Het christendom in de moderne tijd

26 oktober 1958

De mens leeft in een moderne wereld.  Het is daarom misschien niet zo dwaas om deze keer eens: de praktijk van het christendom in de moderne tijd wat nader aan een beschouwing te onderwerpen. In de eerste plaats brengt het ons misschien weer op een idee; n.l. hoe wijzelf ook langs de christelijke weg kunnen komen tot een perfecte bewustwording. In de tweede plaats zal het ons misschien verlossen van enkele vooroordelen, die zo ongetwijfeld in de loop der tijden door de maatschappij voor iedereen zijn opgebouwd. Als uitgangspunt zou ik deze keer willen nemen de verplichting, die de naastenliefde met zich meebrengt.

Wanneer wij spreken over naastenliefde, dan krijgen we heel vaak een ietwat vale smaak in de mond. Het doet ons denken aan mensen, die met lange, vrome gezichten over de wereld gaan en hun eigen meningen aan anderen opleggende dan nog het idee hebben iets goeds te doen. Laten we ons daarom eerst eens afvragen wat Jezus eigenlijk denkt over de vrijheid van leven, de vrijheid van denken, die een ieder een mens toestaat, over de weg, zoals hij die heeft gezien en geleerd. We weten allemaal, dat Jezus in het openbaar heeft gesproken in gelijkenissen. Dat was noodzakelijk, want zonder gelijkenissen verstaat de mens hem niet, Maar er zijn bepaalde leerstellingen, die toch wel erg belangrijk zijn, ook wanneer ze in beslotenheid gegeven zijn. Het is een daarvan, die ik in de eerste plaats naar voren wil brengen. Ik wil eerst proberen om het in technische termen te zeggen; daarna zal ik het herhalen zoals Jezus het heeft gedoceerd; daarna zal ik er een uitleg van geven.

Technisch gezien heeft Jezus tegen enkelen van zijn leerlingen dit vastgesteld: Datgene wat een mens tijd noemt, is in feite niet een vaste stroming maar een fluctuatie. Het doet ons denken aan een straling, waarbij deeltje na deeltje ergens de ruimte wordt ingeschoten. Al deze ogenblikken van tijd zijn met elkaar harmonisch. Daar waar het tijdsmoment synchroon is, bestaat een wereld. Is er een verschuiving van synchronisatie, dan ontstaat daarnaast een andere wereld. Zo liggen vele werelden door elkaar en al deze werelden tezamen vormen het Huis des Vaders. Het heelal, de goddelijke wereld bestaat uit ongeteld vele werelden, die vaak op dezelfde plaats verkeren, maar die in tijdseenheid anders zijn. Om nu onze eigen wereld goed te kunnen beleven moeten wij zo goed mogelijk synchroon daarmee zijn; zo goed mogelijk in gelijke harmonie verkeren. Eerst dan zullen wij het geheel van onze eigen wereld kunnen kennen. Elke wereld zelf is eenvoudig. Zij is simpel in haar wetten, in haar noodzaken. Eerst wanneer wij door verkeerde afstemming in contact komen met andere werelden zonder te beseffen, dat deze mede onze realiteit gaan uitmaken, komen we tot conflicten. Elk conflict betekent voor ons, dat wij niet in staat zijn om de werkelijke woningen, de werkelijke Huizen des Vaders a.h.w. te beleven. De naastenliefde is de perfecte uitdrukking van het vermogen om geheel synchroon, geheel harmonisch te zijn met de mensheid en maakt het ons daarnaast mogelijk juist door de eenheid met de mensheid ook andere werelden te beleven. Vandaar het Koninkrijk Gods is in u, hier uitgedrukt als: Alle werelden zijn voor u beleefbaar en kenbaar reeds nu op dit ogenblik. Er is geen scheiding tussen hemel en hel, tussen aarde en hiernamaals. Deze dingen zijn en zijn tegelijkertijd. Alleen de wijze, waarop het bewustzijn is ingesteld maakt uit hoe zij beleefd worden en waar zij beleefd worden. Dit is dan een poging om het in moderne termen te zeggen.

U zult begrijpen, dat Jezus in een tijd, die vooral volgens wetenschappelijke begrippen toch enigszins archaïsch is, anders heeft gesproken. Hij zegde tot zijn leerlingen: “Want zo zeg ik u, vele woningen heeft het Huis des Vaders. En zij zijn, gelijktijdig en te allen tijde. Waar gij binnentreedt, is uwe zaak. Want: de Vader geeft u de vrijheid in te gaan in elke woning, die Hij u bestemd heeft. Doch indien gij één wilt zijn met Hem, zult gij één moeten zijn met Zijn schepping. En eerst in deze eenheid zult gij komen tot het bewustzijn van Zijn grootheid en macht.”

