoffelijk. Want iemand die in de stof leeft, is geest en stof. En zijn beste weg is de weg van het midden, die altijd aan beide waarden zoveel mogelijk tegemoetkomt en daardoor een zo groot mogelijke innerlijke harmonie, veerkracht en bewustzijnsmogelijkheid schept.

En als we dat nu weten, dan lijkt het mij toch eenvoudig om elke innerlijke tegenstrijdigheid en tegenstelling op te heffen door de realisatie van wat men is: een mens in de stof.

Theorie en praktijk

Na hetgeen wij zo-even hebben gezegd over innerlijke tegenstellingen, werdt onder mijn aandacht gebracht, dat er een tweede even belangrijke kwestie bestaat. Want de mens weet vaak in theorie heel goed wat hij moet doen, maar hij komt er praktisch niet toe. Of hij weet theoretisch hoe hij zou moeten zijn, maar hij is nu eenmaal niet zo. En daar worden we dan geconfronteerd met een ander facet van de innerlijke tegenstrijdigheid. Want… theorieën zijn gedachten. Het zijn thesen. Het is abstract.

Wanneer ik honderdmaal weet hoe ik zou moeten lopen en ademhalen om de 10.000 m. hardlopen te winnen en ik heb geen benen, dan zal ik aan die kennis nooit iets hebben, want ik zal het toch nooit kunnen. Een theorie is voor mij alleen bruikbaar, als en zover ze mij praktische aanknopingspunten geeft.

Nu zijn er heel veel mensen die theoretisch precies weten wat ze geestelijk en lichamelijk zouden moeten doen. Hoe ze zouden moeten voelen en denken. Die zelfs precies weten hoe je het “ik” erkent en de grootste inwijding bereikt. Maar… ze weten niet hoe ze het tot uit­voering moeten brengen. Dan vraag ik mij af, of een mens, die zich met de theorie alleen bezighoudt, niet onbewust de tegenstellingen in zijn eigen ikje vergroot? Want een theorie kan alleen voor mij goed zijn, wanneer zij ook bij mijn wezen past. Als ik in de stof ben, betekent dat wezen mijn ma­terie zowel als mijn geest.

De oppervlakkige afwijking van de theorie is onbelangrijk. Maar de erkenning van wat in mij leeft en de erkenning van mijzelf in wat ik als theorie ken, is de enige methode om beide te verenigen; om een theorie tot iets anders te maken dan een hol en leeg geluid dat door mijn innerlijk onbegrip heen galmt, als de slag van de deurwaarder op de deur, terwijl je geen cent in huis hebt.

Ik moet mij afvragen: Wat kan ik van deze theorie zelf beleven? Is er iets in die theorie dat mij persoonlijk aanspreekt? Iets wat míj zegt: “Ja, zo moet dit zijn; dat weet ik en zo kan dat zijn.” En als ik nu weet wat kan zijn, dan begin ik daarmee. Want menig mens vergeet dat een theorie over het algemeen wordt opgebouwd om alle mogelijkheden en feiten te dekken. Ook wanneer u die zelf opbouwt. Wanneer ik begin een theorie op te stellen over de ideale staat ‑ zoals heel veel utopisten hebben gedaan ‑ dan betekent dit nog niet dat die ideale staat mogelijk is. Het betekent wel dat bepaalde facetten van de theorie op het ogenblik in beperkte mate kunnen worden toegepast.

En dit is het belangrijke punt. Datgene wat ik ‑ de theorie kennende ‑ nu krachtens mijn eigen persoonlijkheid en wezen enigszins kan omzetten in de daad, is belangrijk. Want aan de hand van mijn ervaringen zal ik leren, in hoeverre deze theorie door mij kan worden verwerkelijkt. En wat meer is, door deze feiten zal ik weten welke delen van de door mij innerlijk aanvaarde theorie nu in de praktijk kunnen en moeten worden gebracht.

Over het algemeen maakt de mens ‑ vooral wanneer hij filosofisch denkt ‑ een heel grote fout. Ik hoop niet dat iemand het mij kwalijk neemt dat ik dit zo zeg. Hij bouwt zich een beeld, zoals hij zou moeten zijn en beklaagt er zich vervolgens over dat hij het niet is. Eigenlijk zou hij moeten stellen: Ik bouw mij een ‘beeld van wat ik nu ‑ volgens mijn huidig bewustzijn en wat ik heb geleerd ‑ zou moeten zijn. En ik vraag mij af in welke zin ik ‑ hoe beperkt dan ook ‑ iets van datgene, wat ik zou moeten zijn, nu kan verwerkelijken. Heb ik dat verwerkelijkt, dan zal ik mij afvragen: Is mijn theorie nog dezelfde? En wat is het volgende punt?

