Het bijgeloof

 18 juli 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u erop wijzen dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Wat ons onderwerp van vanavond betreft: “het bijgeloof”.

De eerste vraag die bij beschouwing van dit onderwerp opkomt is de volgende: Is bijgeloof een onvermijdelijk deel van het menselijke denken? Heeft het een bepaalde taak, een functie in de wereld, of is het slechts onwetendheid en dwaasheid? Men maakt het zich meestal gemakkelijk door te stellen, dat alle bijgeloof uit louter onwetendheid voortkomt. Dat kan misschien in vele gevallen waar gemaakt worden, doch bij het beschouwen van de ontwikkeling van de wereld zien wij, dat het bijgeloof ongetwijfeld een andere zin en betekenis kan hebben.

Er moet een relatie bestaan tussen bijgeloof en beschaving. In elke tijd die een hoogtepunt van beschaving heet te zijn, neemt het bijgeloof op ontstellende wijze toe. Dit geldt ook voor deze dagen. Wij kunnen naar mijn mening niet volstaan met het bijgeloof alleen maar te veroordelen. Voorbeeld: Vele mensen zijn heden absoluut niet bijgelovig. Alleen lopen zij liever niet onder een ladder door. Natuurlijk brengt dat geen ongeluk. “Het heeft” – zo zullen zij verklaren – “geen enkele zin om bang te zijn voor het onder een ladder doorgaan.” Toch lopen zij er zelf maar liever even omheen. Dit en andere voorbeelden maken ons duidelijk, dat het bijgeloof niet alleen maar een kwestie van denken is. Het is veel verder ingeworteld in de mensheid en is niet alleen door onwetendheid te verklaren.

Wanneer wij hierop verder in willen gaan, zullen wij naar ik meen, in de eerste plaats als basis van deze beelden en voorstellingen de behoefte van de mens vinden om ook onverdiend geluk te hebben. Daarnaast blijken vele bijgelovigheden een gevolg te zijn van de voor de mens zeer sterk optredende drang, eigen wereldvisie te rationaliseren door het onredelijke element een op geloof gebaseerde achtergrond te geven. Ook was het bijgeloof vaak een middel om eigen minderwaardigheid, of onbekwaamheid te verklaren, zonder dat dit voor het Ik kwetsend was. In de oertijden bv. had een onfortuinlijk man natuurlijk toe kunnen geven, dat hij een slechte jager was, niet in staat om wild op te sporen, of te doden, zonder hulp. Maar dergelijke verklaringen betekenen dat men in de gemeenschap niet meer telt. Daarom was het veel prettiger voor het Ik te verklaren, dat een demon, of boze geest, het onmogelijk maakt aan zijn slachtoffers om wild te vinden. In de middeleeuwen hadden de mensen, dank zij de enkele verlichte figuren die daarop steeds weer hebben gewezen, kunnen weten en aanvaarden, dat vele ziekten het gevolg waren van onzindelijkheid, eigen onnatuurlijke gewoonten, enz. Dit zou tevens een toegeven van eigen fouten betekenen. Het was echter voor het ik aanvaardbaarder over een envoûtement, een betovering te spreken. Hierdoor kon men eigen fouten op anderen wreken. In de moderne tijd komt onder meer het geloof aan talismans, gelukbrengers, e.d. steeds meer op de voorgrond. Nu wil ik zeker niet beweren dat elke talisman geheel zonder waarde en zin is, maar de werkelijke inhoud en kracht van de talisman is voor de grote massa allang teloor gegaan. De massa ziet deze voorwerpen eerder als willekeurige voorwerpen, die toevallig krachten hebben en geluk brengen.

Waarom dit bijgeloof? De verklaring is alweer heel eenvoudig wanneer wij rekening houden met de eisen die de moderne tijden aan de mens stellen. De taak waarvoor deze zich ziet gesteld, is vaak zo zwaar, dat hij aan eigen kunnen en mogelijkheden gaat twijfelen. Het geloof in de talisman stelt hem in staat, althans een deel van zijn zelfvertrouwen terug te winnen. De verklaring van het bijgeloof moet dus vooral gezocht worden in de menselijke psyche. Het geeft bestaande gevoelens weer en betekent vaak een aanvulling van de wereld voor de gelovige, waardoor zijn wereld tenminste dragelijk wordt. Hoe zou het nu met de wereld zijn gegaan, wanneer er geen bijgeloof was geweest? In de eerste plaats zou men niet, of veel minder dan dit het geval was, zijn vertrouwen gesteld hebben in Goden. Dit betekent, dat de macht van priesters niet bestaan zou hebben in de meeste oudere en nieuwe beschavingen. Het gezag dat tovenaars en priesters vooral in het verleden hadden, maakte de eerste ontwikkeling van wetenschap mogelijk en kwam bovendien zeer ten goede aan de mogelijkheden van stam en volk. Neem deze werkingen weg uit de wereld en zie wat er dan blijft. De wet van de dieren zou voor de mensen veel sterker hebben gegolden. “Eten of gegeten worden” zou dan de mensheid steeds geregeerd hebben en daarmede de vorming van grotere gemeenschappen – althans voor langere tijd – onmogelijk gemaakt hebben. Stel dat de wichelaars geen invloed hadden uitgeoefend. Het verloop van de geschiedenis zou anders geweest zijn. Rationeler misschien. Maar zeker wreder en bloeddorstiger. Wanneer het bijgeloof in vele tijden geen grote rol had gespeeld, zouden bv. de barbaren verschillende malen Rome verwoest hebben. Deze stad en daarmede vele basiswaarden van de huidige maatschappij en rechtsopvattingen die nu nog bestaan zouden teloor zijn gegaan.

Ook in andere opzichten was wat wij nu bijgeloof noemen een stimulans voor de ontwikkeling van de mensheid. Want wanneer er niet zoveel bijgelovigheden de mensen iets voor niets hadden voorgespiegeld, zouden velen niet hebben gezocht naar de ontsluiering van de occulte geheimen. Natuurlijk waren er door alle tijden heen ingewijden en hun leerlingen. De doorsnee experimenten van de gewone alchemist bv. waren vanuit een modern standpunt niet veel meer dan onzin. Ook als wij de praktijken van de vroegere dokters en chirurgijnen nagaan, blijkt dat zeer veel van hetgeen zij deden, berustte op bijgeloof en geheel valse voorstelling van zaken en in feite onzin was. Zonder alchemisten zou de chemie zeker niet zo ver zijn gekomen dat zij meer en meer de vorm van de beschaving mee gaat bepalen. De medische wetenschap zou waarschijnlijk beperkt zijn gebleven tot een operatief ingrijpen, daarbij zeker niet in staat zijnde een diagnostiek te produceren, zoals het weten, dat heden de mens een steeds langer leven schijnt te schenken. Het is zelfs de vraag, of de mens zonder zijn bijgeloof, dat hem het vuur als goddelijk en gevaarlijk deed zien, er toe zou zijn gekomen metalen te smelten en te verwerken. Op zijn minst kunnen wij dus stellen, dat het bijgeloof een grote en zeer bepalende functie heeft gehad bij de vorming van de mensheid.

Wij hoeven daarom modern bijgeloof nog niet zonder meer goed te noemen. Wij hoeven niet aan te nemen dat men zonder bepaalde bijgelovigheden niet leven kan, of dat het bijgeloof voor iedere mens evenveel zal kunnen betekenen. Aan de andere kant kunnen wij stellen, dat veel van hetgeen op aarde gebeurt, direct of indirect, wordt bepaald door bijgeloof, waarbij dit een gunstige remming veroorzaakt in vele redelijke ontwikkelingen, waarvoor de mensheid als geheel nog niet rijp is. Nu zal bijgeloof lang niet altijd gebaseerd zijn op geestelijke waarden en invloeden. In sommige gevallen kan het zelfs geheel voortkomen uit een niet voldoende, of verkeerd begrijpen van zekere stoffelijke wetten, of waarden. Neem bv. de angst voor verhoogde radioactiviteit. Wanneer wij de toestand van het ogenblik bezien, kunnen wij – ons hierbij baserende op de zuivere wetenschap – stellen, dat de huidige radioactiviteit nog niet gevaarlijk is voor de mensheid, terwijl ten hoogste kan worden gesteld, dat door onvoldoende ervaringen op dit gebied, de gevarengrens nog niet geheel precies bepaalbaar is. Persoonlijk meen ik, dat men de gevarengrens wel dicht begint te benaderen. Maar indien de publieke opinie nu niet – wetenschappelijk gezien bijgelovig – zijn angst kenbaar zou maken voor de mogelijke gevolgen van atoomproeven en explosies, dan zou er geen rem zijn voor degenen die de experimenten uitvoeren. Indien de wereld een geheel was, waarbij allen samenwerkten op de meest verantwoorde wijze, zou deze remming zeker overbodig zijn. In de huidige toestand waarbij men elkaar tracht te overbieden door steeds grotere en zwaardere experimenten, is deze bijgelovigheid, dit alarmisme van het publiek zeer nuttig. Het kan misschien zelfs het verschil uitmaken tussen het behoud van de mensheid, of de ondergang van alle menselijke waarden op aarde. In vele gevallen blijkt zelfs, dat juist het bijgeloof in staat is te voorkomen dat degenen, die wel de waarheid kennen, te ver zouden gaan.

