Het denken

19 december 1961

Heden wil ik u spreken over: De tendensen van deze tijd en meer in het bijzonder, het denken.

Dan wil ik graag uitgaan van het standpunt dat de doorsnee mens wel graag bijleert, maar niet graag afleert. U heeft dat waarschijnlijk zelf ook wel ervaren. U kunt iets nieuws gemakkelijk accepteren, u aanvaardt dat graag en wanneer het past in het kader van hetgeen u reeds kent, bent u er reuzeblij mee. Wanneer het daarin niet past dan bent u gewent om het opzij te zetten. Dat opzijzetten van bepaalde feiten, bewijzen enz. och dat is op zichzelf niet zo ernstig. Wat ernstiger wordt is dit: Wanneer een mens omtrent zichzelf bepaalde vaste gedachten heeft, dan zal hij weigeren omtrent zichzelf iets anders te aanvaarden.

Wanneer ik een mens zeg dat hij volkomen in staat is om elke levende en kosmische kracht zelf aan te voelen, dan zegt men, dat is voor een ander waar maar niet voor mij, en dus kan ik er niets mee doen. Wanneer ik tegen die mensen zeg, je kunt een groot gedeelte van je ziekte zelf genezen zeggen ze: “ja dat kan nou wel waar zijn maar voor mijn ziekte niet.”

 Kortom de mens wil bepaalde dingen theoretisch nog wel aanvaarden maar wil ze voor zichzelf niet toepassen. Hij kan er eenvoudig niet toe komen dit te geloven om de doodeenvoudige reden dat hij dan bepaalde voor hem vaststaande punten moet opzijschuiven.

Nu staat u dus in een periode waarin voor u vele vreemde en wonderlijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Het is zo’n beetje de tijd van het onverwachte, de periode dat vele verhoudingen opnieuw moeten worden vastgelegd. Of u dat nu merkt in de UNO of bij u thuis, och, het zegt eigenlijk zo weinig.

Maar wanneer ik weet dat die invloed bestaat en ik neem aan dat ik haar uit kan werken, dan ben ik aan die invloeden gebonden. Dat is een heel voornaam punt. Ik heb dat zo vaak al verteld eigenlijk. Wanneer u nu eens zelf nadenkt, hoeveel dingen zijn er in uw leven waarvan u aanneemt dat ze niet anders kunnen. Dingen waarvan u eenvoudig zegt, nu ja het is zo en daar moeten we nu maar mee leven. O een ander die zou daar misschien wat aan kunnen doen, maar ik, in mijn geval ik kan daar toch niet tegenop. Is het eigenlijk niet omdat u weigert de feiten onder ogen te zien. Wanneer u midden op een snelweg staat, en er komt een grote auto aan met een daverende vaart, en u neemt aan dat u hem niet ontwijken kunt, dan is het bijna zeker dat u die auto raakt. Wanneer u aanneemt dat u opzij kunt, wanneer u aanneemt dat u snel reageert, kunt u snel reageren. De doorsneemens kan veel sneller reageren als normaal, doet, omdat hij meent dit niet sneller te kunnen doen. De doorsneemens kan veel meer presteren dan hij in feite presteert omdat hij niet aanneemt dat hij dit prestatievermogen bezit.

En hier heb ik dan een punt van uitgang. Per slot van rekening, u weet het allemaal, wij zijn nu eenmaal gewoontedieren, zeker wanneer we in de stof nog zijn. Maar een gewoontedier in de stof, dat is een wezen dat niet in staat is zijn eigen jachtterrein te verlaten. Gaat u maar eens kijken bv. bij een valk, die heeft een bepaald jachtterrein. Dat beest heeft de hele vrije lucht voor zich, het kan overal naar toe. Maar er moeten al heel dringende omstandigheden komen, wil hij van die gewoonte afwijken, om in een betrekkelijk klein terrein te jagen. Hetzelfde kunnen wij zeggen voor een leeuw, een tijger die steeds weer zich een vast jachtterrein kiezen. En alleen wanneer ze daaruit verdreven worden door omstandigheden, elders weer een precies even groot jachtterrein voor zich beginnen af te bakenen.

Een mens doet hetzelfde, alleen doet hij dat mentaal. Wanneer u in staat bent om de grenzen te doorbreken die u normalerwijze aan uzelf stelt, wanneer u in staat bent van uzelf aan te nemen dat u een grotere bekwaamheid bezit. Wanneer u geneigd bent voor uzelf inderdaad aan te nemen dat u meer u meer kunt, dat u sneller reageert, dan zult u niet alles bereiken wat u in gedachten hebt aangenomen, dat is onmogelijk, maar u komt tot een veel grotere prestatie dan anders denkbaar is. Nu kunnen we dat natuurlijk toepassen op het normale dagelijkse leven, en het is heel erg prettig wanneer u aanneemt dat u precies zult weten wanneer uw melk kookt, dan is de kans veel minder groot dat die melk overkookt. Wanneer u aanneemt dat u bepaalde dingen kunt aanvoelen, zult u ze vaak aanvoelen, maar daar blijft het bij.

Maar we hebben dat niet geëxploreerde terrein, waar een vorige keer ook al eens wat over is gezegd, de menselijke psyche, de menselijke geest vooral die wordt door de mens heel vaak in hokjes ingedeeld. Het is een poging dus van die mens om zeker te zijn. Een mens is graag zeker. En wanneer hij nu precies in zichzelf heeft ingedeeld dat daar de hemel is en daar de hel, en daar de 999 treden naar bewustwording, dan voelt hij zich zeker, hij heeft het geregistreerd en dus is het zo. Maar als hij op het onbekende staat, durft hij niet aan te nemen dat er een voortdurende factor van veranderlijkheid is. Toch vindt u het heel normaal dat in uw wereld alles eigenlijk fluïde is. Het is vloeibaar, voortdurend veranderlijk, de samenstelling. Gaat u ergens heen en kijkt u eens goed naar de mensen die voorbijkomen dan ziet u dat van minuut tot minuut de samenstelling van die menigte wijzigt.