Slechts op die manier groeien de theorieën en de praktijk naar elkaar toe. Alleen op deze manier kun je die grote en vaak innerlijk belangrijke tegenstelling tussen wat je denkt te moeten zijn en wat je bent opheffen.

Iemand, die in de stof leeft, is verplicht praktisch te denken, on­geacht de veelheid van schone theorieën, die hij in zijn hoofd draagt. Hij is daarom ook verplicht al datgene wat hij met zijn denken en zijn gevoel in zichzelf erkent als het juiste, na te gaan om te weten in hoeverre een deel daarvan praktijk kan worden. Het is beter uit een theorie van 10.000 punten daarvan één voor jezelf nu en in deze wereld tot werkelijkheid te maken, dan je voortdurend te be­klagen over het feit dat het geheel onbereikbaar is.

De benadering mag nimmer uitgaan van de top. Ze moet beginnen aan de basis. En die basis ben je zelf. Probeer in jezelf datgene te veranderen, wat je nu werkelijk kunt veranderen; datgene te overwinnen, wat je werkelijk mogelijk is te overwinnen en wat je misschien ‑ al is het nog zo weinig – dichter brengt bij het ideaal. Beschouw het ideaal nooit als iets wat nu werkelijk moet zijn, maar ten hoogste als een blauwdruk, volgens welke je probeert aan je leven en wezen een beetje meer vorm, meer regel en meer inhoud te geven.

Verstand

Een mens beroemt zich op zijn verstand. “Ik kan denken,” zegt hij; “en ik ben meer dan een dier, omdat ik zo goed kan denken. Ik heb redelijk vermogen. Ik ben in staat met mijn rede alles te overzien, te definiëren te classificeren, te rubriceren.

 Toch vraag ik mij wel eens af: Mens, als je je verstand beschouwt als een “ultima Thule”, een doel in zichzelf, ben je dan eigenlijk wel meer dan een dier?

Een mens, die het verstand zo ziet en het redelijke als de hoogste waar­de die een mens kan bereiken, zondert zich af van datgene, wat hem werkelijk boven het dier kan verheffen: innerlijk bewustzijn, contact met God, harmonie.

Daarom zou ik willen zeggen: Het verstand en de daaruit voortvloeiende rede zijn de mens gegeven als werktuigen. Een werktuig gebruik je, waar het noodzakelijk is. Een werktuig gebruik je om bv. in dit geval aan je leven gestalte te geven; om voor jezelf de juiste plaats te vinden, waarbinnen je in het leven de nodige vreugde, de nodige ervaring en het nodige bewustzijn kunt vinden.

Maar wanneer ik dat doe met mijn verstand, dan heb ik het gebruikt voor zijn voorbestemd doel. Want de geest leeft in een wereld die met de rede alleen niet gelukkig kan zijn. Ja, waarin de rede van de mens soms een dwaasheid is. Het denken en het bewustzijn van de geest omvatten vaak zoveel waarden, die het verstand niet eens kan omvatten, dat het verstand een armzalig middel is waarmee je je in de primitiviteit van het stoffelijk bestaan tracht op de juiste wijze te handhaven.

Als verstand een werktuig is, dienen wij ons af te vragen, hoe en waartoe wij het moeten hanteren. En dan zeg ik in de eerste plaats; Het meest belangrijke in ons bestaan als geest en als mens is wel de harmonie met het Eeuwige, het Oneindige dat in ons spreekt, de liefde die ons bindt met al het geschapene.

Ons verstand moet ons in staat stellen aan die liefde voor al het zijnde op een juiste wijze uiting te geven.

Onze rede moet het ons mogelijk maken in te zien waar onze neiging tot volledige uitdrukking van deze verbondenheid met het zijnde misschien schadelijk zou kunnen zijn voor anderen; en op deze wijze wordt zij een middel tot zelfbeteugeling, zodat wij anderen niet gaan overheersen.

Daarnaast is er voor ons die innerlijke kracht, dit gevoel dat ik het best kan omschrijven als “de stem van God in jezelf”. Het is een ge­luidloze stem, want zij spreekt weinig woorden. En zo zij woorden spreekt, zul je haar in de stof en in de geest niet eens verstaan. Maar er is in ons ergens iets lichtends, iets levends als een vlam, die in ons brandt.

Wanneer wij in ons leven ‑ hetzij in de stof of in de sferen ‑ onjuist zouden handelen, dan wordt die vlam troebel. Maar wanneer wij juist han­delen en dus het Goddelijke en de goddelijke wil bevorderen, dan weten we dat die vlam in ons helderder brand, alsof we een nieuwe vreugde in ons dragen, als een nieuw sieraad van de oneindigheid dat je zelfs in een stoffelijk voertuig meedraagt.

