Het denken van de Egyptenaren in de oudheid

juli 1956

Ik meen dat u allen reeds voldoende weet over het land van Egypte, zodat ik mij niet behoef te vermoeien met eerst een beschrijving te geven van het ontstaan van de goden daar. Ik kan mij dus onmiddellijk wenden tot de verschillende punten die mijn persoonlijke aandacht het meest hebben getrokken in dat land.

Het zal u bekend zijn dat Egypte een land was vol magie. De magie van Egypte was gebaseerd op het feit dat de Egyptenaren reeds betrekkelijk vroeg een bewust verkeer met de geest tot stand wisten te brengen.

Er is een groot verschil in, of wij een Babylonische beschaving zien, waarin inderdaad media optreden als leiders of dat wij ‑ zoals in Egypte ‑ te maken krijgen met priesters, die zelf in staat zijn tot uittreding, een zeer uitgebreide inwijdingsprocedure kennen en een kennis bezitten, die voortdurend wordt uitgebreid door contact met de geest.

Het grondprincipe van de magie in Egypte is vastgelegd in de tijd van Amenhotep I. Er was toen een priester, Cheamon, die zijn leringen neerschreef op een papyrus. Dit is een handboek geworden voor de latere opleiding van priesters.

“Het is noodzakelijk dat wij beseffen dat onze wereld niet de enige wereld is. Zoals wij weten dat onze God niet de enige God is, maar een symbool van een bepaalde functie van onbekende machten, die wij nog niet hebben kunnen benaderen. Wij weten echter dat bepaalde principes regeren zowel in deze andere werelden als in onze. Daaronder is het meest belangrijke: de wet van samenhorigheid.”

“Zoals op aarde de hyena de hyena niet eet, de mens de mens niet zal eten, zo zal in de geest ook de geest niet aanvallen wat met hem verwant is. Bij ons onderzoek in de werelden, die buiten onze eigen wereld liggen, moeten we dus steeds op deze verwantschap steunen.”

“De leerling moet echter eerst worden getraind in het waarnemen van deze andere werelden en het terugbrengen van zijn herinneringen, nadat hij in deze werelden is geweest.”

(Hier wordt dus, zoals u merkt, gedoeld op het proces, dat wij tegenwoordig “uittreding” noemen.)

“Wij kennen vele Goden, ook in deze andere werelden. Zij zijn grote Machten, die in geaardheid voor ons gelijk schijnen te zijn met de Goden die wij vereren. Wij spreken over de Rechters, die oordelen over ons. Wij zouden evengoed kunnen zeggen dat deze grote Machten of Goden uit andere werelden ons beoordelen en ons in de andere werelden een plaats toewijzen in overeenstemming met de wijze waarop wij zelf éénklank en samenwerking hebben gevonden met hun wezen, hun krachten en hun verschijnselen.”

U ziet, ook dit is een interessant punt. Men gelooft daar dat elke wereld haar eigen Goden heeft en dat de wereld van de geest qua Goden anders is ingesteld dan deze wereld. Maar men neemt aan, dat indien men in overeenstemming leeft met een Godheid, die in de Godenwereld regeert (en die men dus nog niet kan kennen of niet volledig kan kennen) deze God u een bepaalde plaats in die wereld zal bezorgen.

Wij zeggen dit tegenwoordig natuurlijk heel anders. Wij weten dat deze Goden in werkelijkheid hoogstens geleide-geesten zijn, machten van goed of kwaad. Maar wij weten wel degelijk dat wij door een harmonie te bereiken met een bepaalde sfeer ons daarin gemakkelijk bewust kunnen zijn en daarin ook groter geluk en vrede kunnen bereiken. Men drukte dit vroeger geheel anders uit, maar de gedachtegang is nog precies dezelfde.

Belangrijker is echter vanuit magisch standpunt de volgende­ verklaring die wordt gegeven. Cheamon stelt vast:

“Indien ik op deze wereld dingen wil bereiken, die mij onmogelijk zijn, doch die in één van de andere werelden die ik ken wel tot de mogelijkheden behoren, dan zal ik ze ook op deze wereld kunnen uitvoeren met behulp van de bewoners van die andere werelden.”