Zo bezien heeft het bijgeloof dus wel degelijk een taak in de wereld. Hieruit volgt een andere vraag: in hoeverre heeft dan het bijgeloof voor ons persoonlijk invloed en waarde? In de eerste plaats moeten wij hier wijzen op de vreemde werkingen die de suggestie kan veroorzaken.  In gevallen van ziekte kan een suggestie vaak de plaats innemen van concretere middelen. Psychologisch gezien kan eigen mogelijkheid tot redelijk voortbestaan onder vele omstandig- heden door de suggestie worden bepaald, of beperkt. Zeker kan deze kracht even zeer negatieve als positieve verschijnselen veroorzaken. Wanneer het er echter om gaat de mensheid het leven dragelijker te maken, kan de belangrijkheid van de suggestie haast niet worden onderschat. Op deze aarde bestaan er verschillende grote instellingen die dit maar al te goed hebben begrepen. Dezen kanaliseerden het bijgeloof van de mensheid op een bepaalde wijze, waardoor de daarin verscholen mogelijkheden konden worden gebruikt voor het bereiken van een bepaald – dikwijls aanvaardbaar – doel.

Het bijgeloof is sterk met het geloof verwant. Daardoor kan het ons vaak een zeker houvast betekenen op ogenblikken dat het leven ons zonder dit geheel zinloos moet schijnen. Wanneer wij geloven dat onze beschermgeest, onze patroonheilige, met ons zal gaan en in zal grijpen op de ogenblikken dat dit gewenst is, kunnen wij moeilijk hierin iets anders zien dan een bijgelovigheid. Aanroepen van heiligen, volgens de geldende maatstaven, is bv. ook een vorm van bijgeloof. Indien immers de heilige nog zo zeer aan menselijke eigenschappen en waarden gebonden blijft als de mens zich pleegt voor te stellen, zal deze zeer zeker niet in staat zijn aan alle tot hem gerichte verzoeken gehoor te geven. De gedachte dat wij een beroep kunnen doen op een bovenmenselijke kracht, doet ons doorzetten, waar wij anders de hoop al hadden opgegeven. Het doet ons zoeken naar krachten die redelijk niet in ons schijnen te kunnen bestaan. Hierdoor alleen al hebben deze dingen reeds onschatbare waarde.   De vraag komt naar voren, waarvan het bijgeloof dan een rationalisatie moet zijn. Nu bestaan er in de wereld, zoals in het eigen leven, vele mogelijkheden, gebeurtenissen, feiten en krachten, die redelijk onverklaarbaar zijn. Een deel van deze raadselen kan op menselijke wijze worden opgelost, zodat zij vanuit het gebied “geloof en bijgeloof” kunnen worden overgebracht in het gebied van de erkende wetenschappen. Andere feiten blijven zich steeds aan het menselijk kennen onttrekken. Zij zullen voor de mensheid steeds geheim moeten blijven, omdat deze krachten en werkingen zich geheel aan het menselijke begrip van werkelijkheid onttrekken. Het verstand kan nu deze dingen wel vastleggen in thesen, stellingen, en er theorieën over opbouwen, maar de mens zelf zal deze dingen toch nooit als reëel kunnen verwerken. In enkele gevallen heeft de menselijke geest deze mogelijkheden wel, doch haar bestaan op aarde is niet bewijsbaar.

Wanneer wij een dergelijk geloof aan bovennatuurlijke krachten niet zouden hebben, zouden de mensen zich waarschijnlijk steeds meer onmachtig en klein gaan voelen. In dergelijke gevallen zal men al zeer snel zeggen: “Ach, wat geeft het eigenlijk? Waarom zou ik mij druk maken? Ik kan toch niets bereiken”. De mens zal deze stemming slechts bij uitzondering kennen in alle fasen van zijn leven. In de meeste gevallen beschouwt hij zichzelf als heel wat belangrijker dan hij in werkelijkheid ooit kan zijn. Dit stelt hem in staat veel meer te volbrengen en te bereiken, dan zonder dit ooit mogelijk geweest zou zijn. Zeer veel op de wereld kon alleen worden tot stand gebracht dank zij de geheel verkeerde opvattingen, die aan het streven ten grondslag lagen. Uiteindelijk is het niet zo moeilijk uit de geschiedenis van de wereld af te leiden, dat het streven van de mensheid op aarde in de eerste plaats negatief is. Vernietigen is hem steeds belangrijker geweest dan het opbouwen. Men kan in de meeste gevallen zijn drang tot vernietigen aansprakelijk stellen voor de werkelijk grootse dingen die hij op de wereld opgebouwd heeft. Zijn grootste gedenktekens en tempels bouwde hij om de vernietiging van zijn medemensen en zijn macht, te memoreren. Zijn belangrijkste uitvindingen, van het wiel tot de penicilline toe, werden ontwikkeld door de noodzaak die uit strijd en vernietiging geboren werd. De mens streeft het meeste, wanneer hij meent hierdoor macht over anderen te kunnen verkrijgen, dan wel vijanden ten onder te kunnen brengen.

Natuurlijk kan de mens ook veel opbouwen. Maar dan is hij wel heel voorzichtig met zijn krachten, zowel als met de middelen die hij gebruikt. Veel voortgang vindt hij hierin daardoor niet. Wanneer het echter om strijd en vernietiging gaat, dan schroomt het de mens niet zelfs de krachten van de natuur, die hij niet beheersen kan, te hanteren. In zijn streven om zich voor de ontketende krachten te beveiligen, leert hij dan hun werkelijke wezen kennen, te beheersen en aan zich dienstbaar te maken. De atoombom is hiervan wel een sprekend voorbeeld. Ternauwernood inzicht gewonnen hebbende in de mogelijkheden van de atoomchemie, zonder enig begrip omtrent hetgeen zich in het atoom afspeelt, zoekt de mens naar middelen om de demonische krachten hierin te ontketenen. Zijn eerste proeven werden slechts door een toeval niet de ondergang van de mensheid. Nu echter gaat hij trachten het opgeroepen gevaar te bezweren. Hierbij kan hij zo ver komen, dat geheel de mensheid de zegeningen van de atoomkracht zal kunnen kennen, want in zijn besef van eigen weten, kennis, grootheid, gelooft de mens niet aan de mogelijkheid van een ondergang. Het is deze blindheid die hem steeds weer projecten doet beginnen, die engelen zouden doen beven en aarzelen, projecten die demonen doen sidderen van verwachting en wenen van vreugde. Vanaf de eerste tijden neemt de mens risico’s die onredelijk zijn. Maar zonder dit vreemde zelfvertrouwen zou de mens nooit boven het dierlijke peil uitgekomen zijn.

Door het voorgaande rijst nu de vraag: in hoeverre wij bijgeloof mogen bestrijden, in hoeverre wij het moeten aanvaarden, zo niet voor onszelf, dan toch voor anderen. De grens ligt voor mij op het punt dat bijgeloof de mens dwingt tot handelingen ten nadele van zichzelf of anderen.  Op kenbare wijze moeten wij het bestrijden. Zolang het bijgeloof de mensheid echter in staat stelt om met grotere innerlijke zekerheid en vrede te leven en te handelen, mogen wij het aanvaarden en tolereren. Voorbeeld: wanneer u meent dat de gelukspenning die u ergens in uw portemonnee verborgen hebt, u werkelijk geluk brengt, is dat zeker bijgeloof, doch het geeft u een zeker vertrouwen, dat het u mogelijk maakt verder te gaan dan u anders zou durven. Het wordt u hierdoor mogelijk gemaakt intenser te leven en meer te bereiken, dan zonder deze penning. Dit bijgeloof is voor ons zonder meer aanvaardbaar. Daartegen zegt een andere bijgelovigheid dat een medemens het boze oog kan hebben. Hierdoor voelt men zich steeds weer bedreigd. Men kan niet alle medemensen meer aanvaarden. Men zal onrechtvaardig zijn tegenover anderen, zal soms wreed handelen tot degene die zogezegd dit boze oog heeft. Men zal anderen hierdoor leed toevoegen. Daarom is dit bijgeloof verwerpelijk.