Er horen nog een paar leringen meer bij. Maar wat Jezus hier nu eigenlijk heeft verteld en wat ik van tevoren heb geprobeerd in moderne termen te zeggen, komt hierop neer: Naastenliefde is niet alleen maar een poging om één te zijn met God, of een wijze van leven, waardoor je verdiensten verzamelt. Het is een noodzaak. Wij allen behoren tot een wereld, die door duizenden andere werelden wordt doorkruist. Het verschil daarvan ligt in de tijd. Dat wil zeggen, dat in dezelfde seconde achtereenvolgens duizend verschillende werelden a.h.w. zich openbaren op dezelfde plaats. Uw bewustzijn is gericht op één wereld. Maar hoe kunt ge met die wereld werkelijk één zijn? Slechts indien gij geheel daarin opgaat. In die wereld opgaan betekent die wereld liefhebben. Maar het kan nooit betekenen, dat je die wereld regeert. Naastenliefde kan nooit betekenen, dat je een wereld tracht te overheersen of dat je voor die wereld iets doet. Het is alleen maar een meeleven in die wereld, zo perfect mogelijk, zo duidelijk, zo geregeld mogelijk, opdat uw bewustzijn met die wereld geheel en al verknoopt zij en het goddelijk aspect van die wereld voor u duidelijk wordt. Maar heeft u dat bereikt, dan is elke verandering van instelling voor u een onttrekking van het bewustzijn. Het bewustzijn gaat dan over in een andere wereld en kan die evenzeer, even duidelijk en even volledig beleven.

In de loop van leven en dood en leven – opeenvolgende fasen dus van het menselijk bewustzijn – zult u vele van deze verschillende werelden leren kennen. Slechts met één van die werelden zult ge een absolute eenheid kunnen verwerven. Die eenheid is dan ook tevens de perfecte naastenliefde, het is de volledige Godsaanvaarding in een aspect, dat voor u onveranderlijk en eeuwig wordt. Om dit te kunnen doen, om één te kunnen zijn, zullen wij een zekere levenshouding moeten aannemen en deze impliceert ook gelijktijdig een wijze van uitdrukking en opvatting t.o.v. de wereld, die we op het ogenblik werkelijk noemen.

Jezus zelve zegt tot enkelen van zijn leerlingen, zij het in verwijtende zin: “Gij zegt: Ons is de waarheid. En gij spreekt over dat, wat gij niet beseft, want Ik ben u de weg en de waarheid. Doch kent gij mijn waarheid, zoals die de waarheid des Vaders is? Gij zegt: Ik ken de wet. Maar ik zeg u: Ik ben u de wet. En de wet des Vaders is in mij. Kunt gij zeggen wat de wet des Vaders is? Gij zegt, dat gij het recht hebt te oordelen. Ik zeg u: Het oordeel ben Ik u. Niet door mijn wezen maar door de kracht des Vaders, die in mij is. Want slechts Hij oordeelt en slechts Hij geeft Zijn wet, onomstotelijk en onveranderlijk voor heel de wereld. Zo zeg ik u: Oordeel niet en verhef u niet op uw waarheid, doch erken de Vader in alle dingen, en in eenheid met Zijn Wezen druk uit de waarheid, die gijzelf zijt.”

U zult zich afvragen: Wat wordt er eigenlijk mee bedoeld? Het is eigenlijk heel eenvoudig. Elk van ons zoekt zijn eigen band met God. Je kunt niet zeggen, dat elke mens dezelfde weg kan gaan of dezelfde band met God kan vinden. Je kunt alleen zeggen, dat elke mens God kan vinden. Hoe? Dat is niet te zeggen. Wanneer de leerlingen zeggen, dat zij de enige waarheid hebben, dan maken zij een fout. Want naast hun waarheid bestaan er duizenden, miljoenen andere waarheden, die evenzeer goddelijk zijn en die zij niet beseffen. De absolute waarheid bezit God alleen. Wanneer God een bewustzijnsdeel is geworden van een mens, wanneer Hij Zich openbaart in een wezen, ja, dan is daar de waarheid, dan is daar het recht, dan is daar de weg tot de verlossing. Maar die kan voor iedereen anders zijn. Die zal in ieder zich anders uiten. Het heeft geen zin een ander regels op te leggen. Het heeft slechts zin die ander te beseffen in zijn wezen, opdat de overeenkomst, die tussen ons en anderen bestaat God Zelf sterk op de voorgrond treedt en de verschillen worden geminiseerd. Er kan geen ware en geen onware godsdienst bestaan. Er kan geen ware en geen onware filosofie bestaan. Er kan geen goed, werkelijk goed en geen kwaad, werkelijk kwaad, bestaan. Er is alleen maar God, Die Zich in alle geledingen van de schepping volledig openbaart.

En wat hebben wij te doen? Wij hebben voor onszelf deze openbaring te zoeken, deze waarheid, deze eenheid met God. Zodra wij ons gaan richten op anderen zoals de apostelen bv. nog al eens deden door te zeggen; “Wat zij doen is verkeerd” dan is het fout. Wij kunnen handelen volgens ons wezen goed en redelijk. En dan kunnen we omstandigheden veroordelen. Dat heeft Jezus ook gedaan. Hij heeft ook de Farizeeërs verwijten gemaakt: Gij witgepleisterde graven, etc, Hij heeft de wisselaars de tempel uitgedreven met de zweep nogal. Dus hij had wel degelijk het recht om zijn wereld te verdedigen volgens het goed, zoals hij het kende. Maar hij heeft dit nooit, gepaard doen gaan met een oordeel omtrent de mogelijkheden van de Farizeeërs, met een oordeel omtrent de geestelijke waarde van de wisselaars; begrijpende., dat zij hun eigen weg zouden kunnen vinden tot God, ook wanneer die misschien anders ligt, dan Jezus die precies voor zichzelf had gevonden.