Een zeer interessante vaststelling. Als men de eigenschappen van de geest a.h.w. kan lenen, kan men als mens op aarde datgene tot stand brengen, wat de geest in de wereld van de geest kan uitvoeren. Dit wijkt niet ver van de waarheid af.

Ik heb hiermee een klein inzicht willen geven in de grondslagen van de magische procedures, aangezien wij moeten weten op welke basis deze priesters hun magie bedreven. Het is echter ook zeer interessant ons een ogenblik bezig te houden met de wijze waarop deze priesters hun magie aanwenden. Dit is in vele woorden door velen onderwezen en neergeschreven zowel op tafelen als op papyri. Ik wil geen bepaalde schrijver noemen, maar zal alleen een kort overzicht geven van wat men daaromtrent in verschillende tijden heeft gezegd.

In de eerste plaats:

“Het wonder dat wij kunnen verrichten, dank zij de krachten die wij hebben of de krachten die wij aan een andere wereld ontlenen, dient te worden gebruikt om leiding te geven aan het volk.”

De wonderen zijn dus volgens de Egyptenaren primair een soort politiek wapen. Men moet door wonderen en wonderverschijnselen de massa ertoe brengen de priesters te eren en hun woord en wet te aanvaarden. Daarnaast stellen ze echter:

We moeten deze krachten ook gebruiken om onze kundigheden op aarde op te voeren.”

Hiervan kunnen wij aardige staaltjes zien in de medische wetenschap. Want de kennis die de oude Egyptenaren hadden van bv. de complete bloedsomloop, van het zenuwstelsel, evenals een redelijke kennis van de werkingen van de hersenen, de ogen, de longen, enz. kon alleen worden verworven door helderziende waarnemingen. Ook konden de echte trepanaties (schedelboringen), die zij met goed resultaat verrichtten, ook alleen gebeuren door de hulp van een helderziende. Dus helderziende waarneming van de oorzaak van de ziekte. Daarnaast natuurlijk de chirurg die de bekwaamheid heeft, de vastheid van hand enz. En bovendien een soort hypnotiseur‑magnetiseur die de levenskracht van de patiënt voortdurend waarneemt en op peil tracht te houden. Het is dan ook wel opvallend dat men reeds in die tijd zover is gekomen.

Een andere stelling die wij in de medische wetenschap daar niet zo op prijs kunnen stellen is deze:

“Daar wij in staat zijn om kunstmatig iets te geven wat het lichaam zelf niet of niet goed heeft, verdient het de voorkeur dit zo te geven, dat men zich voortdurend tot ons wendt.”

Het lijkt wel of de een of andere tandarts of medicus hulpwerken tracht te maken, die een voortdurende klandizie verzekeren. Men beschouwde dit echter zakelijk. Er werden door de medici in die tijd o.a. tandprotheses gemaakt. Als die echter zo volmaakt waren dat men nooit meer terug behoefde te keren, dan zou men onder de invloed van het priesterschap uitkomen en dat was niet de bedoeling. Men zou u graag gratis hulp verlenen, mits men de invloed op u kon behouden. Het is begrijpelijk dat men op den duur alleen daar tandprothesen gaf waar de invloed voldoende was.

Naast de medische wetenschap zijn er echter nog andere wetenschappen die ook interessant zijn, als bv. de astronomie. Er is een voortdurende waarneming van de astronomische feiten aan de hemel. En men weet daaruit conclusies te trekken, niet alleen van astrologische, maar ook van zuiver astronomische aard. Men is daar o.a. op de hoogte van de omtrek van de aarde, men kent haar baan rond de zon en men weet tot op het uur nauwkeurig te bepalen, hoe lang haar omlooptijd bedraagt. Men weet verder ook zeer veel feiten te vermelden omtrent de loop van andere planeten.