Dat die samenstelling zich wijzigt, is het bewijs dat er nooit een vaste situatie te tekenen is. Er is alleen een gemiddelde te trekken. Dat gemiddelde is nooit precies juist. Het is altijd een benadering. Handel ik aan de hand van dit gemiddelde dan zal er dus altijd een element van fouten optreden. Ga ik echter reageren op de toestand zoals die op elk ogenblik afzonderlijk is, dan kan ik op elk ogenblik redelijk juist reageren, mits ik vlug genoeg reageer.

Wanneer ik in de geest kom en ik heb daar die indelingen, ik heb daar precies alles uitgemaakt, ik heb alle dingen bij de hand die noodzakelijk zijn bv. openbaring, lering, theologie enz. dan heb ik wel een gemiddelde, ik heb dus iets waarmee ik kan werken in de werkelijkheid. Ik werk eigenlijk in een waanwereld en het werkelijke dat ontgaat me steeds. U werkt als het ware als een verzekeraar, die een zeer grote menigte van gegevens moet bezitten om uit die menigte een gemiddelde te trekken dat hanteerbaar is. Maar daarmee staat hij buiten het feitelijk gebeuren. Hij staat er niet meer in.

Die kwestie van dat je instellen op het moment, betekend geestelijk dat we elk ogenblik bereid zijn om de krachten dus te ontvangen die op het ogenblik rond ons zijn. Te reageren op gedachtestromingen die nu ons kunnen beroeren. Het betekent dat wij niet experimenteren volgens een vaste regel, maar dat het experiment zelf gepaard gaat met een nuchtere en onmiddellijke poging om nu volgens eigen instelling + wat men aanvoelt in eigen omgeving, het experiment te volbrengen.

Experimenten zijn er te noemen, denk eens aan kruis en bord, een methode soms tot gemakkelijk zelfbedrog, maar in sommige gevallen toch ook wel een ontstellende openbaring van iets anders, iets, zeg geest, zeg onderbewustzijn van de mens, geef het een naam. Er is iets en dat iets kan zo sterk zijn dat het absoluut onmogelijk is om dat kruis ook maar tegen te houden. Maar dat iets is maar zelden aanwezig. Wanneer ik regelmatig op vaste tijden experimenteer, dan kan ik misschien de beschikking krijgen over een geleide geest en al wat erbij hoort, en dan kan het misschien regelmatig goed gaan. Maar de ogenblikken waarop het werkelijk goed moet zijn, dat zijn de ogenblikken waarop alles plotseling zegt, nu komt de impuls, nu moet dit gebeuren.

De kwestie van het menselijk innerlijk en de wijze waarop de mens zich een uiting geeft kan dan ook als volgt worden gesteld:

Op het ogenblik dat wij in volle overtuiging voor onszelf handelen en in deze handelwijze ten volle aan onszelf onze overtuiging uitdrukking geven, bereiken wij een optimum toestand, voor verwerkelijking van hetgeen in ons leeft. Wij zijn daarbij aan geen enkele wet gebonden buiten die van onze eigen persoonlijkheid. Het is onmogelijk om te stellen dat de mens afhankelijk is van menselijke, goddelijke of andere wetten tenzij deze in de mens zijn neergelegd. Aanvaardbaar?

Toch is het waar. Wij leven van binnenuit. Al uw hulpmiddelen die u hanteert, zijn niets anders dan een hulpmiddel voor de zintuigen. Alles wat die camera opneemt en vastlegt kunt u constateren, mits het ligt binnen een visuele grens. Wanneer er een ogenblik komt dat die camera iets vastlegt wat door een ander groot middel zichtbaar kan worden gemaakt (bv. vergroting enz.) dan is het nog steeds via het oog. Zo kunnen we dus zeggen, die camera is een verlengstuk van het oog geworden. Voor de tastzin hebben we precies hetzelfde. We kunnen hetzelfde vinden, zelfs voor het gevoel van de mens. Hij kan niet verstandelijk reageren, tenzij hij leeft via zijn zintuigen. Al het andere is gevoelswereld.

Het geloof is een gevoelskwestie, het paranormale een gevoelskwestie. Uw idee van moraal, van zeden enz. een gevoelskwestie. Uw idee van liefde is een gevoelskwestie. Deze dingen zijn niet redelijk vast te leggen, niet zintuiglijk uit te drukken. En er bestaat geen enkele directe weergave voor. Dan moeten we dus wel stellen: dat niets geldend is buiten datgene wat de mens in zich werkelijk gevoelt, deels is controle daarop (dat geef ik toe) via de zintuigen mogelijk, door hetgeen in de wereld gebeurt.

In u leeft een geest, (u hoeft het niet te geloven maar op den zuur zult u het zelf wel ervaren denk ik zo) die kan dus zeer veel dingen doen die u niet kunt. Hij is minder beperkt door het stoffelijke. Zijn zintuiglijkheid is niet meer beperkt tot enkel punten, maar breidt zich bv. over het gehele oppervlak uit. Een geest kan bv. zien aan alle kanten tegelijk. Het is heel vreemd als je het de eerste keer meemaakt. Ik kan u vertellen wanneer je het de eerste keer in een ronde ziet dan vraag je je af waar je zelf bent gebleven. Maar op den duur went dat. Je voelt, maar je voelt ook werkelijk helemaal en alles. Wat visueel wordt waargenomen, wordt gelijktijdig omgezet in een gevoel. Dus tastzin en zien en horen lopen a.h.w. in elkaar over. Daardoor is de reeks van waarnemingen die u doet vollediger. Ze is beter, ze is juister. En zelfs die geest blijft zichzelf aan banden leggen. We mogen niet zeggen dat de mens dus al die banden kan verstoren. En daarom volgt het tweede deel van onze tekst.