Weet u, dat is het grote probleem, dat de moderne wereld niet begrijpt. Men meent, dat als er een waarheid is, deze waarheid objectief, onomstotelijk, a.h.w. wetenschappelijk moet zijn. En dat kan niet, Gods waarheid omvat alle tegenstellingen. En een wetenschap stelt een verhouding van tegenstellingen vast. Maar in God bestaat geen verhouding van tegenstellingen, want alles is absoluut. Dat geldt voor elke mens. Daarom heb je niet het recht te oordelen over goed of kwaad. Je kunt alleen handelen zo goed als je kunt voor je eigen besef en je eigen bewustzijn.

Dat brengt ook met zich mee, dat de waarden voor de mens erg verschillen. Wanneer de rijke jongeling aan Jezus vraagt, wat hij moet doen om hem te volgen, dan zegt Jezus: “Laat alles achter.” Dat is logisch, want Jezus weg is er één van zich verzinken in de wereld. Het geheel a.h.w, kosmisch in zich bevatten om zo God te erkennen uit een bepaalde wereld en Gods wil in die wereld uit te drukken. Maar….. zegt hij, dat die ander niet zalig kan worden? Zegt hij, dat die ander God niet kan vinden? Integendeel. Hij zendt hem heen en de jongeling weent, omdat hij niet in staat is de weg te gaan van zijn bewonderde Meester. Het troostwoord, dat Jezus hem heeft gegeven, dat hebben ze niet opgeschreven. Misschien wel omdat ze het niet erg prettig vonden, iemand ook langs een andere weg zalig zou kunnen worden. Want hij heeft n.l. tot de jongeling gezegd: “Ween niet. Want zo zeg ik u, in hetgeen gij bezit, kunt gij de waarheid vinden indien gij uw bezit in waarheid beschouwt.” Met andere woorden, wanneer je dat niet te hoog gaat stellen of te laag, wanneer je nu maar leeft zo goed als je kunt met die bezittingen, die je hebt, met die instelling, die je hebt, met die gebondenheid, die je bezit, dan kun je evengoed tot de Vader komen. Dan is het Koninkrijk Gods voor jou net zo goed reëel als voor mij.

Dat hebben ze er niet bij gezegd. Natuurlijk niet. Het was niet prettig. Tegenwoordig vertelt men u ook, nietwaar, dat ge zus moet handelen en zo moet handelen, dat ge uw weg precies moet gaan, zoals kerk en staat dat noodzakelijk vinden, dat ge u alleen moogt gedragen, zoals de buren het juist vinden. Dat is fictief. U kunt niet leven, zoals een ander leeft. U kunt niet denken, zoals een ander denkt. U bent uzelf. En omdat u uzelf bent, omdat uw eigen wezen God kan benaderen vanuit het eigen “ik”, daarom is het mogelijk voor u, wanneer u maar zoekt naar de juiste weg ongeacht alle wetten en alle krachten God te vinden, de verlossing te vinden, bewustzijn te vergroten, tot ge de hele kosmos kunt bevatten.

Er is wel eens een keer zo’n beetje strijd hier over inwijdingen. En dan gaat men zeggen; “Ja, maar deze of gene weg, deze of gene symboliek, dat is nu toch eigenlijk wel je ware.” Dat is een zeer subjectieve kwestie. Wanneer Jezus door zijn leerlingen wordt ondervraagd omtrent Johannes, die hij lief heeft en zij hem zeggen; “Maar Heer, uw broeder (Johannes de Doper werd zijn broeder genoemd; hij was waarschijnlijk een neef) verkondigt woorden, die niet de uwe zijn,” zo zegt Jezus: “Wat deert u dit? Want ziet, ik bemin hem zeer. De woorden, die hij spreekt, zijn die des Vaders. Zo zal de Vader tussen ons beslissen.” Met andere woorden: Mens, waar maak je je toch eigenlijk zo druk over, of de een nu dit zegt en de ander dat. Het is toch God, Die beslist. Leef zo goed je kunt volgens wat je gelooft, dat is het enige.