Echter, de Egyptenaar had een grote fout, die vele oude volkerengemeenschappen eveneens hadden. De Egyptenaren meenden nl., dat hun land de kern was van het Al. Zij geloofde o.a. dat er ergens in hun land een grote pilaar was, onzichtbaar misschien, maar toch een grote pijler, waarop het hemeldek rustte. “Want”, zo zeiden zij, “waar ons land in onmiddellijk contact staat met Goden en andere werelden, moet er een direct contact zijn tussen deze Goden, de andere werelden en ons land. Hoe zouden zij zich anders kunnen uiten?” (Een modern mens die dit op karikaturale wijze zou willen uitbeelden, zou ongetwijfeld een grote liftkoker midden in het land van Egypte tekenen, leidend naar de hemelen.)

Zij zijn ervan overtuigd dat de wereld een zeer eigenaardige structuur heeft. Zij menen dan ook dat aangezien hun land de kern is, daarin de meest gunstige condities optreden. De Egyptenaar is dus zeer chauvinistisch. Hij kan niet accepteren dat er ergens een land kan bestaan dat even groot, machtig en goed is als Egypte. Dit heeft geleid tot heel veel strijd op godsdienstig, maar ook op politiek gebied. En menige economische fout is aan een dergelijke opvatting te wijten geweest.

Dit houdt ook in dat de Egyptenaar méér is dan andere mensen. Als wij dus horen over de verdeling van het zijn, van het wezen, het “ik” in drie factoren buiten het lichaam: Ba, Ka en Ra (voor Ra kunt u ook Horus zetten), dan blijkt ons wel, dat men deze eigenschappen niet aan andere mensen toekent. Toch is de verdeling in drie verschillende lichamen ‑ buiten het zuiver stoffelijke ‑ wel zeer opvallend juist. Ongetwijfeld heeft men ook dit op helderziende wijze weten te verwerven en wat meer is: men maakt in de magie hiervan gebruik. Daar het laagste levenslichaam niet snel teniet gaat, kan men dit bezweren gedurende de tijd dat dit nog volledig bestaat. Hierdoor worden o.a. orakels verkregen. Meestal woont de geest zelf niet meer in dergelijke schillen of ‑ als zij vlak na de dood wordt bezworen ‑ maakt zij zich kort daarna toch ervan vrij.

Men gebruikt dergelijke schillen om waarnemingen te doen over het gehele land, om daar a.h.w. bepaalde opinietests te houden. Vandaar dat de berichtendienst van de farao door middel van zijn magiërs meestal heel wat beter was dan u zich op het ogenblik kunt voorstellen. Hij was van werkelijk belangrijke feiten meestal binnen 1 à 2 uur op de hoogte, ondanks het feit dat een bepaalde handeling op 7 à 8 dagreizen ver plaatsvond.

De priesters waren bovendien ook specialisten in telekinetische verschijnselen en wisten ook een voldoende training te geven zowel voor telepathische fenomena als voor uittreding in de stofwereld. De telekinetische verschijnselen werden tezamen met massa‑suggestie en massahypnose over het algemeen gebruikt om de mensen te imponeren. U moet niet vergeten dat zij meenden een absolute onderwerping te moeten afdwingen, daar zij in contact waren met een andere wereld, terwijl de doorsneemens dit niet kon, zodat zij bevoorrecht waren en het recht hadden leiding te geven aan het lot van alle anderen. Dit komt zelfs in de emblemen van de farao tot uiting. Hij draagt in de ene hand de roede of de gesel, in de andere hand de schaapherdersstaf, daarmede aangevende dat het zijn recht is zijn volk te leiden en te straffen.

De priesters zelf echter kennen zichzelf ongeveer gelijke rechten toe en hebben ‑ vooral in de grote steden ‑ zelfs hun eigen politiemacht. Zij proberen dan heel vaak via de weg van suggestie en massa­hypnose wonderen te verrichten, zoals lichtverschijnselen, verplaatsing van voorwerpen op wonderbaarlijke wijze binnen tempels e.d. Er is van een Isis‑tempel bekend, dat het beeld van Isis door on­zichtbare dragers door de lucht naar voren werd gevoerd. Het ging uit de altaar nis, die zich achter een groot gordijn tussen twee pilaren bevond. De gordijnen werden door onzichtbare handen (maar het waren menselijke handen) geopend en het beeld werd door telekinese op een soort draagstoel of schrijn gebracht, waarop de priesters het beeld dan verder ronddroegen. U begrijpt dat dit de tempel en de kloosters die ertoe behoorden zeer ten goede kwam.