Op het ogenblik dat een mens door innerlijke gevoelens, komt tot een limiet van zijn eigen kwaliteiten ofwel van de wereld, zal die limiet voor hem blijven bestaan ongeacht wat er gaande is. Elk limiet die hij voor zichzelf stelt, zal hij niet allen beschouwen als geldend voor zichzelf maar voor het totaal van zijn wereld, omvattende alle medeschepselen waarvan hij kennis draagt. Hij zal verder het totaal daarvan ook nog eens projecteren op elke willekeurige of fantasiewereld die in hem leeft. Hij kan daardoor geen werklelijkheid tot stand brengen. Want de grens die hij zichzelf heeft gesteld, kan hij niet overschrijden, zonder het gevoel te hebben zichzelf te verloochenen, zichzelf daarmee te verlaten.

Op het ogenblik dat ik voor mijzelf bepaalde begrenzingen niet meer erken of wijzig, wijzigt zich voor mij mijn wereld. In deze wereld zullen de zichtbare en kenbare waarden precies dezelfde blijven ofschoon natuurlijk hun invloed op mij een andere wordt. Maar mijn eigen vermogen binnen deze werkelijkheid wijzigt zich evenals mijn eigen concept daarvan. Zodat mijn eigen verwerken van de omstandigheden, ingrijpen, het gebruik van krachten en wat er verder bij te pas komt, juister en vollediger is dan in het oude concept. Zodra mijn nieuw concept maar verruiming van begrenzing inhoudt. We moeten uiteindelijk uitbreiden, ofschoon er mensen zijn die angstvallig hun grenzen verkleinen en hun wereld kleiner maken, alleen om vast te kunnen houden aan iets wat hen bijzonder dierbaar is.

Wij gaan uit van het feit dat de mens redelijk moet zijn. Redelijk denken. Rede kan alleen worden toegepast op die waarden die zintuiglijk volledig vaststelbaar zijn en via de zintuigen kunnen worden gecontroleerd, vastgelegd en gemanipuleerd volgens tevoren vaststelbare wetten. Op een andere manier gaat het niet. Alles wat buiten dit bereik valt, is niet redelijk. Ook wanneer het redelijk wordt genoemd.

Nu is het de bedoeling dat u toch uiteindelijk leert die delen van uzelf te ontwikkelen die bij de doorsnee mens sluimeren. En dat kunt u natuurlijk doen via het experiment. Een experiment echter dat uit uzelf moet voortkomen en niet van buitenaf kan worden opgenomen. Eigen gevoelswereld is bepalend, niet de opvattingen of leringen van buitenaf. Het experiment geeft ervaring. Ervaring die niet past in het wereldbeeld dat wij bezitten, vergt een aanpassing van dit wereldbeeld.

Bv. Wanneer ik tot de ontdekking kom dat de zwaartekracht, geen zwaartekracht is, maar dat die zwaartekracht iets is wat je eenvoudig af kan schermen met een plaatje plastiek (denk erom dit is niet waar), dan valt het hele concept van wereld en wereldopbouw en een groot gedeelte van de stellingen van Newton weg. En daarmee sta je volkomen in terra incognita.

Je kunt niet meer weten wat er precies gaande is. Je voelt je onzeker, je moet alles opnieuw gaan leren. ’t Is logisch dat een hele hoop mensen zeggen, neen dan wil ik dat fenomeen liever niet zien, die plastiek bestaat niet en als er eentje gezweefd heeft daarboven is het kolder. Houding die vaak wordt aangenomen. Doe ik het echter wel, wat gebeurt er dan?

Dan kan ik dus die zwaartekracht opheffen. Ik kan er niets mee doen, tenzij ik ontdek aan welke wetten dit gehoorzaamt. Het werken in jezelf en het zoeken naar geestelijke krachten is niet het zoeken naar het supra naturale, het bovennatuurlijke of zelfs het tegennatuurlijke. Het is het zoeken naar een uitbreiding van het natuurlijk concept dat wij hebben volgens dezelfde regels en wetten die we reeds kenden, maar met een uitbreiding en nieuwe mogelijkheid.

Uw experimenten mogen daarom nooit gericht zijn op het tot stand brengen van iets, wat tegen elke regel en rede voor u ingaat. Op het ogenblik dat u dat doet, valt u uzelf aan en zult u zelf de mislukking van het experiment veroorzaken. Want u wilt het eigenlijk niet. U wilt uw eigen wereld niet in puin zien vallen. Ook al probeert u het. Er zijn veel mensen die experimenteren alleen, overigens heel eerlijk, maar eigenlijk om hun experimenten te zien mislukken, want volgens hen kan het zo niet en mag het experiment niet goed zijn.

     1.  Experimenteer steeds met dat ene wat je gevoel je zegt dat juist is.

    2.  Laat je gevoel bepalend zijn voor alle waarden en alle wetten die je tijdens het experiment gebruikt. Voor je eigen wereld en de maatschappij die daarin leeft, heb je je natuurlijk te houden aan de daarin geldende regels. Maar dat wil nog niet zeggen dat je dat ook moet doen. Tijdens het experiment vergroot de mogelijkheid, mits ik het daar dus innerlijk mee eens ben dat het experiment mij nieuwe data geeft.

Een experiment dat precies zo uitkomt als ik had verwacht is geen experiment meer. Dat moet u goed begrijpen. Wanneer u hier gaat zitten met kruis en bord, en u verwacht dat het kruis gaat tikken, en het tikt aan dan is het geen experiment meer. Wanneer u echter verwacht dat het kruis zal gaan tikken en er gebeurt iets anders (laten we zeggen een bloem verdwijnt uit de ene vaas en komt terecht in een andere) en dat is vaststelbaar dan is er actie. Want dan weet ik dus dat een bepaalde instelling door mij gebruikt de gevoelsbenadering tijdens dit schijnbaar seanceren met kruis en bord, voorwaarden hebben geschapen voor een ander fenomeen.

  • Wanneer u automatisch schrift beoefent en u krijgt inspiratief of onderbewust een tekst door die dan door uw hand gevolgd wordt, is dit dan een experiment?