Kijk nu eens naar die moderne wereld, vrienden. U zult het met me eens zijn, dat naastenliefde een noodzaak is, anders kan deze wereld niet voortbestaan. Vertrouwen is een noodzaak. Zonder vertrouwen kan deze wereld niet voortbestaan. Maar die wereld moet voortbestaan voor u. Voor uw wezen, voor uw denken. Als u dadelijk dood bent, is deze wereld voor u uitgeblust. Dan is er zo’n ander deeltje van die eeuwig wisselende reeks van tijdsmomenten gekomen, dan leeft u in een ander synchroon geheel, een andere wereld net als wij. En op de duur leert u misschien hoe de gebogen vlakken op een gegeven ogenblik de dimensies kunnen verwringen om het nu eens technisch te zeggen zodat langs een gebogen lijn, die door de gedachte kan worden geschapen, men door kan dringen van de ene wereld in de andere. Maar op het ogenblik heeft u er niets aan. En later heeft u er ook niet veel aan. Alleen wanneer het een uitdrukking is van uw wezen en denken, wanneer u probeert het begrip “kosmische liefde” dus absolute toebehorigheid uit te breiden over meer werelden (over meer sferen wilt u misschien zeggen), dan heeft het zin om dat te doen. Op het ogenblik is het uw taak om in uw wereld te leven met die absolute overgave aan die wereld en aan hetgeen u in die wereld als goed erkent, die voor u de vrede geeft, de harmonie, de eenheid met die wereld. Daarom is het zo belangrijk, dat we leren in die wereld niets te veroordelen. We veroordelen niets. We kunnen iets ontkennen als zijnde onjuist. We kunnen iets bestrijden, omdat het voor ons niet past, maar we mogen het nooit veroordelen als absoluut dit of absoluut dat.

Wanneer je nu bv. de praktijk neemt van het communisme. Laat ons eens eerlijk zijn, is die praktijk zo verschillend van wat Jezus als een ideaal stelt? Alleen God ontbreekt. Goed. Wij kunnen niet leven zonder God. Maar dat kan een communist ook niet. Als hij die weg gaat, eerlijk en overtuigd, dan komt er een ogenblik, dat hij ontdekt, dat er een hiaat is in zijn wereld, dat hij iets anders nodig heeft: een God. En dan noemt hij Hem misschien met een heel vreemde naam. Dan maakt hij er een abstract begrip van of een statistiek misschien. Maar in zich door voelt hij het evenzeer als God. Staat hij dan verder van God af dan wij? Dichterbij? Maar…. hij moet eerlijk zijn. Hij moet geheel zich overgeven aan het principe, dat hij erkent. Dat is noodzakelijk.

En kijk dan naar de kapitalist, de rijkaard, die als een soort vorst regeert over zijn rijkje van arbeiders en fabrieken. Is hij dan slecht? Wel neen. Wanneer hij leeft volgens zijn besef van goed, zich niet bindend aan de goederen alleen, maar eerlijk beseffende een eenheid met die fabriek en met die arbeiders, dan staat hij even dicht bij God. Dan zal hij misschien ook niet over God spreken. Maar dan zal achter dit alles toch een begrip ontstaan vaag misschien en vreemd een essence van zijn, die in alle dingen voor hem uitgedrukt wordt: God, zoals Hij Zich openbaart voor die mens.

Kan er een feitelijk verschil zijn tussen kapitalist en communist? Kan er verschil zijn tussen socialist en behoudzuchtig (conservatief)? Er zijn geen verschillen. Die verschillen ontstaan alleen maar door de wijze, waarop wij onze eigen mening als de enig juiste willen uitdrukken. En omdat deze verschillen niet bestaan, zodra het gaat om de mens, is het mogelijk elke mens mee te betrekken in dit geheel, dit harmonisch geheel, dat wij dan naastenliefde noemen. Maakt het verschil of je arm bent of rijk? Neen, nietwaar? Dat geeft iedereen tegenwoordig wel toe. Maakt het verschil uit, of je blank bent of bruin? In feite niet. Zeker, het ene kan ons passen, het andere kan ons niet passen. Maar het is daardoor niet meer of minder waard. Het is alles een geheel kosmisch. Het moet ingepast worden in onze wereld op een zo harmonisch mogelijke wijze. Het moet ingepast worden op zo’n manier, dat wij nooit een verwijt in onszelf gevoelen: Je hebt hier het menselijke bv. vergeten; je hebt je plicht verzuimd; je hebt anders gehandeld dan nodig was.

Men heeft Jezus natuurlijk over heel veel dingen lastig gevallen en zo heeft men hem ook verweten daar waren zijn leerlingen altijd heel gauw bij om hem iets te verwijten, als ze de kans kregen dat hij de overspelige vrouw toen indertijd op dat plein gered heeft. Toen zeiden zij tegen hem: “Heer, indien gij zo handelt, zal men zeggen: Hij onderschrijft de waarde van de ontucht.”

“Neen,” zei Jezus, “dat niet, maar de eenheid van het leven, waarin ook dit behoort. Want deze vrouw leefde slechts, wat duizenden begeerden. Zij was datgene, wat ontstond door de begeerte van anderen. Zij stond niet verder van de Vader dan een der anderen. Daarom heb ik haar gered. Maar zij voelde zich schuldig. En zo heb ik haar gezegd: “Ga heen en zondig niet meer.” Want de grootste zonde tegen de Vader is de verloochening van het begrip van goed, dat we in ons dragen.”