Zij hadden ook de gewoonte om in elke tempel een aantal telepaten (vrouwen of mannen) op te leiden, die gebruik maakten van con­centratiemiddelen, zoals kleine gepolijste bollen, meestal van zilver of ook wel kleine piramiden. Waar men in rijke tempels en kloosters dergelijke mensen had, werden zeer gestileerde beelden gemaakt van God of Godin, die een aardbol of een zonneschijf droegen. Deze schijf was dan aan beide zijden bol en diende als een soort reflectievlak voor autohypnose.

Deze telepaten stonden met elkaar voortdurend in verbinding. Er waren wachten voor, zoals men tegenwoordig telegraafwacht heeft. Degene die een geheim op een dergelijke wijze had ontvangen en niet juist weergaf, kreeg drie mogelijkheden om proeven af te, leggen. Was het een man, dan werd hij als hij niet slaagde verwezen naar de slavenkwartieren. Was het een vrouw, dan word zij verwezen naar de priesteressen van Isis. De priesteressen van Isis in die afdeling waren laten we maar zeggen publieke vrouwen, die dienden in de liefdesdienst van Isis. Dat was niet altijd even aangenaam. Waren ze echter goed, dan werden zij voor elke belangrijke mededeling aanmerkelijk beloond, zodat er telepaten waren die huizen en landgoederen bezaten. Na een diensttijd van 5 tot 7 jaar kon men zich over het algemeen terugtrekken. Had men in de 7 jaar voldoende goederen en resultaten bereikt, dan kon men erop rekenen in de hogere priesterschap een redelijke plaats ingeruimd te vinden.

Het uittreden was een kwestie die meer geheim werd gehouden. Dit geschiedde door enkele priesters, ook wel priesteressen, die hogere inwijding hadden ontvangen. Het gebeurde over het algemeen onder leiding van de opperpriester van een tempel, die meestal werd geleid door de hogepriester van Amon. De hogepriester van Amon en van Re later van Amon‑Re waren degenen die beslisten over de noodzaak hiertoe, daar een dergelijk experiment vaak zeer ingewikkeld was.

Gezien het feit dat er zoveel gevaren bestonden voor een vol ingewijd priester, die al deze magische praktijken en rituelen moest kennen, ging men al heel snel ertoe over om voor deze priesters een bepaalde inwijdingsprocedure te, scheppen in apart daarvoor ontworpen tempels. In het begin waren dit rotstempels, d.w.z. tempelruimten, soms in een buitengewest zelfs zeer provisorisch waren uitgehouwen een steengroeve. Later deed men dit ook wel in rotsgraven.

Het bleek echter dat deze ruimten niet geheel geschikt waren. Hier kon men wel een voldoende inwijding bereiken, maar voor hogere krachten bestond er vaak een zekere remming om zich daar te openbaren en te uiten.

Het is dan ook begrijpelijk dat toen eenmaal de piramide‑rage opkwam (want dat is een modeverschijnsel geweest), men begon erover te denken om piramiden te gebruiken als een middel om juist hier bijzondere en goede inwijdingen te doen plaatsvinden. Hiertoe werden er enkele kleine piramiden gebouwd (die grotendeels weer teloor zijn gegaan). Er liggen er nog onder het zand bedolven voor de inwijding van de gewone priesters. Voor de hogere priesters werd toen de grote piramide van Kefir, of Cheops gebouwd. Want u moet niet vergeten, dat elke dienaar van de farao, evenals de farao zelf, ingewijd priester moest zijn. Zelfs de laagste kamerdienaar aan het hof moest de laagste priesterwijding hebben ontvangen.

In deze piramide onderging de in te wijden persoon de volgende beproevingen:

In de eerste plaats het neerdalen in het duister in een steeds nauwer wordende gang. Dit op zichzelf was al niet erg prettig. Op den duur moest hij naar boven gaan, kwam dan in een zeer nauwe gang terecht en zodra hij dieper genoeg was ingegaan, ging er een sluitsteen achter hem neer. Dat was natuurlijk erg onplezierig. Maar het symboliseert dat degene die de inwijding accepteert en een zekere wijle verder is gegaan, de weg terug niet meer kan gaan. Hij kan ondergaan in zijn inwijding of hij kan slagen, maar hij kan nooit meer terug naar de gewone mensheid.