Dat is een experiment wanneer u het nog nooit hebt gedaan en daar dus geen verdere controle op hebt kunnen uitoefenen. Komt het regelmatig voor dan is het alleen een experiment wanneer in dat schrift waarden worden uitgedrukt die voor u controleerbaar zijn. Anders is er geen sprake van experiment in de werkelijke zin van het woord.

Wanneer iemand dus normalerwijze automatisch schrijft, dan kan dit een zeer goede band zijn tussen stof en geest, het kan ook een methode zijn om het onderbewustzijn aan het woord te laten komen. Maar wanneer daarbij nu iets ontstaat wat wij tot nog niet hebben gehad, dan wordt het een experiment.

Vb. Iemand heeft tot nog toe altijd in lopend schrift automatisch geschreven, en nu op een gegeven ogenblik wendt hij zich aan om daar zo weinig mogelijk controle op uit te oefenen, zit met een ander te praten, drinkt een kopje thee en schrijft maar door. Nu wordt daar plotseling een reeks van krulletjes en punten neergeschreven waar niemand iets uit kan maken. Dan gaat hij naar een taaldeskundige, en het blijkt Hindoestanie te zijn of Arabisch.

Wat u zelf niet kunt schrijven en waarin in een oude taal of moderne taal, een antwoord wordt gegeven op bepaalde vragen bv. dan hebben we hier het bewijs gekregen dat andere invloeden dan het directe bewustzijn werkzaam zijn. Wij hebben tevens ontdekt dat onder een bepaalde instelling dus een kracht, die klaarblijkelijk tot een andere kennis of gebied behoort in ons actief wordt.

Wanneer we die toestand dus herscheppen, dan moet hetzelfde ongeveer mogelijk worden. We gaan nu steeds die omstandigheden een beetje wijzigen. En nu komen we tot de conclusie dat bij de ene conditie we bv. gewoon Latijns schrift hebben, volgend ogenblik komen wij bij Gotisch enz. Wij krijgen dus naargelang de instelling gewijzigd wordt ook een wijziging van schrifttype en eventueel van inhoud. Dan is daardoor bewezen dat tussen onze eigen instelling en hetgeen geproduceerd wordt een overeenstemming is. Zijn we verder zeker dat we deze schriftsoorten niet allen beheersen, terwijl het schrift met dezelfde snelheid als normaal wordt geschreven, hebben we verder het bewijs dat iets anders dan ons eigen direct bewustzijn werkzaam is.

Gaan we dat verder uitbreiden dan zeggen we: nu schrijf ik eens een keer niet, maar we gaan dezelfde instelling produceren en we wachten heel rustig af of er nu iets gaat gebeuren. Dan kan dat zijn dat u last krijgt van kolder, het kan zijn dat u te maken krijgt met alleen maar het idee dat u iets ziet. Het kan ook zijn dat er helemaal niets gebeurt. Daar gaat het niet om. U blijft wijzigen en u blijft proberen. U hebt eenmaal een aantal regels gevonden die zijn toepasselijk voor het schrift. U gaat die toepassen op alle andere punten en experimenten waar u gevoelsmatig mee voelt te kunnen werken. Wanneer meerdere van deze manifestaties van dezelfde wijze van instelling, opstelling van aanwezigen e.d. beantwoorden is, een regel of een wet gevonden. Die dan door nadere bestudering bruikbaar is.

Aan de hand van deze wetten kunnen wij weer verder voortgaan. Wij hebben dan niet alleen een stoffelijk controleerbaar bewijs, maar we hebben meteen een soort sleutel gevonden waarmee wij voor de doorsnee mens niet kenbare invloeden of omstandigheden al dan niet binnen de mens, plotseling ertoe kunnen brengen zich kenbaar te maken. Onze wereld is a.h.w. verrijkt met een nieuwe dimensie.

U ziet aan het voorbeeld hoe belangrijk het is dat te begrijpen dat het wetten zijn. Magie en al wat erbij hoort waar de mensen zo onnoemelijk bang voor zijn en mee weglopen, is nimmer tegennatuurlijk. Het is altijd natuurlijk en moet aan natuurlijke wetten gehoorzamen; en het moet, mits wij natuurlijk niet van tevoren beginselen vooropstellen, te ontleden en aan te passen zijn in het voor ons bestaande wereldbeeld.

Het kader van onze wereld kan vergroot worden. Dit betekent dat ons denken vrijer kan worden. Het experiment is daarom zo belangrijk. Want wij kunnen dus ons innerlijk wezen, ons denken, onze geest vrijer maken. Naarmate die innerlijke wereld vrijer wordt van voorbehoud, een spontane en natuurlijker reactie krijgt op elke invloed die er rond is, zal die geest:

  1. Gemakkelijker aan de stof doorgeven.
  2. Juister reageren, zij zal niet meer afwijzen, de grens wordt minder en minder. ’t Is geen Berlijnse muur meer, waar aan de ene kant Brandt zit en aan de andere kant Ulbricht, het wordt echt een kwestie, die afzetting wordt steeds lager, er komen meer doorlaatposten. De grens tussen psychische en fysieke wereld wordt lager. De mens groeit tot een eenheid.

Wanneer ik stel dat alle magie dus in feite berust op natuurlijke wetten die echter niet allen passen in het nu erkende wereldbeeld, dan kan ik verder stellen dat alle verschijnselen die in godsdiensten bovennatuurlijk worden genoemd, die voorkomen bij spiritisten enz. eveneens natuurlijke verschijnselen zijn. Zij gaan niet tegen de natuur in, maar zijn een deel ervan. Zij gehoorzamen aan wetten. Wanneer ik een wet kan vinden die mijn eigen wereld + de wereld van de geest verklaart + een groot aantal in de godsdienst voorkomende fenomenen, dan heb ik een wet gevonden. Door die wet kan ik al datgene wat in de godsdienst, in het spiritisme en in mijn eigen wereld voorkomt over een kam gaan scheren. Ik kom tot een oorzaak en gevolg regeling en rekening die voor mij hanteerbaarder is, grotere juistheid geeft en vele zogenaamde toevals- of onvoorziene factoren uitsluit.