Ik heb dat gemoderniseerd, maar daar staat het feit. Het feit, dat voor deze wereld net zo belangrijk is, als voor het verleden. Het gaat er niet om wat een mens is, want hij is het product vaak van de omstandigheden van zijn wereld. Het gaat er zelfs niet om wat hij doet, als hij het maar doet in het besef, dat het goed is. Slechts wanneer een mens handelt tegen zichzelf, tegen zijn eigen begrip van juist en goed, dan wordt het anders. Dan zou je kunnen zeggen; “Mens, je bent niet harmonisch met je wereld. Je bent niet harmonisch met het bestaan. Je kunt op deze manier God niet vinden en niet beleven. Juist door die strijd in jezelf heb je het Koninkrijk Gods voor jezelf gesloten.” Maar meer mag je ook niet doen. Je moet beletten, dat anderen onrecht plegen, doordat ze de vrijheid, het eigen leven en besef van anderen, trachten te onderwerpen aan henzelf, aan hun “ik”. Dit is geen anarchie.

En toch was Jezus misschien juist geestelijk gezien de grootste Anarchist, die er was. Want hij leerde ons, dat God in alle dingen is en dat de harmonie met het Goddelijke het enig belangrijke punt blijft.

Nu kun je naar buiten kijken in het verkeer. En dan kun je zeggen; “Ja, maar is dat nu nodig, dat deze zo jakkert op de weg? En is het nu wel aanvaardbaar, dat die ander daar zonder uitkijken rondloopt?” Het is van ons standpunt uit misschien niet aanvaardbaar. Maar waarom jakkert die ene mens? Waarom heeft de ander geen aandacht voor zijn omgeving? Zult gij het weten? Kunt gij het zeggen? Misschien is het voor hen een noodzaak van het ogenblik, het enig goede. En zolang een mens doet, wat goed is volgens zijn innerlijk weten, voor zijn werkelijk besef, is die mens God nabij.

Zie je, dat is nu een probleem, waarmee je in de moderne wereld wel eens erg in de knoop kunt raken. Iedereen vertelt u, dat dit wel goed is en dat niet goed. Iedereen probeert u te vertellen, wat u moet kopen, wat u moet lezen, waarnaar u moet luisteren, wat u moet horen, wat u moet denken. Maar heeft dat wel zin? Niemand kan u vertellen, wat voor u goed is. Dat kunt alleen gijzelf. En dat wat goed is volgens uw wezen, dat zult ge moeten uitleven, volledig en geheel, maar ook met een vertrouwen. Want in deze moderne wereld, waarin u dus vandaag aan de dag leeft, is één ding wel opvallend: de mens vertrouwt niet op zichzelf. Er is geen overgave aan het grote. Er is slechts een aanvaarding van het miezerig kleine.

Kijk, dat is nu iets, wat ook Jezus ons geleerd heeft, dat niet hoort. Hij heeft duizend keer gezegd, niet honderd maar duizend keer tegen, iedereen en te allen tijde, tot zijn leerlingen toe: “Gij kleingelovigen. Indien gij slechts geloofde, zo zou u dit mogelijk zijn. Indien het geloof slechts in u ware, gij zoudt een zijn met de Vader. Wanneer gij slechts zoudt geloven, gij zoudt wandelen over de wateren. Wanneer gij slechts zoudt geloven, gij zoudt de zieken genezen.”

Geloven. Maar waarin moesten dan die leerlingen geloven? In Jezus? Dat heeft hij nooit geëist. In de Vader? In zekere zin. Wat is hetgeen noodzakelijk is in alle tijd, in alle wereld, willen wij komen tot de harmonie, die ons in een wereld de eenheid met God kan geven, ons één facet van het goddelijk juweel doen beseffen in zijn volle glans en glorie? Geloof in God, zoals Hij Zich in ons openbaart.

U denkt misschien dat uw leven en al wat u overkomt met uw ziektes en uw zorgjes, met uw pleziertjes, uw vreugde, dat dat allemaal maar toeval is of een spel van het leven. Neen, het is God in u. Dit heeft zin, dit heeft reden, dit heeft een doel. Elke gedachte, die uit u opwelt, heeft zin, heeft reden, heeft een doel. Er is niets werkelijk zinloos of betekenisloos in heel het bestaan. Zoals Jezus het zegde: “Want niet ik spreek, doch de Vader spreekt door mij.”

Wel zo is het met u ook, u leeft, maar u leeft uit de goddelijke. Kracht, God is in u en God openbaart Zich door u. Vertrouw dan op die God. En vertrouw dus ook op uzelf als een instrument van de goddelijke Kracht. Zeg niet: “Wat ben ik klein.” Of: “Wat ben ik onbetekenend.” Of: “Die wereld is zo groot en zo sterk en ik ben zo zwak.” Zeg niet: “Ik ben zo ziek en de wereld is zo gezond en zeg niet: “Die omstandigheden zijn zo, dat ik ze niet verdragen kan.” Zeg: “God is in mij.” Vertrouw daarop, geloof daarin. Eerst op die manier kun je die eenheid krijgen met die wereld, maar ook de mogelijkheden van die wereld. U moet goed begrijpen, ik probeer u hier helemaal niet op te zwepen tot het een of ander. Dat heeft geen zin. Maar hoe vaak zit u nu eigenlijk met iets, dat u denkt: “Ja, dat zou ik nu willen.” Of: “Dat moest ik eigenlijk doen.” Of: “Ja,: dat zou nu eigenlijk de enige weg zijn.” En na die gedachte zit u even stil en dan zegt u: “Maar ja, het kan nu eenmaal. niet.” Waarom? Is dat, wat u wilt, volgens uw eigen begrip goed?