Daarna ging men door een opgaande gang, waarin men plotseling – vergeet niet dat dit zeer onaangenaam was ‑ stootte tegen een draagbalk, een soort deur. Als die een klein eindje omhoog ging, moest men zich daar onderdoor worstelen, terwijl men de gedachte had dat een zwaar blok steen hem elk ogenblik zou kunnen vermorzelen.

Vervolgens verdergaand kwam men in een galerij (een tamelijk korte galerij) waarin men een ogenblik rechtop kon staan. Dit symboliseert dat de mens, die zover is gekomen dat hij de duisternis en de vernietiging van zijn wezen niet meer vreest, eindelijk een ogenblik kan ademhalen. Hij kan dus zijn inwijding verder ondergaan.

Daarna kwam men door een betrekkelijk korte en tamelijk hoge gang in een tweede galerij. In deze tweede galerij had men een aantal bakken met naftaline neergezet, zodat er een zeer onaangename geur was, terwijl bovendien fakkels daarin brandden. Men had nu plotseling iets geheel anders. Men was tot nu toe wel bedreigd geworden met de dood, maar met een betrekkelijk plotselinge en niet de niet te definiëren angst voor het donker. Nu wist men dat men om hier doorheen te gaan een zeer grote hoeveelheid moed moest hebben, want men zou zeer zeker pijn kunnen lijden. Men beweert (ik heb dat zelf helaas niet kunnen vaststellen), dat er bovendien in sommige gevallen, iets boven de vloer gloeiende, ijzeren staven werden neergelegd, zodat men ook nog snel daar tussendoor moest schrijden.

Als dit bereikt was, kwam men opzij in een kamer terecht die als koninginnekamer bekend staat. Hierin werden enige verversingen neergezet en een drank met een licht verdovende werking. Vóór die tijd had men gevast. Het was een zeer kleine maaltijd, maar voldoende om even moed te scheppen. Daarna werd men in de koningskamer gebracht (er waren natuurlijk ook andere priesters aanwezig in de piramide) en daar werd men alleen gelaten in een soort doodkist.

U zult zeggen dat dit op zichzelf reeds een verschrikkelijke beproeving is. Maar door de drank was de in te wijden persoon in hoge mate suggestibel geworden. En nu begon men eerst telepathisch die persoon nog weer allerhande verschrikkingen toe te zenden. En dat was natuurlijk ook niet erg prettig. Daarna werd er een uittreding bewerkstelligd en deze persoon geplaatst tegenover bepaalde kwade en goede geesten. Indien hij in staat was ook dit door te maken en zich daar te handhaven, dan keerde hij terug en had dan ondertussen ‑ dank zij de concentratie van de aanwezige priesters – een zodanige graad van instelling bereikt, dat hij onmiddellijk contact kon maken met hogere sferen en lichtende machten. Hierdoor verwierf hij dan ook zijn zgn. eigen sleutel; dus zijn eigen bewustzijn omtrent eeuwige waarden.

Die periode van inwijding bedroeg ongeveer 8 uren om de weg af te leggen tot in de koningskamer. Dan nog drie dagen, dus precies 3 keer 24 uur in de koningskamer. Daarna werd men in glorie naar buiten gedragen. Naar buiten klinkt misschien een beetje boud. Men werd op een soort slede en rollen naar buiten gebracht. Men was nl. in een uitgeputte toestand. Dan werd eerst weer uit de koninginnekamer een drank gebracht zodat de persoon in kwestie weer tot zichzelf kon komen. In sommige gevallen waren priesters aanwezig om zijn verklaringen op te schrijven.

Dit om u een klein idee te geven van de inwijdingsprocedure, die men volgde.