En er is in de wereld geen werkelijk toeval. Er is geen werkelijk noodlot, en er is geen werkelijk karma. Er is alleen een reeks van wel erkende werkingen en wetten, de wereld waarin je denkt te leven, en een reeks van niet erkende maar even goed op u inwerkende wetten die door u dan als toeval, karma e.d. worden verklaard. Kennis van de wet is magische bereiking, is inwijding en bewustwording tegelijkertijd.

  • Zijn die wetten algemeen geldend?

Een wet is nimmer algemeen geldend, voor wij aan de hand van onze eigen ervaringen kunnen bewijzen dat zij algemeen geldend is voor ons, omdat ze op elk voor ons kenbaar gebied gelijktijdig optreedt. Algemeenheid van wetten kan nimmer worden aangenomen. U zult zeggen, ze hebben toch kosmische wetten. Ja maar, als ik stap in iets wat een hond heeft laten liggen, ik slip, ik val en word vuil en bezeer mezelf, dan is dit oorzaak en gevolg.

Wanneer ik een soortgelijk iets geestelijk ontmoet, glijd ik geestelijk uit, ik krijg wat men noemt een shock. Die shock kan mij echter in staat stellen (zolang ze met het verstand mede betreft) om tijdelijk bepaalde voor mij onaangename waarden te ontwijken. Ik kan bij juist gebruik een verder gekwetst worden voorkomen, en ik kan hetgeen dat vuil lijkt in feite maken tot iets nuttigs.

 Dan komen we tot het derde punt. Ik glijd uit, dus oorzaak en gevolg zijn steeds hetzelfde, ik val en laat ons zeggen er schokt iets in de hersenen, er is iets niet in orde, ik was blind en ik zie door de schok. Dit is al voorgekomen. Of wat evenzeer voorkomt, ik val en plotseling dankzij deze val ontwikkelen zich in mij bepaalde gevoeligheden, gaven die tot op dat ogenblik niet bestonden. Dan is oorzaak en gevolg dus in alle 3 die verschillende kwesties wel gelijk, maar met een heel ander resultaat.

Dat resultaat kan niet uit oorzaak en gevolg worden afgeleid, het is direct afhankelijk van de persoon. Dus de persoonlijkheid bepaalt wat oorzaak en gevolg eigenlijk tot stand brengen. Het is niet zo dat oorzaak en gevolg zullen bepalen wat de persoonlijkheid ondergaat. Wijziging van betekenis ligt aan mij, ook al is een wet kosmisch. Dat houdt ook in dat in elke wereld diezelfde wet dus zo totaal andere resultaten kan vertonen dat ze voor mij een andere wet lijkt, ook al is ze het niet. Pas wanneer ik de eenheid van oorzaak en gevolg heb vastgesteld dus verschillende werelden en aan de hand daarvan geconstateerd heb dat de schijnbaar verschillende gevolgen op dezelfde waarden berusten, kan ik zeggen dat in die verschillende werelden oorzaak en gevolg voor mij gelijktijdig bestaan, als precies dezelfde wetten. En daarom mag ik nooit aannemen dat een wet overal geldt. Zij kan slechts daar gelden waar ze voor mij bewijsbaar is en waar ik de middelen tot directe waarnemingen en controle bezit, hetzij door het experiment, hetzij anderszins.

  • U zei daarstraks dat ge in bepaalde omstandigheden wereldlijke, natuurlijke en bovennatuurlijke zaken over dezelfde kam kon scheren. Hoe plaatst ge in dat kader de Heiligmakende genade?

Die plaats ik in dit kader, Heiligmakende genade is een woord dat voorkomt uit de gevoelswereld. Heiligmakende genade is iets wat redelijk niet bewijsbaar is. U ziet de Heiligmakende genade als iets wat onafhankelijk is van u en wat u van buitenaf wordt gegeven. Dan is er nog steeds de vraag: wat is deze genade in feite? De genade is klaarblijkelijk een instelling, een wijze van instelling, en nu noemt u dit Heiligmakende genade. Goed. Dat kan dus betekenen in de geest een je bewust worden van het Goddelijke, je hebt het misschien verdient, maar je krijgt dus een kans om daartoe te treden. Dan gaan we een stapje naar beneden. Ik leef in een sfeer. In die sfeer word ik mij plotseling bewust van het feit dat er meer is dan ik waarneem, dan ik erken. Ik kom daardoor tot een zoeken naar het nieuwe. In het zoeken verkrijg ik een vernieuwing, het is nog niet de waarheid, maar het is een uitbreiding daarvan. Dankzij deze uitbreiding kan ik ontkomen aan bepaalde voor mij pijnlijke toestanden. Ik leef in de wereld, ik stel mij open voor de krachten, precies dezelfde manier, ik kom door het gevoel, let wel, dus nooit weten, ik voel dat er in mij krachten werken, ik was lam en ik wandel. Waar is het verschil? De uitdrukking ligt in elke sfeer en elke wereld op zijn eigen manier. Maar het feit wat gebeurt en elke wereld op zijn eigen manier. Maar het feit wat gebeurt is hetzelfde. Door de openstelling + aanvaarding van iets, wat u HMG noemt, worden in mij bestaande gebreken opgeheven, althans aanmerkelijk vermindert, en daardoor ben ik in staat meer te zijn, te doen, of te beseffen dan voordien. Dan zou u dus die HMG van u kunnen proberen onder te brengen in een wet of in een soort gelijking. En als u nu nagaat dat de mensen die het meest intens geloven lang niet altijd die genade krijgen, maar dat het juist de mensen zijn soms waarvan je zegt, ja het is een maar een ogenblik van geloven en nu hebben ze het ineens beet. Gebeurt bij genezingen, maar ook bij bekeringen bv. Neem nu de kwestie van Paulus, het was eigenlijk een soort koppensneller. Hij zat achter de Christenen aan en die mens krijgt ineens die genade. Waarom? Dan ga je proberen vast te stellen, klaarblijkelijk is een, zij op het een ogenblik bestaande, volledig eerlijke overgave aan hetgeen je erkent als goed noodzakelijk.