Dan is God in u. Dan kan dit. Dan zijn er geen grenzen en dan kan er geen hele UNO iets aan doen. Wanneer u voelt: “Ik moet de vrede brengen” en u zegt: “Dit is Gods wil, ik volbreng dit, ongeacht wat ervan komt,” dan brengt u vrede. Dan heeft u macht, dan heeft u kracht. Want dan is die eenheid van vloeiing, van tijd, dat ene moment “wereld,” waarin u bestaat, samengebald en gevloeid met alle levenskracht en goddelijke Kracht in u. Dan gehoorzaamt alles aan u. Dan kunt u gaan als Petrus over de wateren. Dan kunt u als Jezus de zieken genezen en de duivelen uitdrijven. Dan kunt u opstaan uit den dode, wanneer het nodig is. Maar u moet vertrouwen hebben, geloof.

En wie heeft dat in deze moderne wereld? Wie durft dat aan? Wie van u durft het aan om te zeggen: “Ik voel, dat dit de weg is, dat dit goed is. Ik aarzel niet meer, ik denk niet meer, ik doe.” Zonder eigenzinnigheid, hoor. Eerlijk je afvragen: “Kan dit? Is dit goed? Is dit Gods wil? Voel ik dat zo? Dan volbreng ik het. Wat ervan komt, komt ervan.” Wie van u is in staat zo de wereld in te gaan en zo de mensheid te vertrouwen? Het is jammer. Want dat is nodig. Zo nodig, dat alleen door dergelijke wezens deze wereld gered en in stand gehouden kan worden. Niet door hun wonderen. Dat zijn maar begeleidingsverschijnselen. Maar een dergelijk geloof, een dergelijke inhoud van je leven is de absolute band met God, zoals die zich openbaart in je wereld. Het is het principe van het leven zelve, dat gecontinueerd wordt door jouw bestaan. Wie waarlijk gelooft, die is geen deur versloten, die blijft geen wens onverhoord, geen vraag onbeantwoord. Want ziet, de Vader is in ons allen. En in ons openbaart Hij Zijn kracht en Zijn glorie, maar ook Zijn onmetelijke liefde. Zo is het, vrienden.

In deze moderne tijd van u, deze tijd, die boven het christendom is uitgegroeid in vele opzichten, in andere punten het christendom vergeten en verlaten heeft, heeft Jezus die les juist te geven. De les van het geloof, van het vertrouwen, van de naastenliefde. En indien ge die les kunt aanvaarden, dan is uw wereld een andere geworden. Omdat ze hechter is geworden, één. Dan valt al dat verbrokkelde, dat verdeelde weg. Dan komt ervoor in de plaats Gods openbaring. In een reeks van werelden is er dan een wereld geworden tot een perfecte openbaring Gods. En dan komen de andere werelden vanzelf. Vraag niet: “Hoe zal ik morgen leven?” Vraag uzelf: “Hoe wil God, dat ik nu leef?” En leef dan zo en niet anders. Vraag u niet af: “Wat is de waarheid hierin?” Maar vraag u af: “Hoe vind ik God hierin?” Dat is veel belangrijker. Pas u aan, opdat gij zult sluiten in een perfect harmonisch geheel, waarin alle werelden samenvloeien tot eenheid.

Weet u, we zouden Jezus Koninkrijk der Hemelen misschien van uit ons standpunt ook nog technisch kunnen definiëren. Wanneer uit de fluctuerende tijd voor ons een eenheid van ervaring is geworden, zijn alle sterren een en alle werelden één. Alle sferen een en alle krachten een. En in deze eenheid vinden wij de volmaaktheid. Het is onze harmonie met het zijnde, met de Schepper Zelve, die bepaalt wat we zijn, niet het Al, niet het noodlot, niet een of andere wrede karmawet, die ons voortdrijft. Wij kunnen ontkomen aan al deze veranderlijkheden, wanneer wij God vinden. En in God kennen wij onszelf. Dat is het belangrijke punt.

o-o-o-o-o

Het is na de welsprekendheid van mijn voorganger misschien wat moeilijk ook mijn eigen gedachten te berde te brengen. Heel vaak vinden wij in de mens de reacties “Nou ja, het is wel mooi, maar wat hebben wij eraan.” Of zelfs: “Zaag ons toch niet zo door over dit of dat onderwerp. We kunnen het toch niet, of we weten het toch al lang.” Kijk eens, hier heeft u waarschijnlijk volkomen gelijk in. Maar zo goed als u wel eens iets zegt, dat al vele keren gezegd is, zo herhalen wij, wat voor ons belangrijk is. En dan zal het u waarschijnlijk niet verbazen, dat ik op mijn manier aanknoop bij mijn voorganger, maar dat ik dat probeer te vatten in de regels, die ik voor mezelf aanvaardbaar vind. Ik weet niet, of ze u aanvaardbaar of acceptabel lijken, maar als dat niet zo is, dan zet u ze gewoon op zij.