Men mag rustig geloven in geestelijke dienaren die u bijstaan. Zolang het Ik daarin rust en zekerheid kan vinden, helpt dit u immers gelukkiger te leven en beter vooruit te komen. Op het ogenblik, dat men echter meent aan deze helpers – volgens eigen denken – te streven, wordt ook dit weer verkeerd. Bijgeloof is in vele gevallen een methode die wij kunnen gebruiken om voor onszelf en anderen betere levensvoorwaarden te scheppen. Dit neemt niet weg dat bijgeloof altijd een zelfbedrog is, maar dit zelfbedrog brengt een mogelijkheid tot grotere vooruitgang, tot beter leven met zich. Geen enkele mens kan zonder zelfbedrog leven. Het heeft weinig zin zich te beroepen op de wetenschap en de rede om deze dingen uit de wereld te verdrijven. Misschien vindt men voor zich wijsheid in de boeken en kennis in de stellingen, die tegenwoordig het summum van wetenschappelijk denken uitmaken. Veel van wat thans als onwankelbaar is vastgesteld, zullen de mensen over enkele eeuwen ook slechts een archaïsch bijgeloof noemen. Men zal later, evenals nu, vele van de praktijken, gedachten en gebruiken van het verleden onzinnig vinden. Het heeft weinig zin een wetenschap boven alle dingen te stellen. Een absoluut weten zal men op aarde immers toch nooit kunnen bezitten. Zolang het bijgeloof van de wereld een bevordering betekent van geluk, van vrede, van vreugde in denken en doen, kunnen wij m.i. daarom met al hetgeen wat onder bijgeloof is onder te brengen, wel degelijk vrede hebben.

Wanneer echter bijgeloof als zodanig althans door een groot deel van de wereld is erkend, krijgen wij een eigenaardig verschijnsel te zien. U kent misschien de clubs wel die het bijgeloof heten te bestrijden. Zij komen bij voorkeur samen op vrijdag de dertiende te dertien uur, enz.  Nu zit hierin een aardig feit verborgen: het feit alleen, dat je demonstratief je onverschilligheid voor het bijgeloof van anderen meent te moeten bewijzen, houdt reeds in, dat je in het diepst van je wezen hieraan wel waarde hecht. Door jezelf en anderen steeds te tonen dat je om al deze onzinnigheden niets geeft, bereik je voor jezelf een zelfvertrouwen, dat je in staat stelt – althans schijnbaar – het bijgeloof te overwinnen. Het is vaak zoals kinderen die in het donker zingen. Door het noodlot uit te dagen, tracht men te voorkomen dat het gevreesde werkelijk- heid zal worden. Dergelijke gebruiken verschillen heel weinig van de gebruiken van de inboorlingen, die met veel lawaai gevreesde geesten trachten te verdrijven, of ze ontzag voor de mens in te boezemen. In een moderne maatschappij mag je iets dergelijks niet toegeven. Dank zij de verheerlijking van de rede tijdens de laatste decaden zal de mens liever alles doen en toegeven, dan onredelijk te handelen. Er zijn vele verschijnselen te noemen, die pleiten voor een groei van het bijgeloof in tijden dat de maatschappij steeds grotere eisen aan het individu gaat stellen. Heden dragen steeds meer mensen hun astrologisch teken met zich als een porte-bonheur. Steeds meer mensen lezen horoscopen, als zou dit de verantwoording voor eigen leven verminderen. Men zal het met mij eens zijn dat de horoscopen die in verschillende dag- en weekbladen worden aangeboden, in feite onbenulligheden zonder inhoud zijn, ook al komt bij toeval een enkele voorspelling wel eens uit.   Waarom zou de mens daar naar zoeken? Waarom zouden sommige mensen 10 à 12 dergelijke prognoses – meestal strijdig met elkaar – verteren? M.i. zeker niet alleen maar om enige leiding daaruit te trekken. Eerder voelen zij zich niet voldoende in staat om de omstandigheden te beheersen en hopen nu – door aanwijzingen van buiten af – in staat te worden gesteld, zonder enig streven en werken, een verlangd doel te bereiken.

Ik moet nog een paar punten aansnijden die – naar ik vrees – de meesten van u zullen choqueren. Wanneer men u zegt dat de ene mens een goed magnetiseur is, terwijl de ander deze gave niet bezit, dan is dit onwaar. Deze stelling berust op bijgeloof. In feite heeft ieder mens dezelfde vermogens, wanneer hij te maken heeft met iemand die qua vitaliteit, zwakker is. Wanneer men u verzekert dat geestelijke genezing betere resultaten biedt, dan het werk van de dokter, is dit in zekere mate bijgeloof, want ook geestelijke genezing kan in de patiënt slechts de mogelijkheden wekken die in hem of haar bestaan. De benadering is bij beide geneeswijzen anders. Dat is waar, maar in beide gevallen is men afhankelijk van de krachten en werkingen die men in de patiënt kan wekken.

Wanneer men u vertelt dat geestelijke meesters u direct tot bewustwording kunnen brengen, dan is dit bijgeloof. Geen enkele meester zal u werkelijke bewustwording kunnen brengen. Zelfs de grootsten kunnen u enkel de weg wijzen die u ter bewustwording zelf zult moeten gaan. Wanneer men u vertelt dat u iets voor niets kunt krijgen, ruikt dit ook naar bijgeloof. Zelfs zij, die in een loterij een hoofdprijs winnen, krijgen in feite niet iets voor weinig, of niets. Men moet nl. ook in aanmerking nemen, hoeveel het gewonnene kan kosten in krachten, zorgen e.d. Slechts datgene wat uzelf bereikt, verwerft en beheerst, heeft werkelijke waarde. Wanneer u, mijne vrienden, aanneemt dat wij u op kunnen heffen tot een beter geestelijk peil, zonder dat u daar zelf iets voor hoeft te doen, bent u bijgelovig. Slechts indien u zelf tracht de wegen te gaan die wij u tonen, kunnen wij u helpen, anders niet.

Ik breng dit alles naar voren om u duidelijk te maken, dat grote delen van het spiritisme, maar ook van het zich wetenschap noemende, in feite niets meer is dan een bepaalde vorm van bijgeloof. In beide gevallen blijkt namelijk dat vele stellingen niet kunnen worden bevestigd door bewijzen, maar slechts kunnen worden aangenomen, terwijl de beloofde resultaten misschien wel aanvaardbaar, maar nog niet demonstreerbaar zijn. De psychologische vorm, waarin zij op het ogenblik in de wetenschap vaak wordt toegepast verschilt maar al te vaak niet van de wonderdokterij van de een of andere negertovenaar. Men maakt analysen en geeft aan voor welk vak men het meest geschikt zou zijn, maar helaas is niemand in staat de bekwaamheden van een ander te beoordelen vanuit een ander standpunt dan het eigene. Dit betekent dat men oordeelt onder de invloed van eigen stemmingen, dat eigen reacties een zeer grote invloed hebben op hetgeen men bij anderen vast denkt te stellen. Vanuit een praktisch standpunt gezien hebben deze factoren een zo grote invloed, dat geen werkelijke vaststelling van de wezens inhouden, eigenschappen en kwaliteiten van anderen mogelijk zal zijn. Slechts waar de psychologie helpt het eigen Ik te ontleden aan de hand van erkende verschijnselen, zal zij althans enigszins nuttig zijn.