  1. De gevoelswereld in het ik moet harmonisch blijven met de idealen die in het ik bestaan.
  2. Men moet daarbij gedragen worden door een vrijheid van denken en willen aanvaarden van condities die op ’t ogenblik niet als werkelijk bestaan.
  3. Men moet daarbij nog aannemen dat mijn eigen wezen, de plaats waarop ik mij bevind of de instelling die ik heb, beslissend zijn voor het al of niet werkzaam worden van die genade voor mij.

Nu kunt u stellen: ja maar zij komt toch dankzij eigen openstelling en streven overigens van God. Dat is heel goed mogelijk. Maar of het nu van God komt of niet. God gehoorzaamt hierin zeer duidelijk aan bepaalde regels. Wanneer ik die regels ken, zou ik dus mits mijn gevoelswereld het mij mogelijk maakt deze genade gemakkelijker kunnen verwerven en ontvangen dan zonder de kennis van die regels.

  • De laatste 3 regels die u aanhaalde hoe moeten we die dan toepassen op Paulus, alles schijnt hiermede in tegenspraak?

Paulus geloofde eerlijk dat hij zijn God diende door de Christenen te vervolgen. Zijn ideaal was een wereld waarin God de machtige was. Verder, Paulus was bereid om zijn eigen waarde te laten vervallen, dus een verandering van inzicht te aanvaarden die volledig strijdig was met zijn denkbeelden tot op dat ogenblik. En ten laatste hij bevond zich op een plaats, bewoog zich in een richting en had de juiste instelling, die juist op dat ogenblik hem a.h.w. in bereik bracht van die genade en dat is natuurlijk vanuit menig standpunt Godslasterlijk, maar toch stel ik dat, wanneer Paulus niet naar Damascus was gegaan en op die tijd daar was geweest, met juist die instelling en beweging, niet die smak had gemaakt, dan had hij niet deze innerlijke verandering gekend. U kunt zeggen, het was Gods wil dat dit gebeurde en dan zeg ik weer het is ongetwijfeld mogelijk. Maar een mens die gelooft dat Gods Wil alles beslist, kan de handen in de schoot leggen en gaan zitten. Wanneer we aannemen dat de mens zelfstandig moet streven en werken, moeten we aannemen dat hij dus ook moet zoeken naar de weg om Gods Wil a.h.w. te kennen. De Goddelijke Wil a.h.w. op zich te richten en te ondergaan.

Het is vaak heel erg moeilijk om aan te nemen dat ergens een bepaalde wet bestaat. Vooral omdat men uitgaat van God dit en de engelen dat enz… maar mogen wij dit wel als vaststaand aannemen? Het is maar een vraag. Vooral wanneer wij nagaan hoe de mens aan zijn voorstellingen komt. God de vader, het vaderlijke type dus van Godheid, vinden we heus niet alleen in onze huidige voorstellingen, want wij vinden bijna gelijke afbeeldingen van de oppergod zelf van Griekenland, Zeus. Wanneer u gaat kijken bij de Noren, dan vindt u ook daar datzelfde type weer. Dan vindt u de lustige Thor die ons doet denken aan een aartsengel

Michaël, en die in veel gevallen verdacht veel lijkt op sommige heiligen. Maar als u goed kijkt, vroeger vindt u Pan de natuurgod en de natuurgod die lijkt wel zo sprekend op de duivel dat hij alleen die toastvork heeft te danken aan de artiest waarschijnlijk, maar verder eigenlijk de natuurgod is gebleven.

Alles wat de mens tegenwoordig gelooft als zijnde kosmisch en alomvattend, is klaarblijkelijk uit zijn eigen overleveringen tot hem gekomen, zijn voorstellingen komen daaruit voort. Die voorstellingen heeft hij langzaam geassocieerd met geheel andere waarden. Het is niet redelijk aan te nemen dat iets wat 5 eeuwen geleden God was, nu ineens niet God maar demon is of omgekeerd. De kracht zal dus hetzelfde blijven en dan kom je tot eigenaardige conclusies. De kracht die u duivel noemt, is krachtens de veel daarvoor gebruikte voorstelling voor een zeer groot gedeelte de natuur. En dat is logisch want het is de materie. De beperking, de vaste vorm en de terugkeer tot de chaos. En zo kunnen we al die dingen nagaan.

Wanneer wij ons binden aan de vaste voorstellingen die ons op ’t ogenblik worden voorgehouden en de vaste begrippen die ons worden gepredikt, maar ons niet realiseren waar ze vandaan komen, dan zullen wij nimmer daardoor iets kunnen bereiken, integendeel wij binden ons aan concepten die met de werkelijkheid niets te doen hebben. Een mens moet niet zijn God loochenen wanneer hij aanvoelt dat die God bestaat, dan moet hij nooit zeggen: redelijk kan ik dat niet verklaren, dus is hij er niet. Hij moet afgaan op zijn gevoel, maar hij mag niet beginnen met symbolen ervoor te plaatsen en vooral woorden. Een kennis van mij zei eens. De waarheid wordt door de mens steeds achter een masker van woorden verborgen. En dat is juist, want neem nou uzelf. Hoe vaak verbergt u uw ware opinie niet achter woorden. Wat dat betreft kun je natuurlijk geen bepaalde personen noemen, maar hoeveel staatslieden verbergen hun eigen onmacht achter een stortvloed van woorden; moet u maar eens opletten wanneer een door dictatoriaal geregeerde staat een staatsman langzamerhand door de gebeurtenissen wordt meegesleept, dan begint hij plotseling 24 uur te babbelen. Wij moeten terug van dit iets binden aan een bepaald woord, bepaald begrip. Per slot van rekening, het zou toch wel erg dwaas zijn als een mens God zou kunnen omschrijven.