Het is begrijpelijk dat deze inwijding zonder meer niet genoeg was. Er ging over het algemeen een behoorlijke wetenschappelijke opleiding aan vooraf. Wanneer men die wetenschappelijke opleiding had (die hield in: rekenen, schrijven, enige primaire kennis van astronomie en astrologie plus een ander vak, wat dan kon zijn: psychologie, medische wetenschap, uittreding en telepathische verschijnselen, massahypnose en dergelijke tot staatkunde toe), dan had men dus een gedegen opleiding gekregen in bepaalde grondvakken en nog enkele andere vakken in een gespecialiseerde richting, die tevens bepaalden wat men later als ingewijde onder de mensen zou zijn. Daarna moest men de inwijding doormaken en dan eerst kon men worden opgenomen onder de hogere priesters van deze orde.

Bij de priesterschap van Isis waren deze gebruiken iets anders, zoals ook bij andere Goden, bv. Seth. Daar was het wel een zeer onaangename geschiedenis.

Bij Seth bestond de beproeving uit duisternis en ondergang, waartoe men o.a. in een groeve werd gelegd waarboven een rund werd geslacht. Daarna wierp men, in de kuil met bloed bovendien nog enkele slangen, die eerst na enige uren weer daaruit werden weggelokt. Daar was dus de beproeving voor moed veel groter en had men bovendien de onaangename taak een aantal offers te brengen, waaronder over het algemeen het doden van enkele misdadigers. Dit is begrijpelijk, want Seth was de God van de onderwereld.

Elke God had dus weer zijn eigen geheimen, maar deze door mij beschreven, behoren tot de hoogste.

Nu moeten wij ons goed realiseren dat de Egyptenaren sterk afhankelijk waren van de jaargetijden. Zoals bekend was de vloed, de overstroming van de Nijl, van heel groot belang. Verder waren de zuiverheid van de oogst, maar ook de gunstige zaaitijd belangrijk, terwijl de droge tijd ook van groot gewicht kon worden geacht, daar juist in deze tijd bepaalde spijzen werden geprepareerd in de open lucht.

Het is dan ook begrijpelijk dat de priesterschap van deze perioden gebruik maakte om speciale betekenissen daaraan toe te kennen (hierdoor de nadruk leggend op de verplichtingen die elkeen in zo’n bepaalde tijd had) en daarbij een zeer grote verering voor de Nijl zelf te ontwikkelen. De Nijl was een God, waarin iedereen kon geloven, zelfs de eenvoudigste. Want indien die niet wilde komen, dan betekende dat een jaar van armoede.

Zo had men dan zeer vele plechtigheden gecreëerd. Het is misschien de moeite waard te vermelden dat de wonderen die Mozes verrichtte (o.a. waarbij de Nijl rood werd) dit ook door de priesters met bepaalde kunstmatige kleurstoffen soms werd veroorzaakt. Want als de Nijl toornig was, dan zorgden ook zij dat een zekere kleurstof werd uitgestort; die werd dan in de bovenloop, vlak onder de vallen uitgestort. Dit konden zij doen omdat zij daar een klooster hadden met een zeer sterke Nubische bezetting, fort en klooster tegelijk. Verkleuring van de Nijl was dan een teken voor de grote toorn van de Nijl god en dus ook van alle Goden en tevens een reden voor de kloosters om tribuut te eisen, dat ze op een andere manier niet zo gemakkelijk loskregen.

  • Dan begrijp ik niet, waarom de Egyptenaren dan zo onder de indruk waren van de plagen?

U vergeet één ding. Degenen die niet onder de indruk kwamen, waren de priesters. Maar ze konden moeilijk hun bedrog aan het volk toegeven, zonder zichzelf tot slachtoffers van de volkswoede te maken. Vandaar dit bijbels verhaal dat ‑ als u mij toestaat dit op te merken – niet zozeer een duel was tussen Mozes en de farao (ook al stelt men het zo voor), maar in werkelijkheid tussen Mozes en de priesters. Mozes had in Egypte een priesteropleiding gehad. Hij was opgevoed aan het hof. Hij was goed geschoold, evenals zijn broeder Aron. Deze was ook geschoold, al was hij niet zijn echte broeder. Het is dus wel duidelijk dat hier twee priesters, bekend met alle trucjes, de Egyptenaren met hun eigen wapens verslaan.