Het vreemde is, dat de meeste door mij onder bijgeloof gekwalificeerde waarden toch grotendeels werken. Hoe dit komt? Omdat de mens in zich vele eigenschappen draagt, die normalerwijze niet tot uiting zullen komen, maar die door zijn eigen geloof in zijn mogelijkheden geactiveerd worden. Zo vindt de mens inhoud in zijn leven die hij zonder dit, nooit zou kunnen vinden. Juist dank zij deze waarden die in stoffelijk redelijke zin geen enkele werkelijke inhoud bezitten, kan de mens intenser leven, komt hij tot andere ziens- en denkwijzen, leert hij de dingen te overdenken vanuit een standpunt dat hijzelf nooit aangenomen zou hebben, indien hij zich alleen op de rede had gebaseerd. Zelfs de wetenschap kan tot reële ontdekkingen komen, terwijl zij toch vaak uitgaat van geheel onjuiste thesen. Waarom? Door de praktijk. Wanneer men een onjuiste these lang genoeg in de praktijk brengt, zal zij vanzelf tonen niet juist te zijn. Bewijst zij echter niet geheel aan de gevestigde veronderstellingen te beantwoorden, dan zal men gaan zoeken naar een juister beeld. Dit wordt voortgezet tot de gestelde feiten inderdaad geheel in overeenstemming zijn met hetgeen de werkelijkheid is, zelfs indien op het ogenblik mag worden gezegd dat vele stellingen en werkthesen geheel onjuist zijn, zo zien wij toch door de ervaring ook altijd weer wijzigingen optreden. Elke wijziging betekent een stap dichter naar een absolute waarheid.

Mij dunkt, dat wij het begrip bijgeloof zeer ruim mogen stellen, mits wij het voorgaande niet uit het oog verliezen. Laat ons vooral niet vergeten, dat wij een verschil moeten maken tussen geloof, wat feiten stelt die stoffelijk nooit controleerbaar zijn en het bijgeloof, dat een foutieve interpretatie van stoffelijk bestaande mogelijkheden betekent. Indien wij namelijk ook het eerste bijgeloof willen noemen, komt men er heel dicht aan toe, zelfs het bestaan van een God te zien als een bijgeloof, waaraan velen lijden. Bovendien moeten wij niet altijd alleen maar de naakte waarheid willen zien, zoals die voor ons nu realiseerbaar is. Een groot denker heeft eens gezegd: “Wat geeft het of God werkelijk is, of niet. Ik geloof aan God, omdat dit voor mij de enige mogelijkheid betekent, mijn leven inhoud te geven en zin te vinden in het bestaan”.  Hij raakte daarbij niet alleen de kern van alle geloof, de behoefte, maar ook de kern van haast alle bijgeloof. Wij allen hebben iets nodig waaraan wij ons vast kunnen klampen, iets, waaraan wij de zekerheid kunnen ontlenen die wij voor onszelf menen niet te bezitten. Wij hebben misschien wel vóór alle dingen behoefte aan een kracht buiten ons, die ons weghelpt over de belemmeringen die wijzelf scheppen. De mens die leeft in een zuiver redelijke wereld zonder meer, verliest al zeer snel het menselijke. Het menselijke is nu eenmaal in hoofdzaak een kwestie van trial and error. Het dankt zijn werkelijke inhoud aan een voortdurend streven en pogen, het maken van vergissingen, en  juist  – dank zij deze vergissingen – verder te komen.

Het is mede hierom dat ik aan het einde van mijn betoog wil stellen: bijgeloof is het noodzakelijke product van de omstandigheden, waarin de mens door de maatschappij wordt geplaatst. Voor het individu is het bijgeloof een aanvulling van eigen levensmogelijkheden, waardoor hij een intensiteit van leven en streven kan bereiken, die zonder dit haast niet mogelijk is. Daarnaast zal juist het erkennen van het bijgeloof als zodanig een fase in de menselijke ontwikkeling betekenen waar hij juist hierdoor steeds meer wordt gedwongen scherp op zichzelf en zijn omgeving te letten. Ongetwijfeld kan bijgeloof ongunstige invloed uitoefenen, waarbij de goede waarden erin verborgen, in hun tegendeel om zullen slaan. Zonder dit goedgelovige in de mens, zonder het bijgeloof, zou de wereld niet kunnen zijn, wat zij is. Een verwerpen van het onredelijke zou uiteindelijk moeten voeren tot een egoïstische wereld zonder remmen, waarin de mensheid ten onder zou gaan. Ook wanneer wij het godsgeloof mede onder het bijgeloof willen stellen, blijft het een waarheid, dat zonder dit aarzelende zoeken naar het niet-kenbare en de remmingen, die door de schijn rationalisatie van de mens ontstaan, een leven op de wereld reeds lang niet meer mogelijk zou zijn.

  • Bijgeloof en geloof zullen m.i. door u als identiek worden gezien, daar voor beiden geen redelijke gronden of bewijzen bestaan. Waar ligt de scheiding dan tussen deze beiden?

Voor de doorsnee mens zal de scheiding liggen op de grens van het kosmische en het tijdelijke. Waar men spreekt over kosmische en op aarde nooit realiseerbare waarden, zal men dus van geloof spreken, terwijl men daar, waar men zich een onmiddellijk ingrijpen op aarde dan wel een kenbaar worden op aarde, voorstelt, van bijgeloof zal worden gesproken, zover het bewijs niet leverbaar is. Bijgeloof zullen wij ook alle niet bewijsbare en niet redelijke gegevens noemen die met de stof worden geassocieerd, zonder dat zij daarin bewijsbaar of hanteerbaar zijn. Indien wij helemaal eerlijk willen zijn moeten wij echter toegeven, dat elk geloof bestaat uit een kleine kern van werkelijk ervaren, omgeven door een wagonlading van bijgelovigheden

  • Mogen wij dus aannemen dat elk geloof zich wijzigen zal? In de wagonlading?

Inderdaad. Alleen is het jammer dat sommige wagonladingen steeds meer schijnen te bevatten. De moeilijkheid ligt hierin: geloof is innerlijk weten. Ook bijgeloof is echter aan dezelfde condities te binden. Wat dus voor alle anderen bijgeloof zonder inhoud is, kan voor een enkeling deel van zijn geloof zijn. Hij kan zich op de wereld niet anders voorstellen, zonder eigen instelling geheel te moeten wijzigen. De zeer persoonlijke levenservaringen spelen hierbij een zeer grote rol. Zodra ik weiger een bepaalde stelling nog verder te beschouwen, of te onderzoeken, is het voor mij een kwestie van geloof geworden. Toch kan deze weigering afhankelijk zijn van eigen behoeften. Vandaar dat zelfs het door mij gegeven onderscheid tussen geloof en bijgeloof een zeer willekeurige was.

  • De mythologie van de Oudheid is dus ook een vorm van bijgeloof?

U hoeft zich niet te beperken tot de mythologie. Elk geloof, waarin men zich een voorstelling maakt van God in overeenstemming met het leven van de mensen, is bijgeloof. Een kosmische kracht kan nooit een menselijke vorm bezitten, omdat de menselijke vorm op zich een uitdrukking is van beperking en ontwikkeling. Beide waarden kunnen wij m.i. in een God niet veronderstellen. Voor menige mens is een dergelijke voorstelling echter noodzakelijk om tot een Godsbeleving te kunnen komen. Dit bevestigt weer mijn stelling, dat het bijgeloof in vele opzichten voor de menselijke ontwikkeling noodzakelijk is. Elke vorm die men God tracht te geven, is het gevolg van een rationalisatieproces, waarin men niet ervaarbare waarden buiten zichzelf tracht te zien, te wekken en te aanvaarden, hierbij het niet-redelijke aanpassende aan de redelijke vermogens. De voorstellingen van spiritisme, spiritualisme, het geloof aan heiligen en engelen, geestelijke krachten e.d., die op de wereld in kunnen grijpen, is in deze zin bijgeloof. Reden: men vermenselijkt hier de beweegredenen, werkwijzen en bestaansvoorwaarden van krachten die buiten het menselijke bestaan. Men tracht zo ze in te passen in een gedachtegang, die menselijk gebonden is. De voorstelling die resulteert, zal voor het Ik wel waar kunnen zijn, maar zal voor anderen steeds weer gapingen en hiaten op kunnen leveren.