Dit innerlijk weten, deze stem, die licht en duister in onszelf maakt tot de beoordelende kracht van het leven, is als een tweede hand, als een tweede stuwende kracht, die het werktuig verstand moet en mag hanteren. Want de goddelijke wet en wil in ons moet worden uitgedrukt op een wijze die past in de wereld waarin wij leven. En in de stofwereld is dat het verstand en de rede. Want deze zijn de maatstaven van de mensen.

Laten wij dan ons innerlijk wezen, onze innerlijke kracht, onze verbondenheid met het zijnde, de liefde tot de kosmos die in ons groeit, uitdrukken in onze wereld langs de mogelijkheden en wegen, de regels die het verstand en de rede ons stellen.

Laat ons verstand en rede gebruiken om daar, waar wij weten dat de werkelijke krachten niet onbegrensd kunnen worden geuit, zonder voor anderen en onszelf moeilijkheden, problemen of zelfs een innerlijk duister te scheppen, deze te beperken en te richten.

Laat het verstand en de rede in je de krachten der oneindigheid richten, die de geest in je legt.

Laat je innerlijk wezen door middel van het werktuig verstand zich zo juist en zo goed mogelijk manifesteren in de stof. Dan heb je je taak volbracht. Daartoe en daartoe vooral en alleen zijn ze je gegeven.

Denk dus, mens, gebruik je verstand en je rede, opdat je in je eigen wereld het eeuwige dat in je leeft, moogt uitdragen. Opdat het licht dat in je bestaat sterker en vreugdiger moge opvlammen en de verbondenheid uitdrukken van het nu nog beperkte “ik” met de grote Oneindigheid, waarvan het een eeuwig en blijvend deel is.

Als wij zelf niet meer weten waar te gaan, laat ons dan zeggen:

God, Die in mij spreekt, Gij, Alomvattende Liefdekracht, Die in mij werkt, leer mij mijn werktuig hanteren, opdat ik de hoge bestemming, waarvoor ik ben geschapen, waardig moge zijn.

Daarmee heb ik dan op mijn manier over het verstand gemediteerd. Het verstand dat niet de oplossing geeft van alle moeilijkheden, maar dikwijls de bron is. En over de rede, die niet is de mogelijkheid om het Al te kennen, maar slechts een systeem is, waarmede je in je eigen wereld jezelf zult kunnen uitdrukken. Meer dan dit zijn ze niet, maar als zodanig al belangrijk voor eenieder die bewust wil leven.

Meesterschap

Ik heb mijzelf beseft.

Ik heb de dagen leren tellen, Ik beheers de nacht.

Door het erkennen van mijn taak, mijn plicht,

Breng Ik voort een andere kracht:

Een levend licht, een werkelijkheid.

Ik leid mijn leven, ik beveel de winderig

Ik zeg de zonne stil te staan. ‑

Ik heb macht. En toch mijn eigen baan,

Zij is bepaald.

En slechts wanneer mijn “ik” niet dwaalt

Van ’t pad, is er een meesterschap.

Meester te zijn wil niet zeggen: heersen. Te zijn

als een Nero, wanneer de wereld brandt. Het wil

niet zeggen: meester zijn van de kosmos en in te

gaan tot het vaderland, dat door de Vader voor

allen is geschapen. Het is geen wapen, ’t is geen

kracht, maar het besef van dat, wat door de

Schepper in jou door jouw wezen wordt volbracht en

zo volvoerd tot aan het eind der tijden.

Meesterschap is het in je erkennen van God, Die

zachtekens in je spreekt. ’t Erkennen van een lijn

van lichtende krachten, die met je gaat en nimmer

breekt bij het vergaan der tijden.

Meesterschap is het stille beseffen van een

band tussen “ik” en de eeuwigheid.

Meesterschap is het “ik” te ontkennen, opdat

het grotere in ons leeft en de beperktheid

van het eigen wezen zich nu aan Oneindigheid

tot uiting geeft. Meesterschap, dat is te weten:

Ik leef slechts uit een hogere Wil en uit die

Wil slechts mag ik streven.

 

Meesterschap is het stil aanvaarden van de waarden Gods en het

verstaan der dingen die waar zijn, waar door alle tijden.

Meesterschap is slechts het treden van de tijd tot in de eeuwigheid en

zo ‑ zelfs in een tijdelijk leven ‑ eeuwig zijn met “ik” en kracht, omdat je

het “ik” aan God en kosmos bewust geofferd hebt en eigen streven aan ‘t

Hoogste Zelf als offer bracht.

Dat is het meester‑zijn in het leven.

Misschien dat dit meesterschap u niet aantrekt. Maar er is geen macht

behalve de macht die uit God komt. Er is geen weten dat waar is, behalve

het weten dat in God leeft. Er is geen beheersing der dingen mogelijk, die

niet uit God wordt geboren en die optreedt, waar Gods Wil wordt volbracht.