Daarvoor spreekt ook dat zij niet alleen gebruik maken van suggestie, maar ook van bestaande omstandigheden. Mag ik u erop attent maken dat als er zekerheid was, dat er in de woestijn weer veel sprinkhanen nestelden (u weet, de sprinkhanen hebben kleine plekjes op enigszins vruchtbaar gebied in de woestijn, waar zij hun eieren leggen en daardoor het aantal van de dieren zo toeneemt dat ze gaan uitzwermen) en men had dat waargenomen, dan zochten de priesters de één of andere reden om een God vertoornd te laten zijn. Dan kwamen de sprinkhanen en was er weer een plaag door de Goden gezonden. Vandaar de plagen die Mozes voorspelde.

Het is helemaal niet vreemd dat hij wist dat die dieren er waren en zouden komen. Zelfs dat ook de padden zouden komen. Hij was immers uit de gebieden van de herders naar Egypte getrokken. Hij heeft dus de woestijnen en moerassen moeten doortrekken en heeft daarvan gebruik kunnen maken.

Hiermee wil ik maar zeggen dat de priesterschap van Egypte zich zeker niet ontzag om tegenover het volk op grote schaal bedrog te plegen. Toch mogen we niet zeggen dat deze priesters nu werkelijk alleen maar slechte mensen en bedriegers waren. Integendeel. Zij waren het prototype van de magiër. De magiër die van bedrog gebruikt maakt, zolang het mogelijk is en pas tot werkelijk ook voor hem gevaarlijke middelen overgaat, als het niet anders kan. Mag ik u eraan herinneren dat zelfs de laatste magiërs die Europa heeft gekend dezelfde fouten hadden?

We moeten dus vaststellen dat de mentaliteit van de Egyptische priesters anders was dan tegenwoordig. Zij hebben iets weg van Machiavelli. Zij zochten voor zichzelf een zodanige verklaring te vinden, dat zij elke daad konden volbrengen met een gerust geweten. Zij gingen daarbij uit van de mening dat omwille van het behoud van de macht, die gebruikt behoorde te worden ten behoeve van de gemeenschap ‑ onthoudt u dat wel‑ alle middelen waren geoorloofd.

In de latere tijden bestaan ook soortgelijke orden, inderdaad. Ofschoon het bij de Jezuïeten niet precies zo wordt gezegd. Bij de Jezuïeten heet het dat alle middelen geheiligd worden door het doel, zolang zij in overeenstemming zijn met de regels van de orde en de leringen van de kerk. Daar is dus wel een beperkende bepaling aan verbonden.

Het zijn de priesters die eigenlijk Egypte hebben gemaakt tot de grote staat die het was. Nadat de priesters hun gezag begonnen te verliezen, zien we ook dat Egypte vervalt.

Egypte is een staat geweest door magiërs geregeerd. Dit blijkt zelfs uit het beeldschrift dat zij aannamen. Wie zich de moeite getroost te zien hoe de verschillende beeldwoorden zorgvuldig in kleuren werden neer gepenseeld, wie zich verder de moeite getroost de symboliek te zien, die in elke overigens tweedimensionale voorstelling steeds weer naar voren komt, zal zich realiseren dat hier een magische achtergrond ligt in elke uitdrukking.

Wanneer op een fragment ‑ in een graf gevonden ‑ een farao wordt afgebeeld, krijgsgevangenen voortsleurend, dan is dit niet, zoals het Westen tegenwoordig weleens interpreteert een onrechtvaardige verheffing van de farao. De farao staat voor het symbool van de goddelijke macht in de staat, want de farao is geboren uit de zon, de directe afstammeling van de zonnegod. Hij symboliseert de God die alles overwint. Als hij groter wordt afgebeeld dan een ander, dan is ook dit weer begrijpelijk, want is hij niet door zijn onmiddellijke afstamming van God dichter tot God genaderd dan ieder ander? Dan zijn de graduele verschillen, die wij op de beelden en afbeeldingen vinden een teken van de verschillende geestelijke waarderingen (niet de stoffelijke waarderingen) die werden toegekend aan de mens.