Meen nu echter niet dat ik deze avond beweerd heb, dat spiritisme, geestelijke genezing, wetenschap, enz. alleen bijgeloof zijn zonder meer. Uitdrukkelijk heb ik gesteld, dat het bijgeloof is, wanneer u meent, dat anderen u, onafhankelijk van uw persoon, van buiten af kunnen beïnvloeden en dwingen. Hiervoor zal altijd een basis in uw eigen wezen aanwezig moeten zijn. Ook geldt, dat men eerst een gedachtegang innerlijk moet kunnen verwerkelijken en voor het Ik aanvaardbaar maken, voordat men buiten het Ik de waarheid daarvan zal kunnen aantonen, of verwerkelijken. Wat u vandaag nog belachelijk schijnt, kan morgen voor u reeds geheel redelijk aanvaardbaar geworden zijn. Ook het omgekeerde is mogelijk. Wanneer de eigen persoonlijkheid zich wijzigt – ontwikkeling – zal ook haar wijze van denken, streven en zich uiten, gewijzigd worden. Het sterkste komt dit toch wel tot uiting op het gebied van geloof en aangenomen waarden. Dezen wijzigen zich met het bewustzijn. De waarheid, zoals die voor een bepaalde persoon kan bestaan, zal altijd binnen de eigen persoonlijkheid gelegen zijn, geheel onafhankelijk blijken van alle regels door de omgeving gesteld, onaantastbaar voor vaststellingen van de omgeving. Elke gemeenschappelijke vorm van geloof is een reeks van bijgelovigheden voor elk van de gelovigen. Men komt tot deze aanvaarding, omdat eerst hierdoor het eigen werkelijke geloof verhuld kan worden en men tot een contact kan komen met anderen op een wijze, die bij het stellen van eigen waarheid als de enige, nooit mogelijk zal zijn.

  • Door uw spreken hier is spiritisme – voor ons althans – op dit ogenblik geen bijgeloof.

Dit is alleen juist, in zover de gedachten die ik u breng, een werkelijke weerklank kunnen vinden binnen u. Indien wij ons houden bij een constateren van het fenomeen, zoals het zich voordoet, plus een weerklank binnen het ik i.v.m. het gesprokene, kunnen wij bijgeloof buiten beschouwing laten. De meesten van u verbinden aan het gebrachte en soms ook aan de wijze van brengen een eigen voorbehoud. Het is juist dit laatste, wat ook deze bijeenkomst voor sommigen zeker tot een bijgeloof kan maken. Dat doel van deze manifestatie, dat buiten het stoffelijk redelijke ligt, zal voor 9 van de 10 personen geloof zijn, of bijgeloof worden. Het geloof ontstaat door het uit het geheel putten van voor het Ik aanvaardbare waarden. Binnen het eigen leven kunnen deze dingen een grote realiteit vormen, doch alleen uit een persoonlijk standpunt. Elke uitwisseling over dit werk betekent dan toch weer een verminderen van de innerlijk ervaren waarheid door een rationaliseren waarbij men dan tracht de fouten, die men in het verschijnsel zelf heeft opgemerkt, dan wel aan de hand van het verschijnsel in zich te verdraaien, weg te praten, enz. Men overtuigt zichzelf dan van de waarheid hiervan en daarin begint dan weer het bijgeloof in zijn grovere vorm.

  • Hierin mag dan toch geen ontwaarding van het spiritisme zijn gelegen. Anders komen wij hier voor niets.

U komt hier voor niets, wanneer u een hele avond alles hebt aangehoord en geen enkele nieuwe gedachte hebt gevonden, geen enkele bevestiging, waardoor u sterker staat in het leven. Zinneloos en zonder inhoud is een avond als deze op het ogenblik dat u hieruit geen gevolgtrekkingen hebt kunnen maken omtrent eigen gedrag en denken, wanneer u zelfs geen enkele voor u aanvaardbare bevestiging hebt gevonden, dat uw streven althans aanvaardbaar en redelijk is. Wie alleen maar toehoort en een aangename of gezellige avond heeft doorgebracht zonder meer, kan hiervoor elke andere vertoning van een cabaretier e.d. voor in de plaats stellen. Op het ogenblik echter dat u zich innerlijk door iets beroerd gevoelt, onverschillig wat, en hierdoor voor uzelf iets rijker bent geworden, of iets dieper bent gaan nadenken, dan hebt u de vruchten geplukt van uw aanwezigheid. Hierin, niet in het fenomeen, is de zin van de bijeenkomst gelegen. Het fenomeen op zich mag misschien voor velen belangwekkend zijn, maar het kan alleen zin krijgen, wanneer wij in geloof iets nader tot elkaar kunnen komen.

Het gaat hier niet om het redelijke. Het vinden van harmonie is eerder een kwestie van levensaanvaarding en berust op het accepteren van vele onbewuste of ongekende factoren in het leven. Kunnen wij dit helpen bereiken binnenin onze wereld, dan vinden wij hierin de enige zin van het werk. Wanneer een dominee, of pastoor, u even goed kan bereiken, heeft zijn werk evenveel zin als het onze. Onverschillig welke kracht het is die dit tot stand kan brengen, het vergroten van de harmonie is het werkelijke en enige doel van alle geestelijk werk.

Het is misschien wel aardig juist de werkingen van het spiritisme na te gaan, de meeste mensen komen er toe omdat zij door het verschijnsel worden aangetrokken. Zij krijgen een boodschap, een psychometrist leest iets af, een voorspelling komt uit, e.d. De mensen vinden hierdoor vaak een bevrediging van hun eigen denken en streven. Het verschijnsel is dan voor hen een aanleiding, innerlijke vrede en bevrediging het doel. Dit geldt niet alleen in het spiritisme, want bij menige bekering krijgt men in de eerste plaats het beeld van een emotionele verzadiging voor degene die zich laat bekeren, terwijl de bekeerder een gevoel van meerwaardigheid, van overwinning als prijs van zijn streven ziet. De achtergronden liggen in de gevoelswereld. Bij ons gaat het er dus niet in de eerste plaats om het uiterlijke verschijnsel aannemelijk te maken. Het gaat eerder om het geven van innerlijke vrede. Dat men het verschijnsel en de leer in het begin haast zonder denken accepteert, is een bewijs van geestelijke honger en armoede. Wanneer deze, ondanks het werk blijven voortbestaan, is er iets niet in orde. Dan is er tussen u en de weg, die de leer u wijst een te groot verschil. Het fenomeen dient ons niet alleen als uiting, maar ook als methode om u te trekken. Is die aandacht eenmaal getrokken, dan gaat het er ons alleen nog maar om wat wij u kunnen bieden. Misschien is dit een nieuw inzicht in het leven, misschien alleen maar een verdieping van uw eigen gedachtegangen, of een verandering van denkgewoonten.

Een grote waarde van eigen geloofservaren kunnen wij ook sommigen mogelijk maken. Alleen deze laatste waarden zijn voor ons werkelijk belangrijk. Wanneer ik een vergelijking mag gebruiken: het fenomeen is de verpakking. Het gaat echter om de inhoud. Al koopt u het beste wasmiddel van de wereld, wanneer u het pakje te mooi vindt om het te openen, zult u nooit in staat zijn uw was er schoon mee te krijgen. Op het ogenblik dat de inhoud u helpt een taak te volbrengen of een inzicht te bereiken, dan komt de verpakking er minder op aan. Het fenomeen, de buitenkant, dient ons alleen als middel om de inhoud weer te kunnen geven die in ons schuilt. En dat doel is toch zeker niet een gezamenlijk opmarcheren naar de eeuwigheid met een paar O.D.V. vaandels vooraan. Om dit te kunnen doen, zouden wij teveel van onze eigen gedachten en bewustwordingen prijs moeten geven. Daarmede zou het geheel tot een bijgeloof worden. Dat is niet aanvaardbaar. De enige werkelijkheid die ik in het leven kan erkennen, is een persoonlijke groei naar de Schepping en de Schepper. Hierbij is de weg die gevolgd wordt, niet belangrijk. Het gaat er om voor jezelf een steeds groter wordend bewustzijn te vergaren, waardoor een steeds intenser aanvaarden van het leven kan worden bereikt. Aanvaarden van het leven is mij overigens veel belangrijker dan het weten. Dat men bv. langs onze werkwijze soms kan komen tot een innerlijk beleven, dat de normale mogelijkheden verre te boven gaat, is alleen maar een verschijnsel. Dat, wat men in het beleven vindt, wat het aan kracht betekent in uw leven en wezen, is de werkelijke waarde.

  • Het hele leven is toch in feite bijgeloof?