Als u nu eens voor uzelf probeert na te gaan wat bij u ongebruikelijk is. In elk leven komen van die voortdurende toevalsfactoren voor. Soms werk je daar onbewust zelf aan mee. Goed maar als je ze vaststelt, dan kun je in ieder geval ontdekken welke weerkerende toevalligheden in je eigen leven een rol spelen, en nu stel ik. Elke steeds wederkerende toevalligheid onverschillig van welk karakter optredend in je eigen leven is een uiting van iets dat in jezelf bestaat. Wanneer dit niet volgens redelijke normen te verklaren valt, moet het dus iets zijn wat buiten deze redelijke normen valt en mag worden gesteld dat de regels die je omtrent jezelf hebt geschapen, de opvatting die je van jezelf hebt, ten dele onjuist is.

Wanneer dit punt aanvaard wordt, volgt hieruit dat ik alleen door het observeren van mijzelf, van mijn eigen leven, door het steeds weer zien wat mij in feite overkomt zeer veel kan leren omtrent de invloeden die in mij of van buitenaf op mij werkzaam zijn. Zodra een enigszins vaste regel zich daarin vertoont, kan ik proberen om deze regel in toepassing te brengen. Zij zal dan redelijkerwijze eenzelfde soort toevalligheid moeten doen ontstaan.

Wanneer ik toevalligheden dus om kan zetten in door mij te veroorzaken zekerheden, word ik meester over mijn leven. Ik kan steeds meer toeval uitschakelen. Wanneer ik steeds meer toeval uitschakel dan zal ik mij dus bewust moeten worden van veel waarden die normaal niet erkend worden. Ik treed vanzelf binnen in het rijk wat men occult of bovennatuurlijk noemt. Het gebruik maken van de door mij erkende wetten is dan de zogenaamde magie.

Wanneer ik erken dat een bepaalde wet niet allen voor mijzelf optreedt maar ook in het leven van een ander naar voren komt, kan ik aan de hand van erkende gelijkheid voor de ander op dezelfde wijze toevalligheden veroorzaken als voor mijzelf. Waar gelijke waarden zijn moet worden aangenomen dat gelijke wetten gelden althans ongeveer gelden.

  • Is dit een basis voor een volledige harmonie Broeder?

Dit kan ook een basis zijn voor een volledige harmonie. Laten we zeggen dat we onder volledige harmonie hier willen verstaan een absolute gevoelsovereenstemming, ongeacht de uiterlijke verschillen en zelf tegenstellingen, waardoor een volledige samenwerking, ongeacht deze uiterlijke verschillen te verwaarlozen zijn. Wanneer in mijn leven en dat van een ander gelijke wetten werkzaam zijn, betekent dit bijna zeker dat wij ergens een punt van overeenstemming hebben. Uitgaande van ditzelfde punt kan ik in die ander veel bereiken en kan de ander indien hij deze gelijkheid erkent ook in mij veel bereiken. Hij kan dit o.m. doen door voor mij toevalligheden te doen ontstaan die ik heb genoemd.

Perfecte harmonie is natuurlijk iets waar men onnoemelijk graag mee schermt, maar waar we erg voorzichtig mee moeten zijn.

Wanneer wij in deze zin, zoals ik nu het onderwerp tracht te belichten, te maken hebben met deze harmonie die wij niet zelf veroorzaken of menen te veroorzaken, die de ander niet zelf veroorzaakt of meent te veroorzaken maar die toch in beider leven voorkomen waarbij beiden bovendien klaarblijkelijk aan eenzelfde regel gehoorzamen.

  • Maar dan moet oorzaak en gevolg in dit geval dan toch bij de diverse personen vastgesteld zijn, want daareven heeft u toch gezegd dat er geen algemeen geldende regels zijn, als u bv. een oorzaak neemt die voor diverse personen verschillend kunnen zijn?

Maar wanneer ik ontdek dat er een gelijkheid is in verschijnsel en gelijke wetmatigheid optreedt ten opzichte van de invloed die de verschijnselen veroorzaakt, dan mag ik aannemen dat er voldoende overeenkomst is om door een van uit zijn nu te scheppen invloed bv. het scheppen van een juiste instelling, ook gevolgen met een redelijke overeenstemming zullen komen. Dus u kunt nooit bepalen bv. U gaat graag vissen. U hebt altijd baars gevangen met dat deeg, dat een ander dat nu ook kan doen als hij maar precies denkt als u, dat is niet zeker; het kan wel zijn dat hij snoek vangt. Maar dat neemt niet weg dat in beide gevallen iets gevangen wordt. En daar ligt dan het punt van overeenkomst. We kunnen dus niet details bepalen maar wel algemeen, daarop berust een hele hoop van die magie. Bv. een negerdokter maakt gebruik van de zogenaamde doodsmagie. Nu is het typisch dat deze doodsmagie alleen werkt, wanneer zowel degene die de magie volbrengt, als degene die er desnoods onwetend het offer van is, eraan gelooft. Een zekere gelijkheid in levensgewoonten hebben. En ten derde op het ogenblik van de concentratie met elkaar als het ware in contact zijn al is het maar door een voorstelling of een beeld.

Ik heb u hoop ik duidelijk gemaakt hoe het zit met die magie. Er moet een zekere harmonie zijn inderdaad, er moet een zekere gelijkheid van instelling, afstamming en lotsverbondenheid zijn. De wetten die voor mij gelden, zijn niet de wetten die voor iedereen gelden, maar ze gelden wel voor ieder die een voldoende gelijkheid met mij vertoont. Proefondervindelijk kan ik aan het leven van iemand vastgestellen of hij aan dezelfde wetten gehoorzaamt, is dit het geval dan kan ik die mens krachtens die wetten beïnvloeden en natuurlijk is ook wederkerig datzelfde het geval.