Dit vroeg dan ook van de priesters een sterk gestileerde stijl. Want alles in de stijl moest het symbool zijn voor de geestelijke gesteldheid. Eerst hij, die zich Ichnaton noemde, is daarvan afgeweken. Maar al zeer snel heeft men zijn meer naturalistische opvattingen weer doen vervangen door het sterk gestileerde dat de Egyptische mode is.

Egypte is het land waarin alles direct of indirect gereleerd is met Goden. Alle Goden zijn ‑ daar is men zich van bewust ‑ krachten die samenwerken. Ze kunnen worden verdeeld in twee legers:

  1. de legers van het licht, van de bovenwereld.
  2. de legers van het duister, van de onderwereld.

Daartussen is een middelaar: 0siris. Osiris, die gaande langs de hemelen des avonds met zijn boot de duistere wereld invaart, in slaap valt, de gevaren van het duister passerende, komende bij de poort der wereld, zich weer opstelt op de boeg van zijn vaartuig en de flambouw, de fakkel, weer ontsteekt. Het is kentekenend voor de opvatting van Egypte, dat hij de dode mens, de nieuwe Osiris noemde. Hij wist wel degelijk dat Osir of Osiris het symbool was van een steeds zichzelf vernieuwende levensgang.

Daarachter kenden de priesters de grote God. Deze kende de massa niet, want die werd verblind door de veelheid van tempels, beelden, priesters en erediensten.

Toch heeft Egypte een kern gelegd voor het ééngodendom, zelfs in zijn veelgodendom. En veel van de wijsheid, die ook in het christendom nog meeklinkt, evenzeer als in de moderne oosterse leringen, is reeds terug te vinden in het vroege Egypte.

  • De farao’s moesten dus ook een inwijding doormaken. Gebeurde het wel eens dat zij zakten en dat er dan een ander de farao werd?

Het is wel eens gebeurd. Maar in een dergelijk geval werd de farao ziek. Een farao faalde nooit, want hij kon voor het volk niet falen. omdat hij in de ogen van het volk een zoon van een God was. Maar we weten wel dat de farao in sommige gevallen dan terugkeerde in ze­gepraal, terwijl hij in werkelijkheid de beproevingen niet had door­staan en dan later stierf, hetzij aan een hersenoperatie, hetzij op een jachtpartij, hetzij door een vergiftigde dronk. Dat was zeer ge­makkelijk te doen voor de priesters, daar zij de heelmeesters waren en zij de farao voor een beetje hardlijvigheid een flinke dosis strych­nine konden toedienen, wat een methode was die zij inderdaad toepas­ten.

De priesters gingen van het standpunt uit dat alleen een waardig farao, iemand die volledig deel was van hun groep, inderdaad recht had. Een uitzondering moeten we echter maken voor de farao’s, die als geweldenaren, aanvoerders van legers, bezit namen van de troon. Deze werden over het algemeen voor de keuze gesteld: een mentor uit de priesters te aanvaarden, zonder een inwijding te ondergaan ofwel een inwijding te zoeken ofwel te sterven. De meesten hebben in dat geval een mentor gekozen als de eenvoudigste weg.

  • De koningstitel, ging die over van vader op zoon?

Deze koningstitel ging officieel over van vader op zoon. Maar er zijn verschillende perioden bekend dat een ander geslacht de farao-titel overnam. In een dergelijk geval is het opvallend, dat de priesters onmiddellijk daarna proclameren dat ergens in het verleden een directe band te vinden is met het voorgaande geslacht. Dat is dus een kwestie van politiek.

Kijkt u eens, de farao wist dat hij geen God was en dat wisten priesters ook. Maar het volk mocht het niet weten. Dat gaat ook tegenwoordig vaak zo. Er wordt veel tegen u gezegd, dat eigenlijk dient u te verhullen wat anderen weten. Is dit onwaarheid, dan acht men zich gerechtvaardigd door het feit dat u in het oude gezag en met uw oude bewustzijnstoestand zo’n persoon of macht zult aanvaarden.

Mag ik aannemen dat uw aller belangstelling en nieuwsgierigheid is tevreden gesteld?