Uitgaande van dat standpunt, hebt u nog gelijk ook. Wij zullen het wel met elkaar eens zijn dat een groot deel van de waarden die volgens op aarde het leven uitmaken, in feite maar waan zijn. Het berust op een voorstelling die niet werkelijk is. Toch handelen wij, wanneer wij op aarde zijn, alsof dit alles werkelijk ware. Dank zij dit handelen, volgens de schijnbare waarden van het bestaan, wordt het je mogelijk in de stofwereld met anderen te leven. Zonder dit zou dat niet mogelijk zijn, zeker niet in meer blijvende gemeenschappen als de moderne maatschappij. Zo zou men vanuit uw standpunt dus zelfs kunnen zeggen dat een soort bijgeloof de kern is van de moderne maatschappij en beschaving. Dat gaat natuurlijk wel iets verder, dan ikzelf had gedacht te gaan, toch ben ik het met u eens. In ieder geval is het bijgeloof op zichzelf onbelangrijk. Een positief aanvaarden maakt het ons mogelijk een waarde en zin in het leven te vinden. Al zeggen nu alle mensen dat het geen zin heeft een kruisje te slaan, een bepaalde talisman te dragen, of bepaalde bijeenkomsten te bezoeken, etc., dan hoeft u zich daarvan niet veel aan te trekken. Indien deze dingen voor u maar een prettiger leven, een scherper denken, een betere realisatie van het leven mogelijk maken, zodat u steeds weer in harmonie kunt komen met de Schepper, zoals u deze kunt erkennen. Belangrijker dan het juist, of niet juist zijn van ondergeschikte punten is een juiste wijze van leven, het vinden van innerlijke vrede.

  • Het is dus een bewustwordingsproces, dat zich door vele incarnaties voortzet?

Dit zal het kunnen zijn. Voor sommige wezens, en zelfs mensen, zou deze stelling ook bijgeloof kunnen zijn, daar hun weg niet door meerdere stofincarnaties hoeft te leiden. Het gaat er alleen maar om, dat, wat men bewustwording pleegt te noemen, in zich te verwerkelijken. Dit berust op het volgende. Wanneer wij geloven en aannemen, dat wij worden geschapen door een almachtige en alwetende God, zullen wij door Hem geschapen zijn in overeenstemming met Zijn wezen en wezens. In zeker zin zijn wij dus geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, ofwel: volmaakt. Alle onvolmaaktheid, onwetendheid, onbewustzijn en onbegrip komen dan voort uit een niet geheel kennen van ons eigen wezen. Het ontwaken tot een zodanige zelfkennis, zodat wij de weerkaatsing van het Goddelijke zoals in ons wezen door Hem neergelegd, geheel kunnen aanvaarden, is dan wat u bewustwording noemt. Alles wat geen deel is van dit uit God geboren wezen, Ego, is in feite bijgeloof, dat niet werkelijk kan worden voor ons, doch soms als instrument kan worden gehanteerd om te komen tot een juister begrip van hetgeen wij zijn, om ons ik beter te leren kennen.

 ——————————————

Bidden

Werkelijk bidden is een je bewust worden van een hogere kracht, die zich in je uit en zo de eenheid erkennen die je vormt met de kosmos. Mijn voorganger zou hier misschien over bijgeloof hebben gesproken, maar ik meen dat dit te verwerkelijken is. Werkelijk bidden kan nooit iets anders zijn dan het erkennen van God, of van de Goddelijke kracht natuurlijk, mogelijk zelfs een danken voor dit bewustzijn. Zolang het hier bij blijft is het – geestelijk gezien – een perfecte uiting van bewustzijn en een perfecte mogelijkheid tot verdere geestelijke ontwikkeling.

Op het ogenblik, dat een gebed meer een roddelpraatje wordt, zoals bij de Farizeeërs, is het een ontwaarding van het Godsbegrip en een beperking van eigen bewustzijn. U weet wel: “Heer, hoe dank ik u, dat ik niet als deze ben!” Dat is eigenlijk op een beleefde manier God er op wijzen dat je zelf goed bent, maar dat daar ginder een schooier staat.

Ook kan het gebed een uitdrukking worden van begeerte en luiheid: “Heer, ik heb wel te eten, maar ik zou graag wat beter eten. Kunt u daar iets aan doen?” Het meest beledigende in dergelijke gebeden is dat er meestal veel hebzucht, doch weinig geloof in schuilt. In andere gevallen wordt het gebed een opsommen van wensen, voornemens, en in het Ik erkende fouten. Dit is in feite niet meer dan een gesprek met jezelf. Hoe egoïstischer het gebed is, hoe minder het te maken heeft met God, hoe meer het een voor jezelf etaleren van eigen deugden en begeerten betekent. Indien een dergelijk gebed met zich brengt dat je wat intenser streeft in de toekomst, draagt echter dit etaleren toch nog zijn eigen vervullingen in zich. In de gevallen dat het bidden een smeken is om gaven terwijl men zelf niet bereid is de offers te brengen die voor het verwerven noodzakelijk zijn, wordt het gebed zelfs een bron van bitterheid en een beperking van de eigen bewustwording.

Men kan voor anderen bidden. Hierin is dan wel degelijk een smeken gelegen. De wens en het verband waarin wij deze naar voor brengen, is haast altijd onlogisch, of onredelijk. Want hoe kan een mens zich eigenlijk in het hoofd halen God, al is het dan in smekende vorm, te vertellen wat Hij moet doen voor anderen? God zal dat ongetwijfeld veel beter weten dan welke mens ook. Niemand kan bepalen, in hoeverre pijn, lijden, smart, zeer belangrijke factoren zijn in de bewustwording van anderen. Een dergelijk gebed zal dan ook zelden een direct gevolg hebben. Het brengt echter onze intense en onzelfzuchtige bemoeiingen voor de andere naar voren en bevordert het gevoel van eenheid met de ander. Hierdoor zal men, juist door de ontstane gedachten, elkaar zeer sterk kunnen beïnvloeden en tot een groot onderling begrijpen komen. Door de sfeer die hierdoor ontstaat, is het zeer wel mogelijk, dat de ander zijn eigen bewustzijn voelt veranderen en daardoor ook in meer stoffelijke processen een wijziging optreedt. Wie leeft in een geestelijk reine sfeer, komt niet alleen tot een veel intenser beleven van zekere waarden, maar ook – wat zeer belangrijk is – tot grotere innerlijke rust. In deze toestand zul je redelijker denken, sneller en beter handelen. De sfeer die wij, biddende voor anderen, tot stand brengen, zal dus zowel voor onszelf als voor anderen gunstige gevolgen hebben. Zelfs indien geen werking van Goddelijke krachten ingrijpt op wonderdadige wijze, zullen wij toch reeds, binnen het ons mogelijke, veel goeds hebben bereikt. Werkelijk altruïsme, of dit nu in een gebed of elders tot uiting komt, is steeds een uiting van het ervaren van grotere eenheid en saamhorigheid binnen de kosmos. Als zodanig zal elke vorm van altruïstisch bidden ongetwijfeld een vergroting van eigen ervaring zijn en zo ook van eigen bewustzijn en vermogen.

Naarmate het bidden meer wordt een erkennen Gods en een zich verdiepen in God, is het een intensifiëring van het geloof, dat de grote kracht is, die ons gevoels- en geestelijk leven daarmede beheerst. Resultaat: hoe meer wij a.h.w. bidden tot God, hoe groter de kans, dat wij daardoor een zeker bewustzijn verwerven en onze eigen vermogens verder ontplooien. De grote kunst van het bidden bestaat niet in het voortdurend zingen van lof- of klaagliederen tot God, maar in het vaststellen van je eigen houding, je eigen ervaren van God en Zijn wereld desnoods, om daarna in stilte te trachten de kracht van het Goddelijke te ondergaan. Hoe meer wij God aan het woord laten, hoe groter de kans is dat wij God beleven. Hoe meer wij God beleven en hoe intenser, hoe groter wordt het vermogen dat wij hebben en dus de mogelijkheid om zelf te bereiken hetgeen wij misschien als een geschenk van God hadden willen hebben. Hoe groter onze kracht en ons vermogen om anderen te helpen en bij te staan, hoe groter onze innerlijke vrede.

Het perfecte gebed houdt in: een erkennen van God en een luisteren naar God. Het zuivere gebed vraagt niet voor zichzelf – zo het al vraagt – en is een poging om de Goddelijke liefde zoals in het Ik ervaren, uit te drukken in een eigen streven, zij het, dat dit geestelijk is. Het gebed heeft pas waarde, wanneer het onderstreept wordt door de stoffelijke daad. Wanneer ik in mijzelf kan bidden tot God, lijkt het mij niet erg dienstig om dat via vele instanties te laten lopen. Zelfs wanneer ik zou menen dat het op die manier toch in orde zou kunnen komen, lijkt mij dat veel op een aanvraag van bv. het bouwen van een huis. Wil je directe resultaten, bidt eerlijk en oprecht tot God en zeg niet door welke kracht en door welke middelen Hij Zijn kracht moet uiten. Bidt niet zozeer met woorden, maar tracht je daden een klein beetje meer de inhoud te geven van het erkennen van een Goddelijke kracht, zoals je die in jezelf voelt. Dan bid je met daden heel wat werkzamer, dan je het met 1.000 woorden kunt doen.