Daaruit volgt dat er dus klaarblijkelijk zeer veel verschillende wetten zijn zo mogelijk. Stellen wij dat er een wet is die het totaal van de mensheid omvat, en waarvan elke individuele wet a.h.w. maar een regel, een alinea vormt en niet meer. Uitgaande hiervan moet ik beginnen met het eigen experiment, op den duur leren welke werkingen ontstaan voor anderen bij invloeden die dus voor mij in een vaste lijn liggen, maar die bij een ander een heel ander resultaat produceren. Wanneer ik de overeenkomst kan vinden tussen de geaardheid of type, de instelling, vooral de gevoelsinstelling van de persoon en het resultaat is het voor mij mogelijk een vergelijking op te stellen waarin ik het type van de mens opneem, de door mij gehanteerde invloed + de erkende gevolgen hier, de erkende gevolgen daar, ik kan hieruit concluderen welke kracht werkzaam is.

Daarbij geldt bovendien iets en dat zal voor u wel niet zo attractief zijn, maar voor iemand die aan mathematica doet wel, dat ik wanneer 2 factoren werkzaam zijn in een medium dat ik ken aan de aard van hun gevolgen binnen dit medium, ik beide niet gekende factoren ten opzichte van elkaar kan vergelijken en redelijk definiëren. Wanneer voldoende verschillen en fenomenen in het gekende medium veroorzaakt worden, zullen beide anderen geheel gekend en omschreven kunnen zijn.

Nu kunnen wij dit niet mathematisch doen, maar wij kunnen werken met ons gevoel. De gevoelswereld is uitermate belangrijk want met ons aanvoelen van bepaalde werkingen en krachten kunnen wij ze leren kennen, ook al hebben wij er geen formule voor. Door ze regelmatig voor onszelf te hanteren, leren wij de wet kennen, ook al drukken we ze niet in een formule uit en kunnen ze dan ook ten opzichte van anderen toepassen. Er ontstaat een soort instinct, een instinctief reageren of weten, dat eerst veel later tot een redelijk niveau kan worden gebracht maar dan ook de bewuste en redelijke beheersing mogelijk maakt.

U moet dit onthouden. Het is praktisch onmogelijk een andere dan de stoffelijke werkelijkheid in stoffelijke termen volledig juist uit te drukken. Ik kan zelfs mijn eigen innerlijke wereld nimmer volledig in redelijke termen weergeven. Waar dit het geval is, zal ik steeds uit moeten gaan van mijn gevoelswereld. Ik kan echter redelijk mijn gevoelswereld beïnvloeden, naarmate ik in mijzelf een vollediger overtuiging en een vaster geloof weet op te bouwen, zonder daaraan condities te verbinden, zal ik in staat zijn dit geloof en deze overtuiging voor mijzelf werkzaam te maken. Juist door het zoeken naar hetgeen waarop de in mij bestaande toestand, gevoelstoestand, reageert zal het mij mogelijk zijn niet alleen bepaalde resultaten te bereiken (iets wat leuk is maar lang niet het belangrijkste) maar voor mijzelf de grootst mogelijke beheersing van en kennis omtrent mijn eigen wezen.

Wanneer een wezen denkt zoals ik aanneem dat de doorsnee van de aanwezigen hier doet, dan zijn er voor hem enkele punten wel zeer interessant en zeer belangrijk.

Het eerste is God. Het geeft niet hoe u zich God voorstelt. Elke voorstelling is krachtens het feit dat ze mogelijk is een deel van God. Maar die voorstelling moeten we dan volledig ondergaan.

In de tweede plaats: De eigenschappen die u door uw gevoel, dus in uw god legt moet u als volledig werkzaam in uw eigen leven beschouwen, zonder enige uitzondering.

In de derde plaats: Wanneer u die God als schepper van Leven ziet, is Hij levenskracht en levende kracht tegelijk. Hij is mijn levenskracht en de levende kracht rond mij. Wanneer ik in die God geloof, dan ben ik in directe verbinding met deze levende kracht, het is mijn eigen levenskracht, niet meer gelimiteerd of beperkt.

Hoe minder beperkingen ik in dit opzicht aan mijn denken opleg, hoe vollediger ik mij één gevoel met die Godheid, hoe groter het vermogen ook waarover ik beschik. Ik kan altijd deze levenskracht gebruiken, wekken en overdragen voor eenieder met wie ik harmonisch ben, met wie ik dus een voldoende eenheid bezit.

Verder, het is mij onmogelijk om redelijk te omschrijven wat ik innerlijk onderga, en geloof. Daarom is het gevaarlijk om mijn eigen innerlijke roerselen en belevenissen als feiten vast te leggen voor anderen. Ik zal echter moeten zorgen dat ik voor mijzelf een zo compact mogelijk gevoelsbeeld krijg, zowel voor mijzelf, mijn God als mijn wereld. Door dit tot stand te brengen, zal elke eigenschap die ik daarin in mijzelf erken als mogelijkheid, werkelijk kunnen worden. Mijn ontplooiing zal op den duur voeren naar een deel van het ik dat redelijk, dus in een menselijke wereld of norm uitdrukbaar is. Wanneer ik in een sfeer leef, geldt ditzelfde voor een niveau van de sfeer. Dus de wereld waarin ik leef.

Uitgaande van mijn innerlijke kracht, mijn innerlijk weten, het tot uiting brengen van mijn innerlijke gevoelswereld, ook wanneer dit redelijk niet aanvaardbaar lijkt, is voor mij het belangrijkste middel om zowel tot een juiste relatie met mijn God, als een juiste relatie met mijn omgeving te komen. Alles wat ik daaruit kan bereiken, voert tot de ontwikkeling van datgene wat men magisch, paranormaal, occult enz. noemt en schept een volkomen natuurlijke door wetten geregeerde wereld waarin het gehele wezen zover het bewustzijn mogelijk is, zich geheel kan ontplooien, met het geheel van dit wezen dus ook kan ervaren en zo zijn bewustwordingsproces aanmerkelijk kan versnellen, terwijl gelijktijdig grotere en veelzijdiger taken of lasten kunnen worden volbracht.