Weet u, ik heb wel eens nagedacht over de gewoonte van de wereld, om zich met de tien geboden a.h.w. Gods wet voor te stellen. Toen heb ik me afgevraagd: Als ik nu eens erg verwaand natuurlijk maar als ik nu eens God zou zijn en ik zou voor deze moderne wereld tien geboden moeten geven, hoe zou ik die dan neerschrijven, in deze tijd en in deze omstandigheden? En nu mijn voorganger zo het christendom in de moderne tijd heeft betrokken, nou vind ik eigenlijk, dat ik dit u wel eens mag voorleggen.

In de eerste plaats, nietwaar: Ik ben de Heer, uwe God en gij zult geen vreemde goden voor mijn ogen stellen. Ik zou het anders willen zeggen: De kern van alle dingen is de Alscheppende Kracht. Zoek slechts Deze in al te erkennen, opdat ge de waarheid voor uzelf moogt beseffen en niet ondergaan in het zinsbedrog van het tijdelijke verschijnsel.

Het klinkt mooi, hé? Ik heb de zinsbouw dan ook wel enigszins aangepast. Maar het is een feitelijke waarheid. Als we een God zoeken, dan zoeken we tenminste naar iets, dat onveranderlijk is. En wat de rest betreft, dat is net zoals met de beurs, de koersen op de beurs soms. Je denkt rijk te zijn en je bent arm, of je denkt arm te zijn en je bent rijk. Je weet nooit waar je aan toe bent, Dat weet je alleen met God. Dus probeer dat ene principe te vinden, dat overal in past. Ja, en dan dat: Gij zult geen vreemde goden voor mijn ogen stellen. Ja, ik zou zeggen: Ken aan niets onsterfelijkheid of oneindigheid toe, behalve aan dat Ene, dat ge God noemt. Probeer ook niet de onsterfelijkheid of de voortduring van iets anders te bewerkstelligen. Dat is van geen belang. God is oneindig. Realiseer dat en neem daar genoegen mee.

En dan gaat die reeks van geboden verder en die vertelt ons, wat je in de maatschappij moet doen. Daar staat o.a. ik neem ze nu maar wat te hooi en te gras. Eert uw vader en uw moeder. Ik zou het anders willen zeggen; Besef de verplichtingen, die ge hebt tegenover uw ouders en tegenover allen, die getracht hebben u te maken tot een wijs en een verstandig mens. Wees dankbaar voor hetgeen u gegeven wordt.

Dan staat er ook: Gij zult niet doodslaan. Dat zou ik ook anders willen zeggen; Vernietig niet datgene, wat ge niet kunt opbouwen, zij het bloem, plant, kunstig vervaardigd voorwerp of menselijk leven. Slechts dat, wat ge scheppen kunt, moogt ge vernietigen. Want eerst dan beseft ge de waarde.

Gij zult niet stelen. Ik zou het anders willen zeggen: Gij zult slechts datgene het uwe noemen, wat ge verworven hebt door uw eigen bekwaamheid en arbeid. En gij zult slechts beschikken over datgene, wat de vrucht is van uw eigen pogen. Dat klinkt misschien heel erg gek. Maar weet u, stelen, per slot van rekening er wordt zoveel gestolen tegenwoordig, dat geen diefstal meer heet. Als je een ander voor een hongerloontje laat werken en je wordt er rijk van, dan heet dat zakentalent en geen diefstal. Maar in feite is de prestatie nodig om het bezit te kunnen rechtvaardigen en te kunnen waarderen. En dat lijkt me belangrijker dan wat anders.

Dan staat er ook: Gij zult geen onkuisheid plegen. Ja, nu is de vraag alleen maar: Wat is onkuisheid? Erg ingewikkeld. Laten we het anders zeggen; Doe niets wat uw bewustzijn van de grootheid en de reinheid van het leven kan besmetten. Een beetje vager misschien, maar het geeft ons een klein beetje meer reikwijdte, weet u. Want er zijn punten, waar onze geest zegt, ons eigen wezen; Ho! En voor de een is dat bij een filmplaatje, terwijl de ander zich nog op zijn gemak voelt in een naaktloperskolonie. Voor de een is onkuisheid een gedachte en voor de ander ligt ze nog niet in de daad. Wie zijn wij, dat we zullen beslissen hoe het voor een mens is, voor deze of voor gene? Maar de mens, die gelukkig wil zijn, zal moeten voorkomen, dat hij met zichzelf in strijd komt om stoffelijke en dierlijke redenen. Dat is het enig belangrijke.

Ja, en nu sla ik er maar weer een paar over. Weet u, er staat nog zo iets belangrijks? En gij zult niets begeren van hetgeen uw naaste toebehoort; zijn huis, noch zijn goed, noch zijn huisvrouw. In de praktijk komt het eigenlijk hierop neer: Houd je vingers af van wat van een ander is. Ik zou dit zeggen: Datgene wat een ander zich verworven heeft, is onschendbaar. Datgene wat een ander voor zich bezit, kunnen wij door ons eigen pogen trachten te verwerven. Dat is ons recht. Echter, de ander benijden om zijn bereiking is onze eigen kleinheid toegeven en zo een schuld en een belemmering op ons eigen leven laden. Daarom laat ons niet begeren, doch streven naar bereiking.