De mensen die het meest over God praten, doen het minst om Zijn wil te verwerkelijken. De mensen die het hardst roepen om Gods hulp, zijn meestal het best in staat om voor zichzelf te zorgen. De mensen die het meest God intens ervaren, zullen het minst tot God bidden. Het ervaren is hen voldoende. Wanneer je veel vraagt, dan vraag je over het algemeen vele dingen waar jezelf ook voor kunt zorgen. In dat geval is je vragen ongerechtvaardigd en een belediging voor de Goddelijke kracht. Wanneer je niets vraagt, maar God accepteert, en aanneemt, dat wanneer je zelf hard genoeg werkt, Hij je zal bereiken om dat te bereiken, wat noodzakelijk is, dan stel je door dit vertrouwen in God, jezelf open voor de Goddelijke kracht en zal een vervulling veel gauwer optreden. Dan heb je niet nodig omdat je bezit. De grote fout van de mens is namelijk te denken dat hij wat nodig heeft. Dat is niet waar. Een mens moet zich realiseren wat hij heeft. Wanneer hij zich dat realiseert, dan komt het er verder niet zoveel heibel bij kijken. Naarmate de mens intenser bewust is van wat hij heeft en er gebruik van maakt, zal hij minder reden hebben te vragen naar iets wat hij nog niet bezit. Als de mens volledig zijn eigen mogelijkheden uit zou buiten, zou de wereld veel verder zijn. De doorsneemens doet het onvolledig en onevenwichtig. Het is juist daarom, dat hij geneigd is te bidden en te vragen. Wij kunnen niet verwachten dat een volmaakte God de onvolledigheden van ons bewustzijn uitroeit, zonder ons daarbij de ervaring te geven die Hij volgens Zijn wetten in het begin heeft vastgesteld.

  • Hoe verklaart u dan: “vraag en u zal gegeven worden, klop en u zal worden opengedaan”?

Heel eenvoudig. Vraag en je zult krijgen. Er staat niet: bid en je zult krijgen. Stel de behoefte vast. Geloof aan God en het is er. Wanneer je een rijk hebt, waar je niet binnen kunt gaan en je vertrouwt op God, dan ga je erbinnen. Jezus sprak in gelijkenissen om de reden dat de mensen van een gelijkenis altijd nog wel iets maken, maar als je ze de waarheid vertelt, begrijpen of geloven zij het niet. Wat Jezus in feite had moeten zeggen en heeft gezegd tegen Zijn leerlingen en heeft willen aanduiden met deze gelijkenis: “De mens die opgaat in God, volledig op Hem vertrouwt en datgene aanvaardt, wat God veruiterlijkt in hem en rond hem, zal nooit ergens voor een gesloten deur staan. Alle sferen zijn gelijkelijk zijn thuis, tot de hemel zelf, zo u wilt: het wezen Gods”. Degene, die werkelijk vertrouwt in God, zal nooit hoeven te vragen, want door zijn vertrouwen in eigen werken, zal hij steeds de toestand zo creëren, dat hij zich realiseert wat hij bezit en daarmee al verwerft wat voor hem noodzakelijk is.

  • In Mattheus staat: “Bidt en u zal gegeven worden….”

Omdat zij het praktischer vonden te bidden, dan om te doen. Als Jezus zei tegen Zijn apostelen dat zij ook over het water konden wandelen, net als Petrus, zeiden zij: “Ja, maar hij is half verdronken.” Toen zei Jezus, dat het zijn geloof was, dat het hem mogelijk maakte. Daar hoefde hij niet voor te bidden. Maar de twijfel aan de gave, die Jezus aan de apostel heeft gegeven, heeft hem ertoe gebracht het bidden in de plaats te stellen van het aanvaarden van God.

  • De bedoeling is: zelf proberen en dan pas om hulp vragen.

In feite is het zo, dat, wanneer je vertrouwt, dat je de kracht gegeven zal worden te volbrengen dat wat noodzakelijk is, je die kracht altijd zult hebben. Dan hoef je niet te bidden. Dan zul je nooit op het punt komen dat je streven verder gaat dan je kunnen, omdat je Gods wil dan onmiddellijk aanvaardt in de leiding die Hij geeft. Niet door middel van inspiraties, alleen door het feit dat Hij is met, rond en in u. Het is de onevenwichtigheid van het menselijk streven die de mislukking doet dreigen. Het gebed geeft niet de kracht om verder te gaan, maar geeft de rust om verder te gaan en daarmee onbewust de opgelegde taak zo te wijzigen dat zij volbrengbaar wordt.

  • Er is gezegd: Je hoeft niet veel te bidden, maar alleen bidden tot God, dat je  mag leven zoals Hij wil, dat je leeft.

Daar ben ik het direct mee eens want dat is het vaststellen van een waarheid in jezelf en gelijktijdig i.v.m. het Goddelijke, waarbij je bidden dus zeker niet meer wordt een vragen, maar eerder een constateren.

  •  Bidden behoort een overgave en eren te zijn.

Juist. De mens die bidt, heeft het geloof niet. Maar als u het geloof hebt, dan wandelt u hier de deur uit door alle huizen heen naar huis toe. Wanneer u het geloof hebt en u hebt tonnen goud nodig, dan zegt u: “Die ton moet er zijn”, en zij komt er. Wanneer u ziek bent en u gelooft volledig in God, en u voelt dat het noodzakelijk is dat u gezond bent, dan ben je gezond. Maar ze falen allemaal in het geloof en dan gooien zij het maar op het bidden. Leer volledig te vertrouwen in God, in jezelf, God woont in jou. Hij is vlakbij. Geloof dat God liefde is en dat Hij alles zal doen wat voor jou noodzakelijk is, dat Hij je in staat zal stellen al wat je noodzakelijk lijkt, te vervullen, omdat dat de weg is tot bewustwording. Vertrouw op Hem en Hij zal je alles geven. Als je gelooft in God, is niets onmogelijk. Het bidden is meestal om eigen ongeloof te verbergen.

  • Als je iets moois aanschouwt en je bent er stil van, is dat bidden?

Natuurlijk. Is het niet het beleven van een deel van de Schepping als een deel van het Goddelijke wezen?

  • Hoe komen wij aan dat volledige vertrouwen?

Door minder te denken dat wijzelf belangrijk zijn en meer te realiseren dat God belangrijk is. Je mag vragen om te krijgen, maar zolang je vraagt, heb je het niet. Dus is elk vragen om vertrouwen in feite een motie van wantrouwen.

Ik hoop, dat ik een paar gedachten in u gebracht heb, waar u iets persoonlijks uit kunt halen.

—————————————-

Esoterie

WIJ STIJGEN NIET DE TRAP OP, WIJ ZIJN DE TRAP

Wanneer wij over de kosmos nadenken, dan hebben wij zoveel vreemde ideeën in ons. Wij vragen ons vaak af, waar wij zullen eindigen. Soms lijkt het leven een trap zonder einde. Altijd maar verder stijgend, altijd maar weer verder jagen van leven tot leven, van sfeer tot sfeer, van bewustwording tot bewustwording. Wij stijgen niet de trap op, wij zijn de trap.

In uw Bijbel staat een verhaal over Jacob. Hij sluimerde, het hoofd rustende op een steen en zag een trap, die reikt tot in de hemel en engelen gaan er op en neer. Hoe kon die trap bestaan, indien er in Jacob niet een begrip was van de verbinding tussen de hoogste hemel en de mens zelf? Uit onszelf rijst de kracht op tot in oneindigheid. Wij beseften het niet. Alle treden van bewustwording, die wij bestijgen, zo moeizaam, betekent, dat wij onszelf niet willen kennen en dat wij uiterlijk blijvende onszelf trachten te bestijgen door iets meer te leren. Maar kan in het leren zelf inhoud liggen? Ik geloof dat in boeken geen waarheid wordt gevonden, dat men zichzelf niet kan leren kennen uit boeken en de wereld niet en de beschouwing van de feiten. Alles in ons bestaan is zo relatief, zo afhankelijk van condities en omstandigheden die wij niet helemaal beseffen. Alle weten is zo beperkt en geldt zo alleen maar voor één enkele wereld, voor één enkele fase van bestaan.