Dat zijn er natuurlijk zo maar een paar. En, misschien begrijpt u waar ik naar toe wil. In deze moderne wereld zijn er wetten genoeg en hebben we niets aan een goddelijke wet, die ons letterlijk vertelt wat we wel en niet mogen doen, zonder rekening te houden met het feit, dat wijzelf als delen van de kosmos ook nog een eigen bewustzijn en een eigen weten hebben.

Het belangrijke van die geboden zou volgens mij zijn ja, ik ben geen God en ik ben ook geen Mozes, dus ik zie het misschien anders dat de mens leert, dat alleen datgene, wat hij voor zichzelf bereikt erg belangrijk is. En dat hij dit alleen kan doen door elk schuldgevoelen tegenover de wereld te vermijden. Het is helemaal niet belangrijk voor die wereld, of je je nu schuldig voelt of niet. Die vindt het soms juist heel erg prettig, als een ander zich schuldig voelt. Dan kunnen ze zich een beetje op de borst kloppen en zeggen, dat ze beter zijn. Maar voor ons is het belangrijk, dat we geen schuldgevoel hebben, omdat we alleen dan onszelf durven zijn en zo durven te leven. Daarvoor moeten we heel erg op onze tellen passen.

En ja, dan zou ik nog één gebod erbij willen voegen, dat ik nergens heb gevonden in de geboden van het Oude of het Nieuwe Testament. En dat is dit: Mens, leer te geven en te ontvangen, opdat gij in het ontvangen aan anderen de vreugde geeft, die het schenken mag bieden. En weet te schenken, opdat ge de vreugde in uzelf kent van het schenken en de ontvanger de vreugde van het ontvangen geeft. Want er zijn mensen in de wereld, die geven alleen maar, omdat ze het prettig vinden om te geven, maar die te trots zijn om iets aan te nemen, om iets te ontvangen. En omgekeerd zijn er mensen, die voortdurend ontvangen zonder te geven. Weet u, dat is allemaal fout. De kunst is om te geven wat je kunt, zo onopvallend mogelijk en om te ontvangen wat men je geeft in een oprechte uiting van dankbaarheid, met een erkennen van wat ze je geven. Zo bevorder je de band tussen de mensen. En ik zou zeggen; Op die manier maak je vanzelf ook die naastenliefde en die kosmische liefde een beetje meer verteerbaar.

En ja, als ik dan de geboden van de kerk er ook nog even bij mag halen, ik zou die allemaal teruggebracht willen zien tot één gebod. En dan moet je me beloven, dat je niet lacht, want ik meen het van harte: Gij zult niet zemelen en zedenpreken, doch leven naar uw geloof. Want menig geloof wordt voor iedereen – excusez le mot – verpest door de vrome gelatenheid, waarmee anderen het verkondigen. En het ergste is dan, dat hoe meer ze zemelen en zedenpreken, hoe minder ze zich over het algemeen aan hun eigen regelen en stellingen houden.

En dan het tweede kerkelijke gebod, dat er misschien nog bij past? Bedenk wel, waar God gebiedt zijn geen uitzonderingen, ook niet voor u. En als ze dat allemaal in de praktijk brengen, vrienden, dan zou ik zeggen: De wereld is zover verbeterd, dat ik er met genoegen terug zou komen. Maar zolang ze zich nog niet op deze manier tegenover het leven en hun God stellen, dan zeg ik er eerlijk bij: Mens, er is een hoop en een zegen voor u en dat is deze:

Als ge goed hebt geleefd en gestreefd volgens uw eigen bewustzijn, zo wacht u een wereld, waarin geen zedenpreek meer bestaat, maar slechts de vreugdige uiting van uw weten en daardoor de erkenning van God. En dat is dan geloof ik de enige belofte, die vanuit mijn standpunt op het ogenblik het leven op aarde het leven waard maakt. Het bewustzijn, dat je er wat beter aan toe kan zijn, dan je er op het ogenblik aan toe bent,

Zo, nou heb ik jullie verveeld met mijn zienswijze, mijn visie en wordt het tijd, dat ik het medium vrij geef. Beloof me nu één ding. Je kunt zeggen, dat ik gezemeld heb, en dat vind ik best. Alleen ik heb geprobeerd mijn mening te zeggen. Als het je niet interesseert, zet het opzij. Maar denk je, dat ik gelijk heb, probeer dan eens om voor jezelf ook zo eens die tien geboden om te zetten in datgene, wat voor jou passend is. Ik denk, dat je tot eigenaardige conclusies zult komen. Maar dat je ook tot de ontdekking zult komen, dat een interpretatie mogelijk is, die voor jouw idee volledig passend is.

Denk het eens door: “Wat zou dit gebod voor mij moeten betekenen? Hoe zou ik dat willen zetten?” En als je de geboden gevonden hebt, houd je daar dan aan. Dan zul je ontdekken, dat je op jouw manier een contact met God hebt gevonden, dat kostbaar, lichtend, prettig is. Iets dat je bewustzijn groter maakt en je leven blijder. En dat meteen een garantie inhoudt voor het hiernamaals, voor het geval je dat dan nog interesseert.