Ik denk zo voor mezelf, dat er andere en grotere mogelijkheden bestaan. Ik droom van een wereld waarin Goddelijk Licht en stoffelijk leven hetzelfde zijn. Ik droom van een wereld, waarin geen sferen zijn, maar een beseffen van het leven. Ik droom van een toestand, waarin ik niet bid omdat ik ben. Ik droom van een wereld, waarin geloof en bijgeloof mij niets meer betekenen, omdat ik de waarheid van mijn wezen voor mijzelf ervaar, en ik daarin vrede vind. Zo wij het beeld al kunnen schetsen, hoe onmetelijk ook, leidt ons ook dit niet af als wij zo spreken, hoeveel treden zal ik nog moeten bestijgen, voordat ik zover ben? Daarmee maken wij dezelfde fout die ons geleid heeft tot dit ellendige stijgen, deze klimtocht zonder einde naar een hemel, waarvan men de inhoud niet beseft.

Is het niet eerder een kwestie van ervaren? Wanneer de wijsgeer in gedachten verzinkt, verliest hij voor een ogenblik de wereld rond zich. Toch kent hij die wereld. Het is bekend van de grote Lao-Tse, dat hij, vertoevend in meditatie, in een van de buitenprovincies, gevlucht voor de toorn van de hovelingen en de ongenade van de keizer, eens zei:  “Het wordt tijd, dat ik terugga”. En kerende uit zijn beschouwing ging hij terug omdat, zoals hij zei, bloed was vergoten in de straten van de keizerlijke stad. Inderdaad, er was een moord geschied en hijzelf had deze bijgewoond. Toch was zijn geest rustig. Hij vroeg niet naar een hoger doel, hij vroeg niet naar de noodzaak die voor hem bestond om daar te zijn vanuit zijn eigen standpunt. Hij had zijn trouw beloofd aan zijn keizer en toen de nood kwam en het bloed moest vloeien, voelde hij het als een taak om daar aanwezig te zijn. “Want het land was zijn wezen.” Misschien lijkt het een overschatting, dat wij ons afvragen, of een mens werkelijk een land kan zijn. Maar in hemzelf was het waar. Hij leefde niet alleen in een ontruktheid aan de wereld, maar hij erkende alles wat belangrijk was, zelfs op vele mijlen afstand. En toch was zijn geest verheven en rustig. Een Lichtende sfeer, waarin de gedachten zelf worden tot een gedachte-worden, tot in het oneindige, en een kennen van de eeuwige wet. Zullen wij ons afsluitende van onze wereld, voor een ogenblik alleen hoger willen stijgen? Ik ben bang dat wij blind zouden zijn. Gaande van trap na trap, altijd weer gaande, de treden opgaande, moeizaam en met vele lasten. Op het ogenblik dat wij onze eigen wereld niet verliezende, toch het hogere kunnen beseffen. Wanneer wij begrijpen, dat wij niet zijn een wezen van één ogenblik in een wereld, maar een pad, waarin de oneindigheid zelf is uitgedrukt, zullen wij dan niet meer tot ons ware wezen kunnen reverteren? Een waar wezen dat niet afhankelijk is van zijn ogenblikkelijke uiting.

Misschien ben ik dwaas, dat ik zo denk en droom. Maar spreek ik niet in uw wereld en leef ik niet in de mijne? Misschien is het een schimmig beeld, maar ken ik niet het hoogste geluk, zelfs wanneer ik keer tot de diepste verworpenheid? Ik meen onverbrekelijk één te mogen zijn met de kosmos. Misschien nog niet helemaal beseffende wie en wat ik ben, maar toch al ervarende een groot gedeelte van die weg, niet meer gaande uiterlijk, moeizaam verder naar de top van een of andere vreemde berg, zoekende naar een onbereikbaar doel, of een God, die nooit geopenbaard kan worden, zoals ik Hem wil aanschouwen, maar ervarende de kosmos, het leven en God Zelf.

Innerlijk leven lijkt mij het antwoord op alle vragen. Wat kan meer bidden zijn, dan voortdurend één te zijn in je denken en streven met God, zover je kunt. Niet vragende, wat morgen komt, niet zeggende, wat mijn doel is, maar zeggende: “Ik ben in Hem, Die is”. Er zijn wijzeren, dan ik. Er zijn er die veel meer weten dan ik. Ik vraag mij af, of er velen zijn die gelukkiger zijn dan ik, meer vrede kennen en toch intenser kunnen leven.

Men heeft mij eens gezegd: “Je droomt van een leven dat een voortdurende activiteit is, en dat kan niet. Eens komt de grote uitblussing. Eens zal je bewustzijn voortbestaan en verder niet. Je zult niet meer keren tot een wereld, je zult niet meer streven, werken, of handelen. Je zult geen contact meer opnemen met anderen. De verstilling van het grote Niet zullen je gedachten een erkennen zijn zonder meer”.

Eerst heb ik het nederig aanvaard, maar in werkelijkheid kan mijn wezen dit niet aanvaarden. Hoef ik echter daadloos te zijn, wanneer ik één ben met de Schepper? Is het noodzakelijk dat ik niet meer leef, omdat ik mijzelf ben van begin tot einde? Of ben ik juist meer, of handel ik meer, of doe ik meer, dan ik ooit anders zou kunnen volbrengen? De daad moet ook een volmaaktheid kunnen kennen, zoals alle dingen. Gods perfecte daad moet de Schepping geweest zijn. Zou dan mijn perfecte daad niet zijn te vervullen al hetgeen wat God geschapen heeft in mijzelf. Een daad zonder einde, dunkt mij. Vol van bevrediging en werkzaamheid, doch gelijktijdig vol van een stille rust.

Misschien bid ik niet, maar ik ben. Ik ben één, zover ik kan met de Grote Geest, Die ik dien, de Schepper Zelf. Voor mij zijn alle problemen daarin opgelost. Er bestaat voor mij geen geloof, of bijgeloof meer, slechts een aanvaarden. Waarom zou ik trachten te scheiden een geloof, dat goed is en een geloof, dat verkeerd is? Is niet geloven uiteindelijk God, beleven van God? Waarom zou ik mij bekommeren. Wat deert het mij, of anderen een joystick aansteken voor Kwan-Yin om zo de vruchtbaarheid te verkrijgen die hen een onthouden wordt. Wat deert het mij te dansen voor de verborgen weelde van de doodsgodin? Elk zal in zijn geloof trachten iets te vinden van zichzelf. Indien ik mijzelf ben, ben ik alle geloof, wat voor mij bestaan kan. Dan mag er veel bij zijn wat anderen bijgeloof noemen, maar indien ik dit reëel beleef, wanneer het deel is van mijn persoonlijkheid en wezen, dan is het ook deel van de Schepping en de Schepper. Wie ben ik om met mijn rede mij te verzetten tegen het grote, dat ik boven mij erken?

Misschien dat ik u verveel, maar uw onderwerpen brachten mij hiertoe. Uiteindelijk blijft de werkelijke vraag voor mij toch steeds: “Hoe kan ik in mijzelf een harmonische eenheid bereiken? Tegen jezelf verdeeld zijn is immers de grootste zonde”. Wanneer men mij een taak geeft en zij is geen deel van mijzelf, zal ik haar niet verrichten. Al noemt de wereld het belangrijk, of noodzakelijk, ik kan niets volbrengen, wat ik niet in wezen zelf ben. Indien men mij spreekt van Lichtende Waarheid, zo neem ik gaarne aan, dat zij bestaat. Wat kan zij mij zeggen, wanneer zij niet deel van mijn wezen is. Ik dien de waarheid die in mij leeft en zal haar blijven dienen, zolang ik ben. Ik meen dat dit zonder einde zal zijn, want ik geloof in een waarheid, in vrede en in geluk die alle dingen samenvoegt binnen één beleven, binnen één geloof. Denk echter niet dat ik mijzelf genoeg ben, want slechts door het erkennen van de Scheppende Kracht, de Goddelijke wil, die in mij leeft, kan ik gelukkig zijn. Niet wil ik mij stellen in de plaats van God, doch mijzelf erkennen als deel van de Schepping, waarin God Zichzelf verwerkelijkt. Dit is mijn levensdoel.